2. Informatieverplichtingen voor middelgrote ondernemingen en verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen – Verslagleggingsvoorschriften voor middelgrote ondernemingen (debat)
De Voorzitter. − Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- het verslag van mevrouw van den Burg, namens de Commissie juridische zaken, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG met betrekking tot bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen (COM(2008)0195 – C6-0173/2008 – 2008/0084(COD)) (A6-0462/2008) en
- de verklaring van de Commissie inzake de boekhoudkundige verplichtingen van middelgrote ondernemingen.
Ieke van den Burg, Rapporteur. − Voorzitter, mijn excuses voor de vertraging. Het zijn moeilijke tijden voor het midden- en kleinbedrijf. De crisis treft niet alleen banken en beursgenoteerde bedrijven, maar de hele economie en laat ook de banenmotor van het mkb haperen. Vanuit ons Europese werk is het dus goed om die sector een hart onder de riem te steken.
Dat doen we door een serie maatregelen die afgelopen zomer onder de noemer small business act zijn gepresenteerd; met een aantal voorstellen uit die reeks ben ik volop bezig. Het statuut voor een Europese BV, meer mogelijkheden voor microkrediet en het structureel maken van de optie voor een laag btw-tarief voor dienstverleners die zich richten op de lokale markt van dienstverlening aan particulieren.
Een heel belangrijk zorgpunt voor kleinere bedrijven is de administratieve lastendruk. Het merendeel van die druk komt van nationale en decentrale overheden, maar voorzover Europese regelgeving daarbij een rol speelt, zijn we actief aan de slag gegaan met het opschonen en verlichten van die druk. Zo ook met dit dossier. De vereenvoudiging van de informatieverplichtingen en de beide richtlijnen dienaangaande, die 25 en 30 jaar oud zijn en al verschillende malen zijn aangepast, worden nu in een zogenaamde fast track-procedure opgeschoond en versimpeld.
Deze maatregelen zijn echter maar een klein stapje in de richting van verlichting van de lastendruk. Er is veel meer nodig. Ons ongeduld daarover hebben we in de Commissie juridische zaken van dit Parlement uitdrukkelijk tot uiting gebracht; we hebben dan ook samen met dit wetgevend dossier een resolutie ingediend om de Commissie ertoe aan te manen spoed te zetten achter met een veel grondiger herziening van de regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf. De Commissie was daar overigens al mee bezig; het is de bedoeling om daarbij ook tot een grotere harmonisatie van de Europese regels voor het midden- en kleinbedrijf te komen.
Eerder hebben wij ook een discussie en een verslag van de heer Radwan gehad in de Commissie economische en monetaire zaken, waarin we uitdrukkelijk hebben gezegd dat niet de internationale accounting standards board, die ook bezig was met een IFRS voor het midden- en kleinbedrijf, de route zou moeten zijn, maar dat we zelf Europees op basis van de reeds bestaande wetgeving tot een verdere harmonisatie zouden moeten komen.
In de discussie is van de kant van de heer Lehne vooral, die schaduwrapporteur voor dit verslag was, ingebracht om de lidstaten nu al een optie te geven om de micro entities, de echt kleinere bedrijven, nu al uit te zonderen van deze Europese regelgeving. Ik denk dat dat een noodmaatregel is, die weliswaar is voorgesteld door de Stoiber-groep, maar die op de lange duur niet de fundamentele versimpeling oplevert, omdat die de lidstaten alleen maar een optie geeft en aldus toch tot grote verschillen in de lidstaten zal leiden.
Dus de uiteindelijke doelstelling en optie zou moeten zijn om tot een zo verregaande harmonisatie te komen dat ook de bedrijven die onder de grens van micro-entiteiten zitten, eenzelfde systeem hebben en een heel simpel systeem. Bij dat simpele systeem zou ikzelf nog eens willen wijzen op de mogelijkheden van het zogenaamde XBRL – dat is een systeem waar het invoeren van data voor verschillende instanties op een hele simpele manier kan gebeuren en waar verschillende instanties van diezelfde gegevens gebruik kunnen maken, zodat het ook veel makkelijker en simpeler wordt voor bedrijven om dat soort informatie aan te leveren en die informatie is dan bruikbaar op een heleboel verschillende manieren.
Kortom, ook over het verzet dat in de accountantwereld heerst tegen het uitzonderen van die micro-entiteiten, moeten we de komende tijd een goede discussie voeren. De Commissie moet met voorstellen komen. Dan moeten we inderdaad bekijken wat de beste methode is voor middelgrote bedrijven, maar ook voor die echt heel kleine bedrijven, ten einde te zorgen voor transparantie en een goed systeem van boekhouden waarmee ze een aantal dingen kunnen doen zonder ze met enorme administratieve lasten te belasten.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. − (FR) Voorzitter, dames en heren, mevrouw van den Burg, het Europees Parlement spreekt zich vandaag uit over een voorstel voor vereenvoudiging. Dit voorstel is het eerste van drie ontwerpwetgevingsresoluties op het terrein van de financiële verslaglegging. Het heeft tot doel het ondernemersklimaat op Europees niveau te vereenvoudigen, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Dit eerste voorstel is daar een goed vertrekpunt voor. Dit is een goede gelegenheid wetgevers, belanghebbenden en de Commissie om hun standpunten uit te wisselen en om te bespreken welke elementen moeten worden opgenomen in de twee andere voorstellen die nog volgen.
Zoals enkele weken geleden aangekondigd in het Europees economisch herstelplan, is het volgende voorstel gericht op de verlichting van de administratieve lasten van de allerkleinste ondernemingen, die in Europa het grootst in getal zijn.
In de loop van het eerste kwartaal van 2009 zal de Commissie een voorstel indienen om deze micro-ondernemingen uit te zonderen van de verplichting om een jaarrekening op te stellen. Ik wil onderstrepen dat het voorstel van de Commissie uitsluitend tot vermindering van de administratieve lasten kan leiden indien de lidstaten bereid zijn gebruik te maken van deze optie, want het is niet meer dan een optie.
Externe deskundigen hebben ingeschat dat deze maatregel besparingen tot 5,8 miljard euro per jaar kan opleveren. Maar deze besparingen kunnen alleen gerealiseerd worden als alle lidstaten deze uitzonderingsmogelijkheid in de praktijk gaan toepassen en geen nieuwe regels invoeren die onnodig belastend zijn.
Het tweede initiatief dat ik eind september heb aangekondigd is de herziening van de vierde en zevende vennootschapsrichtlijn. Inmiddels is een begin gemaakt met de eerste technische voorbereidingen daarvan. In de loop van het eerste kwartaal van 2009 zal er een openbare raadpleging plaatsvinden om te onderzoeken hoe deze herziening er moet gaan uitzien.
Velen van u zullen blij zijn te horen dat met de aanbevelingen van de groep op hoog niveau onder voorzitterschap van de heer Stoiber zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden.
Om terug te komen op het onderhavige voorstel, waarop een versnelde procedure is toegepast: we zijn erg verheugd dat dit initiatief dankzij de samenwerking tussen de instellingen binnen zo korte tijd behandeld kan worden.
Ik nodig u uit, vandaag voor de uitkomsten van deze procedure te stemmen en ik dank u voor uw aandacht.
Kristian Vigenin, rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (BG) Mijnheer de commissaris, wij zijn van oordeel dat de voorstellen met betrekking tot dit wetgevingsinitiatief niet ambitieus genoeg zijn. De Commissie economische zaken roept de Europese Commissie en u persoonlijk op om op dit vlak een actiever beleid te voeren.
Ik zie intussen wel in dat wat u ons verteld hebt een belangrijke stap vertegenwoordigt. We verwachten echter wat meer actieve maatregelen van de zijde van de Commissie. Het Europees Parlement zal zulke maatregelen beslist steunen. De situatie voor kleine en middelgrote ondernemingen is immers heel ernstig, zeker in de context van de huidige financiële crisis.
Als rapporteur voor de Commissie economische en monetaire zaken wil ik u graag verzekeren dat we het initiatief van de Commissie om de bureaucratische lasten voor middelgrote ondernemingen te verlichten van ganser harte steunen. Ook wij vinden dit heel belangrijk. Daarom hebben we onze steun uitgesproken voor een snellere procedure. Dat voorstel zullen we vandaag steunen. Wij verwachten dat de maatregelen die u in de toekomst bereid bent te nemen, ook onze goedkeuring zullen wegdragen.
Jean-Paul Gauzès, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vicevoorzitter van de Commissie, mijnheer de commissaris, beste collega's, onze fractie zal uiteraard voor het verslag van mevrouw van den Burg stemmen en ik feliciteer haar met haar werk, dat zoals altijd, zoals wij allen weten, erg goed is.
Ik wil er echter op wijzen dat kleine en middelgrote ondernemingen niet per se voorstander zijn van het afschaffen van de eisen op het gebied van de financiële verslaglegging. We hebben heel wat e-mails ontvangen met de strekking: "Vereenvoudiging is nuttig, maar pas op dat het niet averechts werkt". Ik zal dit nader toelichten. De eisen voor financiële verslaglegging moeten vereenvoudigd worden. Dat is ook de strekking van de ontwerpresolutie, waarin staat dat de Commissie ons zo snel mogelijk, maar in ieder geval uiterlijk eind 2009, een Europees kader voor financiële verslaggeving voor dient te leggen, dat is toegesneden op kleine en middelgrote ondernemingen. Maar dat wil nog niet zeggen dat de eisen volledig moeten worden geschrapt.
Waarom niet? Omdat het financieel jaarverslag voor een ondernemer allereerst een gelegenheid is om minstens één keer per jaar de balans op te maken. Het jaarverslag is ook erg nuttig als het gaat om kredietverlening tussen ondernemingen. Ook banken vragen hierom bij het verlenen van kredieten. Ook zijn er belastingtechnische verplichtingen. We moeten kleine ondernemers dus geen rad voor ogen draaien door hen voor te houden dat ze veel geld en tijd gaan besparen als ze geen boekhouding hoeven bij te houden. Dat kan rampzalige gevolgen hebben.
Wat nodig is, is een kader dat is aangepast aan kleine ondernemingen, waardoor deze verlost worden van overbodige en nutteloze verplichtingen. Maar, mijnheer de commissaris, de grootste versimpeling die we kunnen doorvoeren is denk ik om eindelijk de regel toe te passen dat informatie in elke lidstaat slechts één keer wordt gevraagd en dat ondernemingen niet steeds dezelfde overzichten en uitdraaien hoeven te leveren, met gegevens die de instanties al lang hebben.
Zó kunnen we ondernemers helpen: door te zorgen dat de regels voor de financiële verslaglegging erop zijn toegesneden om inzicht in de situatie van hun onderneming te bieden en dat ze verlost worden van volslagen zinloze administratieve rompslomp.
Sharon Bowles, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij met de vermindering van de lasten ingevolge financiële verslaglegging voor kleine en middelgrote ondernemingen. Kleinere ondernemingen zijn niet slechts verkleinde uitgaven van grote ondernemingen en daarom is sommige verslaglegging die aan grote ondernemingen opgelegd wordt, voor kleinere ondernemingen totaal niet relevant. Andere soorten verslaglegging doen een veel te groot beroep op de beschikbare hulpbronnen, ze passen niet bij de werkelijkheid van de enorme verscheidenheid aan kleine bedrijven die er in Europa zijn en dienen als gevolg daarvan niet het openbaar belang. Overbodige verslaglegging doet veel meer kwaad dan goed en daarom ben ik ben blij dat we er wat van kwijt zijn. Laten we hier vooral mee doorgaan!
Mijn fractie en ook andere fracties zijn het echter niet eens met dat deel van de definitieve versie van het verslag dat over concordantietabellen gaat. De Commissie wilde concordantietabellen over omzetting verplicht stellen, ook in deze kleine richtlijn, en wij zijn het daarmee eens. De Raad daarentegen vindt het een onnodige verplichting. Mijn reactie daarop is dat dat niet zo hoeft te zijn. We moeten er iets op vinden dat de omzetting van EU-wetgeving toegankelijk wordt. Het democratisch tekort is enorm groot. De lidstaten zijn verantwoordelijk, maar Europa krijgt de zwartepiet.
We zien hier wat overeenkomsten met de kritiek op het Verdrag van Lissabon, want het verslag is als los document onleesbaar. Het grote publiek zou echter veel meer moeten protesteren, want veel regeringen van lidstaten doen hun inwoners en ondernemingen dit telkens weer aan met hun omzettingen. We moeten duidelijk zijn. De huidige malaise is geen probleem van de EU, het is een probleem van de regeringen van de lidstaten en er moet een eind aan komen.
Patrick Louis, namens de IND/DEM-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, beste collega's, de Commissie wil de administratieve lasten van ondernemingen verlichten, wat in principe een goed voornemen is. Maar telkens de kaasschaafmethode hanteren verandert fundamenteel niet veel aan de gegeven situatie: de overregulering, de vele verschillende niveaus waarop besluiten genomen worden, en de systematische belemmeringen die de Commissie tegelijkertijd steeds weer creëert en aan ondernemingen – grote én kleine – oplegt.
Er zijn momenteel slechts drie lidstaten die niet de noodzaak erkennen van publicatie van bedrijfsgegevens – vanaf de oprichting tot en met de opheffing van het bedrijf – en de Commissie geeft zelf toe dat een deel van de informatie verloren gaat. Dit verlies heeft vooral gevolgen voor diegenen die deze informatie het hardst nodig hebben: particulieren, KMO's en micro-ondernemingen uit de omgeving, en mensen die direct met de onderneming te maken hebben.
Door dit voorstel wordt overdraagbare informatie, dat wil zeggen informatie die voor iedereen eenvoudig toegankelijk is, vervangen door informatie die men maar moet zien te vinden en die op termijn alleen deskundigen die precies weten wat ze zoeken, nog weten te achterhalen. Wij kunnen dit voorstel niet echt steunen, omdat een verantwoordelijke wetgever zorgt dat dit soort economische informatie systematisch toegankelijk is voor alle burgers, consumenten en investeerders, zonder dat daar speciale inspanningen voor nodig zijn.
Daarnaast kan en zal dit voorstel nadelige gevolgen hebben voor de regionale bladen, die toch al een moeilijke tijd doormaken, omdat deze tot taak hebben gerechtelijke uitspraken en wetsinformatie te publiceren. Dit maakt soms 25 tot 50 procent van hun reclame-inkomsten uit. Deze dagbladen spelen een uiterst belangrijke economische en sociale rol. Zij moeten behouden worden, omdat daarmee hun rol in de plaatselijke gemeenschap behouden wordt. We zouden onze energie misschien beter in andere dossiers kunnen steken. Wij vinden dit dossier nog niet rijp.
Tadeusz Zwiefka (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de voornaamste doelstelling van ons ondernemingsbeleid is het scheppen van passende randvoorwaarden voor de oprichting en ontwikkeling van nieuwe ondernemingen. Om het economisch klimaat te verbeteren, moeten niet alleen de administratieve en juridische procedures worden vereenvoudigd, maar dienen ook maatregelen te worden genomen op het gebied van financiering, belastingen en zowel de sociale als de natuurlijke omgeving, aangezien al deze elementen een impact hebben op de werking van ondernemingen.
Uniforme regelgeving zou voor het gehele internationale bedrijfsleven aanzienlijke voordelen opleveren. Ten eerste zullen supranationale standaarden voor financiële verslaggeving de beoordeling en vergelijking van de financiële situatie van bedrijven in verschillende landen vergemakkelijken en bijgevolg het besluitvormingsproces over investeringen vereenvoudigen. Ten tweede zal de invoering van financiële verslaggeving op basis van algemeen erkende en aanvaarde boekhoudkundige beginselen ertoe leiden dat ondernemingen een bredere toegang krijgen tot kapitaal.
Kleine en middelgrote ondernemingen zijn vaak aan dezelfde regelgeving onderworpen als grotere bedrijven, maar hun specifieke behoeften op het gebied van financiële verslaggeving worden zelden geanalyseerd. Het is van belang dat we erop toezien dat de debatten zich niet alleen toespitsen op vereenvoudiging, maar ook op de verschillende impact die de standaarden voor jaarrekeningen op kleine en middelgrote ondernemingen en op grote beursgenoteerde bedrijven kunnen hebben. Het debat over het vraagstuk van de vereenvoudiging concentreert zich over het algemeen op de kosten. Het debat over de gevolgen van de boekhoudkundige vereisten gaat daarentegen nader in op de voordelen van financiële verslaggeving en op de behoeften van de individuele gebruikers.
Aan de invoering van vereenvoudigde regelgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen is een aantal voordelen verbonden. Eerst en vooral levert de tenuitvoerlegging van universele standaarden zeker minder voordeel op voor kleine en middelgrote private ondernemingen dan voor grotere publieke ondernemingen. Dit leidt tot een wanverhouding tussen de kosten en de voordelen met het oog op de tenuitvoerlegging van de standaarden. Om tot een juiste kosten-batenverhouding te komen, is het beperken van de kosten onontbeerlijk. Ten tweede speelt de financiële verslaggeving geen belangrijke rol bij het nakomen van de informatieverplichtingen door de eigenaars van kleine en middelgrote ondernemingen, omdat zij rechtstreekse toegang hebben tot informatie. Ten derde hebben de gebruikers van de jaarrekeningen die door kleine en middelgrote ondernemingen worden opgesteld, vaak een beperktere kennis van financiële verslaggeving. Daarom zou de verslaggeving in dergelijke gevallen aan de mogelijkheden van de gebruikers moeten worden aangepast.
Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Europees Parlement luidt al jaren de alarmbel over het probleem van de onnodige en onevenredig hoge administratieve kosten die aan Europese ondernemingen worden opgelegd. Wij verwelkomen daarom het nieuws dat de Commissie zich uiteindelijk toch over deze kwestie heeft gebogen en door middel van een urgentieprocedure amendementen heeft voorgesteld op de vierde en de zevende richtlijn vennootschapsrecht met betrekking tot bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen.
Ik steun de benadering van de Europese Commissie die tot doel heeft het ondernemersklimaat voor bedrijven in Europa te vereenvoudigen. Mijn steun is echter afhankelijk van de garantie dat deze wijzigingen niet tot minder transparantie of tot een beperktere toegang tot informatie voor de gebruikers van jaarrekeningen zullen leiden. Het voorstel om de verplichting tot het verstrekken van informatie over de kosten van oprichting en uitbreiding af te schaffen, lijkt eveneens gerechtvaardigd. De uitbreiding tot middelgrote ondernemingen van de ontheffingen die op kleine ondernemingen van toepassing zijn en die door de lidstaten ook al ruimschoots voor middelgrote bedrijven worden toegepast, zou kunnen bijdragen tot een vermindering van de lasten van financiële verslaggeving voor deze middelgrote ondernemingen.
Wat de voorgestelde amendementen op de zevende richtlijn vennootschapsrecht betreft, is het onredelijk om een afzonderlijke reeks geconsolideerde jaarrekeningen te verlangen, aangezien de geconsolideerde jaarrekeningen in dit scenario zo goed als identiek zullen zijn aan de niet-verplichte individuele jaarrekeningen.
De Europese Commissie zou verdere inspanningen moeten leveren om de herziening van de vierde en de zevende richtlijn vennootschapsrecht tot een goed einde te brengen, zodat zij voor het einde van 2009 een Europees kader voor financiële verslaggeving kan voorleggen. Een uniforme norm zal de administratieve last voor het midden- en kleinbedrijf beperken en de transparantie voor alle belanghebbenden vergroten.
Jacques Toubon (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst onze rapporteur, mevrouw van den Burg, onze coördinator, de heer Lehne, en onze schaduwrapporteur, de heer Gauzès, bedanken voor de inspanningen die ze hebben geleverd om te komen tot een standpunt dat ik uiterst effectief en redelijk vind.
We zijn ons terdege bewust van de noodzaak regelgeving aan te passen aan de specifieke situatie van kleine en middelgrote ondernemingen en daarom zijn we sterk vóór het voorstel van de Commissie voor kleine en middelgrote ondernemingen, dat gesteund wordt door de Raad. Maar dat moeten we niet doen door kleine en middelgrote ondernemingen als het ware te beschouwen als een onderklasse van bedrijven en ze in een soort getto te plaatsen waar de regels dusdanig zijn vereenvoudigd en teruggebracht, dat ze niet meer de garanties kunnen bieden die nodig zijn, vooral in deze tijden van crisis, om kredieten te verwerven voor de uitvoering en ontwikkeling van hun activiteiten.
Daarom sta ik net als mijn collega Gauzès volledig achter de ontwerpresolutie, die voorgesteld is door mevrouw van den Burg en aangenomen door onze commissie, waarin de Commissie gevraagd wordt een voorstel te doen om de lidstaten de mogelijkheid te geven ondernemingen – maximale financiële balans van 500 000 euro, maximale omzet van 1 miljoen euro, minder dan 10 werknemers – die hun bedrijfsactiviteiten uitsluitend op lokaal of regionaal niveau in één lidstaat uitvoeren, vrij te stellen van de verplichtingen van de richtlijn.
Op die manier kunnen de lidstaten, net als Duitsland, hun wetgeving aanpassen en tegelijkertijd kleine en middelgrote ondernemingen op dezelfde manier behandelen als andere bedrijven, wat erg belangrijk is. Kleine en middelgrote ondernemingen moeten zich niet apart van de overige ondernemingen ontwikkelen en Europa moet ervoor zorgen dat ze in vergelijking met andere bedrijven niet benadeeld worden.
Ewa Tomaszewska (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ongeveer 60 procent van alle werknemers in de Europese Unie is in dienst van een kleine of middelgrote onderneming. Hun economische situatie is daarom van bijzonder belang. In tijden van economische crisis is het uiterst belangrijk dat we verhinderen dat de wettelijke verplichtingen van deze bedrijven nog ingewikkelder worden, teneinde hun activiteiten te vergemakkelijken. Dit vormt niet alleen een kans voor deze ondernemingen, maar ook voor hun werknemers.
De vereenvoudigde wetgeving op het gebied van financiële verslaggeving, zoals vastgelegd in de wijzigingsrichtlijn, is een stap in de goede richting. Desalniettemin ben ik het eens met mijn collega die zonet de noodzaak benadrukte om plaatselijke journalisten de toegang tot informatie te verzekeren.
Rachida Dati, fungerend voorzitter van de Raad. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst mijn excuses dat ik te laat was. We hebben bij vertrek uit Parijs vertraging opgelopen. Hoewel ik niet het hele debat gehoord heb, wil ik u toch bedanken voor dit debat van vandaag.
De Raad zal kennis nemen van al uw opmerkingen en aanbevelingen en van het belang dat u aan dit onderwerp hecht, met name als het gaat om de vermindering van de lastendruk op bedrijven.
Deze kwestie ligt momenteel erg gevoelig, maar we moeten in de huidige crisis absoluut tot vereenvoudiging van de regelgeving komen, zonder te dereguleren, om een klimaat te scheppen dat veel meer zekerheid biedt en waarin kleine en middelgrote ondernemingen zich kunnen blijven ontwikkelen.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik heet mevrouw Dati welkom en ook ik wil graag het Parlement, mevrouw van den Burg, de heer Lehne en de heer Gauzès bedanken voor het werk dat ze hebben geleverd, zodat wij hier vandaag deze eerste lezing kunnen hebben.
Ik heb goed geluisterd naar wat er over kleine ondernemingen is gezegd. De bedoeling is om de regels voor kleine ondernemingen aan te passen in het kader van de geplande herziening, maar ik wil nogmaals stellen dat de lidstaten de keuze zullen hebben om ofwel deze regels te gebruiken ofwel zelf een alternatief te creëren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Persoonlijk ben ik nogal gevoelig voor het argument dat kleine ondernemingen niet, onder het mom van vereenvoudiging, een dusdanig aparte behandeling moeten krijgen dat ze niet meer echt meedoen aan het economische leven. Ik denk dat dit debat verhelderend zal werken voor mijn collega, de heer McCreevy, die verantwoordelijk is voor de interne markt, en dat we daardoor de verlichting van de lastendruk voor bedrijven, vooral de kleinere, zullen kunnen doorvoeren.
Ik dank het Parlement voor zijn voortdurende steun en ik spreek de hoop uit dat deze goede samenwerking zich in het komende jaar zal voortzetten.
Ieke van den Burg, rapporteur. − Ik denk dat het signaal vanuit dit Parlement helder is geweest. We vinden de noodoplossing van het geven van de mogelijkheid aan lidstaten om microbedrijven uit te zonderen van de Europese regelgeving voor de korte termijn een oplossing, maar niet de definitieve oplossing. Ik hoop dat dat signaal ook bij de Commissie is overgekomen.
Ook voor die bedrijven en voor het midden- en kleinbedrijf in het algemeen willen we, ook vanuit Europa, uniforme regelgeving die het ze ook mogelijk maakt om in de interne markt te opereren, maar die tegelijkertijd een simpele regelgeving is, zoals meneer Gauzès ook heeft gezegd, met slechts één loket en één set van regels, zoals met de XBRL, waardoor ze niet, zoals nu, met enorme administratieve lasten worden opgezadeld. Want ook als je de lidstaten de optie geeft om ze uit te zonderen, dan wil dat nog niet zeggen dat de lidstaten zelf hun eigen regels kunnen opleggen, die weer in alle lidstaten verschillend zijn. Dat lost voor de middellange termijn niets op.
Voor de middellange termijn willen we heel graag een voorstel wat voorziet in een simpele geharmoniseerde regelgeving die binnen de gehele interne markt kan worden gehanteerd en die voor het midden- en kleinbedrijf, en met name voor heel kleine bedrijven, geen enorme lasten met zich brengt, gewoon een simpel systeem om informatie te geven over hun jaarrekeningen. Dat is de bedoeling van dit Parlement, en ik hoop dat die boodschap is overgekomen.
De Voorzitter. − Ik heb een ontwerpresolutie(1) ontvangen overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 18 december 2008 plaats.