Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2210(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0478/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 03/02/2009 - 6.3
CRE 03/02/2009 - 6.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0034

Debatten
Dinsdag 3 februari 2009 - Straatsburg Uitgave PB

7. Stemverklaringen
Video van de redevoeringen
PV
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

- Verslag-Hegyi (A6-0478/2008)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) De natuur en haar diversiteit zijn een kostbaar geschenk waarmee de mensheid op verantwoorde wijze dient om te gaan, zowel binnen als buiten de Europese Unie. Indien we het kappen van de regenwouden, de plundering van de Aziatische, Afrikaanse en Amerikaanse wateren geen halt toeroepen, en indien we de mensen in de wereld niet voldoende duidelijk maken dat we een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de natuur, dan zullen de inspanningen van de Europese Unie tevergeefs zijn en is dit verslag - waar ik vandaag voor gestemd heb - niet meer dan een paar velletjes papier.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, als we het toenemende verlies aan biodiversiteit een halt willen toeroepen, is het van fundamenteel belang dat we de wilde natuurgebieden, de bossen en de watervoorraden in Europa beschermen. Om ervoor te zorgen dat ons gemeenschappelijk optreden vruchten afwerpt, is het eerst en vooral cruciaal dat we uniforme definities van wilde natuur opstellen en de precieze locatie van deze gebieden in de Gemeenschap bepalen.

Daarnaast is het zeer belangrijk om een strategie te ontwikkelen die gebaseerd is op gedegen risicoanalyses en de processen die een rol spelen bij de teloorgang van wilde natuurgebieden. Die houden voornamelijk verband met de invasie van uitheemse soorten die de inheemse soorten bedreigen, alsook met de impact van de voortschrijdende klimaatverandering.

Een ander centraal vraagstuk is het toerisme in de breedst mogelijke zin. Ik denk in dit verband vooral aan de gevolgen van niet-duurzaam en zelfs agressief toerisme. Als we het bewustzijn van de Europese burgers over deze kwesties willen vergroten, is het belangrijk om voorlichtingscampagnes te organiseren, speciale fondsen te voorzien op het niveau van de lokale overheden en burgerinitiatieven te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer Gyula Hegyi met zijn dossier en zijn grondige onderzoek.

In deze tijd van wereldwijde klimaatverandering en milieuproblematiek is het duidelijk dat we ons moeten buigen over de Europese wilde natuur. Mijns inziens is het van belang dat we een strategie coördineren voor de bescherming en het herstel van onze kostbare wilde natuur. We hebben een verantwoordelijkheid tegenover de natuur om verstandig met land om te gaan.

In mijn eigen land, Slowakije, waren de beheerders van het nationale park in de regio Hoge Tatra door een toename van de spintkeverpopulatie gedwongen pesticiden in te zetten om dit schadelijke insect te bestrijden. Maar deze pesticiden bevatten de chemische stof cypermetrine, waar gezonde vegetatie vaak zwaar onder te lijden heeft en die ernstige gezondheidsrisico’s voor mens en dier in de regio met zich meebrengt.

Net zo goed als we een betere oplossing moeten vinden voor deze dramatische explosie van de insectenpopulatie in Slowakije, is het nodig in heel Europa op zoek te gaan naar manieren om onze wilde natuur op effectieve wijze te beschermen. Ik dring er bij het Europees Parlement op aan snel en op verantwoorde wijze te handelen om de overgebleven wilde natuur te beschermen.

 
  
  

- Verslag-Harbour (A6-0018/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Geachte Voorzitter, graag zou ik het verslag over overheidsopdrachten in de precommerciële fase willen steunen, omdat hiermee de risico's van investeringen in innovatie fundamenteel verkleind worden. Vooral tegen de achtergrond van de huidige recessie is dat van groot belang. Overheidsinstellingen kunnen straks met de marktpartijen die de precommerciële opdrachten hebben binnengehaald, samenwerken aan de ontwikkeling van nieuwe producten ter verhoging van de kwaliteit van overheidsdiensten. Ik ben ervan overtuigd dat dit zal leiden tot een vergrote belangstelling van het midden en kleinbedrijf voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor een betere kwaliteit van het openbaar vervoer, de gezondheidszorg, de energie-efficiëntie van gebouwen of de ontwikkeling van hulpmiddelen ter bescherming van de burger tegen veiligheidsrisico's van allerlei aard met inachtneming van hun privacy. De Europese overheidssector zal met deze nieuwe methodiek beter in staat zijn om publieke taken uit te voeren zonder overheidssteun en ook zal dankzij deze methodiek het innovatiepotentieel van het bedrijfsleven in de Europese Unie groter worden. Met dit verslag hebben we de Commissie vandaag een duidelijk signaal gegeven dat zij snel met een concreet wetgevend voorstel moet komen.

 
  
  

- Verslag-Laperrouze (A6-0013/2009)

 
  
MPphoto
 

  Jan Březina (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik zou hier graag naar aanleiding van de goedgekeurde wetgeving mijn standpunt uiteen willen zetten met betrekking tot de scheiding van het eigendom van de productie en distributie van aardgas. De voorgestelde certificatieprocedure met betrekking tot derde landen lijkt mij een redelijk compromis. Het is überhaupt de eerste keer dat de EU in verband met de liberalisering van de gasmarkt stilstaat bij de kwestie van energieveiligheid. Naar aanleiding van de recente gascrisis dient de bouw van alternatieve, niet van Rusland afhankelijke gasleidingen naar Europa onverwijld ter hand te worden genomen. Grote infrastructurele projecten zoals de Nabucco-gasleiding waarmee Europa verbonden zou moeten worden met de Kaspische regio, kunnen niet zonder omvangrijke, verticaal geïntegreerde energiebedrijven en hun investeringen. Het moge duidelijk zijn dat deze bedrijven weinig tot investeren genegen zullen zijn indien hun een eigendomscheiding, en dus een financiële aderlating, boven het hoofd hangt. Het Parlement kan dit oplossen door, als het om nieuwe infrastructuur gaat, uitzonderingen op te nemen in de eigendomscheidingsregels, en wel voor de periode waarbinnen de investering redelijkerwijs kan worden terugverdiend. Ik vraag me af of we bij dit stuk wetgeving wel al onze mogelijkheden benut hebben.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het gemeenschappelijk energiebeleid is vandaag een van de belangrijkste uitdagingen die de Europese Unie het hoofd moet bieden. Ons antwoord op deze uitdaging moet gebaseerd zijn op solidariteit.

We zijn ons er allemaal van bewust dat Rusland een van onze belangrijkste en ook moeilijkste handelspartners blijft. Het feit dat Rusland een sleutelrol speelt in de gasvoorziening van de Europese Unie mag echter niet betekenen dat het recht heeft op een voorkeursbehandeling. De rapporteur stelt voor om het EU-beleid ten aanzien van de Russische Federatie te versoepelen. Ik ben de mening toegedaan dat we ten overstaan van een handelspartner die een energiebron als politiek drukmiddel gebruikt, moeten vasthouden aan een rechtvaardig, maar streng beleid.

Er wordt op gewezen dat de diversificatie van energiebronnen een van de fundamentele kwesties is op het gebied van energiezekerheid. Een van de manieren om dit probleem aan te pakken is ervoor zorgen dat we minder afhankelijk worden van de Russische grondstoffen. De aanleg van de Nabucco-gaspijpleiding en het gebruik van andere energiebronnen zijn een stap in de goede richting.

 
  
MPphoto
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we zijn er in dit Parlement weer eens prat op gegaan dat we zo groen zijn en de sprekers probeerden elkaar af te troeven met steeds hogere, onrealistische doelstellingen voor energie uit uitsluitend hernieuwbare bronnen en met doelstellingen voor vermindering van de CO2-uitstoot – dit alles in de overtuiging dat we met onze povere maar kostbare inspanningen de planeet kunnen redden.

Ja, we moeten het gebruik van duurzame energiebronnen bevorderen, maar het volgen van wat voor de meesten een dogma is geworden, zonder oog voor de kosten of de haalbaarheid, moet worden getemperd door de realiteit, waaronder de realiteit dat klimaatverandering niet nieuw is maar een cyclisch verschijnsel, en de realiteit dat wij onszelf deze doelstellingen wel kunnen opleggen maar dat de fabricage steeds meer wordt verlegd naar plaatsen waar ze niet door dergelijke beperkingen wordt gehinderd. Er komt een dag dat de EU rekenschap zal moeten afleggen voor haar eigen doelstellingen, waarin ze uitblinkt.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Lebech (ALDE). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor het verslag-Laperrouze gestemd, maar ik heb ook voor een aantal amendementen gestemd waarin vraagtekens worden gezet bij kernenergie als de energiebron van de toekomst. Deze amendementen haalden het niet. Door voor het verslag in zijn geheel te stemmen heb ik steun gegeven aan de vele goede elementen ervan, maar ik erken ook dat de meerderheid kernenergie ziet als een onderdeel van de CO2-vrije energiemix van Europa.

Echter, ik ben nog steeds van mening dat dit niet de oplossing voor de toekomst is. De oplossing voor de toekomst is een omvangrijke investering in en ontwikkeling van duurzame energie.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). (LT) Ik onderschrijf de maatregelen van de tweede strategische toetsing van het energiebeleid, maar ik zou ook willen ingaan op een paar aspecten van de gascrisis. Van de huidige gascrisis tussen Oekraïne en Rusland, die helaas niet de eerste is, zijn vijftien landen in Centraal-Europa en op de Balkan de dupe. Ik heb nog geen cijfers gezien over de economische verliezen die de getroffen landen hierdoor hebben geleden, maar ik zou willen onderstrepen dat er ook verliezen op het gebied van de morele waarden zijn. Wat moeten de EU-burgers denken als ze zien dat het conflict tussen Oekraïne en Rusland - dat overduidelijk van politieke aard is - de Europese economie, energiezekerheid en politieke stabiliteit ondermijnt en de EU-lidstaten niet in staat zijn er iets tegen te doen? Ik wijs erop dat Slowakije en Bulgarije voornemens zijn om veilige kerncentrales, die inmiddels waren gesloten, opnieuw in bedrijf te nemen, iets waar velen van ons in dit Parlement achter staan. Als we het over EU-wetgeving hebben, ook op energiegebied, benadrukken wij altijd dat de consument op de eerste plaats komt. Dat is met andere woorden de gewone burger. Wanneer gaan we aandacht besteden aan de gewone burgers, aan de Europese burgers?

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, voor veel collega’s lijkt de doelstelling om de CO2-uitstoot tot 2050 met 95 procent terug te brengen misschien extreem maar, als we – zoals ik – de collegiaal getoetste wetenschap, zoals gepresenteerd in het laatste IPCC-verslag, aanvaarden, is een dergelijke vermindering noodzakelijk om de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius te kunnen beperken.

Dan mijn tweede punt: ik heb tegen een reeks amendementen in verband met kernenergie gestemd vanwege mijn aanhoudende bezorgdheid over atoomsplitsing, maar ik heb geen moeite met verwijzingen naar onderzoek over veiligheidskwesties of over nieuwe generaties kernenergie. Evenals velen vraag ik me sterk af of atoomsplitsing ooit werkelijkheid zal worden.

Het derde punt waarvan ik melding wil maken, is mijn aanhoudende bezorgdheid over de situatie in Ierland en het achterwege blijven van echte, transparante ontvlechting van het eigendom van ons elektriciteitsnet. Dit blijft een belangrijke belemmering voor investeringen door andere producenten, vooral op het gebied van het gebruik van alternatieve brandstoffen, met als gevolg dat de elektriciteitskosten bijna nergens in Europa zo hoog zijn als in Ierland.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, een voormalig lid van dit Parlement, Simon Coveney, buigt zich momenteel over de hoge elektriciteitsprijzen in Ierland en we hopen dat hij succes boekt.

Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat het handelt over verstandige zaken zoals energie-efficiëntie en energiezekerheid in relatie tot de klimaatveranderingsagenda. Ik maak me, net als vele anderen in Ierland, zorgen over kernenergie, maar ik denk dat we zullen moeten erkennen dat, wanneer de elektriciteitsverbindingen in gebruik genomen zijn, we waarschijnlijk elektriciteit gebruiken die is opgewekt door kerncentrales. Er moet dus inderdaad onderzoek worden gedaan naar veilige opslag van kernafval en naar nieuwe ontwikkelingen in verband met deze technologie om de veiligheid en zekerheid ervan te verbeteren.

Zolang daar geen sprake van is, blijf ik mij zorgen maken en bij de stemming over dit verslag heb ik mij laten leiden door deze bezorgdheid. Ik betreur vooral dat amendement 37 is verworpen. Volgens mij kwam de bezorgdheid van dit Parlement daarin namelijk goed naar voren.

 
  
  

- Verslag-Queiró (A6-0501/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Nirj Deva (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb met alle genoegen het verslag van de heer Luís Queiró over de proportionaliteit en subsidiariteit van kleine luchthavens gesteund. We hebben in de EU altijd gestreefd naar “one-size-fits-all”-beleid, maar de EU moet erkennen dat iedere lidstaat en alle lokale omstandigheden om verschillende oplossingen vragen. In het verslag van de heer Queiró is dat volledig tot uiting gekomen.

Er zijn kleine luchthavens, er zijn middelgrote luchthavens en er zijn grote internationale luchthavens. We willen niet dat de Europese Unie één grote aaneenschakeling van luchthavens wordt. We hebben in dit verslag het juiste evenwicht gevonden, en dat is de manier waarop we in de toekomst naar onze infrastructuur moeten kijken. Dit is een van de redenen waarom ik in mijn eigen kiesdistrict in Zuidoost-Engeland huiverig ben om een derde startbaan op Heathrow te steunen. Wij zouden namelijk ook kunnen kiezen voor een betere infrastructuur in Kent, in de vorm van een nieuwe luchthaven aan de monding van de Theems.

 
  
  

- Verslag-Záborská (A6-0492/2008)

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK) In de praktijk blijkt dat de procedure van artikel 45, lid 2 ernstige tekortkomingen heeft. Afgezien van het feit dat alleen de rapporteur in de plenaire vergadering het woord mag voeren over het onderwerp van het verslag, wordt de rapporteur de mogelijkheid ontnomen om individuele amendementen, die moeilijk liggen in het verslag, te bespreken.

Ik heb tegen het amendement van de groenen gestemd omdat de nieuwe versie op twee punten blijk geeft van voorbehouden tegen het voorstel van het Tsjechische voorzitterschap. Aangezien dit niet het officiële standpunt van de Raad is, zijn dergelijke aanbevelingen voorbarig en vaak contraproductief.

Om werk en gezinsleven te kunnen combineren moet de loopbaan gelijk worden gesteld aan niet-winstgevende werkzaamheden die worden verricht in de context van de intergenerationele solidariteit. Ik ben ervan overtuigd dat het verslag nieuwe impulsen geeft aan het uitbannen van de meervoudige discriminatie van mannen en vrouwen die zelf beslissen om voor hun meest dierbaren te zorgen.

Ik wil het goede werk van rapporteur Anna Záborská benadrukken, maar het spijt mij dat wij vanwege de procedures niet voor haar ontwerpverslag hebben kunnen stemmen.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Geachte Voorzitter, ik wil mij hierbij distantiëren van de zojuist aangenomen amendementen op het verslag van mevrouw Záborská over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties. De hoogontwikkelde Europese samenleving dient ervan doordrongen te zijn dat de voltijdse zorg voor kinderen en andere hulpbehoevende verwanten een volwaardig alternatief is voor een betaald beroep. Het voorstel van de groenen, die deze benaderingswijze van het Tsjechisch voorzitterschap aanvalt en als achterlijk te kijk zet, beschouw ik als misplaatst en als een blijk van onvolwassenheid, ook al waren er afgevaardigden die er helaas de hand voor opstaken. Dit is allesbehalve een stap terug naar het verleden; dit is geenszins een degradatie van vrouwen tot aan de man ondergeschikte wezens. Integendeel, het gaat er juist om het gezin maatschappelijk gezien te rehabiliteren en ook de man gelijke rechten te verlenen. Want vandaag de dag zijn er ook mannen die achter de kinderwagen lopen en in het ziekenhuis voor de kinderen zorgen. De mannen en vrouwen die een deel van hun leven wijden aan de zorg voor hun nakomelingen, of voor hulphoevende ouders, bewijzen de samenleving een grote dienst en dus mag hun werk ook in de toekomst niet als iets minderwaardigs worden gezien. Het Tsjechisch voorzitterschap heeft mijn grote waardering voor het feit dat het dit punt onder de prioriteiten heeft opgenomen. We zouden moeten streven naar een situatie waarin noch mannen, noch vrouwen die deze weg kiezen, gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt, en waarin zij overeenkomstig de beginselen van flexicurity een volledig scala aan middelen tot hun beschikking krijgen om privé en werk met elkaar te combineren. We dienen ouderschap, en dus intergenerationele flexicurity, juist te ondersteunen en niet door middel van allerlei obstakels in de arbeidswetgeving te dwarsbomen. De vooroordelen uit de vorige eeuw leiden tot een verheviging van de demografische crisis. Het verslag van mevrouw Záborská was een stap in de goede richting en ik teken protest aan tegen de aangenomen geamendeerde versie.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE).(CS) Ook ik wil mijn volledige steun betuigen aan mevrouw Záborská. Zij heeft een initiatiefverslag voorgelegd dat inderdaad de noodzaak van intergenerationele solidariteit tussen individuele familieleden aan de orde stelt en benadrukt. Het gaat niet alleen om de zorg voor de jonge generatie, voor nieuwkomers in de familie. In vele gevallen moeten ook problemen worden opgelost in verband met de zorg voor oudere leden van dezelfde familie.

Volgens mij wijst het Tsjechische voorzitterschap terecht op het urgente probleem van deze demografische situatie – waarbij ook aan economische prikkels moet worden gedacht – en ik verwerp het standpunt van de groenen, die geheel ten onrechte een amendement hebben ingediend waarmee afbreuk wordt gedaan aan de juiste intentie van het verslag. Ik geef mijn volledige steun aan het verslag van mevrouw Záborská’s.

Tijdens de stemming over het eindverslag deed mijn stemmachine het niet. Ik was voor het standpunt van mevrouw Záborská.

 
  
MPphoto
 

  Ivo Strejček (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank u voor uw geduld en toegeeflijkheid. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om uit te leggen waarom ik tegen het amendement van de groenen heb gestemd. Ik wil niet tegen het Tsjechisch voorzitterschap stemmen.

Mijn eerste punt is dat het Tsjechisch voorzitterschap geen specifieke verandering van de zogenaamde doelstellingen van Barcelona wil, maar een debat over een mogelijke en uitvoerbare herziening van de doelstellingen. Mijn tweede punt is dat er duidelijk sprake is van verschillende sociale, culturele en economische omstandigheden waardoor het nauwelijks mogelijk is de doelstellingen van Barcelona overal in de EU in dezelfde mate en op dezelfde wijze te bereiken. Ten derde wordt in het verslag geen rekening gehouden met andere factoren, zoals de vrijheid van ieder gezin en de belangen van kinderen. Mijn laatste maar zeker niet minst belangrijke punt is dat de verwezenlijking van de doelstellingen van Barcelona ook bemoeilijkt wordt doordat kinderopvang, geheel terecht, volledig in handen van de nationale regeringen is.

 
  
MPphoto
 

  Philip Claeys (NI). - Ook ik was van plan om voor het verslag-Záborská te stemmen omdat dit al bij al een evenwichtig verslag was en niet vervalt in de traditionele, politiek correcte clichés wanneer het gaat over zaken als discriminatie of wat daaronder wordt verstaan.

Het amendement van de Fractie De Groenen waar ik tegen gestemd heb, heeft het verslag in feite helemaal nietig gemaakt en bevat wél een aantal zeer betwistbare zaken, zoals onder meer de aanval op het Tsjechische voorzitterschap en de gratuite bewering dat het thuis opvoeden van kinderen in feite zogezegd rolbevestigend zou werken. Bijzonder zwak als argument, maar elke stok is blijkbaar goed om de hond te slaan en om debatten te leveren, om echte argumenten te leveren voor een zaak zoals een loon voor thuiswerkende ouders.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor het verslag-Záborská gestemd, voornamelijk omdat in de tekst het belang van het huishoudelijk werk van vrouwen wordt onderkend. Verplegende, verzorgende, opvoedende en educatieve taken zouden op hun juiste waarde moeten worden geschat. Indien dit soort werk buitenshuis wordt verricht, wordt het immers vergoed en in overweging genomen bij de berekening van het BBP. Nobelprijswinnaar Gary Becker wijst op het belang van de economische bijdrage van personen die huishoudelijk werk verrichten voor de economische vooruitgang van de samenleving als geheel. Wat de definitie van de term 'gezin' betreft, zou ik nog willen opmerken dat dit begrip in het Pools verwijst naar relaties die in staat zijn om zich voort te planten en dus in geen geval van toepassing is op homoseksuele relaties.

 
  
MPphoto
 

  Astrid Lulling (PPE-DE).(DE) Mijnheer de voorzitter, ik heb voor het verslag-Záborská gestemd, waartegen de groenen een alternatief discussiestuk hebben ingebracht. Ik ben van mening dat we er in Europa, ook op basis van onze gemeenschappelijke waarden, voor moeten zorgen dat met name vrouwen die moeder worden het recht hebben om vrij te kiezen of ze na de geboorte helemaal of gedeeltelijk stoppen met werken, om zich aan hun kind te wijden. Ik heb het grote geluk gehad dat mijn moeder dat heeft gedaan en ik moet zeggen dat het goed voor mij is geweest.

Als zij de pech had gehad dat ze na meer dan twintig jaar huwelijk was gescheiden, was dat niet goed voor haar geweest, want dan had ze, vooral op haar oude dag, geen sociale zekerheid gehad. Ik vecht er nu al veertig jaar voor dat vrouwen die er vrij voor kiezen om zich aan hun gezin en kinderen te wijden, niet gediscrimineerd worden en niet zichzelf door deze keuze tekort doen. Ik kan hier niet voor een ideologie kiezen die wil dat kinderen en volwassenen van de wieg tot het graf bijna aan de staat zijn overgeleverd.

Ik betreur het dat het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid is verworpen. De meerderheid die hiervoor heeft gezorgd, heeft noch vrouwen, noch gezinnen, noch de maatschappij een goede dienst bewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nirj Deva (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben Anna Záborská zeer erkentelijk voor dit verslag. Hoewel mijn fractie enige punten van kritiek had, ben ik van mening dat ze een onderwerp van fundamenteel belang voor de EU heeft aangeroerd.

De bevolking van de EU slinkt snel. De rol van vrouwen bij de opvoeding van kinderen wordt in veel lidstaten niet erkend als een bijdrage aan het BBP. Vrouwen en moeders maken een wezenlijk deel uit van de beroepsbevolking in onze maatschappij en in mijn eigen kiesdistrict in Zuidoost-Engeland zorgen miljoenen moeders voor hun kinderen. Hun bijdrage aan het Britse BBP en aan de welvaart in mijn eigen regio is van fundamenteel belang voor ons land.

Volgens mij is dit de eerste keer dat deze bijdrage in de Europese Unie in een verslag wordt erkend. We moeten ons Parlement aanmoedigen om zich in de toekomst over de technische details van deze kwesties te buigen en te zorgen voor gelijkheid en solidariteit tussen de geslachten.

 
  
  

- Verslag-Angelilli (A6-0012/2009)

 
  
MPphoto
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, vandaag debatteren we over en betreuren we de gruwelen van de seksuele uitbuiting van kinderen. Praktisch iedere spreker tijdens het debat heeft terecht pedofiele activiteiten en misbruik van kinderen voor pornografische doeleinden veroordeeld. Ook hebben velen hun woede uitgesproken over het misbruik van het internet.

Maar het is teleurstellend dat, ondanks een dergelijke unanimiteit, niet alle lidstaten dezelfde mate van criminalisering van dit misbruik van kinderen kennen. Het online lokken van kinderen, seksueel misbruik en kinderpornografie horen nergens in de EU thuis en mogen absoluut niet worden getolereerd. Zwijgen is de beste vriend van pedofielen. We hebben het gezien in kerken, gezinnen en gemeenschappen, waar de andere kant op werd gekeken, wat tot een aantal schandalen heeft geleid waarvan we in onze diverse lidstaten kennis hebben kunnen nemen.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Geachte Voorzitter, met groot genoegen heb ik zo-even voor het verslag gestemd, al moet ik nog aan mijn voorgaande bijdragen toevoegen dat er zeven landen zijn die zich nog altijd niet hebben aangesloten bij het verdrag van de Raad van Europa en/of het optionele VN-protocol waarin moderne instrumenten zijn opgenomen ter bestrijding van de kinderhandel, -prostitutie en -pornografie. Helaas geldt dat ook voor mijn eigen land, de Tsjechische Republiek, dat uiteraard de strijd tegen deze fenomenen aanscherpen wil, maar al geruime tijd met het probleem zit hoe de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in ons rechtsstelsel vorm te geven. De handel in kinderen is nu juist vaak in handen van rechtspersonen die daarvoor dikke winsten opstrijken. Ik doe daarom een beroep op het Tsjechische voorzitterschap dit probleem in eigen land onverwijld op te lossen en een goed voorbeeld te geven aan de overige lidstaten van de Europese Unie.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

- Verslag-Niebler (A6-0006/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Dergelijke overeenkomsten zijn van wezenlijk belang voor het verstevigen van de banden tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika. Met het oog op de steeds verder toenemende concurrentie van de nieuwe opkomende markten is het van het grootste belang om erbovenop te blijven zitten en ik vind dat dit gevoel in het verslag goed wordt verwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor het verslag-Niebler gestemd, omdat samenwerking tussen de EU en de VS op wetenschappelijk en technologisch gebied uiterst noodzakelijk is. De trans-Atlantisch overeenkomst moet zowel de VS als de Europese Gemeenschap ertoe bewegen hun voordeel te doen met elkaars wetenschappelijke en technische vooruitgang, die dankzij onderzoeksprogramma’s wordt geboekt. De overeenkomst vergemakkelijkt uitwisseling van ideeën en overdracht van knowhow ten gunste van de wetenschappelijke gemeenschap, de industrie en de gewone burger. Ik benadruk dat de VS een wereldleider is op het gebied van wetenschap en technologie.

We dienen op te merken dat de overeenkomst is gebaseerd op de principes van wederzijds voordeel en dat zij bevorderlijk is voor de deelname aan samenwerkingsactiviteiten, zoals gecoördineerde oproepen voor gezamenlijke projectvoorstellen en toegang tot elkaars programma’s en activiteiten. Principes waarmee steun wordt gegeven aan efficiënte bescherming van intellectuele eigendom en een billijke deling van intellectuele eigendomsrechten worden hierbij op een actieve wijze bevorderd. Het voorstel voorziet eveneens in missies van deskundigen en ambtenaren van de EU en in workshops, seminars en bijeenkomsten die zowel in de Europese Gemeenschap als in de Verenigde Staten georganiseerd worden.

Ik spreek de hoop uit dat deze overeenkomst eveneens zal bijdragen tot het welslagen van de Strategie van Lissabon, die een op kennis gebaseerd Europa tot doel heeft. Wanneer het Europese Instituut voor Technologie eenmaal een feit is, zal deze trans-Atlantische samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied nieuwe kansen krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mevrouw Niebler heeft het verslag over de derde verlenging van de overeenkomst tussen de EU en de Verenigde Staten gepresenteerd. Het verslag steunt het besluit van de Raad betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika. Het is een voor beide partijen nuttige overeenkomst die wetenschappelijke kennis en technologische vooruitgang bevordert. Ik steun deze maatregel dan ook van harte.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Petru Funeriu (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EU en de VS is zonder enige twijfel een positieve zaak voor Europees onderzoek. Dat blijkt ook wel uit de overweldigende meerderheid tijdens de stemming.

De ervaring leert ons echter telkens weer dat wetenschappelijke samenwerking het vruchtbaarst is wanneer twee onderzoekers van twee instellingen samenwerken in een gezamenlijk ontworpen en gefinancierd project. Om meer inhoud aan de wetenschappelijke samenwerking met de VS te geven roep ik de Commissie op om expliciet eenvoudige, projectgerichte financieringsinstrumenten in de vorm van gezamenlijke onderzoektoelagen in te stellen voor onderzoekers in de VS en de EU. Wij juichen toe dat gebieden zoals biogeneeskunde, nanotechnologie en ruimteonderzoek expliciet in de overeenkomst worden opgenomen. Ik zou ook graag zien dat andere geavanceerde vakgebieden, zoals stamcelonderzoek, werden opgenomen. Het feit dat zich op sommige onderzoeksgebieden gerechtvaardigde ethische kwesties stellen, zou een aanzet moeten zijn tot gezamenlijk nadenken over deze aspecten in plaats van een hindernis voor gemeenschappelijke wetenschappelijke vooruitgang.

Met name dankzij de toelagen van de Europese Onderzoeksraad wordt de EU steeds aantrekkelijker voor Amerikaanse onderzoekers. De EU beschikt nu over instrumenten om een grotere mobiliteit van nieuwe wetenschappers voor de langere termijn na te streven en de EU moet zodanig handelen dat er een netto intellectuele winst wordt behaald.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) De uitbreiding van de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Verenigde Staten bevestigt de nood aan samenwerking en wederzijds voordelige uitwisselingen tussen de EU en de VS op vooraanstaande gebieden van wetenschap en innovatie.

Dat ruimtevaart en veiligheid in de overeenkomst zijn opgenomen, betekent een stap vooruit op de weg naar consolidatie van de trans-Atlantische betrekkingen, die een prioriteit van de PPE-DE-Fractie is. Deze samenwerking dient ook vormen van civiele en militaire samenwerking te omvatten op gebieden die van gemeenschappelijk belang zijn, met inbegrip van pioniersgebieden zoals de nieuwe ruimtetechnologieën, nanotechnologieën en onderzoek op het gebied van defensie.

Ik ben ervan overtuigd dat deze samenwerking zal leiden tot betere resultaten voor de activiteiten aan boord van het internationale ruimtestation en op het gevoelige gebied van communicatiesatellieten. Tevens ben ik van mening dat samenwerking met derde landen belangrijk is, in het bijzonder met Rusland, vooral in het kader van projecten van het type GPS-Glonass-Galileo.

Alle belanghebbenden moeten profiteren van de gunstige resultaten die door een van de betrokken partijen op civiel of militair gebied worden geboekt met een toepassing voor de civiele sector, omdat veiligheid en beveiliging momenteel een prioriteit vormen voor de burgers van de hele wereld en het delen van deze successen met anderen niet alleen wijst op wederzijds vertrouwen en partnerschap, maar ook garandeert dat deze resultaten alleen ten gunste van de mensheid zullen worden gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik kan melden dat ik dit verslag over de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EG en de VS steun.

Mijn stemmachine deed het echter niet en voor de goede orde meld ik op deze manier dat ik vóór het verslag heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) Ik ben tegen het verslag van Angelika Niebler over de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (A6-0006/2009).

De inhoud van de verlengde overeenkomst onderscheidt zich van voorgaande overeenkomsten doordat het punt ‘onderzoek op het gebied van ruimtevaart en veiligheid’ is toegevoegd. Aangezien zowel de USA als de EU expliciete plannen hebben voor militair gebruik van de ruimtevaart, en veiligheid in de eerste plaats in militaire zin definiëren, moeten we ervan uitgaan dat de samenwerkingsovereenkomst ook militaire doelen zal dienen.

Samenwerking op het gebied van wetenschap en onderzoek is uiterst belangrijk. Deze moet echter civiele doelen dienen. Militair gebruik hiervan wijs ik af.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor dit verslag gestemd, waarin verlenging wordt voorgesteld van de in december 1997 gesloten overeenkomst, die voor het eerst in 2003 werd verlengd. Dit verslag stelt beide partijen in staat hun samenwerking op wetenschappelijke en technologische gebieden van gemeenschappelijk belang voort te zetten, te verbeteren en te intensiveren.

Dankzij deze samenwerking kan wederzijds worden geprofiteerd van de wetenschappelijke en technische vooruitgang die in het kader van onze respectieve onderzoeksprogramma's wordt geboekt. Bovendien wordt er kennis overgedragen, waar onze ondernemingen en onze burgers hun voordeel mee kunnen doen.

Deze samenwerking is onderdeel van het Europees beleid inzake technologisch onderzoek en ontwikkeling dat zo'n belangrijke plaats in de Europese wetgeving inneemt. Deze samenwerking stelt ons in staat de wetenschappelijke en technologische bases van de Europese industrie te versterken en de ontwikkeling van haar internationale concurrentievermogen te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE), schriftelijk. − (CS) Ik heb vandaag niet voor het verslag over de verlenging van de wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten gestemd, ook al behoren de investeringen van de EU en de VS op dit gebied tot de allerhoogste ter wereld en zijn talrijke onderling met elkaar verbonden wetenschappelijke instellingen over en weer vaak de grote drijvende kracht achter de wetenschappelijke en technologische vooruitgang in deze wereld en leveren zij een belangrijke bijdrage aan de oplossing van tal van wereldwijde problemen. Ik zit namelijk al langere tijd met een probleem, en wel met het gebrek aan bereidwilligheid bij de Commissie en de Raad om een dergelijke overeenkomst met de VS te stoelen op gezamenlijke, fundamentele ethische beginselen voor wetenschap en onderzoek. Het steekt mij dat er ook in deze overeenkomst wederom geen enkel artikel aan dit onderwerp gewijd wordt. Dat is onverantwoord jegens de mensheid en een klap in het gezicht van de wetenschappers die geheel vrijwillig bepaalde ethische beginselen in acht nemen, terwijl anderen deze met voeten treden. Ik denk daarbij met name aan de biotechnologie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb voor het verslag-Niebler betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EG en de regering van de Verenigde Staten van Amerika gestemd. Deze Overeenkomst is iets meer dan tien jaar geleden in werking getreden en is na de eerste vijf jaar als eens verlengd. Ik ben het er helemaal mee eens dat deze Overeenkomst opnieuw moet worden verlengd om steun te kunnen blijven geven aan de wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Verenigde Staten van Amerika op de gemeenschappelijke prioritaire gebieden, die beide partijen sociaaleconomische voordelen opleveren.

Ook ben ik blij dat de voorwaarden van de Overeenkomst vrijwel identiek zijn aan die van de eerdere overeenkomsten, enkele technische wijzigingen daargelaten. Tot slot juich ik het toe dat ook het onderzoek op het gebied van de ruimtevaart en de veiligheid in deze Overeenkomst is opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb gestemd voor het verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika, omdat ik van mening ben dat elke samenwerking op wetenschappelijk gebied kan leiden tot nieuwe ontdekkingen, die op hun beurt kunnen bijdragen tot de ontwikkeling en de evolutie van de mensheid. Aangezien de VS op wereldniveau een van de voornaamste drijvende krachten vormen achter wetenschappelijk onderzoek, vind ik dat de verlenging van de wetenschappelijke samenwerking met dat land voordelig zal zijn voor elk land van de Europese Unie.

 
  
  

- Verslag-Niebler (A6-0005/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) De hernieuwing van de overeenkomst voor nog eens vijf jaar zou nuttig zijn voor beide partijen, omdat de samenwerking tussen Rusland en de Europese Gemeenschap op het gebied van wetenschap en technologie zou worden voortgezet.

Aangezien de inhoud van de vernieuwde overeenkomst identiek is aan die van de overeenkomst die op 20 februari 2009 verstrijkt, heeft het geen zin om de gesprekken over de vernieuwing van de overeenkomst op de gebruikelijke manier voort te zetten.

Gezien de voordelen die een spoedige vernieuwing van de overeenkomst voor beide partijen zou hebben, wordt een uit een fase bestaande procedure voorgesteld (één procedure en één besluit betreffende ondertekening en sluiting). Beide partijen bij de overeenkomst streven ernaar de continuïteit te verzekeren in de lopende samenwerking (met name in verband met die activiteiten die met derde landen alleen op basis van een samenwerkingsovereenkomst kunnen worden ondernomen). Ik sta volledig achter dit voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor het verslag-Niebler gestemd omdat samenwerking tussen de EU en Rusland op wetenschappelijk en technologisch gebied noodzakelijk is. De overeenkomst tussen de EU en Rusland moet zowel de Europese Gemeenschap als Rusland ertoe aanzetten om hun voordeel te doen met elkaars wetenschappelijke en technologische vooruitgang die dankzij onderzoeksprogramma’s wordt geboekt.

De overeenkomst vergemakkelijkt de uitwisseling van ideeën en knowhow ten gunste van de wetenschappelijke gemeenschap, de industrie en de gewone burger. Ik stel vast dat deze overeenkomst is gestoeld op principes die vergelijkbaar zijn met die van de overeenkomst op hetzelfde gebied, namelijk wetenschap en technologie, tussen de EU en de VS.

We moeten opmerken dat de overeenkomst is gestoeld op de principes van wederzijds voordeel en dat zij bevorderlijk is voor de deelname aan samenwerkingsactiviteiten, zoals “gecoördineerde oproepen voor gezamenlijke projectvoorstellen en toegang tot elkaars programma’s en activiteiten”.

Principes inzake efficiënte bescherming van intellectuele eigendom en billijke deling van intellectuele eigendomsrechten worden hierbij op een actieve wijze bevorderd. Het voorstel voorziet eveneens in missies van deskundigen en ambtenaren van de EU en in workshops, seminars en bijeenkomsten die zowel in de Europese Gemeenschap als in Rusland georganiseerd worden. Wij hopen dat in het Europees Jaar van creativiteit en innovatie deze overeenkomst zal bijdragen tot een efficiënter strategisch partnerschap tussen de EU en Rusland.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mevrouw Niebler heeft het verslag over de hernieuwing van de bestaande Overeenkomst voor samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied tussen de EG en Rusland gepresenteerd. Vreedzame samenwerking tussen Rusland en de EU komt beide partijen ten goede en is bevorderlijk voor wetenschappelijke kennis en onderzoek. Ik steun deze maatregel dan ook van harte.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) De hernieuwing van de bestaande partnerschapsovereenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking met Rusland vermindert niet alleen de recente spanningen maar betekent een belangrijke stap vooruit in de normalisering en consolidering van de betrekkingen tussen de EU en de Russische Federatie.

Toch volstaat het niet om de betrekkingen met het oog op samenwerking op deze gebieden te normaliseren. De EU en Rusland dienen eerst een manier te vinden om hun partnerschap te consolideren en om samen te werken op het vlak van het veiligheidsbeleid en in de eerste plaats het beleid inzake de beveiliging van de energiebevoorrading. De recente gascrisis heeft ons duidelijk gemaakt hoe noodzakelijk het is de afhankelijkheid van de Europese Unie van haar leveranciers ernstig en eendrachtig aan te pakken.

Daarnaast mogen we niet vergeten dat de crisis in Georgië de hele Europese structuur van na de Koude Oorlog tijdelijk in gevaar heeft gebracht.

Bij alle uitdagingen die de globalisering en de mondiale crisis met zich meebrengen, is Rusland een belangrijke speler, die aan de onderhandelingstafel niet kan worden geweigerd of genegeerd. De Russische Federatie moet echter deze overeenkomsten en de normale internationale regels wel naleven.

Ik roep de Commissie en het Tsjechische voorzitterschap op zo snel mogelijk concrete oplossingen te vinden voor deze problemen. Dit is niet alleen in hun eigen belang en in het belang van de Europese burgers, maar ook in dat van derde partnerlanden (Oekraïne, de Republiek Moldavië).

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik kan melden dat ik dit verslag over de Overeenkomst voor samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied tussen de EU en Rusland steun.

Mijn stemmachine deed het echter niet en voor de goede orde meld ik op deze manier dat ik vóór het verslag heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE), schriftelijk. − (SK) Ik heb voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en Rusland gestemd, omdat het nodig is sterke en stabiele betrekkingen van goed nabuurschap met de Russische Federatie op te bouwen. Ik beschouw samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie als een uitstekend middel om dergelijke betrekkingen op te bouwen. De Europese Gemeenschap heeft net als Rusland belangrijke wetenschappelijke vooruitgang geboekt die beide partijen tot wederzijds voordeel kan strekken. De Commissie kan ongetwijfeld van een dergelijke samenwerking profiteren en haar eigen wetenschappelijke en technologische projecten daardoor realiseren en perfectioneren. Ik wil echter onderstrepen dat er voor betrekkingen van goed nabuurschap ook aan de andere zijde sprake moet zijn van de nodige bereidwilligheid en betrouwbaarheid.

In de afgelopen dagen heeft Rusland zich een zeer onbetrouwbare handelspartner getoond. Het optreden van de Russische Federatie heeft in vele landen van de Europese Unie een gascrisis veroorzaakt, die een directe bedreiging vormt voor de economieën van sommige lidstaten. Hierdoor zijn de nadelen aan het licht gebracht van de energieafhankelijkheid van Rusland. In het belang van goede samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie hoop ik dat zich dergelijke gebeurtenissen in de toekomst niet zullen herhalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE), schriftelijk. − (CS) Ik heb, net als bij de overeenkomst met de VS, tegen de overeenkomst voor samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied tussen de Europese Unie en Rusland gestemd, en wel om dezelfde reden. Het steekt mij dat er in de overeenkomst niets is opgenomen met betrekking tot gezamenlijke ethische grenzen aan onderzoek. Het is buitengewoon treurig dat de Commissie en de Raad dit cruciale aspect van onderzoek onderschatten en geen enkele stap zetten om een dergelijke overeenkomst tot stand te brengen. Het lijkt wel of zij zich er niet van bewust zijn dat als er één onderwerp is waar ethische grenzen op hun plaats zijn, dat wel wetenschap en onderzoek is, waar overigens het voorzorgsbeginsel van cruciaal belang is. Bij een dergelijke internationale overeenkomst zou overeenstemming over ethische beginselen op zijn minst wat betreft uit publieke middelen gefinancierde wetenschap en onderzoek meer dan op zijn plaats zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb voor het verslag van mevrouw Niebler betreffende de hernieuwing van de Overeenkomst voor samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie gestemd. Het is inderdaad van essentieel belang dat deze jaren geleden met de Sovjetregering gesloten overeenkomst wordt hernieuwd. De samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland heeft uitstekende resultaten opgeleverd. Deze partijen hebben hun krachten gebundeld om dit ene doel te bereiken, te weten de verbetering van het algemene welzijn.

Ik verheug mij dan ook over dit initiatief van mevrouw Niebler en onderstreep hoe belangrijk het is dat de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en Rusland worden voortgezet en geconsolideerd en aldus het internationale geopolitieke evenwicht wordt bewaard.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. − (EN) Er zijn verschillende redenen waarom deze overeenkomst de interne markt van de EU en de samenwerking op het gebied van normen versterkt en tevens ervoor zorgt dat de consumentenbescherming behouden blijft.

Een van de belangrijkste redenen is dat wetenschap een mondiale discipline is. Door onze vooruitgang te delen dragen we bij aan het verbeteren van de menselijke omstandigheden. Als we vooruitgang kunnen bewerkstelligen, is dat zowel specifiek als in het algemeen een positieve zaak.

Of het nu de auto-industrie is die de emissies probeert te verminderen of universiteiten die strategische koppelingen tot stand brengen, de winst van deze overeenkomst is meetbaar.

Ook consumenten hebben er indirect voordeel bij, aangezien de slimste koppen hun bijdrage kunnen leveren aan de totstandkoming van meer vertrouwen in de oplossingen voor onze gemeenschappelijke zorgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Strož (GUE/NGL), schriftelijk. − (CS) Zo op het eerste gezicht is de aanneming van het verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst ter hernieuwing van de Overeenkomst voor samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Russische Federatie niet meer dan een formaliteit van ondergeschikt belang. Ik denk echter dat het tegendeel waar is. Steeds duidelijker blijkt dat Rusland voor de EU een strategisch partner dient te zijn en niet een soort eeuwig verfoeide boeman. Daarom dienen we elke stap in de richting van meer samenwerking tussen de EU en Rusland van harte te verwelkomen, ongeacht het niveau waarop dat gebeurt en ongeacht de kwaliteit van die samenwerking. Tevens kan worden verwacht dat de samenwerking met Rusland een doorslaggevende en ondubbelzinnig positieve rol zal spelen in de huidige economische crisis. Rusland kan niet los gezien worden van Europa. Het hoort erbij, of we dat nu leuk vinden of niet. Samenwerking met dit land zou op de korte termijn wel eens van levensbelang kunnen blijken te zijn voor de Europese Unie.

 
  
  

- Verslag-Hegyi (A6-0478/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) Wanneer we spreken van wilde natuur, hebben we het in werkelijkheid over een natuurlijk milieu dat nog niet significant is veranderd door menselijke activiteit, met andere woorden, ongerepte gebieden. Wilde natuur kan betrekking hebben op land en zee.

Er zijn twee benaderingen: de ene verwijst naar het concept van instandhouding en de andere naar dat van behoeding. Deze benaderingen verschillen van elkaar. De eerstgenoemde kan worden beschreven als “het correct gebruiken van de natuur”, de laatstgenoemde als “het beschermen van de natuur tegen gebruik”. Ik denk dat er verschil bestaat tussen instandhouding en behoeding, maar de toepassing ervan hangt af van het specifieke gebied. Europa is bijvoorbeeld te klein om voor burgers verboden gebieden te hebben. Ongeveer een derde van het landoppervlak bestaat uit bosgebied, waarvan slechts 5 procent als wild kan worden beschouwd.

De meeste wilde natuurgebieden in Europa worden beschermd met Natura 2000. Dit is een Europees netwerk waarvan de waardevolste gebieden en de gebieden met de meeste biodiversiteit in de EU al deel uitmaken. Daarom ben ik het ermee eens dat er geen nieuwe wetgeving nodig is voor wilde natuurgebieden aangezien de meeste onder Natura 2000 vallen. Het is evenwel belangrijk wilde natuurgebieden in kaart te brengen, opgesplitst naar boshabitat, zoetwaterhabitat en zeehabitat.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. - (IT) Ik heb voor het verslag gestemd. Er zijn vele redenen waarom Europa meer oog zou moeten hebben voor wilde natuurgebieden. Deze gebieden zijn in de eerste plaats een toevluchtsoord voor vele soorten en een genetische reserve, die zelfs in slechts licht veranderde omstandigheden niet kunnen overleven. Er zijn ook vele soorten die erop wachten ontdekt en beschreven te worden. Het merendeel van deze soorten leeft in de bodem of in rottend hout en is uiterst gevoelig voor veranderingen. Deze ongerepte gebieden zijn ook perfect voor het bestuderen van natuurlijke veranderingen en de evolutie van de natuur. Tegelijkertijd zijn deze gebieden extreem kwetsbaar voor de gevolgen van door de mens veroorzaakte veranderingen van het milieu die zich buiten hun grenzen voordoen.

Tot slot zijn er ook veel puur ethische redenen voor het behoud van wilde natuur in Europa. Wij hebben de morele verplichting te verzekeren dat de toekomstige generaties van de echt ongerepte gebieden in Europa kunnen genieten, in alle betekenissen van het woord. Duurzaam toerisme wordt gebruikt om wilde natuur een economische waarde te geven en steun voor instandhouding te bewerkstelligen.

Het is dan ook belangrijk dat er geschikte aanbevelingen worden opgesteld die door de lidstaten van de EU als richtsnoer kunnen worden gebruikt voor hoe de bescherming van de huidige en potentiële wilde natuurgebieden en de onontgonnen gebieden en hun natuurlijke processen - die waarschijnlijk onder Natura 2000 vallen - het best kan worden verzekerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd aangezien ik het ermee eens ben dat we echt moeten doorgaan met het in kaart brengen van de laatste wilde natuurgebieden in Europa. Dat is natuurlijk niet mogelijk zonder de wilde natuur te definiëren en daarom roep ik de Europese Commissie op om op dit terrein actie te ondernemen. Ik sta ook achter het idee om duurzaam toerisme in deze gebieden te bevorderen en terreinbeheerders te leren hoe ze de wilde natuur in stand kunnen houden en beschermen.

Daarom sluit ik me aan bij het verzoek van de belangrijkste NGO’s op dit gebied en vraag ik de Europese Commissie met een aantal richtsnoeren voor de instandhouding van de wilde natuur in Europa te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Uit dit verslag blijkt dat de EU zelfs tot de verste uithoeken van Europa reikt. Het hele punt van wilde natuurgebieden is dat ze ongerept zijn – ook in de EU. Gezien de grote druk op het milieu heeft de Commissie echter maatregelen voorgesteld om de meest afgelegen en geïsoleerde regio’s in Europa te beschermen en te koesteren.

Over het geheel genomen steun ik dit verslag dus, mits de lidstaten een belangrijke rol blijven spelen bij het beheren, aanwijzen en beschermen van de wilde natuur.

Ik ben ietwat sceptisch over de zin van een EU-strategie voor wilde natuur, gezien de rampzalige gevolgen van het landbouw- en visserijbeheer van de EU. Het is van wezenlijk belang dat de EU bij dit proces fungeert als katalysator en verzamelaar van beste praktijken. Anders wordt het nut van de voorgestelde maatregelen ondermijnd.

Deze kanttekeningen daargelaten, is mijn regio Noordoost-Engeland gezegend met ongerepte en geïsoleerde gebieden van een uitzonderlijke natuurlijke schoonheid. Daarom heb ik dit verslag gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Natura 2000 heeft veel gedaan voor de bescherming van ongerepte gebieden. Dit verslag benadrukt het belang van dergelijke projecten en ik ben het volledig eens met de rapporteur dat er diverse middelen moeten worden ingezet om de bescherming van dergelijke gebieden te garanderen. Het is belangrijk dat deze gebieden in kaart worden gebracht. Als we daar te lang mee wachten, is het misschien te laat.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De heer Hegyi benadrukt in zijn initiatiefverslag het belang van de bescherming van wilde natuurgebieden in Europa bij de tenuitvoerlegging van de bestaande richtlijnen, en stelt voor “wilde natuur” te definiëren als nog ongerepte gebieden en “gebieden waar de menselijke activiteiten tot een minimum beperkt blijven”.

Ik juich het verslag toe, ofschoon bepaalde onderdelen ervan onduidelijk blijven, bijvoorbeeld over de vraag of het gaat om bestaande wilde natuur of om potentiële wilde natuur. Ik zou ook graag willen weten of er wilde natuurgebieden zijn die momenteel niet als Natura 2000-gebied zijn aangewezen en die in het kader van dit verslag mogelijk in overweging moeten worden genomen.

Gebieden van speciaal belang op grond van Natura 2000 vallen onder de bevoegdheid van diverse DG’s in de Commissie. Ik heb waardering voor het werk dat deze verschillende instanties verrichten en hun verschillende taken, maar we kunnen de bescherming van Natura 2000-gebieden sterk verbeteren door te zorgen voor meer samenwerking en samenhang. Ik steun het verslag van de heer Hegyi van harte, maar ik vind het jammer dat ik door toepassing van Artikel 45, lid 2, van het Reglement niet in de gelegenheid werd gesteld erover te debatteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag-Hegyi gestemd, daar ik het nodig acht de bescherming en ontwikkeling van de wilde natuurgebieden in Europa te verbeteren.

Door de druk in de loop der eeuwen van de menselijke activiteiten op het milieu beslaat de wilde natuur nog slechts 46 procent van het landoppervlak van de aarde.

Ik meen dat het de taak van de Europese Commissie is aanbevelingen op te stellen voor de lidstaten, waarvan de ontwikkeling van een strategie voor de wilde natuurgebieden en het in kaart brengen van die gebieden deel moeten uitmaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor dit verslag gestemd daar we van mening zijn dat wij de natuur moeten beschermen, maar via gebruik ervan door de mens. Momenteel is 33 procent van het landoppervlak van de EER-landen bosgebied, wat overeenkomt met 185 miljoen hectaren. Slechts 9 miljoen hectaren bosgebied (5 procent van het totale bosgebied) wordt als “wild” beschouwd. Deze gebieden vormen samen met de gemeenschappen van inheemse planten en dieren en de ecosystemen waar ze deel van uitmaken in essentie een natuurlijke toestand. Deze wilde natuurgebieden zouden moeten worden verzekerd van een effectieve en speciale beschermingsstatus. Zij zijn immers een genetische reserve en een toevluchtsoord voor vele soorten die zelfs in slechts licht veranderde omstandigheden niet kunnen overleven, in het bijzonder grote zoogdieren als de bruine beer, de wolf en de lynx.

Wij hebben de verplichting te verzekeren dat de toekomstige generaties van de wilde natuur in Europa kunnen genieten, in alle betekenissen van het woord, maar duurzaam toerisme kan worden gebruikt om de wilde natuur een economische waarde te geven en steun voor instandhouding te bewerkstelligen. Duurzaam toerisme moedigt de gewone man aan de verborgen waarden van de natuur te ontdekken zonder haar schade te berokkenen. Duurzaam toerisme versterkt de aanvaarding van het instandhoudingsbeleid, omdat de burgers persoonlijk ervaren dat bescherming noodzakelijk is. Duurzaam toerisme helpt de wilde natuur economisch te behouden en creëert kansen op banen voor de bevolking in het desbetreffende gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De Europese wilde natuurgebieden zijn gereduceerd tot een kleine fractie van wat ze in het verleden ooit waren en derhalve is het van prioritair belang ze te beschermen.

Daarom dienen die gebieden centraal te staan in het Europees biodiversiteitsbeleid. Het netwerk Natura 2000 dient met die gebieden rekening te houden, zodat er beter gebruik kan worden gemaakt van de diensten die ze als ecosysteem leveren.

Ik keur het verslag-Hegyi dan ook goed, in de hoop dat de Europese ongerepte gebieden betere bescherming krijgen, zodat ook de komende generaties ervan kunnen genieten.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag waarin wordt benadrukt dat 46 procent van ’s werelds landmassa die uit wilde natuur bestaat en die nog niet significant is veranderd door menselijke activiteit, moet worden beschermd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het is al lang geleden dat de geschiedenis van de mens een geschiedenis van overleven was te midden van de tegenslagen van de natuur. In ons deel van de wereld moeten we tegenwoordig de natuur beschermen tegen de aanwezigheid van en overheersing door de mens, hoewel we onszelf nog steeds dienen te beschermen tegen de natuur en haar aanvallen. Bescherming van de natuur is in ons belang vanwege het behoud van de rijkdom aan biodiversiteit en de noodzaak de aarde, waar wij slechts rentmeesters over zijn, te behoeden. Met die uitgangspunten moeten we kijken naar de inspanningen om de wilde natuur in Europa te behoeden, met name in de ultraperifere regio’s waar diversiteit zo belangrijk is. Dezelfde uitgangspunten vereisen een evenwichtige aanpak en weloverwogen ingrepen en regelgeving. Als we een nieuwe benutting van het platteland willen stimuleren, kunnen we niet de menselijke activiteiten daar op onhoudbare wijze laten groeien. De bescherming van de wilde natuur, met name waar natuur en menselijke activiteiten naast elkaar bestaan, dient het bevorderen van evenwicht, bescherming en duurzaamheid te zijn. We mogen het leven op het al verarmde platteland niet het juk van ondraaglijke lasten of ontvolking opleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik stem voor het verslag-Hegyi over de wilde natuur in Europa. Ik vind dat de Europese Unie meer oog zou moeten hebben voor wilde natuurgebieden, omdat deze een toevluchtsoord en een reserve zijn voor vele soorten die niet kunnen overleven in veranderde omstandigheden. Bovendien mogen de ethische redenen voor deze keuze niet worden vergeten.

Wij Europese burgers hebben de morele verplichting te verzekeren dat de toekomstige generaties van de echt ongerepte gebieden in Europa kunnen genieten, in alle betekenissen van het woord. Ik ben dan ook ingenomen met het initiatief van onze collega om duurzaam toerisme te bevorderen, dat een echte indicator is van de economische waarde van een wilde natuurgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik van mening ben dat Europa zijn ongerepte gebieden moet beschermen en moet bijdragen tot het behoud van zijn nationale parken. Volgens het verslag “Wilde natuur in Europa” zijn er in verschillende regio’s van Europa tien nationale parken. Het behoud en de bescherming daarvan betekent ook bescherming van de vogel- en andere diersoorten die er leven.

Aangezien sommige van die soorten met uitsterven worden bedreigd, vind ik dat de Europese Unie zich actief moet bezighouden met de ontwikkeling van programma’s om het voortbestaan van deze soorten te bevorderen en dier- en plantensoorten te herintroduceren in gebieden waar ze helaas zijn verdwenen.

Tegelijk acht ik de volgende maatregelen noodzakelijk: een nauwkeuriger analyse van de ontbossing in gebieden die niet als nationale parken aangeduid zijn en het ontwikkelen van concrete projecten om ontboste gebieden te herbebossen. Ikzelf steun van harte elk project van die aard en ik feliciteer de rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. − (PL) De term 'wilde natuur' verwijst naar een natuurlijk milieu dat nog niet significant is veranderd door menselijke activiteit. Ook vandaag is nog 46 procent van 's werelds landmassa wilde natuur.

Er is een verschil tussen de concepten 'instandhouding' en 'behoeding'. Het eerste begrip komt neer op het correct gebruiken van de natuur, terwijl het tweede verband houdt met het beschermen van de natuur tegen gebruik. Naar mijn mening moet de natuur beschermd worden, maar via gebruik ervan voor de mens. Europa is te klein om burgers de toegang tot bepaalde gebieden te verbieden. Deze natuurgebieden hebben ook een unieke en bijzondere waarde die op een milieuvriendelijke manier kan worden gebruikt door een nieuw toeristisch aanbod te ontwikkelen.

Tegelijkertijd zijn deze gebieden extreem kwetsbaar voor de gevolgen van door de mens veroorzaakte veranderingen van het milieu. Het is onze morele plicht te verzekeren dat ook de toekomstige generaties nog van ongerepte wilde natuur in Europa kunnen genieten. Duurzaam toerisme kan een manier zijn om de economische waarde van wilde gebieden te benutten en steun te verwerven voor de instandhouding ervan.

Er bestaat in Europa een interessant initiatief dat erop gericht is programma's voor wilde natuur en duurzaam toerisme te combineren. Het gaat om de PAN Parks Foundation, een organisatie die tot doel heeft duurzaam toerisme in natuurgebieden mogelijk te maken.

Er is geen behoefte aan nieuwe wetgeving inzake wilde natuur. De Europese Commissie zou wel geschikte aanbevelingen moeten opstellen die door de EU-lidstaten als richtsnoer kunnen worden gebruikt voor hoe de bescherming van huidige en potentiële wilde natuurgebieden, die misschien in de toekomst onder Natura 2000 vallen, het best kan worden verzekerd.

 
  
  

- Verslag-Queiró (A6-0501/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De afgelopen jaren was de algemene en zakenluchtvaart de snelst groeiende tak van de luchtvaartsector. De luchthavens in mijn kiesdistrict Noordoost-Engeland, zoals die van Newcastle en Durham Tees Valley, zijn populair onder amateurpiloten en, in toenemende mate, onder zakenlieden. Dit is derhalve een subsector waar steun en verstandige regelgeving voor moet komen.

Ik ben onder de indruk van het streven van de Commissie naar proportionaliteit in de regelgeving van algemene en zakenluchtvaart. Deze benadering markeert een duidelijke koerswijziging ten opzichte van verscheidene eerdere voorstellen op het gebied van vervoer en dat valt toe te juichen, maar we moeten er wel op toezien dat de sector op duurzame wijze kan blijven groeien zonder de omslachtige procedures die maar al te vaak kenmerkend waren voor de voorstellen van de Commissie.

Het is onvermijdelijk dat deze sector op de korte termijn enigszins zal krimpen naarmate de economische crisis verder doorzet. Maar de algemene en zakenluchtvaart draagt in belangrijke mate bij aan de economische groei, vooral op regionaal niveau, zoals wij in Noordoost-Engeland kunnen bevestigen.

Ik heb vóór dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik ben het met de rapporteur eens dat we de noodzaak van het verzamelen van gegevens, proportionele regelgeving, de capaciteit van luchthavens en luchtruim en milieuduurzaamheid moeten benadrukken, terwijl we ook moeten erkennen dat het hier gaat om een van de snelst groeiende sectoren van dit tijdperk. We roepen op te zoeken naar evenwicht tussen deze genoemde kwesties zodat het bedrijfsleven niet wordt gehinderd en duurzaam blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De heer Queiró heeft gereageerd op de mededeling van de Commissie “Een agenda voor een duurzame toekomst van de algemene en zakenluchtvaart” en heeft verschillende terreinen naar voren gehaald waar beleidsoverwegingen voor de niet-commerciële luchtvaartsector binnen de algemene en zakenluchtvaart een bijkomend effect hebben. Van bijzonder belang zijn de uitbreiding van de communautaire bevoegdheid op het gebied van veiligheid en beveiliging en het effect van communautaire initiatieven zoals het gemeenschappelijk Europees luchtruim en het luchtverkeersbeveiligingssysteem op de sector.

Het is van primair belang dat de veiligheid wordt gegarandeerd en de sector op verantwoorde wijze rekening houdt met de milieuaspecten, door zowel geluidsoverlast als emissies terug te dringen. Door de groei en de diversiteit van de sector is regelgeving in de toekomst noodzakelijk. Deze mededeling bevat een routebeschrijving voor het ontwikkelen van toekomstig beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik heb tegen het verslag van Luís Queiró over de toekomst van de algemene en zakenluchtvaart gestemd.

Het is ongetwijfeld waar dat het aantal particuliere en zakenvluchten enorm is toegenomen en dat daarmee de belasting voor het milieu ook groter is geworden.

Met investeringen in de uitbreiding van luchthavens zijn we echter mijns inziens niet op de juiste weg, want deze maatregel zou alleen maar leiden tot een grotere vraag naar reizen en toename van het vliegverkeer. We moeten op zoek gaan naar alternatieven waarbij het luchtverkeer niet steeds maar toeneemt en de milieuvervuiling binnen de perken blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) De algemene en zakenluchtvaart is een bloeiende sector die worden gekenmerkt door meer aanpassingsvermogen en flexibiliteit, aspecten die indruisen tegen het grote gebrek aan flexibiliteit dat typisch is voor met name grote luchthavens. Daarom steun ik de aanbevelingen van collega Luís Queiró om het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel in deze sector geval per geval consequent toe te passen, mits alle beveiligings- en veiligheidsvereisten worden nageleefd.

Ik roep de lidstaten op alle aanbevelingen van de Commissie en van het verslag in overweging te nemen, in het bijzonder aangaande het efficiënter maken en het optimaal gebruiken van luchthavencapaciteiten, niet alleen voor grote luchthavens maar vooral voor regionale en lokale vliegvelden.

Dit segment van de luchtvaartsector moet kunnen profiteren van alle omstandigheden die een duurzame ontwikkeling mogelijk maken, ten gunste van het bedrijfsleven en uiteindelijk ook de passagiers, en daar heb ik als rapporteur voor het pakket Gemeenschappelijk Europees Luchtruim II en de uitbreiding van de bevoegdheden van de EASA rekening mee gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik stem voor het verslag van collega Queiró over een agenda voor een duurzame toekomst van de algemene en zakenluchtvaart. Het is namelijk noodzakelijk dat er een nieuw EU-beleid komt voor de algemene en zakenluchtvaart.

Ik zeg dit omdat in dit segment van de burgerluchtvaart de totale omzet van de maatschappijen constant groeit. Wat de zakenluchtvaart betreft wordt zelfs geschat dat het aantal passagiers binnen een tiental jaar zal zijn verdubbeld. Daarnaast moet worden erkend dat dit type luchtvaart voordelen oplevert voor heel het economische en sociale welzijn.

Ik kan mij dus vinden in het verslag van onze collega en ik hoop dat wij in de toekomst adequaat gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van een sterk groeiende sector.

 
  
  

- Verslag-Harbour (A6-0018/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) De overheidssector ondervindt hinder van traditionele methoden bij de inkoop van diensten voor onderzoek en ontwikkeling. Hierin kan verandering worden gebracht door middel van wat we precommerciële inkoop noemen. Precommerciële inkoop is een specifieke benadering voor de overheidssector om onderzoek en ontwikkeling in te kopen.

De EU heeft behoefte aan een bredere innovatiestrategie. Wat we precommerciële inkoop noemen, moet worden beschouwd als onderdeel van deze strategie. Dit is van belang voor de versterking van de innovatiecapaciteit van de Unie en de verbetering van overheidsdiensten voor Europese burgers. De Amerikaanse overheid spendeert momenteel vijftig miljard dollar aan de inkoop van onderzoek en ontwikkeling. Europa geeft hieraan 2,5 miljard dollar uit. Het is dus duidelijk dat precommerciële inkoop nodig is om de Europese overheidssector beter in staat te stellen belangrijke uitdagingen aan te gaan.

Een van de problemen in de EU is dat nauwelijks wordt stilgestaan bij mogelijkheden om de inkoop van onderzoek en ontwikkeling te optimaliseren. Dit probleem is voortgekomen uit wat we exclusieve ontwikkeling noemen. Ondernemingen die een product of dienst hebben ontwikkeld voor een overheidsorgaan, kunnen hun bevindingen niet opnieuw gebruiken voor andere klanten. Precommerciële inkoop stelt ons in staat iets aan deze eigenaardige situatie te doen. Op deze manier is een specifieke benadering mogelijk op basis van deling van risico’s en voordelen. Bovendien is het op deze manier mogelijk innovatieve oplossingen kosteneffectief te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Dank u, Voorzitter. Ik heb voor het verslag gestemd. Ik geloof dat precommerciële inkoop heel gunstig kan zijn voor innovatie en zeer geschikt is om in de Europese Unie moderne hoogkwalitatieve overheidsdiensten te kunnen aanbieden.

En dit niet alleen: precommerciële inkoop biedt aanzienlijke kansen aan het MKB, zowel op het gebied van overheidsopdrachten als ten aanzien van hun algemene ontwikkeling en ervaring. Precommerciële inkoop is uiteraard toegankelijker voor het MKB dan reguliere grote commerciële inkoopopdrachten.

Ik vrees echter dat kleine en middelgrote ondernemingen alleen warm zullen lopen voor precommerciële inkoop als hun duidelijk wordt uitgelegd hoe het functioneert, in het bijzonder in een grensoverschrijdende context, en als bepaalde aspecten van de procedure nader worden gespecificeerd, onder andere de bepalingen inzake staatssteun en intellectuele eigendom, teneinde een transparante en stabiele omgeving te creëren voor overheidsinstellingen en -ondernemingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Dit verslag zet aan tot bezinning: er wordt een hoop gepraat over de agenda van Lissabon en over het feit dat Europa volgend jaar de meest concurrerende economie ter wereld moet zijn, maar tot mijn ontsteltenis las ik dat de Amerikaanse overheidssector vijftig miljard dollar per jaar uitgeeft aan de inkoop van onderzoek en ontwikkeling.

Dit bedrag is twintig keer zo hoog als in Europa en vertegenwoordigt ongeveer de helft van de totale investeringskloof voor onderzoek en ontwikkeling tussen de VS en Europa.

Ik verwelkom dit verslag van mijn collega Malcolm Harbour. Hij heeft beschreven op welke manieren Europa deze productiviteitskloof kan dichten. De titel zegt al wat de sleutel tot dit proces is: het aansturen van innovatie.

We kunnen de aspiraties van dit verslag volgens mij het beste realiseren door ervoor te zorgen dat de EU innovatie en technologische ontwikkeling stimuleert en geen regelgevingsobstakels opwerpt.

Gezien de belangrijke rol die overheidsopdrachten spelen bij het bevorderen en steunen van nieuwe technologie, heb ik dit verslag gesteund. Ik hoop dat de lokale autoriteiten in mijn regio Noordoost-Engeland iets hebben aan de uitgangspunten van het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik ben het eens met wat de rapporteur schrijft over het belang van innovatie, vooral op veeleisende terreinen zoals gezondheidszorg, vergrijzing en veiligheid. Precommerciële inkoop beperkt de kans op fouten en moet dus als een innovatief middel worden aangewend.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mijn collega de heer Harbour heeft een initiatiefverslag gepresenteerd over versterking van de innovatie in Europa voor het waarborgen van duurzame hoogkwalitatieve overheidsdiensten. Eerlijke en rechtvaardige toegang tot dergelijke diensten is van wezenlijk belang voor het volledig functioneren van de vrije markt. Deze mededeling gaat over de onderzoeks- en ontwikkelingsfase (O&O) van een precommercieel product.

Precommerciële inkoop is een specifieke benadering van de overheidssector om O&O in te kopen, met als doel innovatie aan te sturen ter waarborging van duurzame hoogkwalitatieve overheidsdiensten in Europa. Onder de betreffende overheidsdiensten vallen gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, klimaatverandering en energie-efficiëntie, stuk voor stuk kwesties die de gehele maatschappij ten goede komen. Aangezien het met de aanneming van deze strategie mogelijk wordt nieuwe en innovatieve oplossingen met toegevoegde waarde kosteneffectief te ontwikkelen, heb ik dit voorstel gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. − (PL) Overheidsopdrachten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling vertegenwoordigen in Europa slechts een beperkt gedeelte van alle overheidsopdrachten. Europa scoort eveneens bijzonder slecht in vergelijking met de Verenigde Staten, waar de overheid jaarlijks 50 miljard dollar spendeert aan overheidsinkopen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, een bedrag dat twintig maal hoger ligt dan in Europa. Dit is bijzonder jammer, zeker als we ons innovatievermogen daadwerkelijk willen vergroten.

Er dient op gewezen te worden dat veel van de beschikbare producten en diensten vandaag niet zouden bestaan zonder de toewijzing van overheidsmiddelen. Het satellietnavigatiesysteem GPS en de halfgeleidertechnologie zijn hier slechts twee voorbeelden van.

Europa moet op tal van terreinen technische vooruitgang boeken, onder meer op het gebied van gezondheidszorg, duurzaamheid en veiligheid. Voor veel van deze gebieden zijn er nog geen commerciële oplossingen voorhanden of zijn er met het oog op de bestaande oplossingen verdere onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten nodig. Precommerciële inkoop is een van de manieren om deze kloof tussen vraag en aanbod in de overheidssector te overbruggen en biedt overheden de mogelijkheid om hun diensten te verbeteren.

Precommerciële inkoop creëert ook aanzienlijke kansen voor het midden- en kleinbedrijf. Het innovatievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen is immers enorm. Dankzij het gebruik van overheidsmiddelen kunnen deze bedrijven zich verder ontwikkelen en hun oplossingen later ook aan andere klanten verkopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik stem voor het verslag van collega Harbour over het aansturen van innovatie binnen de precommerciële inkoop voor het waarborgen van duurzame hoogkwalitatieve overheidsdiensten in Europa. Het is van essentieel belang dat de Europese Unie de sociale uitdagingen adequaat aanpakt, zodat de verlening van overheidsdiensten aanzienlijk wordt verbeterd.

Het instrument van de precommerciële inkoop kan er in deze optiek toe bijdragen dat de kloof tussen vraag en aanbod in de overheidssector wordt overbrugd. Ik ben het met de rapporteur eens dat inkopers moeten worden geschoold in het omgaan met innovatie binnen overheidsopdrachten, omdat precommerciële inkoop een beroep is waarvoor zeer specifieke vaardigheden nodig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. − (PL) Er is sprake van precommerciële inkoop wanneer de overheidssector opdrachten plaatst op het gebied van onderzoek en ontwikkeling om innovatie te bevorderen en duurzame hoogkwalitatieve overheidsdiensten te waarborgen.

Precommerciële inkoop is van buitengewoon belang om de innovatiecapaciteit van de hele Europese Unie te versterken, de directe overheidsdiensten voor de burgers te verbeteren en de kloof tussen vraag en aanbod in de overheidssector te overbruggen.

Het satellietnavigatiesysteem GPS is een voorbeeld van een innovatieve oplossing die op basis van overheidsinkoop is ontwikkeld.

De middelen die in de Verenigde Staten aan overheidsinkoop op het gebied van onderzoek en ontwikkeling worden gespendeerd, liggen twintig maal hoger dan in de Europese Unie.

Voor het midden- en kleinbedrijf zijn overheidsopdrachten een uitgelezen kans om ervaring op te doen. Precommerciële inkoopopdrachten zijn gunstig voor kleinere ondernemingen, aangezien zij meestal niet voldoen aan de eisen van reguliere commerciële overheidsopdrachten.

Europa moet zo spoedig mogelijk allesomvattende oplossingen ontwikkelen om het gebruik van precommerciële inkoop te verbeteren, niet alleen door nationale, maar ook door lokale en regionale overheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Zlotea (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) In de eerste plaats wil ik graag de heer Harbour feliciteren met de wijze waarop hij het werk van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (IMCO) heeft weergegeven. De aanneming van dit initiatiefverslag van de heer Harbour zal innovatie in onderzoek en ontwikkeling binnen de Europese Unie helpen stimuleren. We moeten profiteren van de voordelen die een precommercieel inkoopbeleid zal bieden. Openbare aanbesteding is een gebied dat voor het midden- en kleinbedrijf enorme kansen in het vooruitzicht stelt en precommerciële inkoop is daarbij vlotter toegankelijk dan grootschalige overheidsopdrachten.

We moeten een voorbeeld nemen aan de VS en ons meer toespitsen op het inkopen van onderzoek- en ontwikkelingsdiensten. We moeten een gunstig precommercieel beleidsinstrument vaststellen om de innovatiebasis van de EU te verbreden. Momenteel zijn bedrijven die voor een openbare instantie een product of een dienst hebben ontwikkeld niet in staat hun bevindingen opnieuw te gebruiken voor andere potentiële cliënten, en dat komt bovenop de financiële hindernissen die de inkoop van concurrerende oplossingen in de weg staan. Precommerciële inkoop maakt een rendabele ontwikkeling van innovatieve oplossingen mogelijk.

 
  
  

- Verslag-Laperrouze (A6-0013/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh en Inger Segelström (PSE), schriftelijk. − (SV) Wij hebben ervoor gekozen om tegen het verslag van mevrouw Laperrouze te stemmen omdat wij van mening zijn dat het uiteindelijke verslag onevenwichtig is en een inbreuk maakt op het recht van de lidstaten om te beslissen om al dan niet gebruik te maken van kernenergie, verder te gaan met de ontwikkeling ervan en erin te investeren. Wij steunen gemeenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld nucleaire veiligheid, maar zijn van mening dat het verslag meermaals te ver gaat in zijn positieve instelling ten opzichte van kernenergie. Deze beslissingen moeten op het niveau van de lidstaten worden genomen.

Verder zijn wij in het algemeen voor investeringen in energie-infrastructuur, maar wij stellen vragen bij het steunen van alle projecten en investeringen die de rapporteur wil steunen. Om een dergelijk standpunt te kunnen steunen, hadden wij duidelijke criteria willen zien, met name tegen de achtergrond van het debat over Nord Stream.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) Europa moet zijn inspanningen eerst en vooral richten op het helpen van zijn lidstaten bij hun zoektocht naar olie en gas. Waarschijnlijk bevinden er zich fossiele brandstofvoorraden in de zeebodem van Malta. Deze voorraden kunnen niet volledig worden geëxploiteerd omdat er onenigheid bestaat over de mediaanlijn tussen Malta en zijn Noord-Afrikaanse buurlanden. Dit zou niet alleen een bilaterale kwestie moeten zijn. Het is ook in het belang van Europa om namens zijn lidstaat een oplossing te vinden.

De kwestie kernenergie neemt opnieuw een belangrijke plaats in. Er zijn voor- en nadelen. Het debat over kernenergie is eindeloos, maar we moeten wel stilstaan bij de mogelijkheid deze energiebron te beoordelen.

Ik heb me laten vertellen dat Malta de invoer van energie afkomstig van kerncentrales in Frankrijk heeft overwogen. Deze energie zou Malta bereiken in de vorm van elektriciteit zodat de negatieve aspecten in verband met kerncentrales niet aan de orde zouden zijn. De opgewekte energie zou goedkoper zijn dat de energie uit een gasleiding uit Sicilië. Malta zou geen kapitaal hoeven uit te geven aan de bouw van een energiecentrale.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward (UEN), schriftelijk. − (EN) Ik juich het toe dat de Europese Unie deze week honderd miljoen euro heeft toegewezen voor de bouw van nieuwe elektriciteitsnetwerken tussen de oostkust van Ierland en Wales.

Dit nieuwe project is onderdeel van het economische stimuleringspakket van 3,5 miljard euro dat de Europese Commissie vorige week in Brussel heeft aangekondigd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de bouw van modernere energienetwerken waardoor de zekerheid van de energievoorziening in Ierland in de toekomst volledig wordt beschermd.

De Europese Unie gaat ook nieuwe projecten op het gebied van alternatieve energie, waaronder de windenergiesector, financieel steunen.

Als lid van de Commissie milieubeheer van het Europees Parlement ben ik getuige geweest van het groeiende geschil over de energievoorziening.

We moeten allemaal stilstaan bij wat sinds een aantal weken speelt bij de energieleveranties van Rusland aan de EU via Oekraïne.

De realiteit is dat wij in de EU af moeten van onze volledige afhankelijkheid van Russische energieleveranties. We moeten andere energiesectoren ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Dank u, Voorzitter. Ik heb voor het verslag gestemd. Ik meen dat hernieuwbare energie, zoals wind- en zonne-energie, hydro-elektrische en geothermische energie, biomassa en mariene bronnen de belangrijkste potentiële energiebronnen van de Europese Unie zijn. Zij kunnen helpen de energieprijzen te stabiliseren en de toenemende afhankelijkheid op energiegebied te beperken.

Het is dan ook van fundamenteel belang dat er een Europees energiebeleid wordt opgebouwd dat een massale omschakeling naar energietechnologieën met lage CO2-emissies en een hoge energie-efficiëntie mogelijk maakt, om zo aan de energiebehoeften te voldoen. Als de energie-efficiëntie en energiebesparingen een prioriteit blijven, alsook de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, dan denk ik dat de energiebehoeften tegen 2050 kunnen worden gedekt met energiebronnen met een lage uitstoot. Ik onderschrijf het belang van een systematische aanpak die is gebaseerd op synergie tussen verschillende sectoren. Tot slot zijn de wereldwijde en Europese uitdagingen op de lange termijn op het gebied van energie en klimaatverandering een unieke kans om in alle delen van de economie nieuwe bedrijfsmodellen mogelijk te maken om groene innovatie en groen ondernemerschap te stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) We hebben geen uniform Europees energiebeleid. Elke lidstaat behartigt zijn eigen belangen. Er is een extra bedrag van 5 miljard euro uitgetrokken voor elektriciteitsverbindingen en breedbandinternet in de EU. Dit is een historische gebeurtenis, omdat de Europese Commissie voor het eerst in de geschiedenis van de EU tijdens de herziening van de begroting een dergelijk project heeft voorgesteld. Dit is met name van belang voor Litouwen, aangezien het energienet van het land tot dusver met Zweden noch met Polen is verbonden, zodat het een energie-eiland vormt. Energieverbindingen zijn investeringen die niet al te veel financiële vruchten afwerpen. Derhalve dienen dergelijke essentiële projecten te worden gefinancierd uit EU-middelen. Nu moet Litouwen nog gas kopen voor rond 500 dollar, terwijl andere lidstaten van de EU, die veel verder van Rusland verwijderd zijn dan Litouwen, hiervoor minder betalen. We hebben een hoop te winnen als we solidair zijn en met één stem met Gazprom spreken over prijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De drie hoofddoelstellingen – energievoorzieningszekerheid en solidariteit tussen de lidstaten, bestrijding van de klimaatverandering: verwijzing naar de “3x20”-doelstelling voor 2020 en de vermindering van de broeikasgasemissies met 50 tot 80 procent voor 2050, en de economische groei van de EU: betere prijzen en vermijding van prijsschommelingen – zijn van groot belang als we het over het Europese energiebeleid hebben. We moeten nadenken over het beleid inzake de decentralisatie van energiebronnen en we moeten ook nieuwe vormen van hernieuwbare energie stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Giles Chichester (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Ik en mijn Britse conservatieve collega’s juichen de strategische benadering van de energievoorziening, zoals deze vervat is in het verslag-Laperrouze over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid, toe.

Overeenkomstig het gevestigde principe dat we tegen het Verdrag van Lissabon zijn, hebben we tegen de verwijzingen naar dit Verdrag van Lissabon gestemd. Omdat er ook sprake is van verwijzingen naar het Verdrag waar we niet specifiek tegen konden stemmen, hebben we besloten ons bij de eindstemming van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Dragoş Florin David (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb gestemd voor het verslag van mevrouw Laperrouze over de strategische toetsing van de energiesituatie in de EU, omdat hierin staat dat in het toekomstig energiebeleid van de EU ruimte moet zijn voor actieplannen voor noodsituaties, voor concrete projecten om de bevoorradingsbronnen te diversifiëren en voor nieuwe doelstellingen met betrekking tot klimaatverandering.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben tegen dit verslag gestemd omdat we het niet eens zijn met veel van de voorstellen die het bepleit. Het uitgangspunt daarbij is steeds concurrentie en liberalisering van de markten in een strategische sector waar overheidsbeleid en publiek eigendom van de belangrijkste energieproductiemiddelen van fundamenteel belang waren.

We hebben evenwel voor een aantal voorstellen gestemd. Zo hebben bijvoorbeeld ook wij zorgen over de zekerheid van de voorziening met de fossiele brandstoffen olie en gas, over de stelling van de rapporteur dat het onwaarschijnlijk is dat de wereldproductie meer dan 100 miljoen vaten per dag (momenteel 87) aan kan, terwijl de behoefte in 2030 geschat wordt op 120 miljoen vaten per dag en over het gevaar dat er zich in de loop van het volgend decennium een ernstige crisis zal voordoen.

Wij zijn het ook eens met meer onderzoek op energiegebied, met name naar transmutatie van kernafval en kernfusie.

Wij zijn het evenwel niet eens met de poging de economische groepen in de Europese Unie een krachtige positie te laten innemen tegenover de overheidsbedrijven van derde landen, de oproep het Verdrag van Lissabon te ratificeren en de apologie die het verslag van dit Verdrag maakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik heb gestemd vóór het verslag-Laperrouze over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid ondanks het (wat mij betreft) overdreven enthousiasme voor kernenergie. Ik ben niet vóór vroegtijdige sluiting van veilige kerncentrales, maar mijn enthousiasme voor nieuwe centrales is uiterst beperkt. In mijn eigen regio, Zuidwest-Engeland, hebben we de mogelijkheid een vloedkering in de Severn aan te leggen die, met veel minder potentiële schade voor het milieu, de capaciteit van twee kerncentrales zou hebben en op een “groene” manier aan 5 procent van de energiebehoefte van Groot-Brittannië zou kunnen voldoen.

Ik heb ook gestemd vóór het groene amendement 22 waarin wordt gewezen op de vertraging en de escalerende kosten van het ITER- kernfusieproject. Ik was niet vóór Europa als locatie voor dit gezamenlijke project aangezien een onevenredig deel van de totale begroting dan voor rekening van Europa komt. Ik was er derhalve vóór dat Japan gastland voor deze witte olifant zou worden. Dat wilde Japan zelf ook. Ik blijk nog veel eerder dan verwacht gelijk te krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk.(FR) Iedereen is zich ervan bewust dat energie een enorme uitdaging voor de lidstaten is. Energiebesparing, meer energie-efficiëntie, onderzoek naar en het rendabel maken van hernieuwbare energie of nieuwe technologieën in het vervoer en diversiteit in de toelevering zijn allemaal bekende manieren om de afhankelijkheid van de lidstaten te verminderen. Wij stellen de noodzaak van een zekere samenwerking, of zelfs organisatie op intergouvernementeel niveau, van solidariteit tussen de Staten, niet ter discussie.

In werkelijkheid lijkt het er echter op dat het opstellen van een energiestrategie of energiezekerheid in het verslag veel minder zwaar meetellen dan de invoering van één enkel energiebeleid of de invoering van één enkel netwerk voor gas en elektriciteit, onder de vlag van één enkele Europese regelgever voor iedere sector. De keuzen, behoeften, mogelijkheden en capaciteiten van de diverse staten lopen echter zeer sterk uiteen.

Deze gevoelige kwestie is in feite een strategische kwestie, en kan als zodanig alleen worden overgelaten aan de soevereine besluitvorming van de staten in overeenstemming met hun belangen. Doelstelling van dit dossier is echter eens te meer een toename van de macht van de Brusselse bureaucratie. Wij weten dat het hieraan te danken is dat wij worden opgezadeld met problemen die variëren van opgeblazen elektriciteitsprijzen tot regelmatige stroomonderbrekingen.

Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Anne Isler Béguin (Verts/ALE), schriftelijk.(FR) In het verslag wordt opnieuw de mogelijkheid van kernenergie aangedragen, ofschoon deze energie niet concurrerend is en uranium gewonnen wordt onder gevaarlijke omstandigheden, die aanleiding vormen tot etnische discriminatie en een onaanvaardbare invloed op de gezondheid hebben.

Vanwege het probleem van de opwarming van de aarde kan steenkool niet als een "overgangscomponent" worden beschouwd.

Ik denk dat "diversificatie van de energiebronnen van de EU" in verband wordt gebracht met de exploitatie van fossiele bronnen in de Kaspische Zee. De olie- en gasvelden van de regio Kashagan leggen druk op de bevolkingsgroepen en op hun milieubronnen: de winning van sulfidenrijke olie vormt een bedreiging voor de gezondheid van de bevolking en voor de biodiversiteit.

Diversificatie van de energievoorziening betekent dat er olie- en gaspijpleidingen moeten komen om de energie naar de EU te vervoeren. De TBC- en Nabucco-projecten tasten de politieke stabiliteit van onze buurlanden aan. Wij zijn verplicht ervoor te zorgen dat onze energiebehoeften geen gevaar vormen voor hun stabiliteit. De bevolkingsgroepen van de zuidelijke Kaukasus moeten economisch en sociaal voordeel hebben van de energiewinning op hun grondgebied.

In Afrika dient de productie van zonne-energie om in onze de behoeften te voorzien op passende wijze te worden gehonoreerd.

Waarom wordt er in het verslag niet gezegd dat hernieuwbare energie en energiebesparing de oplossing voor de toekomst zijn? Zoals het er nu voor staat, stem ik tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE), schriftelijk. (LT) Om energiezekerheid in de EU te kunnen waarborgen is een communautaire energiemarkt nodig waarin alle leden van de Gemeenschap en met name de Baltische landen zijn opgenomen. De landen in deze regio zijn van Rusland afhankelijk, die hun enige energieleverancier is, en dat is een belemmering voor energiezekerheid, niet alleen in deze landen zelf, maar ook in de Gemeenschap als geheel. Daarom is het noodzakelijk de verbinding van de Baltische landen met de EU-netwerken te bevorderen met behulp van prioritaire EU-projecten met voldoende financiële middelen. De diversificatie van energiebronnen en –leveranciers mag niet aan de lidstaten zelf worden overgelaten, maar moet op EU-niveau worden geregeld. Daarom sta ik vierkant achter de rapporteur als zij bij de Commissie aandringt op “de uitwerking van een Europees strategisch plan voor programmering van de meerjarige investeringen die nodig zijn om te voldoen aan de toekomstige behoeften inzake de elektriciteitsproductie” en van concrete richtsnoeren voor investeringen in kernenergie. Aangezien de bouwsector, ook in Litouwen, bijzonder hard is getroffen door de financiële crisis, is het pleidooi van de rapporteur voor een intensivering van “inspanningen om oplossingen voor het vraagstuk van de opslagplaatsen voor alle soorten radioactieve afvalstoffen te vinden” bijzonder relevant met het oog op de sluiting van de kerncentrale in Ignalina.

Partnerschaps- en associatieovereenkomsten (en met name de overeenkomst met Rusland) moeten een instrument zijn om de belangen van alle leden van de EU te behartigen, en de EU-lidstaten moeten de beginselen van solidariteit en eensgezindheid betrachten in hun gesprekken met energieleveranciers in derde landen. Alleen een eensgezind Europa kan sterk en concurrerend zijn in een tijdperk van snelle globalisering.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) De continuïteit van de energievoorziening van de Europese Unie is een regelmatig terugkerend thema dat steeds belangrijker wordt. Daaruit blijkt duidelijk dat we te maken hebben met diepgewortelde, onopgeloste problemen. De recente gascrisis heeft aangetoond dat het absoluut noodzakelijk is dat de lidstaten op Gemeenschapsniveau eensgezind handelen en solidariteit aan de dag leggen, zowel om crisissituaties het hoofd te bieden als om gezamenlijke, wederzijds voordelige oplossingen uit te werken en te implementeren.

Roemenië, dat aan de oostgrens van de EU ligt, is zich bewust van de risico’s en de voordelen die zijn geostrategische positie met zich meebrengt. Daarom steunt en stimuleert het enerzijds de aanleg van alternatieve transportroutes voor energie, in de eerste plaats de gaspijpleiding Nabucco, en staat het anderzijds achter een verduidelijking en versteviging van de partnerschapsbetrekkingen met Rusland, die een belangrijke speler is op internationaal vlak – en niet alleen in deze delicate sector van de energievoorziening.

In het licht daarvan moeten de aanbevelingen van de rapporteur inzake de Southern Europe Corridor, Nabucco in het bijzonder, en de onderlinge koppeling van de gas- en elektriciteitsnetwerken die van noord naar zuid door Zuidoost-Europa lopen, in overweging genomen en zo snel mogelijk uitgevoerd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) De net afgelopen gascrisis heeft ons weer eens duidelijk laten zien hoe belangrijk een zekere, betrouwbare en niet te dure energievoorziening voor de EU is. Het is bedenkelijk dat in het debat over energie, kernenergie plotseling als klimaatvriendelijk wordt aangeprezen en dat oude reactoren waarvoor miljoenen aan subsidies zijn verstrekt om ze uit te schakelen, opeens weer opgestart worden. Dat laatste is vermoedelijk ook een gevolg van het feit dat de EU tijdens de strijd om het gas niet actief is geweest en dat de oostelijke lidstaten in de steek zijn gelaten. Dat zou een les voor de toekomst moeten zijn. Het gaat erom dat het energieverbruik wordt gereduceerd – of het voorschrijven van spaarlampen daartoe een geschikt middel is, wordt door critici betwijfeld – en dat alternatieve energievormen worden bevorderd. Zolang het zwaartepunt van onze begroting echter op kernenergie ligt, zal dit nooit gebeuren en zijn nieuwe energietechnologieën gedoemd alleen als randverschijnsel te bestaan.

Hoe belangrijk de overwegingen voor de energiezekerheid ook zijn, ze mogen er niet toe leiden dat uit energiepolitieke overwegingen de toetreding van Turkije wordt bevorderd. Ook zonder die toetreding zullen de oliepijpleidingen die men door Turkije wil laten lopen, of de gasinfrastructuurprojecten wel gerealiseerd kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio Mussa (UEN), schriftelijk. – (IT) Ik ben erg ingenomen met het werk van mevrouw Laperrouze en heb dan ook voor haar verslag gestemd. Ik hoop alleen wel dat de ideeën en aanwijzingen in haar verslag door de Commissie op waarde zullen worden geschat en zo positief en ruim mogelijk zullen worden geïnterpreteerd.

Ik hoop dan ook dat niets een zo snel mogelijke vaststelling van de infrastructuurprojecten in de weg zal staan en dat deze zullen worden beoordeeld aan de hand van prioriteiten die alleen betrekking hebben op ontwikkelingstijd, financiële structuur, beschikbare leveringen en verband tussen overheidssteun en particuliere inzet.

In dit kader wordt er in de voorstellen van de Commissie betreffende het European Recovery Plan, waarbij voor bepaalde projecten financiële steun is voorzien, te weinig aandacht besteed aan het Middellandse Zeegebied. De gaspijpleiding Algerije-Sardinië-Italië (dus ook het Italiaanse deel ervan) valt immers niet onder de Europese projecten met de hoogste prioriteit.

Ik hoop nog steeds dat wij in het kader van de diversificatie van bronnen en aanvoerroutes geleidelijk vooruitgang kunnen boeken, waarbij nieuwe mogelijkheden worden benut om waar nodig infrastructuur te creëren.

De solidariteitsmechanismen zullen hopelijk geen verstoringen van de markt teweeg brengen of buitensporig dure procedures opleveren. Ik hoop dat het Energiehandvest samen met de uitbreiding van de Energy Community mede op het gebied van hernieuwbare energie een fundamentele rol kan spelen, in het bijzonder met betrekking tot de doorvoerlanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het kader voor de bezinning op een strategie voor de lange termijn is van beslissende invloed op het resultaat van de analyse en de inhoud van de voorstellen. Ook het debat over de strategische toetsing van het energiebeleid kent deze beperkingen. In dit verband zijn er echter indicatoren die zich herhalen en daarom het debat meer van structurele dan van voorbijgaande aard maken. Ik noem de energieafhankelijkheid (zowel van Rusland als van de belangrijkste olieproducerende landen) en de gevolgen daarvan: stijgende energiekosten zowel door stijgende olieprijzen ten gevolge van de toenemende mondiale vraag als door de geringere koopkracht van de landen die armer zijn geworden als gevolg van de zware economische crisis. Ook noem ik de milieugevolgen op verschillende niveaus van de constante groei van het mondiale energieverbruik, een tendens die ook de huidige crisis niet zal kunnen keren. Al deze factoren tezamen leiden tot de noodzaak van een strategische aanpak, die gestoeld is op minder afhankelijkheid en derhalve op een grotere verscheidenheid aan leveranciers en verbruikte energie, grotere efficiëntie, duurzame ontwikkeling van onderzoek naar alternatieve energiebronnen en meer integratie. Tegelijkertijd dient die aanpak gebaseerd te zijn op de ontwikkeling van plaatselijke productiecapaciteiten, met name van alternatieve energie. Het is een geweldige uitdaging maar ook een strategisch vraagstuk waar we niet omheen kunnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik heb voor het verslag van collega Laperrouze over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid gestemd. Ik ben het er dan ook mee eens dat er een basis moet komen voor de uitvoering van een werkelijk Europees energiebeleid met als drie hoofddoelstellingen: zekerheid van energievoorziening, bestrijding van klimaatverandering en economische groei van de Europese Unie.

Net als de rapporteur pleit ik voor een fonds voor de waarborging van niet-commerciële risico's van bepaalde projecten voor energieproductie en -transport van Europees belang, om investeringen in de netwerken te stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. − (EN) De EU heeft ambitieuze plannen als antwoord op het risico dat hulpbronnen steeds meer onder druk komen te staan doordat de bevolking overal ter wereld steeds meer energie nodig heeft. De oplossingen voor het behoud van de huidige energievoorzieningszekerheid enerzijds en de ontwikkeling van efficiënte niet-koolstofhoudende energie anderzijds sluiten elkaar niet uit.

De veiligheid van ons milieu en het voorkomen van energieschaarste voor mensen die van een vast inkomen moeten rondkomen, met name in Zuidoost-Engeland, zijn even belangrijke doelstellingen.

Daarom steun ik een combinatie van technologische oplossingen voor de energievoorziening in de EU. Ik erken dat we ten aanzien van de kernenergie-industrie voorzichtigheid moeten betrachten wegens de veiligheid, maar ik ben van mening dat de kernenergie-industrie enige mate van zekerheid biedt. Als we onszelf deze mogelijkheid onthouden, zal dat voor veel van mijn kiezers met een vast inkomen rampzalige gevolgen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. − Het verslag over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid vertoont veel te weinig samenhang. Wat mij betreft is de topprioriteit inzake een Europees energiebeleid het massaal inzetten op de totstandbrenging van een energie-efficiënte economie. Een beperking van het energieverbruik moet absolute voorrang krijgen om de doelstellingen op het punt van klimaatverandering, duurzame ontwikkeling, innovatie, schepping van werkgelegenheid en concurrentievermogen te bereiken. Zo'n aanpak is trouwens een zeer doeltreffende en goedkope manier om een ononderbroken energievoorziening veilig te stellen. Zoals gezegd: het creëert ongelofelijk veel jobs, zowel voor hoog- als laaggeschoolde werknemers.

Het Europese energiebeleid moet toekomstgericht rekening houden met de veranderende manier waarop energie verbruikt en geproduceerd wordt. Gedecentraliseerde energiesystemen zullen gecombineerd moeten worden met omvangrijke bronnen van hernieuwbare energie. Naast energie-efficiëntie is ook energiebesparing van groot belang. Er moet dus ingezet worden op isolatie en andere maatregelen in de bouwsector. In dit verslag wordt het belang van kernenergie overschat. Kernenergie dekt weliswaar circa een derde van de totale vraag naar elektriciteit maar dat komt slechts neer op 6% van de totale vraag naar energie. In deze context past het dan ook eraan te herinneren dat er nog steeds geen duurzame oplossing bestaat voor het probleem van de (hoog)radioactieve afvalstoffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − (EN) Energieonafhankelijkheid moet in Europa hoger op de politieke agenda worden gezet. Ook moeten er duidelijke definities van energieschaarste komen voor de hele Europese Unie. Er moet ook meer eensgezindheid worden bereikt over de vraag hoe we de groene economie zodanig kunnen pantseren dat deze ons, via het scheppen van werkgelegenheid, door de huidige financiële crisis heen helpt en de EU bovendien de noodzakelijke energieonafhankelijkheid biedt. Er moet worden geïnvesteerd in het energienetwerk van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN), schriftelijk. − (PL) In het verslag van mevrouw Laperrouze over de tweede strategische toetsing van het energiebeleid wordt steun verleend aan de aanleg van de South Stream-pijpleiding. Dit project is nauw verbonden met de bouw van de North Stream-pijpleiding, die tot doel heeft de verwezenlijking van het Nabucco-project definitief onmogelijk te maken. De South Stream-pijpleiding versterkt de positie van Rusland op het gebied van energievoorziening en kan bijgevolg niet worden beschouwd als een project dat bijdraagt tot de diversificatie van energiebronnen.

 
  
  

- Verslag-Záborská (A6-0492/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh en Inger Segelström (PSE), schriftelijk. − (SV) Wij staan erg kritisch tegenover het verslag van mevrouw Záborská en waren van plan tegen te stemmen omdat wij het erg vrouwonvriendelijk vonden. De vrouw zou voor het huishouden, kinderen en ouderen moeten zorgen in plaats van te gaan werken. Gelukkig hoefden wij niet tegen de resolutie te stemmen omdat de alternatieve resolutie van de Groenen/EVA werd aangenomen.

Wij hebben er weliswaar uiteindelijk voor gekozen om de resolutie te steunen, maar zij bevat wel formuleringen waar wij tegen zijn of waar wij onze twijfels bij hebben, en daarom was het niet vanzelfsprekend hoe wij zouden stemmen.

Als Zweedse sociaaldemocraten vinden wij dat het recht op werk voor iedereen moet gelden. De maatschappij moet echter ook instrumenten aanbieden en voorwaarden creëren om vrouwen in staat te stellen te gaan werken, wat een voorwaarde is voor hun emancipatie. Een goed uitgebouwde kinder- en ouderenzorg is een van de belangrijkste voorwaarden om ook vrouwen in staat te stellen om te gaan werken. Natuurlijk moet er intergenerationele solidariteit zijn, maar die solidariteit mag er niet toe leiden dat de vrouw gedwongen wordt thuis te blijven om op ouderen en kinderen te passen.

Wij vinden niettemin dat de door de meerderheid aangenomen resolutie een duidelijk signaal voor het Tsjechische voorzitterschap is dat zijn doel om het thuis voor kinderen en ouderen zorgen gelijk te stellen aan werk, zowel ouderwets als erg vrouwonvriendelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Atkins (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Samen met mijn Britse conservatieve collega’s steun ik een aantal van de algemene beginselen die in dit verslag worden omschreven, waaronder steun voor verzorgers, de balans tussen werk en privéleven en ouderschapsverlof.

Omdat er echter bepaalde verwijzingen voorkomen in dit verslag, met name naar de werktijdenrichtlijn, hebben we ervoor gekozen ons van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) Het punt is dat het begrip “werk” in de strategie van Lissabon betrekking heeft op betaalde arbeid. Het begrip “werk” moet breder worden geïnterpreteerd. Er zijn activiteiten die zowel vrouwen als mannen uitvoeren en die niet als “regulier werk” worden opgevat, maar die onmiskenbaar als werk moeten worden beschouwd. Vrijwilligerswerk en huishoudelijke en gezinstaken zijn bijvoorbeeld allemaal verschillende aspecten van het begrip maar ze vallen niet onder de traditionele definitie van regulier werk.

De definitie van werk is tot op de dag van vandaag te economisch. Veel mensen van beide geslachten zorgen voor hulpbehoevende personen en desondanks wordt dergelijk werk genegeerd door statistici die zich met arbeid bezig houden. Volgens mij is huishoudelijk werk huishoudelijke productie en dient deze een essentieel onderdeel uit te maken van de statistieken met betrekking tot de economische prestaties van een land.

Bij de berekening van de goederen en diensten die samen het BBP van een land vormen, wordt dit echter buiten beschouwing gelaten. Dat leidt tot een onderwaardering van vrouwen, aangezien zij voor het grootste deel van de huishoudelijke productie verantwoordelijk zijn. Gezien het aantal uren dat in huishoudelijke productie wordt gestoken, moeten we erkennen dat dit moet worden meegeteld bij de berekening van de totale productie van een land.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. − (PL) Ik heb voor het verslag-Záborská gestemd. Ik ben van mening dat met name vrouwen die voor het huishouden zorgen en kinderen opvoeden niet gediscrimineerd zouden mogen worden op de arbeidsmarkt. Het verrichten van huishoudelijke taken en de opvoeding van kinderen zijn een vorm van werk die zelden in het oog springt. Het is werk dat weinig aanzien geniet, ondanks het feit dat het de hele gemeenschap ten goede komt. In Polen zijn er ongeveer 6 miljoen huisvrouwen. Met het oog op het voorgaande zou het concept 'werk' zo in het beleid van de Europese Unie moeten worden gedefinieerd dat in een reeks tegemoetkomingen wordt voorzien voor vrouwen die hun beroepsloopbaan tijdelijk hebben onderbroken, alsook voor vrouwen die zich volledig aan hun gezin wijden of die werk en gezin met elkaar combineren.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) In de EU bedraagt de arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen slechts 62,4 procent, tegenover 91,4 procent bij de mannen. Bovendien vormen vrouwen 76,5 procent van de deeltijdwerknemers. Ongeschikte dienstverlening, lage lonen, langzame opname op de arbeidsmarkt, lange procedures voor het sluiten van overeenkomsten inzake vaste arbeid en onvoldoende stimulansen voor jonge stellen hebben tot gevolg dat jongeren het stichten van een gezin en het krijgen van kinderen uitstellen. Ik dring er bij de lidstaten van de EU op aan om maatregelen te treffen om de kosten voor zwangerschapsverlof niet alleen door de werkgevers, maar ook door de samenleving te laten betalen en ouders meer mogelijkheden te bieden voor flexibel werk en voor kinderopvang die flexibele werktijden mogelijk maakt, zodat zowel vrouwen als mannen een beter evenwicht kunnen vinden tussen werk en gezinsleven.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag waarin de diverse aspecten van directe en indirecte discriminatie van vrouwen en mannen die verantwoordelijk zijn voor de verzorging van hulpbehoevende personen, aan de orde komen. Er wordt gesteld dat een beter begrip van de relatie tussen werk (bezoldigd werk) en verplichtingen binnen het gezin (onbezoldigd werk) van essentieel belang is als we de economische onafhankelijkheid van vrouwen en zo de gendergelijkheid willen vergroten.

Wat vrouwen en mannen als niet-regulier werk realiseren bij de opvoeding van kinderen, bij de thuisverzorging van ouderen, in het kader van de solidariteit tussen generaties en bij vrijwilligerswerk in het algemeen, wordt ook vandaag de dag nog steeds niet erkend als economische arbeid.

In het verslag wordt een beroep op de lidstaten gedaan om maatregelen te nemen die erop gericht zijn om naast het traditionele, reguliere werk ook de talrijke andere vormen van werk, zoals vrijwilligerswerk en huishoudelijke en gezinstaken, te erkennen en om te onderzoeken hoe deze in het nationale boekhoudstelsel van de lidstaten kunnen worden verwerkt en wat het effect ervan is op het BBP.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mevrouw Záborská heeft een verslag gepresenteerd waarin een definitie van de term “werk” is opgenomen waar niet-betaalde en informele arbeid ook onder valt en waardoor niet-marktgerichte en onbezoldigde arbeid ook wordt erkend. Ondanks het feit dat dit soort werk in alle lidstaten het meest voorkomt, wordt er in statistische beoordelingen van de “beroepsbevolking” zelden rekening mee gehouden en wordt dit werk onvoldoende geanalyseerd, slecht gewaardeerd en niet erkend. Het werk van alle voltijdse moeders zou in ieder geval moeten worden meegerekend voor de pensioenopbouw.

Ik heb vóór dit verslag gestemd ook al heb ik zo mijn twijfels en bedenkingen bij de algemene strekking van het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Daar het alternatieve document van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie het voorstel van de rapporteur verbetert, hebben wij ervoor gestemd, ofschoon we het met enkele punten niet helemaal eens zijn.

Dit is een gebied waar overheidsbeleid dat intrinsiek verbonden is met het realiseren van gelijkheid tussen vrouwen en mannen van fundamenteel belang is. Openbare diensten en het garanderen van eenieders toegang tot hoogkwalitatieve diensten, ongeacht de economische omstandigheden of het geslacht van de personen en zonder discriminatie, zijn van essentieel belang. Dat veronderstelt nationale gezondheidszorgstelsels die gratis of bijna gratis zijn en gratis openbaar hoogkwalitatief onderwijs voor iedereen.

Het is eveneens essentieel openbare, hoogkwalitatieve voorzieningen te creëren en te handhaven met betaalbare prijzen en openingstijden die stroken met de behoeften van ouders en kinderen, evenals hoogkwalitatieve zorgvoorzieningen met betaalbare prijzen voor ouderen en afhankelijke personen. Dat is allemaal essentieel om betere levensomstandigheden te verzekeren voor de bevolking in het algemeen en vrouwen makkelijker toegang tot de arbeidsmarkt en betaald werk te verschaffen, zodat ze economisch onafhankelijk zijn, wat een basisvoorwaarde is voor de emancipatie van vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) De toelichting van mevrouw Záborská leert ons dat haar verslag handelt over de correcte maatschappelijke en economische erkenning van bepaalde activiteiten die niet als ‘regulier werk’ worden opgevat. Om het duidelijk en beknopt weer te geven: wij spreken hier voornamelijk over het opvoeden van kinderen, maar ook, in onze vergrijzende samenlevingen, over de opvang van zorgbehoevende personen. Dat had verduidelijkt moeten worden, want het is op het eerste gezicht niet op te maken uit noch de titel van het verslag, dat spreekt over discriminatie, noch een eerste lezing van de tekst, die soms wat vreemd geformuleerd is.

Afijn, de tekst heeft het terecht over maatschappelijke erkenning, over het in de nationale rekeningen registreren van alle gecreëerde rijkdom, ook als deze onzichtbaar is, over keuzevrijheid, en wil zelfs eigen rechten wat betreft sociale zekerheid en pensioen toekennen aan mensen die ervoor kiezen zich aan hun gezin en niet aan een carrière te wijden.

Het is jammer dat mevrouw Záborská deze lijn niet helemaal heeft doorgetrokken en de enige maatregel achterwege heeft gelaten waarmee zowel echte keuzevrijheid als een hoger geboortecijfer zou kunnen worden bewerkstelligd, namelijk het wegnemen van het financiële knelpunt, oftewel het ouderschapssalaris, waar het Front National al jaren voor pleit.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem voor het verslag van Anna Záborská over de bestrijding van discriminatie.

Al het denkbare moet worden gedaan om gendergelijkheid te bereiken.

Aan de ene kant moeten mannen meer bij het huishouden en de verzorging van kinderen worden betrokken, aan de andere kant moet het mogelijk en volkomen vanzelfsprekend worden dat vrouwen zich aan hun beroep wijden. Het is daarbij echter van belang dat het welzijn van het kind nooit uit het oog wordt verloren en dus moeten er passende, betaalbare opvangvoorzieningen beschikbaar worden gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Gendergelijkheid en gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en in elke andere context zijn in een democratie vanzelfsprekend. In zoverre heeft de rapporteur natuurlijk gelijk.

Maar zoals gewoonlijk blijken de maatregelen die worden voorgesteld om afwijkingen van mensenrechten en democratie recht te zetten, bedoeld te zijn om de politieke macht van de EU te versterken ten koste van de lidstaten. Het eindigt altijd met een aanval op de subsidiariteit. Hier wordt in de praktijk voorgesteld dat de EU de verantwoordelijkheid voor het sociaal beleid overneemt en wetgeving uitvaardigt voor kwesties die nauw verbonden zijn met het arbeidsmarktbeleid. Daar komen formuleringen bij die de deur openzetten voor een gemeenschappelijk fiscaal beleid. Dat zijn allemaal voorbeelden van politieke kwesties waar de lidstaten op eigen houtje moeten over beslissen.

Daarom heb ik er ondanks de vele goede bedoelingen voor gekozen om zowel tegen het initiatiefverslag als tegen de alternatieve ontwerpresolutie te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Het verslag van Anna Záborská laat ons duidelijk zien dat voor vrouwen de keuze tussen het wel of niet actief zijn op de arbeidsmarkt altijd nog een keuze tussen twee ongelijke alternatieven is.

Ik pleit ervoor dat het werk van mannen en vrouwen in het huishouden, bij de kinderopvoeding en de verzorging van zorgbehoevende mensen beter gewaardeerd en betaald wordt. Er zou meer waardering voor het huishouden moeten zijn dan nu het geval is. Dit zou vooral in de nationale sociale verzekeringen en pensioenverzekeringen tot uiting moeten komen.

Terecht wordt de eis tot ‘solidariteit tussen de generaties’ naar voren gebracht. Wij komen op voor de maatschappelijke verantwoordelijkheid jegens oudere medemensen en accepteren niet dat hele groepen buitengesloten en gediscrimineerd worden. De waarde van dit integratiewerk vertegenwoordigt bijna een derde van het nationale inkomen in Duitsland – dit voorbeeld moet in heel Europa nagevolgd worden.

Ook de bijdrage die mensen van vijftig jaar en ouder aan ons algemeen welzijn leveren, moet erkend worden. Tegenwoordig vallen zogenaamde ‘jonggepensioneerden’ wegens een veel te vroeg, meestal gedwongen afscheid van het beroepsleven in een diep gat. We hebben meer banen nodig die op oudere werknemers zijn afgestemd. Hun ervaring, hun gedetailleerde kennis en hun bereidheid zich op iets nieuws in te stellen, vormen goede voorwaarden voor kansen op de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag waarin wordt gepleit voor de rechten van werknemers ten aanzien van ouderschapsverlof en zorgverlof en waarin wordt opgeroepen tot non-discriminatie van verzorgers en meer erkenning voor het werk dat ze doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) In plaats van het hanteren van quotaregelingen, die maar al te gemakkelijk jaloezie en afgunst oproepen, zou het doeltreffender zijn om vrouwen al in hun jonge jaren bij hun opleidingskeuze en carrièreplanning te helpen, om het geconcentreerd zijn op vrouwenberoepen te doorbreken. Wanneer vrouwen dan de voorkeur geven aan een eenzame en stressvolle functie als manager boven de sociale geborgenheid in een team of in het gezin, kan dat ook geaccepteerd worden. Het principe van gelijke beloning voor gelijk werk had al lang doorgevoerd moeten zijn. Zolang dit niet zo is, loopt alles wat bedacht wordt met betrekking tot vaderschaps- of ouderschapsverlof stuk op de financiële werkelijkheid.

Voor alleenstaande ouders is het risico van armoede groot. Daarom moet de samenleving zich meer solidair met hen tonen. Een ander probleem is dat vrouwelijke prestaties zoals huishoudelijk werk, kinderopvoeding en zorg vaak nog steeds niet als werk worden gezien. Hier moet iets aan gedaan worden. Als we willen dat er kinderen worden geboren en het gezin blijft bestaan, moeten er gezinsvriendelijke werktijden komen – maar juist op dit punt werkt de EU tegen. Het is niet voldoende om op te roepen tot solidariteit tussen de generaties. Deze moet ook in de praktijk tot uiting komen. Het verslag van vandaag lijkt een stap in de goede richting te zijn en daarom heb ik er ook voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE), schriftelijk. (ES) Ik heb voor de ontwerpresolutie van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie gestemd, als alternatief voor het verslag-Záborská, omdat in deze resolutie de werkelijke problemen die er nog zijn bij het bereiken van echte gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het erkennen van de veranderingen die het gezinsmodel heeft ondergaan, de verzoening van privé- en beroepsleven en de maatregelen voor positieve actie die wij socialisten altijd hebben verdedigd, beter worden behandeld.

Stereotypen worden niet doorbroken en economische problemen niet opgelost door vrouwen te verplichten thuis te blijven en de zorg voor ouderen en kinderen op zich te nemen, zoals wordt gezegd in de tekst van mevrouw Záborská, waarin vrouwen worden gepresenteerd als ‘potentiële moeders’ die kinderen baren en het grootste deel van de opvoeding voor hun rekening nemen, samen met de vaders.

Ik wil met mijn stem ook een duidelijke boodschap afgeven aan het adres van het Tsjechische voorzitterschap, dat, zoals het in zijn programma voor dit semester uitlegt, ook het beeld van de moeder als verzorgster wil bevorderen, door veel vrouwen aan te moedigen hun carrière op te geven om voor het gezin te zorgen. Ik heb de indruk dat het Tsjechische voorzitterschap niet begrijpt wat gelijkheid tussen mannen en vrouwen in essentie betekent. Ik hoop dat we het voorzitterschap dat binnen deze zes maanden zullen kunnen uitleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik heb voor het verslag van collega Záborská gestemd dat verband houdt met intergenerationele solidariteit. Ik denk dat het huidige EU-begrip "werk" onvoldoende rekening houdt met alle categorieën. De discriminatie van vrouwen of mannen die vrijwillig kiezen voor de verzorging van hulpbehoevende personen of investeren in het vormgeven van de menselijke bekwaamheden van de toekomstige generaties is inmiddels anachronistisch en achterhaald.

Ik ben het dan ook met de rapporteur eens dat het absoluut noodzakelijk is het begrip "werk" af te stemmen op de toekomst en het onbezoldigde werk van vrouwen en mannen in het kader van de solidariteit tussen generaties te erkennen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. − (PL) Vandaag is tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement in Straatsburg het verslag over non-discriminatie op grond van geslacht en intergenerationele solidariteit aangenomen.

Intergenerationele solidariteit is een van de structurele en essentiële oplossingen voor het Europees sociaal model. De lidstaten hebben zich ertoe verbonden maatregelen te nemen om de belemmeringen uit de weg te ruimen die de gelijke toegang van vrouwen en mannen tot de arbeidsmarkt verhinderen. De Europese Commissie zou, in samenwerking met de lidstaten en de sociale partners, werk moeten maken van een herziening van de beleidsstrategieën die tot doel hebben beroeps- en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen.

De arbeidsparticipatiegraad van vrouwen bevestigt dat er met betrekking tot talrijke aspecten van werk nog steeds aanzienlijke verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen aangaande het verzoenen van privé- en beroepsleven. Overeenkomstig de doelstellingen van de strategie van Lissabon hebben de lidstaten van de Unie zich ertoe verbonden om 60 procent van de arbeidsgeschikte vrouwen op de arbeidsmarkt te integreren.

De Commissie zou zo snel mogelijk een voorstel moeten indienen voor een nieuwe richtlijn betreffende specifieke rechten en voorzorgsmaatregelen voor wat betreft het combineren van beroeps- en gezinsleven wanneer er hulpbehoevende gezinsleden zijn. Ik denk hierbij onder meer aan gezinnen met kinderen, ouderen en personen met een handicap.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. (SK) In het initiatiefverslag wordt gesproken over de verbetering van de bestaande situatie met betrekking tot de waardering voor de rol van vrouwen in het kader van intergenerationele solidariteit – zorg voor kinderen, ouderen of zorgbehoevenden in de familie. Het verslag dat ik heb voorgelegd, is echt revolutionair omdat het de eerste keer is dat een initiatief van het Parlement pleit voor de erkenning van de ‘onzichtbare’ bijdrage van vrouwen aan het financiële stelsel en het BBP.

Het verslag werd unaniem goedgekeurd in de Commissie rechten van de vrouw. Zelfs de fractie van de groenen heeft er niet tegen gestemd. Maar vandaag hebben de groenen een alternatieve resolutie ingediend, zonder dat zij vooraf overleg daarover hadden aangeboden. De hele linker vleugel van het Europees Parlement heeft voor de alternatieve resolutie gestemd. Ik trek hier twee conclusies uit. Ten eerste hebben de linkse fracties laten zien dat zij het werk van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid niet respecteren en het belang van deze commissie alleen voor de schijn erkennen. Ten tweede hebben de linkse fracties twijfels doen rijzen over hun standpunt inzake non-discriminatie tussen mannen en vrouwen en wekken zij het vermoeden dat deze kwestie voor hen niets meer dan een mediastunt is.

Ik heb tegen deze resolutie gestemd die absoluut een stap in de verkeerde richting betekent. Hoewel de resolutie passages uit mijn oorspronkelijke verslag bevat, toont zij aan dat de linkse partijen geen respect hebben voor het werk van miljoenen vrouwen in de hele EU. De auteurs van de resolutie houden nog steeds vast aan achterhaalde ideologieën die hun geldigheid inmiddels verloren hebben. Bovendien trekt de resolutie op ongehoorde wijze het Tsjechisch voorzitterschap in twijfel, alleen omdat het een discussie over de doelstellingen van Barcelona heeft voorgesteld.

 
  
  

- Verslag-Angelilli (A6-0012/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Dank u, Voorzitter. Ik heb voor het verslag gestemd. Ik ben erg bezorgd over de toegenomen verspreiding van kinderpornografie via het internet, waarbij steeds jongere kinderen zijn betrokken. Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie zijn een ernstige schending van de mensenrechten.

Ik vind het derhalve belangrijk dat er in het kader van de internationale samenwerking intensiever werk wordt gemaakt van het filteren en sluiten van websites met kinderpornografie, zodat internetproviders gedwongen worden dergelijke criminele sites te blokkeren.

Hoewel de wetgeving van de lidstaten in behoorlijk strenge straffen en een behoorlijk hoog peil van bescherming tegen misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie voorziet, moet de bescherming van minderjarigen worden verbeterd, mede gelet op de voortdurende ontwikkeling van nieuwe technologie, met name op het internet, en het gebruik door pedofielen van nieuwe methoden om kinderen online voor seksuele doeleinden te lokken (grooming).

Tot slot moeten er voor ouders en tieners bewustmakingscampagnes worden ontwikkeld over het gevaar van kinderpornografie op het internet en met name over het risico van seksuele uitbuiting in chatrooms en op forums.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. − (PL) Ik heb voor het ter tafel liggende verslag gestemd en wil mevrouw Angelilli graag van harte feliciteren omdat ze een zo belangrijk en tegelijkertijd uiterst moeilijk thema aan de orde heeft gesteld. Kinderpornografie is een mondiaal probleem dat steeds verder om zich heen grijpt. In dit verband moeten alle pogingen in het werk worden gesteld om dit verschijnsel op internationaal niveau te bestrijden. De politiediensten van de lidstaten zouden niet alleen informatie moeten uitwisselen, maar ook moeten samenwerken om dit soort misdaden zoveel mogelijk te voorkomen. Ik zou bovendien willen wijzen op de noodzaak om doeltreffende methoden te ontwikkelen ter ondersteuning van kinderen die het slachtoffer zijn geworden van pedofilie.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) Ik ben van mening dat alle landen van de EU seksuele betrekkingen met minderjarigen beneden de 18 jaar strafbaar moeten stellen als er sprake is van dwang, verkrachting of bedreigingen. Duidelijk misbruik van het vertrouwen van kinderen, misbruik van een gezagspositie jegens kinderen of het beïnvloeden van kinderen, ook binnen het gezin, en misbruik van de levenssituatie van kinderen, met name geestelijke of lichamelijke gehandicapte kinderen, dienen eveneens strafbaar te worden gesteld.

De landen van de EU moeten eisen dat aanbieders van internetdiensten de toegang tot websites blokkeren die seks met kinderen propageren, terwijl banken en andere creditcardbedrijven betalingen aan websites met kinderpornografie moeten tegenhouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik het ermee eens ben dat de lidstaten “alle vormen van seksueel misbruik van kinderen strafbaar moeten stellen”, inclusief het met seksuele bedoelingen manipuleren en lastigvallen van kinderen op het Internet (“grooming”).

Verhinderd moet worden dat personen die zijn veroordeeld wegens zedenmisdrijven, door de aard van hun beroep of vrijwilligerswerk regelmatig in contact komen met kinderen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat van mensen die solliciteren naar een baan die contact met kinderen impliceert, het strafblad wordt nagetrokken. Dit houdt ook in dat werkgevers duidelijke regels of richtsnoeren moeten krijgen met betrekking tot hun verplichtingen in dit verband.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De EU wil vaak gezamenlijk optreden terwijl het beter is de zaak aan de lidstaten over te laten. In dit geval geloof ik echter dat we iets kunnen bereiken door gezamenlijk op te treden.

Kinderpornografie en seksueel misbruik van kinderen hebben een vernietigende uitwerking op onze maatschappij en verwoesten de levens van de meest kwetsbaren, die onze bescherming verdienen.

Gezien het karakter van de EU en het vrije verkeer van personen is het van wezenlijk belang dat we de diverse middelen die ons ter beschikking staan, inzetten om deze walgelijke misdaden overal waar ze zich voordoen, de kop in te drukken. Het is vooral van belang dat informatie over delinquenten wordt gecoördineerd en regelmatig wordt geactualiseerd.

Ook moeten we de samenwerking met derde landen verbeteren zodat EU-burgers die naar landen buiten de EU reizen om zedenmisdrijven met kinderen te plegen, waar nodig kunnen worden geïdentificeerd, tegengehouden, vervolgd en uitgeleverd. De mondiale rol van de EU biedt een belangrijke gelegenheid om onze waarden te propageren in landen en regio’s waar de rechten van kinderen minder goed worden beschermd.

Ik heb derhalve vóór dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) De delegatie van de Zweedse conservatieven in het Europees Parlement heeft vandaag voor het verslag van mevrouw Angelilli (UEN, Italië) (A6-0012/2009) over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie gestemd. De strijd tegen de verspreiding van kinderpornografie moet een prioriteit zijn. De Europese samenwerking heeft op dit vlak in diverse opzichten een erg belangrijke rol te vervullen. Als Zweedse conservatieven hebben wij daarom voor het verslag gestemd.

Wij willen er echter tegelijk op wijzen dat wij de mening van de rapporteur niet delen wat betreft twee van de vele voorstellen. In tegenstelling tot de rapporteur vinden wij niet dat er concessies mogen worden gedaan betreffende de strikte geheimhoudingsplicht van bepaalde beroepsgroepen, zoals advocaten, priesters en psychologen.

Verder zijn wij van mening dat men moeilijk de eigenaar van een internetsite objectief aansprakelijk kan stellen voor alle gesprekken op een website, zelfs de private gesprekken in gesloten chatrooms. Ondanks het doel is het niet proportioneel om van alle eigenaars van internetsites te eisen dat zij alle op hun site gevoerde private gesprekken bewaken om de legaliteit van de internetsite in overeenstemming met dit voorstel te kunnen garanderen. Wij moeten ons daarentegen toespitsen op andere, effectievere methoden ter bestrijding van netwerken die kinderpornografie verspreiden, methoden die minder ernstige gevolgen hebben voor de persoonlijke levenssfeer van gewone internetgebruikers.

 
  
MPphoto
 
 

  Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor het verslag-Angelilli gestemd, omdat ik van mening ben dat de bescherming van de rechten van het kind een prioriteit moet zijn voor de EU en haar lidstaten. De wetgeving met betrekking tot de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderporno moet worden geactualiseerd om rekening te houden met de ontwikkelingen van nieuwe technologieën, in het bijzonder het internet, en met het gebruik van nieuwe vormen van manipulatie en lastigvallen van kinderen door pedofielen.

Ik vind dat de instellingen van de EU en van de lidstaten zich in het bijzonder moeten concentreren op het vergroten van de institutionele mogelijkheden om deze misdrijven te bestrijden.

Omdat deze vorm van criminaliteit geen staatsgrenzen kent, moet de EU een transnationaal netwerk ontwikkelen om ze te bestrijden. Wat dat betreft steun ik het idee dat binnen Europol een specifieke eenheid wordt opgericht voor de bestrijding van kinderporno en kinderprostitutie, onder meer bestaande uit deskundigen op welbepaalde gebieden. Deze eenheid moet efficiënt samenwerken met de bevoegde politieautoriteiten van de lidstaten en van derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Ik sta vierkant achter het initiatiefverslag van mevrouw Angelilli en de aanbeveling aan de Raad betreffende het bestrijden van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Eerdere gemeenschappelijke standpunten zijn nog niet in alle lidstaten ten uitvoer gelegd, ofschoon de snelle ontwikkeling van de technologie een toenemende bedreiging vormt voor de veiligheid van kinderen. Door dit verslag kunnen bestaande maatregelen ter bestrijding van deze afschuwelijke praktijken worden aangepast en aangescherpt en kunnen deze praktijken bij wet strafbaar worden gesteld. Uitvoering van het verslag-Angelilli betekent dat kinderen beter zullen worden beschermd tegen dergelijke vormen van misbruik door in te spelen op technologische ontwikkelingen, waarbij de pijlen met name worden gericht op de duistere praktijk ‘grooming’.

Andere belangrijke voorstellen zijn de grensoverschrijdende controle op personen die zijn veroordeeld voor seksueel misbruik, om te voorkomen dat ze in andere lidstaten een baan krijgen waarmee ze rechtstreeks in contact komen met kinderen, en een betere bescherming van slachtoffers gedurende onderzoeken en rechtszaken.

Het internet is een essentieel onderdeel van het netwerk binnen onze informatiemaatschappij. Kinderen zijn tegenwoordig vreselijk bedreven met de computer. Ondanks hun toegenomen bedrevenheid en zelfvertrouwen zien kinderen of hun minder bedreven ouders gevaren afkomstig van immorele personen echter niet onmiddellijk in. Het doel van deze door gezond verstand ingegeven voorstellen is het bieden van bescherming aan de meest kwetsbare leden van onze samenleving.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag-Angelilli over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie gestemd, want ik acht het essentieel de middelen voor de bestrijding van alle vormen van uitbuiting van kinderen te actualiseren zodat een hoog beschermingsniveau van minderjarigen in de Europese Unie is verzekerd.

Daarom verdedig ik de aanbevelingen in dit verslag, met name het voorstel voor de strafbaarstelling in de lidstaten van alle zedenmisdrijven jegens kinderen, voor vergrote waakzaamheid en controle op nieuwe vormen om minderjarigen te lokken, met name via het internet, en voor het opzetten van een waarschuwingssysteem voor vermiste kinderen dat betere samenwerking op Europees niveau bevordert.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie zijn buitengewoon verachtelijke misdrijven, die, in het tijdperk van internet en sekstoerisme, strengere wetgeving, intensievere samenwerking tussen politie en justitie en een betere begeleiding van de slachtoffers vereisen. Het verslag van mevrouw Angelilli verdient onze steun.

Ik wilde er hier echter op wijzen dat behalve de ontwikkelingen van de technologie, die de perverse geesten steeds meer kansen bieden om hun lusten bot te vieren, zedenverwildering en de uitholling van normen en waarden mede debet zijn aan de sterke toename van dit soort misdrijven.

Nauwelijks dertig jaar geleden, onder het mom van een zogenaamde liberalisering van de zeden, van ongebreideld genot voor iedereen en een pseudo-persoonlijke ontplooiing van het individu vanaf de jongste jaren, bepleitte een zekere politieke stroming de seksuele activiteit van kinderen, onder meer in de kolommen van de salonfähige spreekbuis van links, de Franse krant Le Monde. Hoewel deze verfoeilijke redenering, zo mag ik hopen, tegenwoordig niet meer door de beugel zou kunnen, blijven de bedenkers ervan oreren en blijft hun politieke beweging ons belerend toespreken zonder ooit ook maar enige schuld te hebben bekend.

Tot slot zou ik graag willen weten waarom het enige recht dat in de meeste van onze lidstaten niet aan kinderen wordt toegekend hun recht is om geboren te worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Zoals in deze aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad staat is het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (het Verdrag van de Raad van Europa), dat al ondertekend is door twintig lidstaten van de EU, het eerste internationale rechtsinstrument waarmee de verschillende vormen van seksueel misbruik van kinderen, inclusief misbruik dat bijvoorbeeld is begaan met gebruikmaking van geweld, dwang of bedreigingen, zelfs binnen het gezin, tot strafbaar feit worden verklaard.

In dat verband verzoekt het Europees Parlement met klem de lidstaten die het nog niet hebben gedaan alle relevante internationale verdragen te ondertekenen, ratificeren en toe te passen, om te beginnen “het Verdrag van de Raad van Europa”. Naast andere aanbevelingen vraagt het Europees Parlement de lidstaten hun wetgeving en samenwerking op dit vlak te verbeteren en “dat zedendelicten jegens kinderen onder 18 jaar in de hele EU worden geclassificeerd als uitbuiting van een minderjarige” en dat zij alle soorten seksueel misbruik van minderjarigen strafbaar stellen.

Los van de noodzakelijke analyse en de soevereine besluiten van elk land betreffende de aanbevelingen van het Europees Parlement zijn we het eens met de algemene strekking van de resolutie, die beoogt de rechten van kinderen te beschermen en te garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens Holm, Erik Meijer, Esko Seppänen en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie zijn afschuwelijke misdaden en voor de bestrijding ervan moet op internationaal niveau worden samengewerkt. Daarom hebben wij vandaag vóór het verslag-Angelilli gestemd. Niettemin staan er punten in het verslag waar we het niet mee eens zijn, zoals het tot stand brengen van een uniforme extraterritoriale strafwetgeving die in de hele EU van toepassing is, alsmede het vaststellen op EU-niveau van datgene wat moet worden beschouwd als misdaad en verzwarende omstandigheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem in met het verslag van Roberta Angelilli over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

Het is nu belangrijker dan ooit dat kinderen alle denkbare bescherming voor hun ontwikkeling en integriteit krijgen. Omdat beide ouders vaak werken, de grootouders er niet meer zijn om op ze te passen en het internet vaak het enige tijdverdrijf is, kan niet ontkend worden dat er grote risico’s bestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Kartika Tamara Liotard (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie zijn afschuwelijke misdaden en voor de bestrijding ervan moet op international niveau worden samengewerkt. Daarom heb ik vandaag vóór het verslag-Angelilli gestemd. Niettemin staan er punten in het verslag waar ik het niet mee eens ben, zoals het tot stand brengen van een uniforme extraterritoriale strafwetgeving die in de hele EU van toepassing is, alsmede het vaststellen op EU-niveau van datgene wat moet worden beschouwd als misdaad en verzwarende omstandigheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Zedendelicten jegens kinderen en kinderpornografie behoren tot de walgelijkste misdrijven waaraan mensen zich schuldig maken. Het zijn misdrijven die tot strenge straffen of, indien de dader psychisch ziek is, tot vergaande, serieuze zorg moeten leiden.

In het verslag staan vele goede maatregelen ter verbetering van de omgang met deze ontstellende sociale problemen. De lidstaten worden opgeroepen om alle internationale verdragen ter zake te ratificeren en uit te voeren. Ze zouden hulp moeten krijgen om hun wetgeving ter zake te verbeteren en kindersekstoerisme zou in alle lidstaten strafbaar gesteld moeten worden. Dit strookt volledig met mijn opvatting van de EU als een unie van waarden. Een groot deel van het verslag krijgt mijn steun, en ik heb in talrijke aparte stemmingen vóór gestemd.

Het verslag wil echter ook de strafwetgeving in de EU harmoniseren en een systeem van preventieve en met EU-middelen te financieren maatregelen in het leven roepen, hoewel dit een wereldwijd probleem is dat via verdragen en overeenkomsten op VN-niveau zou moeten worden geregeld. Wij kunnen ons moeilijk van de indruk ontdoen dat wij opnieuw worden geconfronteerd met een voorbeeld van hoe een ontstellend sociaal probleem cynisch wordt gebruikt om de standpunten van de EU naar voren te schuiven, ten koste van de zelfstandigheid van de lidstaten. Het strafrecht is een uiterst centraal onderdeel van de bevoegdheden van een soevereine staat. Ik heb daarom tegen het verslag als geheel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Manole (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb gestemd voor het verslag van mevrouw Angelilli over seksuele uitbuiting van kinderen, omdat dit thema betrekking heeft op een van de walgelijkste inhumane handelingen die er bestaat en die bestraft dient te worden met maatregelen in alle lidstaten.

In Roemenië schiet de kennis over dit fenomeen nog veel te kort. We beschikken over weinig gegevens over de omvang ervan. Daarom meen ik dat het aannemen van dit verslag zal bijdragen tot de uitbreiding van de voorlichtingscampagnes die de aandacht vestigen op en waarschuwen voor misbruik van kinderen, tot de toename van het aantal en de omvang van acties om seksueel uitgebuite minderjarigen op te sporen, tot het uitbouwen van rehabilitatiediensten en regelmatige controle van hun situatie, en tot het perfectioneren van het systeem voor registratie van en toezicht op gevallen van seksuele uitbuiting van kinderen.

Tevens vind ik dat minderjarige slachtoffers van mensenhandel in alle lidstaten recht hebben op gespecialiseerde diensten, met inbegrip van bijstand en rehabilitatie, binnen de doorgangscentra.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik steun dit verslag waarmee de drie landen die het kaderbesluit van de Raad ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie nog niet hebben geïmplementeerd, worden opgeroepen dit alsnog te doen. Ik sta ook achter het verbeteren van de bescherming van kinderen, met name op internet en tegenover andere technologieën in ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Terwijl het Europees Parlement discussieert over de vraag hoe kinderen beter beschermd kunnen worden, doet zich in de islamitische wereld een ontwikkeling in tegengestelde richting voor. Wanneer de hoogste geestelijk leider van Saoedi-Arabië tien- of twaalfjarige meisjes als ‘huwbaar’ bestempelt en het recht op kinderhuwelijk opeist, zal dat via de islamitische immigranten ook invloed op Europa hebben. Hier moeten we dus op voorbereid zijn.

Onze kinderen moeten de grootst mogelijke bescherming krijgen. Omdat seksuele misdadigers die zich aan kinderen vergrijpen vaak recidiveren, moeten we voor de hele EU een bestand instellen met namen van potentiële seksuele criminelen, pedofielen en personen die op dat gebied opvallend gedrag vertonen. Geweld tegen kinderen en kindermisbruik in alle vormen moeten sterker worden bestreden en er moeten hogere straffen komen voor seksuele contacten met kinderen en het bezit van kinderporno. Ik heb voor het verslag Angelilli gestemd, omdat daarmee de bescherming van onze kinderen wordt verbeterd.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN), schriftelijk. (GA) In de Europese Unie neemt informatietechnologie in het ‘digitale tijdperk’ een steeds grotere plaats in. Ongetwijfeld hebben deze technologie en de daarmee verband houdende faciliteiten grote voordelen op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, het maatschappelijk leven en onderzoek. Dit betekent echter niet dat we de gevaren van deze technologie mogen veronachtzamen.

Vooral met het internet gaat een grote mate van vrijheid gepaard – een vrijheid zonder fysieke of praktische grenzen. Deze vrijheid kan positief zijn, en in de meeste gevallen is dit ook zo, maar kan ook worden misbruikt voor seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

Niets is belangrijker dan de gezondheid, het welzijn en de toekomst van onze kinderen. We moeten ons uiterste best doen om hen te beschermen. Daarom deed het mij genoegen mijn steun te kunnen geven aan het verslag van mevrouw Angelilli, aan wie ik mijn lof wil uitspreken voor het werk dat zij in deze kwestie heeft verricht.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Ik heb voor het verslag-Angelilli over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie gestemd, omdat daarin met klem wordt aangedrongen op de vanzelfsprekende noodzaak dat alle lidstaten het vigerend internationaal recht naleven en op de herziening van het desbetreffend kaderbesluit van de Raad teneinde kinderen in Europa beter te kunnen beschermen.

De gegevens van de Organisatie van de Verenigde Naties zijn dramatisch. Verreweg de meeste slachtoffers van mensenhandel met als doel seksuele uitbuiting zijn kinderen en adolescenten. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat internationaal wordt samengewerkt om deze misdaden op geïntegreerde wijze te kunnen bestrijden en dat alle lidstaten ervoor zorgen dat de daders voor de rechtbank worden gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Petre (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb voor het verslag-Angelilli gestemd omdat we SNEL en EFFICIËNT moeten optreden om de oorzaken en vooral de gevolgen van seksuele uitbuiting van kinderen en van kinderporno te bestrijden.

Onze kinderen worden steeds eenzamer omdat wij het steeds drukker hebben. Zo worden zij het slachtoffer van gevaarlijke verleidingen. Het door commissaris Barrot verwoorde engagement van de EU geeft ons de garantie dat wij vanaf maart over een uitstekend rechtskader zullen beschikken.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór dit verslag gestemd dat beoogt het kaderbesluit uit 2004 aan te passen en uit te breiden teneinde kinderen te beschermen tegen seksuele uitbuiting en seksueel geweld. Met name gezien de technologische ontwikkelingen (in het bijzonder internet) moet het in het kaderbesluit genoemde beschermingspeil worden verhoogd. Het aanzetten van kinderen tot het verrichten van seksuele handelingen moet strafbaar worden gesteld. De lidstaten moeten nauwer samenwerken bij de uitwisseling van gegevens uit strafregisters die betrekking hebben op veroordelingen wegens seksueel misbruik, om te voorkomen dat wegens dergelijke feiten veroordeelde personen banen aangeboden krijgen waarbij ze rechtstreeks in aanraking komen met kinderen. Ook moet de bescherming van de slachtoffers worden verbeterd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolae Vlad Popa (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb gestemd voor het initiatiefverslag van mevrouw Roberta Angelilli, waarin de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderporno wordt behandeld en de nadruk wordt gelegd op de preventieve maatregelen waaraan de lidstaten moeten denken wanneer zij hun wettelijke maatregelen uitwerken tegen seksuele uitbuiting van kinderen en kinderporno.

Het verslag luidt ook de alarmklok met betrekking tot de gebrekkige toepassing van het bestaande kaderbesluit en de betreffende internationale instrumenten, in het bijzonder het Verdrag van de Raad van Europa voor de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, waar Roemenië sinds 2007 bij aangesloten is. Het eist tegelijkertijd ook dat nieuwe zedenmisdrijven daarin worden opgenomen. De lidstaten moeten slachtoffers van seksuele uitbuiting aanmoedigen contact op te nemen met de politie en de rechtbanken die zowel strafrechtelijk als ook burgerrechtelijk bevoegd zijn. Ook moeten de lidstaten de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen en mensen die beroepshalve rechtstreeks met minderjarigen in contact komen, wijzen op hun verantwoordelijkheden en hen informeren over de gevaren van personen die kinderen met seksuele bedoelingen manipuleren en lastigvallen op het internet.

Al deze gevaren kunnen worden beperkt door de oprichting van nationale controle-instanties en door samenwerking van de internetaanbieders om websites met kinderporno of ander kinderpornografisch materiaal te blokkeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. − (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik heb voor het verslag van mevrouw Angelilli over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie gestemd. Deze praktijken alleen veroordelen is namelijk onvoldoende om deze ernstige schending van de mensenrechten uit te roeien.

Het is echter zorgwekkend dat niet alle lidstaten zich hebben gehouden aan de voorschriften van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003. Dit besluit dient onder andere herzien te worden om de mate van bescherming van kinderen te verhogen, ook met het oog op de voortdurende ontwikkeling van nieuwe technologieën, in het bijzonder internet, en het gebruik van nieuwe methodes om kinderen via internet te lokken voor seksuele doeleinden (het zogenaamde grooming) door pedofielen.

Ik ben het volledig eens met de rapporteur, die ons een gedetailleerd en constructief verslag heeft voorgelegd waarin blijk wordt gegeven van over een uitstekende kennis van deze kwesties.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. − (RO) Kinderpornografie is een gevoelig onderwerp dat voortdurend onder de aandacht van de Europese en nationale autoriteiten moet blijven. De lidstaten van de Europese Unie zouden elke vorm van seksueel misbruik van kinderen en elke vorm van kinderen lastigvallen op het internet streng moeten bestraffen.

Ik sta achter de beslissing van het Europees Parlement om de lidstaten te verzoeken zich krachtig in te zetten voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de kwetsbaarheid van kinderen die gebruik maken van chatrooms of internetfora.

In het licht daarvan is efficiënte samenwerking tussen de nationale autoriteiten en de internetaanbieders essentieel om de toegang van kinderen tot pornografische websites te beperken, maar ook om te beletten dat kinderen toegang krijgen tot sites die reclame maken voor mogelijkheden om misdrijven van seksuele aard te plegen. Er bestaan ook aanbevelingen om nationale programma’s in het leven te roepen om zowel plegers van zedendelicten als slachtoffers van seksueel misbruik psychologisch te rehabiliteren.

Ik benadruk dat elke afzonderlijke lidstaat een register zou moeten bijhouden van personen die zich hebben schuldig gemaakt aan misbruik van kinderen en zou moeten verhinderen dat dergelijke personen worden tewerkgesteld in sectoren die omgang met kinderen impliceren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. − Ik heb met volle overtuiging voor het verslag over de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie gestemd. Het staat buiten kijf dat grooming (het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden) en pedofiele chatrooms strafbaar gesteld moeten worden. Zedenmisdrijven jegens kinderen moeten daarenboven onder extraterritoriale strafwetgeving vallen. Het is ook een goede zaak dat de Europese Unie interventieprogramma's ter voorkoming van recidive door zedendelinquenten uit de algemene begroting moet kunnen financieren. Ik steun ook het voorstel waarbij de Commissie samen met de grootste kredietkaartondernemingen nagaat welke technische mogelijkheden er zijn om het internetbetaalsysteem van websites voor de verkoop van kinderpornografisch materiaal te blokkeren of te sluiten.

Tenslotte roep ik de 7 EU-lidstaten die het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van de Raad van Europa nog niet hebben ondertekend, dit alsnog te doen. En dat geldt ook voor de 8 lidstaten die het Facultatieve Protocol uit 2000 betreffende de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag over de rechten van het kind van de VN nog niet hebben geratificeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De politieke krachten die steun geven aan de imperialistische barbaarsheid, de oorlogen, de roof op de natuurlijke rijkdom en de uitbuiting van de volkeren zijn medeplichtig aan de misdaad die dagelijks wordt begaan tegen miljoenen kinderen in de wereld. Zij zijn verantwoordelijk voor de miljoenen kinderen die honger lijden, ondervoed zijn, gedwongen worden om te werken en in de landen van het “beschaafde Westen” onder de armoedegrens leven. Miljoenen kinderen zijn het slachtoffer van seksuele uitbuiting en het object van de bloeiende kinderpornografie-industrie, die enorme omzet en winsten maakt - alleen via het internet al meer dan 3 miljard euro.

Met de in het verslag voorgestelde strafrechtelijke maatregelen zal kinderen geen bescherming kunnen worden geboden. Daarmee kan en wil men de hoofdoorzaak van de pijlsnel toenemende corruptie en perversie, namelijk de winst en het door en door rotte kapitalistisch uitbuitingssysteem niet aanpakken. Maatregelen zoals de afschaffing van dubbele strafbaarheid, het aftappen van communicatie en het willekeurig ingrijpen van de politiële en gerechtelijke autoriteiten in het internetverkeer zullen evenmin een efficiënte bijdrage kunnen leveren aan de bescherming van kinderen. Integendeel, uit de ervaring is gebleken dat dergelijke maatregelen om te beginnen als uitzonderingen worden opgenomen in de wetgeving inzake het bestrijden van misdaden die verontwaardiging en afkeer veroorzaken onder de bevolking, en dat daarna geprobeerd wordt deze maatregelen te legaliseren in de ogen van het volk, opdat zij later algemeen van toepassing kunnen worden om de individuele rechten en democratische vrijheden te beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) Ik heb tegen het verslag over de harmonisering van het strafrecht bij zedendelicten jegens kinderen gestemd. Ik ben voor een sterke samenwerking in de EU ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, maar vind dat het strafrecht een nationale aangelegenheid moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. (SK) De bescherming van kinderen en jongeren tegen seksueel misbruik is een belangrijke kwestie en inderdaad een probleem van onze tijd.

Ik ben sinds jaar en dag voorstander van bijzondere rechten van ouders wat betreft de opvoeding van hun kinderen, maar in dit geval moet ook de staat kinderen en jongeren beschermen. Deze bescherming geldt niet alleen voor het internet, maar ook voor reclame in de media, die fatsoenlijk moet blijven en aan onze morele waarden moet voldoen en geen bedreiging mag vormen voor het recht van kinderen op onschuld.

Ouders spelen een belangrijke rol bij de bescherming van hun kinderen tegen seksueel misbruik. In artikel 26, lid 3 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens staat duidelijk dat “aan de ouders in de eerste plaats het recht [toekomt] om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen welke aan hun kinderen zal worden gegeven”. Opvoeding door de ouders omvat ook opvoeding met betrekking tot een verantwoorde omgang met de media. Ouders kunnen hun opvoedende rol evenwel niet op consequente manier vervullen als zij niet genoeg tijd hebben voor hun gezin en hun kinderen. De staat dient ouders deze vrije tijd te geven. Het internet kan nooit een vervanging vormen voor de tijd die ouders en kinderen met gesprekken doorbrengen. Een computerspel kan geen vervanging vormen voor een gesprek met oma. De joystick is geen equivalent voor een uur dat met opa wordt doorgebracht in de garage.

Het natuurlijke gezin is een veilige ruimte voor kinderen en ouders zijn hun belangrijkste beschermers. Daarom heb ik in Slowakije een project opgezet dat in de eerste plaats tot ouders is gericht: “Weet u waar uw kind op dit moment is?”

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Zlotea (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) In een geciviliseerde samenleving moeten we de veiligheid van kinderen boven alles stellen. Seksuele uitbuiting komt neer op een schending van het recht van een kind op verzorging en bescherming. Seksuele uitbuiting laat psychische en soms zelf fysieke littekens achter bij kinderen en vermindert hun hoop op een waardig leven.

Ik wil mij graag scharen achter de opvatting van de rapporteur, mevrouw Angelilli, dat het sinds 2004 geldende kaderbesluit geactualiseerd moet worden. Wij zijn het ermee eens dat die actualisering zodanig dient te geschieden dat de bescherming van kinderen wordt verbeterd, vooral tegen de nieuwe bedreigingen die uitgaan van het internet en andere nieuwe communicatiesystemen. De lidstaten dienen erop toezien dat de wetgeving op zodanige wijze wordt aangepast dat websites met een criminele inhoud geblokkeerd worden.

We moeten de samenwerking tussen de lidstaten stimuleren om dit soort criminaliteit een halt toe te roepen en kinderporno en andere vormen van commerciële seksuele uitbuiting van minderjarigen op actieve wijze te bestrijden. We hebben behoefte aan een wereldwijde, alomvattende strategie, compleet met diplomatieke en bestuurlijke samenwerking om ervoor te zorgen dat deze wetgeving in het belang van de kinderen wordt toegepast. We moeten slachtoffers van misbruik bescherming bieden en een einde maken aan sekstoerisme!

 
Juridische mededeling - Privacybeleid