Index 
Debatten
PDF 1099k
Maandag 17 november 2008 - Straatsburg Uitgave PB
1. Hervatting van de zitting
 2. Welkomstwoord
 3. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 4. Samenstelling Parlement: zie notulen
 5. Onderzoek geloofsbrieven: zie notulen
 6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 7. Ondertekening van volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen besluiten: zie notulen
 8. Rectificaties (artikel 204 bis van het Reglement): zie notulen
 9. Verzoek om urgentverklaring: zie notulen
 10. Ingekomen stukken: zie notulen
 11. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen
 12. Vervallen schriftelijke verklaringen: zie notulen
 13. Verzoekschriften: zie notulen
 14. Aan de standpunten en resoluties van het Parlement gegeven uitvoering: zie notulen
 15. Van de Raad ontvangen verdragsteksten: zie notulen
 16. Kredietoverschrijvingen: zie notulen
 17. Regeling van de werkzaamheden
 18. Spreektijd van één minuut over kwesties van politiek belang
 19. Welkomstwoord
 20. Spreektijd van één minuut over kwesties van politiek belang (vervolg)
 21. EMU@10: Tien jaar Economische en Monetaire Unie (debat)
 22. Aanbevelingen over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (debat)
 23. Algemene regeling inzake accijns (debat)
 24. Obstakels voor de hervorming van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (debat)
 25. Consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken (korte presentatie)
 26. Scorebord voor de consumentenmarkten (korte presentatie)
 27. Steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (korte presentatie)
 28. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 29. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: HANS-GERT PÖTTERING
Voorzitter

(De vergadering wordt om 17.00 uur geopend)

 
1. Hervatting van de zitting
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik verklaar de vergadering, die op donderdag 23 oktober 2008 is onderbroken, te zijn hervat.

 

2. Welkomstwoord
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Beste collega’s, de EuroMedScola heeft vandaag en gisteren hier in Straatsburg zijn programma afgerond. Met veel genoegen hebben we meer dan 250 jongeren in de leeftijd van zestien tot achttien jaar ontvangen, die afkomstig waren uit het Euromediterrane gebied – dus de Unie voor het Middellandse Zeegebied met de 27 lidstaten van de Europese Unie en de partnerlanden in de regio, oftewel in totaal 37 landen.

De deelnemers hebben intussen boven op de tribune plaatsgenomen. In de afgelopen twee dagen hebben ze over een lange reeks onderwerpen gesproken, zoals het milieu, immigratie, gelijkheid, de rol van de burger, onderwijs en nog veel andere kwesties. Dit is een van de resultaten van de samenwerking tussen de Europese Unie en de landen ten zuiden van de Middellandse Zee.

Er zijn hier ook scholieren uit Israël, Palestina, de Arabische staten, en alle landen van de Europese Unie geweest en ik wil onze jonge vrienden op de tribune graag van harte welkom heten. Het zijn fantastische dagen geweest en ik ben dankbaar dat ik jullie heb kunnen ontmoeten. Nogmaals hartelijk welkom in het Europees Parlement.

 

3. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
Video van de redevoeringen

4. Samenstelling Parlement: zie notulen
Video van de redevoeringen

5. Onderzoek geloofsbrieven: zie notulen
Video van de redevoeringen

6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
Video van de redevoeringen

7. Ondertekening van volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen besluiten: zie notulen
Video van de redevoeringen

8. Rectificaties (artikel 204 bis van het Reglement): zie notulen
Video van de redevoeringen

9. Verzoek om urgentverklaring: zie notulen
Video van de redevoeringen

10. Ingekomen stukken: zie notulen

11. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen

12. Vervallen schriftelijke verklaringen: zie notulen

13. Verzoekschriften: zie notulen

14. Aan de standpunten en resoluties van het Parlement gegeven uitvoering: zie notulen

15. Van de Raad ontvangen verdragsteksten: zie notulen

16. Kredietoverschrijvingen: zie notulen

17. Regeling van de werkzaamheden
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – De definitieve ontwerpagenda van deze plenaire vergadering die door de Conferentie van voorzitters is opgesteld overeenkomstig de artikelen 130 en 131 van het Reglement tijdens haar vergadering van donderdag 13 november 2008, is rondgedeeld. Er is een verzoek ingediend om deze als volgt te wijzigen.

Woensdag:

De Sociaal-democratische Fractie heeft verzocht om de verklaringen van de Raad en de Commissie over de situatie in de auto-industrie op te nemen in de agenda van morgen. Er zij op gewezen dat de mondelinge vraag over de herziening van de aanbeveling betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten in dat geval verplaatst moet worden naar de agenda voor donderdag.

 
  
MPphoto
 

  Hannes Swoboda, namens de PSE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, iedereen in dit Parlement weet natuurlijk dat de auto-industrie in de Europese Unie in een zeer moeilijke situatie verkeert – gedeeltelijk in samenhang met de kritieke ontwikkeling van de auto-industrie in Amerika. Daarom meen ik dat het zeer nuttig zou zijn als wij van de Commissie een mededeling zouden krijgen waarin zij haar kijk op de crisis geeft en aangeeft wat volgens haar de mogelijke oplossingen zijn – want het gaat onder andere ook om staatssteun – en welke concurrentiebepalingen etc. in acht genomen moeten worden. Ik beschouw dit als een belangrijke kwestie.

Ik wil hier echter meteen aan toevoegen dat het ons er niet om te doen is dat de milieudoelstellingen voor de auto-industrie afgezwakt of opgeschort worden. We willen dat deze milieudoelstellingen uit- en doorgevoerd worden, maar tegelijkertijd moet het ook mogelijk zijn dat we hier met een vertegenwoordiger van de Commissie over de economische problemen van de auto-industrie spreken. Dat is ons verzoek en ik hoop dat we hiervoor brede steun krijgen.

 
  
 

(Het Parlement willigt het verzoek in)

(Het Parlement neemt de aldus gewijzigde agenda aan)(1)

 
  
MPphoto
 

  Koenraad Dillen (NI). - Voorzitter, een motie van orde op basis van artikel 7 van het Reglement: ik zou kort willen protesteren tegen het feit dat het verslag-Lehne, waarover normaal gezien vanavond gedebatteerd had moeten worden en dat gaat over de onschendbaarheid van mijn collega Frank Vanhecke, vanavond van de agenda is gehaald. Er vindt dus geen debat plaats, in tegenstelling tot hetgeen op de oorspronkelijke agenda stond.

Ten tweede zou ik willen protesteren tegen het feit dat rapporteur Lehne, na de behandeling van het verslag in de commissie, dit verslag niet aan de betrokkene heeft willen doen toekomen met de opmerking dat dit pas na bespreking in de plenaire vergadering aan hem ter hand zou worden gesteld. Wel werd het 's avonds al op de Belgische televisiezender VRT uitgebreid besproken en was het dus uitgelekt. Dus ik zou graag hebben dat u nagaat hoe het komt dat dit vertrouwelijke verslag, waar de betrokkene geen inzage in kreeg, 's avonds al wel op de Belgische televisie besproken kon worden en toch niet zo vertrouwelijk bleek te zijn.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – We nemen hiervan kennis. Ik kan en zal u niet geruststellen, maar wat ik u wel kan zeggen is dat zelfs brieven die door mij zijn geschreven en absoluut vertrouwelijk door mijn medewerkers zijn behandeld soms opduiken in de media. Het treft dus niet alleen u, maar het blijft een ongelukkig gegeven. We hebben er kennis van genomen en zullen kijken wat we eraan kunnen doen.

 
  

(1) Voor verdere wijzigingen op de agenda: zie notulen.


18. Spreektijd van één minuut over kwesties van politiek belang
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang.

 
  
MPphoto
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, op 4 en 5 december 2008 zal het Europees Parlement een aantal voorstellen bespreken tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten voor de periode 2013-2020.

Het voorstel voorziet vanaf 2013 al een enorme toename in de veiling van emissierechten. Hoewel vandaag de dag 90 procent van de broeikasgasemissierechten kosteloos aan industriële installaties worden gegeven, stelt de nieuwe richtlijn dat deze vanaf 2013 volledig geveild moeten worden.

In het geval van Roemenië zal dit zeer ernstige gevolgen hebben voor de hele economie en de industrie zwaar treffen. Veel industriële bedrijven zouden zich moeten verplaatsen naar derde landen met minder klimaatbescherming, wat tot prijsstijgingen zal leiden en het Roemeense ontwikkelingsproject voor infrastructuur zal vertragen. Daarom wil ik u verzoeken Roemenië de rechten voor CO2-certificaten voor de hele periode kosteloos te verstrekken.

 
  
MPphoto
 

  Miguel Angel Martínez Martínez (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, gisteravond hebben de Franse en Spaanse politie in een gezamenlijke en uiterst soepel verlopen operatie op Frans grondgebied Txeroki opgepakt, een van de belangrijkste en wellicht meest wrede leiders van de ETA, die al meer dan zes jaar werd gezocht wegens diverse moorden en aanslagen.

Met inachtneming van de nodige voorzichtigheid die bij dit soort onderwerpen geboden is, ben ik van mening dat dit heel goed nieuws is en ik ben ervan overtuigd dat het Parlement in onze voldoening deelt, die onze afkeer in andere gevallen compenseert, toen we het over de misdaden van deze organisatie moesten hebben.

Dit is een hele belangrijke slag voor deze terroristische organisatie en we moeten de politie, de regeringen en de bevolking van Frankrijk en Spanje feliciteren met het succes van deze operatie. We mogen ook elkaar feliciteren met het voorbeeld dat van de internationale samenwerking is uit gegaan als essentieel middel in de strijd tegen het terrorisme.

Dan, mijnheer de Voorzitter, wil ik eindigen met de opmerking dat terroristen moeten weten dat dit hun lot zal zijn: opgepakt worden en aan justitie worden overgedragen, om met jarenlange celstraffen te boeten voor hun misdaden, of in ieder geval de misdaden die bewezen kunnen worden.

 
  
MPphoto
 

  Viktória Mohácsi (ALDE). (HU) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Dames en heren, het is bijna tien maanden geleden dat het Europees Parlement een resolutie heeft aangenomen waarin de Europese Commissie om een EU-strategie ten aanzien van de Roma wordt gevraagd. De Commissie is op een werkdocument, een zogenaamd staff working document, na zelfs op de historisch genoemde EU-Roma-top met niets nieuws gekomen.

Ondertussen wonen de Roma in Kosovo nog altijd in levensgevaarlijke, met lood vervuilde nederzettingen en zijn er in Hongarije gedurende deze periode in negen gemeenten aanvallen gepleegd met Molotov-cocktails of vuurwapens op huizen van Roma-families. Het laatste, zeer verdrietige toneel van zulke aanvallen was Nagycsécs, waar twee Roma die uit hun brandende huis probeerden te vluchten, koelbloedig werden doodgeschoten met een geweer geladen met hagel.

In dezelfde periode zijn er, volgens rapporten van maatschappelijke organisaties, de laatste maanden bijna 30 000 Roma uit Italië gevlucht vanwege het harde optreden van de politie en de vijandige sfeer jegens de Roma. Hierbij komt nog de economische crisis, waardoor – laat daarover geen twijfel bestaan – in de eerste plaats de achtergestelde, straatarme klassen en de Roma zullen worden getroffen. Ik wil elke verantwoordelijke politicus er graag aan herinneren dat dit nog een reden is om een Europese strategie ten aanzien van de Roma uit te werken. Dank u zeer.

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Rogalski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de kwestie van de ringweg rond de Poolse stad Augustów aan de orde willen stellen. Het arrest van het Europees Hof van Justitie laat nu al geruime tijd op zich wachten. In de tussentijd hebben zich nieuwe dodelijke verkeersongevallen met voetgangers voorgedaan. Er rijden jaarlijks om en nabij de twee miljoen vrachtwagens door het centrum van de stad. De Europese Commissie heeft alle investeringen in vervoersinfrastructuur in de regio Podlasie stilgelegd met het oog op de vele projecten voor natuurreservaten in dit gebied. Deze aanpak zet echter een belangrijke rem op de toekomstige ontwikkeling van de regio.

Door het besluit van de Europese Commissie verandert dit gebied in een soort etnografisch openluchtmuseum dat naar het voorbeeld van een aantal West-Europese landen een pittoreske toeristische attractie kan worden. Als de ringweg rond Augustów niet wordt aangelegd omdat het milieu tot elke prijs moet worden beschermd, zonder daarbij aandacht te besteden aan de behoeften van de mens, heeft dit tot gevolg dat de inwoners van Noordoost-Polen de kans op ontwikkeling en een waardig leven wordt ontnomen. De Europese Commissie moet dit aspect eveneens in overweging nemen. Het spreekt voor zich dat de natuur moet worden beschermd, maar niet ten koste van het menselijke leven.

 
  
MPphoto
 

  László Tőkés (Verts/ALE). (HU) Geachte mijnheer de Voorzitter. ‘Ik wil erbarmen, geen offers’: deze woorden van Jezus weerklinken in onze ziel, als we te maken krijgen met om zich heen grijpende gewelddadigheid en genadeloosheid op de wereld. Terreur en geweld zijn nog pijnlijker als deze middelen worden ingezet in naam van een fundamentalistisch geloof of religieuze exclusiviteit.

Juist daarom moeten we protest aantekenen tegen de wrede executie van het dertienjarige meisje uit Zuid-Somalië, dat nadat ze door drie mannen was verkracht, op grond van de uitspraak van de islamitische rechtbank van de opstandelingen werd gestenigd. Ook moeten we protesteren tegen de vervolging van leden van de christelijke minderheid in Irak die met duizenden door militante sjiieten zijn verdreven uit hun woonplaats Mosul en omgeving.

In de geest van onze Europese christelijke traditie, religieuze tolerantie en oecumenische broederschap moet de Europese Gemeenschap op de bres staan en in actie komen om de slachtoffers en de vervolgden van religieus geweld te beschermen.

 
  
MPphoto
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL). - (PT) In Portugal strijden werknemers in de meest uiteenlopende sectoren voor hun rechten. We betuigen hier onze solidariteit met alle werknemers die strijd voeren. In het bijzonder steunen we de moedige strijd van de leerkrachten en de indrukwekkende demonstratie die 8 november jongstleden in Lissabon 120 000 leerkrachten uit alle hoeken van het land op de been heeft gebracht. Dat betekent dat bij deze tweede grote demonstratie in zes maanden tijd 80 procent van de beroepscategorie betrokken was. Daarna zijn er nog andere acties van leerkrachten geweest ten bewijze van het feit dat zij vastberaden zijn de strijd voor de verdediging van het openbaar onderwijs en de waardering voor hun werk voort te zetten. Het openbaar onderwijs is van fundamenteel belang voor de vorming van de jongere generaties en voor de ontwikkeling en vooruitgang van Portugal, dat tot de landen behoort met de laagste indicatoren voor afgeronde schoolopleidingen in de Europese Unie.

Wij steunen ook de strijd van de mijnwerkers van Pirites Alentejanas, in Aljustrel, tegen het stilleggen van de winning van pyriet waartoe de multinational zes maanden na de heropening van de mijn besloten heeft en waardoor meer dan zeshonderd mensen werkloos zijn geworden. Het is hoognodig maatregelen te nemen om te voorkomen dat in dit achterstandsgebied de werkloosheid toeneemt en het land er armer op wordt.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Georgiou (IND/DEM). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou het Parlement graag op de hoogte willen brengen van het feit dat een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie de afgelopen drie dagen, van 14 tot 16 november, het Griekse continentale plat met marineschepen heeft bezet. Ik ben echter niet van plan om Griekenland te gaan verdedigen. Het Griekse continentale plat is ook deel van het Europese continentale plat en Europa lijkt zich niet te bekommeren om de bescherming van haar soevereine rechten in het gebied.

Ik vraag me af hoe een land dat zich zo gedraagt, met zulk een onbeschaamde houding en met zulke bedoelingen, lid kan worden van Europa en hoe we dit Aziatische land dat zich zo misdraagt, kunnen accepteren als onderdeel van Europa.

 
  
MPphoto
 

  Irena Belohorská (NI). – (SK) In oktober vorig jaar heb ik een schriftelijke verklaring ingediend waarin ik waarschuwde voor de opkomst van een extreem-rechtse organisatie genaamd de Hongaarse Garde. De passiviteit van de Hongaarse autoriteiten heeft, in combinatie met onze onverschilligheid op Europees niveau, vruchten afgeworpen. Dit fascisme is nu ook naar Slowakije overgewaaid.

We mogen niet werkeloos toekijken bij de provocaties van de afgelopen twee weken. Op 8 november marcheerden 28 leden van de Hongaarse organisatie in replica’s van fascistische uniformen door de Slowaakse stad Kráľovsky Chlmec en legden een krans voor de oorlogsslachtoffers met het provocerende opschrift Ik geloof in een herboren Hongarije. Het vervult mij met afschuw dat het ingrijpen door de Slowaakse autoriteiten in Europa onopgemerkt is gebleven.

Hoe is het mogelijk dat juist op het moment dat Europa herdenkt dat de Kristallnacht zeventig jaar geleden plaatsvond, een lidstaat het bestaan van organisaties zoals de Nyilas, de Hongaarse Garde, Jobbik of Hnutie 64 op haar eigen grondgebied toestaat? Kunnen we werkelijk onverschillig staan tegenover het feit dat dit een demonstratie van minachting is voor de miljoenen slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog of het feit dat fascisten door de steden van een van onze lidstaten kunnen marcheren?

 
  
MPphoto
 

  Ján Hudacký (PPE-DE). – (SK) Op de dag dat we vieren dat het negentien jaar geleden is dat de Fluwelen Revolutie in voormalig Tsjecho-Slowakije plaatsvond, wil ik graag mijn bezorgdheid uiten over het beleid van de huidige Slowaakse regering, met name op het gebied van de economie, dat veel wegheeft van het beleid van de periode vóór november 1989.

De pogingen om de particuliere sector volledige onder politieke controle te krijgen en de staatsinmenging op het gebied van de regelgeving die deze regering toepast, zijn onaanvaardbaar in een gezond marktsysteem. Door een wijziging van de wet op prijzen en het strafrecht is de deur geopend naar nieuwe prijsregulering in verband met de overgang naar de euro, waarbij gevangenisstraffen van wel drie jaar mogelijk zijn voor kleine handelaren en dienstaanbieders.

Naast de maatregelen inzake de verhoging van de energieprijzen heeft de regering, zogenaamd in het algemeen economisch belang, een reeks populistische uitspraken gedaan en dreigementen geuit, geprobeerd om een aantal particuliere bedrijven in de energiesector te onteigenen en een voorstel gedaan voor harde, open en oppervlakkige regelgevingsmaatregelen gericht tegen particuliere lichamen.

De bovengenoemde maatregelen, die zogenaamd bedoeld zijn om de financiële crisis en de economische recessie het hoofd te bieden, zullen een verdere noodzakelijke liberalisering tegengaan, het marktklimaat verslechteren en potentiële investeerders afschrikken.

 
  
MPphoto
 

  Marek Siwiec (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, op 14 november heeft, zoals ieder jaar, in Poznań de mars van de gelijkheid plaatsgevonden. Een groep jonge collega's, leden van de Federatie van jonge sociaaldemocraten, nam deel aan de optocht met de slogan 'diversity yes, intolerance no'. Deze actie maakt deel uit van een bredere campagne over tolerantie die door de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement nu al enkele maanden in heel Europa wordt gevoerd. Na afloop van de betoging werd de groep aangevallen door een tiental brutale criminelen die mijn collega's in elkaar hebben geslagen en hun spandoeken met het logo van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement hardhandig hebben afgenomen. Een van de slachtoffers moest in het ziekenhuis worden opgenomen. Ik verwacht dat de daders van dit incident door de Poolse autoriteiten worden opgespoord en gestraft. Ik verwacht eveneens dat politiek geïnspireerd geweld, dat de dialoog naar de achtergrond wil verdringen, algemeen wordt veroordeeld door politiek actieve mensen.

 
  
MPphoto
 

  Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Top EU-Rusland in Nice, die afgelopen vrijdag eindigde, werd in allerijl belegd om aanwezigheid op de bijeenkomst van de G20 mogelijk te maken. De Europese Unie heeft daarmee besloten de onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst met Rusland te hervatten en is bijgevolg ingegaan tegen haar eigen beslissing van 1 september van dit jaar om niet met Rusland te onderhandelen vooraleer de Russische strijdkrachten zich uit de bezette gebieden in Georgië zouden terugtrekken. De Europese Unie gedraagt zich in deze kwestie als een oude man die zich nog precies herinnert wat hij vijftig jaar geleden heeft gedaan toen het Verdrag van Rome werd gesloten, maar niet meer weet wat er twee maanden geleden is gebeurd toen de Europese Unie zichzelf en heel Europa beloften heeft gedaan over deze belangrijke aangelegenheid. De Unie komt vandaag niet alleen terug op haar eigen voornemens, maar veegt ook onze gezamenlijke overeenkomst van 1 september onder de mat.

In dit verband rijst de vraag of de mensenrechten waarvoor wij ons in dit Parlement vaak in de hele wereld inzetten, niet ook van toepassing moeten zijn op Europese landen als Georgië en Rusland. Naar mijn mening gedraagt de Europese Unie zich in deze kwestie gewoonweg als Pontius Pilatus.

 
  
MPphoto
 

  Monica Frassoni (Verts/ALE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, misschien heeft u ook gehoord dat de afvalcrisis in Campanië voorbij is. Welnu, dat is niet het geval, want enkele dagen geleden is er in Chaiano – waar één van die beruchte stortplaatsen van Berlusconi had moeten komen – 12 000 ton asbest en giftig afval ontdekt, waarvan eigenlijk niemand weet waar het vandaan komt.

Er is op dit moment in Italië een decreet van kracht dat duidelijk ingaat tegen alle Europese wetgeving, met name tegen de regelgeving in verband met de bescherming van de gezondheid en effectbeoordelingen. Bovendien wordt de hele situatie als een staatsgeheim behandeld, want de betreffende gebieden zijn volledig afgesloten voor het verstrekken van informatie over wat er gaande is.

Wij hebben aan de Commissie gevraagd tussenbeide te komen. Dat is volgens ons nodig, want 10 000 ton asbest en giftig afval in de open lucht vormt voor iedereen een gevaar. Wij hopen dat commissaris Dimas optreedt en dat hij dat in het openbaar doet.

 
  
MPphoto
 

  Árpád Duka-Zólyomi (PPE-DE). (HU) Mijnheer de Voorzitter, het is onaanvaardbaar dat de Slowaaks-Hongaarse betrekkingen zich ontwikkelen volgens de intenties van extremistische krachten. We veroordelen degenen die de verhouding tussen de twee volkeren bederven resoluut, want we kennen de daders. In Slowakije laat de regeringspartij, de Slowaakse Nationale Partij, de spanningen hoog oplopen met betogen vol haat die gericht zijn tegen de minderheden, met uitvallen die het volk in een kwaad daglicht stellen en met denigrerende uitlatingen over de Hongaren. In Hongarije zijn het juist niet de regeringsmachten die erop gebrand zijn om overtrokken te reageren op deze aanvallen, maar extremistische groeperingen buiten het parlement. Dat is een wezenlijk verschil.

Beide moeten echter worden veroordeeld. Een van de redenen voor de verslechtering van de verstandhouding tussen de twee volkeren is dat de Sociaal-democratische Fractie haar ogen sloot voor het coalitiebeleid van de SMER, daarbij de Slowaakse Nationale Partij aanmoedigend om een extremistisch en uitdrukkelijk antiminderhedenbeleid te voeren. Daarom was het besluit van de Sociaal-democratische Fractie niet juist dat ze de SMER opnieuw in haar gelederen heeft opgenomen, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor extremistische anti-Hongaarse uitingen. Helaas geeft de regeringscoalitie in Bratislava de verbetering van de Slowaaks-Hongaarse betrekkingen geen kans. Dank u.

 
  
MPphoto
 

  Hannes Swoboda (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil daar nu niet in detail op ingaan, maar ik denk dat mijn collega – en wij kunnen uitstekend met elkaar opschieten – heel goed weet dat de Sociaal-democratische Fractie van Europa zeer kritisch tegenover de coalitie en in het bijzonder tegenover de partij van de heer Slota staat.

Het wordt nu echter tijd dat beide landen erover nadenken – vooral na de zeer welkome ontmoeting tussen premier Fico en premier Gyurcsány – hoe ze de problemen gezamenlijk vreedzaam kunnen oplossen en hoe ze de radicalen de mond kunnen snoeren. Op dat punt zijn wij het eens: we kunnen het de radicalen niet toestaan steeds weer nieuw gif rond te strooien. Dat geldt zeker ook voor het verbale radicalisme van een zekere heer Slota, maar vooral ook voor de Hongaarse Garde. Ik verzoek beide landen en beide premiers, alsmede alle fracties in dit Parlement zich ervoor in te spannen dat de radicalen het zwijgen wordt opgelegd, dat hun grensblokkades worden verhinderd en dat wordt geluisterd naar de vredelievende mensen die de minderheden willen beschermen en willen steunen.

 

19. Welkomstwoord
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, het is mij een groot genoegen een groep voormalige leden van het eerste vrij gekozen parlement van de DDR op de officiële tribune te verwelkomen.

Dit parlement ging de geschiedenisboeken in toen het besloot Duitsland te herenigen. Kort nadien heeft het zichzelf ontbonden. De voorzitster van de toenmalige Volkskammer, dr. Sabine Bergmann-Pohl, staat aan het hoofd van de delegatie. Hartelijk welkom in het Europees Parlement.

(Applaus)

 

20. Spreektijd van één minuut over kwesties van politiek belang (vervolg)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  Jim Higgins (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het eCall-systeem in motorvoertuigen is een grote vooruitgang voor noodhulpdiensten om de plek van een ongeval zo spoedig mogelijk te bereiken. Het systeem stelt de exacte locatie van een ongeval vast, zodat medische hulpdiensten, politie en brandweer zo snel mogelijk ter plaatse kunnen zijn. Dit is vooral van belang in geïsoleerde en plattelandsgebieden en met name in het geval van auto-ongelukken.

eCall wordt in veel EU-landen nu standaard ingebouwd in alle nieuwe auto’s. Helaas is het niet beschikbaar in mijn eigen land, Ierland, waar nog steeds een onaanvaardbaar hoog aantal dodelijke ongelukken plaatsvindt. Ik vind dat het systeem in alle lidstaten verplicht moet zijn.

Het gaat om het redden van mensenlevens en dit systeem redt daadwerkelijk levens. Daarom verzoek ik de Commissie er op te staan dat alle lidstaten het inbouwen van dit systeem in alle nieuwe motorvoertuigen verplicht stellen.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Maňka (PSE). – (SK) Uit onderzoek van het Instituut voor Sociologie van de Slowaakse Academie van Wetenschappen, blijkt dat Slowaakse burgers van Hongaarse afkomst er trots op zijn ingezetenen van de Slowaakse Republiek te zijn. Dat geldt voor meer dan 70 procent van de mensen en dat percentage is in de geschiedenis van de Slowaakse Republiek nog nooit zo hoog geweest.

Deze uitkomst geeft een duidelijke boodschap af en weerlegt de beweringen van sommige politici die Europa ervan proberen te overtuigen dat de Hongaarse minderheid in Slowakije wordt gediscrimineerd. In het Europees Parlement hebben sommige van mijn collega’s er de afgelopen twee jaar voor gekozen om, in plaats van aan de onderhandelingstafel te gaan zitten, te communiceren op een wijze die leidt tot een verdere radicalisering van het binnenlandse politieke toneel.

Ik nodig degenen die graag willen dat Hongarije en Slowakije vreedzaam naast elkaar bestaan, uit hun steun te geven aan de inspanningen van beide ministers-presidenten, die elkaar zaterdag hebben ontmoet om de strijd tegen het extremisme te coördineren en de twee buurlanden op weg te helpen naar goede vriendschappelijke betrekkingen.

Ik waardeer het feit dat de Hongaarse minister-president twee dagen na de besprekingen maatregelen heeft genomen die zullen leiden tot wijzigingen in de wetten tegen extremisme. Dit is het meest doeltreffende wapen tegen degenen die de democratie in deze regio tot nu toe ongestraft kunnen bedreigen.

 
  
MPphoto
 

  Eoin Ryan (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, een van de belangrijkste onderdelen van het Europese Witboek inzake sport is het uitroeien van racisme, met name bij voetbalwedstrijden. Helaas is het verschrikkelijke fenomeen racisme ook opgedoken in de Schotse voetbalcompetitie en dat betreurt ons allen zeer. Sommige spelers die hebben verklaard voor Ierland te spelen, zijn slachtoffer geworden van raciaal geweld en van het zingen van de ‘Famine Song’, wat een grove belediging is, niet alleen voor de spelers, maar ook voor het Ierse volk.

Ik ben verheugd over het feit dat de Schotse voetbalbond, evenals de voormalige minister van Binnenlandse zaken John Reid, hier maatregelen tegen neemt. Maar racisme mag nergens worden getolereerd en ik vind dat we allemaal onze stem moeten laten horen en uitspreken dat dit absoluut onaanvaardbaar is en niet mag gebeuren, waar dan ook.

 
  
MPphoto
 

  Milan Horáček (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, op de Top EU-Rusland, afgelopen vrijdag in Nice, is besloten om de onderhandelingen voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst met Rusland vanaf 2 december te hervatten. Dit besluit is genomen ondanks het feit dat enkele lidstaten er bezwaar tegen hebben gemaakt en er nog enkele vragen onopgehelderd zijn gebleven, zoals wat de verdere aanpak in Georgië en de Kaukasus moet zijn.

Ik ben zeer bezorgd over de ontwikkelingen in Rusland. De Doema heeft nu op mysterieuze wijze de verlenging van de ambtstermijn van de president tot zes jaar goedgekeurd. De mensenrechten worden nog steeds geschonden. Dit is bijvoorbeeld te zien aan het geval van Svetlana Bachmina, een voormalige medewerkster van Michail Chodorkowski die sinds vijf jaar gevangen wordt gehouden. Mevrouw Bachmina wordt nog steeds niet vrijgelaten uit een Siberisch strafkamp, hoewel ze hoogzwanger is. De Europese Unie mag bij de onderhandelingen niet ingaan op de chantagepogingen van Rusland op energiegebied en moet misstanden op het gebied van de mensenrechten duidelijk aan de kaak stellen.

 
  
MPphoto
 

  József Szájer (PPE-DE). (HU) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, een van de belangrijkste rechten van de Europese burgers is het recht van vrij verkeer. Een jaar geleden, toen we de Schengen-grenzen hebben geopend, verschenen er vreemde obstakels bij bepaalde grenzen van nieuwe lidstaten, bijvoorbeeld aan de Oostenrijks-Tsjechische, de Hongaars-Slowaakse en de Hongaars-Oostenrijkse grens. In de buurt van mijn geboortestad is er door de Oostenrijkse autoriteiten een bord “verboden in te rijden” geplaatst op een weg die normaalgesproken vrij toegankelijk is voor auto’s.

Daarom, aangezien met dit ergerniswekkende obstakel volgens ons een van de belangrijkste rechten van de Europese burgers wordt ingeperkt, namelijk het recht op vrij verkeer, heb ik samen met mijn collega’s Othmar Karas en Lívia Járóka dit bord symbolisch met de Europese vlag afgedekt als protest tegen dit obstakel dat zeer veel irritatie oproept bij de mensen die daar wonen.

Tegenwoordig hoeven we niet meer tegen het ijzeren gordijn te strijden, geachte collega’s – ik heb dit stuk ijzeren gordijn uit de omgeving van mijn stad hier al vaker laten zien – maar slechts tegen een paar “verboden in te rijden”-borden; toch ben ik van mening dat we in de geest van Europa moeten zien te bereiken dat ook deze worden weggehaald.

Over het Hongaars-Slowaakse conflict wil ik alleen maar zeggen dat degenen die tegen de extremisten protesteren pas geloofwaardig waren geweest als zij ook hadden geprotesteerd toen Ján Slota, lid van de coalitiepartij, anti-Hongaarse uitspraken deed en eiste dat de Hongaren uit Slowakije werden verdreven.

 
  
MPphoto
 

  Kristian Vigenin (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit jaar herdenken wij dat de pogroms van de Kristallnacht 70 jaar geleden plaatsvonden. Het lijkt wel of het collectieve geheugen steeds zwakker wordt, aangezien we over de hele wereld, ook in Europese democratieën, geconfronteerd worden met extremisme op grond van racisme, xenofobie, antisemitisme en agressief nationalisme.

Met het oog op de Europese verkiezingen van 2009 is de PSE-Fractie ervan overtuigd dat politieke vertegenwoordigers een positieve rol kunnen spelen bij de algemene bevordering van wederzijds respect en begrip.

De PSE-Fractie wil graag bewustwording creëren over de waarde van culturele en religieuze diversiteit als bron van wederzijdse verrijking van gemeenschappen. Wij onderstrepen altijd de noodzaak dat publieke figuren geen uitspraken moeten doen die de stigmatisering van groepen of personen aanmoedigen. Ik vind het verwarrend dat de EVP als haar belangrijkste partner in Bulgarije een partij heeft gekozen – en nog steeds heeft – wier leider het staatsmanschap van Stalin, Hitler en Mao bewondert; iemand die gelooft dat de weg naar integratie ligt in het opleggen van een lijst van Bulgaarse namen voor ieder pasgeboren kind van niet-Bulgaarse, etnische oorsprong; een man die zegt dat er Bulgaarse burgers zijn in Bulgarije, Turkse in Turkije en dat als iemand Turk is, die persoon dan naar Turkije moet gaan.

Ik vraag me af of u, mijnheer de Voorzitter, of de EVP dezelfde houding heeft ten opzichte van etnische Turken in Duitsland. Ik onderstreep hoe belangrijk de rol van de Europese partijen is bij het zorgvuldig kiezen van hun partners, want als men kwaliteit verruilt voor kwantiteit, dan sneuvelen als eerste de geloofwaardigheid van de EVP, de stabiliteit van de nationale politieke stelsels en uiteraard de opvatting van de gewone rechtse kiezers.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Mijnheer Vigenin, aangezien u persoonlijk het woord tot mij hebt gericht, ben ik zo vrij erop te wijzen dat het Europees Parlement afgelopen maandag een zeer ontroerende herdenking van de Kristallnacht heeft gehouden in Brussel.

Wat mijn partijlidmaatschap betreft: ik treed hier op in mijn hoedanigheid als Voorzitter, niet als lid van een partij, al voel ik mij uiteraard verbonden met mijn partij. U zult uw vraag aan de direct verantwoordelijke personen moeten stellen, omdat deze vraag niet aan de Voorzitter kan worden gesteld.

 
  
MPphoto
 

  Nicolae Vlad Popa (PPE-DE). - (RO) Allereerst zijn wij ingenomen met het actieplan dat op de onlangs gehouden vergadering van de G20 is goedgekeurd, en in het bijzonder ook met de toespraken die daar zijn gehouden door de heer Barroso en president Sarkozy. De besluiten die daar zijn genomen, sluiten goed aan bij de strategie die door de lidstaten van de Europese Unie is besproken en goedgekeurd.

Wij zijn ook blij met de inzet van alle deelnemers om samen te werken bij de bestrijding van de huidige crisis in de financiële sector. De mensen zijn op dit moment niet geïnteresseerd in meningsverschillen, alleen in echte oplossingen. Door de onderlinge afhankelijkheid van landen ontstaat een tweerichtingsverkeer, waardoor niet alleen de crisis zich kan verspreiden, maar waardoor ook de oplossingen voor economisch herstel snel kunnen aanslaan.

In Roemenië als opkomende economie neemt de werkloosheid dubbel zo snel toe als in welk ander land van de Europese Unie dan ook. Dat komt in de eerste plaats doordat mensen die in het buitenland werken naar huis worden gestuurd, en vervolgens doordat buitenlandse bedrijven hun productie terugschroeven en dus minder banen aanbieden.

Op dit moment moet de werkloosheid op Europees niveau worden geanalyseerd, maar bij de uitvoering en financiering van de oplossingen moet met beide kanten rekening worden gehouden.

 
  
MPphoto
 

  Gábor Harangozó (PSE). - (HU) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Dames en heren, ik wil uw aandacht vestigen op de toenemende druk op de maïsmarkt, die vooral in Midden-Europa voelbaar is. De overvloedige oogsten, de ongunstige omstandigheden op de internationale markt en de oogstschommelingen die gebruikelijk zijn in Midden-Europa, hebben de prijzen in bepaalde Hongaarse regio’s tot ver onder het interventieniveau gebracht.

We moeten stappen ondernemen in het belang van de producenten en de marktstabiliteit. In de huidige situatie is Hongarije zelf niet in staat om de oogstoverschotten op te kopen, maar er zijn ook andere manieren om de markt te stabiliseren. Ten eerste moet de hoeveelheid maïs die uit de interventievoorraad wordt opgekocht, worden verhoogd voor landen zonder zeehaven. Het systeem moet in dit opzicht de rol van een veiligheidsnet vervullen, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was.

Ten tweede moet er een aanbesteding voor subsidies worden uitgeschreven voor landen zonder zeehaven met het doel om te exporteren naar derde landen. Ten slotte moeten ook de speciale opslagfaciliteiten voor particulieren worden geopend. Het treffen van deze maatregelen zou er in grote mate toe bijdragen dat de situatie niet verder verslechtert en zou onze producenten helpen zich aan te passen aan uitzonderlijke omstandigheden. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hiermee is dit onderdeel beëindigd.

 

21. EMU@10: Tien jaar Economische en Monetaire Unie (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. - We gaan nu over tot het debat over de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie en de uitdagingen voor de toekomst. In dat verband wil ik de premier en minister van Financiën van Luxemburg en voorzitter van de Eurogroep, de heer Jean-Claude Juncker, hartelijk welkom heten in het Europees Parlement.

(Applaus)

Uiteraard is het mij ook een genoegen de bevoegde commissaris, Joaquín Almunia, welkom te heten.

 
  
MPphoto
 

  Pervenche Berès, rapporteur. (FR) Mijnheer de voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, mijnheer de commissaris, ik geloof dat dit een belangrijk moment is en dat het onderwerp dat wij vandaag bespreken van belang is voor alle Europeanen.

Ik ben van mening, en daar is iedereen momenteel van overtuigd, dat de euro ons belangrijkste kapitaal is, onze beste investering. Vandaag maken we de balans op, maar als je een balans opmaakt in crisistijd moet je uiteraard de middelen vinden om de zaak weer vlot te trekken. Hoe zouden we ervoor staan zonder de euro? Zonder de euro zou IJsland op dit moment sterk op Ierland lijken, of liever: Ierland zou op IJsland lijken.

We hebben tijdens deze crisis het debat heropend, omdat iedereen inzag dat de euro van centraal belang is om weerstand te bieden, zowel in normale tijden als in tijden van crisis.

Commissaris, ik wil u bedanken voor uw vooruitziende blik, want toen u dit document in mei 2008 ter tafel legde, was er hier niemand die zag hoe nuttig en noodzakelijk het zou zijn en hoe onmisbaar dit werk zou zijn als basis om naar de toekomst te kijken en om op basis van deze solide euro de crisis aan te kunnen waarmee we te maken hebben.

Ik begrijp echter goed dat de ministers van economische en financiële zaken momenteel tijdens het overleg dat u met hen voert met andere zaken bezig zijn, met zaken waar ze niet op gelet hadden, namelijk de financiële markten. U moet hen erop wijzen dat er twee dingen zijn waar ze niet omheen kunnen als ze uit de huidige crisis willen komen.

Ze moeten de Economische en Monetaire Unie in balans brengen. Dat hebben we gezien bij de aanpak van de crisis op de financiële markten. En we zien het vandaag bij het bestrijden van de crisis in de reële economie, waar we momenteel mee te maken hebben. Met het monetair beleid kun je veel doen, zoals liquiditeit injecteren om de markten soepeler te laten functioneren of de rente verlagen om investeringen te stimuleren. Maar daar blijft het bij. Daarna is het aan de regeringen om de banken te redden, toxische producten uit te bannen en in de toekomst de economie van de Europese Unie weer vlot te trekken.

Het wordt dus tijd dat de ministers van economische en financiële zaken het Verdrag toepassen waarin staat dat hun economisch beleid als een zaak van gemeenschappelijk belang moet worden beschouwd. Commissaris, ik verzoek u de discussies tijdens de Ecofin op die basis voort te zetten, van hen te eisen de routekaart te volgen die u hun heeft voorgesteld en weer met ons op één lijn te komen op grond van de voorstellen, onze voorstellen, waar u dan mee heeft ingestemd, om te waarborgen dat de euro in de toekomst werkelijk in dienst kan staan van groei en werkgelegenheid.

Wij respecteren, als het om het monetair beleid gaat, uiteraard de onafhankelijkheid van de Centrale Bank, maar we respecteren ook het Verdrag in zijn totaliteit, en artikel 105 van het EG-Verdrag eist, behalve prijsstabiliteit, van de Bank ook uitdrukkelijk dat deze het algemeen economisch beleid van de Gemeenschap ondersteunt. Moet ik u daaraan herinneren? Moet ik erop wijzen dat we morgen wellicht ook nog een ander debat in gang moeten zetten? Moeten we niet – dit staat niet in ons verslag – een debat op gang brengen over de vraag of er een doelstelling met betrekking tot de stabiliteit van de financiële markten in de doelstellingen van het monetair beleid moet worden opgenomen? Ik leg u die vraag voor.

Het moge duidelijk zijn dat we geen voortgang kunnen boeken met het functioneren van de Economische en Monetaire Unie, als we de samenhang tussen de reële economie en de financiële markten niet méér in het oog houden. Die waren we uit het oog verloren en daarvoor betalen we nu de prijs.

Ten aanzien van de uitbreiding worden de voorwaarden voor het debat door deze crisis opnieuw gesteld, maar toch ben ik van mening dat we streng moeten blijven. Hervorming vóór toetreding tot de eurozone is makkelijker dan hervorming na toetreding, ook al vereist dit enorm veel. Commissaris, een van de centrale punten in uw verslag is, dat de onderlinge verschillen die ontstaan zijn in het functioneren van de eurozone een reden voor zorg zijn. Deze verschillen zijn groter dan wij aanvankelijk hadden gedacht.

Daarom vragen wij u, vraagt het Europees Parlement u, te zorgen dat de Europese Unie over de instrumenten kan beschikken om de kwaliteit van de overheidsfinanciën te bewaken, om te kijken hoe de lidstaten reageren, en dit debat niet te beperken tot een discussie over drempels, waardoor slechts een debat op hoofdlijnen mogelijk is en niet een debat over de kwaliteit van de overheidsfinanciën, die de verantwoordelijkheid is van de ministers van economische en financiële zaken.

Wij zijn ook van mening, commissaris, dat u zich in de routekaart die wij u voorstellen ook tot de lidstaten moet wenden om hen te vragen hun plannen te herzien. In hun nationale hervormingsprogramma's wordt momenteel geen rekening gehouden met de meest recente prognoses die u op tafel heeft gelegd.

Als we de gemeenschappelijke coördinatie van het economisch beleid serieus willen nemen, moeten die programma's nu herzien worden op grond van de groeiprognoses die u op tafel heeft gelegd en die zowel door het IMF als door de OESO onderbouwd en bevestigd zijn.

Tot slot wil ik uw aandacht speciaal vragen voor enkele kwesties die spelen in verband met de externe vertegenwoordiging van de eurozone. We hebben ons te lang passief opgesteld. De euro zou ons wel beschermen. Maar behalve ons bescherming bieden moet de euro ons nu ook in staat stellen een krachtig stemgeluid te laten horen op het internationale toneel, zodat we niet enkel een speelbal zijn in het debat tussen de andere grote monetaire mogendheden. We zijn zelf een van de grote monetaire mogendheden en we moeten de bijbehorende verantwoordelijkheden volledig op ons nemen. Dit vraagt om een samenhangend debat in de Raad van ministers.

Als Europees Parlement zijn we ten volle bereid onze rol daarbij te spelen, zoals u weet.

 
  
MPphoto
 

  Werner Langen, rapporteur.(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik begroet de vertegenwoordigers van de eurozone, de premier en de commissaris voor economische en monetaire zaken. Wanneer we de balans opmaken, kunnen we zeggen dat de euro in de eerste tien jaar een volledig succes is geweest. Niet alles is soepel verlopen, maar de instellingen hebben zeker tijdens de huidige financiële crisis hun waarde bewezen. Door de samenwerking tussen de instellingen van de eurozone konden beslissingen snel worden voorbereid, vlot worden uitgevoerd en dienden ze vooral als voorbeeld voor alle 27 lidstaten.

Wij hebben een verslag met 62 gedetailleerde punten voorgelegd, met inbegrip van een balans en vooruitzichten. Mevrouw Berès heeft al over enkele punten van de vooruitzichten gesproken en ik wil daar graag op doorgaan. Ondanks alle positieve reacties op de euro blijft de vraag bestaan: hoe moet het nu verder? Zijn de eurozone en ook de Europese Centrale Bank opgewassen tegen de komende uitdagingen? Er is zeker nog een of andere uitdaging die geanalyseerd moet worden. Ik wil hierbij graag wijzen op het verschil in ontwikkeling van het concurrentievermogen in de eurozone, want het geheim is dat we weliswaar een centraal monetair beleid hebben, maar een gedecentraliseerd budgettair en financieel beleid. Het stabiliteits- en groeipact kan alleen als anker tussen beide niveaus dienen, als de lidstaten bereid zijn zich aan dit pact te houden, de voorwaarden te accepteren en de nodige discipline te tonen. Daarom ondergaat het stabiliteits- en groeipact nu met de aanpak van de crisis op de financiële markt zijn eerste lakmoesproef. Ik denk dat het de nodige flexibiliteit bezit en dat er in extreme gevallen tijdelijke uitzonderingen kunnen worden gemaakt, maar dat het stabiliteits- en groeipact niet helemaal opgeschort kan worden.

Een andere vraag luidt: hoe gaat het verder met de schuldenlast? Het pakket voor de financiële markt lag snel op tafel, de regeringen hebben actie ondernomen en er is bewezen dat er tijdens een crisis gehandeld kan worden, ook door de Commissie. De vraag is echter of we nu onze principes, die aan de stabiliteit van de euro hebben bijgedragen, overboord werpen of dat het ons lukt om deze principes verder te ontwikkelen en eraan vast te houden.

Wij hebben bovendien een heleboel voorstellen gedaan, die ik vanwege de verrassend korte spreektijd die mij is gegeven, niet allemaal kan en wil opsommen. Het is echter een feit dat de euro buiten de Unie beter en uniformer moet worden vertegenwoordigd – wij staan hierin volledig achter de houding van de Luxemburgse premier en voorzitter van de Eurogroep. Ik vond het vreemd dat de heer Juncker, als voorzitter van de Eurogroep, niet op de laatste top in Washington was uitgenodigd. Ik zeg dit heel openlijk, omdat het in strijd is met alle positieve ontwikkelingen. Wij willen natuurlijk ook dat het Europees Parlement op een passende wijze participeert en we hebben een discussiepunt waarover we al lang van mening verschillen. Dit gaat om de volgende vraag: is een sterkere coördinatie van het budgettaire en financiële beleid voldoende of is dat niet genoeg – zoals Frankrijk meent – en moet er in plaats daarvan een geïnstitutionaliseerde vorm van een zogenaamde economische regering komen – wat in Duitsland zeer omstreden is. Wat is de juiste weg? Voor mijn fractie is het duidelijk: we hebben geen economische regering nodig, maar we hebben een sterkere coördinatie nodig, ook bij de overeengekomen beleidsmix. De lidstaten moeten echter ook de nodige discipline tonen, anders kan de euro op den duur in de problemen raken en dat wil niemand.

Ik wil hierbij alle verantwoordelijken hartelijk danken. Het Parlement is tot intensieve samenwerking bereid en wij zijn ervan overtuigd dat het ons zal lukken om met dit verslag de juiste accenten te plaatsen.

 
  
MPphoto
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, dames en heren, allereerst wil ik namens de Commissie de twee rapporteurs, mevrouw Berès en de heer Langen, danken, evenals iedereen die aan dit uitstekende verslag heeft meegewerkt.

Mijns inziens mogen we bijzonder ingenomen zijn met de kwaliteit van dit verslag over de tiende verjaardag van de Economische en Monetaire Unie. We mogen eveneens ingenomen zijn met de samenwerking tussen de verschillende fracties, die het toonbeeld was van de grote cohesie binnen het Parlement. Dat is nog een middel, nog een positief element van deze Economische en Monetaire Unie, zowel voor het heden als voor de toekomst.

Deze Economische en Monetaire Unie bestaat nu tien jaar. Dat was het uitgangspunt voor onze analyse, alsook de basis voor het verslag dat de Commissie heeft uitgewerkt. Het was tevens het uitgangspunt van de mededeling van de Commissie, die ik u op 7 mei heb mogen presenteren. De tiende verjaardag van de Economische en Monetaire Unie valt echter samen met een bijzonder lastige en complexe economische situatie. Op basis daarvan kunnen wij de Economische en Monetaire Unie beoordelen aan de hand van de vraag hoe zinvol de euro, onze gemeenschappelijke munt, ons symbool van integratie, is als het erop aankomt om dergelijke situaties het hoofd te bieden, die we nooit eerder hebben meegemaakt.

Dan komen we tot de slotsom dat de eerste tien jaar van de euro bijzonder positief zijn geweest. Ten aanzien van de vraag hoe zinvol de Economische en Monetaire Unie is om de huidige situatie aan te pakken, kunnen we eveneens een positieve conclusie trekken. We worden nu geconfronteerd met moeilijke tijden, maar we hebben een bijzonder nuttig instrument in handen om deze problemen het hoofd te bieden.

Het staat buiten kijf dat de conclusies van de analyse die ik op 7 mei heb gepresenteerd evenals de conclusies van uw verslag in de praktijk moeten worden omgezet, zodat dit instrument nu op adequate wijze kan worden toegepast. Ik ben het met de rapporteurs eens dat coördinatie hierbij een sleutelrol speelt.

Tijdens de bijeenkomst in Washington afgelopen weekeinde werd eveneens gesproken over coördinatie. Zonder onderlinge coördinatie kunnen we deze situatie niet op efficiënte wijze aanpakken. Niemand kan zijn economische problemen in een situatie als deze oplossen zonder zijn economische beleidsplannen op elkaar af te stemmen. Dat bleek een aantal weken geleden, toen we te maken hadden met het risico dat het financiële systeem zou instorten. Het blijkt eveneens nu, nu de meeste economieën te kampen hebben met een recessie en nu we, voor het eerst in ons leven, zelfs het risico van deflatie lopen.

Het is zaak dat de plannen ten aanzien van het begrotingsbeleid op elkaar worden afgestemd. In het verslag over de Economische en Monetaire Unie wordt gesproken over de noodzaak om het begrotingstoezicht te versterken, om de wijze waarop strategieën ten aanzien van fiscaal en begrotingsbeleid worden gecoördineerd uit te breiden, zoals de heer Langen heeft opgemerkt. We mogen tevens echter duurzaamheid niet uit het oog verliezen, zoals mevrouw Berès aangaf, evenals de kwaliteit van de overheidsfinanciën en het feit dat we een systeem van regels hebben in de vorm van het in 2005 herziene stabiliteits- en groeipact. Deze herziening blijkt nu uiterst zinvol te zijn, omdat we daardoor in tijden van economisch herstel in staat zijn gebleken om verder te gaan met budgettaire consolidatie. De eurozone heeft in 2007 bijna quitte gespeeld – voor het eerst in zijn geschiedenis, met een tekort van 0,6 – 0,7 procent – maar dit betekent dat we nu flexibel genoeg zijn om ervoor te kunnen zorgen dat ons begrotingsbeleid daadwerkelijk bijdraagt aan een bevordering van de vraag, wat eveneens doel van ons monetair beleid moet zijn.

De conclusies van ons verslag zijn juist nu bijzonder van toepassing in het licht van de noodzaak om begrotingsbeleid te koppelen aan structurele hervormingen en in dat opzicht ben ik het eens met mevrouw Berès: we moeten de Lissabonprogramma’s, de nationale hervormingsprogramma’s herzien en aanpassen, en we moeten eveneens de huidige stabiliteits- en convergentieprogramma’s van de lidstaten herzien en aanpassen aan de huidige situatie. We zullen hier de komende maanden over gaan praten en daarom zal de Commissie, zoals u weet, op 26 november een actieplan presenteren waarin doelstellingen, instrumenten, beleidsstrategieën en compromissen zullen worden opgenomen. Uit dit actieplan zal blijken hoe belangrijk het is dat de nationale programma’s worden aangepast, teneinde de nationale beleidsstrategieën te verenigen en deze convergerend en consistent te maken met een Europese strategie, Europese beleidsstrategieën en instrumenten. Ik ben het met u en het verslag eens dat we de externe dimensie van de euro en van de Economische en Monetaire Unie moeten versterken.

Zoals de heer Juncker goed weet, hebben we een strategie nodig ten aanzien van de multilaterale organisaties en ten aanzien van de andere belangrijke partijen waarmee we onze belangen kunnen verdedigen wat betreft onze munt en de Economische en Monetaire Unie, en waarmee we zodoende de economische belangen van de Europese Unie kunnen verdedigen.

Deze strategie dient gebaseerd te zijn op beginselen en prioriteiten, maar ook op instrumenten om maatregelen te nemen waarmee we met één stem kunnen spreken en waarmee we op die manier de invloed van elke Europese burger en in het bijzonder van de eurozone kunnen versterken. Dat is ook een kwestie van besturen. Ik ben het met vele aspecten ten aanzien van besturen in uw verslag volledig eens en ik hoop dat de ministers van Financiën in de Ecofin-Raad en de Eurogroep dat eveneens zullen zijn.

Mevrouw Berès – en daarmee wil ik afsluiten – heeft in haar bijdrage opgemerkt dat de commissaris en de Commissie nogmaals de aandacht van de ministers van Financiën moeten vestigen op de conclusies van dit verslag. Een personage van Molière zei dat hij dacht dat hij in dichtvorm had gesproken, terwijl hij in werkelijkheid in proza had gesproken zonder het zelf te weten. Mijns inziens sluiten de discussies onder de ministers in de Eurogroep onder voorzitterschap van Jean Claude Juncker, onder de ministers in de Ecofin-Raad en onder de ministers tijdens de bijeenkomst in Washington perfect aan op de prioriteiten en de noodzaak tot coördinatie zoals in het verslag van de Commissie en in uw verslag naar voren komt, hoewel sommigen onder hen zich hier wellicht niet van bewust zijn.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 

  Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Eurogroep. (FR) Voorzitter, mevrouw Berès, mijnheer Langen, commissaris, geachte dames en heren, beste collega's, ik wil om te beginnen uw twee rapporteurs complimenteren met het verslag dat ze aan u hebben voorgelegd, en aan ons, aangezien wij het lezen en het bespreken. Het is een helder verslag met voldoende reikwijdte om ons in de komende maanden mee bezig te houden.

Ik deel de analyse die mevrouw Berès en de heer Langen in dit verslag maken van de eerste tien jaar van de eenheidsmunt. Ik heb niets toe te voegen aan of af te dingen op de inhoud van hun verslag. Bovendien kan dit verslag rekenen op de steun van een ruime meerderheid in dit Parlement, in ieder geval op het moment dat de commissie zich erover uitsprak. Ik stel vast dat het enthousiasme over de eenheidsmunt binnen dit Parlement overigens nu nog veel groter is dan 12 of 13 jaar of zelfs tien jaar geleden. Dat vind ik verheugend.

Wat de economische verschillen betreft, de grote verschillen in de structurele hervormingen en de verschillen op het gebied van het beheer van de overheidsfinanciën, wil ik allereerst aangeven dat ik het verslag niet helemaal begrijp als het zegt dat de resultaten achterblijven bij de verwachtingen die zijn uitgesproken ten tijde van de invoering van de eenheidsmunt. Mij is geen enkel kwantitatief rapport bekend over de verschillen tussen de lidstaten van de eurozone. Aangezien een dergelijk rapport niet bestaat, is dit dus een ad hoc-opmerking, die ik niet begrijp. Wel ben ik het ermee eens dat dergelijke verschillen soms groter dreigen te worden, wat echter tot op heden de cohesie in de eurozone niet bedreigt, maar die als ze blijven bestaan op de lange termijn de cohesie in de eurozone zouden kunnen bedreigen.

Voor het overige vind ik dat we ons gelukkig mogen prijzen dat Europa - de Europese Unie in het algemeen en de Eurogroep in het bijzonder - dat momenteel te maken heeft met een van de zwaarste crisissen uit haar geschiedenis, deze crisis zeer competent heeft weten aan te pakken en daarbij de fouten heeft weten te vermijden die in de jaren 70 in Europa gemaakt zijn. De constatering dat we niet dezelfde fouten gemaakt hebben, is geen geringe zaak, omdat we daardoor op economisch en politiek vlak hebben kunnen voorkomen dat de verschillen binnen de monetaire Unie door de crisis worden vergroot en de cohesie wordt uitgehold.

Bij een crisis van een dergelijk omvang, die zich steeds meer uitbreidt naar de reële economie, is een sterke en gecoördineerde economische beleidsrespons nodig op Europees niveau. We moeten erover nadenken wat de beste manier is om dit te organiseren, daarbij rekening houdende met enerzijds ons conceptuele en regelgevingskader – ik doel hier op het stabiliteits- en groeipact en de Lissabonstrategie - en anderzijds de ernst van de crisis, die nog ernstigere gevolgen heeft dan we ons enkele maanden geleden konden voorstellen.

Het gegeven dat de euro zich heeft ontwikkeld tot de op één na belangrijkste munteenheid ter wereld brengt zonder meer veel voordelen met zich mee, maar ook verplichtingen. De G20 van vrijdag en zaterdag in Washington heeft ons erop gewezen wat onze verantwoordelijkheden zijn en wat die van anderen zijn. We moeten de drie weken die ons nog resten tot de Europese Raad in december goed benutten om onze Europese strategie verder uit te werken en te voorkomen dat er op nationaal niveau tegenstrijdig wordt gereageerd. Dergelijke tegenstrijdige reacties vormen uiteraard een groot gevaar voor ons. Het raakt me dat er steeds weer wordt opgeroepen tot coördinatie van het economisch beleid in de taal van Voltaire.

Ik zou willen dat degenen die ons aansporen tot coördinatie van het economisch beleid eerst het goede voorbeeld geven om hun goede bedoelingen te laten zien. Ik constateer dat de regeringen van de verschillende landen van de eurozone zich, terecht, gretig op de problemen van hun nationale auto-industrie storten. Ik zou willen dat degenen die het over de auto-industrie hebben en die het voortdurend over de coördinatie van het economisch beleid hebben, hun nationale acties coördineren bij het nemen van initiatieven in de auto-industrie. Anders blijft het bij mooie woorden. Men moet echt coördineren en, door het goede voorbeeld te geven, blijk geven van zijn goede bedoelingen.

(Applaus)

U weet dat ik over het monetaire beleid nooit iets zou zeggen, daar ben ik te voorzichtig voor, maar ik wil wel zeggen dat ik nog steeds vind dat de Europese Centrale Bank de afgelopen maanden een absoluut voorbeeldige rol heeft gespeeld.

Integratie van en toezicht op de financiële markten: een ander onderwerp dat in dit verslag aan de orde komt. De G20 heeft voor ons een ambitieuze routekaart opgesteld. Deze moet in concrete stappen worden vertaald, door de G20 en dus door de Europese Unie en de leden van de Eurogroep. U zult zich ongetwijfeld herinneren dat de landen die deel uitmaken van de Eurogroep en zij die lid zijn van de Europese Unie de eerste waren die erom vroegen dat er lessen getrokken werden uit de huidige crisis en ik wil deze episode van mijn memoires niet voor later bewaren. Al vier jaar lang wijzen we als leiders van de Eurogroep de ministers van financiën van Japan en de Verenigde Staten op het risico van hun dubbele tekort en het risico van het systematisch onderschatten van de risico's, met name op het gebied van onroerend goed, en proberen we voortdurend de aandacht van onze Amerikaanse vrienden daarop te vestigen.

Sinds twee jaar eisen we samen met anderen, op het niveau van de G7, en met name onder het Duitse voorzitterschap van de G7, op niet mis te verstane wijze een strengere regulering van de financiële markten. Ik vind het onacceptabel dat diegenen die dit toen nog weigerden nu doen alsof ze, om maar eens een Engels woord te gebruiken, de “leaders” waren van de Europese respons. De Amerikaanse en Britse regeringen hadden tijd genoeg om de voorstellen van de Eurogroep voor een betere regulering van de financiële markten over te nemen, maar dat wilden ze niet. Dan moeten ze nu niet net doen alsof ze de anderen leiden.

De uitbreiding van de eurozone roept bij mij geen andere standpunten op dan die van uw rapporteurs. Ik wil er alleen nogmaals op wijzen dat het uiteraard een voordeel is deel uit te maken van de eurozone, maar dat dit ook verplichtingen met zich meebrengt, waarvan een deel moet worden vervuld voordat men kan toetreden tot de eurozone.

Het enthousiasme voor de nieuwe samenstelling van de G7 is weliswaar begrijpelijk, maar dit brengt ook problemen met zich mee als het gaat om de externe vertegenwoordiging van de eurozone. We hebben binnen de Eurogroep altijd gepleit voor een grotere aanwezigheid van de Europese Unie en de Eurogroep bij de G20, het IMF en het financieel stabiliteitsfonds. De Eurogroep was de eerste die een permanente plaats, voor de lange termijn, voor de Commissie heeft geëist bij de G20, wat de voorzitter van de Commissie niet verhinderd heeft het voorzitterschap van de Eurogroep op te eisen. We zullen later zien welke gevolgen dit gaat krijgen. Maar wij zijn van mening dat de Europese Centrale Bank en de Commissie, net als de Eurogroep, voor de lange termijn vertegenwoordigd moeten zijn op het niveau van de G20, of dat nou gebeurt door de voorzitter van de Eurogroep, die op bescheiden wijze de werkzaamheden van de ministers van financiën probeert aan te sturen, waarvan de heer Sarkozy heeft beweerd dat ze tekortschieten, of door een ander. Ik wil het voorzitterschap van de Eurogroep op het niveau van de ministers van financiën niet omdat ik dat nou zo leuk vind of ter meerdere eer en glorie van mezelf - die is al groot genoeg - maar uit plichtsbesef. Als anderen vinden dat ze het beter kunnen, moeten ze dat vooral doen, maar ik hoop dat ze er dan de komende jaren net zoveel energie insteken als ze op dit moment schijnen te willen doen.

Voor het overige vind ik dat we wat betreft de economische instrumenten van de EMU en het bestuur van onze groep de afgelopen jaren uitstekende voortgang hebben geboekt, maar het is ondenkbaar dat de op een na belangrijkste munteenheid ter wereld bij internationale besprekingen over het beleid inzake de wisselkoersen en over het monetair beleid niet vertegenwoordigd wordt door degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze twee aspecten en deze twee onderdelen van ons gemeenschappelijk beleid.

Als men wil dat de ministers van financiën zich binnen de Eurogroep naar behoren kunnen kwijten van hun taken ten aanzien van het economische aspect van de Economische en Monetaire Unie, moeten de verschillende staats- en regeringshoofden hun ministers van financiën de benodigde instructies geven. In Luxemburg is dit, zoals u weet, geen enkel probleem.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, mijnheer Juncker, niet alleen voor dit verslag, maar ook voor uw grote betrokkenheid bij deze kwestie als voorzitter van de Eurogroep.

 
  
MPphoto
 

  Jean-Pierre Audy, rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. (FR) Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, mijnheer Juncker, mijnheer de commissaris, beste collega's, om te beginnen wil ik mijn collega's Berès en Langen complimenteren met de kwaliteit van hun verslag en hen bedanken voor het overnemen van de amendementen die de Commissie internationale handel heeft voorgesteld.

De Economische en Monetaire Unie kan, tien jaar na haar oprichting, als een Europees succes beschouwd worden waar we trots op mogen zijn. Niemand kan betwisten – tal van studies tonen dit aan – dat er een wezenlijk verband bestaat tussen monetair beleid en handelspolitiek, en dat in dat verband de stabiliteit van de wisselkoersen een positieve rol speelt voor een duurzame groei van de internationale handel.

Het toenemende gebruik van de euro als handelsvaluta komt de leden van de eurozone ten goede, omdat het voor ondernemingen uit deze landen wisselkoersrisico’s reduceert en omdat hun internationale concurrentiepositie daardoor verbeterd is.

Maar hoewel de Europese Centrale Bank zich met succes van haar taak heeft gekweten om prioriteit te geven aan de prijsstabiliteit en daarmee het vertrouwen in de euro heeft vergroot, kan niemand in ernst ontkennen dat de inflatie een wereldwijde realiteit is en dat de strijd tegen dit mondiale verschijnsel, in een open economie, niet uitsluitend kan worden gevoerd met behulp van het Europese monetaire beleid.

Het is duidelijk dat de wisselkoersen van de euro te lang te hoog zijn geweest en dat dit negatieve effecten heeft gehad. Het heeft op het niveau van de interne markt de export zwaar onder druk gezet en de import gestimuleerd. Vele producenten hebben hun zorg daaromtrent uitgesproken. Volgens een studie waartoe wij vanuit de Commissie internationale handel opdracht hebben gegeven heeft het beleid van de ECB om de koers hoog te houden ons in de afgelopen jaren 0,5 procentpunt groei op jaarbasis gekost.

Ik betreur het daarom dat de Commissie de internationale status van de euro niet nauwkeuriger heeft onderzocht, alsmede de effecten daarvan voor de interne markt op het gebied van de internationale handel.

Bepaalde partners van de Europese Unie voeren een monetair beleid met de bedoeling hun munt te laag te waarderen, een praktijk die op oneerlijke wijze afbreuk doet aan het handelsverkeer. Dat kan worden beschouwd als een niet-tarifaire belemmering van de internationale handel. In dat kader stellen wij voor om de haalbaarheid te bestuderen van de oprichting van een instantie die monetaire geschillen beslecht volgens het model van de geschillencommissie die de landen hebben opgericht in het kader van de WTO.

Deze instantie, die onder het IMF zou moeten komen te vallen, zou een bijdrage kunnen leveren aan het stabiliseren van het mondiale monetaire stelsel en aan het verminderen van het risico van misbruik, en zou ervoor kunnen zorgen dat de wereldmarkt het vertrouwen terugkrijgt dat nodig is.

Ik steun het voorstel van de Commissie om gemeenschappelijke Europese monetaire standpunten te bepalen en in de relevante internationale financiële instellingen en fora voor de eurozone uiteindelijk één zetel te bezetten.

Tot slot betreur ik het dat in het verslag niet het idee van een economische bestuur is opgenomen. Mijnheer Juncker, dit heeft niets te maken met oprechtheid. Het is een politiek voorstel om onze gemeenschappelijke instrumenten te organiseren.

Vroeger werden de grote wereldproblemen door regeringen aangepakt met oorlogen. Vandaag hebben we te maken met een economische en sociale oorlog, waarin mensen niet zozeer doodgaan, maar wel werkloos worden en waarin we niet meer weten wie de vijand is.

In dat kader mogen we niet naïef zijn en moeten we hard werken aan de instelling van een Europees economische en sociaal bestuur, dat een – niet afdoende, maar wel noodzakelijke – voorwaarde is voor het succes van een Europese sociale markteconomie.

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Karsten Friedrich Hoppenstedt, namens de PPE-DE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, ik wil de rapporteur graag hartelijk danken voor zijn betoog over de toekomst van de euro en alle beleidsterreinen die daarmee te maken hebben en hem zeggen dat hij in de commissie zeer brede steun geniet.

Ik dank echter ook de andere betrokkenen, in de eerste plaats Jean-Claude Juncker, die Europa in Washington bij de IMF-vergadering vertegenwoordigde en daar zeer goed werk heeft verricht. Wij waren trots op hem en ik wil alleen maar zeggen: laat u niet door negatieve discussies ontmoedigen om met dit succesvolle werk verder te gaan!

Tien jaar geleden heb ik voor de PPE-DE-Fractie over de euro mogen spreken en ik heb toen gezegd, ik citeer: de euro zal sterk worden, ondanks negatieve berichten, zoals die van de latere bondskanselier Gerard Schröder, die de euro destijds een ziekelijke premature baby noemde. Dat hebben wij ontkend en volgens mij hebben we gelijk gekregen.

De euro is nu, na enkele jaren een dieet met een krachtig, consequent fitnessbeleid te hebben gevolgd, op de wereld gezet en hij is ook nog succesvol. Daar zal ik niet verder op doorgaan. Indertijd was Gordon Brown fungerend voorzitter van de Raad en hij heeft toen heel duidelijk gezegd dat het EP in het kader van het historische proces van de monetaire unie een belangrijke rol heeft gespeeld. Ook andere betrokkenen hebben het woord gevoerd, onder andere Jacques Santer, maar ook Wilfried Martens, die toen de landen van de eurozone – eerst 11, toen 15 en daarna 16 – als de pioniers van het moedige Europa bestempelde.

Ik denk dat we hier in Europa moed voor de toekomst nodig hebben om zo succesvol door te kunnen werken en ons in de wereld van de andere groten – de VS, Azië en de andere wereldmachten – succesvol met de euro te kunnen presenteren. De valutareserves die wereldwijd in euro worden aangehouden, zijn het beste bewijs van het succes van de euro en de eurozone.

 
  
MPphoto
 

  Elisa Ferreira, namens de PSE-Fractie. (PT) Ik wil de rapporteurs feliciteren met hun verslag en de Commissie met haar initiatief om deze tekst over de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie op te stellen. Het is een strategische tekst en deze analyse was van wezenlijk belang.

Zoals hier vandaag al is gezegd, is de euro een onmiskenbaar succes. Van Lissabon tot Helsinki en van Dublin tot Bratislava heeft de euro bewezen bestendig en stevig te zijn, zelfs in de woelige periode die we nu beleven. Het is dan ook zeker van belang de grenzen van deze club te verruimen.

De tijden die we nu meemaken stellen echter dagelijks de soliditeit van het Europees project op vele andere gebieden op de proef. Zoals gezegd is de euro een centraal instrument voor het functioneren van het financieel stelsel. De Commissietekst zelf wijst onomwonden op de fundamentele conclusie dat het succes van de euro niet gepaard is gegaan met groei van de reële economie of convergentie op sociaal of ruimtelijk vlak. Integendeel, de Commissie trekt duidelijk de conclusie dat gedurende de eerste tien jaar van de euro de ongelijkheden sterk zijn toegenomen.

Deze uiteenlopende ontwikkeling treft regio’s van mijn land – met name in Noord-Portugal – maar ook regio’s van andere lidstaten. De effecten van één monetair beleid – met name ten gevolge van de zeer hoge wisselkoers – hebben in sterkere mate regio’s getroffen die meer blootgesteld zijn aan internationale concurrentie, evenals regio’s die in grotere mate afhankelijk zijn van export.

De crisis als gevolg van de deregulering van de financiële markten treft nu hevig de reële economie en verslechtert de positie van veel burgers en regio’s nog verder. Regio’s die blootgesteld zijn aan internationale concurrentie, afhankelijk zijn van kleine en middelgrote ondernemingen en waar toegang tot kredietverlening belangrijker is, zijn nu de slachtoffers van dit proces en dreigen zelfs af te stevenen op een depressie.

Het succes van de euro hangt af van het vertrouwen dat de Europese burgers erin hebben. De sterkere Europese landen hebben al een begin gemaakt met het herstelproces van hun economie. Daarbij valt met name te denken aan de initiatieven voor de automobielindustrie. Maar Europa is meer dan dat. Europa dient veel meer te zijn dan de optelsom van nationaal beleid dat in meer of mindere mate is gecoördineerd. Het is nu tijd om van de euro een centraal werktuig te maken voor Europa, dat zowel dient ter ondersteuning van een stevige munt als van een solide reële economie. Voorts moet de werking van de euro vergezeld gaan van mechanismen die een garantie vormen voor de centrale doelstelling sociale en regionale convergentie te bereiken, want die vormt de essentie, de kern van het Europees project.

Het debat over de coördinatie van het economisch beleid in de eurozone heeft vandaag de dag onbetwistbaar grotere effecten en meer actualiteitswaarde. Het coördineren van nationaal beleid volstaat niet, er is meer nodig. De Lissabonstrategie vormt een optelsom van nationale initiatieven en het stabiliteits- en groeipact zet de landen die het gebruiken niet op dezelfde manier onder druk. Dat zijn twee beperkingen en daar komt de krappe begrotingsruimte waarover we beschikken nog bij.

Crises leveren ook kansen op. De monetaire unie kan alleen gestoeld zijn op convergentie van de welvaart van de betrokken lidstaten en van de burgers, onafhankelijk van de plaats waar ze geboren zijn. Op welke andere manier moeten we de burgers mobiliseren voor de eenheidsmunt? De Commissie dient te beantwoorden aan de verwachtingen die haar eigen diagnose heeft gewekt. Daarom kijken we verlangend uit naar de concrete voorstellen die de Commissie op 26 november aanstaande zal presenteren aan dit Huis en aan de Europese burgers.

Het is essentieel dat uitgaande van deze crisis er een nieuwe ontwikkelingsfase van de Unie wordt ingeluid, waarin consolidatie en versterking van het financieel stelsel vergezeld gaan van daadwerkelijke welvaart, die zowel gebaseerd is op cohesie als op burgerschap met een economische dimensie.

 
  
MPphoto
 

  Wolf Klinz, namens de ALDE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, de huidige financiële crisis is de zwaarste in vele decennia. De Europese Centrale Bank en de euro hebben de lakmoesproef van deze financiële crisis en de uitdagingen die deze met zich meebrengt tot nu toe glansrijk doorstaan. De ECB heeft in de crisis snel en vastberaden gehandeld en haar taak beter vervult dan menige andere centrale bank. Daardoor heeft de ECB haar vermogen als crisismanager in moeilijke tijden overtuigend bewezen. De euro is een sterke munt gebleken die voor behoud van de stabiliteit in de eurozone zorgt en die zelfs verschillende landen buiten de eurozone door gerichte maatregelen tot steun is geweest.

Met de roep om een Europese economische regering wordt ontkend dat in feite al zeer veel is gedaan en nog steeds wordt gedaan, om het beleid van de afzonderlijke lidstaten op elkaar af te stemmen en met elkaar in overeenstemming te brengen. Wat hier tot stand is gebracht, is niet in de laatste plaats te danken aan u, mijnheer Juncker, en ik wil u hier daarom in het bijzonder bedanken!

Landen die niet tot de eurozone behoren, zoals Denemarken en Hongarije, ondervinden nu aan den lijve hoe duur het is om niet tot de Eurogroep te behoren en van de bescherming van de euro te profiteren. Landen die tot nu toe kritisch tegenover toetreding tot de eurozone stonden, zoals Denemarken en Zweden, veranderen nu van gedachten en overwegen binnen enkele jaren toe te treden.

Door de financiële crisis wordt ook duidelijk hoe nauw de financiële stelsels met elkaar verbonden zijn en hoe kwetsbaar ze zijn. Daarom is het in ons eigen belang dat de landen die nog niet zijn toegetreden zo snel mogelijk lid worden en dat de opt-out-landen van mening veranderen. Daarbij mogen echter geen concessies worden gedaan die niet in overeenstemming met de toetredingscriteria zijn. De Europese Economische en Monetaire Unie is een zone van stabiliteit met duidelijke toetredingscriteria en deze mogen niet worden afgezwakt. Het enige wat overwogen kan worden, is om als referentiepunt voor het inflatiecijfer niet de drie beste landen van de Europese Unie, maar van de eurozone te nemen, omdat we intussen een groot verbond met zestien leden zijn geworden.

Sinds de herziening van enkele jaren geleden biedt het stabiliteits- en groeipact voldoende flexibiliteit om in een economisch onevenwichtige tijd adequaat op uitdagingen zoals die in de huidige crisis te kunnen reageren. Daarom zou het onjuist zijn om de vereisten van het pact af te zwakken en opnieuw te bepalen.

De crisis toont ook duidelijk aan dat buitensporige schulden, zoals we die momenteel in de VS zien, op den duur onhoudbaar zijn, dat een economische ontwikkeling met kredieten op grote schaal niet werkt en dat er daarom geen alternatieven voor maatregelen voor een consequente begrotingsconsolidatie bestaan. Wij vertrouwen erop dat de monetaire unie – anders dan tegenwoordig op de financiële markten wordt gezegd en in de media wordt rondgebazuind – door de financiële crisis uiteindelijk eerder sterker dan zwakker zal worden.

 
  
MPphoto
 

  Eoin Ryan, namens de UEN-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik graag mevrouw Berès en de heer Langen feliciteren met de inspanningen die zij voor dit belangrijke verslag hebben geleverd. Het is een uitstekend verslag, een verslag waarmee we rekening moeten houden.

Toen dit thema voor het eerst op commissieniveau ter tafel werd gebracht, zaten we in een heel ander economische klimaat. De “subprime”-crisis in de Verenigde Staten was al begonnen, maar ik denk dat niemand voorzag wat voor gevolgen en enorme impact deze crisis voor de financiële markten over de hele wereld zou hebben.

Aangezien de financiële situatie is verslechterd, is de toon van onze debatten hier in de Commissie economische en monetaire zaken veranderd. De huidige crisis is een wereldwijde crisis en om hier weer uit te komen hebben wij gecoördineerde, mondiale maatregelen nodig. Ik ben dan ook zeer verheugd over het initiatief dat dit weekend is genomen en het resultaat ervan. Er moet nog veel worden gedaan, maar ik denk dat dit een goed begin is.

Voor Ierland is de stabiliteit waar de euro voor heeft gezorgd, met name met betrekking tot rentepercentages en de koersen van buitenlandse valuta, een cruciale factor om uit de crisis te komen, misschien niet ongeschonden, maar wel degelijk overeind.

Indien er nog iemand is in Ierland of elders in de eurozone, of elders in Europa, die twijfelt over de voordelen van het lidmaatschap van de euro, kijk dan eens naar het noordwesten van Europa en let goed op wat er in IJsland gebeurt.

Indien de mensen in Ierland hadden geluisterd naar degenen die niet alleen tegen het Verdrag van Lissabon waren, maar ook tegen de Verdragen van Maastricht en Nice, waar zou Ierland nu dan zijn? We zouden buiten staan. We zouden geen deel uitmaken van de eurozone en we zouden economisch zwaar getroffen zijn, omdat we niet de stabiliteit zouden hebben die de euro ons heeft gebracht.

Ik verwacht geen antwoord van partijen als Sinn Féin, die consequent tegen Europa zijn geweest en tegen de stappen die wij hebben genomen, maar ik denk werkelijk dat het tijd is dat zij zich laten horen en aangeven wat en hoe zij precies denken over de kwestie Europa en onze economische toekomst.

 
  
MPphoto
 

  Pierre Jonckheer, namens de Verts/ALE-Fractie. (FR) Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, mijnheer de commissaris, namens mijn fractie wil ook ik mevrouw Berès en de heer Langen bedanken voor dit belangrijke verslag dat zij ons hier voorleggen. 62 paragrafen, 14 volbeschreven pagina's lang, voldoende stof tot nadenken. Ik maak van de aanwezigheid van de voorzitter van de Eurogroep en de commissaris gebruik om hen, nog altijd uit naam van mijn fractie, deelgenoot te maken van enkele opmerkingen die volgens ons meer aandacht behoeven dan zij in het verslag krijgen.

De eerste opmerking betreft het beleid ten aanzien van de wisselkoers van de euro. Ik moet toegeven dat ik niet altijd begrijp of er een beleid bestaat met betrekking tot de wisselkoers in relatie tot andere internationale valuta of niet, en of er bij de G20 of elders besproken wordt hoe we de enorme tekorten van de Verenigde Staten kunnen blijven financieren.

Mijn tweede opmerking betreft de kwestie van de coördinatie. Ik vind de euro een succes, vooral vanuit politiek oogpunt, omdat deze de Europese Unie de status verleent van een politieke mogendheid, maar ik ben ook van mening dat de coördinatie minimaal op drie punten niet erg goed functioneert.

Ten eerste het belastingvraagstuk. U kent het standpunt van de Groenen ten aanzien van dit onderwerp: we zijn vóór fiscale concurrentie binnen de Unie, maar dan wel eerlijke fiscale concurrentie. We zijn van mening dat teveel vertraging is opgetreden in de bestrijding van belastingparadijzen, ook binnen de Europese Unie, en we zijn van mening dat er teveel vertraging is opgetreden bij het wijzigen van de richtlijn betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaartegoeden.

Ten aanzien van het vraagstuk van de coördinatie van het begrotingsbeleid – tweede punt – constateer ik dat alle lidstaten zich op hun zogenaamde herstelplannen storten. Ik hoor de heer Strauss-Kahn bijvoorbeeld op Europees niveau zeggen dat 1 procent van het bbp van de Gemeenschap ingezet moet worden, wat ongeveer neerkomt op de totale jaarbegroting van de Europese Unie. Hoe staan we daar tegenover? Ik vind dat de coördinatie niet zo best loopt en ik vind ook dat de antwoorden die u geeft met betrekking tot het herziene stabiliteits- en groeipact ontoereikend zijn en tekortschieten om het hoofd te bieden aan de uitdaging die ons te wachten staat.

Tot slot is er een derde punt waarop ik vind dat de coördinatie onvoldoende is en dat is het loonbeleid dat de verschillende landen van de Europese Unie voeren. In werkelijkheid zijn de prestaties van Duitsland van de afgelopen tien jaar gebaseerd op een loonbeleid dat, gezien de omvang van de Duitse economie, ten grondslag ligt aan de dynamiek van de hele eurozone. Ik denk dat dat problemen geeft wat betreft de omvang van de interne vraag en de hoogte van de lonen van bepaalde categorieën werknemers, om nog maar te zwijgen over baanonzekerheid.

Ik verwacht, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, op deze drie punten van u en van de Raad van ministers van financiën, die u vertegenwoordigt, in de toekomst wat meer ambitie, omdat we het hier ook hebben over de uitdagingen die nog komen gaan.

 
  
MPphoto
 

  Sahra Wagenknecht, namens de GUE/NGL-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, tien jaar na de totstandkoming van de monetaire unie bevindt Europa zich in een zware crisis. Banken storten in of ontvangen miljarden aan staatssteun. Afzetmogelijkheden verdwijnen en miljoenen mensen vrezen voor hun arbeidsplaatsen en hun toekomst.

Niet alleen de markt heeft gefaald. Ook de heersende politiek lijkt niet van haar fouten te kunnen leren. Wij zijn van mening dat bij de opbouw van de Economische en Monetaire Unie ernstige fouten zijn gemaakt. Een van die fouten is de structurele scheiding van het monetaire beleid en het begrotingsbeleid. Je kunt niet een gemeenschappelijke munteenheid creëren zonder tegelijkertijd het belasting- en begrotingsbeleid ten minste gedeeltelijk te harmoniseren. Ik denk dat de economische onevenwichtigheid in de eurozone enorm is toegenomen. Wat we nu nodig hebben, is een betere coördinatie van het economisch beleid en vooral ook van het belastingbeleid. Er moeten effectieve maatregelen tegen belastingdumping worden getroffen. Bovendien moeten de belastingparadijzen verdwijnen en het kapitaalverkeer moet eindelijk weer gecontroleerd worden.

De tweede ernstige fout betreft volgens ons de structuur van het stabiliteits- en groeipact. Wie in deze tijd meent dat begrotingsconsolidatie absoluut moet, leeft duidelijk in een andere wereld. Het zou rampzalig zijn om nu ook nog met overheidsbezuinigingen op deze economische crisis te reageren. Het stabiliteitspact heeft duidelijk gefaald en dit zou moeten worden vervangen door een geïntegreerde Europese strategie voor solidariteit en duurzame ontwikkeling. Wij menen dat er behoefte is aan een investeringsoffensief voor de vernieuwing van de openbare infrastructuur en ter verbetering van de situatie van de sociaal zwakken in Europa.

Een derde fout betreft volgens ons de structuur van de Europese Centrale Bank zelf, omdat hierbij de democratische controle ontbreekt en de ECB alleen voor prijsstabiliteit moet zorgen. Wij pleiten voor invoering van een democratische controle op de Europese Centrale Bank en bovendien eisen wij dat de opdracht van het ECB met betrekking tot het monetaire beleid zo wordt gewijzigd dat groei en werkgelegenheid in de toekomst minstens even belangrijk zijn als prijsstabiliteit.

De huidige crisis biedt ons ook de kans om het Europese monetaire en financiële bouwwerk ingrijpend te hervormen. Deze kans mogen we niet zomaar laten liggen!

 
  
MPphoto
 

  Nils Lundgren, namens de IND/DEM-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, als we een gemeenschappelijk literair referentiekader hadden, zou ik mijn interventie beginnen met een citaat van een groot Zweeds dichter: ”De stem der vleierij wiegt je in slaap, luister eens naar ’s waarheids stem”. De oorspronkelijke versmaat is een alexandrijn met cesuur. De beide rapporteurs komen tot de conclusie dat de monetaire unie een succes is geweest. Op die manier dragen ze bij tot de mythevorming over de euro die niet in het westers kritisch gedachtegoed is verankerd.

De waarheid over de euro ziet er anders uit. Ten eerste heeft zijn eerste decennium enorme kosten met zich meegebracht in de vorm van lagere groei en hogere werkloosheid. Ten tweede is de monetaire unie niet getest in moeilijke tijden, tot nu. Uit onderzoek blijkt dat de effecten op het volume van de buitenlandse handel vrij groot kan zijn, misschien drie à vier procent van het bnp. Anderzijds blijkt de sociaaleconomische winst van de toegenomen handel erg bescheiden, misschien drie à vijf promille van het bnp, als eenmalige winst. Die verwaarloosbare stijging van de welvaart is behaald ten koste van de mogelijkheid van de eurolanden om een zelfstandig monetair en financieel beleid te voeren. Duitsland is met een sterk overgewaardeerde munt tot de monetaire unie toegetreden en heeft met een hoge rente en een te restrictief financieel beleid geleefd.

De kosten zijn enorm geweest, en hoe gaat het nu? Het verhaal dat wordt opgehangen is dat de landen van de eurozone zich krachtdadig hebben verenigd en het voortouw hebben genomen in de strijd tegen de financiële crisis. Zoals iedereen weet, is dat een mythe. Het waren Groot-Brittannië – dat geen lid is van de monetaire unie – en Gordon Brown die het initiatief hebben genomen. De eurozone volgde hen later.

 
  
MPphoto
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Lundgren graag feliciteren met zijn opmerkingen en de heer Ryan van de UEN-Fractie, die ons vertelt dat de stabiliteit van de euro een enorme zegen is geweest voor Ierland, uitdagen. Als hij de recente economische geschiedenis van Ierland had bijgehouden, zou hij weten dat de inflexibiliteit van het monetaire beleid van de euro heeft bijgedragen aan ernstige inflatieproblemen, met name op de woningmarkt, en dat het uiteenspatten van de Ierse huizenbel veel ernstiger is geweest dan als Ierland zijn eigen monetaire beleid had kunnen regelen.

Met de euro werden ons grote voordelen beloofd: gemakkelijk reizen, groei en efficiëntie en bovendien zouden overschrijvingen tussen lidstaten opeens makkelijker worden. Maar dit is niet gebeurd. Ja, reizen is inderdaad makkelijker geworden, maar we hebben geen groei en efficiëntie gezien en ik heb de indruk dat het bijna net zo lastig en duur is om geld over te maken tussen landen in de eurozone als voorheen.

Degenen onder ons die twijfels hadden over het europroject hebben gelijk gekregen. We hebben nu meestal, voor de meeste landen, het verkeerde rentepercentage. Italië heeft de meest beangstigende crisis doorgemaakt op het gebied van concurrentievermogen, met arbeidskosten per producteenheid die 40procent hoger waren dan in Duitsland. Ons wordt verteld dat de euro een groot succes is vanwege zijn sterkte als valuta. Nou, we zouden enkele exporteurs binnen de eurozone eens moeten vragen wat zij vinden van de sterke euro. Die sterke euro levert hen enorme schade op.

Het werkelijke bewijs van het succes van een valuta is de mate van vertrouwen in de markt. In dit geval wordt die gemeten aan de verspreiding van obligaties tussen de landen van de eurozone. De laatste keer dat ik dit naging, was de spreiding tussen Griekenland en Duitsland meer dan 150 basispunten. Dit is niet duurzaam. Het toont een totaal gebrek aan vertrouwen in de euro vanuit de markten. De vraag is nu niet zozeer hoelang de euro het volhoudt, maar welke lidstaten als eerste de eurozone zullen verlaten.

 
  
MPphoto
 

  Ján Hudacký (PPE-DE). – (SK) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, allereerst wil ik beide rapporteurs bedanken voor een zeer evenwichtig verslag.

Ik zal in verband met dit verslag eerst reageren op de huidige problemen in de eurozone. Ondanks het feit dat de werking van de eurozone al tien jaar positieve effecten oplevert, stellen de financiële crisis en de daaropvolgende economische recessie haar nu voor nieuwe uitdagingen.

Ik wil in mijn bijdrage graag wijzen op enkele onsystematische regelgevingsinterventies in de markt die enkele regeringen van lidstaten zogenaamd hebben toegepast om deze nieuwe situatie het hoofd te bieden.

Ik moet met enige verbazing zeggen dat de regeringen van de lidstaten door sommige verklaringen van bepaalde vertegenwoordigers van de Europese Unie vaak aangemoedigd worden om bepaalde nutteloze interventies in de financiële sector toe te passen waarmee vaak alleen maar de randverschijnselen van de situatie worden aangepakt.

Dit geldt bijvoorbeeld ook in het geval van de naleving van het stabiliteits- en groeipact. Sommige regeringen geven al aan dat ze zich zeker niet gaan houden aan het geplande financieringstekort en verwijzen in dit verband naar de aanmoedigingen van de Europese Unie.

De overname van in nood verkerende financiële instellingen door de regeringen van sommige lidstaten schept een gevaarlijke precedent voor de onteigening van particuliere bedrijven in allerlei sectoren die zich niet willen aanpassen aan onsystematische regelgevingsinterventies en andere discriminerende interventies die bijvoorbeeld worden toegepast om de inflatie te beperken.

De grootschalige financiële interventies in sommige sectoren van de economie, zoals de auto-industrie, roepen vragen op over het feit of dergelijke interventies al dan niet buitensporige marktvervorming en discriminatie van andere sectoren met zich mee brengen.

Zonder duidelijke en zorgvuldige afstemming en duidelijk regels op EU- of eurozone-niveau, zal het moeilijk worden deze zeer uitdagende processen te beheersen.

In dit verband dring ik er bij de vertegenwoordigers van de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank en andere bevoegde EU-instellingen op aan een weloverwogen en gecoördineerd standpunt in te nemen in de zoektocht naar een optimale oplossing in deze moeilijke tijden waarin heel Europa voor een economische recessie staat.

Op de korte termijn kunnen overdadige regelgeving en overheidsinterventie in de vrije markt de economische ineenstorting in de EU tijdelijk een halt toeroepen, maar op de middellange termijn zullen deze zeker niet de zo verwachte impuls voor de ontwikkeling brengen.

 
  
MPphoto
 

  Antolín Sánchez Presedo (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Almunia, dames en heren, de Economische en Monetaire Unie heeft een nieuwe dimensie toegevoegd aan het Europese integratieproces. Het bestuur daarvan is gebaseerd op twee asymmetrische pijlers: de monetaire unie, die een federaal karakter heeft, en economische coördinatie, die intergouvernementeel van aard is. Beide moeten de stabiliteit, groei, eerlijkheid en duurzaamheid bevorderen die onze burgers eisen.

Als we de balans opmaken van tien jaar eurozone, dan zien we een positief resultaat. Het bewijs daarvan ligt in het feit dat de euro steeds meer wordt beschouwd als een toevluchtsoord en een veilige zone voor de lidstaten. We moeten echter verder gaan en de werking ervan uitbreiden, teneinde de uitdagingen van globalisering, klimaatverandering en vergrijzing evenals de huidige financiële crisis het hoofd te kunnen bieden, die vereist dat we onze aanpak wijzigen. Tevens moeten we het hoofd bieden aan de recessie die zich nu voor het eerst voordoet.

De euro kan niet alleen als veiligheidsanker fungeren, maar moet tevens een aanjager van groei zijn. De eurozone en de Economische en Monetaire Unie moeten in staat zijn om op deze uitdagingen te reageren.

Ik wil de rapporteurs feliciteren met het uitstekende werk dat ze hebben verricht en ik wil hen met name danken voor het feit dat ze daarin twee voorstellen mijnerzijds hebben opgenomen. Ten eerste om in de definitie van ons monetair beleid samen met de economische en de monetaire pijler de noodzaak tot een financiële analyse op te nemen teneinde dit beleid correct te definiëren. Deze definitie moet rekening houden met de overdracht van monetair beleid, de ontwikkeling van kredietverlenings- en financieringsmiddelen, de kenmerken van nieuwe producten en de concentratie van risico's en liquiditeiten.

Ten tweede moet er rekening worden gehouden met de verschillen tussen de lidstaten, die als gevolg van het uitbreidingsproces alsmaar toenemen. Monetair beleid in de zin van “one size fits all” sluit dikwijls niet aan op de situatie in de verschillende landen. Dit zou daarom aangepast moeten worden door financiële middelen te introduceren voor die landen waarin een dergelijk beleid restrictieve gevolgen zou hebben, aangezien expansieve gevolgen eenvoudig door middel van begrotingsbeleid kunnen worden gecorrigeerd.

 
  
MPphoto
 

  Margarita Starkevičiūtė (ALDE). - (LT) Er wordt gezegd dat iedere crisis de sterke en zwakke punten van de economische en institutionele structuren naar voren haalt. Ik moet toegeven dat ik er voorheen nauwelijks aan twijfelde dat meer aandacht voor landen in de eurozone zou leiden tot de opkomst van een Europa van twee snelheden en dat zich ontwikkelende economieën, zoals die van Litouwen, tegen hindernissen zouden oplopen bij hun pogingen om tot de eurozone toe te treden. Maar door de huidige gebeurtenissen op de financiële markten zijn mijn opvattingen over de rol van de Eurogroep en de invloed ervan op de Europese Unie veranderd.

Het is duidelijk dat de eurozone de eerste krachtige golf van de financiële crisis heeft doorstaan. Het is duidelijk dat de economische neergang een halt kan worden toegeroepen met behulp van een door de lidstaten onderling beter gecoördineerd economisch beleid dat de integratie en de uitbreiding van de interne markt bespoedigt. De landen die buiten de eurozone zijn gebleven, hebben zwaardere klappen te voorduren gehad. Wij hebben vooral te lijden gehad van de financiële crisis doordat er kapitaal werd teruggetrokken. Om die reden hebben wij soms grote bezwaren tegen besluiten waardoor het verplaatsen van kapitaal in de landen van de Europese Unie eenvoudiger zou worden en niet omdat we tegen integratie zijn. Als beroepseconoom weet ik dat integratieprocessen economische groei aanmoedigen. Maar we willen heel graag dat de eurozone een rots wordt in de branding van de financiële crisis, een rots waar we op kunnen klimmen en die beschutting biedt tegen de ijzige wind.

Wat moet er gebeuren om de kracht van de eurozone om te buigen tot de kracht van de hele Europese Unie? Wat we in ieder geval niet moeten doen is een heleboel nieuwe maatregelen voorstellen. Commissaris, ik heb vandaag gekeken naar de resoluties over economisch beleid die het Europees Parlement heeft aangenomen. Het zou nu in ons voordeel zijn geweest als tenminste een deel van die voorstellen inmiddels ten uitvoer was gelegd. Er liggen heel veel voorstellen en het lijkt mij dat er geen nieuwe bij hoeven te komen. We moeten deze voorstellen nu gaan consolideren.

Er wordt momenteel gediscussieerd over de vraag of we nu meer overheidsinterventie nodig hebben of juist een liberaler beleid om de economische recessie te lijf te gaan. Ik zou zeggen dat we beide economische strategieën moeten toepassen. Het is bovenal duidelijk dat er een sociaal veiligheidsnet moet zijn, waarmee de overheid steun en een bijdrage aan het levensonderhoud biedt, zodat mensen die door de crisis, ten gevolge van herstructurering, zonder werk zijn komen te zitten, hun leven weer kunnen oppakken. Anderzijds zijn er liberale hervormingen nodig zodat het integratieproces krachtiger wordt en er kansen ontstaan voor bedrijfsuitbreiding in de Europese Unie. Hierbij is een grote rol weggelegd voor de eurozone.

Tot slot sluit ik mij bij mijn collega’s aan en zeg ik tegen u, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, dat wij uw werk waarderen en weten hoe ingewikkeld het allemaal is – u kunt in ieder geval rekenen op de steun van het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Dariusz Maciej Grabowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de balans van tien jaar Economische en Monetaire Unie zou vanuit internationaal oogpunt moeten worden opgemaakt. Wij zouden ons moeten afvragen op welke terreinen de Europese Unie het er beter vanaf heeft gebracht dan haar belangrijkste concurrenten in de wereld, namelijk de Verenigde Staten en Azië. Uit een dergelijke evaluatie blijkt overduidelijk dat de balans van de eurozone negatief uitvalt. De Europese Unie heeft zich langzamer ontwikkeld dan haar concurrenten. De groei van de werkgelegenheid en met name de toename van de arbeidsproductiviteit lagen lager dan in de Verenigde Staten, om maar te zwijgen van Azië. Dit betekent dat de gemeenschappelijke munt haar basisfunctie niet vervult.

Mijn volgende aspect betreft de toekomst van de eurozone. In documenten van de Europese Centrale Bank en van de EU-autoriteiten wordt in toenemende mate de nadruk gelegd op de noodzaak om de euro te gebruiken als instrument om de lidstaten een uniform economisch beleid op te leggen, voornamelijk op fiscaal en begrotingsgebied. Deze verklaring is een reden tot bezorgdheid voor de minder ontwikkelde landen en met name voor de nieuwe lidstaten. Hoe kunnen deze landen zich verder ontwikkelen en hun achterstand ten opzichte van de oude lidstaten inlopen indien ze gedwongen worden een beleid te volgen dat de economische groei in alle lidstaten vertraagt?

Mijn voornaamste verwijt aan de Europese Centrale Bank is dat zij bij haar inspanningen om van de euro een wereldvaluta te maken geen oog heeft voor de economische problemen van de regio's en minder ontwikkelde lidstaten. Er wordt evenmin rekening gehouden met sociale aspecten als de demografische structuur en de mobiliteit van burgers.

De houding van de EU-autoriteiten kan helemaal niet door de beugel wanneer je bedenkt dat Duitsland en Frankrijk zich jarenlang niet aan de strikte criteria van Maastricht hebben gehouden omdat ze wisten dat dit in hun nationale belang was. Daarenboven hoefden deze landen hierover nooit rekenschap af te leggen en werden ze hiervoor niet gestraft. Daarom is het mijns inziens nodig om de huidige economische doctrine van de eurozone stop te zetten, en om een radicale wijziging door toe voeren die ons niet alleen in staat zal stellen om de huidige financiële crisis het hoofd te bieden, maar vooral ook voor iedere lidstaat van de Europese Unie de noodzakelijke energie zal vrijmaken om zich economisch te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 

  Kyriacos Τriantaphyllides (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het voorstel van de Commissie over de eerste tien jaar Economische en Monetaire Unie bevat een aantal tegenstrijdigheden. Het streven van het voorstel is om de cyclus van marktderegulering te sluiten, terwijl in de echte economie de prijzen van goederen en diensten hun hoogtepunt hebben bereikt en het werkloosheidscijfer in de eurozone in 2009 op 8,6 procent wordt voorspeld en op 9 procent in 2010.

Uit ontwikkelingen blijkt dat de kloof tussen rijk en arm nog geen fractie kleiner is geworden. De mondiale financiële crisis is een rechtstreeks gevolg van de beperkingen waar de staat mee te maken heeft en het dereguleringsbeleid. Daarnaast is de Commissie, ondanks dat we bewijs hebben van de ongelijke verdeling van de welvaart, voorstander van het voortzetten van de nivellerende werking en de toepassing van het stabiliteits- en groeipact en een sterkere rol voor het Internationaal Monetair Fonds.

Deze aanpak doet af aan de eigenheid van de economieën van de verschillende lidstaten en druist in tegen het idee van verschillende groeisnelheden in de lidstaten.

 
  
MPphoto
 

  Hanne Dahl (IND/DEM). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, dit jaar is het tien jaar geleden dat in een groot aantal landen in de EU de euro werd ingevoerd. In Denemarken hebben we twee maal, na een lang en uitputtend debat, de invoering van de euro afgewezen en nu is het tijd om de balans op te maken. We moeten bijzonder kritisch naar de gezamenlijke munt kijken. Sinds juli is de koers van de euro, nadat de financiële crisis was uitgebroken, met 30 procent gedaald ten opzichte van de dollar. Investeerders hebben geen vertrouwen in de euro, maar de vraag is waarom dat zo is. Een deel van het antwoord is duidelijk: veel wijst erop dat het monetaire beleid van de EU, dat zich eenzijdig richt op inflatiebestrijding, niet het juiste beleid is. Het zeer strenge financiële beleid, dat de landen verplicht zijn te voeren krachtens het stabiliteitspact, is eenvoudigweg niet het juiste beleid op dit moment. De lage koers van de euro ten opzichte van de dollar is te wijten aan het feit dat er geen vertrouwen is in het economische beleid van de eurolanden. Verder kunnen we zeggen dat de financiële crisis nog op iets anders wijst, namelijk dat het model van de euro, dat wil zeggen ”one size fits all”, niet de juiste is. Steeds meer economen zijn van mening dat er een expansief financieel beleid moet worden gevoerd. Als men dit middel wil inzetten, is er behoefte aan een veel meer individueel economisch beleid voor elk land dan de euro toelaat. “One size fits all” zal nooit een passende oplossing zijn voor welk land dan ook, maar voor alle landen altijd slechts een halfslachtige oplossing zijn.

Tot slot wil ik nog tegen de heer Klinz zeggen, die beweerde dat wij in Denemarken graag aan de euro mee willen doen en dat onze munt zwak is, dat de Deense economie ijzersterk is en dat we de financiële crisis tot nu toe beter hebben doorstaan dan het gemiddelde euroland.

 
  
MPphoto
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, er valt op dit moment, bij het tienjarig jubileum van de Economische en Monetaire Unie, weinig te vieren. Met een groot aantal reddingspakketten doen we wanhopige pogingen om een dijkbreuk van ons financiële stelsel te voorkomen en daarbij slagen we er amper in om de breuklijnen enigszins te lijmen. De banken hebben miljarden van de staat gekregen en tegelijkertijd bonussen en winst uitbetaald en de gewone burger is daarbij op meerdere fronten de klos. Zijn belastinggeld is in een bankenroulette terechtgekomen, hij dreigt zijn baan te verliezen en zijn spaartegoeden en pensioenvoorziening worden misschien ook nog minder waard.

Midden in dit dilemma wordt er nu geroepen dat we er eindelijk voor moeten zorgen dat de Europese ondernemingen niet binnenkort in handen van niet-Europese, bijvoorbeeld Chinese eigenaren vallen. De uitverkoop van Europa is al jaren geleden begonnen, en wel met cross-border leasing en soortgelijke machinaties. Bovendien staat de EMU zeker nog enig ongemak te wachten in verband met de Griekse schuldenspiraal en de Italiaanse achteloosheid na toetreding tot de euroclub.

We moeten er daarom voor zorgen dat de fouten in verband met de euro niet opnieuw door de nieuwe lidstaten worden gemaakt en dat met publieke middelen, dus met het geld van het volk, geen riskante financiële spelletjes kunnen worden gespeeld. Niet alleen moet er in de hele EU streng toezicht op dubieuze financiële constructies worden ingesteld, maar we moeten ook een solidariteitsbijdrage verlangen van degenen die van speculatie hebben geprofiteerd. Bovenal moet de EU een volledig grenzeloos kapitalisme principieel afzweren, en in plaats daarvan de burgers tegen meedogenloos winstbejag en de negatieve effecten van een ongecontroleerde globalisering beschermen.

 
  
MPphoto
 

  Othmar Karas (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Juncker, dames en heren, de vorige spreker begrijpt zeker niet wat het onderwerp is, want alles wat hij zei, heeft weinig met de euro te maken.

De euro en de uitbreiding van de Europese Unie zijn in de afgelopen tien jaar de meest zichtbare successen van de Europese Unie geweest. We moeten echter wel bedenken dat deze successen zonder de criteria van Maastricht, zonder het stabiliteits- en groeipact, zonder de Europese Centrale Bank en zonder de politieke wil, de bereidheid om de politieke verantwoordelijkheid voor Europa te dragen, niet mogelijk waren geweest. We spreken nu over samenwerking en coördinatie. We hebben inderdaad meer samenwerking en coördinatie nodig, maar een voorwaarde daarvoor is dat we meer vertrouwen in elkaar hebben. We hebben meer samenwerking en coördinatie nodig, ook met het oog op meer Europa op economisch gebied.

De Europese Centrale Bank, de Fed en de Japanse centrale bank hebben er in de verschillende crises mede voor gezorgd dat een monetaire crisis in Europa is uitgebleven. Ik wil er daarom nog eens op wijzen dat er geen top kan plaatsvinden zonder vertegenwoordiging van de eurozone en de Europese Centrale Bank. Door de financiële crisis is duidelijk geworden dat de euro ons heeft geholpen om valutaspeculatie tegen te gaan en in de eurozone te voorkomen. Uit de reacties van Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Hongarije blijkt heel duidelijk wat wij aan de euro te danken hebben.

Mijnheer de Voorzitter, mijn laatste punt is dit: wij willen ook dat de Europese Unie, overeenkomstig haar kracht, in het IMF, de Wereldbank en de mondiale financiële economie wordt vertegenwoordigd. Wij verzoeken allen die nu roepen dat er mondiale regels moeten komen, dat ze ook in Europa en in hun eigen lidstaten doen wat ze van anderen verlangen!

 
  
MPphoto
 

  Olle Schmidt (ALDE).(SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mijnheer Juncker, ik zou om te beginnen een rijpe tienjarige van harte willen feliciteren en de beide rapporteurs bedanken voor een uitstekend verslag.

De voorbije maanden hebben ongetwijfeld de sterkte van de euro aangetoond. Tien jaar geleden geloofden weinigen dat de euro zo’n formidabel succes zou worden. Verschillende landen, waaronder het mijne, bleven ongerust buiten wachten. Verschillende critici verwachtten vermoedelijk dat de euro de test niet zou doorstaan, net zoals de heer Lundgren zei. Maar hij en andere zwartkijkers hebben ongelijk gekregen. Na maanden van financiële onrust is het duidelijk dat alleen een samenwerking op het gebied van economische aangelegenheden, met de euro als spil, de zekerheid kan bieden die de huidige economische systemen nodig hebben. Dat juist gemeenschappelijke acties voor verlichting op de markt hebben gezorgd, toont de sterkte van de eurosamenwerking aan.

De euro zou de munt van heel Europa moeten zijn. Als die visie realiteit moet worden, mogen de al strenge convergentiecriteria niet nog strenger worden. Ik denk daarom dat het verkeerd is om van het eurolidmaatschap een exclusieve club te maken met hoge toetredingseisen, zoals in een van de amendementen wordt geëist.

Sta mij toe kort iets te zeggen over de positie van Zweden buiten de eurozone. Voor Zweden, dat met slechts één been in de Europese samenwerking staat, maar nog altijd geen lid is van de eurozone, zijn de voor- en nadelen nu duidelijker dan ooit, hopelijk ook voor de heer Lundgren. Toen de vorige financiële crisis Zweden in 1992 trof, hadden we uiteindelijk geen andere keuze dan de kroon te laten devalueren. Door de lessen van toen besloten we om toe te treden tot de Europese familie. De Zweedse kroon is in het voorbij jaar in waarde gedaald tegenover de euro. Nu de financiële crisis aangepakt wordt, kan Zweden niet genieten van de bescherming die de euro biedt en heeft het geen medezeggenschap in de beslissingen die gaan over en nodig zijn voor de aanpak van de crisis binnen de eurozone. Het is nu dat kleine landen als Zweden de waarde van een gemeenschappelijke munt in zouden moeten zien. De stabiliteit die de euro biedt, maakt de langetermijnvisie mogelijk die belangrijk is voor een zo van de uitvoer afhankelijk land als Zweden. Zweden kent een goede economische ontwikkeling, dat klopt, maar lidmaatschap van de euro had ons meer stabiliteit in ons monetair beleid, meer banen, een stabielere economie en sterkere uitvoer gegeven.

De Zweedse partijen zouden daarom bereid moeten zijn om hun passieve houding ten aanzien van de euro als munt van Zweden te herzien. Zweden zou een volwaardig lid van de Europese Unie moeten worden. Het is daarom tijd dat we in mijn land ernstig beginnen te praten over een nieuw referendum. Zelf hoop ik dat Zweden binnen vijf jaar lid is.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, tijdens dit debat zou ik de aandacht willen vestigen op twee kwesties die naar mijn mening een schaduw werpen op de werking van de Economische en Monetaire Unie. Ten eerste ontwikkelen de landen buiten de eurozone zich in een sneller tempo dan de landen die deel uitmaken van de eurozone. In de periode 2002-2007 hebben de oude lidstaten buiten de eurozone, met name Engeland, Zweden en Denemarken, zich aanzienlijk sneller ontwikkeld dan de landen in de eurozone. De groei van het bruto binnenlands product lag in deze landen bijna dubbel zo hoog als het gemiddelde in de eurozone, terwijl het werkloosheidspercentage er beduidend lager was. De verschillen tussen de landen van de eurozone en de nieuwe lidstaten zijn zelfs nog opvallender.

Mijn tweede punt betreft de ongelijke behandeling van de lidstaten die tot de Economische en Monetaire Unie willen toetreden in vergelijking met de landen die er reeds deel van uitmaken. Landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de monetaire unie moeten twee jaar voor de invoering van de euro al aan strenge budgettaire en monetaire criteria voldoen, terwijl de twee grootste EU-landen, Duitsland en Frankrijk, de grens van het begrotingstekort in de periode 2002-2005 vier jaar op rij hebben overschreden. Er was zelfs een wijziging van het stabiliteits- en groeipact noodzakelijk om te vermijden dat deze landen enkele miljarden euro boete zouden moeten betalen voor het niet naleven van de criteria.

 
  
MPphoto
 

  Jens Holm (GUE/NGL).(SV) Dit verslag brengt hulde aan de EMU. Ik vraag me af wat er eigenlijk te vieren valt. De eurozone bevindt zich in een recessie en de werkloosheid neemt sterk toe. Verschillende van de grote EMU-landen voldoen niet langer aan de economische basisvereisten voor lidmaatschap. Dat alleen al toont aan wat voor een rigide project dit is.

Vijf jaar geleden stemde het Zweedse volk tegen de EMU. Ik heb de Commissie echter herhaaldelijk horen zeggen dat Zweden vroeg of laat tot de EMU moet toetreden. Daarom wil ik van de gelegenheid gebruik maken om de Commissie te vragen dit voor eens en altijd te verduidelijken. Moet Zweden toetreden tot de EMU?

De EMU moet fundamenteel worden hervormd. De strijd tegen de werkloosheid zou als duidelijk doel voor de Centrale Bank moeten worden opgenomen. Er zou grotere economische flexibiliteit moeten worden toegestaan. Dat zouden enkele belangrijke stappen in de goede richting zijn.

 
  
MPphoto
 

  Zsolt László Becsey (PPE-DE). (HU) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Ik beschouw de invoering van de euro als een succes, we hebben immers gezien dat de werkloosheid is gedaald en de werkgelegenheid is gestegen, als gevolg van de stabiliteit die de euro met zich meebrengt. Dit heeft ook de huidige crisis laten zien, want landen die deze sterke reservevaluta kunnen gebruiken, kunnen eenvoudigweg geen problemen hebben met hun betalingsbalans, in tegenstelling tot de landen – bijvoorbeeld Hongarije – die deze problemen wel kennen.

In de eurozone is het echter zelfs met de subsidies uit de cohesiefondsen niet gelukt om convergentie te bewerkstelligen, en we zouden beter kunnen onderzoeken hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het is een zeer sterke kapitaalmagneet. Daarom stel ik voor dat we niet alleen het bbp maar ook het bni bij dit onderzoek betrekken.

Ik ben blij dat ook in het verslag is opgenomen dat er moet worden opgetreden tegen lidstaten die voortdurend onjuiste, rooskleurige prognoses hebben opgegeven – zoals we vanwege de gebeurtenissen in Hongarije in 2006 weten – en dat is denk ik wat we nodig hebben.

Ik vind het belangrijk dat we het prestige van het EU-lidmaatschap behouden. Enerzijds mogen landen die geen lid zijn van de Europese Unie niet toetreden tot de eurozone, want daarmee zouden we de extreme inspanningen van bepaalde lidstaten om zich aan te sluiten niet kunnen rechtvaardigen.

De instrumenten van de ECB zouden, vooral ten tijde van deze crisis, ten gunste van alle lidstaten moeten worden aangewend, in het bijzonder met betrekking tot liquiditeit; hierin mogen we niet egoïstisch zijn. Dit geeft ook zin aan het vangnet van de EU en het lidmaatschap van de interne markt: een zeer grote uitdaging, met name voor de minder ontwikkelde lidstaten. Maar dit moeten we ook in aanmerking nemen bij de samenstelling van de directie van de ECB.

Maar de belangrijkste overweging is de externe vertegenwoordiging van de eurozone. Dit is nodig, maar bij het verlenen van het mandaat voor de externe vertegenwoordiging van de eurozone moeten alle lidstaten worden ingeschakeld; de externe vertegenwoordiging mag geen exclusieve club worden, aangezien de EU een uniform geheel vormt.

Ten slotte zou ik willen zeggen dat lidstaten inderdaad zo snel mogelijk moeten toetreden tot de eurozone, onder strenge maar logische voorwaarden. Daarom ben ik blij met het redelijke voorstel van de heer Klinz waarin hij ervoor pleit dat de referentielanden tot de EU-lidstaten moeten worden beperkt. Dank u zeer voor de aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Maňka (PSE). – (SK) In verband met de financiële crisis hebben de burgers van Europa de afgelopen weken kunnen zien hoe de lidstaten in de eurozone beter toegerust zijn om het hoofd te bieden aan ernstige verstoringen. Mensen zien dit ook in mijn eigen land, Slowakije, dat op 1 januari tot de eurozone toetreedt.

De financiële beleggers en speculanten op de valutamarkten beschouwen ons al als een lid van de eurozone. Het loont niet meer om met onze valuta te speculeren, aangezien er een vaste omrekeningskoers is vastgesteld. Tegelijkertijd zijn de valuta’s van onze buurlanden aan het dalen. Speculanten zien dat als een risico dat ze vanwege de financiële crisis liever vermijden. Sommige valuta’s hebben het laagste punt in jaren bereikt.

Als een kleine en open economie overgaat op de euro, beschermt dit ondernemers en burgers tegen schommelende wisselkoersen. Zelfs de bewoners van het land met het hoogste werkgelegenheidspeil ter wereld, Denemarken, dat lange tijd een van de hoogste concurrentieniveaus en de hoogste levensstandaard ter wereld had, zijn erachter gekomen dat ze als lid van de eurozone gunstiger wisselkoersen zouden hebben gehad en ze beter in staat zouden zijn geweest om de huidige wereldwijde problemen het hoofd te bieden. Hetzelfde geldt natuurlijk voor Zweden, waar we het vandaag al over hadden. Misschien is dit voor hen het moment om hun toetreding tot de eurozone opnieuw te bekijken.

Een collega uit mijn eigen land uitte vandaag de kritiek dat de Slowaakse regering bezig is maatregelen op te stellen om het regelgevings- en toezichtskader te versterken. Ik wijs hem op een resolutie van het Europees Parlement, waarin de Commissie onlangs werd gevraagd om maatregelen voor te stellen om het regelgevings- en toezichtskader in de hele EU te versterken. Er zit niets anders op. Daarom heeft een meerderheid van de Parlementsleden uit diverse fracties vóór deze optie gestemd.

Ik wil graag afsluiten door beide rapporteurs te feliciteren met een voortreffelijk verslag.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) De Economische en Monetaire Unie bestaat tien jaar. Dat is een mooi jubileum, maar ook een gelegenheid om stil te staan bij de veranderingen waaraan de EU en de mondiale economische, financiële en politieke situatie onderhevig is geweest en ons af te vragen of de criteria van Maastricht wel toereikend zijn voor de huidige mondiale veranderingen.

In 2005 werd het stabiliteits- en groeipact herzien, misschien wel omdat de grootste landen in de eurozone de vereisten van het pact niet ten uitvoer hadden gelegd.

De afgelopen tien jaar heeft praktisch geen enkel land in de eurozone alle criteria van Maastricht ten uitvoer gelegd.

We weten dat de inflatiedoelstelling van de Europese Centrale Bank 2 procent is. Als we vandaag naar deze doelstelling zouden kijken, zouden we zien dat deze door geen enkele EU-lidstaat wordt gehaald. De inflatie varieerde in september van 2,8 procent in Nederland tot 14,7 procent in Letland en het prijsstabiliteitscriterium van Maastricht was 4,5 procent.

Hoe kunnen we nu praten over inflatiestabiliteit als de leden van de eurozone er niet in slagen het prijsstabiliteitscriterium te halen? De kwestie inflatiestabiliteit kwam voor het eerst aan de orde in 2006, toen de eurozone werd uitgebreid. Hebben we het puur over nieuwe vereisten voor nieuwe kandidaten voor de eurozone? Wat zijn de vooruitzichten voor uitbreiding van de eurozone?

Ik nodig de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank uit zich opnieuw te buigen over de beginselen en het beheer van de Economische en Monetaire Unie en de criteria van Maastricht en na te gaan of ze onder de huidige wereldwijde economische en financiële omstandigheden worden toegepast en zich af te vragen hoe het in de toekomst verder moet met de Economische en Monetaire Unie en de kandidaten voor de eurozone.

 
  
MPphoto
 

  Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Juncker, u hebt pech dat het huidige debat over de successen van euroland samenvalt met de mededeling van Eurostat dat er een ernstige recessie wordt verwacht in de landen die over de gemeenschappelijke munt beschikken. Deze ontwikkelingen zouden u eerder tot zelfkritiek moeten aanzetten dan tot het eindeloos roemen van uw eigen succes. De rapporteurs prijzen in hun verslag de daling van de werkloosheid, hoewel deze de afgelopen negen jaar slechts iets meer dan 1,5 procent bedroeg. Voor het komende jaar wordt evenwel een sterke stijging van de werkloosheid in de eurozone voorspeld. In het verslag wordt overigens ook ingegaan op de keerzijde van de medaille, met name de erg teleurstellende economische groei en de aanzienlijke daling van de productiviteit (van 1,5 procent in de jaren negentig van de vorige eeuw tot 0,75 procent in het afgelopen decennium).

Het is zonneklaar dat de euro noch een wondermiddel is tegen economische rampspoed, noch een instrument dat garant staat voor een snellere economische groei en meer welvaart dan in de EU-lidstaten die geen deel uitmaken van de eurozone, zoals Zweden, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.

 
  
MPphoto
 

  Margaritis Schinas (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het ontstaan van de EMU en de euro is ongetwijfeld een van de hoogtepunten uit de zestigjarige geschiedenis van de Europese integratie.

Dit is de eerste keer in Europa en in de wereld dat we een dergelijke gestructureerde overgang naar een gemeenschappelijke munt hebben gehad, zonder oorlog, zonder bloedvergieten, met eenstemmigheid en door de politieke wil van onafhankelijke landen die gezamenlijk en democratisch besloten hebben om deze weg naar monetaire stabiliteit in te slaan. Het was een moeilijke weg, maar een weg die geschikt was voor beide delen van Europa: zowel voor de landen die gewend waren aan financiële stabiliteit en doorgingen met het uitvoeren van hetzelfde anti-inflatiebeleid en voor andere landen die, na tientallen jaren zonder financiële discipline, in de euro voor de eerste keer een oase vonden waarin ze hun economische grondbeginselen konden rationaliseren en herstructureren.

Maar genoeg over het verleden. Nu bevinden we ons echter in een hele moeilijke situatie, op een kritiek punt waarbij we naar de “E” in EMU moeten kijken. Tot nu toe heeft de “M” in EMU, diens monetaire elementen, ons geholpen om op het punt te komen waar we vandaag zijn, maar ik bang dat, zonder een samenhangende, consequente en eensgezinde Europese aanpak van de economische aspecten van het geheel, veel van onze resultaten vanaf nu teniet zullen worden gedaan.

Er staan ons voor de toekomst dus twee dingen te doen: regelgeving ontwerpen op het gebied van coördinatie voor het Europees economisch beleid die ook doordringt tot het mondiale stelsel voorbij de excessen en de anarchie die de huidige crisis hebben veroorzaakt. Op de tweede plaats moeten we het economisch uitbuiten van de situatie door iedereen die de crisis wil gebruiken om deze belangrijke resultaten in twijfel te trekken, veroordelen.

 
  
MPphoto
 

  Manuel António dos Santos (PSE). - (PT) Om te beginnen wil ik de rapporteurs van dit uitstekende verslag feliciteren. In feite kan alleen bij de enkeling die volledig vergeetachtig is of bij de velen die een totaal gebrek aan begrip hebben de gedachte postvatten dat de euro en het ermee verbonden monetaire beleid geen geweldig succes zijn voor de mensheid en een enorm succes voor de Europese economie. Om het belang van de euro in te zien hoeven we trouwens maar te kijken naar het zeer grote aantal banen dat Europa in de tijd van de euro heeft geschapen. Het is ook veelzeggend dat degenen die tot voor kort sceptisch stonden tegenover het gemeenschappelijk monetair beleid en de euro, in crisissituaties snel vragen om vormen van samenwerking en zelfs om toetreding tot de eurozone. Daaraan is niet vreemd dat de Europese economie, met de instrumenten waarover zij beschikt, gunstiger dan andere regionale economieën op dergelijke crises reageert.

Daarmee is niet alles gezegd en het betekent ook niet dat ik persoonlijk tevreden ben over de wijze waarop er in de Europese Unie wordt aangekeken tegen vraagstukken in verband met de financiële consolidering en stabiliteit. Ik heb het hier al verscheidene keren gezegd: ik ben voor financiële stabiliteit en voor het stabiliteits- en groeipact, maar ik ben wel van mening dat het stabiliteits- en groeipact niet altijd de vriend is geweest van de reële economie. Noch dit pact, noch het monetair beleid was altijd de vriend van de reële economie. Vaak heeft de reële economie te kampen gehad met enorme moeilijkheden door een te orthodoxe toepassing van de regels van het stabiliteits- en groeipact.

Ik heb nooit een econoom horen zeggen of in een economiehandboek gelezen dat twee, drie en zestig – de magische getallen van het stabiliteits- en groeipact (inflatie, tekort en schuldquote) – wetenschappelijk bewezen zijn. Nooit heb ik iemand ontmoet, en met name geen econoom of economische theoreticus, die ooit gezegd heeft dat het absoluut noodzakelijk is die configuratie ongewijzigd te laten. Trouwens een idee dat zowel de Commissie als de meest conservatieve sectoren van Europa met hand en tand verdedigen, is dat we begrotingen in evenwicht nodig hebben die geen enkel tekort vertonen. Dat is een volledig onzinnig idee. Ongeacht het groeipercentage, zou een begroting in evenwicht het afschaffen van schuld in de toekomst betekenen. Dat zou sociaal onrechtvaardig zijn, niet rechtvaardig voor de verhoudingen tussen de generaties en geen enkele band hebben met de concrete realiteit en de reële economie.

 
  
MPphoto
 

  Jim Higgins (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van mevrouw Berès en de heer Langen is een uitstekend verslag, omdat het een overzicht geeft van de geschiedenis van de EMU over de afgelopen 10 jaar en aangeeft hoe die in de toekomst zou moeten verlopen. De euro is een daverend succes geworden: het is de op één na belangrijkste valuta in de wereld; de inflatie stemde in de afgelopen 10 jaar ruwweg overeen met de doelstelling van 2 procent van de ECB; de euro heeft reizen, handel en werkgelegenheid makkelijker gemaakt en, nog belangrijker, de euro betekent een stap verder in de richting van consolidatie van de EU.

De aankondiging afgelopen week dat de eurozone in een recessie is, betekent dat zowel binnen de EU als wereldwijd dringend maatregelen moeten worden genomen. Wat we echter niet mogen doen is de euro de schuld geven voor de huidige crisis. Hoewel de regels van het stabiliteits- en groeipact maximale leenrichtlijnen bieden voor de lidstaten, konden zij de huidige economische crisis niet voorzien, zoals niemand deze kon voorzien. Naar mijn mening vraagt de huidige crisis om flexibiliteit, omdat het, behalve als de financiële instellingen weer wat makkelijker krediet gaan verstrekken, heel goed mogelijk is dat de crisis nog ernstiger wordt en steeds meer banen verloren zullen gaan.

Ik wil voorzitter Barroso en president Sarkozy bedanken voor de manier waarop zij de Europese Unie op het overleg van de G20 in Washington vorige week hebben vertegenwoordigd. Ik denk dat wij en Europa trots op hen mogen zijn.

Ten slotte moeten wij onderzoeken hoe wij in de huidige crisis zijn beland en wat de oorzaken waren. We moeten ervan leren en ervoor zorgen dat het nooit weer gebeurt. Als dit betekent dat er hervormingen moeten plaatsvinden – hervorming van de instellingen, hervorming van het Internationaal Monetair Fonds – dan zij dat zo. Als het betekent dat we het handelen van de Europese Centrale Bank moeten onderzoeken, dan moeten we dat doen. Laten we in deze fase een forensisch onderzoek uitvoeren en laten we, wat voor soort crisis het ook is die Europa nu doormaakt – we weten namelijk niet hoe ernstig deze is, waar zij heengaat, waar zij eindigt en wat de gevolgen zullen zijn – haar uitgebreid onderzoeken en voor oplossingen zorgen.

 
  
MPphoto
 

  Dariusz Rosati (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, mijnheer Juncker, ik deel het standpunt dat de gemeenschappelijke munt een groot Europees succes is. We hebben nu al enkele jaren lage prijzen en lage inflatiecijfers, lage rentetarieven, transparante prijzen in de verschillende landen en macro-economische stabiliteit. Dit is voornamelijk een succes voor de landen die voor de invoering van de euro met een hoge inflatie en tekorten op hun begroting te maken hadden. Ik ben het er volkomen mee eens dat dit een succes is.

Ik zou nader willen ingaan op de uitspraken die mijn Poolse collega een paar minuten geleden heeft gedaan. Hij zei dat de eurozone te lijden heeft onder een stijging van de werkloosheid en een financiële crisis. Jammer genoeg heeft dit Parlementslid de zaal inmiddels verlaten, want als hij was gebleven, had hij hier enkele wijze woorden kunnen horen. Hij is zich er immers niet van bewust dat de situatie in Europa zonder de euro nog veel ernstiger zou zijn dan nu het geval is. Dit blijkt duidelijk uit de situatie van landen als IJsland en Hongarije die met enorme economische problemen kampen. Indien deze landen lid van de eurozone waren geweest, zou hun situatie nu aanzienlijk beter zijn.

Ik zou willen stellen dat het welslagen op langere termijn van gelijk welke munt afhankelijk is van reële factoren en een duurzame economische ontwikkeling. Daar ontbreekt het in Europa aan. We mogen niet over het hoofd zien dat de Amerikaanse dollar de voorbije weken sterker is geworden ten opzichte van de euro, wat erop wijst dat investeerders – of minstens een groot deel van hen – zelfs in tijden van economische crisis van oordeel zijn dat de dollar een veilige haven is voor hun investeringen. Met het oog hierop is het van vitaal belang dat we in Europa de basis leggen voor een duurzame groei om de positie van de Europese munt te versterken. Hiervoor zijn echter niet alleen hervormingen nodig, maar ook een economische dynamiek en hogere productiviteitsniveaus.

Ten tweede ben ik van mening dat de nominale convergentiecriteria moeten worden herzien. Voorts moeten we verzekeren dat deze criteria aan de nieuwe voorwaarden worden aangepast. Dit geldt in de eerste plaats voor de inflatiecriteria en de methode voor het berekenen van de referentiepunten, zodat ook de nieuwe lidstaten met een zeer dynamische economie de kans krijgen om toe te treden tot de eurozone.

 
  
MPphoto
 

  Paolo Bartolozzi (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ook ik dank de voorzitter van de Eurogroep en de commissaris, evenals de twee rapporteurs van dit verslag, omdat ik ervan overtuigd ben dat de invoering van de euro de burgers de mogelijkheid heeft gegeven hun gezinsbudget beter te beheren, doordat ze onder meer kunnen besparen op de uitgaven voor de aanschaf van goeden en diensten.

Er is al gezegd dat de inflatie beperkt is gebleven en nu gemiddeld ongeveer 2 procent bedraagt, er de afgelopen tien jaar ongeveer zestien miljoen arbeidsplaatsen zijn geschapen en het begrotingstekort in de lidstaten in de hand is gehouden. De commissaris heeft erop gewezen dat dat tekort in 2007 ongeveer 0,6 procent van het bbp bedroeg, vergeleken met 4 procent in de jaren tachtig en negentig.

De euro heeft bovendien internationaal prestige verworven en wordt ook begeerd door landen buiten de Gemeenschap. Niettegenstaande de recente financiële woelingen, die zeer harde klappen hebben toegebracht aan het mondiale financiële en bancaire stelsel, heeft de euro ongetwijfeld een remmende invloed gehad op de verwoestende effecten van deze mondiale financiële crisis. Nu bestaat echter wel het gevaar dat de vermindering van de vraag in de wereld tot het verder teruglopen van de uitvoer zal leiden en van het voordelig effect van de lagere rentevoet van de euro, dat ondermijnd wordt door de devaluatie van de dollar, teniet zal doen.

Het is duidelijk dat we naar belangrijke aanpassingen aan de dragende constructie van de euro zullen moeten kijken teneinde de lidstaten met een bbp onder het gemiddelde in staat te stellen de achterstand in te halen. Een routekaart van de EMU die de economische verschillen grondiger analyseert, een impuls geeft voor structurele hervormingen en toezicht uitoefent op de overheidsfinanciën en de financiële markten – waardoor hun integratie sneller verloopt – juichen wij dan ook toe. Dat kan en moet stapsgewijs gebeuren, naarmate wij deze situatie van instabiliteit achter ons laten, en hopelijk is dat zo snel mogelijk. Die instabiele situatie legt nog steeds een zware hypotheek op zowel de urgente keuzes die de nationale regeringen dienen te maken als op de verwarring waarin de spaarders verkeren. Die laatsten moeten weer vertrouwen krijgen om de investeringen en consumptie weer op gang te brengen en het algemene beeld te verbeteren waarbinnen met meer kalmte dient te worden gehandeld. Met andere woorden, de verantwoordelijkheid dient collectief te zijn, maar van de overheid wordt een beslissende inspanning gevraagd om te bepalen welke hervormingen gesteund moeten worden op basis van streng beleid en gezaghebbend politiek leiderschap.

 
  
MPphoto
 

  Sirpa Pietikäinen (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerste wil ik graag beide rapporteurs, mevrouw Berès en de heer Langen, feliciteren met een zeer evenwichtig verslag dat het onderwerp vanuit een breed perspectief behandelt. In de tweede plaats denk ik dat, toen zij met dit verslag begonnen, niemand kon vermoeden hoe actueel het nu zou zijn. Ik denk dat het een teken is van de capaciteit van de EU om te reageren op mondiale problemen, het concurrentievermogen veilig te stellen en stabiliteit te creëren.

Zonder de Europese Monetaire Unie zouden zowel de eurolanden als de landen buiten de eurozone veel kwetsbaarder zijn geweest voor deze financiële crisis. In de afgelopen 10 jaar heeft de Europese Centrale Bank een zeer positieve rol gespeeld en heeft dit initiatief gezorgd voor een zeer stabiel monetair en economisch beleid dat ons de kans heeft gegeven tijdig op de crisis te reageren en zowel binnen de EU als wereldwijd proactieve maatregelen te nemen op het gebied van overleg over hervormingen van de mondiale financiële structuur.

Ik denk dat dit meer is dan alleen een financiële crisis: het is een crisis over besluitvorming en de regels van het spel. Wat we nu nodig hebben is een sterkere rol voor toezicht in Europa en voor de Europese Centrale Bank. We hebben beter geharmoniseerde regelgeving nodig voor alle verschillende financiële instrumenten. We hebben behoefte aan transparantie, door middel van de juiste procedures, en het is met name belangrijk dat Europeanen zich gezamenlijk en sterk opstellen om deze beleidsmaatregelen wereldwijd te bevorderen. We moeten ons verenigen, omdat de markten buiten de capaciteiten van onze eigen landen zijn gegroeid, en we hebben samenhangende maatregelen nodig, zowel op nationaal niveau als op Europees en op mondiaal niveau.

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) De euro is in Midden-Europa ook de beste stimulans voor buitenlandse investeerders. In verband met de invoering van de euro in Slowakije op 1 januari 2009 is het derhalve aan de regering van Robert Fico om deze kans zo goed mogelijk te benutten.

De duurzaamheid van de inflatie en het financieringstekort zullen in Slowakije nauwlettend worden gevolgd en de huidige Slowaakse regering moet de hervormingen van de vorige regering van Mikuláš Dzurinda daarom voortzetten. Als dat niet gebeurt, krijgt Slowakije na de toetreding tot de eurozone wellicht problemen om de inflatie laag te houden.

Ik ben van mening dat de Slowaakse regering de aanbevelingen van de rapporteurs van het Europees Parlement ter harte zal nemen en het land in de toekomst niet met een schuldenlast zal opzadelen. De regering moet zich niet wagen aan pensioenhervormingen om zo middelen van particuliere spaarders te verkrijgen en een verlaging van het financieringstekort op de korte termijn te realiseren. Ze zal geen wetten aannemen die in strijd zijn met de wetten van de markt en ze zal bijdragen aan het verbeteren van het ondernemersklimaat.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). - (RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de Europese Unie ontleent haar kracht aan de ongeveer 490 miljoen Europese burgers. De eurozone is een pijler van stabiliteit voor Europa en voor de hele wereldeconomie. Alleen al in de afgelopen tien jaar zijn in de eurozone 16 miljoen banen gecreëerd. In de toekomst zal de Unie een antwoord moeten vinden op de uitdagingen van de demografische veranderingen en het klimaatprobleem. Door de vergrijzing van de bevolking zullen grote sociale, economische en financiële problemen ontstaan. Ik ben van mening dat het vrije verkeer van goederen, mensen, kapitaal en diensten moet worden beschermd, juist in deze tijd van financiële crisis en economische recessie.

Het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers vormt de beste garantie voor goede en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor alle Europese werknemers, en het is een doeltreffend middel tegen sociale dumping en belastingontduiking. Ik doe een beroep op de Europese Commissie en de leden van de Eurogroep om, samen met de regeringen van de lidstaten, de noodzakelijke maatregelen te treffen om de beperkingen die aan Roemeense en Bulgaarse werknemers zijn opgelegd, op te heffen. De eurozone moet het goede voorbeeld geven als het gaat om de sociale markteconomie.

 
  
MPphoto
 

  Vittorio Prodi (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik bedank commissaris Almunia voor zijn aanwezigheid en voorzitter Juncker en de commissaris voor hun inspanningen om dit zo belangrijke instrument verder te ontwikkelen. De euro is een stevige realiteit, die ons in deze crisis beschermd heeft.

We moeten dan ook op dezelfde weg voortgaan, zodat er naast het monetair beleid, dat gefunctioneerd heeft, er een economisch beleid komt voor de hele Eurogroep, maar mogelijk ook voor de Unie. Juist op dit moment hebben we een noodprogramma nodig om de te verwachten economische moeilijkheden op te vangen.

Daarom geloof ik dat het nodig is ons met alle kracht in te zetten en een programma te maken voor de energie-infrastructuur van de Unie en energiebesparing dat een schokeffect teweeg kan brengen. Ik meen dat we dat zo snel mogelijk moeten doen.

 
  
MPphoto
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe enkele punten aan te stippen.

Mijn eerste punt is dat homogene markten de kern vormen van het falen van het systeem dat we nu zien. Als het goede mensen als de heren Juncker en Almunia niet lukt heterogeniteit terug te brengen op de markten, dan stellen wij het falen slechts uit tot een later moment. Homogene markten vormen de kern van dit probleem.

In de tweede plaats werd in Ierland voorspeld dat de euro als valuta iets als een voertuig zonder remmen, zonder stuur en zonder lampen zou zijn. Wat hadden ze het bij het verkeerde eind! Waar zouden we nu zijn in Ierland zonder de euro en de Europese Centrale Bank? Waarom zijn we hier niet dankbaarder voor? Dit is iets dat ons zou kunnen helpen bij het ratificatieproces van het Verdrag van Lissabon.

In de laatste plaats, met betrekking tot het argument over vaccinatie, hebben ouders het recht hierover te beslissen, maar als iedere ouder besluit niet te vaccineren, dan steken epidemieën de kop op.

Ik wil maar zeggen: niemand is een eiland. Groot-Brittannië is dan wel een eiland, maar het wordt tijd dat Groot-Brittannië de kwestie over het toetreden tot de eurozone opnieuw op de agenda zet, want we kunnen niet allemaal maar onze eigen weg gaan.

 
  
MPphoto
 

  Gerard Batten (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is altijd economische nonsens geweest om verschillende economieën, die op verschillende wijze presteren, dezelfde rente- en valutawaarden te laten delen. Bovendien heeft de Europese Centrale Bank als belangrijkste taak en de wettelijke verplichting de inflatie te beheersen, wat in de huidige economische crisis nog het minste probleem is.

Dit zijn de breuklijnen waarlangs de Europese gemeenschappelijke munt uiteindelijk kapot zal gaan. Maar eurofielen in het Verenigd Koninkrijk gebruiken nu het argument dat de dalende waarde van het Britse pond een kans voor ons is om de euro in te voeren. Als zij enige economische kennis zouden hebben, zouden zij weten dat dit precies de reden is waarom Groot-Brittannië niet moet toetreden tot de eurozone.

De capaciteit van het pond om zijn eigen waarde te vinden ten opzichte van andere landen zal een cruciale factor voor Groot-Brittannië zijn om de aankomende economische storm te weerstaan. Het Verenigd Koninkrijk heeft de Europese gemeenschappelijke munt net zo hard nodig als een verdrinkende man een dwangbuis.

 
  
MPphoto
 

  Dragoş Florin David (PPE-DE). - (RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik wil om te beginnen de beide rapporteurs, mevrouw Berès en de heer Langen, gelukwensen. Tien jaar is niet veel en ook niet weinig, maar zij hebben duidelijk een belangrijke bijdrage geleverd aan de versterking van de interne markt en, op dit moment, aan de totstandkoming van een schild ter bescherming tegen financiële speculatie. Naar mijn mening zouden echter een strengere regulering van de financiële en bancaire sector, in combinatie met stimulering van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, bevordering van de concurrentie en het geven van financiële voorlichting aan de burgers, in deze tijden van crisis wel eens veel effectievere oplossingen kunnen zijn

Ik denk dat de landen van de Europese Unie op dit moment economische en financiële solidariteit moeten tonen, aangezien ingrijpen in de financiële en bancaire sector alleen niet voldoende is om de economische crisis anders dan slechts oppervlakkig te stabiliseren. Ik hoop, commissaris, dat de effecten van de crisis geen invloed zullen hebben op de begrotingsprognoses voor 2007–2013, omdat wij met die Europese middelen wellicht de gewenste effecten kunnen sorteren op het punt van een duurzame ontwikkeling van de Unie.

 
  
MPphoto
 

  Christopher Beazley (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, wat de kwestie van het lidmaatschap van Groot-Brittannië van de eurozone betreft, denk ik dat het altijd zo is geweest dat Groot-Brittannië van meet af aan heeft geweigerd deel te nemen aan Europese overeenkomsten. Het land had al snel spijt van dat besluit. Vervolgens doen wij op het slechts mogelijk moment een aanvraag om lid te worden. Als wij de oprichters van de eurozone waren geweest – zoals we hadden moeten zijn – dan zou onze positie vandaag de dag veel sterker zijn. Ik kijk uit naar de volgende conservatieve regering die op korte termijn een aanvraag indient om toe te treden tot de eurozone.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 

  Kurt Joachim Lauk (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil slechts twee opmerkingen maken. In de eerste plaats dat de euro de test heeft doorstaan. In deze financiële crisis waren speculaties ons zonder de euro waarschijnlijk niet bespaard gebleven, waardoor dan in Europa hele nationale economieën getroffen zouden zijn. In die zin heeft de euro zijn waarde bewezen. We zouden in Europa waarschijnlijk met aanzienlijk grotere problemen worden geconfronteerd – misschien was het een ware puinhoop geworden – wanneer we tijdens de crisis de euro niet hadden gehad.

Ik denk dat voor de toekomst twee dingen van cruciaal belang zijn. De euro kan alleen zijn stabiliteit behouden en als leidende valuta tegenover de dollar wereldwijd nog belangrijker worden, als twee zaken gewaarborgd worden: in de eerste plaats de onafhankelijkheid van de ECB, die zich heeft bewezen – hiervoor zijn verschillende argumenten aangevoerd – en in de tweede plaats de herziening van het stabiliteits- en groeipact. Het is nu al bijzonder nuttig, maar het moet toegepast en beschermd worden.

 
  
MPphoto
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. − (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alle leden van het Parlement danken die aan dit debat hebben deelgenomen. Mijns inziens mogen we hieruit concluderen dat er een hele brede consensus bestaat vóór het verslag waarover we vandaag hebben gedebatteerd, evenals hele brede steun om de Economische en Monetaire Unie voort te zetten en steun ten gunste van onze enkele munt. Ik zeg dit niet omdat ik alle argumenten wil herhalen die zijn aangevoerd door degenen die de oprichting van de Economische en Monetaire Unie tien jaar geleden steunden, maar met het oog op de analyse van wat er in die tien jaar is gebeurd en van wat wij nu in deze economisch zeer zware tijden moeten doen.

Uiteraard mogen we de huidige problemen niet toeschrijven aan de euro. Zoals we allemaal weten, liggen de oorzaken van deze ernstige crisis niet hier in Europa, of in de eurozone. Het is echter duidelijk dat wij nu de prijs betalen, net als andere geïndustrialiseerde landen, opkomende economieën en landen in ontwikkeling. Dat ligt aan het feit dat in een wereldeconomie ontkoppeling niet mogelijk is. Met de Economische en Monetaire Unie beschikken we tenminste over de middelen om de problemen efficiënter aan te pakken. We vertrouwen erop dat we deze crisis sneller te boven komen als we samenwerken dan wanneer ieder land dit in zijn eentje probeert te doen.

Ik ben het eens met allen – en dat waren er velen – die hebben opgemerkt dat de Europese Centrale Bank een instelling is die sinds de oprichting ervan meer dan voldoende heeft bewezen dat we terecht ons vertrouwen hierin hebben gesteld in het Verdrag van Maastricht. Mijns inziens heeft ze haar werk gedaan en moet dit werk worden ondersteund, want dit is een wezenlijk onderdeel van de Economische en Monetaire Unie.

Ik ben het tevens eens met iedereen die heeft gezegd dat het stabiliteits- en groeipact moet blijven zoals het er nu uitziet, na de herziening van 2005, zodat we gebruik kunnen maken van de flexibiliteit die destijds is ingevoerd en waarover wij bij vele gelegenheden hebben gedebatteerd. Deze flexibiliteit zal ons in staat stellen om begrotingsdiscipline en de regels van begrotingsdiscipline te handhaven. Daarmee zullen we in staat zijn de doelstellingen wat betreft de duurzaamheid van onze overheidsrekeningen te verankeren. Tegelijkertijd echter zullen we daarmee in staat zijn ons begrotingsbeleid te voeren in een situatie die een actief beleid vereist wat betreft belastingen en begrotingsbeleidsinstrumenten.

De budgettaire impuls moet op gecoördineerde wijze plaatsvinden teneinde effectief te zijn. Ons raamwerk voor begrotingsdiscipline maakt deze coördinatie makkelijker, maar legt eveneens beperkingen op om te voorkomen dat de coördinatie van deze budgettaire impuls de houdbaarheid van onze overheidsrekeningen in gevaar brengt. Ten derde – dit hebben velen vandaag ter sprake gebracht – moeten we zonder meer de stem van de euro versterken door de stabiliteit van onze munt te verdedigen en door middel van bilaterale en multilaterale betrekkingen met anderen die een andere munt hebben, met degenen die andere munten vertegenwoordigen en met name met de andere munten van de belangrijke spelers binnen de wereldeconomie.

Deze crisis is uiteindelijk het gevolg van macro-economische onevenwichtigheden die aangepakt hadden moeten worden, maar die niet aangepakt konden worden vanwege een gebrek aan efficiënte mechanismen om mondiale onevenwichtigheden op te lossen. We hebben hierover in Washington gesproken en hierover moeten we blijven praten. Dat kunnen wij, als Europeanen, uitsluitend doeltreffend doen als we de euro onze volledige politieke steun geven en daartoe de noodzakelijke bestuurlijke maatregelen treffen, zodat onze belangen behartigd kunnen worden op een wijze waarop ze behartigd horen te worden door de wisselkoers van onze munt. Dat is mijns inziens de weg die we moeten volgen, zoals in het verslag staat, zoals de voorzitter van de Eurogroep heeft gezegd, waarmee de Commissie heeft ingestemd en waarmee de leiders van de lidstaten de komende maanden ook meer en meer mee zullen instemmen.

Dit vereist coördinatie, maar dan wel de juiste coördinatie. Niet door de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank in twijfel te trekken of door kunstmatig besluiten op het gebied van economisch beleid te coördineren, die op basis van de situatie in elk land afzonderlijk genomen moeten worden. Dat is geen echte coördinatie. Het gaat om coördinatie zoals die steeds de basis van het economische aspect van de Economische en Monetaire Unie is geweest, ten gunste van de doelstellingen van de Economische en Monetaire Unie, zowel wat betreft macro-economische beleidsvoering als wat betreft de koppeling die tussen macro-economische beleidsvoering en structurele beleidsvoering moet bestaan.

Als we in de Commissie van coördinatie spreken, dan bedoelen we deze wijze van coördinatie. Mijns inziens blijkt onder de huidige omstandigheden dat de kans op recessie waarmee we nu te maken hebben, dat deze coördinatie prioriteit is en dat de Economische en Monetaire Unie de middelen biedt om dit te bereiken.

 
  
MPphoto
 

  Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Eurogroep. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het heel kort houden, aangezien de meesten die getracht hebben dit debat te leiden, niet meer in de zaal aanwezig zijn. Het is derhalve niet passend hun een antwoord te geven.

Voor de rest wil ik zeggen dat ik onder de indruk ben geraakt van de brede consensus die uit de debatten van het Europees Parlement naar voren is gekomen, aangezien wij het er bijna allemaal over eens zijn dat de euro een succes is geworden. Ik merk tot mijn genoegen op dat degenen die deel uitmaken van de zone dit constateren. Ik merk tot mijn genoegen op dat degenen die graag zouden willen dat hun land lid werd van de eurozone, dit eveneens constateren. Ik constateer dat degenen die altijd hebben gezegd dat al ons handelen van absolute stompzinnigheid is doortrokken, vasthouden aan hun opvatting, die niet anders kan worden gekenschetst dan zoals zij onze houding kenschetsen. Er is dus niets nieuws onder de zon, wat dit Parlement betreft. Behalve dat er in onze debatten toch iets van ongerustheid is geslopen – ik druk mij beleefd uit –, ingegeven door de financiële en economische crisis die wij momenteel ondergaan.

Ten aanzien van dit punt zou ik dus twee dingen willen zeggen, als reactie op een aantal sprekers. Niemand in de Europese Unie houdt een radicaal pleidooi voor een excessieve begrotingsconsolidatie. Niemand. Ons stabiliteitspact is hervormd. Enkelen van de aanwezigen waren het niet eens met sommige van die hervormingen die wij hebben doorgevoerd. Zij waren de eersten die de wijsheid prezen van de in maart 2005 genomen beslissingen, toen wij de interpretatie van dit stabiliteitspact een economischer perspectief verleenden, die de lidstaten en hun begrotingen thans meer lucht geven, zelfs al gaan wij een fase in die niet als neerdrukkend hoeft te worden aangemerkt, maar zich minder leent voor een eenvoudige consolidatie van de overheidsfinanciën.

De lidstaten die zich inzake begrotingsconsolidatie de laatste jaren voorbeeldig hebben gedragen, beschikken over voldoende begrotingsmarges om het hoofd te bieden aan deze conjuncturele crisis, die ook structurele elementen kent waarmee wij heden ten dage van doen hebben. De lidstaten die zich minder voorbeeldig hebben gedragen, hebben grotere moeite om de begrotingsmiddelen vrij te maken waarmee zij het hoofd kunnen bieden aan de crisis waaronder wij momenteel gebukt gaan.

Maar voor de gehele eurozone geldt dat we het aan onszelf verplicht zijn de crisis te lijf gaan in termen van economisch beleid. Het volstaat niet om te praten over een stabiele begroting. Het volstaat niet om onze inspanningen enkel te richten op de financiële crisis. Het spreekt voor zich dat de crisis om een krachtig en samenhangend antwoord van de eurozone vraagt. Wij hebben enkele weken om alles te verzamelen wat we nodig hebben om onderzoek te doen en tot actie te komen, zodat we dit concrete en krachtige antwoord kunnen opstellen. Maar al degenen die nu meer coördinatie van het economisch beleid verlangen, moeten proberen hier naartoe te werken zonder te anticiperen op economische beleidsbeslissingen die zij niet ter beoordeling aan hun collega´s van de Eurogroep hebben voorgelegd.

Het is gemakkelijk om in het Parlement een samenhangend economisch beleid te eisen. Ik stel u voor om, op basis van uw reglement, een door een interfractiewerkgroep gedragen wetsvoorstel te doen, waarin de grote fracties, optredend als het Europees Parlement, de Eurogroep en hun respectievelijke nationale regeringen verzoeken geen economische beleidsmaatregelen aan te kondigen alvorens deze ter beoordeling te hebben voorgelegd aan hun collega´s van de Eurogroep.

Eis van uw regeringen – makkelijk om dat hier te zeggen – eis van uw regeringen dat ze de uitgangspunten van een samenhangend economisch beleid eerbiedigen. Laat een interfractiewerkgroep een resolutie ontwerpen en we zullen zien. We zullen zien, binnen twee maanden, binnen drie maanden, binnen vier maanden, of de regeringen – en de politieke partijen waarvan u deel uitmaakt zitten vaak in de regeringen waartoe u zich zult richten – zullen hebben gedaan wat u hebt geëist. Dat zou geloofwaardig, redelijk, logisch, rationeel en consequent zijn.

Ik zeg dus dat er een krachtig en samenhangend economisch antwoord moet komen op een crisis die almaar economischer wordt. En men zal op het gebied van loonbeleid niet altijd zeggen wat men wil zeggen, maar wat goed is om te zeggen.

U heeft gelijk als u zegt dat de socialistische regeringen van de Groenen in Duitsland een loonpolitiek hebben gevoerd die de koopkracht van de Duitse werknemer heeft verminderd. Daarin is sindsdien verbetering gekomen. Hetzelfde kan worden gezegd van Frankrijk, waar de regering tussen 1998 en 2002-2003 geen reactionaire regering was. Integendeel, naar ik heb begrepen. Een beetje zelfkritiek in hun uitlatingen zou sommigen geen kwaad doen.

Voor de rest, wat betreft de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden, lopen we drie jaar vooruit op het tijdpad waarover wij het eens werden. U hebt helemaal gelijk, mijnheer Jonckheer, om te pleiten voor een uitbreiding van het palet aan financiële producten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn. Ten aanzien van de belastingparadijzen zult u zich in de taal van uw land moeten onderhouden met uw eigen regering. U zult ontdekken dat er werk voor u aan de winkel is.

 
  
MPphoto
 

  Pervenche Berès, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, waarde collega´s, dank u voor dit debat, ik denk dat het een goede bijdrage is van het Europees Parlement aan wat wij verwachten dat u nu ten uitvoer zult brengen, mijnheer de commissaris, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, aan de hand van een routekaart.

Mijnheer Juncker, u heeft ons gezegd: "Laat de fracties het toch eens worden!" Wel, de fracties zullen het eens worden: morgen zullen zij stemmen over paragraaf 61(d) en paragraaf 61(g), waarin zij om precies datgene zullen verzoeken wat u wilt dat zij verzoeken. Dus daarmee kunt u zich gesteund weten wanneer u morgen in discussie gaat met de ministers van Economie en Financiën.

U heeft ons gezegd: "Er is geen verslag over divergentie." Er is misschien geen zeer nauwkeurig verslag over divergentie, maar één ding is zeker: de convergentie van economische situaties die wij in de eurozone verwachtten, heeft zich niet voltrokken en mevrouw Elisa Ferreira heeft u daarvan een concreet voorbeeld gegeven.

Over de tegenstrijdigheden onder de lidstaten, mijnheer de voorzitter van de Eurogroep, kan ik het alweer slechts met u eens zijn. Ik ben niet dol op degenen die onderlinge afstemming eisen wanneer het hun uitkomt en onderlinge afstemming afwijzen en nationale soevereiniteit bepleiten wanneer dat hun beter uitkomt. De kwestie van gecoõrdineerd economisch beleid is een zaak van gemeenschappelijk belang en de situatie waarin wij ons momenteel bevinden is onaanvaardbaar: van Amerikaanse zijde zijn er al twee Paulson-plannen ten uitvoer gebracht, terwijl in Europa u ons zegt dat er nog enkele weken nodig zijn om iets te vinden dat wij kunnen zeggen tegen de Europese burgers die antwoorden van ons verwachten. Wij moeten de krachten bundelen en de Commissie heeft nu iets in handen waarmee voortgang kan worden geboekt, op basis van de voorstellen van het Europees Parlement. Ik hoop dat wij worden gehoord en gesteund.

 
  
MPphoto
 

  Werner Langen, rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag aanhaken bij de laatste woorden van de premier. Ik denk dat de flexibiliteit die de eurozone en de 27 lidstaten de afgelopen weken hebben getoond, een heel goed begin is. Zo moeten we doorgaan en indien de ervaring die u hier beiden heeft binnengebracht ook door de lidstaten aanvaard wordt, zullen we zeker op de goede weg zijn.

Ik wil graag alle collega’s bedanken voor hun bijdragen. Collega Hoppenstedt heeft het eerste debat over de euro aangehaald, toen de euro een premature baby werd genoemd. Nu, tien jaar later, is hij een sterke jongen geworden – in mijn taal is de euro een jongen, terwijl de Duitse mark vrouwelijk was – die op de basisschool alleen maar goede cijfers heeft behaald en die nu naar de middelbare school gaat. Nu zullen we zien of hij de volgende hindernissen kan overwinnen. Ik heb er tamelijk veel vertrouwen in dat hem dat zal lukken. Ik hoor bijvoorbeeld van collega Beazley dat nu zelfs de conservatieven in het Verenigd Koninkrijk er serieus over denken om tot de eurozone toe te treden – dat biedt toch heel nieuwe perspectieven! Eén ding kan ik natuurlijk wel zeggen: de toetreding tot de eurozone zal ook voor het Verenigd Koninkrijk niet gratis zijn. Zij zullen ook aan hun verplichtingen ten aanzien van de coördinatie en regulering van financiële markten moeten voldoen en de noodzakelijke minimale harmonisering moeten doormaken.

In die zin zijn we op de goede weg. Ik wil de Commissie en in het bijzonder de heer Almunia, en ook de voorzitter van de Eurogroep graag voor de goede samenwerking bedanken. We zullen u, wat uw suggesties betreft, aan uw woord houden. Wij willen met u samenwerken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt op dinsdag 18 november 2008 om 12.00 uur plaats.

 

22. Aanbevelingen over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0389/2008) van Edit Bauer, namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (2008/2012(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Edit Bauer, rapporteur. – (SK) De loonkloof tussen mannen en vrouwen is niet iets van de laatste tijd. Er staat al meer dan vijftig jaar een artikel in het Verdrag van Rome dat genderspecifieke beloningsdiscriminatie verbiedt en sinds 1975 is richtlijn 117 van kracht, op grond waarvan lidstaten verplicht zijn het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk uit te voeren. Het is natuurlijk waar dat niet alle verschillen in beloning het gevolg van discriminatie zijn. Maar volgens de wet van de grote getallen zijn de hardnekkige verschillen in bruto uurloon niet verklaarbaar.

Tussen 1995 en 2006 verminderden de verschillen op basis van uurloon, volgens Eurostat, van 17 tot 15 procent en dat in een tijd dat het merendeel van de afgestudeerden van universiteiten uit vrouwen bestaat.

Er is misschien sprake van een afnemende tendens, maar de afname vindt niet plaats in een rechte lijn. Volgens een onderzoek dat de Dublin Foundation in 2007 in vier lidstaten van de Europese Unie uitvoerde, verbreedde de kloof zich zelfs. Als de loonkloof in het huidige tempo kleiner werd en niet af en toe weer groter werd, zou deze misschien over zeventig jaar verdwenen zijn.

We kunnen het eens zijn over het feit dat de huidige wetgeving op dit terrein niet bijzonder effectief is. Er zijn uiteenlopende oorzaken van de loonkloof, zowel van systemische als van individuele aard. Sectorale, verticale en horizontale segregatie, de classificatie van beroepen, de omstandigheden die een evenwicht tussen werk en leven mogelijk maken en stereotypevorming spelen allemaal een belangrijke rol bij het voortbestaan van de loonkloof, die later overgaat in een pensioenkloof, met als uiteindelijke resultaat dat armoede een vrouwelijk gezicht heeft, zoals we al zeiden.

De loonkloof heeft ook individuele dimensies. Volgens een onderzoek door de Commissie nemen deze toe afhankelijk van leeftijd, dienstjaren en opleiding. Bovendien tonen de statistieken aan dat er bij jonge mensen sprake is van minimale verschillen. De kloof treedt op na de geboorte van het eerste kind en na afloop van het moederschapsverlof van de vrouw.

In het kader van de demografische crisis waarmee we nu worden geconfronteerd, leidt dit probleem, afgezien van het feit dat het een belangrijke factor is bij de economische concurrentie, tot een ernstig moreel probleem dat we ook niet mogen negeren.

De vraag vandaag is wat het Europees Parlement aan de situatie kan doen. Aan de ene kant hebben we een hardnekkig probleem en aan de andere kant zitten we met een paar vrij ondoelmatige wetten. Tegelijkertijd moeten we natuurlijk niet uit het oog verliezen dat de oorzaken van de loonkloof ver buiten de grenzen van de wetgeving liggen.

Het Europees Parlement heeft echter slechts één instrument tot zijn beschikking: wetgeving. Iedereen die met deze situatie te maken heeft, heeft zijn of haar eigen verantwoordelijkheid en het is onze verantwoordelijkheid om een duidelijk signaal af te geven dat we betere en effectievere wetten willen in het belang van eerlijker omstandigheden op de arbeidsmarkt.

 
  
  

VOORZITTER: MAREK SIWIEC
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. − (CS) Geachte Voorzitter, dames en heren. De Commissie is genomen met dit initiatiefverslag over het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen en wil bij deze de rapporteur haar complimenten overbrengen voor de kwaliteit van haar werk.

Evenals het Parlement acht de Commissie een verschil van 15 procent tussen de beloning van mannen en vrouwen in het Europa van vandaag onaanvaardbaar. Uiteraard dienen we omzichtig te werk te gaan en ook rekening te houden met het feit dat deze indicator een vergelijking trekt tussen de relatieve verschillen in de brutoverdiensten per uur van mannen en vrouwen in het kader van de economie als geheel. Deze indicator gaat dus verder dan het meten van de directe en indirecte discriminatie en is een weergave van alle onderling samenhangende factoren en alle soorten achterstelling waarmee vrouwen voor toetreding op de arbeidsmarkt alsook gedurende hun hele professionele carrière mee te kampen hebben.

In de mededeling van de Commissie van juli 2007 staat dat de communautaire regelgeving doeltreffend is gebleken wat betreft de bestrijding van directe discriminatie, met andere woorden in de gevallen waarin de beloning van een vrouw voor precies hetzelfde werk lager was dan van haar mannelijke collega. Als het erom gaat ervoor te zorgen dat vrouwen dezelfde beloning krijgen voor werk van vergelijkbare waarde is de regelgeving echter minder doeltreffend gebleken.

De Commissie is op basis van gedetailleerde analyses tot de slotsom gekomen dat het wellicht nuttig zou zijn wijzigingen aan te brengen aan de communautaire regelgeving ter zake, met name om ervoor te zorgen dat de hele systematiek rond de totstandkoming van lonen a priori zowel directe als indirecte discriminatie uitsluit.

De Commissie heeft aangekondigd in 2008 de communautaire regelgeving tegen het licht te zullen houden en te kijken wat al deze verschillende stukken regelgeving doen met het vraagstuk van ongelijke beloning en tevens de nodige wijzigingen voor te zullen stellen. Deze gedetailleerde analyse wordt momenteel uitgevoerd en het is nog te vroeg om te zeggen hoe deze uitpakt. Om zeker te zijn van een kwalitatief hoogstaande analyse heeft de Commissie externe deskundigen ingeschakeld en maakt zij gebruik van de uitgebreide en gedetailleerde kennis en bevindingen van nationale organisaties op het vlak van gelijkberechtiging van mannen en vrouwen.

De voorlopige resultaten van deze studie zullen tijdens een seminar in het eerste kwartaal van 2009 bekeken worden. Daaraan zullen naar verwachting alle bij dit onderwerp betrokken partijen deelnemen, zoals de lidstaten, juridische deskundigen, nationale organisaties voor de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

Het parlementair advies is allesbepalend in dit proces. Het feit dat een van de wetgevende instellingen van de EU een duidelijk advies heeft gegeven, namelijk dat de regelgeving in kwestie versneld dient te worden gewijzigd, is van grote betekenis. Tevens is het belangrijk dat de praktische aanbevelingen van het Parlement met betrekking tot de wijzigingen alles van doen hebben met juist die deelkwesties waarvan de belangrijkste betrokken partijen aangegeven hebben dat ze problematisch zijn. Het gaat daarbij om kwesties als de transparantie van lonen, de waardering van werk en ook sancties.

Al met al ben ik het volledig met het Parlement eens dat het grote verschil in beloning van mannen en vrouwen een blamage is voor Europa. De Commissie is van mening dat het nu de juiste tijd is om de analyse en de beoordeling van de situatie af te ronden en verdere stappen te ontwikkelen voor de meest concreet mogelijke resultaten.

 
  
MPphoto
 

  Donata Gottardi, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ik ben echt trots op het werk van dit Parlement en op zijn capaciteit gebruik te maken van de reeds erkende bevoegdheden op het vlak van wetsvoorstellen.

Het verslag waarover we morgen gaan stemmen behandelt een fundamenteel beginsel van de Europese rechtsorde: de gelijke beloning van mannen en vrouwen. Het is niet alleen een fundamenteel beginsel maar ook het eerste gelijkheidsbeginsel, in ieder geval als we kijken naar het tijdstip waarop het is ingevoerd. We weten dat het al in het Verdrag van Rome stond, het vanaf de allereerste arresten van het Europees Hof van Justitie is toegepast, het in een richtlijn van 1975 staat en met de herschikking van die richtlijn in 2006 opnieuw geregeld is en het voorwerp is van herhaalde analyses en onderzoeken – waar ook de commissaris net op gewezen heeft – en van permanente waarschuwingen in verband met de toepassing ervan.

Waarom moeten wij ons er hier vandaag dan weer zo uitgebreid en diepgaand mee bezighouden? Daar zijn vele redenen voor. Op de allereerste plaats omdat wij weigeren te aanvaarden dat op ruime schaal het beginsel niet wordt toegepast. Die gebrekkige toepassing blijkt uit alle statistische gegevens. Voorts zijn wij van mening dat het vele onrecht dat vrouwen ondergaan – in alle landen van de Europese Unie en in alle beroepen, op alle niveaus en in alle sectoren – absoluut bestreden moet worden. Om dat te doen volstaan de instrumenten waarover we beschikken blijkbaar niet , anders zouden we in al die jaren er wel in geslaagd zijn de situatie echt te veranderen.

Daarom menen we dat loonverschillen serieus genomen dienen te worden. We moeten die verschillen vooral niet als een ongelukje in de loopbaanontwikkeling van vrouwen beschouwen. Wat vragen wij dan? Wij vragen aan de Commissie een speciale richtlijn inzake gendergebonden loonverschillen. We beperken ons niet tot het vragen om een richtlijn maar richten tot de Commissie hele precieze aanbevelingen. We hebben een brug geslagen richting reële verandering en we denken dat het een stevige brug kan zijn indien hij rust op zeker acht pijlers.

Ten eerste wensen we te beschikken over een definitie van loondiscriminatie. Daarbij volstaat het niet naar het bruto-uurloon te kijken, daar je daarmee gegevens vangt over directe discriminatie die we in feite al de baas zijn geworden. Het is dan ook geen toeval dat alle onderzoeken de blik verder richten en kijken naar deeltijdwerk, directe en indirecte segregatie, discriminatie en horizontale en verticale segregatie.

Wij vragen om vergelijkbare, concrete, coherente en volledige data. Maar al te vaak komen we gemanipuleerde of verborgen data tegen die in de hand worden gewerkt door personeelsclassificatiesystemen en arbeidsorganisaties die uit het verleden stammen en gekenmerkt zijn door stereotypen. Wij denken dat de gelijkheidsorganen een doorslaggevende tweeledige rol kunnen spelen bij het bestrijden van discriminatie door het opzetten van bewustmakingscampagnes en door scholing van de rechterlijke macht en de sociale partners.

Wij streven naar het invoeren van specifieke sancties, hoewel we natuurlijk weten dat ook preventieve acties en maatregelen nodig zijn. Positieve acties en integratie zijn nodig, met andere woorden mainstreaming. Ik hoop dat de plenaire vergadering het volledige verslag zal aannemen. Hoe nauwkeuriger en gedetailleerder het werk dat wij de Commissie aanbieden, des te doeltreffender en sneller we namelijk zullen zijn. Dat is de hoop die ik uitspreek: het volstaat niet over gelijke beloning te spreken of te schrijven, wij willen die gelijkheid concreet maken.

 
  
MPphoto
 

  Anna Záborská, namens de PPE-DE-Fractie. – (SK) Ik feliciteer mevrouw Bauer van harte met de voorgestelde tekst. Zoals mevrouw Bauer al zei, is het onderwerp waarover we spreken zo oud als het Verdrag van Rome. Er is in vijftig jaar weinig veranderd.

De kwestie gelijke beloning voor gelijk werk voor mannen en vrouwen steekt met name tijdens verkiezingsperioden opvallend vaak de kop op. Als de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid sancties voorstelt voor bedrijven die het grondbeginsel van gelijke beloning niet naleven, worden bezwaren naar voren gebracht met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, alsof de ongelijkheid hiermee kan worden gerechtvaardigd.

Vorige week nam ik deel aan de ministeriële conferentie in Lille. Ik waardeerde de poging van het Franse voorzitterschap om een debat over dit onderwerp te houden, maar er kwamen zeer weinig constructieve, oplossingsgerichte reacties van de lidstaten. De statistieken tonen aan dat de ongelijkheid in de beloning van vrouwen zich voornamelijk voordoet na de geboorte van het eerste kind.

Het nationale en Europese beleid gericht op het verkrijgen van een evenwicht tussen de gezinsverantwoordelijkheden en ambities ten aanzien van werk, mag niet toestaan dat er nieuwe verschillen ontstaan tussen werknemers die gezinsverantwoordelijkheden hebben en zij die ongehuwd zijn of geen kinderen hebben en die dergelijke verantwoordelijkheden niet hebben. Dit heeft eerst en vooral te maken met het sociale model waarop we ons richten.

Ik stel voor dat we een coalitie vormen met industriële bedrijven. Als de directeuren van deze bedrijven niet bereid zijn in nauw partnerschap met ons samen te werken om de gelijkheid van beloning te bevorderen, verdwijnt ons verslag gewoon onder een laag stof.

 
  
MPphoto
 

  Lissy Gröner, namens de PSE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, het verbaast me dat de vrouwen nog steeds zo veel geduld met ons hebben. We praten al vijftig jaar over het verschil in beloning en er is niets wezenlijks veranderd. De cijfers spreken voor zich: 15 procent minder voor hetzelfde werk. Daardoor wordt vrouwen het loon waar ze recht op hebben, onthouden of, anders gezegd, moeten vrouwen een kwart langer werken om even veel geld te verdienen. Wat doen wij met dat gegeven in de Europese Unie?

De lidstaten moeten op dit gebied meer doen en ik dank commissaris Špidla dat hij onze voorstellen hier in het Parlement oppakt en juridische actie wil ondernemen. Op een andere manier lukt dit blijkbaar niet. In Duitsland, een van de zeer grote lidstaten van de Europese Unie, bedraagt het verschil in beloning in de private sector 23 procent. Dat is onverdraaglijk en daarmee behoren wij tot de hekkensluiters in de EU.

We weten heel goed dat er in Frankrijk en Scandinavië positieve maatregelen zijn genomen. Daar lukt het toch ook. We verzoeken de sociale partners actief te worden en de Sociaal-democratische Fractie eist transparantie in de ondernemingen. Hierdoor wordt duidelijk wanneer er bonussen worden gegeven en dan kunnen deze bij een openbare beoordeling opgemerkt worden, zodat dit controleerbaar wordt. Door regelmatige loonaudits kan aangetoond worden of er in de strijd tegen loondiscriminatie al of niet succes wordt geboekt.

Ik denk dat een wet voor de private sector in Duitsland onvermijdelijk is. We moeten meer druk op de lidstaten uitoefenen om eindelijk ook een wettelijk minimumloon in te voeren, zodat een inkomen dat vrouwen bestaanszekerheid biedt vanzelfsprekend wordt, omdat dit de beste garantie tegen armoede op hun oude dag is.

Om deze helderheid in het verslag van mevrouw Bauer te behouden, roep ik de PPE-DE-Fractie in ieder geval op– om hun verzoeken tot schrapping in te trekken, omdat hierdoor het verslag weer afgezwakt zou worden. Laten we de duidelijke taal die het nu heeft behouden!

 
  
MPphoto
 

  Siiri Oviir, namens de ALDE-Fractie. (ET) Commissaris, Voorzitter, collega’s, de rapporteur, mevrouw Bauer, stelde dat armoede een vrouwelijk gezicht heeft. Ik voel me ook genoodzaakt te herhalen dat artikel 119 van het Verdrag van Rome al in 1957 voorzag in het beginsel dat mannen en vrouwen gelijke beloning voor gelijk werk dienen te ontvangen. Tegenwoordig, in het jaar 2008, verdienen vrouwen in de Europese Unie gemiddeld 15 procent minder dan mannen en in mijn eigen land, Estland, verdienen ze wel 25 procent minder dan mannen.

De loonverschillen zijn van grote invloed op de positie van vrouwen in het economische en maatschappelijke leven, zowel tijdens als na hun actieve werkzame leven. Ze vergroten ook het risico van armoede voor vrouwen, vooral in eenoudergezinnen. De loonverschillen tussen mannen en vrouwen leiden ook vaak tot verschillen tussen het pensioen van mannen en vrouwen. Ongehuwde gepensioneerde vrouwen lopen vaak een risico op armoede.

Daarom verwelkom ik de in het verslag voorgestelde aanbeveling, dat wil zeggen, dat de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2009 met een wetgevingsvoorstel komt om te onderzoeken of de huidige wetgeving strookt met het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen. We hebben al te veel wetgeving aangenomen en te lang gewacht en de resultaten zijn niet zo best.

Het verleden heeft geleerd dat voor de oplossing van dit probleem meer nodig is dan alleen EU-wetgeving. Het zou een belangrijke stap in de richting van een oplossing van het probleem zijn om de kwestie prioriteit te geven in politieke actieplannen. Alleen met behulp van een effectieve combinatie van beleid dat voorziet in betere en effectievere wetgeving en waarin de verantwoordelijke partij wordt aangewezen, is het mogelijk een positieve oplossing voor dit probleem te vinden.

Ik dank de rapporteur voor haar verslag, waarin zij zeer belangrijke aspecten aan de orde heeft gebracht. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, we zijn 50 jaar na het sluiten van de Verdragen van Rome op het punt van gelijkheid van vrouwen op de arbeidsmarkt inderdaad helaas nog niets opgeschoten. De cijfers zijn alarmerend: 80 procent van de deeltijdwerkers is vrouw en slechts 57 procent van de vrouwen werkt, tegenover 72 procent van de mannen. Ook in het loonverschil is sinds 2003 geen verandering gekomen, terwijl er sinds 2000 slechts een verandering van 1 procent is geweest. Dat zijn alarmerende cijfers die wij hier allen betreuren. Wij hebben er ook op gewezen dat vrouwen dubbel gestraft worden, omdat deze loonongelijkheid doorloopt in pensioenaanspraken en verschillende sociale standaards. Bovendien hebben we ook een belasting- en sociaal stelsel dat vrouwen blijft straffen, omdat bijvoorbeeld ongehuwde stellen en tweeverdieners in veel belastingstelsels, waaronder het Duitse, nog steeds worden benadeeld.

De Commissie heeft aangekondigd dat er wetgevingsvoorstellen zullen worden gedaan. Waarom komen die zo laat? Waarom zijn al deze jaren juist in deze wetgevingsperiode voorbijgegaan zonder dat er op dit gebied voorstellen op tafel lagen? Wij hebben in het Parlement al om voorstellen gevraagd. We hebben gezegd dat er wettelijke bepalingen moeten komen. Er zijn ook lidstaten, zoals Zweden, die doelstellingen hebben geformuleerd met een tijdsschema erbij. Waarom maken we geen gebruik van de genderbepalingen die we hebben, om lidstaten ertoe te brengen zich in te spannen om deze beschamende loonverschillen op te heffen. In Duitsland – het is al ter sprake gebracht – bezetten we de treurige derde plaats van onderen met een beschamend loonverschil van 23 procent. We moeten ook duidelijk maken dat veranderingen kunnen ontstaan door invoering van een wettelijk minimumloon, juist in sectoren waarin overwegend vrouwen werken. We moeten echter ook de moed hebben om duidelijk te maken, …

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Ilda Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) De onderwaardering van arbeid door het betalen van lage lonen is nog steeds één van de meest gebruikte methoden van het kapitalisme om de uitbuiting van werknemers te vergroten. Die methode treft in het bijzonder werkneemsters, wat op zijn beurt ook een onderwaardering van het moederschap betekent.

Het is onaanvaardbaar dat meer dan dertig jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn gelijke beloning van mannen en vrouwen er nog op zo’n grote schaal wordt gediscrimineerd. Het betreft vooral indirecte discriminatie als gevolg van onzekere arbeid, waar vooral vrouwen en jongeren door worden getroffen. In sommige landen, zoals Portugal, waar de werkloosheid erg hoog is, zijn de gemiddelde loonverschillen tussen mannen en vrouwen toegenomen. Die verschillen belopen in de particuliere sector nu meer dan 25 procent en dragen ertoe bij dat armoede nu vooral een vrouwelijk gezicht heeft, ook onder gepensioneerden.

De Europese Commissie en de lidstaten dienen de nodige maatregelen te nemen teneinde arbeid op te waarderen, loonverschillen te overbruggen en stereotypen te elimineren in verband met banen en sectoren die vrouwen nog steeds discrimineren. We dienen de beroepen en sectoren waarin vrouwen domineren, met name het winkelbedrijf, de dienstensector en verschillende industrietakken, op te waarderen.

De realiteit toont aan dat de groei van de werkloosheid de rechten van vrouwen kwetsbaarder maakt, de uitbuiting van werknemers intensifieert en discriminatie doet toenemen.

Daarom dringen we aan op een ander beleid, dat prioriteit geeft aan banen met rechten, bestrijding van discriminatie en bescherming van het moeder- en het vaderschap als fundamentele sociale waarden.

Wij steunen derhalve dit verslag, waar we met een aantal amendementen aan hebben bijgedragen. Daarin wijzen we op het belang dat we hechten aan onderhandelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten bij het bestrijden van discriminatie van vrouwen, met name op het vlak van de toegang tot werk, lonen, arbeidsomstandigheden, carrièreperspectief en beroepsopleiding.

 
  
MPphoto
 

  Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in het ontwerpverslag over gelijke beloning voor mannen en vrouwen wordt gewag gemaakt van een aantal terechte feiten in verband met het beginsel van gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde. Gelijke beloning is absoluut noodzakelijk, net als een behoorlijk loon voor banen die traditioneel door vrouwen worden uitgeoefend wegens hun geestelijke en lichamelijke aanleg.

Het effect van de regelgeving die al in een buitensporig groot aantal verscheidene documenten is vastgelegd, hangt uiteraard af van de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze wetgeving in de afzonderlijke lidstaten. De uitvoering van deze bepalingen kan echter behoorlijk moeilijk zijn als gevolg van de dominante positie van de private sector waar de meeste managers in de eerste plaats uit zijn op winst en geen oog hebben voor ethische en morele beginselen. Bovendien bemoeilijken zij het werk van de vakbonden die de werknemers zouden moeten beschermen en aan loononderhandelingen zouden moeten deelnemen. Het probleem van ongelijke beloning is derhalve een van de terreinen waarop de zwakkeren in de samenleving worden gediscrimineerd.

We hebben geen academici of deskundigen nodig om in te zien dat discriminatie in de eerste plaats het resultaat is van de linkse materialistische ideologie, de gebrekkige tenuitvoerlegging van ethische beginselen, een gebrek aan persoonlijke ontwikkeling, eigenbelang, hebzucht en het uitbuiten van zwakkeren en armen. Dit laatste geldt niet alleen op het vlak van beloning, maar is ook van toepassing op een verschijnsel dat steeds wijder verbreid raakt in de Unie en zelfs in de armste en zwakste EU-landen een feit is, namelijk de discriminatie van katholieken en van personen die een andere mening hebben dan de politiek correcte overtuiging die in dit Parlement wordt opgelegd.

 
  
MPphoto
 

  Gabriele Stauner (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, het feit dat vrouwen voor hetzelfde werk nog steeds slechter betaald worden dan mannen is een droevig hoofdstuk in onze Europese Gemeenschap.

Eigenlijk is het niet te begrijpen, omdat de situatie juridisch volkomen duidelijk is. Sinds het begin van de Gemeenschap in 1957 – daar is hier al verschillende keren op gewezen – is het beginsel in het Verdrag van Rome vastgelegd en wel als een onmiddellijk toepasbaar recht. Dat wil zeggen dat iedere vrouw dit recht voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onmiddellijk kon opeisen. Binnen de EU bestaat er geen krachtiger wettelijke bescherming. Desondanks wordt dit beginsel in gemiddeld 20 procent van de gevallen niet gerespecteerd. Daarom is het ook absoluut noodzakelijk – zoals de Commissie hier voorstelt – dat we door middel van secundaire wetgeving aan dit beginsel uitvoering geven.

Deze stand van zaken laat maar weer eens zien dat er een verschil is tussen het recht en het werkelijke leven. Mensen die in hoge mate van hun arbeidsplaats en hun loon afhankelijk zijn – en dat zijn nu eenmaal vaak vrouwen – durven hun vanzelfsprekende rechten vaak eenvoudigweg niet op te eisen, omdat ze gemakkelijk aan de kant kunnen worden gezet. Wij kunnen nu wel weer eens een beroep op de verantwoordelijkheid van de ondernemers doen, en zeggen dat het een kwestie van goed fatsoen is dat men vrouwen niet slechter dan mannen betaalt, maar wie niet horen wil moet maar voelen. Daarom ben ik in geval van overtredingen voor zware en consequente sancties. Vooral de lidstaten moeten dit nu eindelijk serieus aanpakken en de ondernemingen die in strijd met dit beginsel handelen, aanklagen en bijvoorbeeld krachtens het aanbestedingsrecht straffen.

Ik heb een klein beetje kritiek op de Commissie: misschien bent u in dit geval een beetje nalatig geweest, misschien waren de ogen te veel op de economie gericht. Ik feliciteer collega Bauer met haar verslag!

 
  
MPphoto
 

  Teresa Riera Madurell (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik wil de rapporteur eveneens feliciteren met haar werk. Dit is een bijzonder relevant verslag, aangezien de loonkloof binnen de Europese Unie realiteit is en moet worden opgeheven. Het is onaanvaardbaar dat vrouwen 15 procent minder verdienen dan mannen en dat dit verschil in de particuliere sector kan oplopen tot maar liefst 25 procent.

Deze loonkloof is lastig te dichten, omdat deze het gevolg is van indirecte discriminatie: het meest onzekere werk en het merendeel van tijdelijk werk wordt door vrouwen uitgevoerd.

Wat moeten we doen? In wezen moet het gelijke-kansenbeleid worden bevorderd dat de onderlinge afstemming tot doel heeft van het gezins- en werkzame leven, evenals verbetering van de vergoeding voor laag betaalde en voornamelijk door vrouwen bezette banen.

Om die reden wil ik van de aanbevelingen die in het verslag worden genoemd – en die allemaal bijzonder belangrijk zijn – die aanbeveling eruit lichten waarin wordt voorgesteld de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep te herzien door er verwijzingen naar de loonkloof in op te nemen, evenals de aanbeveling om de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid te herzien, waar de verschillen het grootst zijn.

 
  
MPphoto
 

  Marco Cappato (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik zou tegen commissaris Špidla willen zeggen dat hij natuurlijk de uitstekende voorstellen in dit verslag van mevrouw Bauer in overweging dient te nemen. Tevens zou ik hem willen laten weten dat indien het mogelijk mocht blijken een Europese wet te maken tegen loondiscriminatie, er naar mijn mening ook discriminatie in verband met pensioenen een plaats in verdient. Dat geldt ook voor de subtielere, indirecte vormen van discriminatie, die in een land als Italië bijzonder vervelende vormen aannemen.

De Europese Commissie heeft zich al beziggehouden met deze discriminatie in verband met de pensioenleeftijd, waarvan we dan ook akte geven. Al in 2004 heeft de Europese Commissie de Italiaanse regering erop gewezen dat verschillende pensioenleeftijden voor vrouwen (60 jaar) en mannen (65 jaar) onaanvaardbaar zijn. De pensioenleeftijd van 65 voor mannen is natuurlijk de meest gangbare. Namens de namens de Partito Radicale hebben we, samen met Emma Bonino, op alle mogelijke manieren geprobeerd de publieke opinie, de regering, de oppositie en alle partijen duidelijk te maken dat die verschillende regelingen moesten verdwijnen. Dat is echter niet gebeurd.

Dankzij de Europese Commissie heeft het Hof van Justitie op 13 november eindelijk met een arrest uitgesproken dat deze discriminatie onwetmatig is en een schending betekent van de Verdragen en de communautaire wetgeving. Het ergste is de redenering die Italië heeft aangevoerd ter verdediging van deze discriminatie. Volgens Italië is deze discriminatie gerechtvaardigd met het oog op het elimineren van tegen de vrouw gerichte discriminatie op sociaal-cultureel vlak, dat wil zeggen discriminatie op de arbeidsmarkt. Om die vorm van discriminatie weg te werken wordt een andere vorm van discriminatie in het leven geroepen door vrouwen eerder dan mannen met pensioen te laten gaan. Ook tegen deze vorm van discriminatie dient op Europees niveau opgetreden te worden om er een einde aan te maken.

 
  
MPphoto
 

  Eva-Britt Svensson (GUE/NGL).(SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil ten eerste mevrouw Bauer bedanken voor een goed en belangrijk verslag dat ik ten volle steun. Ten tweede beschreef een collega vrouwen zopas als zwak. Ik wil zeggen dat vrouwen niet zwak zijn. Het zijn echter de patriarchale structuren in de samenleving die vrouwen zwak maken.

De Europese richtlijn gelijke beloning bestaat 30 jaar. Desondanks zijn vrouwen nog altijd niet evenveel waard als mannen – noch qua beloning, noch qua invloed, en dat geldt zowel in de maatschappij als op het werk. Hoewel vrouwen in het algemeen een hogere opleiding hebben, verdienen ze gemiddeld vijftien procent minder dan mannen voor hetzelfde of vergelijkbaar werk. Het is dus duidelijk dat het verbeteren van de bestaande wetgeving niet volstaat om de loondiscriminatie op te lossen. De beloningsverschillen zijn uiteindelijk een teken van de voortdurende discriminatie van vrouwen op alle verschillende gebieden. Het is nog niet genoeg dat we slechter beloond worden voor hetzelfde werk, ook worden we vaak gedwongen atypisch werk aan te nemen, deeltijdwerk, enzovoort. Deze beloningsdiscriminatie blijft vrouwen hun hele leven achtervolgen doordat we ook slechtere pensioenvoorwaarden krijgen en in slechtere omstandigheden leven als we ouder worden.

Het is de hoogste tijd dat we er samen voor zorgen dat er een einde komt aan deze discriminatie van vrouwen.

 
  
MPphoto
 

  Godfrey Bloom (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, jammer genoeg hebben de meeste politici een onjuist idee over de redenen waarom er verschillen zijn tussen de salarissen van mannen en vrouwen. Het basisuitgangspunt, hoe onjuist ook, houdt de mythe in stand dat werkgelegenheid een fenomeen is dat wordt geregeerd door vraag en door werkgevers. Dat is echter niet het geval. Degenen die vinden dat alle vrouwen hetzelfde zouden moeten krijgen als mannen voor dezelfde functieomschrijving gaan volledig voorbij aan het feit dat een individu geen economische eenheid is.

Ondanks de al zo belastende arbeidswetgeving, die meestal wordt opgesteld door mensen met weinig of geen ervaring in het bedrijfsleven, blijven verschillen in loon bestaan om één simpele reden: werkgelegenheid gaat over vraag en aanbod; het gaat over keuzes op het gebied van lijfstijl; het is vaak gebaseerd op prioriteiten, de wens vervroegd met pensioen te gaan, de wens in een bepaalde regio of stad te wonen, druk van hobby’s of sport of om kinderen. Werkgever en werknemer sluiten een zelfde soort deal als een verkoper en een koper van een grondstof.

De Britse Commissie inzake gelijkheid en mensenrechten heeft aanzienlijk meer vrouwen dan mannen in dienst en het gemiddelde salaris voor hun mannelijke werknemers ligt hoger dan het salaris van de vrouwelijke werknemers. Ik ben het ermee eens dat wetgeving uit het verleden een beperkte impact heeft op deze dynamiek. Dan zou je net zo goed wetgeving kunnen opstellen tegen...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Dank u mijnheer de Voorzitter, commissaris. Ik ben heel blij dat dit debat over vrouwen onder uw voorzitterschap wordt gehouden.

Ik waardeer de pogingen van de rapporteur, Edit Bauer, om op evenwichtige wijze te komen tot de formulering van aanbevelingen aan de Commissie en een verbetering van het rechtskader van de EU, met name de doelmatige tenuitvoerlegging ervan.

Als gevolg van uiteenlopende omzettingen, tenuitvoerleggingen en interpretaties binnen lidstaten, zijn we er met de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen niet in geslaagd de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die vooral verband houdt met niveaus van beroepssegregatie, weg te nemen.

Ik waardeer het dat de rapporteur in haar verslag benadrukt dat het moederschap niet nadelig mag zijn voor vrouwen die besloten hebben hun loopbaan te onderbreken om voor hun kinderen te zorgen. In alle lidstaten zouden vrouwen gedurende een periode van minimaal één jaar na de geboorte van een kind steun moeten krijgen ter hoogte van het netto inkomen dat ze verdienen op het moment dat het ouderschapsverlof ingaat. Deze regelingen zouden tevens moeten worden gekoppeld aan een loonstelsel op grond waarvan het aantal gewerkte jaren wordt meegeteld bij het bepalen van de hoogte van het loon. Moederschap moet vrouwen voordelen opleveren, geen nadelen.

Onderwijs is evenzo van belang, aangezien het ertoe kan bijdragen dat genderstereotypen worden weggenomen en dat de beloning van de paar betaalde functies waarin nog steeds geen vrouwen werkzaam zijn, wordt verbeterd.

De lidstaten moeten een samenhangende voorlichtingscampagne opzetten gericht op de bewustmaking onder werkgevers en werknemers van de bestaande of potentiële loonverschillen op de arbeidsmarkt in de EU. Ook moeten ze worden geïnformeerd over de belangrijke maatregelen die zijn aangenomen om ervoor te zorgen dat werkgevers worden beboet als ze het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk schenden.

Ik verwacht dat, dankzij de aanbevelingen van het Europees Parlement in dit verslag, waarmee ik de rapporteur mevrouw Edit Bauer feliciteer, de Europese Commissie, in samenwerking met het Europees Parlement en de lidstaten, wetten zal opstellen die inderdaad gelijke beloning voor gelijk werk voor mannen en vrouwen garanderen.

 
  
MPphoto
 

  Gabriela Creţu (PSE).(RO) Collega’s, dit verslag is misschien wel het belangrijkste document over de loonkloof dat wij hebben opgesteld. Met name de bijbehorende aanbevelingen betekenen een stap vooruit, omdat het beginsel van gelijke beloning voor gelijkwaardig werk nu eindelijk toegepast zal gaan worden. Ik moet degenen die aan dit verslag hebben bijgedragen, gelukwensen. Tot nu toe is werk steeds beoordeeld op basis van traditie en onderhandelingsvaardigheid. En als ik zeg onderhandelen, dan denk ik met name aan de rol van machtige vakbonden, die regeringen en werkgevers kunnen dwingen fatsoenlijke lonen te accepteren. Deze beide criteria hebben altijd in het nadeel van vrouwen gewerkt.

Wij moeten toe naar een niet-discriminerend beoordelingssysteem voor werk en een nieuwe manier om beroepen in te delen. Wij roepen de lidstaten en de Commissie op om nu eindelijk eens specifieke maatregelen te gaan treffen om te zorgen dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld. Wij hopen dat zij dit ook zullen uitdragen door eind deze maand in Parijs te stemmen voor de clausule die voor de vrouwen in Europa het gunstigst is. Laten wij ons echter geen illusies maken. Zelfs als het nieuwe systeem is bedacht en uitgevoerd, gaat het nog steeds alleen om betaald werk. Werk dat thuis of zwart wordt gedaan, zal nog altijd worden gedaan, vooral door vrouwen, zonder verschillen in beloning, aangezien zij voor dit werk helemaal geen loon ontvangen.

 
  
MPphoto
 

  Věra Flasarová (GUE/NGL). - (CS) Geachte commissaris, dames en heren. Dit is werkelijk een buitengewoon nuttig verslag van mevrouw Edit Bauer. Ongelijke beloning van mannen en vrouwen is namelijk een van de meest hardnekkige uitingen van discriminatie tegen vrouwen. Zoals mevrouw Bauer reeds zei, ontbreken er gedegen statistische gegevens over de situatie op de arbeidsvloer en op nationale en EU-schaal. Ikzelf heb in de afgelopen jaren een aantal boeken en artikelen geschreven over deze problematiek. Het lager belonen van vrouwen voor hetzelfde werk bij een gelijk opleidingsniveau en gelijke productiviteit is helaas een diep in de stereotype opvattingen over de rol van man en vrouw inzake het levensonderhoud van het gezin geworteld fenomeen.

De verantwoordelijkheid voor het levensonderhoud wordt traditioneel toegeschreven aan de man en daar zijn alle arbeidsstructuren, of dat nu in het bedrijfsleven is of bij de overheid, in meer of mindere mate op afgestemd. Er bestaat een diepgewortelde overtuiging dat de man met zijn loon niet alleen in zijn eigen levensonderhoud voorziet, maar ook in dat van zijn gezinsleden en dat het loon van de vrouw een soort extraatje voor de gezinsfinanciën is.

Men wil er vaak helemaal niet aan, maar deze zienswijze is zo weerbarstig dat om te zorgen voor gelijkberechtiging op de werkvloer we ons niet verlaten kunnen op een cultureel bepaalde omslag, maar helaas naar juridische middelen moeten grijpen om de gelijkberechtiging daadwerkelijk tot stand te brengen. Daarom ben ik een zeer grote voorstander van het voorstel om artikel 29 van de richtlijn 2006/54 uit te breiden met nauwkeurig omschreven aanwijzingen hoe het gelijkheidsbeginsel ten uitvoer te leggen.

 
  
MPphoto
 

  Maria Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het verslag van mevrouw Bauer heeft ons commentaar niet nodig om de weg te wijzen naar het afschaffen van een fenomeen waar de maatschappij zich voor zou moeten schamen en dat een vicieuze cirkel van onrechtvaardigheid creëert, waarbij kinderen in een gezin hun moeder hetzelfde werk zien doen als hun vader maar minder zien verdienen en vrouwelijke collega’s hun mannelijke collega’s hetzelfde werk zien doen en minder betaald krijgen.

De maatschappij duldt dit fenomeen en houdt het dus in stand, want vrouwen zouden de rechtsmiddelen moeten hebben om hun omstandigheden waar en zo nodig te veranderen. Daarnaast zouden de bevoegde autoriteiten geschikte maatregelen moeten invoeren die rekening houden met de tijd die aan het gezin wordt besteed, perioden van werkloosheid, perioden van ziekte en in een eerlijk belastingsysteem voorzien zodat de ongelijke beloning van vrouwen voor hun werk wordt gecompenseerd. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de tijd die aan werken is besteed, maar ook met de kwaliteit ervan en andere manieren waarop een vrouw haar steentje bijdraagt aan de maatschappij.

Commissaris, ik herhaal het verzoek van de heer Cappato om uw positie als Commissie te herzien met betrekking tot de geschillen die enkele lidstaten hadden over de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen en het land dat deze geschillen had en voor het Europees Hof van Justitie is gebracht. Deze geschillen waren corrigerende geschillen voor alle vrouwen, ongeacht of ze moeder waren of niet. Voor moeders is het natuurlijk nog belangrijker dat er rekening wordt gehouden met de totale tijd, vooral omdat u voorstander bent van het betrekken van het gezins- en privéleven bij het berekenen van de werktijd.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vrouwen verdienen in de Europese Unie gemiddeld 15 tot 25 procent minder dan mannen. Bovendien zijn loonstelsels waarbij het aantal dienstjaren in overweging wordt genomen voor het bepalen van het loonniveau nadelig voor vrouwen omdat zij hun loopbaan vaak moeten onderbreken om gezinsredenen. Het opvoeden van kinderen, het veranderen van baan en kortere arbeidstijden leiden ertoe dat vrouwen een langdurige en structurele achterstand oplopen. Het concept van gelijk loon voor gelijk werk mag niet worden scheefgetrokken door een stereotype benadering van gendergebonden kwesties en maatschappelijke rolpatronen, die de opleidings- en beroepskeuzen van een groot aantal mensen tot nu toe in aanzienlijke mate heeft beïnvloed. Loopbaanonderbrekingen wegens moederschaps- of ouderschapsverlof mogen geen reden zijn om vrouwen te discrimineren op de arbeidsmarkt.

De Richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep vormt een wezenlijk onderdeel van het acquis communautaire dat door de lidstaten zo spoedig mogelijk ten uitvoer moet worden gelegd. De doelstelling aangaande het wegwerken van de loonkloof moet volledig ten uitvoer worden gelegd in de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Regelmatige looncontroles en de dreiging van sancties zouden een einde moeten maken aan alle vormen van discriminatie, in de eerste plaats aan discriminatie op grond van geslacht.

 
  
MPphoto
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). - Voorzitter, ik dank mevrouw Bauer voor het uitstekende verslag. Het kan toch niet zijn dat we vandaag over een onderwerp praten dat al zo lang op onze agenda staat, namelijk sinds 1957 toen de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, gelijk loon voor mannen en vrouwen in de Verdragen werd verankerd. We hebben 30 jaar Europese regels en wetten gehad. We hebben een routekaart 2006-2010 van de Europese Commissie en we hebben als een van de kernpunten, ook in de strategie van Lissabon, de verkleining van de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Voorzitter, desondanks wordt de loonkloof niet kleiner. Ik las afgelopen zaterdag in The Times dat het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen in het Verenigd Koninkrijk zelfs is gestegen. In de particuliere sector naar 21,7 procent en in de overheidssector naar 13,8 procent. Ook in andere lidstaten - neem ook mijn eigen land - is er geen verbetering. Uit het genderrapport voor Nederland van het World Economic Forum blijkt dat Nederland slechts op de 88ste plaats staat op de ranglijst van gelijk loon voor gelijk werk.

Voorzitter, actie dus! Vrijdag hebben de ministers van Frankrijk, Tsjechië en Zweden een actieplan aangenomen. Maar hoeveel actieplannen moeten er nog komen? In de resolutie die mevrouw Bauer heeft ingediend, doet zij een groot aantal aanbevelingen. Dat is prima. Maar voor mij zijn er twee prioriteiten. In de eerste plaats moet worden gezorgd voor de toepassing van en de veel striktere controle op de gelijke behandeling - gelijk loon voor mannen en vrouwen waarop al onze sociale-zekerheidssystemen gebaseerd zijn. Ten tweede - en ik vind echt dat dit onder de aandacht gebracht moet worden - is er de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. We krijgen verzilvering en vergrijzing van de samenleving en als vrouwen dan ook nog geen pensioen hebben, dan is dat heel erg naar. Voorzitter, dat is het actiepunt voor de toekomst!

 
  
MPphoto
 

  Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE). – (BG) Ik verwelkom de discussie over dit verslag. Dat de ongelijkheid in beloning tussen mannen en vrouwen blijft voortduren, is onaanvaardbaar. Maar we moeten onze discussie niet beperken tot gelijke beloning voor gelijk werk. We moeten dit vanuit een breder perspectief benaderen. De individuele aard van werk is de basis van alle activiteit en het is belangrijk dat we een objectieve manier vinden om de waarde ervan te beoordelen, met duidelijke regels, criteria en indicatoren, waarmee een grotere objectiviteit kan worden bereikt, en discriminatie kan worden uitgebannen door duidelijke wetgevende maatregelen. Het evalueren van beroepen en arbeid en het beoordelen van hun prijs is een belangrijk instrument. De lage financiële status van sommige beroepen maakt ze onaantrekkelijk zodat ze door mannen in het algemeen worden vermeden en door vrouwen worden uitgeoefend. Het verbeteren van deze situatie zou een positieve invloed hebben op het verbeteren van de economische onafhankelijkheid van vrouwen. De lage financiële status van diensten die bijvoorbeeld door verpleegkundigen of docenten worden verleend, is onaanvaardbaar, omdat deze absoluut niet overeenkomt met het belang ervan in de ontwikkeling van de maatschappij. Dit is een gebied waar ook de Commissie en de lidstaten verplichtingen hebben.

 
  
MPphoto
 

  Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). - (SL) Dames en heren, om te beginnen wil ik graag zeggen dat ik het persoonlijk volstrekt onaanvaardbaar vind dat vrouwen gemiddeld 15 procent minder verdienen dan mannen en dat het verschil in de particuliere sector zelfs 25 procent bedraagt. Ik wil in dit verband benadrukken dat vrouwen in mijn eigen land, Slovenië, op het gebied van opleiding niet achter lopen. Er moeten dus maatregelen worden genomen. Veel mensen vragen zich waarschijnlijk af waarom het nodig is om op Europees niveau maatregelen te nemen en waarom de oplossing voor dit probleem niet aan de lidstaten kan worden overgelaten. Een van de redenen hiervoor is dat het te lang duurt vóór deze verschillen kleiner worden en een andere reden is dat in het merendeel van de lidstaten te weinig vrouwen zich met politiek bezighouden zodat er onvoldoende aandacht is voor genderspecifieke problemen.

Een minderheid slaagt er alleen in om haar problemen op geloofwaardige wijze onder de aandacht te brengen als ze in een bepaalde instelling, zoals een parlement of een regering, een vertegenwoordiging heeft van minstens 30 procent. En er zijn diverse Europese landen waar de vrouwen met minder dan 30 procent in de politiek zijn vertegenwoordigd. Het gemiddelde percentage vrouwen in de regeringen van de lidstaten en in hun parlementen ligt onder de 30 procent. Onze vertegenwoordiging in het Europees Parlement is 31 procent, wat net iets meer is dan de kritische massa die we nodig hebben om genderspecifieke problemen op effectieve wijze onder de aandacht te kunnen brengen. Daarom moeten we dat van hieruit doen.

Een andere vraag die ik mezelf heb gesteld is of de voorgestelde maatregelen niet te revolutionair zijn en of ze niet tegen het subsidiariteitsbeginsel indruisen. Ik ben het met de rapporteur eens als zij zegt dat de wetgeving niet doelmatig genoeg is en dat deze kan en moet worden versterkt. We moeten met moedige voorstellen komen die een steekhoudend uitgangspunt vormen voor de totstandkoming van echt beleid. Ik steun haar voorstel dat de Commissie uiterlijk 31 december volgend jaar met een nieuw wetgevingsvoorstel moet komen met betrekking tot de bestaande wetten inzake gelijke beloning voor mannen en vrouwen en ik feliciteer haar met dit grondig voorbereide verslag.

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, twee maanden geleden debatteerden we hier in het Parlement over het jaarlijkse verslag over de gelijkheid van mannen en vrouwen. Een van de meest zorgwekkende aspecten die tijdens dat debat ter sprake kwamen, is onderwerp van het debat van vandaag: de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Het is zorgwekkend dat we er sinds 2003 niet in zijn geslaagd deze loonkloof van 15 procent te dichten. Dat betekent dat een vrouw tweeënvijftig dagen per jaar meer moet werken om hetzelfde loon als een man te ontvangen.

Dit is een volstrekt onaanvaardbare situatie in de Europese Unie en daarom is het zonder meer noodzakelijk dat we een striktere wetgeving introduceren en ingrijpendere afspraken met de werkgevers maken teneinde deze loonkloof te dichten.

Binnen afzienbare tijd zullen we echter worden geconfronteerd met een andere twijfelachtige kwestie. De komende maand zullen we de richtlijn betreffende de arbeidstijd gaan behandelen, die eveneens een bijzonder zorgwekkende factor wat betreft de onderlinge afstemming van het gezins- en werkzame leven van vrouwen is. Dit is zonder meer een gevoelig onderwerp met betrekking tot werk. Daarom zijn we ook in dat opzicht in afwachting.

 
  
MPphoto
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE).(BG) Mijn felicitaties aan Edit Bauer voor het uitstekende werk dat ze heeft verricht voor de aanbevelingen over gelijke beloning voor mannen en vrouwen. Ik weet dat ze veel moeite heeft gedaan om een document op te stellen dat zo veel mogelijk rekening houdt met de werkelijke situatie, en ik hoop dat de aanbevelingen uit dit document in de praktijk worden gebracht.

In mijn land, Bulgarije, ligt de loonkoof tussen mannen en vrouwen tussen de 25 en 30 procent, en hoewel het algemene beeld in de Europese Unie een lager verschil laat zien, blijft het feit dat vrouwen slechter worden betaald dan mannen. Waarom? Een van de factoren is de beloningsstructuur van sommige beroepen met een groot aandeel vrouwelijke werknemers. Een andere oorzaak is geworteld in het feit dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor de situatie, en niemand zich dus verantwoordelijk voelt voor het oplossen ervan. De huidige, diep ingebakken stereotypen en vooroordelen over hoe arbeid wordt verdeeld over mannen en vrouwen, zijn niet alleen lastig, maar worden vaak gebruikt als excuus om het probleem te negeren.

Wat kunnen we hieraan doen? In de eerste plaats is het, zoals in het verslag wordt gezegd, een verplichte voorwaarde dat de lidstaten zich moeten houden aan de huidige wetgeving. Het staatsbeleid moet de tenuitvoerlegging van gelijke rechten en gelijke beloning stimuleren. Ten tweede moet transparantie bij het beoordelen van arbeid en het vaststellen van salarissen een integraal, in plaats van een formeel aspect van arbeid in bedrijven worden. En tot slot moet het stimuleren van interne dialogen en goede communicatie tussen management en personeel, met name in kleine en middelgrote ondernemingen, onderdeel worden van een echt nieuwe cultuur in individuele Europese maatschappijen en in heel Europa.

Ik wil mevrouw Bauer nogmaals feliciteren met haar vakkundige presentatie van de problemen en de oplossingen die zij heeft aangegeven. Bedankt voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u graag bedanken voor dit debat. Ik wil graag één kwestie aan de orde stellen en misschien kan de Commissie hier op antwoorden. We hebben het over gelijk loon voor gelijke arbeid en we willen allemaal graag dat dit gebeurt. Wat is de kijk van de Commissie op de huidige banensituatie? Ik ben bezorgd dat, met zoveel banen die in de landen van de Europese Unie verloren gaan, deze kwestie eerder slechter dan beter zal worden, omdat mensen nu eenmaal geld willen verdienen, zelfs als dat minder is dan ze eigenlijk waard zijn. Ik zou hier graag de mening van de Commissie over willen horen.

Verder wil ik graag een duidelijk aanwezig probleem van discriminatie tussen mannen en vrouwen aan de orde stellen: voor werknemers in de private sector gelden heel andere voorwaarden dan voor werknemers in de publieke sector. Zij hebben verschillende rechten op het gebied van pensioen en sociale zekerheid en soms zijn de verschillen niet alleen op sekse gebaseerd. Ik waardeer dat dit verslag over gender gaat, maar mijn zorg is dat dit probleem in de huidige situatie eerder slechter dan beter zal worden.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE).(RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, er is een verschil van 15 procent tussen de salarissen van vrouwen en die van mannen die hetzelfde werk doen. Voor vrouwelijke managers is dit cijfer 20 procent, en voor managers in het midden- en kleinbedrijf zelfs 30 procent.

28 procent van de vrouwelijke onderzoekers in het bedrijfsleven en slechts 34 procent van de vrouwen die in het bedrijfsleven werken, heeft meer dan één kind.

Commissaris, als vrouwen met zwangerschapsverlof zijn, leidt het gemiddelde jaarlijkse percentage waarmee de uitkering over deze periodes wordt berekend tot een financieel verlies, ondanks het grote belang van deze periode vanuit de optiek van sociaal welzijn. Moeders mogen niet worden gestraft voor het feit dat zij kinderen krijgen en hun kinderen in de eerste maanden van hun leven verzorgen.

Ik ben ook van mening dat niet alleen een zwangerschapsuitkering mag worden betaald aan moeders die gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de geboorte hebben gewerkt. Ik vind dat het niet de schuld van het kind is als hun moeder in die periode al of niet gewerkt heeft. Bovenal meen ik dat er niet al vanaf de geboorte tussen kinderen mag worden gediscrimineerd.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Ik kan alleen maar herhalen dat al in 1974 documenten zijn aangenomen die lidstaten verplichten mannen en vrouwen hetzelfde te betalen voor hetzelfde werk. Maar hoewel er meer dan dertig jaar verstreken zijn, is de situatie niet veranderd. Verder is in mijn land, Litouwen, een aanvang gemaakt met de hervorming van het pensioenstelsel. Een deel van de premie die werknemers betalen voor het staatspensioenfonds, wordt nu overgeheveld naar particuliere pensioenfondsen. Na een paar jaar bleek dat vrouwen 35 procent meer premie moeten betalen dan mannen om dezelfde uitkering uit deze fondsen te ontvangen, aangezien ze langer leven. Bovendien zit je als een soort slaaf aan deze fondsen vast, wat op zich al een inbreuk op de mensenrechten en de keuzevrijheid is. Naast Litouwen werkt alleen Bulgarije met ditzelfde gendersysteem.

Ik heb onderzoek gedaan naar dergelijke gevallen en nodig de Commissie uit het initiatief te nemen en besluiten voor te stellen.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Geachte commissaris en collega's. Het loutere feit dat vrouwen in de EU bijna twee maanden langer moeten werken om even veel te verdienen als mannen is meer dan alarmerend. Ondanks het feit dat Europa uitsterft, kan ik niet anders dan constateren dat er nog altijd sprake is van loondiscriminatie van vrouwen en gezinnen met kinderen. We hebben het zelfs over verschillen tot 25 procent, dit ondanks het feit dat wat onderwijsniveau betreft de vrouwen de mannen allang voorbij zijn gestreefd. De verhouding is nu 60 op 40. Mevrouw Bauer wijst er in haar verslag op dat in de zogenaamde mannenberoepen het werk van vrouwen nog altijd zonder enige objectieve reden ondergewaardeerd wordt. Als dat komt door een tekort aan arbeidsjaren doordat de vrouw voor haar gezin zorgt, dan dienen we ons eens goed op ons hoofd krabben. Het stichten van een gezin mag geen handicap vormen.

Mevrouw Bauer doet aardig wat stof opwaaien en brengt allerlei overtuigende argumenten aan voor een herziening van de antidiscriminatiewetgeving. Ik ben ook een groot voorstander van de invoering van de regel dat ondernemingen om deel te kunnen nemen aan overheidsaanbestedingen aan moeten tonen dat zij een niet-discriminatoir loonbeleid voeren. Ik denk dat dit een zeer goede manier is om de genderstereotypen uit de wereld te helpen, met name bij werkgevers in het bedrijfsleven. Ik zou de rapporteur graag willen bedanken voor haar uitermate professionele verslag.

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Liberadzki (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het is tekenend dat slechts twee mannen het woord hebben genomen in dit debat over een zo belangrijke aangelegenheid. De interventie van de heer Bloom klonk zelfs zo mannelijk dat het moeilijk was om het met hem eens te zijn.

We buigen ons vandaag echter over een zeer belangrijk verslag. We weten dat werk bijzonder waardevol is, dat ieder individu naar behoren voor zijn werk moet worden betaald en dat deze beloning kan verschillen op basis van criteria als het soort werk, de doeltreffendheid waarmee het wordt uitgevoerd en het vermogen om toegevoegde waarde te creëren, maar niet op basis van het geslacht. Ook in de lidstaten voltrekken zich echter belangrijke veranderingen. Ik zou in deze context naar mijn eigen land willen verwijzen waar gendergelijkheid nog maar kort geleden is ingevoerd en mannen voortaan ook de mogelijkheid hebben om vaderschapsverlof op te nemen. Deze evolutie toont aan dat de verschillende EU-landen naar elkaar toegroeien en dat we op de goede weg zijn.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vrouwen krijgen nog steeds geen gelijke beloning voor gelijk werk. Het loon van vrouwen ligt echter ook vaak lager omdat ze in slechter betaalde sectoren terechtkomen of tijdelijk werk van lagere kwaliteit verrichten. Deze ongelijke beloning leidt eveneens tot ongelijke sociale voorzieningen, met name op het gebied van pensioenuitkeringen. Enerzijds krijgen vrouwen minder betaald voor vergelijkbaar werk, anderzijds hebben ze aan het einde van hun loopbaan minder lang gewerkt ten gevolge van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met het moederschap. Beide factoren liggen aan de oorsprong van armoede bij vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen. Dit verklaart waarom vrouwen dubbel zo hard worden getroffen door ongelijke beloning.

Ik zou er nog op willen wijzen dat discriminatie doorgaans bij wet verboden is, maar dat in de praktijk blijkt dat dit verschijnsel gewoonweg blijft bestaan. Het is derhalve van fundamenteel belang om de feitelijke toepassing van de wetgeving te verbeteren.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het lijdt geen twijfel dat er geen enkele reden is om vrouwen op dit gebied te discrimineren. Ik zou drie punten willen aanstippen. Allereerst zou iemands loon vanuit economisch oogpunt in overeenstemming moeten zijn met de resultaten van zijn of haar werk op basis van de geleverde diensten, ongeacht het feit of dit werk door een man of vrouw wordt uitgevoerd. Ten tweede vergrijst de Europese bevolking, of we dat nu willen of niet. Misschien moeten we nadenken over een bonus voor vrouwen die hetzelfde werk verrichten als mannen en tegelijkertijd besluiten om kinderen te baren en op te voeden en daarmee ook het bevolkingsaantal in stand te houden. Ten derde zijn academische instellingen – althans diegene die ik ken – een goed voorbeeld op dit gebied, aangezien iedereen er gelijke kansen krijgt en de beloning uitsluitend gebaseerd is op de geboekte resultaten. Het zou misschien een goede zaak zijn om dit model ook uit te breiden naar andere sectoren.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou me willen aansluiten bij de – helaas weinige – mannelijke sprekers in het huidige debat. Zij waren allen van oordeel dat het publieke debat en het op de politieke agenda plaatsen van een zo belangrijk vraagstuk als beloning en de gelijke beloning van vrouwen en mannen behoren tot de voornaamste kwesties en rechten die in de nationale en Europese wetgeving zijn verzekerd.

Net als alle vorige sprekers vind ik dat beloning niet bepaald mag worden door het geslacht. Het loon mag afhankelijk zijn van iemands opleiding en ervaring, maar in geen geval van zijn of haar geslacht. Ik heb de indruk dat de nationale en communautaire wetgeving over deze kwestie redelijk uitgebreid en in veel gevallen zelfs tevredenstellend is. Het baart me echter zorgen dat de bestaande regelgeving niet naar behoren wordt uitgevoerd of in praktijk wordt gebracht door het gebrek aan traditie op dit gebied. Het Europees Hof van Justitie heeft herhaaldelijk bevestigd dat de desbetreffende wetgeving niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is daarom niet van belang om nieuwe wetten te maken, maar om te garanderen dat de bestaande regelgeving wordt nageleefd.

 
  
MPphoto
 

  Astrid Lulling (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de verschillen in beloning die hier ter discussie zijn gesteld, zijn des te onbegrijpelijker gezien het feit dat jonge vrouwen in alle lidstaten vaker dan mannen een schoolopleiding succesvol afronden en de meeste diploma´s in het hoger onderwijs behalen.

Ik wil toch onderstrepen dat wij sinds 1975, en vooral sinds 2006, beschikken over een stevige rechtsgrondslag, waardoor ik in de tweede helft van de jaren zeventig in de gelegenheid was gediscrimineerde vrouwen aan te moedigen om processen aan te spannen tegen hun werkgevers, vooral in de openbare sector. Honderden miljoenen oude Luxemburgse francs zijn hun met terugwerkende kracht uitbetaald.

Het is dus zaak om eerst gebruik te maken van de deugdelijke huidige wetgeving, en deze desnoods te verbeteren aan de hand van de voortreffelijke aanbevelingen van onze rapporteur.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. − (CS) Dames en heren, hartelijk dank voor dit debat over een dergelijke ronduit onaanvaardbare problematiek. Er bestaat geen enkele reële en verdedigbare grond voor het voortbestaan van deze situatie, geen enkele reden waarom vrouwen gemiddeld een lagere beloning zouden moeten krijgen dan mannen. U heeft in het debat in verband met dit verschil in beloning verschillende manieren van aanpak genoemd alsook uiteenlopende vraagstukken aangesneden. Ik denk dat uit dit alles duidelijk naar voren is gekomen hoe complex dit vraagstuk wel niet is.

Deze kwestie staat uiteraard op de Europese politieke agenda en dat alleen al vanwege het feit dat de Commissie er in een groot aantal van haar stukken bij stilstaat, omdat de Commissie werkt aan een mogelijke herziening van de huidige regelgeving en niet in de laatste plaats ook omdat het Parlement dankzij het verslag van mevrouw Bauer – waarvoor ik wederom mijn grote waardering uitspreken wil – zich over dit onderwerp ontfermd heeft. En dan is er niet te vergeten nog het feit dat de trojka van de drie opeenvolgende voorzitterschappen in Lille weliswaar niet tot officiële goedkeuring is overgegaan van een actieplan over deze kwestie, maar deze toch in ieder geval heeft geaccordeerd, waarmee deze kwestie een speerpunt wordt van drie achtereenvolgende voorzitterschappen, namelijk het Franse, het Tsjechische en het Zweedse,

Dames en heren, in het debat in Lille hebben de lidstaten, nog afgezien van dit actieplan, concrete acties op dit gebied voor het voetlicht gebracht en ik moet zeggen dat enkele daarvan zeer radicaal waren en haast niet anders dan tot resultaat kunnen leiden.

Dames en heren, nogmaals hartelijk dank voor het feit dat ik hier het woord heb mogen nemen en tevens bedankt voor het debat. Ik wil graag benadrukken dat de Commissie wat deze kwestie aangaat ten volste bereid is tot nauwe samenwerking met het Parlement. Want zo kunnen we ervoor zorgen dat dit onrecht, deze onhoudbare zaak geleidelijk aan uit de wereld wordt geholpen.

 
  
MPphoto
 

  Edit Bauer, rapporteur. – (SK) Dames en heren, ik dank u voor dit boeiende debat. Staat u mij toe enkele opmerkingen te maken. Ten eerste biedt wetgeving alleen geen oplossing voor dit probleem. Zoals al eerder is opgemerkt: er zijn diverse redenen om met wetgeving te komen maar bepaalde economische problemen kunnen nu eenmaal niet door middel van wetgeving worden opgelost.

Ik ben het er ook mee eens dat we absoluut beter gebruik moeten maken van de bestaande wetgeving. De lange geschiedenis van deze wetgeving toont echter duidelijk aan dat deze in haar huidige vorm niet doelmatig is. Naast wetgeving hebben we geen andere instrumenten tot onze beschikking. Dat betekent dat het aan ons is om ervoor te zorgen dat de bestaande wetgeving bijdraagt aan een oplossing voor dit langlopende probleem zodat het eerlijker toegaat op de arbeidsmarkt.

Ik heb tot slot nog één opmerking. Veel collega’s hebben benadrukt dat het voortduren van dergelijke verschillen onaanvaardbaar is vanuit het oogpunt van gelijke rechten. Vanuit een andere invalshoek wil ik echter een ander aspect van deze kwestie benadrukken, dat wil zeggen de vereisten inzake economische concurrentie. Gelijke beloning voor gelijk werk is namelijk in het Verdrag van Rome opgenomen als een vereiste voor eerlijke economische concurrentie. Daar wil ik de collega’s die hebben benadrukt dat op de arbeidsmarkt andere vereisten gelden, graag op wijzen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt op dinsdag 18 november 2008 plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. – (EN) Het juridische kader in de EU met betrekking tot gelijke beloning voor mannen en vrouwen is zeer breed. Het probleem ligt in de handhaving.

Men is het erover eens dat discriminatie op basis van gender wordt verminderd door de huidige wetgeving. Indirecte discriminatie is nog steeds een probleem, dat met name voortvloeit uit economische segregatie. In dergelijke gevallen heeft de huidige wetgeving slechts een beperkt bereik. Een evaluatie van het wetgevingskader toont aan dat er verschillen zijn in de wetgeving betreffende de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Hoewel de operatieve wetgeving in strikte zin dezelfde reikwijdte heeft, tonen de bestaande richtlijnen fundamentele verschillen:

a) in 1975 werd de loonkloof beschouwd als een economische mededingingskwestie, een “integrerend bestanddeel van de instelling en de werking van de gemeenschappelijke markt”, terwijl

b) de richtlijn van 2006 gebaseerd is op het beginsel van “gelijke behandeling en gelijke kansen”.

De gegevens tonen een aanhoudend verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. De laatste cijfers laten een verschil zien van 15 procent in het bruto uurloon van mannen en vrouwen. In de particuliere sector zijn de verschillen nog groter en lopen op tot 25 procent.

De loonkloof werd voorheen verklaard door verschillen op individuele basis, zoals leeftijd, opleiding en ervaring. Er zijn nu echter bewijzen die erop lijken te wijzen dat deze verschillen een relatief kleine rol spelen in het voortduren van de loonkloof.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Filip (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen is een onderwerp met specifieke associaties in de onlangs toegetreden Oost-Europese landen. Bij de criteria die worden gebruikt bij de beoordeling van de arbeidsprestatie wordt in feite nog steeds voornamelijk uitgegaan van mannen. Deze zienswijze is niet eenvoudig te veranderen in de voormalige communistische landen, waar de mentaliteit van de bevolking als gevolg van de staatspropaganda wordt gekenmerkt door een volstrekt kunstmatig gelijkheidsmodel. Dit primitieve idee over gelijkheid dat door de propaganda van de communistische regimes werd uitgedragen, heeft ertoe geleid dat de huidige pogingen om gelijke behandeling van vrouwen en mannen te bevorderen, ernstig worden gehinderd.

In dit licht bezien vind ik dat alle huidige inspanningen ter bevordering van het beginsel van de gendergelijkheid in een breder educatief kader geplaatst moeten worden, waarbij de burgers van de Gemeenschap realistische systeemmodellen voor niet-discriminerende behandeling krijgen aangeboden. Om dit beginsel in de hele Gemeenschap uit te voeren, is meer nodig dan de door de Europese instellingen voorgestelde Europese Equal Pay Day.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (PSE), schriftelijk. – (HU) Het is geen toeval dat een van de hoofdelementen van de routekaart 2006-2010 voor de gelijkheid van mannen en vrouwen het streven is om de loonkloof tussen de seksen op te heffen. De problematiek van de loonkloof tussen mannen en vrouwen gaat verder dan het basisprincipe van gelijke beloning voor gelijk werk. Het verschil in salaris weerspiegelt de grote ongelijkheid die op de arbeidsmarkt kan worden waargenomen en in de eerste plaats vrouwen treft. Dit duidt op het ernstige democratietekort van Europa.

De oplossing van dit probleem vereist complexe maatregelen waarvoor politieke vastberadenheid essentieel is. De bestaande wetgeving moet worden geperfectioneerd en de praktische toepassing daarvan moet worden bevorderd en gecontroleerd.

Het beginsel van ware gelijkheid kan pas werkelijkheid worden als alle lidstaten een vastberaden politieke intentie laten zien en constructieve maatregelen nemen om de loonkloof tussen de seksen op te heffen. Het is onaanvaardbaar dat de loonkloof tussen de seksen in een behoorlijk aantal lidstaten nog altijd geen extra aandacht krijgt, noch in publieke debatten, noch in politieke programma’s.

Het initiëren van een maatschappelijke dialoog en het organiseren van voorlichtingscampagnes zijn net zo cruciaal. Ik dring erop aan dat er voor de oplossing van dit probleem een pakket politieke maatregelen wordt opgesteld, waarin in elk geval de bijzonderheden van elk land en de beste praktijken worden meegenomen.

We hebben preciezere en meer gedetailleerde statistische informatie nodig om de werkelijke situatie op te nemen en de processen op de voet te volgen. De oorzaken van loonverschillen moeten grondig worden onderzocht en de aldus vergaarde kennis moet worden benut om discriminatie in kaart te brengen, uit te bannen en te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Ik wil mevrouw Bauer graag feliciteren met haar harde werk en haar belangrijke aanbevelingen aan de Europese Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. De loonkloof heeft enorme gevolgen voor de status van vrouwen in het economische en maatschappelijke leven en vormt een belemmering voor gelijke economische onafhankelijkheid.

Er zijn in Europa verschillende terreinen waarop vrouwen worden getroffen door een loonkloof die puur op sekse is gebaseerd. In zowel oude als nieuwe lidstaten verschilt het uurloon van vrouwen van dat van mannen. De verschillen zijn te zien in de inkomensverdeling van mannen en vrouwen: 20 procent van de vrouwen in Europa ontvangt een gelijkwaardig salaris in de hoogste salarisgroep, ten opzichte van 40 procent van de mannen. Een ander flagrant beloningsverschil ligt in de sectorale seksesegregatie, aangezien de helft van de banen in deze drie sectoren wordt gedomineerd door mannen.

Tenslotte heeft de oververtegenwoordiging van vrouwen in parttime functies (30 procent) gevolgen voor de bijdragen aan de arbeidsmarkt. Deze cijfers zijn nog slechter in het geval van vrouwen met een bepaalde etnische oorsprong, zoals Roma. Hoewel het juridische kader van de EU met betrekking tot gelijke beloning zeer uitgebreid is, worden vrouwen in de Europese Unie nog steeds minder betaald dan mannen, zelfs vrouwen met vergelijkbare capaciteiten en opleiding. Dit bewijst dat ons belangrijkste doel het verbeteren van de wetgeving door het verbeteren van de doeltreffendheid ervan moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE), schriftelijk(EN) De loonkloof tussen mannen en vrouwen is alarmerend hoog in de EU. Er zijn enkele initiatieven geweest om de kloof te dichten, maar het tempo waarop de kloof kleiner wordt is veel te laag. Het Parlement heeft de Commissie herhaaldelijk verzocht maatregelen te nemen. Het verslag over de loonkloof bevat veel specifieke manieren waarop de EU dit probleem zou kunnen oplossen.

Het is belangrijk concepten als “pensioengat”, “rechtstreekse loondiscriminatie” en “indirecte loondiscriminatie” duidelijker en gedetailleerder te definiëren, zodat we betere gereedschappen hebben om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten.

We beschikken momenteel niet over de benodigde accurate statistische gegevens om de situatie te beoordelen. De lidstaten en de Commissie dienen hun statistieken te verbeteren, maar ook particuliere bedrijven moeten dat doen. Bedrijven zouden verplicht moeten worden regelmatige betalingsaudits uit te voeren en de resultaten voor iedereen beschikbaar te stellen.

Een andere manier waarop we het probleem kunnen helpen oplossen is het opnemen van een specifieke verwijzing naar loondiscriminatie in artikel 26 (voorkomen van discriminatie) van Richtlijn 2006/54/EG.

Het is simpelweg onaanvaardbaar dat vrouwen in de EU gemiddeld 15 procent minder verdienen dan mannen. Als bestuursorgaan moeten wij iets doen om dit onrecht ongedaan te maken.

 

23. Algemene regeling inzake accijns (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0417/2008) van Astrid Lulling, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns (COM(2008)0078 – C6-0099/2008 – 2008/0051(CNS)).

 
  
MPphoto
 

  Astrid Lulling, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega´s, dit voorstel voor een richtlijn ter vervanging van de richtlijn van 1992, heeft onder meer tot doel om de inwerkingtreding per 1 april 2009 van het elektronische toezicht op accijnsgoederen, het fameuze EMCS, in overeenstemming te brengen met de wetgeving.

Het is dus een technische maatregel, maar tegelijkertijd een stap in de richting van minder bureaucratie, grotere snelheid en minder fraude.

Afgezien van enkele door mij voorgestelde en reeds aanvaarde wijzigingen die moeten zorgen voor meer samenhang in de werking van het nieuwe systeem, zijn we het eens met dit deel van het voorstel van de Europese Commissie.

In haar advies heeft de Commissie voor industrie het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken aanzienlijk logger gemaakt, door veel wijzigingen te kopiëren waarover in de Raad is onderhandeld. In feite biedt deze stap wat ons betreft niets nieuws.

Het politieke debat vindt elders plaats. Het heeft te maken met de voorwaarden voor het verkeer van en de heffingen op accijnsgoederen, zoals alcohol en tabak, die door particulieren worden gekocht. De Europese Commissie is voor één keer zo verstandig geweest een wettekst voor te stellen die gestoeld is op recente jurisprudentie, ofwel een jurisprudentie die de Europeanen toestaat accijnsgoederen te vervoeren die zijn verworven in een andere lidstaat dan waarvan zijn ingezetenen zijn, zonder kwantitatieve beperkingen, voor zover de aangeschafte goederen voor particuliere consumptie zijn bestemd.

Mijn voorstel en mijn standpunt als rapporteur zijn ondubbelzinnig: ik ben volledig voorstander van deze tekst van de Commissie, die duidelijk en nauwkeurig is en gestoeld op de principes die de interne markt regeren. Maar sommige collega´s, vooral socialisten en liberalen, voelden zich verplicht wijzigingen voor te stellen waarmee fiscale grenzen zouden herrijzen, zoals deze voor 1992 bestonden, door indicatieve grenswaarden opnieuw in te voeren.

Feit is dat theoretische indicatieve grenswaarden in de praktijk kwantitatieve beperkingen inhouden. Als gevolg van de absenties, en profiterend van de onwetendheid van sommige collega´s, hebben zij een meerderheid in de commissie verworven. Mijn politieke fractie heeft unaniem besloten wijzigingen voor te stellen om de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie te herstellen. Dat is alleen maar rechtvaardig. Wij willen niet terug naar de grenzen en de praktijken zoals deze bestonden voor de gemeenschappelijke markt.

Integendeel, wij willen oplossingen die zijn afgestemd op de eisen des tijds, met inbegrip van de elektronische handel. Onze boodschap aan de Raad moet duidelijk zijn: laten we niet aan onze medeburgers voorstellen terug te komen op het acquis communautaire.

Al even onbegrijpelijk is de houding van bepaalde socialisten en liberalen die de laatste taxfreeshops aan de landsgrenzen van de Europese Unie willen opheffen. De Commissie wil dat jammer genoeg ook, terwijl deze verkooppunten op geen enkele wijze de gemeenschappelijke markt verstoren. Opheffing heeft wel het verlies van duizenden banen tot gevolg, vooral aan de grenzen van Griekenland. Nee, dit is echt het goede moment om zoiets voor te stellen!

Maar het kan nog erger. De gelegenheidsmeerderheid in de Commissie economische en monetaire zaken heeft zelfs negatief geoordeeld over mijn wijzigingsvoorstel om de mogelijkheid te handhaven taxfree aankopen te doen voor reizigers met een derde land als eindbestemming, teneinde rekening te houden met de situatie bij aansluitende vluchten.

Waarom mag ik, als ik vanuit Luxemburg via Frankfurt of Parijs naar Singapore ga, niet taxfree kopen op de luchthaven vanwaar ik vertrek? Ik moet zeggen dat dat behoorlijk deprimerend is, mijnheer de Voorzitter; ik wijs u erop dat ik zes minuten heb, maar ik zal ze niet gebruiken. Ik heb er, nu, vertrouwen in dat mijn collega´s – jammer dat ze er niet zijn – zo verstandig zullen zijn een oplossing aan te nemen die ook in het belang van de consumenten is en niet opnieuw fiscale en bureaucratische belemmeringen opwerpt.

Zij die morgen tegen deze redelijke voorstellen zullen stemmen, zullen moeite hebben deze terugkeer naar oude tijden uit te leggen aan hun landgenoten. Zij kunnen erop rekenen dat ik en mijn collega´s hun achterhaalde standpunten zullen veroordelen.

 
  
  

VOORZITTER: ALEJO VIDAL-QUADRAS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  László Kovács, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik graag de rapporteur, mevrouw Lulling, en de Commissie ECON bedanken voor het verslag en de snelle behandeling van dit voorstel, dat in de juridische basis voorziet voor de automatisering van de accijnsprocedures vanaf april 2010.

Zowel de lidstaten als de Commissie hebben veel geïnvesteerd in het systeem voor toezicht op het verkeer van accijnsgoederen (EMCS). Dit systeem vervangt het huidige, op papier gebaseerde controlesysteem met een computersysteem.

Een breder gebruik van trans-Europese netwerken voor communicatie tussen handelaars en accijnsinstanties en tussen accijnsinstanties onderling zal de tijd die nodig is voor de eindheffing voor het verkeer van accijnsgoederen beperken.

Hiermee zullen de accijnsinstanties over een essentieel instrument beschikken om daadkrachtig op te treden tegen fraude en daarmee legitieme handel te beschermen. Tegelijkertijd zal het de dienstverlening aan belastingbetalers verbeteren, aangezien zij zullen profiteren van een verbeterde rechtszekerheid en informatie-uitwisselingen in real time met hun belastingdiensten.

Los van deze nieuwe bepalingen zal de voorgestelde richtlijn de oude horizontale accijnsrichtlijn uit 1992 volledig opnieuw inrichten en actualiseren. De accijnsprocedures worden vereenvoudigd en gemoderniseerd om de accijnsverplichtingen voor handelaren te beperken, met name voor handelaren die grensoverschrijvend zaken doen, zonder daarbij accijnscontroles op het spel te zetten.

Bij het voorstel van de Commissie voor een nieuw en geactualiseerd juridisch kader voor accijnzen diende een aantal van de politieke kwesties in deze wetgeving natuurlijk opnieuw te worden besproken.

Dit betrof kwesties op het gebied van taxfreeshops aan land, de positie van transitluchthavens en het behoud van richtniveaus om commercieel accijnsverkeer te onderscheiden van het verkeer van accijnsgoederen voor persoonlijk gebruik.

Veel door het Parlement voorgestelde amendementen zijn al in overeenstemming met de tekst van de algemene oriëntatie waarover overeenstemming is bereikt in de vergadering van de Raad Ecofin van 4 november 2008, of gaan in dezelfde richting. Ze zijn ook voor de Commissie aanvaardbaar.

Ik ben er dan ook van overtuigd dat het voorstel spoedig kan worden aangenomen en dat het EMCS tijdig ten uitvoer kan worden gelegd.

 
  
MPphoto
 

  Manuel António dos Santos, rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. (PT) De eerste van mijn twee minuten spreektijd zal ik benutten om nog eens snel de basisprincipes door te nemen van mijn verslag, dat de Commissie industrie, onderzoek en energie met eenparigheid van stemmen heeft goedgekeurd.

Het gaat om de volgende principes: verhoogde efficiëntie bij productie en distributie van goederen en diensten, vooral door het beperken van administratieve lasten; verbetering van de bestaande voorschriften en aanpassing daarvan aan de gegeven omstandigheden, vooral om voor nationale overheden op risico gebaseerde controleprocedures te vergemakkelijken; vereenvoudiging van procedures en verbetering van de transparantie voor de intracommunautaire handel door vergroting van de rechtszekerheid en billijke regelgeving en, tot slot, het systeem van inning en teruggave van accijnzen mag niet leiden tot discriminerende criteria en moet dubbele belastingheffing vermijden.

Die principes hebben mij geleid bij het opstellen van het advies dat ik namens de Commissie industrie, onderzoek en energie heb gepresenteerd in de Commissie economische en monetaire zaken. Zoals reeds gezegd, bestond er in de Commissie industrie, onderzoek en energie een brede consensus over het advies.

Ik gebruik de tweede minuut waarover ik beschik om als lid van de Sociaal-democratische Fractie mijn onbegrip uit te spreken over de opmerking van mevrouw Lulling (de rapporteur) dat slechts onze fractie en de liberalen kwantitatieve beperkingen zouden hebben geïntroduceerd. Het waren echter niet alleen die twee fracties, want in ieder geval in de Commissie industrie, onderzoek en energie stond iedereen achter die voorstellen. Ik wijs er nogmaals op dat de Commissie industrie, onderzoek en energie mijn advies met eenparigheid van stemmen heeft goedgekeurd.

Het komt me zeer vreemd voor dat er geen kwantitatieve beperkingen worden ingevoerd, want zoals bekend dient deze belasting verschillende doeleinden. De belasting levert natuurlijk inkomsten voor de fiscus op, maar heeft ook tot doel de volksgezondheid te beschermen. Natuurlijk kent ieder land aan elk van deze twee dimensies een heel verschillend belang toe.

De oplossing die we hebben gevonden (het vaststellen van kwantitatieve beperkingen) lijkt me dan ook billijk en evenwichtig. Die oplossing bevoordeelt immers geen enkel land op overdreven wijze in het bijzonder, terwijl landen die er een andere opvatting op nahouden dan het land dat mevrouw Lulling vertegenwoordigt er niet door worden benadeeld. Ik respecteer natuurlijk de opvatting van Luxemburg, maar dat land mag zijn wil niet opleggen aan de overige landen van de Europese Unie.

Tot slot wil ik nog in tien seconden zeggen dat de Sociaal-democratische Fractie natuurlijk de interne markt en het verder uitbouwen ervan verdedigt, maar dat volgens ons de goedgekeurde voorstellen in de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie economische en monetaire zaken de interne markt niet in gevaar brengen.

 
  
MPphoto
 

  Bill Newton Dunn, rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, het Parlement verdedigt personen en kleine bedrijven, in tegenstelling tot overheden, die ongemakkelijkheden simpelweg van tafel willen vegen. De Commissie interne markt en consumentenbescherming vindt absoluut dat taxfreeshops aan buitengrenzen op land moeten kunnen blijven. Zij moeten beter in de gaten worden gehouden, net zoals het optreden tegen grensoverschrijdende misdrijven in Europa veel beter moet worden, maar dat is geen reden om ze maar van tafel te schuiven.

In de tweede plaats is de Commissie interne markt met betrekking tot zee- en luchtvervoer van oordeel dat reizigers belastingvrij inkopen moeten kunnen doen op basis van hun eindbestemming en niet hun transitbestemming, omdat dat kleine, regionale luchthavens helpt inkomsten te genereren. Het is misschien ongemakkelijk voor de overheden, maar wij vinden dit erg belangrijk.

Het derde en laatste punt dat ik wil maken – en het is zeer te betreuren dat de Commissie dit niet in haar raadpleging van 2006 over deze wetgeving heeft opgenomen – is het opheffen van de uitzonderingen die zij nu voorstelt. Waarom heeft zij dit niet opgenomen? Waarom heeft zij geen effectbeoordeling uitgevoerd over wat dit zou betekenen, alvorens het voor te stellen?

 
  
MPphoto
 

  Zsolt László Becsey, namens de PPE-DE-Fractie. – (HU) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Graag feliciteer ik zowel de Commissie als de rapporteur met hun werk en ik denk dat dit elektronische updatesysteem een actueel en zeer positief effect zal sorteren.

Ik wil graag twee kanttekeningen plaatsen. Ten eerste: laten we zorgen dat de interne markt functioneert. Als het belastingregistratiesysteem en de gegevensuitwisseling goed werken, denk ik dat het privéverkeer geen grote schade zal veroorzaken. Als iemand ergens – waar diegene goederen voor privédoeleinden heeft aangeschaft – de accijnzen betaalt, zullen daarna de prijzen van de producenten en deels ook de afwijkende btw-tarieven met elkaar wedijveren.

Niet alles hoeft te worden ingeperkt en het is volstrekt nutteloos negatieve boodschappen uit te zenden om de schatkisten van landen met een hoog prijsniveau te beschermen. Vooral in het Schengen-gebied zou het erg vreemd zijn als we de burgers lastig zouden vallen met politie of douaneautoriteiten, we weten immers dat dergelijke grotere vrachtwagens ook met andere methoden kunnen worden doorgelicht. Ik zie het nut van indicatieve lijsten dus niet in.

Mijn tweede punt is dat ook ik het recht steun van burgers die de interne markt verlaten om zulke producten te kopen als zij die markt verlaten. Ik denk niet dat dit op het vasteland zou leiden tot grootschalige smokkel of dat de aangrenzende lidstaten hierdoor enorme verliezen zouden lijden, aangezien het prijspeil in naburige derde landen veel lager ligt dan in de EU-lidstaten. Ik verwacht dus geen goederenexport van industriële omvang.

Ik veronderstel dat hetzelfde geldt voor vliegvelden, aangezien we op vliegvelden in onze (hand)bagage niet zo veel goederen mogen meenemen dat we zouden moeten verbieden om dergelijke hoeveelheden voor privédoeleinden mee te nemen naar een derde land buiten de douane-unie. Ik dank u zeer voor de mogelijkheid om te spreken, mijnheer de Voorzitter.

 
  
MPphoto
 

  Elisa Ferreira, namens de PSE-Fractie. (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, om te beginnen wens ik de rapporteur ten principale, mevrouw Lulling, te feliciteren, evenals de schaduwrapporteurs, de heren Hamon en Schmidt. Door overmacht kan de heer Hamon hier vandaag niet zijn en ik zal proberen zijn standpunt – dat het standpunt van onze fractie is – duidelijk te maken betreffende een onderwerp dat al onze aandacht verdient. Het gaat hier om het gevoelige onderwerp van belastingheffing in de vorm van accijnzen.

Als we het hebben over accijnzen, dienen we erop te wijzen dat zij geheven worden op welbepaalde goederen en diensten voor consumptie als tabak, alcohol en energieproducten.

Het Commissievoorstel wijzigt een tekst uit 1992. Sinds dat jaar is de interne markt voor deze producten grondig veranderd. Het nieuwe elektronisch beheers- en controlesysteem voor transacties juichen wij toe. Zoals de commissaris net uiteen heeft gezet, moet dat nieuwe systeem leiden tot vereenvoudiging van de werking van het systeem voor zowel marktdeelnemers als belastingdiensten.

Deze meer technische aspecten in de voorstellen van de Commissie en van de rapporteur – waaronder ook de termijnen voor het indienen van documenten, de regels voor het stellen van financiële zekerheden door marktdeelnemers, enzovoort, vallen – verdienen bijval en consensus. Het zijn serieuze en nuttige stappen vooruit.

Bij accijnzen is het politieke verhaal niet afgedaan met de technische kant van de zaak. De heer dos Santos heeft daar trouwens al op gewezen. Het gaat om gevoelige producten en de verkoop van die producten kan niet louter aan het spel van de concurrentie worden overgelaten. Ik zou daarom in dat verband twee illustratieve zaken willen belichten. Op de eerste plaats de indicatieve grenswaarden voor het vervoer voor eigen gebruik van deze goederen en op de tweede plaats de regels voor de verkoop via internet.

Bij deze punten bestaan er duidelijke verschillen tussen de rapporteur en ons.

Bij de belasting van alcohol, tabak en brandstoffen bestaan er zeer grote verschillen tussen de lidstaten en daarmee ook grote verschillen tussen de verkoopprijzen aan het publiek. We hoeven er maar op te wijzen dat vanwege de grote fiscale verschillen de prijs van een pakje shag in de Unie kan variëren van één tot zeven euro.

In de regel zijn accijnzen verschuldigd in het land van verbruik. Binnen de Europese Unie vervoerde goederen vormen daarop een uitzondering. Volgens de bestaande wetgeving dient men bepaalde plafonds te respecteren. Indien die worden overschreden, gaat men ervan uit dat de vervoerde goederen een commerciële bestemming hebben.

Welnu, het voorstel van de Commissie beoogt deze kwantitatieve beperkingen af te schaffen en de rapporteur, mevrouw Lulling, stemt daarmee in. De Commissie economische en monetaire zaken was echter een andere mening toegedaan. Wij hebben juist in de commissie op basis van voorstellen van de schaduwrapporteurs, de heren Hamon en Schmidt, en van mijzelf ingestemd met een verlaging van die plafonds.

De liberalisering geeft bepaalde consumenten in feite de mogelijkheid deze goederen voor lagere prijzen te kopen, maar het is niet logisch dat dit ten koste gaat van de schatkist van de lidstaten of van de doelstellingen van het volksgezondheidsbeleid die de lidstaten het recht hebben te verdedigen. Het heeft ook geen zin met liberaliseringsmaatregelen de parallelmarkt te stimuleren, want dat dienen we juist allemaal te vermijden.

Het akkoord dat uiteindelijk in de parlementscommissie is bereikt, stelt de plafonds vast op een redelijk niveau: 400 sigaretten of 45 liter wijn per persoon. Er wordt verondersteld dat die hoeveelheden voor eigen gebruik zijn bestemd. Reizigers die deze goederen aanschaffen tot aan het toegestane plafond worden dus niet getroffen.

Vanwege dezelfde redenen verzetten we ons tegen amendement 68 van de PPE-DE-Fractie. Daarin wordt voorgesteld de verkoop op afstand, met name via internet, te belasten in het land van de verkoper en niet in het land van de consument. Dat is een omdraaiing van het algemene principe bij belastingheffing, waarvoor geen enkele rechtvaardiging bestaat. Deze wijziging zou tevens de deur openzetten voor een zeer omvangrijke parallelmarkt, wat absoluut van de hand gewezen dient te worden.

Tot slot wil ik nog kort ingaan op de taxfreeshops. Er bestaat een internationaal erkend principe dat die winkels alleen hun deuren mogen openen in havens en op luchthavens om optimale controle mogelijk te maken en elk risico van fraude of misbruik te voorkomen. Desalniettemin moeten we voldoende tijd gunnen voor omschakeling. Daarom hebben we namens de PSE-Fractie een overgangsperiode voorgesteld voor lidstaten die nog belastingvrije winkels hebben. Op die manier kunnen die lidstaten zich geleidelijk aanpassen aan de nieuwe situatie. Met het vastleggen van een datum in de verre toekomst, 1 januari 2017, wordt de mogelijkheid geschapen zich geleidelijk aan in te stellen op de nieuwe gemeenschappelijke regeling.

Wij denken derhalve dat dit de gepaste aanpak is. Bovendien was er over deze aanpak consensus bereikt. Die consensus was niet volledig, maar een meerderheid in de Commissie economische en monetaire zaken heeft het voorstel goedgekeurd en ik hoop dat morgen ook in de plenaire vergadering een meerderheid achter het voorstel staat.

 
  
MPphoto
 

  Olle Schmidt, namens de ALDE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris en mevrouw Lulling, deze kwestie brengt ons weer in botsing. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat we met elkaar in conflict zijn geraakt, mevrouw Lulling en ik, over welke vorm accijnzen in Europa aan zouden moeten nemen. Het is waarschijnlijk echter de eerste keer dat ik het gevoel heb dat ik degene ben met de meerderheid aan zijn kant. Het is gevaarlijk om op de feiten vooruit te lopen, maar we zullen zien hoe het loopt.

Over het nieuwe technische systeem, EMCS, zijn we het volledig eens. Het is over de gevoelige vraag van de invoercontingenten dat de meningen erg uiteenlopen.

Als de lijn van de commissie het haalt, heeft het Parlement zijn inzet voor het vrij verkeer in Europa en zijn inzet voor de wil om zinnig volksgezondheidsbeleid tot stand te brengen, duidelijk gemaakt. Zoals altijd als het om kwesties met betrekking tot belastingen gaat, is het belangrijk een evenwicht te vinden tussen wat een bevoegdheid van de lidstaten zou moeten blijven en wat als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wordt beschouwd. Als we het voorstel van de commissie goedkeuren, betekent dit dat het Europees Parlement vaststelt dat tabak en alcohol geen goederen zijn als alle andere, precies zoals we eerder in dit Parlement hebben gehoord, en anders moeten worden behandeld. Dat is natuurlijk niets revolutionairs, want velen zeggen dat al lang.

Door te besluiten om de indicatieve invoerniveaus te halveren en tezelfdertijd vast te houden aan het beginsel van een limiet, geven we de lidstaten heel wat ruimte om hun eigen beleid te voeren terwijl de communautaire wetgeving het tezelfdertijd voor bedrijven en natuurlijke personen gemakkelijker maakt om grensoverschrijdend handel te drijven. Eenvoudiger gezegd: Zweden krijgt ruimte om van volksgezondheidskwesties een prioriteit te maken, terwijl het Luxemburg van mevrouw Lulling zijn gemaakte beleidskeuze van lage belastingen kan voortzetten. De interne markt kan niet worden uitgebouwd met alcoholtoerisme als model.

Dronkenschap en haar gevolgen zijn geen Zweeds probleem, zoals ik soms te horen krijg. Onlangs hebben wij gehoord hoe krachtdadige maatregelen tegen dronkenschap in Groot-Brittannië werden geëist, iets waar de Britse leden misschien ook eens over na moeten denken. Ik denk dat het de hoogste tijd is dat het Europees Parlement een meer weloverwogen standpunt over deze kwesties inneemt en de lidstaten de mogelijkheid geeft om op een manier te handelen die op de volksgezondheid is gericht.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, nu ik het woord heb namens de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten, zou ik drie aspecten onder de aandacht willen brengen. Allereerst zouden de gewijzigde belastingen op het niveau van de Europese Unie tot een toename van de productie en distributie van goederen en diensten moeten leiden, voornamelijk door het beperken van de administratieve lasten, maar ook door het vergemakkelijken van op risicoanalyses gebaseerde controleprocedures voor nationale overheden.

Ten tweede beantwoorden de in deze richtlijn opgenomen oplossingen aan deze vereisten. Dankzij de vereenvoudiging van de administratieve procedures en de invoering van een elektronisch systeem voor de uitwisseling van informatie zullen de belastingdiensten van de lidstaten over nuttige hulpmiddelen beschikken met het oog op het uitvoeren van verbeterde en beter beheerde controles. Ten derde dienen we onze steun te verlenen aan de door de rapporteur voorgestelde oplossingen om de verkoop op afstand van accijnsgoederen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn en ook onder de accijnsschorsingsregeling te laten vallen, door de toepassing van beperktere garanties voor gebruikers die aan de voorwaarden van goed gedrag en regelmatig gebruik van het systeem van zekerheidstelling voldoen.

 
  
MPphoto
 

  Trevor Colman, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het voorstel van de Commissie inzake procedure 2008/0051(CNS) stelt in artikel 10 dat “lidstaten […] tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen in aanmerking [mogen] laten komen voor teruggaaf […] van de accijns”. Op basis hiervan vertelt mevrouw Lulling ons dat het, als algemeen beginsel, de taak is van de lidstaten om deze voorwaarden voor teruggaaf van de accijns te bepalen.

Artikel 10 stelt vervolgens echter: “op voorwaarde dat deze teruggaaf […] geen aanleiding tot andere dan de in artikel 11 bedoelde vrijstellingen geeft”. Artikel 11 verwijst naar uitzonderingen om diplomatieke redenen, voor het subsidiëren van internationale organisaties, het bijstaan van strijdkrachten van de NAVO en in het kader van bijzondere overeenkomsten met niet-EU-landen. U zult met me eens zijn dat dit allemaal nogal specifieke uitzonderingen die, in tegenstelling tot wat mevrouw Lulling beweert, strijdig zijn met het algemene beginsel dat het aan de lidstaten is om de voorwaarden voor teruggaaf vast te stellen.

Er is geen ontheffing voor de lidstaten voorzien in dit voorstel. Om deze reden kan ik de leden amendement 54 aanraden, dat tot doel heeft dit duidelijke gebrek in het voorstel op te heffen.

 
  
MPphoto
 

  Margaritis Schinas (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, we hebben hier opnieuw met een excentriek voorstel van de Commissie te maken, dat niets anders dan een bulldozerbeleid is. Er wordt voorgesteld om alle taxfreeshops op landgrenzen tussen de Gemeenschap en derde landen af te schaffen.

De grote vraag is waarom? Waarom heeft u, commissaris, dit bedacht en waarom heeft u uw gedachten niet ter tafel gebracht tijdens de conferentie die u in 2006 organiseerde en waarom heeft u dit niet meegenomen in een effectbeoordeling, die u binnen het kader van het nieuwe beginsel van betere regulering verplicht had moeten uitvoeren?

U moet ons daarom uitleggen waarom we honderden werknemers moeten vertellen dat ze hun baan zullen verliezen, vooral in deze moeilijke tijden; u moet ons uitleggen wat die zogenaamd enorme impact op de interne markt is dat u alle winkels aan de landgrenzen met derde landen met één slag wilt opruimen, die in mijn eigen land, in Griekenland, erg goed lopen en bovendien zonder fraudeproblemen en zonder dat de interne markt erdoor wordt beïnvloed. Het Parlement en de fracties die deze mening zijn toegedaan moeten hun politieke verantwoordelijkheid nemen en de werknemers uitleggen waarom we deze goedlopende winkels willen sluiten.

Wat mij betreft – zoals mevrouw Lulling heel duidelijk heeft gezegd en de IMCO heel duidelijk in haar verslag heeft gezegd – hebben we geen overtuigend antwoord gekregen. Daarom denken we dat dit voor de Commissie een beetje een bevlieging was. We hebben geen overtuigend antwoord gekregen.

Daarom verzoek ik u op de valreep om morgen voor de amendementen 63, 64 en 65 te stemmen, om te voorkomen dat dit bulldozerbeleid alles dat in de Europese Unie werkt weer gaat pletten.

 
  
MPphoto
 

  Katerina Batzeli (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik zal een specifiek voorstel doen met betrekking tot de vrijstelling van winkels te land.

Commissaris, u voert een algemene vrijstelling in voor winkels te land, waardoor deze ondernemingen worden gediscrimineerd en het functioneren van deze verder gezonde winkels wezenlijk wordt geraakt, winkels die belangrijk zijn voor nationale gemeenschappen en de lokale werkgelegenheid.

In lidstaten zoals Griekenland, met lange landgrenzen met derde landen, hebben zulke winkels lange tijd probleemloos en winstgevend gelopen, terwijl de kwestie van stelselmatige inbreuken op het criterium van aankoop voor eigen gebruik of gevallen van stelselmatig misbruik en belastingontduiking aan de andere kant duidelijk door de nationale overheid worden gecontroleerd. Ik denk dat het toestaan van taxfreeshops op landgrenzen, een oplossing zou zijn die ook in overeenstemming is met de voorstellen van de Commissie, terwijl het controleren van hun werkwijze en de aanpak van gevallen van belastingontduiking, net als bij alle andere winkels, de verantwoordelijkheid van de havens en vliegvelden blijft.

Daarom denk ik dat we in de aanstaande stemming de amendementen 57, 63, 64 en 65 en in het ergste scenario amendement 69, moeten steunen, die de exploitatieperiode van de winkels verlengt naar 2012.

 
  
MPphoto
 

  Colm Burke (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben verheugd over het verslag over een algemene regeling inzake accijns. Ik wil graag de nadruk leggen op de vooruitgang die is geboekt op het gebied van de aanschafbelasting. Het oorspronkelijke voorstel zou, indien het ten uitvoer zou worden gelegd, reizigers alleen hebben toegestaan belastingvrije goederen aan te kopen op de laatste luchthaven van vertrek vóór het verlaten van de EU. In praktische zin zou dit hebben betekend dat als iemand zou reizen van Cork in Ierland naar Dubai via Parijs, hij of zij alleen belastingvrije goederen zou kunnen kopen in Parijs. Dit zou de winstgevendheid van Ierse regionale luchthavens flink hebben aangetast, aangezien vele luchthavens momenteel voor het grootste deel van hun inkomsten afhankelijk zijn van commerciële activiteiten. Dit zou ongetwijfeld tot banenverlies hebben geleid. Dit is nu echter opgelost en ik wil de rapporteur dan ook bedanken voor haar inspanningen om onze zorgen weg te nemen.

Dit is een welkome ontwikkeling op een moment waarop de Ierse overheid een nieuwe luchthavenbelasting heeft ingevoerd die discriminerend is voor de onder vuur liggende, kleinere regioluchthavens, ten gunste van de al overvolle luchthaven van Dublin. In dit verband verzoek ik de Commissie de wettigheid van deze maatregel krachtens de Europese mededingingsregels te onderzoeken. Mijn complimenten voor het verslag van mevrouw Lulling en de Commissie.

 
  
MPphoto
 

  Peter Skinner (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als ik mevrouw Lulling was, wonend in Luxemburg, zou ik misschien net zo sterk als zij voor de afschaffing van indicatieve grenswaarden pleiten.

Helaas woon ik op een eiland waar veel smokkel plaatsvindt en waar een groot deel van de alcohol en de tabak die mensen denken voor zichzelf te kunnen gebruiken uiteindelijk toch aan anderen wordt verkocht via commerciële wederverkoop. Ik ben bang dat alles wat wij doen om de indicatieve grenswaarden op te heffen een signaal en een boodschap zal sturen naar smokkelaars die uit zijn op de wederverkoop van alcohol en sigaretten.

Indicatieve grenswaarden lijken misschien geen veilige gids voor consumenten, maar zij zijn wel een veilige gids voor kinderen, kinderen die vaak de alcohol en sigaretten gebruiken die worden verkocht door smokkelaars die ze in mijn regio in het zuidoosten invoeren en ze voor een paar centen op straat verkopen, in achterafstraatjes en in woonwijken. Soms maar één of twee sigaretten per keer, maar genoeg om kinderen aan het roken te krijgen.

Dit is het soort handel dat aan banden moet worden gelegd. Dat kan alleen via het vaststellen van indicatieve grenswaarden , zodat we de bron kunnen aanpakken: de mensen die deze waar langs onze politie en douanebeambten proberen te smokkelen.

Daarom denk ik dat we de indicatieve grenswaarden niet moeten afschaffen. Het betekent geen einde aan de integratie van de interne markten, maar het zal zeker zorgen voor meer sociale cohesie en sociaal gedrag. Bovendien hebben douane- en accijnsbeambten en de politie in het Verenigd Koninkrijk hierom verzocht. Ze hebben erom gevraagd, omdat het mensen een goed idee geeft over wat als de juiste hoeveelheid wordt beschouwt om mee te nemen voor eigen gebruik.

De levensduur van tabak is slechts zes maanden, dus als je een busje aanhoudt dat tot de nok toe is gevuld met sigaretten moet je jezelf de volgende vraag stellen: is dat werkelijk allemaal voor persoonlijk gebruik, of is die partij voor de wederverkoop bedoeld, vaak aan kinderen?

 
  
MPphoto
 

  Gabriela Creţu (PSE). – (RO) Collega’s, accijnzen en elektronische heffingssystemen in het algemeen lijken technische aangelegenheden, maar zij dienen zeker ook bepaalde belangrijke politieke doelstellingen. Om er gebruik van te kunnen maken, moeten wij echter naast de abstracte theorieën ook rekening houden met de specifieke situaties in de lidstaten. Tegelijkertijd moeten wij ervoor zorgen dat de samenhang met meer algemene beginselen van ons beleid gehandhaafd blijft. Zoals bijvoorbeeld het beginsel van de gelijke behandeling.

Dit verslag zou aan allebei deze voorwaarden voldoen indien een voorstel wordt aangenomen. Ik doel met name op amendement 69, dat erin voorziet dat ook bij andere douaneposten in de Unie dan havens en vliegvelden tot 2017 taxfreeshops mogen blijven bestaan. Dit amendement zal een eind maken aan de discriminatie tussen mensen die per schip of per vliegtuig reizen en reizigers over land. Dit verschil is volstrekt ongerechtvaardigd, niet alleen uit economisch of theoretisch, maar ook uit praktisch oogpunt. Tegelijkertijd biedt het een zeker voordeel voor mensen die in grensgebieden wonen, zoals al is opgemerkt. Deze mensen zijn in het algemeen economisch al in het nadeel doordat zij in een perifeer gebied wonen, maar als hun banen zouden verdwijnen, zou dat voor hen een ongunstig effect hebben.

Collega’s, er zijn zwaarwegende redenen voor u om bij de stemming van morgen dit amendement aan te nemen. In vergelijking met de enorme uitgaven die wij bereid zijn zonder bezwaren te accepteren om ondernemingen te redden, heeft deze uitzondering slechts geringe financiële effecten.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, het vrije verkeer van personen en goederen is een van de grote verworvenheden van de Europese Unie. Maar bij goederen waar er allerlei van lidstaat tot lidstaat verschillende accijnzen in het spel zijn, loopt het helemaal spaak. Uit de onverzoenbare standpunten van de Commissie, de parlementaire commissie, het Europees Hof en de rapporteurs over het kwantitatieve beleid blijkt overduidelijk dat zolang er dergelijke fiscale verschillen bestaan, we niet in staat zullen zijn tot een goede oplossing te komen. Het spijt mij dat de Commissie geen effectbeoordeling heeft opgesteld om zo een vinger te krijgen achter de economische effecten van de parallelmarkt. In ieder geval is het maatschappelijk effect ervan, de beknotting van de burger, naar ik veronderstel iedereen wel duidelijk. Ik hoop dat dit debat mag inspireren tot coördinatie van het beleid aangaande accijnzen voor alcohol en tabak, onder meer gezien de risico's voor de volksgezondheid. Laten we wel wezen, de lidstaten met hoge accijnzen kunnen niet bogen op zichtbare successen in de strijd tegen alcoholisme.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, in hoofdstuk 4 worden de basisbepalingen en de procedures vastgelegd die worden toegepast in het kader van het systeem voor toezicht op het verkeer van accijnsgoederen (EMCS). Het nieuwe hieraan is de invoering van het systeem en de administratieve documenten in elektronische vorm.

Teneinde het doeltreffend functioneren van het geautomatiseerde systeem te garanderen, moeten de lidstaten, in het kader van de nationale toepassingen, hun goedkeuring hechten aan een uniforme catalogus en een uniforme structuur, zodat economische actoren kunnen beschikken over een betrouwbare interface.

De duur van de overgangsperiode voor de invoering van het EMCS onder schorsing van accijns moet afgestemd zijn op de haalbaarheid het computersysteem in de afzonderlijke lidstaten feitelijk te installeren. In verband hiermee nemen de lidstaten en de Commissie de nodige maatregelen om op nationaal niveau de verwezenlijking mogelijk te maken van de belangrijkste openbare faciliteiten met garantie van interoperabiliteit.

Commissaris, ik ben van mening dat wij, gezien de genoemde voedselcrisis en het sociale en economische belang van de Europese landbouw, heel goed moeten kijken naar de mogelijkheid om de accijns op brandstoffen die worden gebruikt voor landbouwactiviteiten, en ook die op de energie die wordt gebruikt om water op te pompen voor irrigatiedoeleinden, af te schaffen.

 
  
MPphoto
 

  László Kovács, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik meen uit de debatten te kunnen opmaken dat er algemene steun is voor de hoofddoelstelling van het voorstel van de Commissie om vóór april 2010 voor een wettelijke grondslag voor de automatisering van accijnsprocedures te zorgen.

Ik wil benadrukken en bevestigen dat het voorstel erop is gericht de accijnsprocedure te vereenvoudigen en te moderniseren, het toezicht op het verkeer van accijnsgoederen te verbeteren en tezelfdertijd de bureaucratische vereisten inzake accijnzen voor handelaren te verminderen en de lasten voor de gewone reiziger te verlichten. Dit waren de uitgangspunten voor de voorstellen.

Ik zou een paar kanttekeningen willen plaatsen bij de amendementen die betrekking hebben op sommige meer gevoelig liggende aspecten van het voorstel.

Wat betreft de “indicatieve niveaus” zou de Commissie kunnen aanvaarden dat de indicatieve niveaus als instrument worden gehandhaafd, ook al wilden wij geen indicatieve niveaus invoeren of vastleggen. We moeten echter aan de huidige referentiehoeveelheden vasthouden. We kunnen geen vermindering van deze waarden aanvaarden, aangezien dit in vergelijking met de richtlijn van 1993 een achteruitgang zou betekenen.

Wat betreft de sluiting van taxfreeshops aan de landsgrenzen, een ander gevoelig onderwerp, zou ik eraan willen herinneren dat deze aanpak al sinds 1960 wordt gehanteerd, toen de WDO, de Werelddouaneorganisatie, adviseerde om de taxfreeshops aan de landsgrenzen te sluiten. En ik wil u er ook aan herinneren dat in 2002, toen de toetredingsgesprekken met tien nieuwe landen werden afgesloten, landen als Slovenië, Hongarije en een paar andere gedwongen werden om hun taxfreeshops te land af te schaffen. Dus denk ik dat de voorgestelde oplossing, die in een zeer lange overgangsperiode voor Griekenland en Roemenië voorziet, in feite zeer billijk is in vergelijking met het standpunt dat ten opzichte van de voormalige nieuwe landen werd ingenomen.

Wat betreft de terugbetaling van accijnzen aan kleinere brandstofhandelaars, houdt de Commissie aan het beginsel vast dat het gebrek aan koopkracht van de eindconsument geen reden mag zijn om geen accijnzen te heffen. Tezelfdertijd moet het de lidstaten, met het oog op de aanhoudende economische crisis en de soms blijvend hoge brandstofprijzen, en om de brandstofdistributie aan de eindconsument veilig te stellen, mogelijk zijn om de belangen van de kleinere handelaars te waarborgen, op voorwaarde dat zulke maatregelen de mededinging niet verstoren.

Wat betreft de effectbeoordeling, een onderwerp dat door veel sprekers ter sprake is gebracht, wil ik u eraan herinneren dat er al in 2004 een effectbeoordeling is uitgevoerd, zodat we het eenvoudigweg niet nodig vonden om dit twee jaar later nog eens over te doen.

Tot slot zou ik het Parlement graag voor zijn ondersteuning en constructieve aanpak willen danken. Door in een wettelijke grondslag voor het nieuwe systeem voor toezicht op het verkeer van accijnsgoederen te voorzien zullen de lidstaten in staat worden gesteld zich sneller voor te bereiden op de invoering van het systeem, die naar verwachting in april 2010 zal plaatsvinden. De Commissie zal alle noodzakelijke stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat alle centrale systemen tegen die tijd operationeel zijn, en zij zal ook ondersteuning bieden om voor een soepele overgang naar het nieuwe papierloze stelsel te zorgen.

 
  
MPphoto
 

  Astrid Lulling, rapporteur. − (FR) Mijnheer de commissaris, wij staan erop dat het EMCS het papieren systeem in april 2009 vervangt en wij hopen dat de hele ongelukkige discussie over de indicatieve grenswaarden de aanneming van de richtlijn niet zal vertragen.

Ik zou de heer Dos Santos willen zeggen dat deze indicatieve grenswaarden noch met gezondheid, noch met Luxemburg iets te maken hebben. Mevrouw Ferreira zou ik eraan willen herinneren dat wij hier, in 2005, onze goedkeuring gaven aan het verslag van de socialist Rosato, waarin wij ons al hadden uitgesproken voor de afschaffing van indicatieve grenswaarden. Trouwens, de heer Hamon, die nu iets anders aan zijn hoofd heeft, had in zijn amendement veel hogere grenswaarden voorgesteld dan die waarvan sprake was in het beruchte sociaal-liberale compromis dat achter mijn rug is bekokstoofd. De heer Olle Schmidt zou ik willen vragen geen appels met peren te vergelijken en niet in een adem van fiscaliteit en gezondheid te spreken. Trouwens, de gesel van het alcoholisme is jammer genoeg rechtstreeks evenredig aan het accijnsniveau; hoe hoger de accijnzen, des te ernstiger de gesel van het alcoholisme in landen. Het staat hun vanzelfsprekend vrij net zulke hoge accijnzen te hanteren als het hun belieft, aangezien wij alleen maar minimumaccijnzen kennen en geen maximumaccijnzen; maar alstublieft, praat ons niet van gezondheidsbeleid als u deze accijnzen hanteert.

Ik zou de heer Skinner willen zeggen dat smokkelaars zich niets gelegen laten liggen aan indicatieve niveaus en indicatieve grenswaarden. Trouwens, het voorstel van de Commissie bevat criteria voor de omschrijving van goederen die zijn aangeschaft voor particulier gebruik, die een betere bescherming bieden dan de indicatieve grenswaarden, ook tegen smokkel, en ik hoop dat wij morgen de juist oplossing zullen vinden, ofwel: de oplossing die ik voorstel.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

24. Obstakels voor de hervorming van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de mondelinge vraag (O-0092/2008) van Gerardo Galeote Quecedo, namens de Commissie regionale ontwikkeling, aan de Commissie, over obstakels voor de hervorming van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (B6-0472/2008).

 
  
MPphoto
 

  Gerardo Galeote, auteur. − (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, opnieuw wijden we een debat in het Parlement aan de hervorming van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, dat, zoals we allemaal weten, bestemd is om de schade te verzachten ten gevolge van een ernstige natuurramp op het grondgebied van de Europese Unie.

Dit fonds bleek al snel inefficiënt te zijn en niet tegemoet te komen aan de doelstellingen waartoe het was opgericht, reden waarom de Commissie al in 2005 een voorstel tot herziening van de verordening voor dit solidariteitsinstrument heeft gepresenteerd. Doel was om niet alleen de werking te verbeteren, maar ook de toegang daartoe, evenals de dekking in het geval van een ernstige natuurramp.

Het Europees Parlement heeft, zoals eenvoudig kan worden aangetoond, snel en intensief aan dit dossier gewerkt, zodat onze instelling de eerste lezing reeds in mei 2006 had voltooid. Op dat moment gingen we er allemaal van uit en dachten we allemaal dat de Raad hetzelfde zou doen, aangezien dit een verordening volgens de medebeslissingsprocedure was. Zoals we nu echter allemaal weten, bleek dat niet het geval. Tegen de verwachtingen in verlamde de Raad het proces door zijn gebrek aan actie.

De Europese Unie heeft in deze periode niet alleen met zware overstromingen te kampen gehad, maar ook met ernstige branden, die in een aantal gevallen dodelijke slachtoffers hebben geëist, evenals met grote droogtes. Toch bleef de Raad passief. De herziening ter verbetering van deze verordening ligt, ondanks herhaalde oproepen van de Europese instellingen en sociale krachten, nog steeds bij de Raad op tafel.

Vandaag doen we nogmaals een oproep aan de Raad om in actie te komen en willen we de Raad eraan herinneren dat de herziening van deze verordening niet één euro meer kost van de communautaire begroting: onze eisen hebben geen financiële gevolgen en zijn er uitsluitend op gericht de operationele tekortkomingen te verhelpen die sinds de invoering van dit solidariteitsinstrument aan het licht zijn gekomen.

Het enige wat we willen is de bruikbaarheid en flexibiliteit van dit instrument verbeteren, steeds met inachtneming van de subsidiariteitsbeginsels. We moeten vaststellen dat de toegang tot dit instrument zoals het er nu uitziet, bijzonder lastig, beperkt en weinig flexibel is, zoals we helaas de afgelopen zeven jaar hebben kunnen zien waarin dit instrument werkzaam is.

Daarom zou ik willen vragen of er een verklaring is voor het onvermogen van de delegaties die de Raad vormen om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, en of iemand ons kan vertellen wie met welke argumenten de herziening van deze verordening tegenhoudt. Wij zouden graag willen dat de Europese Commissie de herziening van dit fonds doorzet, dat ze ons informeert over de maatregelen die ze denkt te nemen, en dat ze ons een duidelijke voorstelling geeft van de mogelijke alternatieven die ze voor ogen heeft om deze aangelegenheid vlot te trekken. Indien de Commissie inderdaad alternatieven voor heeft, willen we uiteraard graag weten hoe die eruit zien en wat hun tijdschema is.

Het is mijns inziens wel gepast om de aanwezigen, met name de Franse president, erop te wijzen dat dit instrument is geschapen met een lovenswaardig doel, namelijk om op snelle, adequate en zichtbare wijze de solidariteit van de Europese Unie met haar burgers te tonen.

Ten slotte, mijnheer de Voorzitter, wil ik een tweede oproep aan de Franse president doen met betrekking tot een aangelegenheid die nauw verband houdt met het onderwerp van vandaag: de oprichting van een Europese civiele bescherming, waarover minister Michel Barnier, een voormalig commissaris zoals u weet, in 2006 een verslag heeft gepresenteerd aan de Europese Raad.

Hier wil ik het bij laten. Het fonds is voornamelijk opgericht als een symbolische uitdrukking van de solidariteit tussen de Europese Unie en haar burgers. Ik wil er tot slot voor pleiten dat, als we er na zoveel tijd en moeite in slagen om dit enigszins operationeler te maken, onze eerste gedachten en handelingen uit behoren te gaan naar degenen die bij deze rampen in de Europese Unie het leven hebben verloren.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag het Europees Parlement en met name de leden van de Commissie regionale ontwikkeling willen danken voor hun blijvende belangstelling voor en ondersteuning van het Solidariteitsfonds.

Het is een belangrijk instrument om de strategische solidariteitsdoelstelling van de Europese Unie te bevorderen en vanaf de oprichting van het fonds in 2002 hebben we 61 aanvragen ontvangen en werd in 33 gevallen steun verleend aan 20 verschillende landen. Het totale tot nu toe toegewezen bedrag beloopt 1 523 miljoen euro. Volgens het onlangs verschenen speciaal verslag van de Rekenkamer wordt het fonds goed beheerd en verleent het snelle, doeltreffende en flexibele hulp.

Het fonds heeft echter zijn beperkingen. De drempel om een beroep te doen op het Solidariteitsfonds van de Europese Unie is extreem hoog. Als gevolg hiervan is het fonds niet goed uitgerust voor bepaalde soorten rampen – vooral wanneer het om lagere subsidiabele uitgaven gaat, zoals in het geval van bosbranden – en werd bij meer dan twee derde van alle aanvragen voor steun aan het fonds een beroep gedaan op de uitzondering voor zogeheten “buitengewone regionale rampen”’.

Bovendien is het voor ons met de bestaande instrumenten van de Gemeenschap extreem moeilijk of zelfs onmogelijk om op crises te reageren die niet door de natuur worden veroorzaakt, wat gebleken is bij industriële ongelukken, zoals de olieramp met de Prestige, of terroristische aanslagen, zoals de bomaanslagen in Madrid in maart 2004. Het is op dit moment evenmin mogelijk in het kader van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie hulp te verlenen in geval van een ernstige bedreiging van de volksgezondheid.

Daarom heeft de Commissie in april 2005 een voorstel voor een wijziging van de verordening aangenomen. Ondanks gezamenlijke inspanningen tijdens de opeenvolgende voorzitterschappen sinds 2005 is de Raad tot op heden niet in staat geweest om een akkoord over dit voorstel te bereiken. Een reden is dat de grote meerderheid van de lidstaten van mening is dat het fonds in het kader van de huidige regeling zeer goed functioneert, en het niet nodig of gepast acht om de regeling voor verdere situaties uit te breiden, uit angst voor de begrotingsgevolgen van een dergelijke uitbreiding.

De Raad heeft de standpunten van de afzonderlijke lidstaten niet formeel gespecificeerd, hoewel de standpunten van de Raad vrijwel unaniem worden gesteund. Bovendien heeft de Raad niet aangegeven waar mogelijke compromissen kunnen worden gevonden opdat overeenstemming kan worden bereikt over het Commissievoorstel.

De Commissie blijft ervan overtuigd dat een herziening van de verordening over het Solidariteitsfonds nodig is om de Unie in staat te stellen snel te reageren op rampen die momenteel nog niet onder de regeling vallen. Daarom zal zij een verslag aannemen om een inventaris op te maken van de zes jaren gedurende welke het fonds tot dusver ten uitvoer is gelegd en om de beperkingen van het Solidariteitsfonds en verbetermogelijkheden aan te wijzen. We hopen dat het verslag de aanzet zal geven tot hernieuwde debatten in de Raad en het Europees Parlement over een wijziging van de huidige verordening over het Solidariteitsfonds. Het verslag dient tegen het eind van het eerste kwartaal 2009 klaar te zijn.

Wat betreft de civiele bescherming is de Commissie ermee begonnen om op grond van scenario’s voor grote rampen tekorten op het gebied van de reactiemiddelen voor civiele bescherming te identificeren en mogelijkheden te onderzoeken om deze te verhelpen. In dit verband zal de Commissie met de lidstaten innovatieve regelingen verkennen ter verbetering van het algehele reactievermogen van de EU op rampen in het kader van het proefproject en de voorbereidende acties die in de begroting van 2008 zijn opgenomen.

Op grond van dit onderzoek zou de Commissie wellicht kunnen voorstellen om de tekorten te verhelpen door middel van de ontwikkeling van modules voor civiele bescherming die te allen tijde kunnen worden ingezet, of door extra reservecapaciteiten ter aanvulling van de nationale respons op grote rampen, ook op het gebied van brandbestrijding.

 
  
MPphoto
 

  Rolf Berend, namens de PPE-DE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, beste collega’s, ik spreek als rapporteur voor het Sociaal Fonds, het Solidariteitsfonds van 2002 en de uitgebreide en verbeterde versie van 2006.

Dit verslag, dat met overgrote meerderheid in het Europees Parlement is aangenomen, ligt al twee jaar in de ijskast, omdat het door de Raad wordt tegengehouden. Vanwege een toenemend aantal natuurrampen klinkt intussen de roep van de burger om Europese solidariteit steeds luider. Met het Solidariteitsfonds, dat na de verwoestende overstromingen in 2002 met het oog op dringend noodzakelijke hulpmaatregelen overhaast is ingesteld, is een instrument gecreëerd dat in geval van een ramp onmiddellijk hulp zou moeten kunnen bieden. Na verloop van tijd is echter gebleken – zoals u, commissaris, terecht heeft opgemerkt – dat het met dit instrument bijzonder moeilijk, en ten dele zelfs onmogelijk is om op Europees niveau op een crisis van grote omvang te reageren.

Aan de andere kant is de huidige drempel voor mobilisering van het fonds – u heeft dat ook gezegd, commissaris – extreem hoog, zodat uitzonderingsregelingen hand over hand toenemen. De herziene versie van het rampenfonds biedt daarop echter een duidelijk antwoord. Het Europees Parlement acht het daarom van cruciaal belang dat dit effectieve instrument nu ter beschikking wordt gesteld van de mensen die door rampen zijn getroffen. Daarom nogmaals de concrete vraag: waarom kan de Raad geen overeenstemming bereiken over deze kwestie die voor in nood verkerende burgers van de Europese Unie zo belangrijk is? Welke lidstaten steunen het verbeterde verdrag, welke wijzen het af? U heeft als Commissie aangegeven dat begin 2009 een mogelijkheid zou zijn. Wij hopen het, maar we willen er hier toch nog een keer de aandacht voor vragen, want een stemming in het Parlement kan niet zo maar genegeerd worden, zoals verschillende voorzitterschappen dat tot nu toe hebben gedaan!

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez, namens de PSE-fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, zoals mijn voorgangers reeds hebben opgemerkt, hebben we in 2006 hier in het Parlement al gedebatteerd over de herziening van de verordening over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie teneinde hiervan een instrument te maken dat snel en efficiënt kan reageren. Desalniettemin ligt deze kwestie nu nog steeds op tafel.

Het was niet eenvoudig om tot het bijzonder brede akkoord te komen dat we hier in het Parlement hebben bereikt, aangezien er zowel onder de verschillende fracties als op grond van de belangen van bepaalde landen zeer verschillende ideeën bestonden over de herziening van deze verordening.

Mijns inziens hebben we echter allemaal bijzonder ons best gedaan om tot overeenstemming te komen en een herziening van deze verordening mogelijk te maken. Het Parlement heeft mijns inziens het voorbeeld gegeven voor datgene waar we ons nu allemaal voor moeten inzetten: met instemming van alle partijen een herziening van deze verordening doorvoeren.

De Europese Commissie moet haar uiterste best doen om overeenstemming mogelijk te maken en het doel te bereiken dat we voor ogen hebben. Ik ben ingenomen met het antwoord van de commissaris vandaag, dat er een studie zal worden uitgevoerd teneinde vast te kunnen stellen welke doelstellingen we moeten vastleggen ten aanzien van de herziening van de verordening, zodat we niet in de laatste plaats in de toekomst instemming van de Raad kunnen bereiken.

We moeten ervoor zorgen dat er door middel van een herziening van de verordening snel en efficiënt kan worden gehandeld in geval van rampen die de lidstaten niet alleen het hoofd kunnen bieden, door de huidige criteria om voor steun in aanmerking te komen uit te breiden tot industriële rampen, terroristische aanslagen en gevaren voor de volksgezondheid, waarbij we ook een belangrijk probleem als ernstige droogte niet mogen vergeten, dat steeds vaker voorkomt, met name in verschillende Middellandse Zeegebieden.

Bovendien moeten we voet bij stuk houden en ervoor zorgen dat het minimumbedrag voor mobilisatie van het fonds wordt verlaagd van 3 naar 1 miljard euro schade, waarbij we de regionale component niet mogen vergeten. Dit instrument moet met financiële steun reageren in geval van extreme droogte, branden en overstromingen, waarbij we in geen geval de slachtoffers mogen vergeten die onmiddellijk hulp en steun nodig hebben.

Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie is een beleidsinstrument om problemen op te lossen en daarom wil ik er nogmaals voor pleiten dat we er alles aan doen om verder te komen met deze fundamentele kwestie. Dat moeten we echter doen met de noodzakelijke veranderingen, afgestemd op de realiteit van vandaag.

 
  
MPphoto
 

  Jean Marie Beaupuy, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijn collega´s hebben al enkele voorbeelden aangehaald. Ik zou naar enkele ervan willen verwijzen om dit onderwerp in te leiden, aangezien wij natuurlijke rampen moeten bestrijden. Wie herinnert zich, precies een eeuw geleden, in 1908, Messina, waar 100.000 mensen omkwamen? Wij herinneren ons uiteraard allemaal Tsjernobyl, maar als wij ons beperken tot de afgelopen tien jaar, zijn het de stormen en schipbreuken van 1999, de overstromingen in Midden-Europa die zojuist al werden genoemd, om maar te zwijgen van New York, 11 september, de terreurdaden van maart 2004 en de chikungunya, een problematische ziekte, enzovoorts.

Mevrouw de commissaris, mijnheer de Voorzitter, waarde collega´s, wij weten niet wat de volgende ramp zal zijn en op welke schaal deze zich zal voordoen, maar van één ding kunnen we verzekerd zijn en dat is dat er binnenkort opnieuw een ramp zal zijn.

En als dat moment is aangebroken zullen onze medeburgers, die de afgelopen vijftig jaar gewend zijn geraakt aan de opbouw van een Europa dat wordt verondersteld solidair te zijn – een aantal verslagen waarover wij deze week zullen stemmen getuigt hiervan – dan zullen onze medeburgers ons, net als bij de huidige financiële crisis, de vraag stellen: “Maar wat heeft u gedaan?”

Maar misschien hebben sommigen van u de afgelopen weken de vorige directeur van het Internationale Monetaire Fonds in een eerder rapport, van zo´n drie of vier jaar geleden, horen uitleggen: "Wij van het IMF hadden gezegd dat de crisis zou komen en wij hadden uitgelegd hoe deze crisis te voorkomen!"

Welaan, mevrouw de commissaris, vanavond bent u naar ons komen luisteren, en wij hopen dat u ons hoort en ervoor zult zorgen dat Europa, anders dan wat er nu gebeurt met betrekking tot de huidige financiële crisis, niet door een ramp wordt verrast.

Zelf zou ik een tweeledig voorstel willen doen. In de eerste plaats een voorstel over de wijze van handelen. In uw jongste uitlatingen komt dit naar voren, mevrouw de commissaris, u hebt het verslag van Michel Barnier aangehaald.

Wij kunnen geen twee gescheiden acties hebben, terwijl uzelf, net als ieder van ons, onder meer in de Commissie regionale ontwikkeling, tot in den treure herhaalt dat er sprake moet zijn van geïntegreerde benaderingen. Er kan geen sprake zijn van de ontwikkeling van het Solidariteitsfonds enerzijds en van preventiebeleid anderzijds. De twee moeten met elkaar verbonden zijn, vooral om die beruchte ministers van Financiën te overtuigen, die ons uitleggen dat zelfs als we de criteria van het Solidariteitsfonds zouden aanpassen – en u hebt het daarover gehad – het wel eens duurder zou kunnen uitvallen. Laten zij lering trekken uit het verslag-Barnier en zij zullen inzien dat als er gelijktijdig een preventiebeleid wordt gevoerd met een spreiding van actiemiddelen, een spreiding van de preventie van ongelukken en van natuurlijke rampen, er in dat geval geld wordt bespaard.

Dus het gaat niet alleen om het besparen van geld en om het vermijden van rampen, maar bovenal om het redden van mensenlevens.

Om die reden, mevrouw de commissaris, verzoek ik u met klem, samen met al mijn collega´s, om alles in het werk te stellen opdat, aan het einde van het Franse voorzitterschap en tijdens het Tsjechische voorzitterschap, u van het Zweedse voorzitterschap de toezegging loskrijgt dat het actieplan niet alleen wordt bestudeerd, maar ook in gang wordt gezet.

Wij rekenen op uw vastberadenheid. Wij hebben die nodig. U weet dat het Parlement achter u staat – vanavond maakt het dit luid en duidelijk kenbaar. Wij wachten nu op resultaten, binnen een jaar en niet later.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, beste collega’s, de Raad is niet aanwezig, maar dat is de instelling die de zaak tegenhoudt en tot wie deze woorden gericht zouden moeten zijn. Wie doet de aanvragen als er een brand of een overstroming is? De lidstaten, en allemaal met speciale wensen! Er wordt royale financiële steun verlangd en die wordt niet altijd juist besteed. Dat hebben we bijvoorbeeld in Groot-Brittannië gezien.

Desondanks wil ik de Commissie hier nog een verzoek doen. Oorspronkelijk hield de Commissie, onder commissaris Bernier, zich veel met preventie bezig, omdat ze begreep dat natuurrampen alleen met preventieve maatregelen werkelijk bestreden kunnen worden. Het is duidelijk dat hiervoor momenteel te weinig aandacht is. Ik zou het goed vinden als de Commissie voor de uitvoering van het Solidariteitsfonds richtsnoeren ontwikkelt waarbij preventie werkelijk een zwaartepunt zou zijn.

Ik wil er ook nogmaals op wijzen dat de Commissie ook nu al de mogelijkheid heeft om extra op preventie aan te dringen, bijvoorbeeld in het kader van het EFRO-programma. Wat doet zij daarvoor? Tot nu toe is er weinig uitgekomen en er is weinig geïnvesteerd om natuurrampen te voorkomen. Er is niet geïnvesteerd in “natuurlijke” rivieren en er is te weinig op aangedrongen om bij herbebossing een natuurlijke mix aan te planten, bijvoorbeeld in Griekenland waar in de dennenbossen heel gemakkelijk grote branden kunnen ontstaan.

Ik verwacht dat de Commissie nu al meer betrokken is bij de huidige aanvragen en dat ze controleert waarvoor het geld wordt uitgegeven, om te zorgen dat rampen zich niet herhalen en om mogelijk te maken dat er werkelijk, in harmonie met de natuur, investeringen plaatsvinden. Deze betrokkenheid heb ik niet gezien en wat dat betreft is de Commissie ook voor een belangrijk deel schuldig. Hoewel we het over natuurrampen hebben, worden de meeste natuurrampen voor het grootste deel door mensen veroorzaakt, enerzijds doordat er te weinig aan de bestrijding van klimaatverandering wordt gedaan en anderzijds door de bebouwing in overstromingsgebieden en de aanplant van monocultuurbossen. Daar moet de Commissie zich nu mee bezighouden en ze mag er niet langer mee wachten.

 
  
MPphoto
 

  Pedro Guerreiro, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) Bij het debat over de wijziging van de verordening over het Solidariteitsfonds op 18 mei 2006 hebben wij een actieve bijdrage geleverd. We hebben toen een reeks voorstellen ingediend en onderstreept dat we het oneens waren met het standpunt van de meerderheid van het Europees Parlement. Dat verschil van mening betrof met name de intrekking van de subsidiabiliteit van de gevolgen van rampen van regionale omvang (de rampen die het meest voorkomen), het verwerpen van de mogelijkheid meer financiële steun te verlenen aan cohesielanden en convergentieregio’s en het zodanig verlagen van de drempel voor het inzetten van het Solidariteitsfonds dat de lidstaten van de Europese Unie met het hoogste bruto binnenlands product het meeste geld ontvangen.

In overeenstemming met alles wat we tot nu toe gedaan hebben zullen we naast het strijden voor de wijzigingen die we net genoemd hebben ons hard blijven maken voor onder meer de erkenning van het specifieke karakter van mediterrane rampen, de aanpassing van de termijnen die gelden onder het Solidariteitsfonds (zie de ongerechtvaardigde en onaanvaardbare vertraging bij het beschikbaarstellen van het fonds en bij de uitbetaling van gelden van communautaire fondsen aan slachtoffers), de aanpassing van het fonds wat betreft de acties die gefinancierd kunnen worden (met name het specifieke karakter van de verschillende soorten natuurrampen als droogte en branden), de financierbaarheid van acties ter ondersteuning van het herstel van de productie in door rampen getroffen gebieden en het met spoed ter beschikking kunnen stellen van materieel voor gebruik op het land en in de lucht voor het bestrijden van bosbranden.

Wat betreft initiatieven op het vlak van de civiele bescherming menen wij dat prioriteit gegeven moet worden aan het bevorderen van preventie, het creëren van middelen voor de civiele bescherming van elke lidstaat en coördinatie op dit vlak.

 
  
MPphoto
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE-DE). - Voorzitter, mevrouw de commissaris, van Europa wordt verwacht dat het krachtdadig optreedt. Burgers in getroffen gebieden begrijpen niet waarom het maandenlang moet duren voordat Europa, verstrikt in zijn eigen procedures, duidelijkheid geeft.

Hoe gaat dat? Er gebeurt ergens iets en een paar uur daarna zie je op tv wat er is gebeurd en dan denk je, daar is actie nodig, daar moet solidariteit blijken. Dan blijkt dat het oorverdovend stil wordt. Dan blijven we hangen tussen de nationale staat en de Europese burelen. Het vervelende is dat daarover op dit moment ook niet gecommuniceerd wordt. Het zit vast in de Raad, al twee jaar, maar het kan toch niet zo zijn dat we niet de vinger krijgen achter de blokkade en dat we geen alternatieven horen. Dat is het grote punt. Binnenkort, binnen een half jaar, is het Parlement demissionair. Dan komt er een nieuw Parlement en moeten wij dit dossier onverrichter zake, met goede voorstellen in de hand, overdragen.

Het Franse voorzitterschap is overal mee bezig, maar op dit punt hebben ze het laten liggen. Op dit punt is er niets gebeurd en wij vragen dan vooral om uitleg hierover. Ik heb wel een compliment voor de Europese Commissie. Mevrouw Hübner en haar collega's hebben wel degelijk aan het dossier getrokken en het moet toch mogelijk zijn om dit met vereende krachten los te trekken. Het is naming and shaming. Hier moeten we zeggen: de Raad en ook het Franse voorzitterschap hebben gefaald.

 
  
MPphoto
 

  Wolfgang Bulfon (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, Wanneer heeft de burger de solidariteit van Europa nodig? Wanneer heeft een lidstaat de solidariteit van de Europese Unie nodig? Natuurlijk in de eerste plaats als er een ramp gebeurt. Ik heb precies deze vraag gesteld in verband met de stemming over het vierde cohesieverslag dit voorjaar.

Voorzitter, we debatteren vandaag over de herziening van het Solidariteitsfonds, om ons beter te wapenen tegen toekomstige uitdagingen en om ervoor te zorgen dat snel effectieve steun kan worden geboden. De Commissie en het Parlement zijn het volgens hun resoluties over de doelstellingen van dit wetsinitiatief eens. In juli heb ik de Raad naar de stand van zaken gevraagd. De Raad heeft mij medegedeeld dat hij, in tegenstelling tot het Parlement, op dit moment geen noodzaak voor een initiatief ziet. Gezien het feit dat een voormalige Franse commissaris en minister in zijn verslag de noodzaak van herziening heeft benadrukt, vind ik de houding van de Raad onbegrijpelijk. Daarom kan ik me geen betere commissievoorzitter wensen dan de heer Galeote, die niet bereid is om het negeren van een Parlementsbesluit te accepteren. Daarvoor wil ik hem uitdrukkelijk bedanken. Het Franse voorzitterschap wil ik graag dringend verzoeken zijn houding jegens de burgers van Europa te herzien!

 
  
MPphoto
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, het is hiervoor de hoogste tijd en ik wil de rapporteur hartelijk danken.

Ik denk dat een van de centrale kwesties die ons Europa bij elkaar houdt, een solidariteitskwestie is. Het is de hoogste tijd dat de lidstaten op dit vlak eindelijk wat laten zien. De EU moet financiële steun bieden aan de organisaties die ons in geval van nood helpen. Veel lidstaten hebben de afgelopen jaren verwoestende natuurrampen meegemaakt. Ik denk hierbij ook aan de bosbranden die steeds opnieuw in Griekenland woeden, zelfs nog het afgelopen jaar, of de overstromingen in Midden-Europa in 2002, waardoor ook Oostenrijk zwaar getroffen werd.

Door dergelijke rampen worden mensen soms van hun economische basis beroofd. Hier zijn buitengewone middelen voor nodig, mijnheer de Voorzitter, want het gaat niet alleen om de noodhulp maar ook om de wederopbouw van eeuwenoude infrastructuren. Een afzonderlijke lidstaat heeft dergelijke middelen niet. Verder moeten we bedenken dat sommige staten helaas vaker met deze natuurrampen te maken hebben. Ik denk nu opnieuw aan Oostenrijk. De mensen spreken er nu nog steeds met grote dankbaarheid over hoe snel ze indertijd hulp van de EU hebben gekregen. Met het Europees Solidariteitsfonds moet niet alleen de wederopbouw medegefinancierd worden, maar moeten ook reddingsorganisaties gesteund worden. Het werk van de vrijwillige brandweer, het Rode Kruis en andere vrijwilligersorganisaties is van onschatbare waarde. Men kan zich niet voorstellen hoeveel geld het zou kosten, wanneer deze diensten niet op vrijwillige basis zouden worden verricht. Verder bieden deze organisaties in geval van nood altijd hulp en vormen ze een onmisbaar deel van de sociale structuur op het platteland.

Daarom moeten we dringend actie ondernemen om deze hulpstructuren te behouden en uit te breiden. Ik hoop dat we nu snel tot overeenstemming kunnen komen, zodat we geen spijt hoeven te hebben wanneer er zich weer een ramp voordoet en wij niet snel genoeg kunnen handelen.

 
  
MPphoto
 

  Evgeni Kirilov (PSE).(BG) Zoals de rapporteur, de heer Galeote, en een aantal andere leden hebben aangegeven, is het Solidariteitsfonds een noodzakelijk instrument, waarvan alleen al de naam en het doel duiden op het vervullen van een van de belangrijkste beginselen van de Europese Unie: dat van solidariteit tussen de lidstaten. Gedurende de tijd dat het fonds in gebruik is, zijn er omissies en tekortkomingen aan het licht gekomen, en daarom is een hervorming nodig zodat deze tekortkomingen kunnen worden rechtgezet, en om te kunnen reageren op de gevaren waarmee we te maken krijgen. Zoals is gezegd, is er een hervormingsmechanisme en het Europees Parlement heeft zijn standpunt duidelijk gemaakt. Het belangrijkste is om rekening te houden met alle mogelijke problemen die het fonds kan tegenkomen, zodat het een echt nuttig instrument kan worden en mensen het idee krijgen dat er iets gedaan wordt. Niemand heeft iets aan een nutteloos instrument, dat de potentie heeft om gebruikt te worden, maar in de praktijk nauwelijks werkt. Tegelijkertijd moeten we heel duidelijk stellen dat het grootste effect wordt bereikt met een snelle reactie. We zijn nog ver verwijderd van een effectief systeem. De kleinere lidstaten beschikken niet over de middelen van de grotere, terwijl samenwerking en coördinatie op Europees niveau iets is waarvan we alleen maar kunnen dromen. En, zoals al is aangegeven, het betekent niet altijd noodzakelijkerwijs meer geld.

In mijn land, Bulgarije, woedde deze zomer een hevige brand in het Rila-gebergte, de meest pittoreske en ontoegankelijke bergen in het land, die we slechts konden blussen dankzij de hulp van Franse brandbestrijdingshelikopters, en we zijn hier zeer dankbaar voor. Maar het organiseren en coördineren van de operatie kostte te veel waardevolle tijd. De burgers van de Europese Unie snakken naar effectieve besluiten, en niet noodzakelijkerwijs naar grote bedragen aan financiering. Effectieve besluiten kunnen ons zelfs geld besparen, zoals de heer Beaupuy al zei.

 
  
MPphoto
 

  James Nicholson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we weten allemaal dat de achtergrond en de oorsprong van het Europees Solidariteitsfonds in de verwoestende overstromingen van 2002 in Midden- en Oost-Europa te vinden is. De noodzaak van het fonds werd verder onderstreept door andere natuurrampen, zoals de bosbranden in Griekenland. En onlangs maakte de overstroming in mijn eigen kiesdistrict in Noord-Ierland mij nog eens duidelijk hoe belangrijk dit fonds is.

Ondanks de wijdverbreide ondersteuning en geestdrift voor het fonds die het Parlement en de Commissie aan de dag hebben gelegd en die onder de burgers van de EU leven, belemmert de Raad met zijn onwil tot samenwerking de volledige tenuitvoerlegging van het fonds. Natuurlijk wil de Europese Unie steun verlenen aan lidstaten die door een natuurramp zijn getroffen. Deze hulp moet op een snelle en flexibele manier worden toegepast om doeltreffend te kunnen zijn. De Raad werpt echter op het moment obstakels op die een efficiënte werking van het fonds verhinderen. Ik ben daarom verheugd dat de Commissie het belang van deze mondelinge vraag heeft onderstreept.

Verder zou ik de nadruk willen leggen op het deel van de door de commissie gestelde vraag, waarin wordt gevraagd welke lidstaten tegen het fonds zijn en waarom zij dit zijn. Het Solidariteitsfonds is een uiterst belangrijk instrument van de Europese Unie. Er zijn echter al veel te lang problemen met de tenuitvoerlegging van het fonds, die naar mijn mening zo snel mogelijk moeten worden opgelost.

Het maakt niet uit of het om overstromingen of bosbranden gaat, wanneer mensen in nood zijn, hebben zij hulp en ondersteuning nodig en zijn zij bovenal op financiële ondersteuning aangewezen, rechtstreeks en snel, niet zoals in het huidige stelsel, waarin het maanden en jaren duurt en dat volledig door bureaucratie verstikt is. Wanneer u werkelijk iets positiefs wilt doen, dan hier. Hierdoor zal Europa meer geloofwaardigheid krijgen dan door ieder ander voorstel van u of al uw voorstellen bij elkaar.

Laat dit de Raad duidelijk gezegd zijn: de Raad wil niet met het voorstel instemmen omdat hij naar mijn mening niet wil dat het Parlement, en vooral niet dat de leden van dit Parlement invloed hebben op lokaal niveau, waar wij meer gewicht hebben dan de vertegenwoordigers van de Commissie en de Raad. Omdat de mensen hun blik op de leden richten als er iets gebeurt. Ze kijken niet naar de Commissie en evenmin naar de Raad, zij hebben geen idee wie u bent. U bent een ongrijpbaar, gezichtsloos bureaucratisch orgaan in Brussel. U moet erkennen dat wij, de leden van het Parlement, de hele tijd bij de burgers zijn en dat wij die ondersteuning nodig hebben. Ik heb nog nooit zulke zwakke uitvluchten gehoord, het wordt tijd dat we deze zaak geregeld krijgen.

 
  
MPphoto
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, we zeggen nogal eens dat we een Unie zijn die solidariteit als basisbeginsel heeft. Vandaag hebben onze burgers een Unie nodig die dit beginsel in de praktijk kan brengen. Ze hebben daden nodig, niet alleen woorden. Vandaag vragen we de Raad om rekening te houden met de verwachtingen van de burgers en te laten zien dat we met het Solidariteitsfonds bezig zijn.

Ieder van ons heeft in onze landen de gevolgen ervaren van vaak voorkomende natuurrampen. We zijn allen getuige geweest van de wanhoop van onze medeburgers die getroffen zijn en we weten en begrijpen allemaal hoe belangrijk het voor deze burgers is om het gevoel te hebben dat de Europese Unie achter ze staat. In mei 2006 heeft het Europees Parlement het voornemen van de Commissie om een nieuw Solidariteitsfonds op te richten, goedgekeurd. Een nieuw fonds dat sneller, flexibeler en doeltreffender is. Het was ontworpen om in de periode 2007-2013 te worden uitgevoerd, maar heeft tot nu alleen stof verzameld op het kantoor van de Raad.

Ik snap werkelijk niet hoe het mogelijk is dat we een dusdanig goed instrument hebben, maar het nog steeds niet kunnen uitvoeren. De Europese Unie heeft het nieuwe Solidariteitsfonds nu meer dan ooit nodig.

 
  
MPphoto
 

  Oldřich Vlasák (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, geachte commissaris. Als lid van de Commissie regionale ontwikkeling heb ik met eigen ogen de door wervelwinden beschadigde bossen in de Hoge Tatra in Slowakije kunnen aanschouwen, de bosbranden in Portugal en de overstromingen in Tsjechië. Bij gesprekken met burgers realiseerde ik me hoe sterk de beschikbaarheid van Europese gelden voor het herstel van de schade aan en de hernieuwing van het Tatra-natuurpark door de mensen gezien wordt als een concrete blijk van Europese solidariteit. Met het Solidariteitsfonds kunnen de lidstaten in bepaalde crisissituatie geholpen worden en wordt het gevoel deel uit te maken van Europa versterkt. Helaas echter is het administratieve beheer van het fonds niet bijster doeltreffend en komt de steun pas met vele maanden vertraging vrij. Om die reden zet het Europees Parlement zich al geruime tijd in voor wijzigingen aan het juridisch kader ervan. Er zou dan beter rekening kunnen worden gehouden met nieuwe gebruikersbehoeften en de hulp zou dan snel en doeltreffend in kortere tijd beschikbaar zijn.

Gezien de wereldwijde klimaatveranderingen kunnen we op ons oude continent vaker natuurrampen als overstromingen, grote droogtes, wervelwinden en bosbranden verwachten. Ook zijn er nieuwe dreigingen als terroristische aanslagen en pandemieën. Er zijn inderdaad lidstaten die proberen op bilaterale basis samen te werken en die hun reddingsteams gezamenlijk laten oefenen en gezamenlijke acties laten uitvoeren. Daarmee steunen zij op indirecte wijze een aantal van de in 2006 door de heer Barnier in verband met burgerlijke bescherming geopperde ideeën. Dat neemt echter niet weg dat deze discussie tot op heden verder geen behoorlijk gevolg heeft gekregen.

Dames en heren, een sneller inzetbaar en doeltreffender Solidariteitsfonds en internationale samenwerking op het gebied van de preventie en de bestrijding van de gevolgen van catastrofes is juist met het oog op de komende Europese verkiezingen een onderwerp dat zeer sterk leeft. Daarom sluit ik mij volledig aan bij de ingediende vragen en richt mij tot de Europese Commissie en de Raad met het verzoek deze situatie snel op te lossen.

 
  
MPphoto
 

  Gábor Harangozó (PSE). (HU) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Mevrouw de commissaris, dames en heren, de Europese Gemeenschap heeft het Solidariteitsfonds in het leven geroepen om in zeer dringende gevallen snel, effectief en flexibel te kunnen reageren. Er kan echter zeker niet worden gesteld dat de Raad bekendstaat om zijn snelheid en effectiviteit bij het formuleren van een gezamenlijk standpunt.

Helaas wachten de grootste natuurrampen niet tot er een gezamenlijk standpunt is geformuleerd. Ondanks de positieve resultaten die zijn behaald sinds het bestaan van het Solidariteitsfonds, zijn er verdere ontwikkelingen nodig om veel sneller en effectiever hulp te kunnen bieden aan degenen die deze nodig hebben. De problemen stapelen zich op en daarom kan ik niet begrijpen waarom er jaren voorbij zijn gegaan zonder dat de Raad ook maar een besluit heeft genomen. Het zal nog moeilijker worden om het begrip van de burgers te verwerven dan het mijne.

Verdere vertraging is ontoelaatbaar, we moeten streven naar een vruchtbaar debat en zo snel mogelijk tot een akkoord komen om de uitdagingen die voortkomen uit steeds frequenter plaatsvindende natuurrampen het hoofd te bieden. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE). – (BG) In de afgelopen jaren hebben we te maken gehad met een toenemend aantal rampen, zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte. Deze rampen hebben niet alleen geleid tot ernstige financiële verliezen, maar helaas ook tot slachtoffers. In de afgelopen paar jaar hebben we te maken gehad met overstromingen, droogte en bosbranden in Bulgarije. Afgelopen weekend is Bulgarije getroffen door een aardbeving, die gelukkig niet erg krachtig was. Hoewel dit een kleine troost is, bevestigt het wel de noodzaak van een effectief Europees Solidariteitsfonds.

Ik wil er op wijzen dat we niet het enige land in Europa zijn dat getroffen wordt door dergelijke rampen. Buurland Griekenland bijvoorbeeld had in 2007 te maken met verwoestende bosbranden. Dit betekent dat we meer moeten doen om de gevolgen van deze rampen aan te pakken. Het is duidelijk dat de verordeningen moeten worden gewijzigd om flexibelere hulpmiddelen te kunnen bieden. Zoals de heer Berend terecht concludeerde in zijn verslag uit 2006, moeten we de hulpverlening versnellen en de bureaucratie verminderen. We moeten er voor zorgen dat de hulp de burgers bereikt wanneer het nodig is, en niet dagen of zelfs weken later. Daarom ben ik blij met de drempelverlaging en de uitvoering van nieuwe, snelle betalingen die een uiting van echte solidariteit zijn. Een ander, zeer belangrijk aspect is dat het nieuwe, herziene voorstel ook industriële rampen omvat. Als in Bulgarije bijvoorbeeld een oliepijpleiding explodeert of een scheepvaartongeluk plaatsvindt, zou dit eveneens in aanmerking komen voor hulp uit het Solidariteitsfonds.

En tot slot zou ik u een idee over financiering willen voorleggen. Op de lange termijn zouden we aan het financieren van instrumenten als het Solidariteitsfonds kunnen denken door gebruik te maken van een deel van het geld dat verloren gaat onder de ‘N+2’- en ‘N+3’-regels. Op dit moment moeten we ons echter concentreren op werkelijke verandering, en daarom dring ik er bij de Commissie, en in het bijzonder bij de Raad op aan om de wijziging van het Europees Solidariteitsfonds te steunen.

 
  
MPphoto
 

  Emmanouil Angelakas (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het Solidariteitsfonds is een belangrijk hulpmiddel voor de uitoefening van sociaal beleid in de lidstaten die door natuurrampen worden getroffen. Het is een concrete uiting van solidariteit met de Europese burger die door dergelijke rampen wordt getroffen en door middel van zulke procedures doen we recht aan de visie van actieve steun van de Europese Unie aan haar burgers.

Dat het Solidariteitsfonds een belangrijke bijdrage levert aan het aanpakken van grote rampen is bewezen tijdens de overstromingen in Midden-Europa, de aardbevingen in Italië en de branden in Portugal en in mijn eigen land, Griekenland, in 2007. Het is typerend dat een groot aantal lidstaten subsidies uit het Fonds heeft gebruikt. Tegelijkertijd kan de Europese Unie, onder de huidige regelgeving en de bestaande hulpbronnen, geen gehoor geven aan soortgelijke crises die niet slechts een natuurlijke oorzaak hebben, zoals industriële vervuiling, een Europese pandemie, droogtes en dergelijke.

Met de voorgestelde hervorming van de verordening worden ruimere eisen ingevoerd, procedures versneld, de innovatie van voorschotten ingevoerd en in het algemeen praktische en positieve maatregelen genomen. Gelet op bovenstaande en gezien het feit dat het Europees Parlement het voorstel van de Commissie heeft aangenomen, begrijp ik niet waarom het zo lang duurt voordat de verordening wordt bekrachtigd.

Commissaris, het is bemoedigend dat u uw steun voor onze gezichtspunten kenbaar heeft gemaakt vandaag in uw stellingname. Deze vertraging is niet in overeenstemming met de geest van de solidariteit die ons zou moeten leiden. De Raad draagt een grote verantwoordelijkheid en we hopen dat het verzoek van het Europees Parlement zal worden beantwoord en de Raad meteen zijn verantwoordelijkheid zal nemen, ook al is hij vandaag afwezig.

 
  
MPphoto
 

  Maria Petre (PPE-DE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, collega’s, allereerst wil ik opmerken dat ik heel blij ben dat wij nu eindelijk een debat over dit onderwerp houden. Ik hoop dat het debat van vandaag ook de resultaten zal opleveren die de commissaris ons al heeft beloofd. Wij weten allemaal dat de huidige procedures voor het daadwerkelijk verkrijgen van toegang tot het Solidariteitsfonds heel lang duren. Ik stel daarom voor de begroting van de Unie te wijzigen.

Zo moest Roemenië, toen het na de overstromingen in het voorjaar en de zomer van 2005 steun wilde krijgen uit het Solidariteitsfonds, bijvoorbeeld ongeveer een jaar op dat geld wachten. De betreffende bepaling in de verordening schrijft voor dat de aanvraag uiterlijk binnen tien weken nadat de ramp heeft plaatsgevonden, moet worden ingediend, en dat de totale waarde van de schade moet worden opgegeven, omdat aan de hand daarvan de zwaarte van de ramp kan worden vastgesteld. In het geval van bijvoorbeeld overstromingen is het nogal moeilijk om aan deze vereisten te voldoen. Om de schade goed te kunnen beoordelen, moet het water helemaal zijn weggezakt. Nationale instellingen en autoriteiten hebben hier geen enkele invloed op. De volgende stap in de procedure is dat de Commissie controleert of aan de voorwaarden is voldaan, met name aan de criteria voor een ernstige ramp. Dit vergt veel tijd, onder andere voor aanvullende informatie en toelichtingen. Ten slotte kan de Commissie, na goedkeuring van de gewijzigde begroting, de besluiten over de toekenning van de subsidies voorbereiden en goedkeuren. Hierna volgt dan uiteindelijk de overdracht van het geld, dat binnen maximaal een jaar moet worden uitgegeven. In de praktijk wordt dit geld gebruikt om de uitgaven die het ontvangende land na de doorstane ramp reeds heeft uitgegeven, te dekken. Gezien deze voorwaarden, vragen wij ons allemaal af of dit nu werkelijk noodhulp is.

Ik wil eindigen met de opmerking dat de afwijzing van het Commissievoorstel om de verordening te wijzigen nadat die in de Groep Financiële raden is besproken, zonder dat de groep voor ‘structurele maatregelen is geraadpleegd, tot de conclusie kan leiden dat de ministers van Financiën het in de praktijk niet eens waren. Deze conclusie stelt ons voor talloze problemen, juist in de huidige omstandigheden met zoveel problemen, en dat ook nog op lidstaatniveau.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, een paar van de beste vragen worden laat op de avond gesteld en dit is er één van, ook al heeft het iets van een “overleg voor dovemansoren”, omdat de Raad niet aanwezig is om naar dit debat te luisteren.

We hebben het in Europa vaak over “subsidiariteit” en “solidariteit”. Bij subsidiariteit gaat het om het respecteren van de lidstaten en hun rechten en solidariteit is een weerspiegeling van onze gemeenschappelijkheid en van onze onderlinge steun. Dus waarom draagt dit fonds hier niet toe bij? Inderdaad brengt de slechte werking van het fonds het gevaar met zich mee en heeft het het schadelijke effect dat we beloven fondsen ter beschikking te stellen, maar deze belofte niet inlossen, omdat het systeem te complex, te bureaucratisch en voor de gemeenten en de burgers veel te onpraktisch is.

Het gaat uiteindelijk, veronderstel ik maar, om de begroting en om geld. Ik heb zeer zorgvuldig naar de opmerkingen geluisterd die de voor de financiële programmering en de begroting verantwoordelijke commissaris verleden week over tal van dingen heeft gezegd: over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en andere kwesties, maar met name het pleidooi voor een flexibelere begroting, een begroting die sneller op de gebeurtenissen in de wereld kan reageren, zodat de Europese Unie niet steeds achter de dingen aanholt.

Ik vind het jammer dat ze niet heeft gesproken over de nodige flexibiliteit om op gebeurtenissen in de Europese Unie te reageren, omdat dit hetgeen is waarover we het naar mijn mening vanavond hebben. Ik kom uit een land dat “nee” tegen het Verdrag van Lissabon heeft gezegd, waar we er in toenemende mate over spreken dat we de burgers dichter bij de Europese Unie moeten proberen te brengen, en Europa kan dit het beste met daden bereiken in plaats van met woorden. Ik ben bang dat er in de Europese Unie teveel dingen worden beloofd, en dat er aan de basis, vanuit het oogpunt van de burgers, te weinig van terecht komt.

Een positief punt is dat volgens een enquête waarover vanmorgen in de kranten werd bericht, het Ierse publiek mogelijk van mening verandert wat betreft het Verdrag van Lissabon. Ik zou het daarom vreselijk vinden als u niet tegemoet zou komen aan het Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Sérgio Marques (PPE-DE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, beste collega’s, deze mondelinge vraag van de heer Galeote aan de Europese Commissie, namens de Commissie regionale ontwikkeling van dit Parlement, is volledig gerechtvaardigd en steekhoudend. We moeten duidelijkheid krijgen over de redenen waarom de Raad de hervorming van het Solidariteitsfonds blokkeert. De Raad kan immers geen akkoord bereiken over een gemeenschappelijk standpunt waardoor het wetgevingsproces zijn verdere verloop zou kunnen hebben.

Het is moeilijk de motieven te ontwaren die verborgen zitten achter het standpunt van de Raad, of het moeten misschien miezerige financiële redenen zijn. Wenst de Raad geen soepeler en sneller antwoord bij natuurrampen? Wil de Raad zo’n sneller antwoord niet geven bij andere soorten rampen, als grote industrierampen, terroristische aanslagen of ernstige problemen in verband met de volksgezondheid?

Het is belangrijk dat er op deze vragen een duidelijk antwoord komt. Daarnaast is het van belang duidelijkheid te verkrijgen over het standpunt van de Europese Commissie inzake deze kwestie en van de Commissie te horen of zij van plan is maatregelen te nemen om het wetgevingsproces uit het slop te halen.

De waarde solidariteit dient in dit verband concrete invulling te krijgen. Indien dat niet gebeurt, zullen de burgers er niets van begrijpen.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Solidariteitsfonds is een van de punten waarop de burgers de Europese Unie vaak beoordelen. We stellen niet alleen vast dat het aantal natuurrampen de afgelopen jaren sterk is toegenomen, maar ook dat hun impact almaar groter wordt. We horen steeds weer verhalen over overstromingen, droogtes, branden en stormen in verschillende lidstaten. Dit zijn evenwel niet de enige problemen. We moeten ervoor zorgen dat we eveneens bijstand kunnen verlenen bij gebeurtenissen als chemische lozingen, explosies, industriële branden en ongevallen in kerncentrales.

We moeten ook voorbereid zijn op nieuwe uitdagingen, zoals het verijdelen van terroristische aanslagen en het aanpakken van de gevolgen ervan. We moeten eveneens voldoende aandacht hebben voor crisissituaties in verband met de gezondheid van onze burgers of met dierziekten. In het licht van dergelijke bedreigingen vormt de kostprijs van medicijnen, vaccins en andere uitrusting een belangrijke hindernis bij het bestrijden van dit soort situaties. Dit fonds zou flexibel moeten zijn en ons in staat moeten stellen om gepast op bepaalde situaties te reageren en een allesomvattende aanpak te hanteren. De procedure voor het aanvragen van steun moet zo eenvoudig mogelijk zijn.

 
  
MPphoto
 

  Mieczysław Edmund Janowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Hübner bevindt zich vandaag in een bijzonder lastig parket. Zij moet antwoorden namens de Raad die hier niet vertegenwoordigd is. Toen zich tijdens het Deense voorzitterschap in 2002 een plotse overstroming voordeed, slaagde men er in enkele weken tijd in om zich te organiseren en de relevante documenten voor te bereiden. Vandaag zouden we vier voorzitterschappen verantwoordelijk moeten houden voor de traagheid bij de hervorming van het Solidariteitsfonds. Wij hebben dit fonds nodig. De hulp uit dit fonds zou niet alleen als bewijs van onze solidariteit moeten dienen, maar moet ook op snelle en doeltreffende wijze worden toegekend en zo weinig mogelijk bureaucratische rompslomp met zich meebrengen.

Ik denk dat hier twee vragen moeten worden beantwoord. Ten eerste vraag ik me af hoe en in welke situaties het Solidariteitsfonds moet worden gebruikt. Mijn tweede vraag luidt als volgt: hoe kunnen andere middelen uit andere fondsen, zoals het Cohesiefonds, worden ingezet voor langetermijnmaatregelen om rampen te voorkomen? Dat is echter een heel ander thema. Ik zou van de gelegenheid gebruik willen maken om de commissaris een vraag te stellen. Een tijd geleden hebben we nagedacht over de instelling van een “instrument voor snelle interventie” en over alertheid bij grootschalige noodsituaties, met een begroting van ongeveer 200 miljoen euro. Ik weet niet wat er gebeurd is met dit project dat eveneens verband houdt met de kwestie die we vandaag behandelen.

 
  
MPphoto
 

  Rolf Berend (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, het is niet gebruikelijk om bij de catch-the-eye-procedure nog een keer het woord te nemen, maar ik wil aan het eind van dit debat alleen nog even zeggen dat alle kritiek die vanavond is geuit grotendeels helemaal niet tegen de Commissie is gericht.

De Commissie heeft ons bij de herziening van dit verslag steeds geholpen. Ook bij de poging om het uit te voeren, heeft de Commissie steeds aan de kant van het Parlement gestaan. De schuldige is de Raad en we wilden dit verzoek eigenlijk zo inkleden dat we onze kritiek tegenover de Raad naar voren konden brengen. Dat de Raad hier niet aanwezig is, getuigt van minachting voor het Parlement. We zouden eigenlijk niet moeten accepteren dat we hier zo afgescheept worden.

Mevrouw Hübner, u kunt verzekerd zijn van onze volledige steun bij alles wat u tegenover de Raad onderneemt om dit herziene fonds van de grond te krijgen.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil drie dingen toelichten. Het fonds is geen solidariteitsfonds voor noodhulp, het is een fonds voor de vergoeding van bepaalde kosten voor noodoperaties na rampen, dat het mogelijk maakt om naar normale levensomstandigheden terug te keren. De Commissie stelt voor, het Parlement en de Raad besluiten.

Ten tweede stellen we bij de wijziging van de verordening voor om het toepassingsgebied te vergroten, stellen we voor om de drempel te verlagen en stellen we voor om de procedure te veranderen om vooruitbetalingen mogelijk te maken.

Ten derde is de lijst van mijn interventies, en die van voorzitter Barroso, met zeven voorzitterschappen, een zeer lange lijst; voor de lijst van alle vergaderingen en brieven zijn twee bladzijden nodig. Geen van de zeven voorzitterschappen, ook al had een aantal van hen aanvankelijk een positieve houding, is erin geslaagd in de Raad een akkoord te bereiken over de goedkeuring van deze verordening. Ik heb geweigerd om het voorstel in te trekken, in de hoop dat we op grond van het nieuwe verslag dat we als Commissie zullen opstellen en goedkeuren, begin volgend jaar een nieuw debat zullen voeren dat ons in staat stelt om de wijzigingen te realiseren. Het kan zijn dat we nu ook nieuwe ideeën opdoen, zodat de wijziging van het fonds misschien breder zal uitvallen. In dit opzicht hoop ik zeer dat u aanwezig zult zijn en aan dit debat zult deelnemen en het voorstel van de Commissie zult ondersteunen.

Nog een korte opmerking over preventie. Eind dit jaar zullen we een mededeling goedkeuren over een nieuwe algemene aanpak inzake rampenpreventie. We hebben al twee verkennende studies voltooid, we hebben ook de raadplegingsprocedures beëindigd en de effectbeoordeling is in voorbereiding. Iemand, ik geloof mijnheer Janowski, heeft voorgesteld het cohesiebeleid uit te breiden tot preventieve acties. Nu, één van de prioriteiten van het cohesiebeleid zijn juist preventieve acties, met name op milieugebied.

Hiermee kom ik aan het eind, mijnheer de Voorzitter. Ik hoop dat we onze samenwerking zullen voortzetten om dit fonds dusdanig te wijzigen dat het een grotere rol krijgt en beter inspeelt op de behoeften van de Europese burgers.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Het Parlement en de Commissie hebben meer dan twee jaar geleden een akkoord bereikt over de uitbreiding van het toepassingsgebied van het Solidariteitsfonds, opdat dit natuurlijke rampen zal omvatten, maar ook industriële ongevallen, terroristische aanvallen en zeer ernstige crises op het gebied van de volksgezondheid.

In het akkoord wordt gespecificeerd dat er bijzondere aandacht zal uitgaan naar de ultraperifere regio´s, ook al voldoen ze niet geheel aan de selectiecriteria, opdat zij noodhulp zullen ontvangen bij onvoorziene omstandigheden.

Deze hervorming is echter nog steeds niet doorgevoerd. De Raad heeft geen besluit kunnen nemen en de goedkeuring van een gemeenschappelijk standpunt steeds voor zich uitgeschoven.

Het fonds is weliswaar kort geleden aangewend voor het eiland Réunion, vanwege de cycloon Gamède, en voor Martinique en Guadeloupe, die getroffen werden door de cycloon Dean, maar over de ontvankelijkheid van elk verzoek om hulp blijft onzekerheid bestaan, bij afwezigheid van een snel besluit van de Raad over deze hervorming.

De Commissie moet zich eveneens wijden aan een herziening van haar voorstellen met het doel het vermogen van de Unie om haar burgers te beschermen te versterken, teneinde tot benutting te komen van de expertise en de geografische ligging van de ultraperifere regio´s en de landen en gebieden overzee die steunpunten willen zijn voor het geval er buiten Europa moet worden ingegrepen.

Over deze twee kwesties verwachten de ultraperifere regio´s een ambitieuze respons van de EU ter waarborging van hun veiligheid.

 

25. Consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0393/2008) van Iliana Malinova Iotova, namens de Commissie interne markt en consumentenbescherming, over consumentenbescherming: verbetering consumenteneducatie en kennis van krediet- en geldzaken (2007/2288(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Iliana Malinova Iotova, rapporteur. – (BG) Het verslag over financiële educatie waarover morgen tijdens de plenaire vergadering wordt gestemd, is belangrijker dan ooit. Het is duidelijk dat de financiële crisis die ons nu treft, vermeden kan worden indien consumenten goed worden geïnformeerd over de risico's die verschillende soorten kredieten met zich meebrengen. We kunnen met zekerheid zeggen dat als we in het verleden meer aandacht hadden besteed aan de financiële educatie van mensen, we niet in de huidige situatie zouden verkeren, of in ieder geval zou de crisis niet de huidige vorm hebben aangenomen. In het belang van de toekomst moeten we er zeker van zijn dat onze kinderen overal in Europa de kans krijgen om op een goede manier met creditcards en leningen te leren omgaan. We moeten ons richten op hypothecaire leningen voor studenten en pensioen- en investeringsfondsen. Deze financiële producten zijn sterk van invloed op het leven van consumenten, en daarom moet er over nagedacht worden. We mogen niet vergeten dat steeds meer jongeren diep in de schulden raken zonder ook maar te vermoeden welk effect dit zal hebben op hun leven.

We hebben vele maanden zeer intensief gewerkt aan de teksten van het verslag. We hebben een zeer interessant openbaar debat gevoerd met vertegenwoordigers van Europese en Amerikaanse banken en financiële instellingen, net aan de vooravond van de crisis. Toen al waren de problemen duidelijk geworden, en werd er alarm geslagen. Aan de andere kant konden we de ervaring en goede praktijken zien van financiële educatie in landen met tradities op dit gebied en die er constant aan werken om dit te verbeteren: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en elders, en we hebben de meningen gehoord van degenen die de eerste stappen nemen op dit gebied. Ik ben blij met de resultaten van de stemming over het verslag in de Commissie interne markt en consumentenbescherming, en met het besluit van de Commissie over de begroting die nodig is om hulp te verlenen bij dit project.

We hebben ook vele bemoedigende reacties ontvangen van toonaangevende financiële instellingen over het initiatiefverslag. Ik denk dat we een compromisoplossing hebben bereikt die alle fracties tevreden stelt, en daarom hoop ik op een positief resultaat bij de stemming van morgen. We kunnen de huidige financiële crisis slechts door gezamenlijke inspanningen overwinnen, en daarom moeten we ons verenigen en samenwerken aan dit gezamenlijke initiatief. Het is tijd om te handelen en er voor te zorgen dat Europese consumenten de benodigde kennis hebben over consumenten- en andere vormen van kredieten, zodat er niet nog eens een vergelijkbare financiële crisis komt. Om dit te bereiken is het uiterst belangrijk dat de lidstaten de afgesproken maatregen zullen uitvoeren en nauw samen zullen werken. En tot slot wil ik de leden van de Europese Commissie hartelijk bedanken voor de hulp die ze mij hebben geboden.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag komt precies op het juiste moment. Het besteedt aandacht aan tal van uitdagingen waarmee de Europese consumenten in verband met de huidige financiële crisis te maken hebben. Daarom wil ik mevrouw Iotova hartelijk danken voor haar uitstekende werk.

In haar mededeling van december verleden jaar heeft de Commissie het belang van financiële educatie voor een goede werking van de interne markt erkend. De consumenten moeten absoluut in staat worden gesteld om verantwoorde besluiten over hun persoonlijke financiën te nemen. Alleen op deze manier zullen ze in staat zijn om te profiteren van de tastbare voordelen die de financiële integratie van de Europese Unie met zich meebrengt.

Educatie valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. De rol van de Commissie in dit verband is vooral van ondersteunende aard, maar desalniettemin belangrijk.

Het nationale niveau is het meest geschikt om voorlichtingsprogramma’s voor consumenten uit te voeren, wat op dit niveau ook het meest effectief en efficiënt mogelijk is. De lidstaten komt een belangrijke rol toe, bijvoorbeeld door nationale strategieën voor financiële educatie aan te nemen die op publiek-private partnerschappen zijn gebaseerd.

We zijn van mening dat de Commissie als promotor van EU-wijde financiële educatie dient op te treden, door de aandacht te vestigen op de voordelen, de inspanningen te coördineren en door beste praktijken te demonstreren.

In dit verband hebben we een aantal praktische initiatieven ten uitvoer gelegd en de deskundigengroep inzake financiële educatie in het leven geroepen die in oktober haar eerste bijeenkomst heeft gehouden, gewijd aan overleg over de nationale strategieën voor financiële educatie.

We hebben ook vooruitgang geboekt bij de ontwikkeling van de Dolcetta online-tools voor leraren om hen te helpen financiële onderwerpen in de bestaande leerplannen op te nemen. We zullen binnenkort de Europese database voor financiële educatie publiekelijk toegankelijk maken, een elektronische bibliotheek van programma’s die door verschillende soorten instellingen worden aangeboden. Ten slotte verleent de Commissie ondersteuning aan zorgvuldig gekozen evenementen die de financiële educatie beter voor het voetlicht plaatsen.

We zijn het volledig eens met de algemene teneur van dit parlementaire verslag en met de meeste voorstellen die daarin worden gedaan. Een onderwerp van cruciaal belang is de educatie van kinderen en jongeren, en de Commissie is er net als het Parlement van overtuigd dat financiële geletterdheid een schoolvak dient te worden.

Wij zijn bereid om de lidstaten bij de ontwikkeling van hun fundamentele onderwijsprogramma’s op het gebied van persoonlijke financiën te ondersteunen. We zullen ook aandacht besteden aan het idee om de Commissie de opdracht te geven communautaire voorlichtings- en mediacampagnes inzake financiële educatie uit te voeren. Dergelijke voorlichtingscampagnes moeten worden aangepast aan de speciale behoeften van het publiek en zijn het doeltreffendst, wanneer ze op nationaal of zelfs lokaal niveau worden uitgevoerd. Ook hier bieden we graag onze ondersteuning aan.

Tot slot zou ik het Parlement graag willen danken voor zijn goede werk aan dit dossier en ik kijk uit naar de voortzetting van het overleg tussen het Parlement en de Commissie over de belangrijke vraagstukken op het gebied van de financiële educatie van de consument.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hiermee is dit onderdeel beëindigd.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Dragoş Florin David (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Gebrek aan kennis over de wet ontslaat ons niet van de consequenties ervan, zoals gebrek aan kennis over financiële mechanismen ons ook niet vrijwaart van de geleden verliezen.

Financiële en bancaire instellingen en verzekeringsmaatschappijen hadden – en hebben nog steeds – de plicht om consumenten te voorzien van" “handleidingen” voor financiële instrumenten, zodat deze weloverwogen besluiten kunnen nemen. Daarom ben ik van mening dat de noodzaak om de Europese burgers op het gebied van financiële, bancaire en verzekeringszaken te laten voorlichten door particuliere en overheidsinstellingen, een goede oplossing is voor diegenen die dit echt willen. De verstrekking van informatie aan de burgers die deze instrumenten gebruiken, moet echter een taak zijn die wordt uitgevoerd door dienstverleners op dit gebied. Mijns inziens is het de taak van de EU-Commissie en de lidstaten om de Europese burgers te waarschuwen voor en te informeren over de schadelijkheid van bepaalde producten of diensten en om de Europese markt zo te reguleren dat deze schadelijke producten of diensten niet op de markt kunnen komen.

Tot slot wil ik de rapporteur, mevrouw Iotova, en onze collega’s in de Commissie internationale handel en de Commissie economische en monetaire zaken feliciteren met de efficiënte wijze waarop zij deze resolutie hebben opgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) De crisis in verband met riskante hypotheken heeft bevestigd dat EU-burgers over weinig kennis van geldzaken beschikken. Consumenten zijn onvoldoende bekend met de risico’s van faillissement en een te hoge schuldenlast. Informatie over financiële producten van financiële instellingen, die voornamelijk via reclame wordt aangeboden, is moeilijk te begrijpen en soms verwarrend. De consumenten wordt onvoldoende informatie geboden voordat ze een contract tekenen.

Het informeren van consumenten over geldzaken en leningen moet al op school beginnen. De consumenten van morgen moeten vertrouwd gemaakt worden met bankproducten. Er moet met name nadruk worden gelegd op programma’s voor jonge mensen, bejaarden en kwetsbare groepen.

Ik ben stellig van mening dat de Commissie een begrotingspost in het leven moet roepen voor financiële educatieprogramma’s op EU-niveau, waarbij alle bevoegde instanties, zoals de overheid, niet-gouvernementele organisaties, consumentenorganisaties en financiële instellingen, samenwerken.

Ik wil met name de rol van de consumentenorganisaties op communautair niveau en binnen lidstaten benadrukken, aangezien zij als beste weten wat de speciale behoeften van de doelgroepen op het gebied van educatieprogramma’s zijn. Veel lidstaten reserveren in hun begroting onvoldoende middelen voor beleid inzake consumentenbescherming en besteden geen aandacht en geven geen financiële steun aan de activiteiten van consumentenorganisaties.

Weinig consumenten kunnen zich de diensten van een persoonlijk financieel adviseur veroorloven en daarom ben ik stellig van mening dat consumenten via behoorlijke cursussen in het kader van educatieprogramma’s van de EU en consumentenorganisaties onafhankelijk advies moeten krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Zlotea (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Ik wil mevrouw Iotova feliciteren met het onderwerp dat in dit verslag wordt behandeld. Financiële educatie is naar mijn mening een heel belangrijk thema. Wij hebben momenteel in Roemenië te maken met het probleem van mensen die hun schulden niet meer kunnen betalen omdat zij bij verschillende banken leningen hebben afgesloten. Niet alleen zijn zij slecht geadviseerd over de consequenties van deze leningen, maar zij hebben ook geen enkele financiële educatie gekregen om te kunnen bepalen welke financiële dienst wellicht beter bij hen paste.

Wij moeten financiële educatie niet verwarren met informatie die aan de consument wordt verstrekt. Financiële educatieprogramma’s moeten worden afgestemd op de leeftijdsgroepen en behoeften van de verschillende bevolkingsgroepen.

Ik hoop dat de Dolceta-website zo snel mogelijk in het Roemeens en Bulgaars zal worden vertaald, zodat alle burgers van de lidstaten ervan kunnen profiteren.

 

26. Scorebord voor de consumentenmarkten (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0392/2008) van Anna Hedh, namens de Commissie interne markt en consumentenbescherming, over het scorebord voor de consumentenmarkten (2008/2057(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Anna Hedh, rapporteur. (SV) Mijnheer de Voorzitter, de interne markt is een uiterst belangrijk deel van de Europese samenwerking, maar voor veel consumenten is ze niet meer dan een vaag concept. Los van de vraag in hoeverre we de betekenis ervan inzien en de desbetreffende wet- en regelgeving kennen, is ieder van ons consument en heeft de werking van de interne markt invloed op ons allemaal. Ik heb altijd beweerd dat als we tevreden consumenten hebben die vertrouwen hebben in de interne markt, we ook een interne markt hebben die doelmatig functioneert en bloeit.

Om dat vertrouwen te verdienen, moeten we de interne markt doelmatiger maken en gevoeliger voor de verwachtingen en problemen van de burgers. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs meer of strengere door de EU opgelegde wetgeving en regels. Vaak bieden informatie, voorlichting of zelfregulering een passender en effectievere benadering. Ongeacht de wijze waarop de problemen worden opgelost zou het doel altijd moeten zijn de rechten van consumenten veilig te stellen zodat zij goede en weldoordachte keuzes kunnen maken. Dat is natuurlijk ook goed voor de markt op zich. Daarom zijn ik en de Commissie interne markt en consumentenbescherming ingenomen met het scorebord voor de consumentenmarkten die de Commissie op verzoek van de commissie heeft voorgelegd. Wij denken dat het een belangrijk instrument kan zijn voor de toekomstige ontwikkeling van het consumentenbeleid.

De interne markt omvat ongeveer vijfhonderd miljoen consumenten en een enorm scala aan goederen en diensten. Het is natuurlijk onmogelijk om alle aspecten van de interne markt gedetailleerd door te lichten. Daarom is het essentieel om analytische middelen te gebruiken waar ze het meest nodig zijn. Ik ben ingenomen met de vijf gebieden waarop de Commissie zich heeft geconcentreerd: klachten, prijsniveaus, tevredenheid, omschakeling van leverancier en veiligheid. Die vijf hoofdindicatoren zijn relevant en nuttig, hoewel het noodzakelijk is om sommige indicatoren mettertijd verder te ontwikkelen en te verbeteren en er wellicht bepaalde nieuwe categorieën aan toe te voegen.

Ik wil ook benadrukken dat het van belang is de bekendheid van het scorebord bij de consumenten zelf en het grote publiek te vergroten. Het moet dan ook in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen zijn opgesteld. Bovendien moet het scorebord op relevante websites staan.

Tot slot wil ik zeggen dat de ontwikkeling van het scorebord tijd zal vergen, deels omdat de vooruitgang die op het gebied van consumentenbeleid en -bescherming is geboekt, erg verschilt van lidstaat tot lidstaat, maar ook omdat wij verschillend zijn, een verschillende culturen en tradities hebben. We moeten geduld hebben en dit scorebord voor de consumentenmarkten tijd geven.

Ik wil ook van de gelegenheid gebruik maken om commissaris Kuneva en haar secretariaat, alsmede mijn eigen secretariaat, te bedanken voor de erg goede samenwerking.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, het scorebord-initiatief werd minder dan een jaar geleden in het leven geroepen en de Commissie is blij met de belangstelling die het Parlement sindsdien aan de dag heeft gelegd.

Het scorebord is onderwerp geweest van veel debatten in de Commissie interne markt en consumentenbescherming en we hebben uit deze debatten en uit de hierin naar voren gebrachte suggesties veel kunnen opsteken. Hiervoor mijn hartelijke dank, maar vooral wil ik dank zeggen voor het uitstekende verslag van mevrouw Anna Hedh.

Ik wil kort samenvatten waarom het scorebord voor de consumentenmarkten zo belangrijk voor ons allen is. Als we aan de consumentenwensen willen voldoen, dan moeten we beter voldoen aan hun verwachtingen en meer begrip hebben voor de problemen waarmee zij in hun dagelijks leven te kampen hebben. Om dit te bereiken hebben we feitenmateriaal nodig waaruit blijkt hoe de markten presteren in termen van economische en maatschappelijke gevolgen voor de consument, en welk gedrag de consumenten op de markt vertonen. Voor goede beleidsvorming zijn nauwkeurige gegevens nodig, hierover zijn we het volledig met u eens.

Het scorebord verzamelt feiten met behulp waarvan markten kunnen worden geïdentificeerd die mogelijk niet aan de verwachtingen van de consumenten voldoen en daarom meer aandacht moeten krijgen. Eveneens stelt het ons in staat de voortgang bij de integratie van de detailhandelsmarkt te volgen, en het draagt ertoe bij de consumentenomgeving in de lidstaten te benchmarken, met name waar het gaat om de naleving en handhaving van de consumentenwetgeving, de verhaalmogelijkheden en het mondig maken van de consument. Wij zijn het met u eens over de indicatoren die in dit scoreboard moeten worden opgenomen, en we geloven dat de oprichting van een geharmoniseerde EU-wijde gegevensbank van consumentenklachten een wezenlijke vooruitgang zal betekenen. Hierdoor kunnen we problemen in de consumentenmarkten vroegtijdig opsporen en waar nodig passende maatregelen treffen.

De Commissie is er sterk van overtuigd dat het belangrijk is om prijsgegevens op te nemen, aangezien de prijzen een van de grootste zorgen van de consument zijn. Het huidige politieke en economische klimaat heeft de behoefte aan goede prijsgegevens nog versterkt. We moeten onze consumenten duidelijk maken dat we in de gaten houden in hoeverre de prijzen over de interne markt te vergelijken zijn. De Commissie kan u ervan verzekeren dat zij zich volledig bewust is hoe ingewikkeld deze kwestie is, en zij zal deze gegevens uiteraard zorgvuldig interpreteren en ervoor zorgen dat zij in het juiste licht worden beschouwd. Soms zijn de prijsverschillen op de interne markt om economische redenen gerechtvaardigd, maar soms zijn ze ook te wijten aan een slechte werking van de markt. We willen erachter komen hoe we de ware redenen kunnen achterhalen.

We zijn het met mevrouw Hedh eens dat nauwe samenwerking met de lidstaten belangrijk is. De Commissie is dit jaar begonnen met nationale beleidsvormers, bureaus voor de statistiek, handhavingsautoriteiten en consumentenorganisaties samen te werken aan de verdere ontwikkeling van de indicatoren voor het scorebord, en we zullen deze samenwerking in de komende jaren voortzetten. Mevrouw Hedh heeft benadrukt dat we dit scorebord voor een groter publiek toegankelijk moeten maken en dat we er meer bekendheid aan moeten geven. De Commissie ziet dit in en zal de inspanningen daartoe opvoeren. U zult de resultaten hiervan bij de tweede uitgave van het scorebord kunnen zien.

Tot slot wil de Commissie zich aansluiten bij het verzoek uit het verslag van mevrouw Hedh om meer indicatoren voor empowerment zoals bijvoorbeeld geletterdheid en vaardigheden op te nemen, maar ik zou ook nog tal van andere punten kunnen noemen als ik meer tijd had. De Commissie is van plan om in het herziene Europees programma voor sociaal onderzoek van Eurostat een module voor de empowerment van consumenten op te nemen, om de vaardigheden van en voorlichting aan de consument en de kennis over zijn rechten en assertiviteit te kunnen meten. Hierdoor zouden we een statistische momentopname van de burgers van Europa in hun hoedanigheid als consument krijgen. We zien dit als het belangrijkste thema van het door het Parlement voor 2009 voorgestelde proefproject. Ik wil tot slot nog eens mevrouw Hedh danken voor de belangstelling en de ondersteuning, zeker ook wat de financiële kant betreft

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hiermee is dit onderdeel beëindigd.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Slavi Binev (NI), schriftelijk. – (BG) Ik verwelkom het verslag van Anna Hedh over het scorebord voor de consumentenmarkten waarmee wordt beoogd de interne markt beter te laten inspelen op de verwachtingen en behoeften van de burger. In de afgelopen negentien jaar van de zogenaamde democratische overgang van Bulgarije hebben we schoon genoeg gekregen van de diverse privatiseringsoplossingen die door de heersende autoriteiten in Bulgarije zijn voorgesteld. Een saillant geval was het toelaten van de bekende dieven van energiemaatschappij ČEZ Měření tot de Bulgaarse binnenlandse markt. De heren van ČEZ, die wij van ATAKA al lang hebben aangewezen als onvervalste gangsters, zijn in hun eigen land aangeklaagd. Er zijn 32 werknemers gearresteerd op verdenking van afpersing van consumenten die zij ervan beschuldigden elektriciteit te stelen. Maar de tripartiete coalitie in Bulgarije, duidelijk te druk met corruptie, vond dit onvoldoende reden om deze criminelen er uit te gooien, zoals de regeringen van Canada en Hongarije hebben gedaan, en zo blijft ČEZ doorgaan met het beroven en afpersen van de Bulgaarse belastingbetaler onder het mom van hunfijne privatiseringsovereenkomstjes.

Ik ben van mening dat het aannemen van het scorebord voor consumentenmarkten zal leiden tot verbetering van de hulpmiddelen voor het bewaken van sectoren die moeten worden onderzocht op zwakheid en schendingen, zal leiden tot het betrekken van de nationale autoriteiten voor consumentenbescherming bij het behouden van de kwaliteit van de sociale diensten, en zal helpen om het vertrouwen van de consument in de interne markt te herstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) De Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement heeft als prioriteitsdoelstelling het verbeteren van de positie van Europese consumenten in de interne markt. Ze roept de Commissie en de lidstaten voortdurend op te onderzoeken wat consumenten van de interne markt vinden en vooral wat ze nodig hebben. De voornaamste voorwaarden voor een doelmatige en goed functionerende interne markt is consumentenvertrouwen.

De Commissie interne markt en consumentenbescherming erkent de voordelen van het scorebord voor de interne markt dat sinds 1997 wordt gehanteerd en heeft de Commissie opgeroepen een voorstel in te dienen voor een scorebord voor consumentenmarkten dat kan dienen als instrument om de markt ook vanuit het standpunt van de consument te beoordelen.

Klachten, prijsniveaus, tevredenheid, interfaces en veiligheid zijn de vijf belangrijkste indicatoren die in het scorebord worden gebruikt. De commissie is zich ervan bewust dat, aangezien dit het eerste scorebord voor consumentenmarkten ooit is, sommige van deze indicatoren in de toekomst door andere zullen moeten worden vervangen. Met name de indicator met betrekking tot prijsniveaus is twijfelachtig.

Ik ben het eens met het standpunt van de rapporteur, Anna Hedh, dat via de media veel publiciteit aan het scorebord zal moeten worden gegeven en dat deze op alle relevante websites moet worden geplaatst. Ik zou er de voorkeur aan geven dat de Commissie financiële steun beschikbaar stelt voor een voorlichtingscampagne door de consumentenorganisaties. Dankzij hun ervaring op het gebied van consumentenbeleid weten zij het beste hoe ze de boodschap over het scorebord op consumenten kunnen overbrengen.

Ik ben stellig van mening dat het scorebord de belangstelling van de consumenten zal moeten wekken, wil ze een belangrijk instrument voor de toekomstige ontwikkeling van consumentenbeleid worden.

 

27. Steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0418/2008) van Christian Ehler, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen (2008/2140(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Christian Ehler, rapporteur.(DE) Mijnheer de Voorzitter, zeer geachte collega’s, als Brandenburger wil ik natuurlijk in het bijzonder commissaris Hübner begroeten! Ik mag nu het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie over een mededeling van de Commissie inzake de CCS-demonstratie-installaties kort presenteren. Om te voldoen aan de overeengekomen energie- en klimaatdoelstellingen van de Europese Unie is de reductie van CO2-emissies natuurlijk een van de belangrijkste kwesties. Daarbij heeft steenkool, als fossiele brandstof, een bijna doorslaggevende rol te vervullen. Anderzijds zitten we in Europa op dit moment met een dilemma. In het milieu- en energiebeleid hebben we drie doelen. In de eerste plaats de milieubescherming, in de tweede plaats de voorzieningszekerheid en, in verband daarmee, in de derde plaats de prijsstabiliteit, die in deze economisch moeilijke tijden zo belangrijk is.

Steenkool – dat is voor iedereen hier in Europa duidelijk – is de enige fossiele brandstof, de enige fossiele energievoorraad van Europa, en is daardoor voor deze drie doelen van strategisch belang. Zonder de CCS-technologie, dus zonder schone steenkooltechnologie is er voor deze brandstof echter geen toekomst. Het voorstel van de Commissie ter bevordering van de dringend noodzakelijke demonstratieprojecten wordt derhalve door de meerderheid van onze commissie verwelkomd. De Commissie heeft een zeer weloverwogen voorstel op tafel gelegd. We zijn het er in de commissie over eens dat er zo snel mogelijk stimulerende maatregelen voor grootschalig gebruik van de CCS-technologie in de industrie moeten worden genomen. Om die reden – en dat zeggen we ook uitdrukkelijk – acht ook een meerderheid in het Parlement financiële steun voor schone steenkooltechnologie absoluut noodzakelijk voor de energie- en klimaatdoelen van Europa.

Het voorstel van de Commissie industrie, onderzoek en energie is daarom heel concreet en houdt in dat met financiële middelen uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, maar ook uit verwachte emissiehandelsrechten, de realisering van minstens twaalf demonstratie-installaties wordt ondersteund. Bij deze installaties moeten de verschillende technologieën met de verschillende opslag- en transportmogelijkheden worden gecombineerd en ze moeten zo veel mogelijk verspreid door heel Europa worden geplaatst.

Het stemt ons voorzichtig optimistisch dat in de reeds lopende driepartijenonderhandelingen over de CCS- en de ETS-richtlijn een eerste beweging van de kant van de Commissie te zien is. Met hetzelfde voorzichtige optimisme zijn wij van mening dat we in de driepartijenonderhandelingen moeten bereiken dat we niet alleen de toekomstige kadervoorwaarden voor CCS vaststellen, maar ook een solide basis creëren voor de financiering van de dringend noodzakelijke voorbereidende proefinstallaties.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de heer Ehler zeer hartelijk voor dit verslag over de mededeling van de Commissie over de steun voor demonstratie in een vroeg stadium van duurzame elektriciteitsproductie met behulp van fossiele brandstoffen. We zijn dankbaar voor de algemene ondersteuning in dit verslag voor onze beleidsdoeleinden en voor de erkenning van de belangrijke rol die CCS bij de wereldwijde bestrijding van de klimaatverandering kan spelen.

Het verslag erkent ook duidelijk de dringende behoefte aan maximaal twaalf grootschalige demonstratieprojecten, teneinde CCS voor 2020 commercieel levensvatbaar te kunnen maken. Onze mededeling moet worden opgevat als onderdeel van het omvattende klimaat- en energiepakket, waaronder ook de CCS-richtlijn valt waarin het wettelijk kader voor de toelating van CCS-technologieën in Europa is vastgelegd, het emissiehandelssysteem, dat het economisch en commercieel kader voor CCS vastlegt, en het voorstel van de Commissie dat twintig procent van de handelsinkomsten door de lidstaten worden bestemd voor investeringen in koolstofarme technologieën, zoals CCS. Onafhankelijk van het uiteindelijke besluit zullen de inkomsten uit de emissiehandel een van de belangrijkste financieringsbronnen voor de CCS-demonstratieprojecten zijn.

Ten slotte wordt in onze mededeling ook voorgesteld om begin 2009 een structuur in te voeren voor de coördinatie en ondersteuning van CCS demonstratieprojecten door informatie-uitwisseling, gezamenlijke communicatieactiviteiten en andere gezamenlijke acties.

Ik stel uw algemene goedkeuring van het klimaat- en energiepakket en vooral van de mededeling op prijs. In het verslag wordt echter ook gesteld dat de inspanningen van de Commissie mogelijk niet voldoende zijn om het door de Raad opgestelde streefdoel van maximaal twaalf demonstratieprojecten te halen. Ik heb begrip voor deze zorg.

Wat de financieringskwestie betreft kan ik zeggen dat door de Commissie milieubeheer een wijziging van het ETS-voorstel is goedgekeurd waarin wordt voorgesteld om een bedrag van 500 miljoen uit de reserve voor nieuwe toewijzingen voor de financiering van de CCS-demonstratieprojecten te gebruiken.

De Commissie heeft een nota inzake de beleidsopties naar het Parlement gestuurd, ook om een akkoord in de Raad te bevorderen, om een toereikende voor voldoende financiering van koolstofarme technologieën te zorgen.

In het verslag worden ook twee punten aangesneden waarmee de Commissie het op dit moment niet geheel eens kan zijn. Ten eerste wordt de Commissie in het verslag verzocht om met een uitvoerige analyse te komen van de kosten van elk van de twaalf demonstratiefaciliteiten en van de aandelen van de financiering die door respectievelijk het bedrijfsleven en overheden zullen worden gedragen. In dit verband wil ik zeggen dat de demonstratieprojecten pas worden vastgesteld na openbare aanbestedingen die of op Europees niveau of op het niveau van de lidstaten zullen worden gehouden. Er wordt momenteel aan kostenanalyses gewerkt, maar deze kunnen slechts een ruwe schatting opleveren, aangezien elk project uniek is.

Ten tweede wordt in het verslag ook voorgesteld om middelen uit de financieringsfaciliteit met risicodeling te gebruiken ter ondersteuning van CCS. Aangezien, zoals u weet, deze middelen volledig zijn vastgelegd, zou iedere verandering wijzigingen van het zevende kaderprogramma vereisen.

Rest mij u voor het uitstekende werk aan het verslag te danken. Ik hoop ook dat het Parlement bij de stemming aan de algemene lijn en de doelstellingen van het verslag zal vasthouden.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Hiermee is dit onderdeel beëindigd.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Gierek (PSE), schriftelijk. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, een van de doelstellingen van de Europese Unie is een ambitieus klimaatplan met een looptijd tot 2020, beter bekend als de zogenaamde "3x20"-doelstelling. Dit plan zal ten uitvoer worden gelegd met behulp van instrumenten als de invoering van een veilingsysteem voor de emissiehandel en van CCS-technologie na 2015. De emissiegrens van 500 gram CO2/kWh die na 2015 zal worden opgelegd, is echter technisch niet haalbaar, zelfs in het geval van moderne steenkoolcentrales. Dit zou dus een soort moratorium vormen op de bouw van kolengestookte centrales en bijgevolg de energiezekerheid in gevaar brengen.

CCS-technologie zou ook kunnen worden gebruikt in industrieën waarbij grote hoeveelheden CO2 vrijkomen als afvalproduct, onder meer bij het smelten van ruw ijzer. Daarom zouden de lidstaten die voor hun energieproductie het sterkst afhankelijk zijn van steenkool nu al moeten starten met de bouw van demonstratie-installaties, zodat ze de noodzakelijke ervaring kunnen opdoen. Hiervoor is onmiddellijke financiële steun nodig, aangezien de middelen die mogelijk na 2013 door het emissiehandelssysteem worden gegenereerd, te laat zullen komen. In Polen zouden er bijvoorbeeld nu al twee of drie van dit soort installaties moeten worden gebouwd met behulp van verschillende CCS-technologieën. Ik denk in deze context aan moderne met steen- of bruinkool gestookte elektriciteitscentrales die gebruik maken van verschillende technieken voor het opslaan van CO2 in poreuze geologische formaties of ondergrondse reservoirs.

 
  
MPphoto
 
 

  András Gyürk (PPE-DE), schriftelijk. – (HU) De CO2-afvang en -opslag vormt vandaag de dag een essentieel onderdeel van de dialoog over klimaatverandering. Het gaat hier om een veelbelovende techniek die echter het vertrouwen van de maatschappij nog moet zien te winnen. Het toekomstig gebruik ervan kan een realistisch compromis zijn bij de onontkoombaarheid van fossiele energiebronnen en de doelstellingen ten aanzien van klimaatbescherming.

Aangezien de CO2-afvang aanzienlijke langetermijninvesteringen veronderstelt, is het cruciaal dat de Europese Unie consequente en stabiele wetgeving opstelt. Ik ben van mening dat het klimaatpakket, dat ook door het Parlement is gewijzigd, de juiste richtsnoeren heeft vastgelegd op dit vlak.

Het is een verheugende ontwikkeling dat het betreffende verslag van het Parlement in plaats van directe financiële steun gratis emissiequota wil verstrekken aan 10 à 12 experimentele krachtcentrales. Ik vind het absoluut noodzakelijk dat de krachtcentrales die recht hebben op gratis quota worden aangewezen door de Europese Commissie met inachtneming van het beginsel van regionaal evenwicht. Ik ben het eens met de rapporteur dat in het belang van de verspreiding van de nieuwe technologieën de middelen voor onderzoek en ontwikkeling aanzienlijk moeten worden geconsolideerd – zowel op nationaal als op Europees niveau.

De subsidies van de EU kunnen niet in de plaats komen van de inspanningen in de particuliere sector. Als CO2-afvang en -opslag inderdaad een levensvatbare oplossing blijkt te zijn, zullen er ondernemingen zijn die bereid zijn actief een deel van de investeringen op zich te nemen. Daarnaast is het belangrijk op te merken dat de ondersteuning voor CO2-afvang geen fondsen mag onttrekken aan hernieuwbare energiebronnen. De hier behandelde technologie is namelijk een potentiële, maar zeker niet de enige oplossing voor de matiging van de effecten van klimaatverandering.

 

28. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
Video van de redevoeringen

29. Sluiting van de vergadering
Video van de redevoeringen
  

(De vergadering wordt om 23.10 uur gesloten)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid