De Voorzitter. − Dames en heren, twee weken geleden is een Poolse ingenieur, Piotr Stańczak, die in september vorig jaar door terroristen in Pakistan werd gegijzeld, door zijn gijzelnemers geëxecuteerd. Namens het Europees Parlement wil ik mijn verontwaardiging uitspreken over deze afschuwelijke moord op een onschuldig mens, Pools staatsburger en burger van de Europese Unie. Het Europees Parlement veroordeelt deze misdaad ten scherpste en betuigt zijn diepe medeleven aan de familie en de vrienden van het slachtoffer.
Terrorisme is een rechtstreekse aanslag op de vrijheid, de mensenrechten en de democratie. Terrorisme is wanneer iemand zijn doel probeert te bereiken met nietsontziend geweld en onze gemeenschappelijke waarden vernietigt. Het is een van de grootste bedreigingen voor de veiligheid en stabiliteit van de internationale gemeenschap. Terrorisme is een misdaad die we niet met mildheid tegemoet mogen treden.
Dames en heren, in de moedertaal van de vermoorde ingenieur zeg ik: niech spoczywa w wiecznym pokoju (dat hij moge rusten in vrede).
Ik verzoek u om te gaan staan en een minuut stilte in acht te nemen ter nagedachtenis van Piotr Stańczak.
(Het Parlement neemt staande een minuut stilte in acht)
Dames en heren, de bosbranden in Australië hebben de laatste dagen tot een tragisch verlies aan mensenlevens geleid. Bij deze ergste bosbranden in de geschiedenis van Australië zijn veel mensen op afschuwelijke wijze om het leven gekomen. Wij waren ontzet door het geweld van deze natuurramp en de huiveringwekkende tol die deze heeft geëist. Ik heb de Australische minister-president een brief gestuurd met het diepe medeleven van het Europees Parlement. Namens het Europees Parlement wil ik in deze plenaire vergadering nogmaals onze solidariteit uitspreken met Australië en met de bevolking en autoriteiten van dit land in deze periode van rouw.
Volgende week reist een delegatie van het Parlement af naar Australië en deze zal het medeleven van het Europees Parlement ook persoonlijk tot uiting brengen. Niettemin wil ik nu reeds namens ons allen onze diepgevoelde deelneming en condoleances uitspreken aan de families van de slachtoffers. Wij zijn in onze gedachten bij hen.
Dames en heren, er bereiken ons in deze dagen opnieuw zorgwekkende berichten uit de Islamitische Republiek Iran. Zeven leden van de Baha'i-geloofsgemeenschap worden sedert mei 2008 gevangen gehouden. In deze acht maanden is hun alle rechtsbijstand ontzegd. De zeven hoogwaardigheidsbekleders van de Baha'i-gemeenschap zouden deze week worden veroordeeld in een rechtszaak die zelfs niet aan de meest fundamentele eisen van de rechtsstaat voldoet. Nobelprijswinnares en advocate Shirin Ebadi, die bereid was de verdediging van de zeven toonaangevende leden van de gemeenschap op zich te nemen, is met de dood bedreigd.
Het Europees Parlement doet opnieuw een dringende oproep aan de Iranese instanties om de mensenrechten en de rechten van religieuze minderheden te eerbiedigen en hun aanklacht tegen de zeven leden van de Baha'i-gemeenschap – Fariba Kamalabadi, Jamaloddin Khanjani, Afif Naeimi, Saeid Rasaie, Mahvash Sabet, Behrouz Tavakkoli en Vahid Tizfahm – opnieuw in overweging te nemen. Deze mensen zijn louter op grond van hun geloof gevangen gezet en moeten onmiddellijk worden vrijgelaten.
(Applaus)
Dames en heren, afgelopen vrijdag 13 februari 2009 is in de Venezolaanse hoofdstad Caracas onze Spaanse collega Luis Herrero wegens commentaar in de media op de Venezolaanse regering, op last van deze regering gearresteerd en vervolgens het land uitgezet. Luis Herrero bevond zich als officieel lid van een PPE-DE-delegatie in het land en was door een oppositiepartij uitgenodigd ter gelegenheid van het grondwettelijk referendum. De politie drong zijn hotelkamer binnen, arresteerde hem en zette hem vervolgens zonder officiële verklaring op een lijnvlucht naar Brazilië, waarbij hij niet eens de tijd kreeg om zijn persoonlijke spullen mee te nemen. Dit kunnen wij niet accepteren!
Namens het Europees Parlement teken ik fel protest aan tegen deze gang van zaken. Ik spreek nadrukkelijk mijn veroordeling uit over deze gebeurtenis, die een schending van de mensenrechten is en getuigt van minachting voor een democratische instelling als het Europees Parlement.
(Applaus)
Giles Chichester (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik neem het woord als voorzitter van de delegatie voor de betrekkingen met Australië en Nieuw Zeeland omdat ik mij volledig aansluit bij de verklaring die u zojuist hebt afgelegd en waarvoor ik u dank. Ik verheug me erop deze boodschap volgende week in Australië te kunnen afleveren.
De Voorzitter. – Hartelijk dank, mijnheer Chichester.
3. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
De Voorzitter. − De definitieve ontwerpagenda voor deze plenaire vergadering, die door de Conferentie van voorzitters is opgesteld overeenkomstig artikel 130 en 131 van het Reglement tijdens haar vergadering van 5 februari 2009, is rondgedeeld. De volgende wijzigingen zijn voorgesteld:
woensdag
Verzoek van de PPE-DE-Fractie om uitstel tot de volgende vergaderperiode van het debat over het verslag-Reul over suggesties om de uitdagingen in verband met de aardolievoorziening tegemoet te treden.
Herbert Reul, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, wij hebben in de commissie lang over dit voorstel gedebatteerd en met grote meerderheid een besluit genomen. Vandaag en gisteren is echter een veelvoud aan adviezen en suggesties op tafel gekomen, hoofdzakelijk omdat andere commissies nieuwe onderwerpen voor discussie hebben voorgelegd.
Het lijkt me beter om niet vandaag een besluit te nemen, maar eerst de gelegenheid te benutten om een oplossing te vinden die kan rekenen op de steun van het Parlement. Ik vraag u daarom het verzoek om uitstel vandaag in te willigen. Dank u wel.
Hannes Swoboda, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben twee ontwerpresoluties ingediend die hoogstwaarschijnlijk niet door een brede meerderheid in dit Parlement zullen worden gesteund. Daarom schaar ik mij achter dit verzoek.
Mijnheer de Voorzitter, met uw goedvinden verzoeken wij ook om uitstel van het verslag-Berman. Als dit verzoek niet wordt ingewilligd, omdat het te laat is gedaan, wil ik nu meedelen dat wij morgen zullen vragen de stemming over dit verslag uit te stellen. Dank u wel.
De Voorzitter. – Hartelijk dank, mijnheer Swoboda.
Wil iemand tegen het voorstel spreken?
Claude Turmes, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de groenen hebben een resolutie ingediend die kan rekenen op instemming van de Liberalen en op steun in brede kringen van de sociaaldemocraten. Ik denk daarom dat de heer Reul uitstel wil omdat hij bang is dat zijn standpunt een minderheidsstandpunt is.
Ik vind het een beetje vreemd dat wij, na zo lang te hebben gediscussieerd, nu toch weer om uitstel vragen. Wij zijn dus tegen uitstel.
De Voorzitter. – Dames en heren, u hebt kennis kunnen nemen van de politieke context. U hebt ook gehoord wat de heer Swoboda te zeggen had. Het besluit wordt morgen genomen.
(Het Parlement willigt het verzoek van de PPE-DE-Fractie in)
Morgen stemmen wij over het voorstel van de heer Swoboda. Ik verzoek u allen dit in gedachten te houden bij de stemming van vandaag.
(Het Parlement neemt de aldus gewijzigde agenda aan)(1)
De Voorzitter. − Aan de orde zijn de verklaringen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de Commissie over de rol van de Europese Unie in het Midden-Oosten. Het is mij een genoegen om de Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, welkom te mogen heten in ons midden en hem het woord te mogen geven.
Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is de eerste keer in 2009 dat ik vóór u sta. Het is mij een waar genoegen hier te mogen zijn en ik hoop dat de goede samenwerking zoals we die in het verleden hebben gehad, dit jaar zal worden voortgezet.
De oorlog in Gaza kwam een maand geleden, op 18 januari, ten einde en ik denk dat u het met me eens zult zijn dat het lijkt alsof het nog maar gisteren was. De schaal van het lijden en de verwoesting was immens en heeft ons allemaal een bittere nasmaak bezorgd. De humanitaire situatie is tot op de dag van vandaag hartverscheurend. We moeten snel met oplossingen komen om hulp ter plekke te bieden en het lijden van de bevolking te verminderen.
Tevens moeten we alles in het werk stellen om een einde te maken aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen en tussen Israël en de Arabische wereld. De parameters voor de oplossing zijn in feite al enige tijd bekend. Waar het nu om draait is de politieke wil om de oplossing onder de Israëli’s en de Palestijnen, onder de Arabieren en de internationale gemeenschap ten uitvoer te leggen.
Het Europese streven naar vrede in het Midden-Oosten is nog even krachtig als voorheen. Wij staan volledig achter de vorming van een levensvatbare en onafhankelijke Palestijnse staat, die naast Israël kan bestaan. Dit raakt aan de kern van ons Midden-Oostenbeleid. We gaan bij ons optreden altijd uit van dit strategische doel. We geven alle steun aan iedereen die een vreedzame oplossing voor de vele uitdagingen in de Midden-Oostenregio nastreeft.
Dit Parlement weet maar al te goed hoe lastig de situatie is. De regio is al veel te vaak geteisterd door geweldspiralen, toenemend extremisme en economische problemen. Tegelijkertijd zijn de omstandigheden voor de Europeanen en Amerikanen om samen op zoek te gaan naar vrede in het Midden-Oosten waarschijnlijk gunstiger dan ooit. Ik ben pas terug uit Washington waar ik goede besprekingen heb gevoerd met iedereen in de regering van Obama. Ik denk dat ik ervan op aan kan dat de krachtige toezeggingen die zijn gedaan, ook reëel zijn. We zijn bereid samen met hen aan een oplossing van dit conflict te werken.
Ik denk dat de benoeming van senator Mitchell als gezant van de VS de mensen in het Midden-Oosten en hun vrienden nieuwe hoop heeft gegeven. We kennen hem. We hebben met hem gewerkt. Ik heb in 2001 het voorrecht gehad met hem aan het befaamde verslag te werken en onlangs was ik nog in de gelegenheid om in de regio samen met hem te werken.
Ik hoop zeer dat deze veranderingen zullen leiden tot een nieuwe benadering, tot een benadering die de partijen meer zeggenschap biedt over de manier waarop ze hun zaken regelen. We weten dat de oplossingen en voorstellen ter plekke gestalte moeten krijgen, maar een groter internationaal engagement blijft ook van cruciaal belang.
Daarom is het Arabische vredesinitiatief zo belangrijk. Door middel van dit initiatief wil de Arabische wereld op een collectieve manier laten zien wat hun bijdrage kan zijn aan de beëindiging van hun conflict met Israël. Het is hun antwoord op de omstandigheid die hun ontwikkeling en hun integratie in onze mondiale wereld heeft tegengehouden. Deze kwestie blijft, terecht, op tafel liggen.
Er zijn in Israël zojuist belangrijke verkiezingen gehouden. Natuurlijk is het aan de bevolking van Israël, aan hun politieke leiders, om een besluit te nemen over de samenstelling van hun nieuwe regering. Wij hopen van onze kant dat de nieuwe minister-president en zijn regering degelijke gesprekspartners zullen zijn bij vredesonderhandelingen.
Het staat buiten kijf dat dit ook voor de Palestijnen geldt. Ook zij moeten hun zaken op orde zien te krijgen, onder andere door middel van verzoening. Zoals iedereen weet, staan wij volledig achter de intra-Palestijnse verzoening die president Abbas voorstaat en achter alle inspanningen van Egypte en de Arabische Liga in die richting. Dit wordt de sleutel tot vrede, stabiliteit en ontwikkeling.
Zoals ik al zei, weet ik dat dit Parlement zich zeer intensief met de crisis in Gaza bezighoudt. Dat geldt voor iedereen. Sta me toe van de gelegenheid gebruik te maken om stil te staan bij een paar van de belangrijkste internationale inspanningen die erop gericht zijn de gewelddadigheden te beëindigen en de erbarmelijke toestand van alle burgerbevolkingsgroepen te verbeteren.
Egypte en vooral ook de Palestijnen zelf blijven een cruciale rol spelen bij het oplossen van de situatie in Gaza. We hopen dat hun inspanningen spoedig zullen leiden tot een duurzaam staakt-het-vuren, tot openstelling van de grensovergangen voor alle goederen en personen en tot een soort intra-Palestijnse overeenkomst. Als dat niet gebeurt, zal de wederopbouw van Gaza moeilijk, zo niet onmogelijk, worden.
We zien uit naar positieve aankondigingen over het staakt-het-vuren. Eergisteren hebben er goede besprekingen plaatsgevonden. Laten we hopen dat deze vandaag en in de toekomst worden voortgezet zodat onverwijld een staakt-het-vuren kan worden afgekondigd. Zoals u weet, wordt op 2 maart in Egypte ook een belangrijke conferentie gehouden over de wederopbouw en we verwachten dat de hele internationale gemeenschap daar toezeggingen doet. De Europese Unie heeft ook een rol gespeeld. We hebben ons onmiddellijk bereid verklaard om op concrete manieren bij te dragen aan een duurzaam staakt-het-vuren. We hebben ons ook bereid verklaard om onze grenswaarnemers, volgens de overeenkomst die we in 2005 hebben ondertekend, opnieuw naar de grensovergang bij Rafah te sturen. We staan paraat om bij Rafah, of andere grensovergangen waar hulp nodig is of wordt verzocht, te opereren.
Verschillende Europese landen hebben ook verklaard bereid te zijn de illegale handel van met name wapens naar Gaza te komen helpen bestrijden. Het Europees Parlement heeft naar aanleiding van de crisis belangrijke activiteiten ondernomen. Deze zijn een onderdeel van de algehele reactie van de Europese Unie op deze crisis.
Wat de Verenigde Naties betreft, hebben wij grote waardering voor het werk en het doorzettingsvermogen van UNRWA en we onderstrepen dat de Europese Unie al haar inspanningen zal blijven steunen.
Het is echter duidelijk dat geen enkel land of organisatie de conflicten in het Midden-Oosten alleen kan aanpakken. De problemen zijn van dien aard dat multilaterale oplossingen nodig zijn. Het Kwartet voor het Midden-Oosten zal de komende maanden een cruciale rol spelen. De nieuwe Amerikaanse regering heeft, samen met ons, haar voornemen bevestigd om het Kwartet ten volle te benutten.
De afschuwelijke gebeurtenissen in Gaza moeten ons ook dwingen om een meer strategische, aan de lange termijn georiënteerde blik te richten op Gaza. De Gazastrook is een wezenlijk onderdeel van de Palestijnse gebieden die in 1967 werden bezet en die zonder enige twijfel ook deel zullen uitmaken van een Palestijnse staat. Gaza moet economisch en politiek levensvatbaar worden. Gaza moet deel gaan uitmaken van een politieke oplossing.
De onmiddellijke prioriteit blijft een duurzaam en volledig nageleefd staakt-het-vuren en ongehinderde humanitaire hulpverlening. De grensovergangen moeten regelmatig en op voorspelbare wijze geopend worden voor humanitaire hulpverlening en personen- en goederenverkeer.
Zoals u weet, zijn de diplomatieke gevolgen van het conflict in Gaza voor de regio aanzienlijk. De indirecte onderhandelingen tussen Syrië en Israël zijn opgeschort, Mauritanië en Qatar hebben hun betrekkingen met Israël verbroken en er is gedreigd met het intrekken van het Arabische vredesinitiatief.
Zoals u weet, is de Arabische verdeeldheid dieper geworden. Zonder Arabische eenheid wordt het echter heel moeilijk om vooruitgang te boeken in Gaza en bij het bredere vredesproces voor het Midden-Oosten. Vrede in het Midden-Oosten is alleen mogelijk als de Arabische wereld eensgezind is. De komende bijeenkomst van de Arabische Liga is van groot belang als het gaat om het herstellen van de Arabische eenheid, met name inzake het Arabische vredesinitiatief.
Ook worden er in Iran en in Libanon de komende maanden verkiezingen gehouden. Op 12 juni kiezen de Iraniërs een nieuwe president. We hebben meermalen uiting gegeven aan ons diepe respect voor Iran en gezegd dat wij een volkomen ander soort relatie met het land tot stand willen brengen. Dat is duidelijk in ieders belang. Dat kunnen we echter alleen voor elkaar krijgen als er vertrouwen is, en dat vertrouwen moet worden hersteld.
Tot slot wil ik nog zeggen dat 2009 een cruciaal jaar wordt voor het Midden-Oosten. We bevinden ons mogelijk op de drempel naar een nieuwe fase. We kunnen ervoor kiezen op dezelfde manier met hetzelfde beleid verder te gaan, in de wetenschap dat dit tot hetzelfde resultaat zal leiden, tot het resultaat waar we reeds bekend mee zijn. We kunnen echter ook op energieke en vastberaden wijze aan de slag gaan en ons beleid en de manier waarop we resultaten willen boeken, omgooien.
We moeten ons zowel op crisisbeheer als op conflictoplossing richten – dat behoeft geen betoog – maar het wordt vooral tijd dat we ons toeleggen op conflictoplossing. Dat is de enige manier om deze eindeloze spiraal van dood en verderf te doorbreken.
(Applaus)
De Voorzitter. − Hartelijk dank, mijnheer Solana. Dames en heren, ik vestig uw aandacht op het feit dat ik komende zondag in mijn hoedanigheid van voorzitter van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering een delegatie zal leiden die gedurende tweeëneenhalve dag een bezoek zal brengen aan Gaza, Ramallah, Sderot en Jeruzalem. Er zal onder andere overleg plaatsvinden met president Peres en premier Olmert in Jeruzalem en met president Mahmoud Abbas van de Palestijnse Autoriteit en premier Fayyad in Ramallah. Daarnaast worden in Gaza voorbereidingen getroffen voor het bezoek aldaar van de Verenigde Naties.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, het Midden-Oosten bevindt zich in een overgangsfase. Israël heeft binnenkort waarschijnlijk een nieuwe regering. De VS hebben al een nieuwe regering, die momenteel bezig is de prioriteiten van haar buitenlands beleid te bepalen. En binnenkort vindt er wellicht een overgang plaats in de bezette Palestijnse gebieden. Een veranderende dynamiek biedt mogelijkheden voor nieuw engagement.
Het valt echter niet te ontkennen dat het recente conflict heeft geleid tot heel veel menselijk leed en verwoesting. We moeten toegeven dat het vredeproces voor het Midden-Oosten hierdoor zeer breekbaar is geworden. Dat weet dit Parlement maar al te goed. Ik verwijs daarbij naar de besprekingen en debatten die we hier eerder hebben gehouden.
Dit is duidelijk niet waar wij wilden zijn aan het begin van 2009, maar als we ooit vrede willen tussen Israël en de Palestijnen, zullen we toch echt de onderhandelingen terug op de rails moeten zien te krijgen. Deze menselijke tragedie in Gaza is van enorm grote invloed op de regio. Ik ben vannacht teruggekomen uit Syrië en Libanon - en daar kom ik zeker nog op terug - maar waar ik vooral op wil wijzen is dat we alle Israëlische leiders duidelijk moeten zien te maken dat de EU duurzame inspanningen voor het vredesproces en de tweestatenoplossing verwacht.
We moeten ook opnieuw proberen de Palestijnen ervan te overtuigen dat een sterke Palestijnse Autoriteit die effectief leiderschap uitoefent over alle bezette Palestijnse gebieden, onontbeerlijk is voor de hereniging van de Westelijke Jordaanoever en Gaza en ook nodig is om het vredesproces weer op de rails te krijgen. Daarom steunt de Europese Unie de inspanningen daartoe van Egypte, Turkije en anderen.
We moeten met de nieuwe Amerikaanse regering tot een gezamenlijke aanpak komen. Vorige week heb ik daar met minister Clinton een telefonisch onderhoud over gehad. Zij was het met me eens dat er een duurzaam staakt-het-vuren moet komen en dat het vredesproces moet worden hervat. Dat is absoluut noodzakelijk. We waren het er ook over eens dat het Kwartet vóór het eind van de maand uitvoerig overleg moet plegen over deze zaken. Ik ben blij dat de Amerikaanse regering het Kwartet beschouwt als een orgaan dat een zeer belangrijke rol kan spelen op weg naar vrede.
Tot slot moeten we onze eigen betrekkingen met de landen van de Arabische Liga versterken. De consensus voor vrede neemt af, niet alleen in Israël en binnen de bezette Palestijnse gebieden, maar ook binnen de Arabische Liga, waar verdeeldheid de kop op steekt en dat is zorgwekkend.
Voor dat doel ben ik in Syrië en Libanon geweest. Ik heb daar een ontmoeting gehad met belangrijke partners, zoals president Assad in Syrië en president Sleiman in Libanon. Het recente conflict heeft ernstige schade toegebracht aan de onderhandelingen, niet alleen aan Palestijnse zijde maar ook aan de kant van Syrië. Om die reden hebben we uitvoerig van gedachten gewisseld over het vredesproces. Ik heb nogmaals gewezen op de zeer krachtige steun van de Europese Unie voor het Arabische vredesinitiatief en de partners opgeroepen zich daarvoor te blijven inzetten, omdat het een degelijk kader biedt voor regionale vredesonderhandelingen.
Ik heb ook het belang benadrukt van het besluit van Syrië en Libanon – dat een mijlpaal was – om diplomatieke betrekkingen aan te gaan en aangedrongen op de realisering van alle stappen in dit proces. We hebben in beide landen gesproken over praktische manieren waarop de Europese Unie het hervormingsproces kan steunen. In Libanon heb ik er nogmaals op gewezen dat wij in principe bereid zijn een EU-verkiezingswaarnemingsmissie te sturen en ik heb reeds besloten dat er onmiddellijk een verkennende missie moet worden gestuurd.
De Europese Unie als geheel is de afgelopen weken zowel op het politieke als op het praktische front bijzonder actief geweest. Sinds mijn vorige verslag aan u in januari hebben er op het politieke front intensieve diplomatieke activiteiten plaatsgevonden. We hebben als eersten opgeroepen tot een staakt-het-vuren en hebben met Egypte en anderen aan een duurzaam staakt-het-vuren gewerkt.
Uit de conclusies van de Raad van januari blijkt dat de EU een “werkplan” voor een duurzaam staakt-het-vuren aan het ontwikkelen is. In dit document worden zes actiegebieden genoemd, waaronder humanitaire hulp, preventie van smokkelhandel naar Gaza, heropening van de grensovergangen naar Gaza, wederopbouw, intra-Palestijnse verzoening en hervatting van het vredesproces.
Er wordt aan diverse netelige kwesties gewerkt. Ik zal u een idee geven van het tempo waarin onze activiteiten plaatsvinden: op 15 januari was ik bijvoorbeeld aanwezig bij een werkdiner van de covoorzitters in Parijs, op 18 januari bij de topconferenties in Sharm el- Sheikh en Jeruzalem, op 21 januari bij de EU-ministersvergadering met Israël en op 25 januari op een bijeenkomst met een groep bestaande uit Egypte, de Palestijnse Autoriteit, Jordanië en Turkije. Daarnaast heeft commissaris Louis Michel, die verantwoordelijk is voor humanitaire hulp, op 24 en 25 januari een bezoek gebracht aan Gaza.
We hebben regelmatig contact met onze collega’s in het Kwartet. We hebben als trojka belangrijke besprekingen gehad in Moskou. Ik heb telefonisch contact gehad met mevrouw Clinton, Javier Solana was in Washington en we zijn het erover eens dat het vredesproces nieuw leven moet worden ingeblazen. We blijven toezicht houden op de uitvoering van de routekaart en we bieden ook steun aan de staatsopbouw, onder andere op gevoelige terreinen zoals rechtsstaat en grensbeheer.
De EU-actiestrategie voor het Midden-Oosten voorziet ook in EU-steun voor specifieke kwesties, zoals bijvoorbeeld de definitieve status van Jeruzalem, vluchtelingen en veiligheidsregelingen.
Praktisch gesproken heeft de EU prioriteit gegeven aan humanitaire hulpverlening aan de bevolking van Gaza. De Commissie heeft praktisch van het ene moment op het andere tien miljoen euro vrijgemaakt en voor de komende tijd is nog eens 32 miljoen vastgelegd.
Begin maart organiseert de Egyptische regering een internationale conferentie in Sharm el-Sheikh, die gericht zal zijn op steunverlening aan de Palestijnse economie en wederopbouw van Gaza. De Commissie zal als medesponsor van dit gebeuren optreden. Ik ben blij dat ik de gelegenheid heb gehad om de toezegging die de Commissie van plan is te doen reeds in een vroeg stadium, op 2 februari, te bespreken met de voorzitters van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie. Ik dank u nogmaals voor uw steun.
Het probleem is op het moment niet alleen de financiering, maar de toegang, vooral tot Gaza. We hebben noch in het openbaar noch achter gesloten deuren onder stoelen of banken gestoken dat we de sluiting van de grensovergangen naar Gaza onaanvaardbaar vinden. Dit Parlement zal zich ongetwijfeld graag aansluiten bij mijn herhaalde oproep de grensovergangen volledig open te stellen.
(Applaus)
Wanneer de toegang wordt verbeterd – en daar twijfel ik niet aan – zullen we onze financiële raming mogelijk moeten herzien. Ik zal hier eventueel op terug moeten komen om dit met u te bespreken. Ik hoop dat ik ook dan weer op uw steun mag rekenen.
Geachte afgevaardigden, u kunt ervan op aan dat de Commissie – en ook ik persoonlijk – alles zullen doen wat binnen onze macht ligt om zo snel mogelijk vrede tot stand te brengen in een van de zwaarst beproefde regio’s van de wereld. We zullen zeker zeer nauw met dit Parlement blijven samenwerken.
(Applaus)
Joseph Daul, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Vondra, mijnheer Solana, commissaris Ferrero-Waldner, dames en heren, de situatie in Gaza wordt elke dag slechter en slechter. De bevolking lijdt enorm. Er is gebrek aan alles.
Het embargo dat is ingesteld tegen Gaza, heeft tot gevolg dat voor elke levering van humanitaire hulp obstakels overwonnen moeten worden. Ook al wordt die humanitaire hulp geleverd, dan nog is zij niet toereikend om de behoeften ter plekke te dekken. De ziekenhuizen kunnen niet meer naar behoren functioneren. Er kan niet meer voor de bevolking worden gezorgd. In Gaza voltrekt zich momenteel een grote humanitaire ramp.
De Europese Unie speelt reeds een belangrijke rol in de regio. De financiële steun die zij heeft verleend en die zij nog steeds verleent aan de Palestijnen, is omvangrijk. Zij heeft in het verleden veel gedaan om de humanitaire ramp te voorkomen waarvan wij thans getuige zijn. Ondanks de obstakels blijft zij humanitaire hulp en steun verlenen aan de bevolking in de Gazastrook. Vandaag nog heeft de Europese Unie 41 miljoen euro hulp toegekend aan de VN-Agentschap voor de Palestijnse vluchtelingen. Dit is dus niet het moment om er verder het zwijgen toe te doen.
Ik vind dat de Europese boodschap duidelijk moet zijn. Wij kunnen niet toestaan dat de humanitaire hulp wordt gegijzeld in dit conflict. Het is van cruciaal belang dat deze hulp vrij en zonder beperkingen kan stromen en dat de controleposten worden geopend.
Bovendien waarschuwen wij Hamas. De incidenten van de afgelopen maand, waarbij Hamas de humanitaire hulp die in de regio werd verdeeld door het Agentschap van de Verenigde Naties, in beslag nam en niet teruggaf, zijn schandalig, onacceptabel en mogen zich niet herhalen. Alle betrokkenen moeten anticiperen op de wederopbouw en deze actief voorbereiden door de schade ter plekke vast te stellen en een plan op te stellen voor het financiële, economische en sociale herstel van de Gazastrook. Dit herstel is cruciaal voor de stabiliteit van de regio. Dat is het doel van de donorconferentie die op 2 maart wordt gehouden in Sharm el-Sheikh.
Laten we echter duidelijk zijn. Er kan geen sprake zijn van wederopbouw – van de zoveelste wederopbouw – zolang er geen duurzaam staakt-het-vuren is afgekondigd. Een staakt-het-vuren en het staken van militaire operaties, ook door Israël, zijn een absolute voorwaarde voor herstel van de vrede in de regio. Hiervoor moet Hamas ook – en ik zeg dit zeer nadrukkelijk – een definitief einde maken aan het afvuren van raketten op Israël vanuit Gaza.
Tevens moeten wij alle maatregelen nemen om het smokkelen van wapens en munitie via de tunnels tussen Gaza en Egypte te bestrijden. Herstel van de dialoog tussen alle geledingen van de Palestijnse samenleving en hervatting van het huidige onderhandelingsproces zijn van cruciaal belang. Egypte, dat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft omdat het grenst aan Gaza, moet actief deelnemen aan dit onderhandelingsproces. In al onze toekomstige diplomatieke inspanningen moeten wij rekening houden met deze bijzondere rol van Egypte.
Er is alleen hoop op een oplossing voor dit conflict indien de diplomatieke weg open wordt gehouden. Ik doe een beroep op alle betrokken partijen, inclusief het Kwartet, de Arabische Liga en de diplomaten van de lidstaten, om zich vastberaden en standvastig in te blijven zetten voor de onderhandelingen.
Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. – (DE) Hartelijk dank, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit debat kan maar één boodschap hebben: een gewelddadige oplossing is er niet voor het Midden-Oosten! Een militaire oplossing is uitgesloten! Een oplossing wordt niet bereikt door terroristisch geweld!
Het kan best zijn dat kortstondig een militair voordeel wordt behaald; het kan best zijn dat een terroristische daad grote verwarring sticht, maar de ervaring leert dat geweld nieuw geweld uitlokt en de geweldsspiraal blijft doordraaien. De dialoog is daarom een cruciale factor, maar die verloopt nu juist in het Midden-Oosten buitengewoon moeizaam, met name in een tijd van onzekerheid en een zekere mate van incongruentie.
Enerzijds hebben we te maken met een hoopvolle situatie in de Verenigde Staten. Barack Obama, Hillary Clinton en hun team gaan uit van consensus en dialoog en hanteren daarmee een concept dat geheel anders is dan dat van de vorige regering in Washington, die godzijdank door de kiezers is afgeserveerd. Hoop gloort dus in Washington. Maar hoe staan de zaken ervoor in Jeruzalem? Niet alleen de woorden die Benjamin Netanjahu in de verkiezingscampagne heeft gebezigd, maar ook de persoon van Avigor Liebermann vormen een grote bedreiging voor het vredesproces in het Midden-Oosten. Deze incongruentie bergt een risico in zich.
Wat gebeurt er in Libanon? Welke invloed zal Hezbollah in de toekomst hebben? In hoeverre zal zij in Libanon bereid zijn een constructieve dialoog aan te gaan, zowel voor als na de verkiezingen? Hoe staat de westers georiënteerde meerderheid ervoor? Is zij in staat om na een verkiezingsoverwinning samen met Hezbollah het land te regeren? Is Hezbollah bereid zitting te nemen in een dergelijke regering? Dat zal afhangen van wie in Teheran de scepter zwaait. Het resultaat van de verkiezingen in Iran is van cruciaal belang, ook trouwens voor de houding van Hamas.
De vraag of we een radicale president krijgen die het bestaansrecht van Israël betwist – zoals de huidige –, of dat er een regering komt die bereid is om de dialoog aan te gaan, waarna die bereidheid over slaat van Teheran naar Beiroet en naar Rafah, is van eminent belang voor de stabilisatie van de gehele regio. Wij zijn voor een eenheidsregering in de Palestijnse gebieden. Zonder die eenheidsregering is het vredesproces niet vlot te trekken. Hamas is daarom aan zet om te tonen dat ze bereid en in staat is om mee te werken aan een dergelijke regering.
Een kernvoorwaarde is dat er met Hamas wordt gepraat, dat degenen onder de Palestijnse bevolking die met Hamas willen praten, worden gesteund en niet in het defensief worden gedrongen door een regering in Jeruzalem die zich enkel richt op voortzetting van het nederzettingenbeleid. Trouwens, als inderdaad 163 hectare grond is vrijgegeven voor uitbreiding van de nederzettingen, dan noemen we dat een destabiliserend element. En dat mogen wij onze vrienden in Israël best eens duidelijk onder de neus wrijven.
Alles in het Midden-Oosten hangt met elkaar samen. Het is een illusie om te denken dat een enkel probleem eruit kan worden gelicht en met militaire middelen kan worden opgelost. Het gaat daarom bovenal om de bereidheid tot dialoog. Het plan van de Arabische Liga, het vredesplan van Saudi-Arabië, spreekt van geweldloosheid en erkenning van het bestaansrecht van Israël – wat een ambitieus en moedig plan! Daar moet over gesproken worden! Het is toch een vooruitgang dat er mensen zijn in de Arabische Liga, in het Arabische kamp, die bereid zijn om een debat van die strekking te voeren. Daar moeten we onze steun aan geven. Bommenwerpers dragen daar niet toe bij, en leveren overigens ook geen bijdrage aan het werk van de Europese Unie door steeds weer om eender welke militaire overweging te vernietigen wat wij hebben opgebouwd. Daarom kan onze boodschap enkel luiden: eerste vereiste is het voeren van een dialoog.
Mijnheer Solana, u zei dat u dit jaar hier voor het eerst aanwezig bent; misschien bent u hier wel voor het laatst in deze zittingsperiode. Juist omdat het voeren van een dialoog een conditio sine qua non is voor succes, wil ik u namens onze fractie zeggen dat u als het ware de personificatie bent van de dialoog. Uw werk verdient meer dan respect; het verdient grote bewondering, vooral uw niet aflatende inzet voor de dialoog. Dat heeft onze grote waardering.
(Applaus)
De Voorzitter. – Hartelijk dank, mijnheer Schulz. Uiteraard hopen we – daar kunnen we het allemaal over eens zijn – dat de heer Solana ons nog een paar keer komt bezoeken voordat de zittingsperiode is verstreken.
Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is met een zwaar gemoed dat we opnieuw debatteren over wat onze Unie kan doen om de pijn in het Midden-Oosten te verzachten.
Als we kijken naar het recente conflict in Gaza, zien we dat alle oude bekende kreten van toepassing zijn: schuld aan beide zijden, provocatie door Hamas, buitenproportionele reactie van Israël. Maar in het steeds weer oplaaiend geweld maken deze versleten kreten geen enkele indruk meer. We kunnen zo niet verder. Natuurlijk is het onze morele plicht om steun te bieden bij de wederopbouw van Gaza. Natuurlijk is het logisch dat we garanties vragen van Israël. Het is al erg genoeg om te moeten toekijken hoe de luchthaven, scholen en rioleringssystemen worden verwoest, maar het is nog erger om deze zaken met Europees geld opnieuw te moeten opbouwen terwijl we weten dat ze waarschijnlijk opnieuw zullen worden verwoest.
Is het mogelijk, is het geloofwaardig ervan uit te gaan dat Israël ons kan garanderen dat het niet weer gebeurt? Wederopbouw en humanitaire hulp van de Europese Unie zullen conflicten in de toekomst in ieder geval niet voorkomen. We hebben een nieuwe en positieve benadering nodig, zo mogelijk samen met de Verenigde Staten maar desnoods zonder hen.
Het geweld van vorige maand en de uitkomst van de verkiezingen van deze maand hebben de uitgangspunten van het debat veranderd. Hamas is politiek sterker, militair gezien intact en blijft weigeren Israël te erkennen, en de verwachte coalitie in Israël zal een hardere lijn dan ooit tevoren volgen en over het geheel genomen tegen een afzonderlijke Palestijnse staat zijn. Intussen wordt de kloof tussen de Westelijke Jordaanoever en Gaza steeds groter en bestaat het gevaar op een definitieve tweedeling.
De Raad en de Commissie hebben niet echt gezegd hoe ze op deze loop der gebeurtenissen gaan reageren en het Tsjechisch voorzitterschap lijkt de kwestie van de agenda te willen schrappen. Maar we kunnen het ons niet veroorloven nog langer te wachten. Aangezien er telkens weer nieuwe ontwikkelingen zijn en Hamas en Israël niet met elkaar praten, moeten we haalbare voorwaarden stellen op basis waarvan we met beide partijen kunnen praten. Isolement leidt alleen maar tot wanhoop.
De tijd is rijp voor tactvolle maar vastberaden diplomatie. In welk forum? In het Kwartet, mijnheer Solana? Misschien wel, maar laten we eerst erkennen dat het mislukte beleid, de ijdele hoop en het sluipende extremisme van de afgelopen zeven jaar hebben plaatsgevonden onder het toeziend oog van het Kwartet. De gezant Tony Blair is zelfs nooit in Gaza geweest. Als hij erheen zou gaan, zou hij een bezoek kunnen brengen aan het industriegebied, een van zijn lievelingsprojecten, dat is ontworpen om werkgelegenheid te genereren maar dat vorige maand met de grond gelijk gemaakt is.
(Applaus)
Het Kwartet moet zich openstellen voor een nieuwe benadering en als onze partners binnen het Kwartet deze stap niet kunnen nemen, dan moeten we manieren zien te vinden om het wel mogelijk te maken.
Tot slot kunnen wij ons alleen maar op de toekomst voorbereiden als we eerlijk erkennen wat er in het verleden is gebeurd. Er moet een vrij en eerlijk internationaal onderzoek komen naar vermeende oorlogsmisdaden in het conflict in Gaza. De UNRWA en onze eigen parlementaire commissie hebben beide melding gemaakt van alarmerende bewijzen dat er sprake is geweest van oorlogsmisdaden, en de beschuldigingen zijn zeer ernstig. Als Israël ten onrechte beschuldigd wordt, moet zijn naam worden gezuiverd, maar als het deze misdaden inderdaad heeft begaan, moet het de verantwoordelijkheid daarvoor nemen. Ons doel moet zijn een akkoord tot stand te brengen voor een vreedzame en voorspoedige toekomst aan beide kanten van de scheidslijn, waar vijanden weer partners worden. Het falen van onze benadering tot nu toe staat echter met bloed op de grond geschreven. Mijnheer Solana, we moeten een nieuwe weg naar vrede inslaan en de Europese Unie moet daarbij zo nodig het voortouw nemen.
(Applaus)
Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. – (GA) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de hoge vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, ik ben erg blij met het akkoord van vandaag over humanitaire hulpverlening aan de Gazastrook. Dit is een stap in de goede richting voor het Europees Parlement.
De humanitaire situatie in Gaza is op dit moment ronduit slecht en de Europese Unie heeft een verantwoordelijkheid om te helpen.
(EN) Er is veel gezegd over de noodzaak van vrede, dialoog, begrip, matiging, als men dat woord zou willen gebruiken, met betrekking tot de reacties en tegenreacties op verschillende gebeurtenissen. Maar er zijn drie dingen die er onmiddellijk uitspringen als we het over het Midden-Oosten hebben.
Ten eerste gaat het niet om een onderhandeling tussen gelijken. Er is kracht aan één kant, en zwakte en verdeeldheid aan de andere kant. Ten tweede is de beïnvloeding van buitenaf en de weergave door de externe media ongelijk. De ene kant krijgt een positievere bescherming van internationale media en landen, de andere kant lijdt onder de negatieve termen ‘terrorisme’ of ‘reactionair’.
Ten derde, en dit is het allerbelangrijkste punt, zijn het ondanks alle politieke meningsverschillen, geografische meningsverschillen en historische geschillen, dezelfde mensen die dag na dag na dag blijven lijden: vrouwen, kinderen, onschuldige burgers, mensen die niets te maken hebben met politieke groeperingen, politieke organisaties of met paramilitaire groepen of terroristische organisaties. Dit zijn de arme onschuldige mensen die in de vuurlinie liggen van raketvuur, bombardementen en de zogenaamde - en ik moet er om lachen wanneer ik deze woorden hoor gebruiken - ‘gerichte, intelligente bombardementen’. Er bestaat niet zoiets als een ‘intelligente’ of ‘veilige’ bom. Wanneer een bom valt, ontploft hij, en doodt hij mensen.
Er is meer dan voldoende bewijs dat niet alleen de Hamas-raketten die op Israël zijn afgevuurd, onschuldige mensen hebben gedood, maar dat ook de bommen en kogels die door de Israëlische strijdkrachten zijn afgevuurd, en dan honderd keer meer, duizenden mensen hebben gedood en duizenden mensen hebben verwond binnen Gaza en binnen de bezette gebieden. Er is zelfs bewijs van een Ier - John King die voor de UNWRA in Gaza werkt - waaruit blijkt dat toen zij de Israëlische autoriteiten waarschuwden dat hun bommen zouden neerkomen vlakbij VN-gebouwen waarin brandstof en voedsel lag opgeslagen en die tevens dienst deden als opvang voor kinderen wier school eerder op de dag was gebombardeerd, de bommen dichterbij kwamen, en dat toen ze een tweede keer belden, de bommen neerkwamen op de brandstofopslag binnen het VN-gebouwencomplex.
Misschien gaat het om onachtzaamheid, verkeerde informatie, of doelbewust richten, maar het is hoe dan ook een aanval, misschien niet helemaal een oorlogsmisdrijf voor sommigen, maar dan toch een aanval op de instellingen van vrede, menselijkheid en vrijheid. Ten tijde van oorlog bestaan er oorlogsregels, en er zijn zeker dingen die niet kunnen.
Natuurlijk moeten we het Palestijnse volk helpen en bijstaan bij de wederopbouw van hun gebieden; natuurlijk moeten we ervoor zorgen en erop aandringen dat er gesprekken plaatsvinden en dat de vrede kan opbloeien, maar daarvoor moeten we ook binnen Europa moedige stappen zetten. Net zoals Martin Schulz, feliciteer ik Javier Solana met het feit dat hij het eenzame lange pad bewandelt om te praten met mensen waar niemand mee wil praten, om de deuren te openen van de dialoog, omdat vrede tussen vijanden uiteindelijk alleen via dialoog bereikt kan worden en omdat alleen via vrede de funderingen kunnen worden gelegd voor een solide tweestatenoplossing die vrede, gelijkheid, veiligheid en rechtvaardigheid in het Midden-Oosten kan garanderen.
Jill Evans, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik was lid van de delegatie van het Europees Parlement die de afgelopen week naar Gaza is gegaan om de verwoesting te zien. De resolutie van het Parlement richt zich vandaag op humanitaire actie, die dringend noodzakelijk is.
Dit is een echte humanitaire crisis, en hoe gaan we die dringend aanpakken? Negentig procent van de mensen in Gaza is afhankelijk van VN-hulp. Dit is niet gekoppeld aan onderhandelingen. We moeten er voor zorgen dat die hulp deze mensen bereikt, en de sleutel hiervoor is het opheffen van de bezetting en het openen van de doorgangspunten. Hoe kan een dichtbevolkt gebied van 1,5 miljoen mensen dat 22 dagen is gebombardeerd en waarin meer dan 1 000 mensen zijn gedood, zelfs maar een begin maken met zich te herstellen wanneer er slechts vijftien categorieën humanitaire zaken zijn toegestaan: voedsel, enkele medicijnen en matrassen? Je kunt geen huizen en kantoren bouwen zonder cement en glas, dat verboden is. Je kunt kinderen niet onderwijzen in scholen zonder papier, dat verboden is. Je kunt mensen niet voeden wanneer onvoldoende voedsel wordt binnengelaten. Het is niet dat de hulp er niet is, maar dat deze niet wordt doorgelaten. We moeten de Israëlische regering onder druk zetten om de blokkade op te heffen en de doorgangspunten te openen.
Bij elke beoordeling van de schade die in Gaza is veroorzaakt, moet de aandacht gevestigd worden op het feit dat doelbewust is gestreefd naar vernietiging van de infrastructuur en de economie. We hebben scholen, fabrieken, huizen en een ziekenhuis gezien die doelbewust waren aangevallen. Opnieuw zijn we getuige geweest van de verwoesting door Israël van projecten die door de Europese Unie zijn gefinancierd, en in plaats van dienovereenkomstig te handelen, praten we over uitbreiding van de handelsbetrekkingen op een moment waarop de voorwaarden inzake mensenrechten krachtens de huidige overeenkomsten worden geschonden.
De heer Solana zei dat het streven naar hetzelfde beleid ons kan terugbrengen naar dezelfde plaats. Welnu, daar ben ik het mee eens. In 2006 weigerde de Europese Unie om de regering van de Palestijnse eenheid, die leden van Hamas bevatte, te erkennen. Maar we zijn wel bereid om een nieuwe Israëlische regering te erkennen, die leden kan bevatten die een tweestatenoplossing afwijzen, die een Palestijnse staat niet steunen.
Het is nu van cruciaal belang dat de EU bereid is om een tussentijdse Palestijnse nationale consensusregering, die het resultaat moet zijn van de besprekingen in Cairo in de komende weken, te erkennen en er mee te werken, en we moeten duidelijke signalen over onze bedoelingen geven aan de internationale gemeenschap. We moeten het verzoeningsproces in Palestina steunen als deel van het bereiken van een oplossing voor de lange termijn, en dat betekent dat we moeten waarborgen dat we de fouten uit het verleden niet herhalen.
(Applaus)
Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Solana, commissaris, toen ik bijna een maand geleden de kinderen van Gaza tussen de ruïnes van hun huis hoorde vertellen hoe zij hadden zitten beven toen de bommen vielen of hun ouders de hel van die 22 dagen en nachten hoorde beschrijven, die voor altijd hun leven zal bepalen en gegrift zal blijven in de herinnering van toekomstige generaties, was ik niet trots op Europa.
Ik dacht aan sommige leiders van onze lidstaten, aan al degenen die aan de geschiedenis verantwoording zullen moeten afleggen voor hun gebrek aan politieke moed, voor de gemiste kansen en hun gebrek aan visie. Ik vroeg mezelf af hoe ver de Israëlische leiders nog moesten gaan met hun inhumane houding tegenover de Palestijnen en hun minachting voor het recht en de fundamenteelste waarden, voordat de belangrijkste politieke leiders in Europa hun stem zouden durven te verheffen en uiteindelijk zouden durven zeggen: “Genoeg is genoeg”?
Degenen die zich vriend van Israël noemen en de straffeloosheid en de grenzeloze inschikkelijkheid tegenover zijn huidige leidende klasse rechtvaardigen, zouden moeten nadenken over de volgende woorden van de grote Israëlische schrijver David Grossmann, die ik graag wil citeren: “Gezien de golf van nationalistische overdrijving die momenteel over het land spoelt, zou het geen kwaad kunnen voor ogen te houden dat deze laatste militaire operatie in Gaza uiteindelijk slechts een fase is in een proces dat gekenmerkt wordt door brand, geweld en haat, een proces waarin nu eens sprake is van overwinningen en dan weer van nederlagen, maar dat ons onvermijdelijk tot de ondergang leidt”.
Of zij zouden zich dezelfde vraag moeten stellen als Shlomo Sand, de beroemde Israëlische historicus, die ik eveneens wil citeren: “Wij hebben verwoesting gezaaid. Wij hebben bewezen dat wij geen morele terughoudendheid kennen. Hebben wij het vredeskamp onder de Palestijnen versterkt?” Hij vervolgt: “Israël drijft de Palestijnen tot wanhoop.”
Twintig jaar geleden hebben Yasser Arafat en de Palestijnse Autoriteit de staat Israël erkend zonder hiervoor iets terug te krijgen. Israël heeft het aanbod van de Arabische Liga uit 2002 afgewezen, dames en heren. Iedereen spreekt over de Arabische Liga en over het vredesplan van de Arabische Liga: dat bestaat reeds zeven jaar. Wat heeft Europa gedaan om deze gelegenheid te benutten?
Ik wil derhalve Shlomo Sand nog eens citeren: “Israël heeft het aanbod van de Arabische Liga uit 2002 voor een volledige erkenning van Israël binnen de grenzen van vóór 1967 afgewezen.” De Israëlische historicus trekt de volgende conclusie: “Israël zal pas vrede sluiten indien druk wordt uitgeoefend op zijn politici. ”
Ik wil u een vraag stellen, mijnheer Solana, omdat u niets hebt gezegd over het internationale recht. Welke druk is de Unie bereid uit te oefenen op Israël wat betreft Gaza en de Westoever, met inbegrip van Jeruzalem, om zijn huidige en toekomstige leiders eraan te herinneren dat het lidmaatschap van de internationale gemeenschap in het algemeen en het bevoorrecht partnerschap met de Europese Unie in het bijzonder een prijs hebben, dat deze niet te rijmen zijn met militaire bezetting, noch met oorlogsmisdaden noch met een politiek die elke dag een breuk tussen Europa en de Arabisch-islamitische wereld dichterbij brengt?
Ik wil als Europeaan niet graag mijn hoop op een verandering in de politiek ten aanzien van het Midden-Oosten uitsluitend vestigen op de bewoner van het Witte Huis. Ik wil graag blijven geloven in een koerswijziging van Europa.
(Applaus)
Kathy Sinnott, (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, vandaag bespreken we een resolutie over humanitaire hulp. Voordat ik hier aan bijdraag, wil ik benadrukken dat ik niet namens de IND/DEM-Fractie spreek, omdat zij geen standpunt over dit onderwerp heeft. Ik spreek hier als afgevaardigde, namens mijzelf en namens mijn kiezers.
De grote meerderheid van de mensen in Gaza is voor hun overleven afhankelijk van humanitaire hulp: voedsel, water, onderdak, kleding en met name medicijnen. Dit is een volk dat al heel lang wordt belegerd. Alle doorgangspunten zijn al achttien maanden gesloten en nu, met de recente verschrikkelijke agressie die over hen heen is gekomen, zijn de mensen in Gaza nog wanhopiger. Omdat de bezetting nog steeds niet is opgeheven en de doorgangspunten nog steeds gesloten zijn, is het erg moeilijk om in de eerste levensbehoeften van de mensen te voorzien.
Ik zie in overweging E van deze resolutie dat wij Europeanen onszelf op de borst kloppen voor onze inspanningen op het gebied van de humanitaire hulp. Commissaris, u hebt gesproken over de politieke inspanningen die u doet, maar verdienen we deze lof wel? De handel tussen Israël en de EU is jaarlijks goed voor 27 miljard euro. Als we echt actie voor Gaza hadden gewild, dan zouden we de macht gebruiken die uit deze handel voortvloeit, door economische sancties op te leggen. Onze weigering om dit te doen, zelfs op het hoogtepunt van de bombardementen in januari, geeft aan dat we de voorkeur geven aan de status quo van de normale gang van zaken, waarbij de door ons gegeven humanitaire hulp waarschijnlijk dient om ons geweten te sussen. Niet alleen zijn we niet bereid om het risico te nemen een goede handelsmarkt te verstoren teneinde de onrechtvaardigheid in Gaza te beëindigen, maar we zijn tot nog toe ook niet bereid geweest om de overeenkomst tussen EU en Israël op te zeggen of zelfs maar op te schorten.
Ik heb een grote genegenheid voor het Joodse volk. Op de universiteit heb ik meerdere cursussen gevolgd over hun geschiedenis en literatuur, onder leiding van een rabbi. Echter, vriendschap betekent geen blindheid maar de bereidheid om eerlijk te zijn. En in feite zijn er, getuige de demonstraties die in de belangrijkste steden in Israël plaatsvonden, veel Israëlische burgers die het openlijk oneens zijn met de daden van hun regering.
Om terug te keren naar de urgentie van humanitaire hulp: de wederopbouw van de fysieke infrastructuur is belangrijk, maar het is begrijpelijk dat agentschappen aarzelen om opnieuw te bouwen wanneer het er op lijkt dat er een nog dreigender regime aan de macht komt in Israël. De wederopbouw van de menselijke infrastructuur kan echter niet wachten. We moeten voorraden het gebied in krijgen. Ik zou met name willen benadrukken dat veel mensen door de uitzonderlijk wrede wapens die in januari zijn gebruikt, zijn achtergebleven met ontbrekende ledematen en verschrikkelijke brandwonden. Ik weet uit eigen ervaring hoe het is als een gezond kind gehandicapt wordt.
We moeten al die duizenden mensen, met name kinderen die sinds Nieuwjaar voor de rest van hun leven gehandicapt zijn, helpen op medisch en onderwijsgebied. En terwijl we hen helpen, moeten we hun verhalen vastleggen om een begin te maken met de verzameling van bewijzen dat de aanvallen doelgericht waren en mogelijk oorlogsmisdaden zijn begaan.
Jean-Marie Le Pen (NI). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is zeker niet Europa - laat staan zijn Hoge Vertegenwoordiger voor het buitenlands beleid, Javier Solana, voormalig secretaris-generaal van de NAVO -, dat een bemiddelingsrol kan vervullen tussen Israël en Palestina. Zij worden hoogstens gevraagd de wederopbouw van de Gazstrook te financieren, zoals zij thans ook doen voor Kosovo, Libanon en Afghanistan.
De Verenigde Staten en Israël bombarderen, terwijl Europa de wederopbouw financiert. Zo zijn de taken tussen de bondgenoten verdeeld. Degenen die de schade veroorzaken, zouden echter ook moeten betalen. Egypte vormt het decor van de vredesgesprekken, waarbij wordt overlegd over een verlengd staakt-het-vuren met Hamas. Er is echter sprake van een enorme uitdaging omdat de nieuwe Israëlische regering onder druk staat van de derde man, de heer Liebermann, leider van extreem rechts die daar democratisch wordt geaccepteerd, en gevaar loopt geconfronteerd te worden met bijzonder gecompliceerde taken bij deze onderhandelingen. De heer Netanyahu, die als toekomstig minister-president naar voren wordt geschoven, heeft zich steeds verzet tegen een wapenstilstand met Hamas.
Een ander probleem is dat de Palestijnse Autoriteit van Mahmoud Abbas op de Westoever een soort internationaal protectoraat is geworden waarvan de legitimiteit sterk is verminderd onder de bevolking.
De laatste factor waarmee wij rekening moeten houden, is dat de uitbreiding van de Israëlische nederzettingen, die sinds 1967 alsmaar doorgaat, de oprichting van een Palestijnse staat op de Westoever zeer moeilijk maakt. De bal ligt thans op de helft van Israël, maar zullen de haviken in beide kampen deze godsvrede accepteren die beide partijen eisen zonder zichzelf de middelen te verschaffen?
Ik wil graag een opmerking maken over de terugkeer van Frankrijk in de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO, waarover wij zullen debatteren in het kader van het verslag-Vatanen. Die terugkeer brengt voor Frankrijk grote verplichtingen met zich mee. Wij treden weer toe tot de NAVO hoewel de Koude Oorlog sinds 1990 voorbij is. De heer Sarkozy schijnt de val van de Berlijnse muur en de terugkeer van Rusland naar het kamp van vrije naties vergeten te zijn. Is het noodzakelijk het blokdenken te versterken in een tijd waarin wij getuige zijn van multipolariteit en van de toenemende macht van opkomende landen, ook op militair gebied?
Bovendien wordt Frankrijk door zijn toetreding tot de geïntegreerde structuur verplicht zijn contingent in Afghanistan uit te breiden, terwijl het land reeds 3 300 man ter plekke heeft. Welke middelen zal het gebruiken om deze operatie te financieren, gezien het feit dat het defensiebudget onder 2 procentvan het BBP daalt en meer dan 30 regimenten worden opgeheven?
Paradoxaal genoeg verhogen wij onze financiële bijdrage om weer toe te treden tot de NAVO en verminderen wij tegelijkertijd onze militaire aanwezigheid in Afrika. De Europese defensie, die president Sarkozy zo dierbaar is, wordt derhalve een pijler van het Trans-Atlantisch bondgenootschap. U hoeft slechts het Verdrag van Lissabon en de aanvullende protocollen te lezen om u hiervan te overtuigen.
Of het nu gaat om het gemeenschappelijk buitenlands beleid of de gemeenschappelijke veiligheid, de Europese weg is een doodlopende weg die slechts kan leiden tot aanpassing aan de Verenigde Staten en hun bondgenoten. Wij verwerpen deze logica van wegcijferen, uit naam van de nationale soevereiniteit en onafhankelijkheid, die met name zijn gebaseerd op onze onafhankelijke nucleaire afschrikkingsmacht.
De Voorzitter. – Andere afgevaardigden hebben ook enigszins hun tijd overschreden en we moeten iedereen dezelfde behandeling geven.
Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de korte tijd die mij ter beschikking staat zal ik niet in staat zijn om al degenen die tijdens dit debat hebben gesproken een antwoord te geven. Ik wil u van harte danken voor hetgeen u over mij persoonlijk en over mijn werk heeft gezegd. Ik kan u verzekeren dat ik net zo vastberaden – en zo mogelijk nog vastberadener – verder zal werken, omdat de situatie van dag tot dag moeilijker wordt.
Er zijn volgens mij vijf onderwerpen waarover een consensus zou kunnen worden bereikt tussen alle vorige sprekers.
Ten eerste de humanitaire kwesties: het humanitaire vraagstuk is ongetwijfeld het dringendste en belangrijkste. Gezien het geweld van de afgelopen dagen en weken moet er enorm veel worden gedaan om het leed van de bevolking en van met name de inwoners van Gaza, te verzachten. Daarom zullen we er alles aan doen om de ontberingen van het dagelijks leven in Gaza te verzachten. De Commissie zal zich hier zonder enige aarzeling voor inspannen, evenals de lidstaten in de Raad en de gehele internationale gemeenschap.
Ten tweede is de opening van de grensovergangen tussen Gaza en Israël en tussen Gaza en Egypte in dit verband absoluut essentieel. Deze grensovergangen moeten bovendien snel worden geopend, zonder enig uitstel. Ons standpunt is dat overal hulp moet worden verleend waar er behoefte bestaat, en wat met name Rafah betreft, zullen we op zeer korte termijn met de hulpverlening kunnen beginnen. Er zijn al waarnemers van de Europese Unie in Rafah, die beschikbaar zijn, zodat we met de hulpverlening kunnen beginnen zodra de grens bij Rafah opengaat.
Ten derde de Palestijnse eenheid – een zeer belangrijke kwestie. Geachte afgevaardigden, volgens mij is het duidelijk dat er op dit moment geen oplossing in zicht kan komen als geen begin wordt gemaakt met een verzoeningsproces tussen de Palestijnen onderling. Zoals de laatste Raad Algemene Zaken in een resolutie heeft verklaard, word steun gegeven aan de inspanningen van zowel president Abbas als van president Mubarak voor een verzoening tussen de Palestijnen door de Europese Unie.
Vele sprekers hebben het gehad over de toezeggingen die van onze kant kunnen worden gedaan, mits er een nieuwe Palestijnse consensusregering komt. Persoonlijk ben ik van mening, geachte afgevaardigden, dat een Palestijnse consensusregering, een regering die een tweestatenoplossing voorstaat, die deze twee staten met vreedzame middelen wil opbouwen, die een herstelplan heeft voor Gaza en in 2009 een verkiezingsproces op gang wil brengen, een regering is die de steun van de Europese Unie verdient.
Ten vierde de kwestie Israël: er zijn twee belangrijke punten na de verkiezingen. Ten eerste heeft de regering die uit de verkiezingen resulteert of die uit de door de verkiezingen tot stand gekomen meerderheid resulteert, volgens ons de plicht om het vredesproces voort te zetten. Daarom zullen wij, ongeacht de regering die er uit de verkiezingen rolt, door gaan met ons werk en alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat deze regering zal ijveren voor de voortzetting van het vredesproces en alles zal doen wat in haar macht ligt om dit proces gedurende 2009 zo ver mogelijk af te sluiten.
Ten vijfde is de kwestie van de nederzettingen ons inziens absoluut cruciaal. De meest recente, door de Israëlische regering gepubliceerde gegevens over de stand van zaken rond de nederzettingen in 2008, zouden ons allen ertoe moeten aanzetten ons verantwoordelijk te voelen.
Ik wil u vertellen dat ik in 2001 met de toenmalige senator Mitchell heb gewerkt aan het beroemde verslag dat zijn naam draagt. Ik was een van de vier mensen die aan dat programma hebben gewerkt. Ik zou u graag willen verzoeken, geachte afgevaardigden, om dit in 2001 gepubliceerde verslag te herlezen. Daarin worden dingen gezegd die nog steeds dienen te worden gezegd, bijvoorbeeld over het thema van de nederzettingen. Indien wij in de Europese Unie niet in staat zijn om iets te veranderen aan de manier waarop de nederzettingen worden gevestigd, dan is er weinig kans dat er een geloofwaardig vredesinitiatief komt. Daarom moet deze kwestie serieus worden genomen. We moeten serieus met onze vrienden in Israël praten om ervoor te zorgen dat de kwestie van de nederzettingen op een totaal andere manier wordt aangepakt.
Tot slot, mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, is er de kwestie van de Arabische Liga. Eendracht onder de Arabische staten is cruciaal. Het is van wezenlijk belang dat we met alle landen van de Arabische Liga samenwerken om ervoor te zorgen dat het door de Arabische Liga ondertekende vredesinitiatief van kracht blijft. Het is cruciaal dat dit vredesproces uitmondt in de verzoening tussen Palestijnen en Israëli’s maar ook tussen Arabieren en Israël. Daarom verlenen wij onze volledige steun aan degenen die hun best doen om dit vredesinitiatief te verwezenlijken.
Er is sprake van sterk uiteenlopende meningen binnen de Arabische Liga. We moeten langs diplomatieke weg alles in het werk stellen om te voorkomen dat deze meningsverschillen groter worden. Veeleer moeten wij ervoor zorgen dat in plaats daarvan opnieuw een proces van harmonie en samenwerking ontstaat tussen de leden van de grote Arabische familie.
Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, zoals gezegd zal 2009 een enorm belangrijk jaar worden. We moeten het crisisbeheer en de humanitaire hulp voortzetten en er alles aan blijven doen om ervoor te zorgen dat er een wapenstilstand komt en dat er onderhandelingen tussen Israël en Gaza en tussen Egypte en Gaza plaatsvinden. Als we echter niet van de filosofie van crisisbeheer afstappen en overgaan op een op conflictoplossing gebaseerde benadering, geachte afgevaardigden, zal er weinig veranderen aan de situatie waarnaar we helaas begin 2009 zijn teruggekeerd.
Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat 2009 uiteindelijk, als wij ons allen gezamenlijk inspannen, een jaar zal zijn waarin wij een oplossing kunnen vinden voor dit enorme conflict, waar wij helaas al zo lang onder gebukt gaan.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alleen maar nogmaals zeggen dat we vorig jaar duidelijk hebben gezegd dat mislukken geen optie is. We waren allemaal hoopvol gestemd over het Annapolis-proces en we waren hoopvol gestemd over een vredesproces. Helaas heeft de militaire inval in Gaza, na de raketten die vanuit Gaza op Israël zijn afgevuurd, de verhoudingen veranderd. Nu weten we allemaal dat er een reeks elementen is die absoluut noodzakelijk is om terug te kunnen keren naar vredesakkoorden. In elk geval is één ding zeker: een militaire oplossing is geen oplossing; hierover ben ik het met u allen eens. Daarom moeten we koste wat kost allemaal werken aan het tot stand brengen van vrede.
Er zijn vele actoren: in de Europese Unie, in de internationale gemeenschap - of dit nu de Verenigde Staten van Amerika, de VN of Rusland zijn - maar er zijn ook veel Arabische vrienden en collega’s. Ik kan alleen maar hopen dat deze actoren hun krachten willen bundelen in dienst van de vrede op het moment dat er een nieuwe Israëlische regering is geïnstalleerd. Onze argumenten zijn duidelijk, maar of de emoties ons dan op het juiste pad zullen brengen, moeten we nog afwachten. U kunt er van verzekerd zijn dat we hieraan werken.
(Applaus)
De Voorzitter. − Tot besluit van het debat is er een ontwerpresolutie ingediend(1), overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt vandaag plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Bairbre de Brún (GUE/NGL), schriftelijk. – (GA) De humanitaire situatie in Gaza is onaanvaardbaar. Achtentachtig procent van de bevolking is op voedselhulp aangewezen, ziekenhuizen komen essentiële medische materialen tekort en duizenden tonnen aan hulp kunnen Gaza niet in omdat er onvoldoende vrachtwagens worden doorgelaten.
Het gebrek aan internationaal respons, toen tijdens de recente Israëlische aanval op Gaza meer dan duizend Palestijnen, waaronder meer dan 300 kinderen, werden gedood, heeft de mensen wereldwijd geschokt.
Europa en de nieuwe Amerikaanse regering moeten met een proactieve langetermijnstrategie komen waarin het recht van de Palestijnen op een levensvatbare staat, op basis van de grenzen van voor 1967, wordt erkend en wordt aangedrongen op stopzetting van de uitbreiding van de nederzettingen in de bezette gebieden en het afbreken van de apartheidsmuur.
Zowel Israël als de onafhankelijke staat Palestina hebben recht op veiligheid, maar er moet een einde komen aan de situatie waarin Israël zich verschuilt achter het veiligheidsargument om onschuldige Palestijnen het leven onmogelijk te maken. Er moet een echt onderhandelingsproces op gang komen.
Zolang Israël het internationaal recht en het humanitair recht blijft schenden, moet de EU de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël opschorten.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Wat moet de ‘rol van de Europese Unie in het Midden-Oosten’ zijn (of niet zijn)? Op welke uitgangspunten moet deze gebaseerd zijn?
De Unie moet eisen dat er een einde komt aan de agressie en aan de onmenselijke blokkade tegen het Palestijnse volk in de Gazastrook en ervoor zorgen dat er onmiddellijke humanitaire hulp komt.
De Unie moet de wrede aanvallen, de misdaden, de schendingen van de meest fundamentele mensenrechten en het staatsterrorisme van Israël tegen het Palestijnse volk, die door niets gerechtvaardigd kunnen worden, veroordelen.
De Unie moet onomwonden durven zeggen dat er in Palestina een kolonisator is en een volk dat gekoloniseerd wordt, dat er aanvallers en slachtoffers zijn, onderdrukkers en onderdrukten, uitbuiters en mensen die uitgebuit worden.
Ze moet de associatieovereenkomst opschorten en de bilaterale betrekkingen met Israël op geen enkele manier verder versterken, zoals op 8 en 9 december bepleit werd door de Raad externe betrekkingen.
Ze moet van Israël eisen dat het zich houdt aan het internationaal recht en de VN-resoluties en dat er een einde komt aan de bezetting, de nederzettingenactiviteiten, de veiligheidsmuur, de moorden, de gevangenzettingen en de ontelbare vernederingen die het Palestijnse volk moet ondergaan.
Ze moet eisen en bevechten dat het onvervreemdbare recht van het Palestijnse volk op een onafhankelijke en soevereine staat gerespecteerd wordt, op basis van de grenzen uit 1967 en met een hoofdstad in Oost-Jerusalem.
Kortom, ze moet ophouden zich eraan medeplichtig te maken dat Israël zich volkomen straffeloos als koloniale macht kan gedragen.
Alexandru Nazare (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) De recente verkiezingen in Israël en de nieuwe Amerikaanse regering bieden de mogelijkheid van een nieuw begin voor het vredesproces in het Midden-Oosten. Ik vind dat de EU een duidelijke boodschap van steun moet richten tot het nieuwe kabinet in Tel Aviv en tegelijkertijd helder moet uitspreken welke maatregelen zij van haar Israëlische partners verwacht om een blijvende vrede mogelijk te maken en de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te sluiten. Daarbij moet zij krachtige steun geven aan een tweestatenoplossing en militaire excessen met alle ernstige humanitaire gevolgen van dien helpen voorkomen.
De EU-benadering met betrekking tot het Midden-Oosten moet gebaseerd zijn op een aantal krachtige beginselen. Ten eerste moet nauw worden samengewerkt met de Verenigde Staten, zonder de welke in de regio geen oplossing op lange termijn kan worden bereikt. Ten tweede moet onze aanpak zijn gericht op het zoveel mogelijk vermijden van geweld door beide partijen, op veroordeling van zowel het Palestijnse extremisme als de door Israël genomen excessieve maatregelen maar ook op steunverlening aan gematigde bestuursoplossingen van beide zijden waarmee het vredesproces kan worden vergemakkelijkt.
Ik spreek mijn steun uit voor de resolutie van het Europees Parlement waarover vandaag wordt gestemd. Daarin wordt de inzet van de EU voor het wederopbouwproces in Gaza bevestigd en de basis gelegd voor de besprekingen die in maart in Cairo zullen worden gehouden tijdens de internationale donorconferentie.
Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. – (RO) Democratie, vrede en eerbiediging van de mensenrechten zijn fundamentele waarden voor de Europese Unie. Deze heeft de taak en de plicht ze te verdedigen en te bevorderen, zowel binnen de EU als in haar betrekkingen met andere staten.
De situatie waarin de bevolking van Gaza zich bevindt, is tragisch en moet dringend worden opgelost. De flagrante schending van de mensenrechten en de vrijheden in deze regio is voor de Europese Unie reden tot zorg, vanuit het perspectief van zowel de betrekkingen met Israël als de veiligheid en stabiliteit in het Midden-Oosten.
De Europese Unie moet dringend maatregelen nemen voor humanitaire hulp aan de bevolking in de Gazastrook en tegelijkertijd nadenken over maatregelen op middellange en lange termijn ter bevordering van de vrede, de veiligheid en de stabiliteit in het gebied.
Dit alles indachtig moet de EU haar diplomatieke inspanningen om de conflicten op te lossen en de dialoog en verzoening in de regio aan te moedigen, opvoeren. Tegelijkertijd moet zij zonder aarzelen strenge sancties opleggen aan elk antidemocratisch standpunt en aan elke schending van de mensenrechten en grondvrijheden.
Czesław Adam Siekierski (PPE-DE), schriftelijk. - (PL) Om een akkoord te bereiken tussen de EU en het Midden-Oosten moeten de pogingen tot herstel van de stabiliteit en de ondersteuning bij de uitvoering van het vredesprogramma in de Gazastrook ook nu een prioriteit blijven.
De Europese Unie moet ook alles doen wat in haar macht ligt om een einde te maken aan dit conflict dat onschuldige burgers het leven kost. Bovendien moeten de inspanningen vooral gericht zijn op hulp aan de bevolking om zeker te stellen dat zij beschikt over de middelen om in haar basislevensonderhoud te voorzien. De bevolking van de Gazastrook kan slechts 60 procent van haar dagelijkse voedselbehoeften dekken, waardoor zij nog meer wordt bedreigd door ziekten en te lijden heeft onder de moeilijke omstandigheden. Het gebrek aan drinkwater vormt een even grote bedreiging als het gebrek aan voedsel. Ik denk dat ik hier niet hoef te herinneren aan het gebrek aan medische zorg of de vernietiging van scholen en overheidsgebouwen, die het herstel van de orde en een normalisering van de situatie aanzienlijk bemoeilijken.
Laten we niet vergeten dat wij ons pas kunnen richten op de economische ontwikkeling van het Midden-Oosten en op een nauwe handelssamenwerking met deze regio als een oplossing is gevonden voor veel van de basisproblemen van het dagelijks leven. De Europese Unie heeft de kans om de Arabische wereld en alle landen van het Midden-Oosten te helpen een welvarende regio te worden, wat op zijn beurt een kader zal vormen voor een nauwere samenwerking tussen het Midden-Oosten en de EU.
15.1. Rol van de Europese Unie in het Midden-Oosten (stemming)
Vóór de stemming over paragraaf 5
Pasqualina Napoletano (PSE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, aan het begin van paragraaf 5, na het woord "believes", moet de volgende zin toegevoegd worden:
(EN) ‘onder meer met het oog op de internationale conferentie ter ondersteuning van de Palestijnse economie voor de wederopbouw van Gaza, die op 2 maart 2009 in Sharm el-Sheikh zal plaatsvinden’.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
Vóór de stemming over overweging F
Pasqualina Napoletano (PSE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, het amendement is hetzelfde. Het verwijst naar de Internationale Conferentie ter ondersteuning van de Palestijnse economie, die op 2 maart in Sharm el-Sheikh wordt gehouden, en dient in de overweging opgenomen te worden.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
De Voorzitter. − Men heeft mij gevraagd een delegatie van de regio Piemonte, die op de officiële tribune heeft plaatsgenomen, welkom te heten. Normaal gesproken verwelkomen wij enkel delegaties van landen, maar omdat wij de regio's willen versterken, zal ik een uitzondering maken. Ik heet de delegatie van Piemonte dan ook van harte welkom.
17. Stemverklaringen
Schriftelijke stemverklaringen
- Ontwerpresolutie B6-0100/2009 (Rol van de Europese Unie in het Midden-Oosten)
Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor de resolutie van het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie in het Midden-Oosten gestemd, omdat ik ook vind dat wij steun moeten geven aan de wederopbouwplannen voor de Gazastrook.
Deze resolutie pleit voor onmiddellijke snelle en onbeperkte humanitaire hulpverlening, een maatregel die een morele plicht is. De hulp moet worden verleend zonder voorwaarden of beperkingen. De Israëlische autoriteiten wordt verzocht een toereikende, ononderbroken stroom humanitaire hulp toe te laten, bestaande uit alle noodzakelijke materialen waarmee instellingen zoals UNRWA (het VN-agentschap voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen) en internationale organisaties hun activiteiten kunnen uitvoeren en de noden van de bevolking kunnen lenigen.
Konstantinos Droutsas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De resolutie van het EP over humanitaire hulpverlening aan Gaza staat geheel in het teken van de opvatting dat gelijke afstand moet worden bewaard tussen de moordende Israëli’s en de zich verzettende Palestijnen. Op die manier probeert de EU de enorme verantwoordelijkheden te verhullen die zij heeft voor de afslachting van het Palestijnse volk en de moorddadige invasie van Israël in de Gazastrook, die meer dan 1 300 doden, vooral kinderen, vrouwen en ouderen en meer dan 5 000 gewonden heeft veroorzaakt. De totale verwoesting van duizenden huizen en heel de sociale infrastructuur heeft, samen met het volledig economisch isolement door Israël, ervoor gezorgd dat het Palestijnse volk onder dramatische en onmenselijke omstandigheden moet leven.
In de resolutie wordt nergens verwezen naar Israël en naar de oorzaken van het drama van het Palestijnse volk, noch wordt Israël veroordeeld. Op die manier wordt voor de zoveelste keer bevestigd dat de EU steun geeft aan het crimineel optreden van Israël en probeert haar rol in het verscherpt intern imperialistisch antagonisme in het gebied van het Midden-Oosten op een hoger plan te tillen.
Het heldhaftige Palestijnse volk heeft geen behoefte aan de liefdadigheid van de imperialisten. Wat het boven alles nodig heeft is ten eerste een eigen, onafhankelijke en soevereine Palestijnse staat op het grondgebied van 1967, zoals bepaald in de resoluties van de VN, en met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, en ten tweede de onvoorwaardelijke solidariteit van de andere volkeren met zijn strijd.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) De situatie in de Gazastrook is zeer ernstig, aangezien de burgerbevolking ten gevolge van het voortdurende conflict gebrek heeft aan voedsel, medicijnen en brandstof. De situatie is zo ernstig dat er onmiddellijk externe hulp nodig is. Daarom hebben wij voor de resolutie gestemd.
Wij vinden het echter zeer betreurenswaardig - maar helaas niet zo verrassend - dat het Europees Parlement opnieuw een ramp gebruikt om langzaam maar zeker zijn invloed te vergroten.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Na een onmenselijke blokkade van meer dan 18 maanden, hebben de 22 dagen van grove Israëlische agressie tegen het Palestijnse volk in de Gazastrook geresulteerd in minstens 1 324 doden en meer dan 5 000 gewonden, het merendeel kinderen. Meer dan 100 000 mensen zijn uit hun huizen verdreven en ruim 15 000 huizen zijn verwoest. Essentiële infrastructuur en belangrijke openbare diensten zijn verwoest of ontmanteld, waardoor er een situatie dreigt waarin niet kan worden voldaan aan de basisbehoeften van het Palestijnse volk.
Geconfronteerd met deze stuitende misdaad heeft het Europees Parlement nog niet één woord van veroordeling aan het adres van Israël laten horen.
Er bestaat geen enkele twijfel over dat de Palestijnse bevolking dringend hulp nodig heeft. Er bestaat geen enkele twijfel over dat we het lijden van de Palestijnse bevolking moeten onderkennen, maar het is ook van essentieel belang dat de agressors aangeklaagd en ter verantwoording worden geroepen. In plaats daarvan probeert deze resolutie de Israëlische agressie in de Gazastrook te verdoezelen met de term 'conflict’. Deze agressie past in de strategie om het legitieme verzet van het Palestijnse volk tegen de bezetting te breken en om de voorwaarden voor de opbouw van een Palestijnse staat te ondermijnen.
De EU roept altijd heel snel de mensenrechten in, maar ‘vergeet’ deze als het om Israël gaat, dat al meer dan 40 jaar lang de Palestijnse grondgebieden op de Westoever, in de Gazastrook en in Oost-Jerusalem koloniseert.
Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor de resolutie van het Europees Parlement van 18 februari 2009 over humanitaire hulp aan de Gazastrook (B6-0100/2009) gestemd, omdat de burgerbevolking grote behoefte aan hulp heeft vanwege de in dit gebied ontstane toestand.
Ik vind dat de noden onder de bevolking van de Gazastrook moeten worden geïnventariseerd en dat een begin moet worden gemaakt met plannen voor de wederopbouw van het gebied.
19. Jaarlijks verslag (2007) over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB - De Europese veiligheidsstrategie en het EVDB - Rol van de NAVO in de veiligheidsstructuur van de EU (debat)
De Voorzitter. – Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- het verslag (A6-0019/2009) van Jacek Saryusz-Wolski, namens de Commissie buitenlandse zaken, over het jaarlijks verslag (2007) van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB), aan het Europees Parlement gepresenteerd overeenkomstig punt 43, sub G, van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 [2008/2241(INI)]
- het verslag (A6-0032/2009) van Karl von Wogau, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de Europese veiligheidsstrategie en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) [2008/2202(INI)], en
- het verslag (A6-0033/2009) van Ari Vatanen, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de rol van de NAVO in de veiligheidsstructuur van de EU [2008/2197(INI)].
Dames en heren, ook met het oog op de waardigheid van ons werk vraagt de rapporteur degenen die geen belang stellen in het verloop van onze debatten, terecht om de zaal stil te verlaten.
Jacek Saryusz-Wolski, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, hartelijk dank. Ik denk inderdaad dat het buitenlandse beleid van de Unie wat aandacht verdient.
(EN) Mijnheer de Voorzitter, we voeren vandaag een speciaal debat over drie belangrijke verslagen over het buitenlands beleid, over veiligheid en defensie en over de betrekkingen tussen de EU en de NAVO.
Ons jaarlijks verslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) is een belangrijk middel geworden voor het Parlement om zijn strategisch standpunt over het buitenlands beleid van de EU tot uitdrukking te brengen. Wij hebben besloten om ons in het verslag van dit jaar te richten op beleidsvorming. We hebben ons gericht op de noodzaak om een daadwerkelijke dialoog tot stand te brengen met de Raad over de belangrijkste doelen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU. We hebben erkend dat er vooruitgang is geboekt, namelijk dat in het verslag van de Raad voor het eerst systematisch wordt verwezen naar de door het Europees Parlement aangenomen resoluties. We zijn daar dankbaar voor; dat is een hele prestatie. We hebben echter ook aangegeven dat de Raad, tot onze spijt, geen volledige dialoog voert over de standpunten die door het Parlement naar voren zijn gebracht. Evenmin verwijst de Raad in operationele documenten naar deze resoluties als gezamenlijk optreden of gemeenschappelijke standpunten.
We verwachten dat het jaarlijks verslag van de Raad mogelijkheden biedt om een dialoog met het Parlement tot stand te brengen, met als doel het ontwikkelen van een strategischere benadering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. We hebben in ons verslag de belangrijkste beginselen herhaald die aan ons buitenlands beleid ten grondslag moeten liggen. Naar onze mening moet het GBVB worden onderbouwd en geleid door de waarden die de Europese Unie en haar lidstaten huldigen, in het bijzonder democratie, rechtsstaat, respect voor de menselijke waardigheid, mensenrechten en grondvrijheden, en de bevordering van vrede en effectief multilateralisme.
Wij zijn van mening dat de Europese Unie gewicht in de schaal kan leggen, maar alleen als zij met één stem spreekt en als zij beschikt over de juiste instrumenten, zoals die uit het Verdrag van Lissabon, en over een ruimere begroting. We kunnen alleen effectief handelen wanneer dit wordt gelegitimeerd door zowel de Europese als de nationale parlementen, elk handelend op hun eigen niveau en overeenkomstig hun eigen mandaten.
Om geloofwaardig te kunnen zijn en te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de EU-burgers - en ik zeg dit op de vooravond van de snel naderende nieuwe parlementaire verkiezingen - moet het GBVB middelen krijgen die passen bij de doelstellingen en specifieke streefdoelen. We betreuren dan ook dat de GBVB-begroting, net zoals in voorgaande jaren, ernstig tekortschiet.
In ons verslag behandelen we horizontale en geografische kwesties. Met betrekking tot de horizontale kwesties wil ik slechts de belangrijkste noemen die we hebben besproken. Ten eerste de bescherming van de mensenrechten en de bevordering van vrede en veiligheid in de directe omgeving van Europa en op wereldwijd niveau, ten tweede steun voor een effectief multilateralisme en respect voor het internationaal recht, ten derde strijd tegen het terrorisme, ten vierde non-proliferatie van massavernietigingswapens en ontwapening en ten vijfde klimaatverandering, energiezekerheid en kwesties als cyberveiligheid.
In dit verslag zijn we bewust selectief. We concentreren ons dan ook op enkele strategische en geografische beleidsgebieden zoals de westelijke Balkan, het Midden-Oosten en het Midden-Oosten in brede zin, de zuidelijke Kaukasus, Afrika en Azië en natuurlijk de betrekkingen met onze strategische partner, de VS en de betrekkingen met Rusland.
Dit verslag moet worden gezien in samenhang met en als aanvulling op de meer gedetailleerde verslagen van het Parlement. Het zou niet moeten proberen om deze verslagen te kopiëren.
Ik wil mijn collega´s van de verschillende fracties in het Parlement bedanken voor hun begrip en uitstekende samenwerking. We hebben geprobeerd om de meeste zorgen mee te nemen in dit verslag en ik hoop dat het wordt gesteund door een ruime meerderheid in ons Parlement.
Tot slot wil ik onze partners van de Raad en de Commissie laten weten dat, naar wij hopen, deze gelegenheid ons zal helpen bij de totstandbrenging van een diepgaandere strategische dialoog tussen Parlement, Raad en Commissie, een dialoog die meer democratische legitimiteit zal geven aan het zware werk dat u, mijnheer Solana en mevrouw Ferrero-Waldner verrichten, en zal zorgen voor een betere samenwerking in onze driehoek.
Ik hoop dat u dit zult beschouwen als een mogelijkheid om meer synergie te ontwikkelen, als een mogelijkheid om onze gemeenschappelijke stem, de stem van alle drie de actoren te versterken, teneinde meer democratische en parlementaire legitimiteit te geven aan ons gemeenschappelijke doel: buitenlands beleid, één stem, Europese Unie.
Karl von Wogau, rapporteur. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Solana, mevrouw Ferrero-Waldner, dit verslag moet aanleiding zijn om na te denken over de vorderingen die wij gemaakt hebben met het Europese veiligheids- en defensiebeleid (EVDB), over de stand van zaken en over de bijdrage die het Europees Parlement eraan levert.
We moeten vaststellen dat er tot nu toe tweeëntwintig missies zijn uitgevoerd in het kader van het EVDB, waarvan zestien met een civiel karakter en slechts zes van militaire aard. Dat tekent het belang van de civiele component van het EVDB. Bij de civiele component is daarbij ook sprake van een werkzame democratische controle; de civiele operaties in het kader van het EVDB worden immers via de Europese begroting gefinancierd en vallen derhalve ook onder de controle van het Europees Parlement. Er worden uit de begroting van de Europese Unie nog andere zaken gefinancierd die rechtstreeks verband houden met het veiligheidsbeleid, zoals: veiligheidsonderzoek – 1,3 miljard euro over zeven jaar, Galileo, waarvan we zeggen dat daar ook veiligheidsaspecten aan verbonden zijn – 3,4 miljard euro, en GMES of Copernicus, een project waarvoor eveneens een miljard euro is uitgetrokken. Voorts beschikken wij, en dat is nieuw, over wetgeving in het Europees Parlement op het gebied van veiligheid en defensie. Wij hebben een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad aangenomen over de overbrenging van wapens binnen de Gemeenschap en over overheidscontracten op het gebied van veiligheid en defensie. Dat is een eerste belangrijke stap op deze weg.
Informatie is voor het Europees Parlement van zeer groot belang. Hierin speelt onze speciale commissie, die onder andere toegang heeft tot geheime informatie, een grote rol. Ook van bijzonder belang zijn de regelmatige gesprekken die wij in deze commissie met de Hoge Vertegenwoordiger voeren over deze aangelegenheden. Ik wil de gelegenheid te baat nemen om de Hoge Vertegenwoordiger en zijn medewerkers te bedanken voor de vruchtbare samenwerking die zich hierbij heeft ontwikkeld.
Dan ga ik nu over op een aantal punten in het verslag. In dit verslag wordt gesteld dat de Europese Unie duidelijker moet bepalen wat haar veiligheidsbelangen zijn. Er wordt te vaak gedacht in termen van nationale veiligheidsbelangen, terwijl het gaat om gedeelde veiligheidsbelangen op Europees niveau. Het gaat om de bescherming van haar burgers binnen de Unie en op internationaal vlak, om de veiligheid van haar buurlanden, de bescherming van haar buitengrenzen, de bescherming van haar belangrijke infrastructuren, de zekerheid van haar energievoorziening, de veiligheid van onze handelsroutes, de veiligheid van onze assets in de ruimte en om nog veel andere zaken die toch echt deel uitmaken van de gemeenschappelijke veiligheidsbelangen van de Europese Unie.
Voorts moeten wij ons bezinnen op de ambities van de Europese Unie met betrekking tot het EVDB. Het ontwerpverslag laat er geen misverstand over bestaan dat wij niet mogen proberen een supermacht te worden zoals de Verenigde Staten. Bovendien staat hier heel duidelijk in dat wij ons moeten richten op de geografische omgeving van de Europese Unie. Onze prioriteit gaat uit naar de Balkan – daar ligt het huiswerk van de Europese Unie –, Noord-Afrika, de bevroren conflicten in het oosten, en onze bijdrage aan de oplossing van het conflict in Palestina. Hier moeten onze prioriteiten heel duidelijk tot uiting komen.
Ik moet opmerken dat de Raad aan het einde van het Franse voorzitterschap zeer ambitieuze doelen had vastgesteld, te weten voorzien in de mogelijkheid om bepaalde operaties parallel uit te voeren. Als we dat willen, moeten we daar ook de benodigde middelen voor beschikbaar stellen. Dat vraag om de oprichting van een autonoom en permanent hoofdkwartier in Brussel. Dat is een duidelijke eis die het Europees Parlement stelt en die kon rekenen op een zeer brede meerderheid in de commissie. Ten tweede moeten we bedenken dat de zevenentwintig lidstaten beschikken over twee miljoen soldaten. Van dat aantal moet 3 procent, dus zo'n 60 000 soldaten, permanent aan de Europese Unie ter beschikking worden gesteld. Daarom wordt ervoor gepleit om het Eurocorps permanent onder het gezag van de Europese Unie te brengen. Deze oproep is gericht aan de zes lidstaten die het Eurocorps vormen.
Verder doen we duidelijke uitspraken over de capaciteiten die we moeten ontwikkelen. De zevenentwintig EU-lidstaten geven jaarlijks 200 miljard euro uit aan defensie, een bedrag dat beter moet worden uitgegeven dan in het verleden het geval was. Wij kunnen het ons niet veroorloven het wiel zevenentwintig keer opnieuw uit te vinden, en daarom pleiten wij ervoor de gelden van de Europese Unie en van de belastingbetaler voor defensie voortaan meer op gemeenschappelijke basis te besteden dan in het verleden is geschied. Hartelijk dank.
Ari Vatanen, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, zeventig jaar geleden kwam de heer Chamberlain terug uit München. Terwijl hij met een stuk papier zwaaide, riep hij: “Vrede voor de rest van ons leven”. Welnu, we weten hoezeer hij er naast zat en we weten ook dat ‘wishful thinking’ een dodelijk substituut is voor realisme. We moeten vandaag meedogenloos eerlijk zijn over deze kwestie. De EU is ongelofelijk succesvol geweest in het stichten van vrede. De gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog hebben tot het ontstaan van de EU geleid.
Ik ben zeer verheugd dat de heer Solana hier vandaag is, omdat we vandaag eindelijk dit telefoonnummer hebben voor de EU. De heer Solana heeft dit nummer, waar de heer Kissinger jaren geleden om vroeg.
Maar wat voor soort middelen geven wij, lidstaten en politici, de heer Solana? Dat is de vraag.
We hebben nu een financiële crisis, en die kwam niet uit de lucht vallen. We hebben dit in grote mate aan onszelf te danken. We praten over de giftige activa van banken en hoe we deze kunnen verwijderen. Misschien is dit het moment om ons af te vragen: wat zijn giftige activa en wat zijn de obstakels voor ons vredesstichten? Wat is onze bestaansreden?
We moeten verder. De EU moet doorgaan met de vredesopbouw. De wereld verandert zo snel om ons heen. Het grootste obstakel is dat we gewoonweg geen visie hebben. We zijn kortzichtige politici die zich bezighouden met de dagelijkse beslommeringen. Immobiliteit is ons grote probleem. De wereld rondom ons verandert, sneller dan we kunnen reageren. Wat is het resultaat van inefficiënt en tekortschietend veiligheidsbeleid? Menselijk lijden, doden, verminkte mensen en wreedheden. Zelfs al stemmen die mensen niet op ons, ze verdienen toch onze zorg, omdat ze onze broers en zusters zijn in de menselijke familie.
Op 2 april 1917 zei president Wilson: ‘een gestadige samenwerking voor vrede kan alleen worden gehandhaafd met eensgezindheid van de democratische naties’. President Wilson kreeg een Nobelprijs, die hij veel meer verdiende dan Al Gore.
Wij in de EU realiseren ons niet over welke hulpmiddelen we beschikken in onze mozaïek van zevenentwintig landen. Dat geeft ons een uniek middel om vrede te stichten. Misschien houden sommigen niet van de Fransen, anderen niet van de Duitsers, en misschien zijn er zelfs mensen die de Finnen niet mogen, hoewel ik denk dat iedereen de Finnen mag! Maar wanneer we samen zijn, zevenentwintig landen, kan niemand zeggen dat hij een hekel heeft aan de EU. Daarom kunnen we met deze unieke eigenschap naar elke crisisplek gaan en daar als arts of scheidsrechter optreden. Zonder militaire capaciteit, zonder militaire geloofwaardigheid zijn we echter als een hond die wel blaft maar niet bijt. We zijn idealistisch maar voorzien onszelf niet van de middelen om die doelstellingen te bereiken.
Nu is het moment om het ijzer te smeden zolang het heet is: il faut battre le fer tant qu’il est chaud, zoals de Fransen zeggen. De heer Obama is de nieuwe president van de Verenigde Staten en hij heeft waardering voor Europa. Hij zegt dat we belangrijke bondgenoten zijn. Wat moeten we doen? We moeten onze zaken op orde zien te krijgen.
Reeds 94 procent van de Europese bevolking maakt deel uit van de NAVO, slechts 6 procent staat er nog buiten. Waarom gebruiken we dit middel niet efficiënter? Dat zijn we de mensen verschuldigd, omdat het onze plicht is menselijk lijden te verlichten. Dat is onze morele plicht en het is in ons belang op de lange termijn. Alleen door in de voetstappen van onze voorvaderen te treden kunnen we trouw zijn aan de erfenis van de EU en het onvermijdelijke ondenkbaar maken, en dat is waar het bij het stichten van vrede om gaat.
Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, hartelijk dank dat u mij opnieuw hebt uitgenodigd voor dit belangrijke debat over het GBVB. Ik geloof dat dit debat een jaarlijkse traditie begint te worden en ik neem er graag aan deel. Ik wil de rapporteurs, de heer Saryusz-Wolski, de heer Von Wogau en de heer Vatanen, bedanken voor hun verslagen. Ik kwam er veel dingen in tegen die aansluiten bij onze ideeën en activiteiten. Ik heb kennisgenomen van talrijke punten die in de verslagen aan de orde komen en ik hoop ten zeerste dat deze, met uw steun, een rol zullen spelen bij het herzien van onze denkbeelden.
Nu ik hier, begin 2009, het woord voer in het Europees Parlement, moet ik terugdenken aan hoe ver we tien jaar geleden, in 1999, waren. Toen begonnen we het Europees veiligheids- en defensiebeleid eigenlijk vorm te geven. En als ik kijk hoe ver we nu zijn en dit vergelijk met toen we het EVDB begonnen te ontwikkelen, kunnen we zeggen dat er echt grote vooruitgang is geboekt. Het is voor iedereen duidelijk wat er is bereikt.
Zoals gezegd, zijn of worden er meer dan twintig civiele en militaire operaties uitgevoerd op zo ongeveer elk continent, van Europa tot Azië, van het Midden-Oosten tot Afrika. Duizenden Europese mannen en vrouwen zijn bij deze operaties betrokken, variërend van militairen tot politiemensen, van grenswachten tot waarnemers, van rechters tot openbare aanklagers; een grote groep mensen die zich inzet voor de stabiliteit van de wereld.
Ik denk dat dit de Europese manier is om dingen te doen. Een brede aanpak van crisispreventie en crisisbeheersing, een groot, gevarieerd instrumentarium waaruit we kunnen pakken wat nodig is, snellereactievermogen, pogingen om de rol van wereldspeler te vervullen, waar derde landen ons om hebben gevraagd. Als het Verdrag van Lissabon wordt geratificeerd, wat ik van ganser harte hoop, zullen we natuurlijk zonder enige twijfel nog veel effectiever kunnen zijn.
Ik wil het Parlement graag bedanken voor de steun van de afgelopen jaren en voor de goede samenwerking die ik met u, als vertegenwoordigers van de burgers van de Europese Unie, heb mogen genieten. Zonder de betrokkenheid, zonder het begrip, zonder de steun van niet alleen de leden van dit vooraanstaand Parlement, maar ook van de burgers van de Europese Unie – met andere mechanismen, via hun eigen parlementen – zou het erg moeilijk zijn om onze rol te vervullen. Wij hoeven alleen maar te denken aan de vele operaties die we uitvoeren en aan de vele burgers van de Europese Unie die erbij betrokken zijn.
Het GBVB is meer dan een instrument. Het GBVB houdt verband met onze waarden, met uw waarden, met de waarden van onze burgers. Ik ben gehecht aan deze waarden, aan de waarden die in alle zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie zijn verankerd: mensenrechten, rechtsstaat, volkenrecht en effectief multilateralisme. Al deze woorden en ideeën zijn waarschijnlijk een constructieve weergave van wat we zijn. Het GBVB levert echter ook een bijdrage aan het vormgeven van de onderlinge samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie. Door samen te werken, door gezamenlijk op te treden, bepalen we wie we zijn. Via het GBVB werkt de Europese Unie dus ook voortdurend aan haar eigen gezicht.
Ik denk dat mijn woorden aansluiten bij de zienswijze van de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken. Dit is wat we doen en wat ons na aan het hart ligt: waarden, daden en bouwen aan de Europese Unie. We handelen vanuit ons zijn, en ons zijn krijgt vorm door onze daden. Ik denk dat dit een belangrijke gedachte is om te onthouden.
De veiligheidsstrategie van 2003 was een basisdocument dat ons in staat stelde het pad naar de toekomst uit te stippelen. In de drie verslagen wordt naar dat document verwezen. Zoals u weet, hebben we dit in 2008, in samenwerking met de Commissie en het Parlement, bijgewerkt. Dat document komt niet in de plaats van het document van 2003, maar vult het aan en actualiseert het, doordat daarin aandacht wordt geschonken aan de gevaren en problemen van deze tijd, van klimaatverandering tot terrorisme, van energiezekerheid tot piraterij.
Ik wil even wat zeggen over piraterij, omdat dat verband houdt met onze jongste operatie, Atalanta. Ik wil graag onderstrepen dat dit de eerste keer is dat er in het kader van het EVDB een maritieme operatie wordt uitgevoerd. Het is een aanzienlijke stap vooruit, een aanzienlijke stap in de goede richting dat er nu sprake is van een dergelijke operatie. Deze maritieme operatie tegen piraterij wordt geleid vanuit een Europees operationeel hoofdkwartier in het Verenigd Koninkrijk. Er is een aanzienlijk aantal landen bij betrokken en een aanzienlijk aantal derde landen wil eraan meedoen. Ik heb vandaag geluncht met de Zwitserse minister van Buitenlandse Zaken en ook dat land wil meedoen aan deze operatie omdat het onze zorgen over piraterij deelt. Dit is erg belangrijk. Waarschijnlijk vindt u, net als ik, dat deze operatie op zee erg belangrijk is, maar dat de problemen aan land ook moeten worden opgelost, net zo goed als de problemen op zee.
Ik wil ook even wat zeggen over structuren – interne structuren die te maken hebben met het EVDB. Tijdens de laatste maand van het Franse voorzitterschap hebben we, zoals u weet, aan een document gewerkt voor de reorganisatie en de opzet van iets dat mij erg dierbaar is, waarvoor ik vanaf het begin heb geijverd en waarvoor nu steun is, namelijk de ontwikkeling van een strategisch planningsvermogen dat tegelijkertijd civiel en militair is. Dit is de moderne aanpak van crisisbeheersing. Dit soort activiteiten zijn betrekkelijk nieuw voor ons en juist daarom kunnen we nog efficiënter en flexibeler zijn en ons nog beter aanpassen aan nieuwe werkelijkheden dan anderen. Daarom denk ik dat het erg belangrijk is wat we doen, namelijk dat we ons richten op militaire en civiele samenwerking op het niveau van de strategische planning.
Ik moet zeggen, en ik hoop dat u het met mij eens bent, dat de conflicten van heden niet uitsluitend met militair optreden kunnen worden opgelost. Civiel optreden is echter alleen mogelijk in een veilige omgeving. Dit is het evenwicht dat we moeten zien te vinden en dit is wat we overal zien: in het Midden-Oosten, in Afghanistan, waar we ook kijken. Het is een zeer belangrijk concept van symbiose tussen de politieke, civiele en veiligheidsaspecten van ons leven.
Zoals op zeer welsprekende wijze door de drie rapporteurs is gezegd, hebben we behoefte aan capaciteiten. Zonder capaciteiten hebben we alleen documenten en met documenten alleen lossen we conflicten niet op.
Dat werd ook zeer sterk benadrukt tijdens de Europese Raad van december en ik wil de drie rapporteurs bedanken dat zij dit nog eens goed duidelijk hebben gemaakt. We hebben soms problemen met de opbouw van een troepenmacht en het is belangrijk dat u dat weet. Zonder een snellere opbouw van een troepenmacht, of het nu om politie, aanklagers of militairen gaat, wordt het erg moeilijk om adequaat te kunnen inspelen op crisissituaties.
Ik wil ook nog wat zeggen over de betrekkingen tussen de NAVO en de Europese Unie, aangezien die aan de orde komen in het verslag van de heer Vatanen. Zoals u weet, hebben we een samenwerkingskader dat we Berlijn Plus noemen. Niet alle operaties die we in naam van de Europese Unie uitvoeren vallen echter binnen dit kader, dat bedoeld is voor samenwerking met het Noord-Atlantisch Bondgenootschap. Zoals bekend, hebben we nog steeds problemen, aangezien we er niet in zijn geslaagd om bepaalde moeilijkheden te overwinnen die zich voordoen bij de samenwerking met de NAVO in operaties die buiten het kader van Berlijn Plus vallen. We hebben problemen in Kosovo die nog steeds niet zijn opgelost en we hebben problemen in Afghanistan. Ik hoop van harte dat we in staat zijn om deze problemen in de aanloop naar de NAVO-top op te lossen.
Dan nog even iets over Afghanistan. Dit wordt zonder twijfel een van de belangrijkste kwesties waarmee we in 2009 geconfronteerd worden. U bent op de hoogte van het standpunt van president Obama over dit strijdtoneel – Afghanistan-Pakistan – en de benoeming van een speciale gezant. We moeten resultaat boeken en wel op een zinnige manier. Er is meer betrokkenheid nodig. Dit hoeft niet per se militaire betrokkenheid te zijn. Het zit meer in een grotere efficiëntie en een betere coördinatie onderling en in het contact met anderen – de Verenigde Staten, de internationale gemeenschap als geheel, de Verenigde Naties. Ik heb al enkele malen een ontmoeting gehad met Richard Holbrooke en ik heb ook generaal Petraeus ontmoet. We gaan dit concept de komende weken opnieuw bestuderen en hopelijk kunnen we dan op een constructieve manier reageren op een zeer belangrijk probleem waarbij wij, de Europese Unie, de lidstaten betrokken zijn. Ik vind dat we die betrokkenheid moeten continueren.
We kunnen nog uren doorpraten over allerhande onderwerpen – energie, non-proliferatie, noem maar op – maar ik denk dat het nu belangrijk is om vast te stellen dat we het in de drie vandaag gepresenteerde verslagen fundamenteel met elkaar eens zijn over wat we in de afgelopen periode hebben gedaan. Ter afronding wil ik u hartelijk bedanken voor de samenwerking. Mijn dank gaat ook uit naar degenen die zeer intensief met mij samenwerken ten behoeve van de specifieke dossiers waaraan we werken. Zoals ik al zei: ik denk dat ons optreden namens de Europese Unie op het internationaal toneel mede bepaalt wie we zijn. Op dit moment is het erg belangrijk dat ons optreden beter wordt, omdat we beter willen zijn.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik opnieuw de gelegenheid heb om deel te nemen aan dit alomvattend debat over aspecten van het buitenlands en veiligheidsbeleid.
Ik dank de auteurs van de drie verslagen die de basis vormen van het debat van vandaag. Ik merk graag op dat de diensten van Javier Solana en mijn eigen diensten zeer goed hebben samengewerkt bij de opstelling van het verslag over de Europese veiligheidsstrategie (ESS), en ik geloof dat dit aan het resultaat te zien is. Uit het verslag blijkt goed met welke nieuwe uitdagingen op veiligheidsgebied de EU te maken heeft en daarin wordt een brede definitie gegeven van wat we onder veiligheid verstaan.
Ik wil graag eerst enkele woorden wijden aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). In de verslagen waarover we ons nu buigen, en ook in het verslag over de Europese veiligheidsstrategie, wordt de conclusie getrokken dat de Europese Unie een rol van betekenis kan spelen als we er eensgezind voor zorgen dat we een volledig coherent beleid hebben, een beleid dat het GBVB, de communautaire dimensie en, uiteraard, acties van de lidstaten omvat. We moeten niet alleen met één stem spreken, maar we moeten ook op een coherente en gecoördineerde manier met elkaar optreden.
Hiervoor moet de beste mix van EU-beleidsinstrumenten worden bijeengebracht, van EVDB-operaties tot conflictpreventie- en crisisresponsmaatregelen via het stabiliteitsinstrument, ontwikkelingshulp, humanitaire steun of instrumenten ten behoeve van de democratie en de mensenrechten. Afghanistan, Georgië, Kosovo en Tsjaad zijn voorbeelden van hoe we dit in de praktijk doen.
In Afghanistan hebben we de hervorming van de veiligheidssector en deugdelijk bestuur een prominente plaats gegeven binnen onze algehele hulpstrategie. In 2007 is de Commissie begonnen met een nieuw programma voor de hervorming van de justitiële sector. In het kader van de EUPOL-missie van de Raad wordt politiepersoneel ter plaatse begeleid en opgeleid, terwijl de Commissie de Afghaanse nationale politie steunt via het Law and Order Trust Fund (LOTFA). De Commissie neemt ook voor het grootste deel de lopende kosten van de Afghaanse politie voor haar rekening – van 2002 tot heden gaat dat om een bedrag van ruim 200 miljoen euro.
In Georgië geeft de EU extra financiële steun om de nood na het conflict te lenigen. Tot nu toe is er in totaal 120 miljoen euro – uit een pakket van 500 miljoen euro voor de periode van 2008 tot 2010 – aan de regering ter beschikking gesteld. Deze buitengewone EG-steun heeft een grote humanitaire crisis helpen voorkomen.
In Kosovo was het de rol van de Commissie om de EULEX-missie op tijd van personeel en materialen te voorzien. We zullen onze steun voortzetten en we zullen dit jaar ook een onderzoek presenteren waarin wordt gekeken naar manieren om de politieke en sociaaleconomische ontwikkeling van Kosovo te bevorderen en naar de vorderingen ten aanzien van de integratie in de Europese Unie.
In Tsjaad hebben we in het kader van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds een bedrag van 311 miljoen euro ter beschikking gesteld. Ons doel daar is om bij te dragen aan de bestrijding van armoede en om de economische ontwikkeling te stimuleren. Onze prioriteiten zijn deugdelijk bestuur, met inbegrip van de rechterlijke macht en de politie, verbetering van de infrastructuur en plattelandsontwikkeling. Verder steunen we in het kader van het stabiliteitsinstrument met 10 miljoen euro de opleiding van 850 Tsjaadse politieagenten via de VN-missie MINURCAT. We werken ook aan de vrijwillige terugkeer van Tsjaadse binnenlandse ontheemden en vluchtelingen en we stellen 30 miljoen euro beschikbaar voor humanitaire hulp.
Volgens mij is dit de juiste aanpak en moet die telkens systematisch worden gevolgd als de EU met een nieuwe crisis te maken krijgt.
Deze flexibiliteit in onze beleidsmix wordt benadrukt in het verslag over de Europese veiligheidsstrategie van afgelopen december. Daaraan wordt ook in alle drie de verslagen die onderwerp zijn van dit debat, gerefereerd. In het verslag over de Europese veiligheidsstrategie wordt terecht gezegd dat het verband tussen het interne en externe EU-beleid duidelijker is geworden, en dat is ook heel belangrijk als we kijken naar zaken als energiezekerheid en klimaatverandering, of als wij de klemtoon leggen op het verband tussen veiligheid en ontwikkeling en het belang erkennen van armoedebestrijding op lange termijn als middel om de veiligheid te versterken.
In het verslag wordt erkend dat de communicatie met onze burgers over alle veiligheidsaspecten die van speciaal belang voor hen zijn, moet worden verbeterd, zodat we een draagvlak blijven houden voor onze mondiale missies. Ook wordt hierin benadrukt dat alles wat de EU op het gebied van veiligheid heeft gedaan, gebaseerd is op onze waarden en beginselen en gekoppeld is aan VN-doelstellingen. We moeten deze boodschap aan de burgers blijven verkondigen, ook als het gaat om zaken als terrorisme, en we moeten zeggen dat deze stevig verankerd is in de eerbiediging van de mensenrechten en het volkenrecht.
We hebben ook oog voor de rol die het maatschappelijk middenveld en ngo's, alsmede vrouwen, spelen in het bevorderen van de vrede: een typisch Europese benadering.
Ik zag tot mijn genoegen dat in het verslag van het Europees Parlement over de Europese veiligheidsstrategie werd benadrukt dat resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen en conflicten beter ten uitvoer moesten worden gelegd.
Dan de energiekwestie. De gascrisis waardoor de EU dit jaar is getroffen, had ongekende gevolgen. Het is duidelijk dat we hieruit lering moeten trekken voor wat betreft de energiezekerheid. We weten nu bijvoorbeeld dat er een functionerende interne EU-energiemarkt moet zijn, dat er behoefte is aan interconnectie en infrastructuurprojecten, dat er mechanismen moeten worden ontwikkeld om leveringscrises het hoofd te bieden en dat de EU een krachtig extern energiebeleid moet voeren. Wij ondersteunen deze breed opgezette benadering.
In het verslag wordt aangedrongen op een grotere rol voor de Europese Unie in haar omgeving. Op dit onderwerp wil ik echter op dit moment niet nader ingaan.
Onze betrekkingen met Rusland, die de laatste tijd nogal op de proef zijn gesteld, spelen een belangrijke rol en hebben een grote invloed op de veiligheid.
De trans-Atlantische band blijft essentieel voor onze gemeenschappelijke veiligheid en in dat verband zullen we spoedig kwesties van hoge prioriteit met president Obama gaan behandelen.
Tot slot wil ik nog wat zeggen over een specifiek element van de bijdrage die de Commissie levert aan de crisisresponsmaatregelen van de EU, te weten het stabiliteitsinstrument. De eerste twee jaar van dit nieuwe instrument zijn succesvol geweest, wat betreft zowel de uitvoering van de begroting als de operationele kwaliteit en politieke coördinatie met de Raad en het Parlement. Tot nu toe is er 220 miljoen euro beschikbaar gesteld voor 59 acties wereldwijd in 2007 en 2008, het merendeel in Afrika en verder vooral in Azië en het Midden-Oosten, alsmede in Kosovo en Georgië. Tot onze prioriteiten voor 2009 behoren zeer zeker, zoals Javier Solana al zei, Afghanistan, Pakistan en het Midden-Oosten.
Ik merk nog op dat we, via het stabiliteitsinstrument en in nauwe samenwerking met het secretariaat-generaal van de Raad, betrokken zijn bij diverse activiteiten en dat we een steeds belangrijkere rol vervullen bij de opleiding van missiepersoneel voor aanbesteding en financiële administratie en de EVDB-gerelateerde opleiding van civiele responsteams. We hebben 600 politie-experts op het gebied van civiele crisisbeheersing opgeleid volgens VN-normen, zodat de robuustheid, de flexibiliteit en de interoperabiliteit van de EU-politie-eenheden zijn verbeterd.
Ik wil hieraan nog toevoegen – en ik denk dat dat een zeer belangrijk punt is, bijvoorbeeld met betrekking tot Afghanistan – dat we er ook voor moeten zorgen dat de werkvoorwaarden voor gedetacheerd personeel uit de lidstaten en gecontracteerd personeel aantrekkelijk genoeg zijn om voldoende gekwalificeerde kandidaten aan te trekken voor de bezetting van onze missies. Ik denk dat we ons daarop moeten richten. Het betekent dat er steeds meer een beroep wordt gedaan op onze inbreng in crisisbeheersing en dat men hoge verwachtingen van de EU heeft. We zullen onze uiterste best doen om aan die verwachtingen te voldoen.
Valdis Dombrovskis, rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, bij het jaarlijks verslag (2007) over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB), wil ik graag de aandacht vestigen op een aantal punten die de Begrotingscommissie van belang acht. Ten eerste wil ik het hebben over de transparantie van de begrotingsuitgaven voor het GBVB. De door de Europese Commissie toegepaste praktijk om niet-bestede kredieten in het hoofdstuk GBVB over te dragen naar het volgende jaar, omdat zij deze als ontvangsten met een bepaalde bestemming beschouwt, geeft enige aanleiding tot bezorgdheid. De Begrotingscommissie heeft de Commissie verzocht informatie te verstrekken over deze financiële praktijk en stelt voor deze kwestie tijdens de regelmatige overlegvergaderingen in het kader van het GBVB nader te onderzoeken. Ten tweede wil ik de overschrijving van kredieten tussen verschillende posten binnen het hoofdstuk van de begroting voor het GBVB ter sprake brengen. Zeker, om snel te kunnen reageren op crisissituaties in derde landen dient op dit punt een zekere flexibiliteit te worden gewaarborgd. De Commissie zou echter de transparantie van en daarmee de democratische controle op het GBVB kunnen verbeteren door het Parlement tijdig op de hoogte te stellen van interne overschrijvingen. Dit is met name van belang omdat de meeste van deze GBVB-missies, en in het bijzonder de waarnemersmissie van de EU in Georgië en de rechtsstaatmissie van de EU in Kosovo, een gevoelig politiek karakter hebben. Ten derde is de Begrotingscommissie van mening dat de regelmatige bijeenkomsten over het GBVB, die worden gehouden uit hoofde van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende begrotingsdiscipline en goed financieel beheer, veel effectiever gebruikt zouden worden als gesproken werd over optredens in het kader van het GBVB en over het middellange- en langetermijnbeleid van de EU ten aanzien van derde landen, en als vóór het overleg een standpunt van de begrotingsautoriteit werd voorbereid. Dank u voor uw aandacht.
José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, namens de PPE-DE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn dank uitspreken aan de drie rapporteurs van het Europees Parlement – aan de heren Saryusz-Wolski, von Wogau en Vatanen – voor hun verslagen, en ik wil evenals mevrouw Ferrero-Waldner en de heer Solana benadrukken dat deze verslagen een belangrijke bijdrage van het Parlement tot de ontwikkeling van een sterk, zichtbaar en doeltreffend buitenlands veiligheids- en defensiebeleid zijn. Dit beleid dient de verdediging van onze belangen in de wereld en de bescherming van de veiligheid van onze burgers te waarborgen. Het moet bijdragen tot de totstandbrenging van een Europese Unie die haar rol speelt in een effectief multilateraal systeem en bovenal, mijnheer de Voorzitter, moet het helpen waarborgen dat de mensenrechten en de democratische waarden in alle delen van de wereld worden geëerbiedigd.
Het Verdrag van Lissabon en het nieuws van vandaag uit Ierland – waar volgens opiniepeilingen 60 procent voor het Verdrag is – en uit Tsjechië – waar het Verdrag door het Tsjechische parlement werd geratificeerd – laten volgens mij zien dat de Europese Unie op het punt van het buitenlands en veiligheidsbeleid inmiddels volwassen wordt. Dit beleid moet er bovenal ook voor zorgen dat onze regeringen een meer Europese aanpak kiezen wanneer ze met crises worden geconfronteerd.
Ik geloof dat de Europese Unie haar eigen strategische standpunten moet ontwikkelen – wat vanzelfsprekend is en in de vorm van de nieuwe veiligheidsstrategie ook zal gebeuren – maar hierbij mag niet worden vergeten dat de trans-Atlantische band van oudsher een essentieel onderdeel van de Europese Unie is. De Verenigde Staten stonden via de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie garant voor de veiligheid van Europa, en tot op heden bestaat er geen alternatief voor deze band.
Verder geloof ik dat het alleen mogelijk zal zijn om van Europa een ‘macht’ te maken, als Europa zelfverzekerder wordt, niet tegenover de Verenigde Staten, maar samen met de Verenigde Staten, als twee partners die dezelfde wereldbeschouwing hebben en elkaar wederzijds respecteren. Natuurlijk betekent dit niet dat de Europese Unie de Verenigde Staten carte blanche dient te geven: we moeten waar we dit nodig achten onze eigen belangen en waarden verdedigen. De Verenigde Staten moeten ook leren de standpunten van de Europese Unie te respecteren, omdat we, zoals de werkzaamheden van mevrouw Ferrero-Waldner en de heer Solana veronderstellen, een instelling zijn die internationaal aanzien geniet en potentieel een belangrijke gesprekspartner is in iedere regio van de wereld.
Helmut Kuhne, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het Parlement – en daarmee ook de Commissie – komen zo langzamerhand aan op de laatste rechte lijn voor de finish van deze zittingsperiode, ofschoon dit niet voor de Raad geldt. Het is mijns inziens daarom nuttig dat wij niet alleen als boekhouders een balans opmaken van de ontwikkeling van het Europese veiligheids- en defensiebeleid, maar de zaken wat grondiger aanpakken.
Ik geef toe dat ik heen en weer word geslingerd tussen twee benaderingswijzen. De haren rijzen me te berge als ik kijk naar de dagelijkse behoeften, als een missie dreigt te mislukken als gevolg van zes defecte helikopters, als de politieke wil in de hoofdsteden ver te zoeken is of als technologische projecten versnipperd raken.
Als ik echter de zaken vanuit een historisch perspectief bezie, dan ziet het er allemaal heel anders uit, en wat dat betreft verdient de heer Solana inderdaad heel veel lof. Het Europese veiligheids- en defensiebeleid bestaat pas zo'n tien jaar en het document betreffende de veiligheidsstrategie dateert nog maar uit 2003. Afgemeten daaraan zijn de vorderingen vanuit historisch perspectief heel groot. Als historische optimist kies ik bij twijfel dan ook voor dit perspectief.
Ten tweede wil ik als sociaaldemocraat ingaan op een punt waarvoor de Europese Unie, noch de NAVO verantwoordelijk is, maar dat alle Europeanen aangaat. Het gaat om de ontwikkelingen in verband met het raketafweersysteem in Polen en Tsjechië. Wij als sociaaldemocraten nemen er met grote vreugde kennis van dat de voorstellen die wij hebben gedaan thans in verband met de veranderde situatie in de Verenigde Staten worden overgenomen.
Wij hebben altijd gezegd dat een overhaast stationeringsbesluit onzinnig is, omdat er op dit moment geen sprake is van een dreiging uit bijvoorbeeld Iran. Hillary Clinton heeft vorige week verklaard dat verdere besluiten van Amerikaanse zijde zullen afhangen van de ontwikkelingen in Iran. Joe Biden verklaarde dat een en ander afhangt van technische capaciteiten en financiële overwegingen. Daar nemen wij met voldoening kennis van. Wij zullen in ieder geval niet de laatste verloren brigade zijn die zwaait met de vlag van dit raketafweersysteem.
Annemie Neyts-Uyttebroeck, namens de ALDE-Fractie. – Het debat van vandaag op basis van de drie verslagen bewijst dat, in tegenstelling tot wat vele europessimisten en eurosceptici beweren, het Europees veiligheids- en defensiebeleid en het Europees buitenlands beleid inderdaad hoe langer hoe meer gestalte en consistentie krijgt. Dat is overvloedig aangetoond door de sprekers voor mij.
Ik wil eerst en vooral de drie rapporteurs bedanken voor de wijze waarop zij bij het schrijven van hun verslag ook rekening hebben gehouden met de standpunten van de liberale schaduwrapporteurs. Wij vinden vele van onze standpunten terug en zijn daar blij om. Ik vind het een klein beetje jammer dat er voor het NAVO-verslag van collega Vatanen, die nochtans - zoals men in het Engels zegt - out of his way is gegaan om met zoveel mogelijk standpunten en benaderingen rekening te houden, op het allerlaatste moment nog aparte PPE- en PSE-amendementen zijn ingediend, alsof de stempel van die twee fracties nog eens extra op het verslag moest worden gedrukt.
Wij zullen het niettemin goedkeuren omdat wij vinden - en ik ga dan verder op dat verslag in - dat net de goede accenten worden gelegd en dat het verslag ook getuigt van voldoende realisme. Er wordt bij voorbeeld, weliswaar op elegante manier, erkend dat er wel degelijk competitie bestaat tussen de Europese Unie en de NAVO. Zoiets wordt meestal straal genegeerd, ook al is het de realiteit.
Ten tweede is het amendement aanvaard van collega Duff en van mijzelf, waarin wij duidelijk uitleggen waarin de moeilijkheden bestaan die veroorzaakt worden door de respectieve houding van Turkije, Griekenland en Cyprus in de NAVO en de Europese Unie. Meestal beperkt men zich namelijk tot elegante allusies.
Tenslotte wordt er gepleit voor complementariteit tussen de strategie van de Europese Unie en van de NAVO inzake defensie en veiligheid. En dat, collega's, is absoluut essentieel.
Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het in de jaren negentig voorspelde liberale einde van de geschiedenis is een illusie gebleken. Terecht voelen we ons steeds geïsoleerder. Daarom bestaat er geen alternatief voor de samenwerking tussen de Europese Unie en de NAVO. Er bestaat geen alternatief voor een grotere inzet van Europa en de VS voor de internationale veiligheid. Anders zullen Korea, Iran of de terroristen van Hamas de facto de basisbeginselen van de internationale orde dicteren.
Energie, grondstoffen, piraterij en internetbeveiliging vereisen bijzondere aandacht. Onlangs hebben we in Polen ook geleerd dat de coördinatie van reddingsoperaties van gijzelaars ook een groot probleem is. Dat beslissingen gemeenschappelijk genomen worden, zegt echter niets over de kwaliteit ervan. Daarom zou ik de rol van het Verdrag van Lissabon niet willen overschatten. De reden waarom onze beslissingen slechts beperkt effectief blijken, moeten we zoeken in de Europese hoofdsteden. Daar moet de politieke wil om een gezamenlijke wereldpolitiek te voeren gevonden worden, en niet in procedures.
Angelika Beer, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is waar dat er de laatste jaren binnen het Europese veiligheids- en defensiebeleid een snelle ontwikkeling heeft plaatsgevonden. We moeten er echter voor zorgen dat zich een net zo snelle ontwikkeling en verandering voordoet als het gaat om dreigingen en crises van om het even welke aard.
Mijn fractie is gekant tegen het mooi praten van ons werk. Ik wil de onderhavige verslagen dan ook niet mooier voorstellen dan ze zijn. Collega Saryusz-Wolski heeft een goed verslag ingediend waarmee we zullen instemmen. Niettemin is duidelijk dat er sprake is van een strategisch dilemma. Ik geef u, mijnheer Solana, zonder meer gelijk. U zei zojuist dat de Europese samenwerking op strategisch niveau moet worden versterkt. Wat echter bovenal gezocht en gevonden moet worden, is een gemeenschappelijke Europese strategie in het veiligheidsheids- en defensiebeleid, want daar ontbreekt het momenteel aan.
Ik zeg dit omdat wij ons in een historische situatie bevinden. De onderhavige verslagen – vooral het verslag-Vatanen – over de NAVO hinken voort in de schaduw van de nieuwe regering in de VS. De heer Vatanen heeft de kwestie van nucleaire ontwapening, waar we morgen opnieuw over zullen stemmen, niet in zijn verslag willen behandelen. Ja, waarover praten we dan?
En dan het verslag van de heer von Wogau. Daarin wordt gesproken over een nieuw concept: SAFE. Een leuke woordspeling – Synchronized Armed Forces Europe –, maar zo'n concept bestaat helemaal niet. Bovendien zien wij niet in waarom we nu akkoord zouden moeten gaan met een concept dat nog niet eens op tafel ligt. De heer von Wogau heeft nagelaten in zijn verslag Human Security ter sprake te brengen. Mijn fractie dringt erop aan dat wij als Europese Unie deze doelstelling in de internationale politiek onomwonden noemen. Hij wilde niet dat we zouden spreken over Peace Building Partnership of over de verdere ontwikkeling van een civiel vredeskorps. Daarom zeg ik dat dit verslag volstrekt ontoereikend is, ervan uitgaande dat Europa nu, in de komende maanden, vanaf vandaag, in actie moet komen – dat is op de veiligheidsconferentie in München wel gebleken.
Sinds de verkiezingen in de VS ligt er een gouden kans voor het grijpen, maar ik weet niet hoe lang die nog blijft liggen. Wij Europeanen moeten onze strategische belangen nu uiteenzetten en opnemen in het bondgenootschap, de NAVO, en we moeten ook onze definities van veiligheid, waar mevrouw Ferrero-Waldner het over had, bepalen met betrekking tot Rusland. De Amerikaanse regering zal anders over een paar maanden de Europese Unie achter zich laten en in bilaterale afspraken met Rusland besluiten nemen op cruciale punten ten aanzien van de veiligheidsstrategie, zonder dat de Europese macht – politieke macht, macht op het gebied van conflictpreventie – zich kan doen gelden bij het herstabiliseren van het trans-Atlantisch veiligheidsbeleid.
Daarom doe ik een oproep, niet alleen aan onszelf, maar ook aan anderen, om het koude-oorlogsdenken en het denken in kampen achter ons te laten en vooruit te blikken. Europa heeft tegenover zijn burgers immers de plicht om nu een veiligheidspartnerschap te formuleren die vrede brengt en niet het tegendeel.
Tobias Pflüger, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de verslagen van collega von Wogau en Vatanen zijn helder en duidelijk en zorgen voor een nog grotere militarisering van de Europese Unie. De verslagen vragen in feite dat de EU een militaire macht wordt. Volgens het verslag van collega von Wogau over de Europese veiligheidsstrategie is een "geïntegreerde Europese strijdmacht" vereist. Dat vinden wij onjuist. Er wordt verder bijvoorbeeld gepleit voor een EU-hoofdkwartier en een gemeenschappelijke markt voor defensiematerieel.
In het verslag van collega von Wogau wordt uitgerekend aan het veel te dure Eurofighter-programma alsnog steun verleend. Centraal staat daarbij volgens de verslagen het Verdrag van Lissabon, dat "belangrijke vernieuwingen in het EVDB met zich zal brengen". Dit is een belangrijke reden waarom wij tegen het Verdrag van Lissabon zijn.
Het verslag van collega Vatanen roept op tot de ontwikkeling van permanente samenwerkingsstructuren tussen de EU en de NAVO. Dat vinden wij onjuist. Al die nieuwe militaire EU-missies zijn problematisch. De NAVO is geen vredesverbond. Integendeel, de NAVO voert oorlogen, destijds tegen Joegslavië en nu in Afghanistan. En welke oorlogen zullen volgen in de toekomst? NAVO staat voor oorlogspolitiek. In het verslag wordt de NAVO de kern van de Europese veiligheid genoemd, maar zij staat voor onveiligheid! Een vermenging van de EU en de NAVO zou tot grote problemen leiden, met name als het om de twee strategieën gaat.
Als GUE/NGL-Fractie pleiten wij voor een civiele Europese Unie. Wij zijn tegen de NAVO. De NAVO moet worden opgeheven. De NAVO wil in Straatsburg, Baden-Baden en Kehl haar zestigjarig bestaan vieren. Ik roep hierbij op om te protesteren tegen deze NAVO-top. 60 jaar NAVO is 60 jaar te veel.
Wij hebben als fractie minderheidsstandpunten ingediend op de verslagen von Wogau en Vatanen, en mijn collega’s zullen nog uiteenzetten welke problemen met betrekking tot Rusland er zijn. Wij zijn nog altijd tegen het raketsysteem en tegen de formuleringen in het verslag aangaande Cyprus. Daarom zullen wij tegen deze verslagen stemmen.
Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – Nog geen jaar geleden maakte ik met een EP-delegatie persoonlijk kennis met de activiteiten van de EU-politiemissie op Westelijke Jordaanoever en in mij gloorde toen de hoop van een Palestijnse autoriteit die haar gezag reëel handhaafde door een effectief politie- en veiligheidsapparaat. Paragraaf 25 van het voorliggende verslag Saryusz-Wolski verwelkomt dan ook de verlenging van het mandaat van de EU-politiemissie in de Palestijnse gebieden.
Inmiddels heb ik zeer recent enkele zeer ongunstige meldingen onder ogen gekregen over de openbare veiligheid op de Westoever, bijvoorbeeld afpersingspraktijken door leden van het Palestijnse veiligheidsapparaat die 's nachts als maffialeiders opereren of zelfs de namen van leden van terreurgroepen die op de loonlijst staan van de Palestijnse Autoriteit.
Raad en Commissie, kloppen deze meldingen? Is het fictie? Kortom, hoe verloopt momenteel eigenlijk de EU-politiemissie in de Palestijnse gebieden? Want dat is toch essentieel. Als ze streven naar een levensvatbare Palestijnse staat, dan zou er allereerst op de Westelijke Jordaanoever law and order moeten zijn .
Luca Romagnoli (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik vind dat het Atlantisch Bondgenootschap een achterhaald verdedigingsinstrument is en dat het in een aantal gevallen, ook onlangs nog, allesbehalve behulpzaam is geweest in de betrekkingen met bijvoorbeeld Rusland. Ik ben van mening dat we onze betrekkingen met Rusland moeten implementeren en moeten doen uitmonden in een bevoorrecht partnerschap.
Ik ben het met de verklaring van mevrouw Ferrero-Waldner eens dat het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid niet voorbij mag gaan aan het feit dat de NAVO bij een aantal recente gebeurtenissen niet het nuttigste instrument is gebleken te zijn voor afschrikking en vredestichting.
Ik denk dat Europa inmiddels volwassen genoeg is en de politieke behoefte heeft om zijn eigen onafhankelijke veiligheidsstrategie uit te zetten. Dit betekent niet dat we een tegenovergesteld standpunt innemen. We kunnen zij aan zij blijven staan – zoals andere collega's al aangaven – zonder langer onderworpen te zijn aan wat, vaak, niet-Europese belangen zijn. Daarom kan ik geen steun geven aan de onderhavige verslagen .
Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, aangezien de bijdragen van de verschillende sprekers over het algemeen in dezelfde richting gingen als mijn opmerkingen, zou ik hier zo kort mogelijk willen ingaan op drie à vier punten die me bij het luisteren naar de redevoeringen te binnen schoten.
Om te beginnen hulpbronnen en middelen. De rapporteurs van de verschillende verslagen hebben beweerd dat we problemen hebben met hulpbronnen en middelen, en dat een beter gebruik van de nationale hulpbronnen voor ons een goede benadering zou kunnen zijn. Ik wil echter kwijt dat we ook over middelen beschikken waarvan we niet optimaal gebruik maken, en hier zou ik u graag nog eens op willen wijzen.
Volgens mij was het een goed idee om het Europees Defensieagentschap in het leven te roepen bij een consensusbesluit van de Europese Raad, zonder dat daartoe het Verdrag van Lissabon moet worden toegepast of aangenomen. Ik geloof dat het agentschap geweldig werk kan verzetten op het vlak van coördinatie van nationale beleidslijnen, zodat een grotere toegevoegde waarde kan worden gegeven aan alle beleidsmaatregelen die wij nemen.
Iemand had het over helikopters. Helikopters zijn nodig voor allerlei verschillende missies: voor civiele missies, militaire missies en allerhande andere missies, in verband met vervoer. De helikopter is tegenwoordig een essentieel instrument voor crisisbeheer.
Een betere coördinatie van onze middelen, zowel wat betreft de hardware als ook wat betreft de toepassing van software voor helikopters, zou ons in staat stellen om er beter gebruik van te maken, zodat we voor dagelijks gebruik over meer middelen kunnen beschikken dan we feitelijk hebben.
Ik wil tevens opmerken dat onze strategische partnerschappen met de Verenigde Staten en de Russische Federatie er in de afgelopen weken sterk op vooruit zijn gegaan.
Mevrouw Beer had het over de veiligheidsconferentie van München. Volgens mij was deze conferentie een belangrijk evenement, waarbij in de wandelgangen vooruitgang werd geboekt. Dit was immers geen politiek forum voor besluitvorming, maar wel een uiterst belangrijk forum voor gedachtewisselingen. Mijns inziens zal de komende maanden en jaren vooral worden gesproken over onze betrekkingen met de Verenigde Staten, met het oog op de strategie voor de komende jaren, en met Rusland. Dit was in München het geval en ook daarna, toen mevrouw Ferrero-Waldner en ik in Moskou waren, waar we met de leiders van de Russische Federatie over het essentiële onderwerp van nieuwe ideeën inzake Europese veiligheid hebben gesproken.
Europa wil geen militaire macht zijn. Europa – de Europese Unie – is volgens mij een civiele macht met militaire middelen, wat iets heel anders is dan een militaire macht, en ik ben ervan overtuigd dat dit zo dient te blijven. Onze werkzaamheden en alle documenten die wij opstellen, en die door het Parlement en de Commissie – of door mijzelf – worden opgesteld, zijn op dit doel gericht.
Een paar woorden over de politie in de Palestijnse gebieden, een onderwerp waarover we tijdens de vorige vergadering hebben gesproken. EUPOL is een van de belangrijkste middelen waarover we beschikken als het om geloofwaardigheid en veiligheidswerk met de Palestijnen en in de bezette gebieden gaat, en zal ook verder een belangrijk initiatief van de Europese Unie blijven, dat door alle partijen wordt erkend, door de Palestijnen, de Israëli’s en de omringende landen. Daarom kunt u ervan op aan dat we er alles aan zullen doen om dat doel te bereiken.
Elmar Brok (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, ik wil de drie rapporteurs bedanken en slechts over enkele specifieke aspecten een opmerking maken. Wat ik met name wil zeggen is dat 60 jaar NAVO voor mijn generatie 60 jaar vrede en vrijheid betekent. Dat mag niet vergeten worden.
Als het ons nu, in een tijd waarin het multilateralisme weer sterker opkomt, lukt om het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU te versterken – zoals ook de Hoge Vertegenwoordiger, Javier Solana, zojuist zei –, dat wil zeggen, als het ons lukt om in de huidige tendens richting multilateralisme onze plannen voor preventieve maatregelen en ‘soft power’ sterker te integreren in een gemeenschappelijke trans-Atlantische strategie, dan gaan we een goede toekomst tegemoet.
Tegelijkertijd zal de terugkeer van Frankrijk tot de militaire integratie de Europese positie versterken. Tijdens de veiligheidsconferentie van München bleek dat in de uiteenzettingen van premier Tusk, bondskanselier Merkel en president Sarkozy – in aanwezigheid van de Amerikaanse vicepresident Biden – praktisch geen verzet klonk tegen een Europees corps in de NAVO. Het was voor mij in ieder geval sensationeel om te zien dat de Amerikanen hierbij geen protest aantekenden. Binnen de trans-Atlantische betrekkingen kunnen we ook op militair gebied meer gemeenschappelijke standpunten ontwikkelen en deze in NAVO-verband op geloofwaardige wijze uit de doeken kunnen doen. Daarom moeten we ons met onze plannen met betrekking tot militair vermogen, waarin de nadruk ligt op ‘soft power’ en preventie, richten op een nieuwe agenda, een agenda die in München op de voorgrond kwam maar eigenlijk al langer bestond. Met de politiek van president Obama kan er namelijk een nieuw tijdperk van ontwapeningsonderhandelingen aanbreken. Hierin kunnen wij als Europeanen een rol spelen met START, met het NPV, waarover opnieuw moet worden onderhandeld, maar vooral met het CSE-Verdrag, dat juist in Europa van groot belang is, gezien de problemen die ook hier bestaan met Rusland.
Als dat alles, met inbegrip van het raketschild, in aanmerking wordt genomen, hebben we een nieuwe, betere kans om een gemeenschappelijk trans-Atlantisch beleid te voeren, met de VS als bondgenoot en Rusland als strategische partner, een beleid dat in het Europees belang voor vrede is. Deze kans kunnen we alleen benutten als we zelf sterker en invloedrijker worden, en daarom is de richting van dit beleid goed.
Ioan Mircea Paşcu (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verslag over de rol van de NAVO in de veiligheidsstructuur van de EU weerspiegelt verschillende visies binnen het Europees Parlement, namelijk enerzijds de standpunten volgens welke de NAVO nog steeds een organisatie is die haar leden de sterkste veiligheidswaarborg biedt, en anderzijds de standpunten volgens welke het bestaan van de NAVO steeds minder noodzakelijk is, omdat er kennelijk in de wereld geen grote dreigingen meer zijn, althans geen bedreigingen die vergelijkbaar zijn met die van de voormalige Sovjet-Unie.
Tot op heden was echter geen enkel land dat lid is van beide organisaties, bereid om de veiligheidswaarborg van de NAVO op te geven, zelfs niet wanneer de EU haar defensie- en veiligheidsinspanningen opvoert en zelfs niet nu de EU het equivalent van Artikel 5 van het Verdrag van Washington heeft geïntroduceerd: de solidariteitsclausule van het Verdrag van Lissabon.
Naar mijn gevoel moeten de betrekkingen tussen de NAVO en de EU - het belangrijkste aspect van de algemene trans-Atlantische betrekkingen - betrekkingen zijn die elkaar van nature aanvullen en die gunstig zijn voor elk van de twee partners die genoodzaakt zijn samen te werken om te kunnen reageren op de hedendaagse, toenemende en steeds complexer wordende uitdagingen. Met het oog daarop zouden de bestaande mechanismen - zoals de Berlijn-plus-regelingen - kunnen worden verbeterd, zouden nieuwe mechanismen - zoals het voorstel voor een operationeel hoofdkwartier van de EU - moeten worden overwogen, zouden obstakels - zoals het negatieve effect van het Cyprus-probleem - moeten worden weggenomen en zou - wat misschien wel het allerbelangrijkst is - de manier waarop men elkaar ziet absoluut moeten worden verbeterd. Enerzijds moet de NAVO dus niet langer worden beschouwd als een tegenstander en anderzijds moet de EU evenmin worden gezien als een aanhangsel van de NAVO.
Zoals gezegd is de waarheid dat de twee partners in praktijk zeer goed met elkaar kunnen samenwerken en elkaar daarbij onderling kunnen aanvullen. Daarom is het verslag geamendeerd en hopelijk is het eindresultaat voor velen van ons acceptabel geworden.
Andrew Duff (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, diverse sprekers houden zich vanmiddag groot. Het feit is dat niet alle EVDB-missies een succes blijken te zijn: sommige missies hadden geen duidelijk doel, sommige missies zijn onvoldoende gefinancierd en het is mogelijk dat ook onze Afghaanse campagne nog mislukt. Daarom is het goed dat het Parlement een krachtige bijdrage levert aan de definitie van gemeenschappelijke veiligheid. Ook moeten we nu veel duidelijkere criteria vaststellen voor de EVDB-missies.
Wat betreft de kwestie van de integratie van onze troepen is er maar weinig sprake van vooruitgang, en ik kan me niet voorstellen dat we hierbij botsende Franse en Britse onderzeeërs in gedachten hadden!
Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, waar er teveel presidenten zijn, is er eigenlijk niet één. Als we het over veiligheid hebben, moeten we een zeer duidelijke en uiterst precieze uitspraak doen over een heel dringende en heel belangrijke kwestie. Wat zich vorig jaar in de Kaukasus, in de nabije omgeving van de Europese Unie, heeft afgespeeld, toont aan dat we zeker en vast de nadruk moeten leggen op het beleid naar het Oosten toe en dit beleid moeten beschouwen als een bijzondere investering in de veiligheid van Europa en de Europese Unie. Daarom ben ik ook van mening dat een partnerschap met landen ten oosten van de EU fundamenteel is. Ik ben blij dat dit partnerschap bestaat, maar tegelijkertijd maak ik me ook zorgen omdat de voor dit oostelijke partnerschap bestemde begroting tot een derde verlaagd is. Ik denk dat deze kwestie van fundamenteel belang is, en ik geloof dat het een duidelijk uithangbord zal zijn van de Europese Unie, niet alleen voor de naaste buren, maar ook voor de landen die ver aan gene zijde van Wit-Rusland, Oekraïne of Georgië gelegen zijn.
Satu Hassi (Verts/ALE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijn dank aan de drie rapporteurs. Helaas moet ik echter zeggen dat ik het niet eens ben met het kritiekloze standpunt ten opzichte van de NAVO, dat vooral in het verslag van de heer Vatanen wordt weergegeven.
De NAVO is natuurlijk niet dezelfde als tijdens de Koude Oorlog, evenmin als Europa dat is, en samenwerking tussen de NAVO en de Europese Unie is een uitstekende zaak. Ik deel echter niet het standpunt dat het een probleem is dat niet alle lidstaten van de Europese Unie lid van de NAVO zijn.
Wij moeten het feit erkennen dat sommige EU-lidstaten een waardevolle bijdrage aan vredesopbouw kunnen leveren, juist omdat zij buiten militaire bondgenootschappen zijn gebleven, zoals mijn eigen land Finland. Omdat Finland tot geen enkel militair bondgenootschap hoort, wordt het vrijwel nergens als vijandig of als een woordvoerder van de vijand beschouwd. Dit heeft vele Finnen geholpen als vredesopbouwers op te treden. Voorbeelden hiervan zijn onze voormalige premier Holkeri in Noord-Ierland, onze voormalige president Ahtisaari in Namibië, Indonesië, Atjeh en Kosovo en onze voormalige minister Haavisto in Soedan.
Hoewel de meerderheid van de EU-burgers in lidstaten van de NAVO woont, moeten wij ook erkennen dat het bestaan van neutrale landen een waardevolle bron voor vredesopbouw is. Dat mag men niet zomaar opgeven in naam van een of ander doel, om het militair beleid in de Europese Unie te harmoniseren.
Vladimír Remek (GUE/NGL). – (CS) Oorspronkelijk wilde ik het hebben over het gevaar van militarisering van de ruimte, omdat ik denk dat ik als voormalig astronaut thuis ben op dat gebied. In de gepresenteerde documenten wordt echter onder andere de noodzaak benadrukt dat het veiligheidsbeleid de belangen van de Europese burgers dient. Tegelijkertijd negeren we echter hun mening volledig, bijvoorbeeld bij de voorgenomen aanleg van nieuwe buitenlandse bases op het grondgebied van de EU. In Polen en Tsjechië zijn de voorbereidingen voor de installatie van componenten van het Amerikaanse raketschild bijvoorbeeld in volle gang. Vooral in mijn eigen land, Tsjechië, worden daarbij de publieke opinie en het publieke belang volledig veronachtzaamd. Van de kant van de EU is er geen enkele officiële uitspraak gedaan ter verdediging van het belang van de burgers, terwijl de EU er toch juist voor hen zou moeten zijn. Ondertussen blijft twee derde van de Tsjechische bevolking consequent tegen de buitenlandse basis, ondanks een informatie- en promotiecampagne die ruim twee jaar heeft geduurd. Volgens mij is er in de EU iets niet in de haak als de belangen van de burgers niet worden weerspiegeld in onze documenten en hun mening kan worden genegeerd in het belang van de democratie. Het is dan ook geen wonder dat mensen de Europese politiek de rug toekeren, zich er niet mee vereenzelvigen of deze ronduit afkeuren.
Bernard Wojciechowski (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de burgers van Europa hebben een sterke Unie nodig met een concurrerend buitenlands-, veiligheids- en defensiebeleid. Dit zal er echter niet komen als onze Unie pas op de plaats blijft maken. China en India groeien niet alleen in economisch, maar ook in militair opzicht.
Het concurrentievoordeel van Europa moet worden gebaseerd op kennis en innovatie, iets wat wij allen moeten koesteren en steunen. In een effectieve veiligheidsstrategie dienen onze Europese troepen de beschikking te hebben over uitrustingen en middelen van de allerbeste kwaliteit. Terwijl de Verenigde Staten biljoenen dollars uitgeven aan veiligheid, zijn we in Europa traag of passief in de ontwikkeling van onze eigen strategie. In een tijd van crisis sluiten we wapenfabrieken, zoals de fabriek in het Poolse Radom. In plaats daarvan zouden we moeten investeren in geavanceerde technologieën, zoals de terugstootloze technologieën die op dit moment in Polen worden ontwikkeld. Innovatie zorgt voor nieuwe handel en banen. We kunnen geen Europese capaciteiten ontwikkelen door onze eigen fabrieken te sluiten.
Roberto Fiore (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, in principe ben ik zeker voorstander van het idee van een Europees leger, maar we moeten nader definiëren wat voor leger het zal zijn en met welke grenzen.
Het is inderdaad volkomen onlogisch dat we twee strijdmachten hebben die tegenover elkaar staan, het Turkse en het Griekse leger en die deel uitmaken van hetzelfde bondgenootschap. Ik ben ervan overtuigd dat de Raad Noord-Cyprus heeft bezocht en heeft kunnen vaststellen hoeveel schade er is berokkend door de Turkse soldaten en de Turkse bezetting van een ongetwijfeld Europees eiland.
Ook moet gezegd worden dat het bondgenootschap met de Verenigde Staten duidelijk een bondgenootschap is dat dikwijls tot grote problemen leidt. De VS heeft ons meegesleurd in verschillende oorlogen, in verschillende conflicten – ik denk aan Servië, Irak en Afghanistan – waaraan zeker geen Europese belangen ten grondslag lagen.
We zouden daarentegen een bondgenootschap moet sluiten met Rusland en Wit-Rusland die in historisch, religieus, militair en geopolitiek opzicht daadwerkelijk Europees zijn. De toekomst van het Europese leger ziet er als volgt uit: een leger dat zeker niet in oorlog is met de Verenigde Staten, maar op respectabele afstand blijft, een leger zonder Turkije, want tot het tegendeel is bewezen, blijft Turkije deel van Azië en is het helaas in het Middellandse-Zeegebied in een conflict verwikkeld met een Europees land, en een leger dat zich aansluit bij en nauw verbonden is met Rusland en Wit-Rusland.
Geoffrey Van Orden (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, u zult niet verbaasd zijn als ik mijn bezorgdheid uit over het streven dat uiting komt in de verslagen over het EVDB, met name in het verslag van de heer Von Wogau, dat vol staat met onjuiste veronderstellingen met betrekking tot de aard van de Europese Unie en de ambitie om een Europees leger onder EU-toezicht te ontwikkelen. In dit verslag worden, en ik citeer deze uitdrukking, 'gesynchroniseerde strijdkrachten van Europa' gezien als een stap op weg naar 'een geïntegreerde Europese strijdkracht', met andere woorden: een Europees leger. Zoals we allemaal weten, levert het EVDB geen toegevoegde militaire waarde op. Het is een politiek instrument voor de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd Europa, en het moet dan ook als zodanig wordt beschouwd.
Ik betoog al lange tijd dat de Europese Unie een nuttige rol zou kunnen spelen bij het verschaffen van civiele instrumenten voor crisisbeheer en wederopbouw na conflicten. Dit zou echt bruikbaar zijn. Overigens kan geen enkele militair die ik ken, zich voorstellen dat conflicten zoals in Afghanistan uitsluitend met militaire middelen kunnen worden opgelost. Er is niets nieuws aan de visie die nu modieus 'de integrale visie' wordt genoemd. Voorheen noemden we dit 'ons hart en verstand'. Daarom is het behoorlijk verkeerd, zelfs misleidend, dat de EU haar betrokkenheid bij militaire kwesties probeert te rechtvaardigen door de integrale visie op de een of andere manier voor zichzelf te claimen, als een soort uniek verkooppunt voor de EU. Een eerlijke en verstandige visie voor de EU zou zijn om de defensieambitie uit het EVDB te schrappen en zich te concentreren op een civiele bijdrage. Wellicht dat Europa en zijn bondgenoten zich dan zouden kunnen richten op hun militaire bijdragen aan de NAVO, door het trans-Atlantische bondgenootschap nieuw leven in te blazen voor de moeilijke jaren die voor ons liggen, zonder te worden afgeleid door de dubbele agenda van de EU.
Het probleem nu is dat de EU-ambities nu de NAVO beginnen te besmetten. Ik maak me dan ook ernstig zorgen over het feit dat dit van invloed zal zijn op de manier waarop het 60-jarig bestaan zal worden gevierd. Intussen hebben wij in Groot-Brittannië ministers die de kop in het zak steken.
Martí Grau i Segú (PSE). – (ES) Mevrouw de commissaris, mijnheer Solana, dames en heren, allereerst zou ik de drie rapporteurs voor hun werk willen bedanken. Als schaduwrapporteur van het verslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) zal ik specifiek op dat document ingaan, waarbij ik om te beginnen de heer Saryusz-Wolski wil feliciteren met de resultaten van zijn werk en zijn samenwerking met de andere fracties bij het streven naar een consensus.
Net zoals het Parlement herhaaldelijk heeft geëist dat de Europese Unie de instrumenten krijgt om met één stem in de wereld te kunnen spreken, is dit Parlement zelf ook in staat om één lijn te trekken als het erom gaat de voornaamste prioriteiten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te benadrukken.
De inspanningen van onze fractie – de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement – waren op twee doelstellingen gericht. Ten eerste wilden wij de grote thema’s aan de orde stellen of versterken die volgens ons op alle gebieden van het buitenlands beleid zinvol zijn, zoals bestrijding van klimaatverandering, bevordering van vrede in de hele wereld of engagement op het gebied van menselijke ontwikkeling. Ten tweede wilden wij voorstellen doen om het evenwicht te herstellen tussen de geografische prioriteiten van het GBVB, voor zover die in de oorspronkelijke tekst voorkwamen, en het vaststellen van nieuwe prioriteiten die nog niet in de tekst werden genoemd.
Daarom waren wij bijvoorbeeld voorstander van meer duidelijkheid in de activiteiten van de institutionele kaders en samenwerkingsverbanden in de context van de onlangs gedefinieerde oostelijke dimensie. We hebben gepleit voor een grotere diversificatie van en een grotere nadruk op de betrekkingen met Afrika, een continent waar we vaak alleen aan denken wanneer er bijzonder gewelddadige oorlogen uitbreken, en soms zelfs dan niet.
Wat betreft Latijns-Amerika wilden we dat er aandacht werd geschonken aan het lopende onderhandelingsproces over associatieovereenkomsten, het eerste biregionale overleg dat de Europese Unie in haar geschiedenis zal afronden.
Ten aanzien van het Middellandse-Zeegebied waren wij tegen een simplistische benadering die alleen over veiligheid gaat. In plaats daarvan wilden we aandacht besteden aan het rijke politieke, economische en sociaal-culturele erfgoed dat in het proces van Barcelona is opgenomen.
Wat eventuele amendementen voor de plenaire vergadering aangaat wil ik vermelden dat: onze fractie er geen heeft ingediend. Wij zijn namelijk van mening dat op deze manier het dankzij compromissen bereikte evenwicht in zekere zin wordt versterkt. We zullen daarom tegen de meeste amendementen stemmen, om het in de Commissie buitenlandse zaken bereikte compromis niet in gevaar te brengen.
Janusz Onyszkiewicz (ALDE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, zoals Tony Blair ooit heeft gezegd: de Europese Unie moet geen superstaat zijn, maar een supermacht. We kunnen hieraan toevoegen dat zij niet enkel een economische supermacht moet zijn, want dat is zij nu al, maar ook een belangrijke speler op het wereldtoneel, omdat de belangen, ook de economische belangen, van alle lidstaten dit vereisen.
Henry Kissinger zou ooit het nummer gevraagd hebben dat hij kon bellen om te weten te komen wat het standpunt van de Europese Unie was in belangrijke kwesties inzake het internationale beleid. Vandaag is dit het telefoonnummer van de Hoge Vertegenwoordiger. Het probleem is echter dat als de telefoon rinkelt, de heer Solana moet weten wat hij moet antwoorden. Daarom is het noodzakelijk om een gemeenschappelijk buitenlands beleid op te bouwen en daarin plaats te maken voor een veiligheidsbeleid, een energiebeleid en dus ook een gemeenschappelijk beleid ten opzichte van Rusland.
Ik wil graag terugkomen op de noodzaak dat alle landen van de Europese Unie in de dialoog met Rusland met één stem spreken, een voorstel dat steeds weer herhaald wordt. Om dit te bereiken moet zo snel mogelijk een nauwkeurig omschreven, gemeenschappelijk en op solidariteit gebaseerd beleid ten opzichte van Rusland uitgewerkt worden. Dit beleid zal een helder raamwerk vormen, niet enkel voor de gesprekken tussen de Europese Unie en Rusland, maar ook voor bilaterale gesprekken met de verschillende lidstaten. Bij de uitwerking van een dergelijk beleid moet een belangrijke rol worden toegekend aan het Europees Parlement. Het Parlement heeft immers door democratische verkiezingen een mandaat gekregen waarop het trots mag zijn.
Adamos Adamou (GUE/NGL). - (EL) Het verslag over de rol van de NAVO in de Europese Unie was aanleiding om de kwestie van de deelneming van Cyprus aan het Partnerschap voor de Vrede en aan de NAVO ter sprake te brengen. Het is echter noodzakelijk het standpunt van de Cyprische Republiek te eerbiedigen. Het is ongeoorloofd zich te mengen in de interne aangelegenheden van een soevereine staat en deze ertoe aan te zetten deel te nemen aan een organisatie als geen enkel verdrag een dergelijke deelneming voorschrijft.
De Cyprische Republiek bevindt zich midden in onderhandelingen over de oplossing van de kwestie-Cyprus. Als nu nieuwe tegenstellingen worden gecreëerd, zal dit onderhandelingsproces negatief worden beïnvloed. Wij moeten allen streven naar volledige demilitarisering van ons door Turkije bezet vaderland en naar een duurzame oplossing voor de toekomst. Dat moet eenieders doel zijn, en dat komt trouwens ook overeen met het in andere verslagen tot uitdrukking gebracht standpunt van het Europees Parlement.
Wij vragen u steun te geven aan de amendementen 22, 23 en 24 en vooral tegen de punten te stemmen die inmenging in de interne aangelegenheden van een soevereine staat zouden betekenen. Wij vragen u eveneens om, ongeacht uw algemene mening over het Partnerschap of de NAVO, te bevestigen dat het beginsel van eerbiediging van de soevereine rechten van de lidstaten niet geschonden mag worden. Wij hebben ervoor gekozen aan te dringen op demilitarisering en uiting te geven aan onze gehechtheid aan de beginselen van het internationaal recht.
Georgios Georgiou (IND/DEM). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, volgens het internationaal recht betekent “ik heb een staat” dat ik controle uitoefen op een bepaald territoriaal gebied waarop ik een regering installeer en die regering een buitenlands en defensiebeleid laat voeren. Daarom wil ik een vraag stellen over het “beloofde land Europa”, over het land dat menigeen ons belooft. Waar liggen zijn grenzen? Over welk gebied strekt het zich precies uit? Welke defensie heeft het als zijn defensie in handen is van een grote – helaas echter Amerikaanse – generaal? Welk buitenlands beleid heeft het als het Midden-Oosten in brand staat en een broedplaats van terroristen is, van waaruit terrorisme wordt uitgevoerd, en vluchtelingen en slachtoffers niet naar Alabama, Arizona of Kentucky proberen te ontkomen maar helaas naar Griekenland en Cyprus, naar in Duitsland en Spanje!
Daarom moet ik u, mijnheer de Voorzitter, eerlijk zeggen dat ik langzamerhand eraan begin te twijfelen of ik wel steun kan geven aan wat naar voren komt in de voorstellen van de heren die deze verslagen aan ons hebben voorgelegd. Ik denk dat ik daar morgen tegen zal stemmen.
VOORZITTER: MARTINE ROURE Ondervoorzitter
Jim Allister (NI). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, iedereen die doet alsof er geen EU-superstaat voor onze ogen wordt gebouwd, heeft heel wat uit te leggen wat betreft de inhoud van deze imperiale verslagen.
Beweringen dat een gemeenschappelijk defensiebeleid -dat nu als vanzelfsprekend wordt beschouwd - en de zogenaamde strategische autonomie van de EU een geïntegreerde Europese strijdkracht noodzakelijk maken, en de roep om een autonoom en permanent operationeel EU-hoofdkwartier laten er - in combinatie met de roep om gelijkwaardigheid met de NAVO - geen twijfel over bestaan dat degenen die aan de hand van ons gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid het Europese project erdoor drukken, niet alleen politieke macht maar ook militaire macht verlangen. En dat moet allemaal worden bereikt door de macht, de rechten en de onafhankelijkheid van de lidstaten te beperken. Ik verwerp een dergelijke superstaat en een gecentraliseerd leger voor Europa, evenals het Verdrag van Lissabon, dat dit alles mogelijk zou maken.
Tunne Kelam (PPE-DE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de boodschap van onze rapporteurs van vandaag zou kunnen luiden dat een vibrerend Euro-Atlantisch partnerschap de beste garantie is voor Europese veiligheid en stabiliteit.
In ben inderdaad voorstander van de aanneming van een nieuwe trans-Atlantische agenda en de invoering van een nieuw geheel van Euro-Atlantische instellingen, wat uiteindelijk zou moeten leiden tot een alomvattende trans-Atlantische gemeenschappelijke markt.
Ari Vatanen heeft aangedrongen op de deelname van alle EU- en NAVO-leden aan een hechtere samenwerking, ongeacht de organisatie waartoe zij behoren. Ik denk dat dit idee zeer praktisch is, evenals zijn idee van een permanent operationeel EU-hoofdkwartier, als aanvulling op de NAVO-commandostructuren, en uiteraard niet in concurrentie hiermee.
Een ander zeer belangrijk punt is dat we putten uit dezelfde 'pool' van nationale middelen. Jacek Saryusz-Wolski heeft gezegd dat de financiering van het GBVB in ernstige mate tekort schiet, en dus is het cruciaal overlapping te voorkomen en de efficiëntie te verbeteren. De vraag aan de lidstaten is: wat bieden zij de heer Solana om ons gemeenschappelijke defensiebeleid uit te voeren?
Ten derde wordt het tijd om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen voor onze veiligheid. Toekomstige conflicten zullen namelijk worden uitgevochten en mogelijk zelfs worden beslist in cyberspace, waar elke staat zelf moet reageren en zichzelf moet verdedigen, soms binnen een tijdsbestek van slechts een seconde. Ook het Europees Parlement moet het initiatief nemen om een bijdrage te leveren aan deze spectaculaire uitdaging van de 21e eeuw, een uitdaging die is gebaseerd op de democratisering van de moderne technologie.
Hannes Swoboda (PSE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, de nationalisten, de bekrompen leden van dit Parlement, denken kennelijk echt dat de risico’s en problemen van deze wereld enkel en alleen door de landen afzonderlijk kunnen worden opgelost.
De heer Allister is hiervan een typisch voorbeeld. Denkt u nu werkelijk dat u het terrorisme in de wereld kunt bestrijden door alleen aandacht te besteden aan uw nationale defensie? Denkt u nu werkelijk dat de problemen van energiezekerheid kunnen worden opgelost als ieder voor zich de problemen te lijf gaat? Dat is toch een achterhaalde opvatting! Juist het veelvuldig bekritiseerde Verdrag van Lissabon heeft als grote voordeel dat we bijvoorbeeld op het gebied van het energiebeleid of het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid weer meer kunnen samenwerken om de gevaren en risico’s van deze wereld effectief te bestrijden.
De nieuwe Amerikaanse regering van president Obama is blij dat dit gemeenschappelijk Europees beleid er is, omdat de VS zo een partner heeft waarmee het tal van deze problemen kan aanpakken. En Rusland heeft – zo blijkt ook uit de regelmatige aanwezigheid van Russische vertegenwoordigers in dit Parlement – inmiddels ook begrepen dat het oude principe van enkel spreken met landen afzonderlijk om hen vervolgens tegen elkaar uit te spelen, gewoon niet meer werkt. Rusland heeft begrepen dat het heel de Europese Unie moet aanspreken om te komen tot gemeenschappelijke oplossingen, bijvoorbeeld als het gaat om energiezekerheid.
Dat wordt ook in het verslag van collega Saryusz-Wolski telkens weer aangesneden. Hoe kunnen we samen proberen deze problemen, zoals energiezekerheid, op te lossen? Ik ben erg blij dat de Hoge Vertegenwoordiger zich hiervoor in de toekomst samen met een medewerker nog meer zal inzetten, omdat we zo onze burgers kunnen laten zien dat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid hun concrete belangen behartigt, en dat wij in de toekomst willen voorkomen dat mensen in Europa weer in de kou komen te zitten. Dat is het doel. Het gaat niet om een nationalistisch buitenlands beleid, maar om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
Philippe Morillon (ALDE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik feliciteer onze drie rapporteurs met hun opmerkelijke synthese van de situatie waarin ons gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid momenteel verkeert.
Mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, u weet beter dan wie ook dat men Europa op het wereldtoneel verwacht, dat Europa daar de plaats moet innemen die het door zijn economische en demografische macht en de rijkdom van zijn democratische en humanistische waarden toekomt.
Ondanks de wil waarvan meer dan tweederde van onze Europese burgers regelmatig blijk heeft gegeven is er, zoals u al zei - en ik ben het daar mee eens - in de afgelopen tien jaar vooruitgang geboekt, maar daarbij moeten wij ook vaststellen dat Europa nog steeds niet bestaat.
Ik zal een recent voorbeeld geven: de terughoudendheid van Europa bij het oplossen van het nieuwe drama in het Midden-Oosten. Er was en is nog altijd nood aan een Europese aanwezigheid in Gaza. Europa moet daar een actieve rol spelen, zowel om de bevolking te helpen te overleven, als om het land opnieuw op te bouwen en de wapensmokkel te bestrijden, waardoor dat gebied een lanceerbasis voor raketten van alle kalibers is geworden.
Ondanks de mooie woorden die in Sharm el-Sheikh en in Jeruzalem werden uitgesproken, werd op dat vlak nog niets gedaan. Ik herhaal hier een vraag die reeds in de Libanon-crisis werd gesteld: mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, wanneer kunnen we hopen op de inzet van een Europese vloot in de Middellandse Zee, naar voorbeeld van de vloot die u in de strijd tegen piraterij heeft ingesteld? We hebben er de middelen voor. Zullen we op een dag ook de wil ertoe hebben?
Mirosław Mariusz Piotrowski (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, de Europese Unie moet handelen in het belang van de veiligheid van de burgers van alle lidstaten. In de eerste plaats moet zij een deel van de verantwoordelijkheid voor de strijd tegen het terrorisme op zich nemen en scherp reageren op alle uitingen van terrorisme.
Onlangs had de moord op een Poolse ingenieur die in Pakistan gegijzeld werd door de plaatselijke Taliban verstrekkende gevolgen. De zogenaamde Europese diplomatie heeft niet deelgenomen aan voorafgaande onderhandelingen om zijn vrijlating zeker te stellen. Dit schokkend incident, dat onderdeel is van het bredere veiligheidsprobleem, moet het onderwerp worden van een apart debat in het Europees Parlement en moet leiden tot het zetten van concrete stappen. Daar roep ik met aandrang toe op. Op dit moment zijn de repatriëring van het stoffelijk overschot van de vermoorde Pool en de ondersteuning van zijn familie prioritair. Deze noodzakelijke maar kortetermijnmaatregelen mogen echter niet de plaats innemen van een alomvattende aanpak van terrorisme en van verhoogde diplomatieke druk op landen zoals Pakistan.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL). – (PT) Portugal houdt zich in zijn internationale betrekkingen aan de beginselen van nationale onafhankelijkheid, respect voor de mensenrechten en de rechten van volken, gelijkheid tussen de landen, vreedzame oplossing van internationale conflicten, niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen en samenwerking met alle andere volken om emancipatie en vooruitgang voor heel de mensheid te bereiken.
Portugal is voor de afschaffing van imperialisme, kolonialisme en elke andere vorm van agressie, controle en uitbuiting in de betrekkingen tussen de volkeren. Portugal is voor vergaande, gelijktijdige en gecontroleerde ontwapening, voor de opheffing van de politieke en militaire blokken en voor het opzetten van een systeem van collectieve veiligheid dat is gericht op een internationale orde die de vrede kan bewaken en rechtvaardigheid kan garanderen in de betrekkingen tussen de volkeren.
Ik wil de inhoud van artikel 7 van de grondwet van de Portugese Republiek aanhalen om te laten zien hoe ver de Europese Unie van deze beginselen afstaat. De Europese Unie gedraagt zich als de Europese pijler van de NAVO, in samenwerking met de VS, en stimuleert in toenemende mate de militarisering van de internationale betrekkingen, de wapenwedloop, inmenging en agressie, met als doel de grootmachten de controle te geven over de markt en de natuurlijke hulpbronnen en deze onderling te verdelen. Daarmee handelt zij volstrekt in tegenspraak met deze beginselen.
Gerard Batten (IND/DEM). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit zijn initiatiefverslagen en daarom worden ze mogelijk afgedaan als gebakken lucht. We weten echter dat dergelijke verslagen soms worden gebruikt als een middel om de beleidsaspiraties van de EU naar voren te brengen.
De heer von Wogau was ooit voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken en heeft een zeer belangrijke rol gespeeld bij de invoering van de gemeenschappelijke Europese munt. Nu is hij voorzitter van de Subcommissie veiligheid en defensie, en als hij een verslag opstelt waarin hij beweert dat de Europese Unie eigen strijdkrachten nodig heeft, kunnen wij er zeker van zijn dat dit precies is wat de Europese Unie te zijner tijd zal bewerkstelligen.
Deze verslagen roepen de EU op om eigen strijdkrachten te ontwikkelen door aanbestedingen van gemeenschappelijke wapens en door een gemeenschappelijk communicatiesysteem en een autonome gemeenschappelijke commando- en controlestructuur in het leven te roepen. De heer von Wogau bepleit een permanent EU-leger van 60 000 soldaten dat op elk moment kan worden ingezet. De EU wil haar eigen soldaten, vuurwapens, tanks, vliegtuigen en bommen om haar 'verantwoordelijkheden in de wereld te nemen'.
Wat zijn die verantwoordelijkheden eigenlijk precies? Om daar achter te komen, zult u moeten wachten op de volledige ratificatie van het Verdrag van Lissabon. Dan zal er namelijk 'een gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid, resulterend in een gemeenschappelijke defensie' worden ingevoerd. Niemand kan beweren niet te zijn gewaarschuwd voor de militaire aspiraties van de EU.
Bruno Gollnisch (NI). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, in weerwil van onze vriendschap jegens de rapporteurs Vatanen en von Wogau kunnen we hun verslagen niet goedkeuren.
Eerst en vooral omdat de NAVO, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, in 1949 werd opgericht als antwoord op de vreselijke dreiging die van het communisme voor West-Europa uitging. De NAVO heeft een nuttige en zelfs onontbeerlijke rol gespeeld, maar vandaag is dat afschuwelijke communistische systeem ineengestort en is het Warschaupact ontbonden.
De NAVO blijft echter uitbreiden. Haar activiteiten gaan verder dan haar geografische kader. Voor zover ik weet, grenst Afghanistan niet aan de Noord-Atlantische Oceaan, en Kosovo evenmin, waar de NAVO in een onrechtvaardige oorlog die niets heeft opgelost, tot een etnische zuivering van Serviërs heeft bijgedragen. De NAVO schendt dus het handvest van de Verenigde Naties.
Geachte collega's, u bent totaal inconsequent. U wilt een sterk en onafhankelijk Europa creëren en u neemt de Europese defensie op onder een door Amerika overheerst commando. Hoe kunnen Rusland en andere landen dat niet beschouwen als een agressieve houding?
De NAVO onderwerpt ons aan het beleid van de Verenigde Staten van Amerika, waarmee we bevriend zijn maar waarvan we geen vazal en nog minder de knecht mogen zijn. We moeten er komaf mee maken; we moeten eruit stappen. De NAVO heeft zijn tijd gehad!
Hubert Pirker (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, zoals wij allemaal weten veranderen de dreigingsscenario’s voortdurend. Ook het Verdrag en daarmee de mogelijkheden voor het Europees veiligheids- en defensiebeleid zijn aan verandering onderhevig. Wat echter altijd hetzelfde blijft, is de vraag van de bevolking naar veiligheid en stabiliteit, de vraag naar een sterke Unie en ook de vraag naar ontwapening, met name als het gaat om kernwapens.
Met het debat over deze drie verslagen maakt het Europees Parlement vandaag duidelijk kenbaar hoe we deze doelen willen verwezenlijken en veiligheid willen waarborgen. Het eerste middel daartoe is het verslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waarin de nadruk ligt op veiligheid op de Balkan, versterking van de stabiliteit in Afrika en vrede in Palestina. Het tweede middel is het verslag over de samenwerking met de NAVO, waarbij het duidelijk gaat om een nauwere samenwerking tussen de Unie en de NAVO en een betere coördinatie. In het derde verslag gaat het om de verdere ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid met als doel meer efficiëntie, betere coördinatie van de defensie-uitgaven en strategische autonomie voor de gehele Unie, zodat daardoor onze lidstaten ook worden ontlast.
Als we al deze doelstellingen willen nastreven, moeten we voldoen aan de vereisten die in deze verslagen naar voren zijn gebracht. Ik noem als voorbeeld gemeenschappelijk onderzoek en ontwikkeling, de ontwikkeling van gemeenschappelijke normen, gemeenschappelijke aankoopsystemen. Het doel van dit alles moet interoperabiliteit zijn. Dat betekent ook dat militairen van verschillende landen optimaal met elkaar moeten kunnen samenwerken, dat de politie en het leger met elkaar moeten kunnen samenwerken en dat er permanente militaire structuren moeten worden gecreëerd, waarbij een operationeel hoofdkwartier of ook een Raad van ministers van Defensie moet worden opgericht.
Ik ben ervan overtuigd dat we zodoende een beslissende kans hebben om van onze Unie een politieke Unie te maken, een Unie van veiligheid, een Unie die de burgers geeft wat zij verwachten: veiligheid, stabiliteit en duurzame vrede.
De Voorzitter. – Dames en heren, tot nu toe hebben de sprekers zich aan hun spreektijd gehouden, maar wij zijn in tijdnood en daarom verzoek ik u om u strikt te houden aan uw spreektijd.
Jan Marinus Wiersma (PSE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, het GBVB is vrijwel alles gaan bestrijken en dus kun je in een debat als dit bijna zeggen wat je wilt. In het verleden hebben we alleen veiligheidskwesties besproken en nu hebben we het zelfs over klimaatverandering, energie etc. Daarom moet ik selectief zijn en zal ik iets zeggen over de betrekkingen tussen de EU en de VS en over de ontwapeningsagenda, waarmee we dit jaar naar mijn mening vorderingen kunnen maken.
De nieuwe regering is, ook symbolisch, zeer positief van start gegaan door de sluiting van Guantánamo aan te kondigen. Ik denk dat we ons voor deze zaak moeten inzetten en dat we moeten proberen om gezamenlijk enkele van de problemen van de Amerikanen op te lossen.
Het tweede fundamentele debat dit jaar zal betrekking hebben op de economische zekerheid: zijn de Verenigde Staten en Europa in staat om samen de crisis te bestrijden of zullen ze het ieder voor zich doen? Dit laatste zal leiden tot een snelle ontwikkeling van protectionistische maatregelen.
Afghanistan is ook een belangrijk onderwerp. Zullen we in staat zijn om de verhoogde inspanningen van de Amerikanen te evenaren, en zo ja, onder welke voorwaarden? Het is een goed teken dat de Amerikanen hebben gezegd zich bewust te zijn van het feit dat er een politieke oplossing moet worden gezocht, omdat dit niet met wapens kan worden beslecht. Hierdoor is er meteen een rol weggelegd voor de Europese Unie.
Wat de ontwapeningsagenda betreft, mijnheer Solana, hebt u afgelopen december hier in het Parlement een uitstekende redevoering gehouden over uw ideeën en de ideeën van de Raad en de Unie met betrekking tot de bevordering van een positieve agenda, door de Amerikanen en Russen steun te verlenen bij nieuwe onderhandelingen over het START-verdrag en door met de Amerikanen te werken aan de ratificatie van het Alomvattend Kernstopverdrag. We zullen ook steun verlenen aan de verwijdering van de nucleaire wapens die nog in Europa aanwezig zijn. Het zou nuttig zijn steun te verlenen aan ideeën voor het onder internationaal toezicht brengen van de brandstofcyclus, om ervoor te zorgen dat landen die nucleaire energie willen ontwikkelen hiervan vreedzaam gebruikmaken en het niet kunnen misbruiken voor militaire doeleinden.
We stellen het op prijs als de Europese Unie een dergelijke positieve agenda steunt, omdat we weten dat president Obama ambitieus is. In zijn inaugurele rede sprak hij op het punt van het buitenlands beleid eerst over Irak en Afghanistan, maar daarna bracht hij zijn ambities om iets aan nucleaire ontwapening te doen ter sprake.
Samuli Pohjamo (ALDE). – (FI) Mevrouw de Voorzitter, ik ga over het verslag van de heer Vatanen spreken en wil hem allereerst bedanken voor de open wijze waarop hij het heeft voorbereid.
In vind echter dat het Parlement een verkeerd signaal uitzendt door te eisen dat zijn militaire organisatie wordt versterkt en door het belang te benadrukken van een militaire macht die op de NAVO leunt op een manier zoals in het verslag wordt voorgesteld. Samenwerking en partnerschap, democratie en mensenrechten als waarborg voor vrede en stabiliteit is een goed functionerend Europees model dat in alle crisishaarden in de wereld zou moeten worden toegepast. Daarnaast hebben wij te maken met een steeds groter wordende economische crisis, met milieuproblemen en uitdagingen ten gevolge van klimaatverandering. Geen enkel van deze problemen kan met militair machtsvertoon worden opgelost.
Het is naar mijn mening belangrijker het belang van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie te onderstrepen en zich te richten op het voorkomen van conflicten en het wegnemen van de oorzaken van crises door armoede te bestrijden en democratie, mensenrechten en het maatschappelijk middenveld te bevorderen.
Ik wil er tot slot op wijzen dat er in de Europese Unie lidstaten zijn die niet tot de NAVO horen en die hun eigen redenen hiervoor hebben. Deze landen moeten zelf kunnen beslissen over hun oplossingen in het kader van het veiligheidsbeleid, zonder enige druk van buitenaf. Finland bijvoorbeeld heeft zijn eigen defensie goed geregeld en decennialang deelgenomen aan vredesoperaties in verschillende delen van de wereld. Er zijn veel amendementen ingediend die het verslag verbeteren, maar niet de algemene teneur ervan wijzigen.
Mario Borghezio (UEN). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega's, beschikt Europa over zijn eigen geopolitiek? Daar lijkt het niet op mijns inziens! Als Karl Haushofer nog zou leven, zou hij dit enigszins karakterloze Europa uitleggen dat het een maritieme aanpak nodig heeft ten aanzien van de Atlantische, Grote en Indische Oceaan en van de landen in het noorden, waar de Arctische Oceaan enorme en uitermate waardevolle energiebronnen bezit. Het zijn de grootmachten van de Verenigde Staten en Rusland die in deze gebieden actief zijn, niet Europa!
Strijd tegen het terrorisme houdt ook in dat degenen moeten worden aangepakt die instrumenten voor het terrorisme vervoeren, die personen vervoeren die door terroristen gebruikt kunnen worden. Op dit moment staat Lampedusa in brand, omdat iemand de detentiecentra voor illegale immigranten in brand heeft gestoken. Europa zou de Italiaanse regering moeten steunen, die probeert om een stokje te steken voor de invasie van illegale immigranten, waar de maffia en terroristen munt uit slaan. Ik zie echter geen bewijs van de stevige, praktische aanpak die hiervoor nodig is. Europa moet zichzelf beschermen tegen deze dreiging, niet met woorden maar met daden, net als de heer Maroni en de Italiaanse regering.
Rihards Pīks (PPE-DE). – (LV) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Solana, de verslagen van onze collega’s zijn alle drie even professioneel en evenwichtig, en komen bovenal op het juiste moment. Zonder gedetailleerd te willen ingaan op het grote aantal feiten, beoordelingen en voorstellen die in de verslagen worden uiteengezet, wil ik graag twee punten onder de aandacht brengen. Ten eerste is het van belang om de veiligheidsstrategie van Europa om de vijf jaar te herzien, want we kunnen vaststellen dat de afgelopen jaren veiligheidskwesties als energieveiligheid, cyberveiligheid en klimaatveiligheid hoog op onze agenda's zijn komen te staan, en ook dat mogelijke conflictgebieden zich van de ene regio naar de andere hebben verplaatst. Ten tweede moet de Europese Unie haar inspanningen op het gebied van conflictpreventie aanmerkelijk opvoeren. Ik denk dat dit ook mogelijk was geweest in de Zuidelijke Kaukasus, als de EU zich niet vóór het gewapende conflict zo ingehouden had opgesteld. De EU heeft het recht om preventieve stappen te zetten en bemiddelingsmissies te sturen, en heeft zelfs een plicht hiertoe, aangezien de EU een project is om vrede te scheppen, een taak die zij al vijftig jaar vervult. Als wij op uitdagingen willen reageren en preventieve maatregelen willen treffen moeten we daartoe in de eerste plaats de politieke wil hebben en moeten wij in de tweede plaats werken aan de totstandkoming en verbetering van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat vergezeld gaat van institutionele instrumenten op het vlak van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). Tot deze instrumenten behoort het oostelijk partnerschap, dat in het verslag van de heer Saryusz-Wolski wordt genoemd, met inbegrip van de oprichting van de paritaire parlementaire vergadering EURONEST. Dit zou kunnen bijdragen tot meer begrip en de ontwikkeling van de democratie aan gene zijde van onze oostgrenzen. Tot slot wil ik graag de opname van paragraaf 33 in het verslag van de heer Von Wogau verwelkomen, aangezien in mijn eigen land de gebeurtenissen op de Kaukasus en het toenemende nationalisme in ons buurland ernstige zorgen baren. Zoals een oude Letse spreuk luidt: "Hoop altijd op het beste, maar wees voorbereid op het ergste, en God helpt wie zichzelf helpt". Dank u wel.
Ana Maria Gomes (PSE). – (PT) Ik wil de rapporteurs, Ari Vatanen en Karl von Wogau, graag bedanken voor hun werk en voor de inspanningen die zij hebben geleverd om tot een consensus te komen, met name ten aanzien van de lastige kwestie van het nucleaire beleid. Dat beleid moet dringend door de Europese Unie en de NAVO worden herzien, nu president Obama de doelstelling van een atoomwapenvrije wereld opnieuw op de agenda heeft gezet en twee Europese nucleaire onderzeeërs bijna een ramp hadden veroorzaakt.
De verslagen van de heren Vatanen en von Wogau maken duidelijk dat een politiek, strategisch en operationeel onafhankelijke Europese Unie tot stand moet worden gebracht via een ambitieus Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). We hebben institutionele, financiële en operationele instrumenten nodig om deze doelstellingen te bereiken. Er is dan ook een nauwe samenwerking nodig tussen de NAVO en de EU, op basis van wederzijds respect voor de politieke onafhankelijkheid van deze elkaar aanvullende organisaties. We doen daarom een oproep tot de oprichting van een permanent operationeel EU-hoofdkwartier in Brussel met de opdracht onafhankelijke militaire EVDB-operaties te plannen en te leiden. We vragen de EU-lidstaten om hun inspanningen op te voeren en hun nationale defensiebudgetten verstandiger, en efficiënter te besteden en sterker in een Europese context te plaatsen, wat niet echt mogelijk is zolang elk land afzonderlijk opereert.
De boodschap van dit Parlement is niet mis te verstaan en dient als waarschuwing: zonder een Europa van defensie is de defensie van Europa in gevaar. Onze defensie-industrie kan in gevaar komen. Het vermogen van Europa om zijn verantwoordelijkheid te nemen, zijn burgerbevolking te beschermen en slachtingen en genocide te voorkomen, kan in gevaar komen. De rol van crisismanager die Europa wereldwijd speelt kan in gevaar komen. De verdere uitbreiding van de Europese politieke integratie naar veiligheid en defensie, waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, is een dringende noodzaak en moet dringend versneld worden. Dit is in het belang van niet alleen de Europese Unie, maar ook de NAVO, omdat beide organisaties erbij gebaat zijn als Europa beter toegerust wordt om de toenemende uitdagingen voor de veiligheid van Europeanen en van de wereld het hoofd te bieden.
Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, in tijden van relatieve vrede in Europa heeft de NAVO als internationale veiligheidsorganisatie haar nut bewezen. Uiteraard wordt het gevoel van veiligheid dat zij ons geeft, in hoge mate beperkt door het tempo van besluitvorming door de organen die aan het hoofd staan van de Verdragorganisatie, en ook door de besluiten zelf. Desondanks heeft de NAVO een stabiliserend effect op de wereldvrede. Pogingen om de NAVO ‘zachter’ te maken en haar positie te verzwakken door de militaire structuren van de Europese Unie uit te bouwen, zijn een vergissing. De Europese Unie heeft het op dit moment moeilijk om tot een akkoord te komen over netelige politieke besluiten, laat staan militaire besluiten.
De EU moet zich concentreren op het versterken van de interne veiligheid en het vergroten van de defensiecapaciteiten van haar lidstaten, vooral van de lidstaten die grenzen aan landen waar extreem nationalistische ideologieën populair zijn en lidstaten die de aandacht trekken van terroristische groeperingen. De EU mag niet al te zeer betrokken raken bij maatregelen die er op gericht zijn om grote troepenmachten op te zetten voor operaties buiten Europa.
Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) De geachte Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de heer Solana, heeft terecht de vraag gesteld waar we in 1990 waren. Het zou nog interessanter zijn geweest om ons af te vragen welk gemeenschappelijk beleid we in het begin van de jaren '90 hadden.
Toen was de Europese Gemeenschap machteloos. Daarna zagen we dat wensen werden vervangen door visies, strategieën, politieke wil en prestaties, die ons tot optreden hebben gebracht, niet enkel in Europa, maar ook op mondiaal niveau. Gedurende die jaren en vooral na de historische uitbreiding van 2004 zijn de context en de ambities van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) drastisch veranderd.
Tien jaar geleden waren we vooral met onze eigen zorgen begaan. Vandaag blikken we echter terug op succesvol optreden en kunnen we ons het GBVB of het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) niet zonder globale dimensie voorstellen. Met het oog daarop ben ik niet verbaasd dat in de drie verslagen en door talrijke sprekers aandacht is gevraagd voor die nieuwe situatie, voor de behoefte aan gewijzigde strategieën, voor meer eenheid en meer interinstitutionele samenwerking.
Dat alles wordt ondersteund door concrete voorstellen voor de verbetering van onze operationele structuren en van ons politieke besluitvormingsproces, waar ik me achter kan scharen. Ik ben het ermee eens dat we in ons gemeenschappelijke beleid een nieuwe fase hebben bereikt en in dat verband zou ik op twee punten willen wijzen.
We moeten ten eerste nauwkeurig nagaan wat de gevolgen van de financiële, of economische, crisis zijn voor de context van ons gemeenschappelijke beleid. Ik ben ervan overtuigd dat we heel aandachtig moeten kijken naar de politieke gevolgen van de crisis, vooral als de monetaire crisis zich nog zou uitbreiden.
Ten tweede stel ik al vele jaren tot mijn verrassing vast dat heel veel van onze partners een Europese Unie met een uniforme, duidelijkere en krachtigere buitenlandse en defensie-identiteit willen. Met andere woorden, de Europese Unie als globale speler is gewenst. In die zin lijkt het belangrijk dat we ons bilaterale partnerschap in een globaler kader zien dan tot nog toe en dat we voor multilaterale partnerschappen ook een innovatieve aanpak ontwikkelen, die niet enkel bilaterale belangen omvat, maar ook ruimere regio's stabiliseert.
Maria Eleni Koppa (PSE). – (EL) Mevrouw de Voorzitter, het internationaal bestel bevindt zich in een overgangsfase en de uitdagingen die zich daarin voordoen zijn enorm. Daarom is het noodzakelijk de betrekkingen van de Europese Unie met de NAVO opnieuw te beoordelen en te verbeteren, opdat wij de gemeenschappelijke dreigingen, zoals het terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, de toenemende piraterij in de wereld en de nieuwe problemen ten gevolge van de klimaatverandering het hoofd kunnen bieden.
Daarnaast is dit mijns inziens echter een goed moment om de rol van de VN-Veiligheidsraad als de fundamentele instantie die garant moet staan voor de internationale vrede en veiligheid, nogmaals te bevestigen. De Organisatie van de Verenigde Naties moet hoognodig worden hervormd en wij hebben toegezegd deze hervorming te zullen bevorderen en ervoor te zullen zorgen dat de VN zich met meer efficiëntie van haar belangrijke taken kan kwijten.
Het is eveneens belangrijk erop te wijzen dat alle landen en internationale organisaties, met inbegrip van de NAVO, zich moeten onthouden van de dreiging met en het gebruik van geweld op een manier die niet beantwoordt aan de doelstellingen en de beginselen van het handvest van de VN. De NAVO en de Europese Unie hebben gemeenschappelijke belangen en hun betrekkingen mogen niet antagonistisch zijn. Wij hebben behoefte aan een evenwichtiger partnerschap, aan beter gecoördineerd optreden en versterking van onze samenwerking. Eenieder moet echter de onafhankelijkheid van de anderen bij het nemen van besluiten respecteren en wederzijds begrip opbrengen voor eventueel afwijkende strategische inschattingen.
Tot slot wilde ik nog wijzen op de noodzaak het recht van landen op neutraliteit te eerbiedigen. Wat dat betreft wil ik dan ook vragen de oproep aan de Cyprische Republiek om deel te nemen aan het Partnerschap voor de Vrede te schrappen. Een dergelijk besluit valt onder het soevereine recht van elke staat en Cyprus is een onafhankelijk en soeverein land dat in staat is zijn over eigen toekomst te beslissen.
Jana Hybášková (PPE-DE). – (CS) Laten we het zestigjarig bestaan van de NAVO vieren. Binnenkort vinden er belangrijke toppen tussen de VS, de EU en de NAVO plaats. De terugkeer van Frankrijk in de militaire structuur van de NAVO en de energie waarmee men zich wijdt aan het Europees veiligheids- en defensiebeleid, zijn een goede gelegenheid om de Europese veiligheidsstrategieën en mogelijke nieuwe strategieën voor de NAVO aan elkaar aan te passen. De ratificatie van het Verdrag van Lissabon door het Tsjechische huis van afgevaardigden vandaag betekent weer een stap voorwaarts voor de Europese defensie en veiligheid. Laten we een gemeenschappelijk Europees militair gezag in het leven roepen. Laten we de Europese defensiemarkt rationaliseren. Laten we middelen beschikbaar stellen voor wetenschap en onderzoek en voor het Europees Defensieagentschap. Laten we een statuut voor de Europese militairen opstellen, laten we dubbelwerk voorkomen en het Turkse syndroom letterlijk uit de weg gaan. Laten we met de nieuwe Amerikaanse regering de kans grijpen op daadwerkelijke samenwerking in Afghanistan en een raketschild in Europa. We krijgen nu een enorme kans om van het Europees veiligheids- en defensiebeleid een motor te maken van verdere integratie en een veilig Europa. Laten we deze kans niet missen.
Libor Rouček (PSE). – (CS) Ik wil graag een paar woorden wijden aan de betrekkingen tussen Rusland en de EU. Volgens mij kan er geen gezamenlijk buitenlands beleid of veiligheidsbeleid in het leven worden geroepen zonder samenwerking met Rusland. Het Europees Defensieagentschap, dat de VS, de NAVO, de OVSE en internationale ontwapeningsverdragen met elkaar verbindt, zou ook de dialoog moeten aangaan met Rusland.
Ik wil de Raad en de Commissie daarom vragen zich constructief en open op te stellen ten opzichte van eventuele gesprekken tussen de EU, de VS en Rusland over het hervatten van de trans-Atlantische dialoog op het gebied van veiligheid op grond van het Helsinki-proces.
Naar mijn mening zou er tijdens deze gesprekken ook een discussie moeten worden gevoerd over antiraketsystemen. Op dit gebied zou de EU een veel grotere rol moeten spelen dan tot nu toe het geval is. Ik vind dat we de beslissingen niet kunnen overlaten aan alleen de VS en Rusland. De Europese bevolking verwacht dat van ons.
Józef Pinior (PSE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, het Parlement is het eens over een gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid voor de Europese Unie. Hierover bestaat ook consensus tussen de belangrijkste politieke machten. Het echte politieke probleem is evenwel de vraag hoe dit essentiële doel bereikt kan worden.
Ten eerste moet het Verdrag van Lissabon zo spoedig mogelijk geratificeerd worden. De politieke leiders die het ratificatieproces van het Verdrag vertragen, verzwakken de totstandkoming van een gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Het is moeilijk ernstig te spreken over een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de Europese Unie als er geen Verdrag van Lissabon is.
Ten tweede wil ik de rol van de mensenrechten bij de vormgeving van het buitenlands beleid van de Unie benadrukken. Dit beleid moet het internationaal recht, het internationaal humanitair recht, de liberale democratie en de rechtsstaat ondersteunen.
Ten derde vereist dit beleid een ernstige ontwikkeling van het Europese defensiebeleid, de militaire structuren van de Europese Unie en de Europese defensie-industrie.
Adrian Severin (PSE). – (EN) Mevrouw de voorzitter, ik wil twee punten aan de orde stellen. Ten eerste het punt ‘waarden’. De Europese Unie is een unie van waarden. Deze waarden zijn criteria voor toetreding. Ze leiden ons in ons gedrag. Op grond hiervan kunnen we interoperabiliteit met onze buitenlandse partners tot stand brengen. We moeten echter het exporteren van onze waarden niet tot doel van ons buitenlands beleid maken. Integendeel, we moeten leren om te opereren in een wereld vol verschillen en zelfs om respect te hebben voor andermans recht om ongelijk te hebben.
Mijn tweede opmerking gaat over instellingen. De huidige internationale instellingen en het huidige internationaal recht zijn in een totaal andere wereld tot stand gekomen. Iedere dag realiseren we ons dat deze niet zijn aangepast aan de nieuwe uitdagingen, mogelijkheden en gevaren van de wereld van nu. Ik ben daarom van mening dat de Europese Unie steun moet verlenen aan het idee van een nieuwe conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, in een breder Europa – van Vancouver tot Shanghai, niet slechts tot Vladiwostok –, om een nieuwe ruimte van veiligheid, vrijheid en samenwerking te creëren. Ik denk dat dit een van onze topprioriteiten zou moeten zijn en we moeten niet bang zijn dat anderen hier misschien anders over denken.
Luis Yañez-Barnuevo García (PSE). – (ES) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik uiting geven aan mijn algemene steun voor de drie verslagen die hier aan de orde zijn.
Ten tweede zou ik graag mevrouw FerreroWaldner willen feliciteren, vooral met hetgeen zij over de nauwe samenwerking en medewerking tussen haar team en het team van de heer Solana heeft gezegd. Ten derde wil ik de heer Solana feliciteren, omdat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals we dat nu kennen zonder zijn karakter en creativiteit waarschijnlijk niet zou bestaan: de rechtsgrondslag en de fundamentele documenten zouden zelfs met het in 2003 opgestelde strategiedocument niet hebben volstaan om in de laatste paar jaren zoveel vooruitgang te boeken op het gebied van dit gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als nu is gebeurd. Ten vierde zou ik willen zeggen dat het Verdrag van Lissabon – waarover vandaag, zoals gezegd goed nieuws te horen was omdat het mogelijk binnenkort geratificeerd zal worden – een veel omvangrijker en veel beter instrument in zijn handen en in die van de Europese Unie zal zijn als het erom gaat van de Unie de mondiale speler te maken die zij hoort te zijn.
Ik wil besluiten met het idee dat door hemzelf naar voren werd gebracht: Europa dient een civiele speler en macht met militaire middelen te zijn, en niet een militaire macht.
Proinsias De Rossa (PSE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben dit weekend teruggekeerd van een bezoek aan Gaza en ik zal in de zestig seconden die ik heb, spreken over de situatie daar, die volgens mij een ernstig probleem vormt. Ons beginsel van menselijke veiligheid verplicht ons op de humanitaire crisis te reageren, maar het verplicht ons ook op Israël te reageren en te zeggen dat er werkelijk een eind aan deze situatie moet komen en dat Europa niet langer blind kan zijn voor de aantasting van het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht.
De belangrijkste aantasting van dit recht is de aanhoudende en doelbewuste kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem door Israël. Er zijn nu 500 000 kolonisten die een gebied in beslag nemen dat het belangrijkste deel van het grondgebied van de voorgestelde Palestijnse staat zou moeten vormen. Het is steeds moeilijker te geloven dat Israël werkelijk voor een onafhankelijke Palestijnse staat is, daar het zich, tot op de dag van vandaag, steeds meer Palestijns gebied blijft toe-eigenen.
Verklaringen dat Europa en de Verenigde Staten zich inzetten voor een tweestatenoplossing, met ook een soevereine en levensvatbare Palestijnse staat, zijn niets waard als we de kolonisatie door Israël geen halt toe roepen. Er mag nu geen verdere uitbreiding meer plaatsvinden en uiteindelijk moeten de nederzettingen afgebroken worden. Anders zal er nooit sprake zijn van een duurzame vrede in het Midden-Oosten, mijnheer Solana.
Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE) . – (RO) Ik wil mijn waardering uitspreken voor de drie rapporteurs. De rol van de NAVO in de veiligheidsarchitectuur van Europa is essentieel gebleken. Niet alleen nu maar ook voor de rest van de eenentwintigste eeuw biedt de NAVO reële vooruitzichten. Ik vind dat de Europese Unie en de NAVO met elkaar moeten samenwerken en elke mogelijke rivaliteit moeten vermijden.
Krachtige, productieve trans-Atlantische betrekkingen zijn de beste garantie voor vrede, veiligheid en stabiliteit in Europa, samen met eerbiediging van de beginselen van democratie, mensenrechten, rechtsstaat en goed bestuur. We bevinden ons in een historisch tijdsgewricht waarin de trans-Atlantische samenwerking van vitaal belang is met het oog op de gezamenlijke formulering van een nieuwe veiligheidsstrategie voor de Europese Unie en het nieuwe strategische concept voor de NAVO.
Tijdens de NAVO-top van april 2008 in Boekarest hebben de bondgenoten de politieke rol toegejuicht die de Europese Unie kan spelen als zij het vermogen ontwikkelt om actie te voeren op het gebied van defensie en veiligheid. Het door de NAVO bevorderde Partnerschap voor de Vrede en het project van het oostelijk partnerschap dat door de Europese Unie wordt gepromoot, zijn van vitaal belang voor de ontwikkeling van de democratie en de rechtsstaat alsook voor de overgang naar een efficiënte markteconomie in bepaalde landen in het Zwarte Zeegebied.
Rosa Miguélez Ramos (PSE). – (ES) Mijnheer Solana, ik ben hier sinds vanmiddag drie uur aanwezig alleen omdat ik met u over zeepiraterij wil spreken en u wil feliciteren met het startsein voor de Europese maritieme missie tegen de zeepiraterij in de Indische Oceaan. U weet dat de regering van mijn land haar volledige steun aan deze missie verleent. Ik wil u eraan herinneren dat in april het visseizoen begint en dat onze vissers zich zorgen maken over de manier waarop de strijdkrachten op dit moment geografisch zijn verspreid over de Indische Oceaan. Ze wensen een zekere bescherming in de buurt van het gebied waar ze zullen vissen, dat wil zeggen meer naar het zuiden. Ik zou hierover graag iets van u willen horen.
Ik moet ook zeggen dat ik het belangrijk vind dat deze operatie na afloop van de nu ingestelde missie wordt voortgezet. Ik zou het jammer vinden indien dergelijke gezamenlijke inspanningen, waarbij alle drie de pijlers zijn betrokken, na een jaar abrupt zouden worden beëindigd, met name wanneer we bedenken dat het niet erg waarschijnlijk is dat de situatie in Somalië en in de regio op de korte of middellange termijn zal veranderen of verbeteren.
Marios Matsakis (ALDE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de NAVO vormt de ruggengraat van de Europese verdediging. Voor de veiligheid van onze Unie zijn we van de NAVO-troepen afhankelijk. De NAVO-troepen op Cyprus – Turkse NAVO-troepen – vormen echter geen vredesmacht, maar een bezettingsmacht en ze bezetten grondgebied van de EU. Deze Turkse troepen hebben tijdens de Turkse invasie in 1974 het eiland niet alleen dood en verwoesting gebracht, maar houden nu een EU-lidstaat nog steeds verdeeld, waarbij ze zowel Grieks- als Turks-Cyprioten angst inboezemen en onderdrukken en de huidige onderhandelingen tussen de leiders van de twee gemeenschappen op het eiland belemmeren.
In de discussie over de belangrijke rol van de NAVO bij de verdediging van Europa is het daarom goed te bedenken dat de EU nog niet de nodige druk op Turkije heeft uitgeoefend om zijn invasieleger onvoorwaardelijk en onmiddellijk uit Cyprus terug te trekken. Bent u het niet met mij eens, mijnheer Solana? Misschien luistert hij niet. Bent u het niet met mij eens dat het Turkse leger onmiddellijk uit Cyprus weg moet, mijnheer Solana?
Marie Anne Isler Béguin (Verts/ALE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik zou het voorbeeld van Georgië willen aanhalen om u aan te tonen hoe ver we nog zijn verwijderd van onze ambities met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, ondanks de inspanningen van onze Hoge Vertegenwoordiger of van commissaris Ferrero Waldner.
Mijnheer Solana, uiteraard vraagt u meer vermogen, meer hulp. Ik zou u echter de volgende vraag willen stellen: kan de Europese Unie momenteel haar beloften nakomen, vooral betreffende de overeenkomst voor een staakt-het-vuren die we samen met Rusland hebben voorgesteld?
Mevrouw de commissaris, natuurlijk weten we hoe sterk de Europese Unie aanwezig was en hoe snel ze in het geweer is gekomen – dat heb ik gehoord – maar vandaag moeten we er ons ook van bewust zijn dat de Georgiërs geconfronteerd zijn met het Russische leger dat bases heeft op het grondgebied van Abchazië en Zuid-Ossetië. Ik betwist het opmerkelijke werk van de civiele waarnemingsmissie ter plekke heus niet, maar ik vraag mij wel af wat onze waarnemers kunnen doen om de burgers tegen het dagelijkse geweld te beschermen. Niet veel, tenzij als getuige optreden.
De ambities van het GBVB zullen, in het geval van Georgië, worden gemeten aan de moed om eindelijk vredestroepen te sturen voor de stabilisatie van deze regio, die we in ons nabuurschapsbeleid hebben opgenomen.
Alexandru Nazare (PPE-DE) . – (RO) In de drie verslagen die we vandaag behandeld hebben, ben ik enige relevante, bruikbare punten tegengekomen voor de uitwerking van het toekomstige beleid van de Europese Unie als wereldspeler.
Ik zou drie opmerkingen willen maken. Eerst wil ik het belang benadrukken van het trans-Atlantische aspect van het buitenlands beleid van de EU. We moeten het huidige klimaat in de betrekkingen met de Verenigde Staten benutten om op dit gebied een nieuw hoofdstuk op te slaan teneinde onze kracht op mondiaal niveau te versterken.
Ten tweede moet de veiligheidsdimensie van de Europese Unie worden geharmoniseerd met die van de NAVO om dubbelwerk en een tekort aan middelen te voorkomen.
Ten derde geloof ik dat de EU het Europese veiligheids- en samenwerkingsbeleid moet gebruiken om de stabiliteit op de westelijke Balkan te versterken nu de status van Kosovo is opgehelderd. Kosovo bevindt zich in een fase van “onafhankelijkheid onder toezicht” volgens de speciale vertegenwoordiger van de EU, Peter Faith. Hoewel deze onlangs tijdens een hoorzitting in het Europees Parlement weigerde Kosovo aan te duiden als “EU-protectoraat”, erkende hij dat de weg naar “totale onafhankelijkheid” lang en moeilijk zal zijn. “Het zou een wonder zijn als we onze missie in twee jaar zouden voltooien,” aldus de heer Faith.
Toch geloof ik dat we ons moeten uitspreken over een duidelijk tijdschema voor de betrokkenheid van de EU in Kosovo. Daarom verwelkom ik het initiatief van de Commissie om een studie naar Kosovo te verrichten, mist deze bijdraagt tot het succes van de EULEX-missie.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag een paar opmerkingen maken en één daarvan bijzonder onderstrepen. Ik denk namelijk dat uit dit debat blijkt dat de Europese benadering van crisismanagement en conflictpreventie een steeds groter draagvlak vindt. Op de veiligheidsconferentie in München is deze alomvattende benadering goedgekeurd, aangezien veiligheid en ontwikkeling hand in hand gaan – je kunt het ene niet zonder het andere bereiken. Deze Europese benadering is naar mijn mening een kernelement van onze strategie voor de bevordering van vrede en veiligheid in onze omgeving, maar ook daarbuiten.
Deze benadering functioneert, maar hiervoor zijn wel de juiste middelen nodig. Dus moeten wij onze capaciteiten en mogelijkheden zowel op civiel als militair gebied uitbreiden. Wij zullen ten minste proberen om onze rol zo goed mogelijk te vervullen.
Ik wil echter ook graag uw vragen beantwoorden, vooral de vraag van mijnheer Saryusz Wolski, voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken, over de ontoereikendheid van de GBVB-begroting. Het is waar dat de begroting dit jaar is verlaagd, maar wij hopen dat dit geen beletsel zal zijn voor onze politieke ambities wat het civiele EVDB betreft, zolang er dit jaar geen belangrijke nieuwe missies bijkomen. We moeten bedenken dat slechts bepaalde kosten door de GBVB-begroting worden gedekt – kosten voor uitrusting, contractanten, bijzondere vergoedingen voor bijvoorbeeld de speciale vertegenwoordigers van de EU – maar de lidstaten betalen ook voor de kosten van hun gedetacheerd personeel. De begroting zal worden verhoogd – zoals u weet niet dit jaar maar in 2013 – naar vierhonderd miljoen euro.
Wat betreft de overschrijvingen tussen begrotingsposten, waarover mijnheer Dombrovskis sprak, kan ik zeggen dat de Commissie informatie over overschrijvingen binnen de GBVB-begroting opneemt in haar driemaandelijkse verslagen voor de begrotingsautoriteit, en de laatste jaren zijn alle kredieten van de GBVB-begroting vastgelegd.
Ik wil graag nog iets zeggen over twee specifieke kwesties, in de eerste plaats over de menselijke veiligheid. De menselijke veiligheid gaat mij zeer ter harte. Het bestrijden van armoede en angst onder mensen moet een onderdeel zijn van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Dit wordt ook onderkend in ons verslag uit 2008 over de Europese veiligheidsstrategie (ESS), waar we beide al naar hebben verwezen. Bovendien wordt in het ESS-verslag erkend dat er geen duurzame vrede mogelijk is zonder ontwikkeling en uitroeiing van armoede. Daarom is dit zeer belangrijk, en bevordering van de mensenrechten maakt hier ook deel van uit.
Laat me ten slotte iets zeggen over vroegtijdig waarschuwen en het voorkomen van conflicten, waarover mijnheer Pīks heeft gesproken. Ik ben het er in het algemeen mee eens dat we als Europese Unie meer moeten doen in het begin van een conflictcyclus. Vroegtijdige waarschuwing, voorkomen van conflicten en preventieve diplomatie zijn hier belangrijk. Een initiatief van de kant van de Commissie op dit gebied voorziet in de versterking van de banden met NGO’s. Dit is onderdeel van een partnerschap voor vredesopbouw, waarmee ook een beter gebruik kan worden gemaakt van open informatiebronnen. In de toekomst zullen we echter proberen ons meer te richten op vroegtijdige preventie. We weten dat dit heel belangrijk is.
Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik zal het heel kort houden. Ik wil graag de afgevaardigden die het woord hebben gevoerd, bedanken. Ik heb nota genomen van hun opmerkingen en vragen en ik zal zeker nog contact opnemen met degenen die een behoorlijk antwoord nodig hebben.
Ik wil graag zeggen dat dit de tweede keer is dat er een dergelijk debat in het Europees Parlement plaatsvindt. Het debat over de Europese veiligheid heeft bijna drie uur geduurd. Ik vind dit erg belangrijk en ik hoop dat dit idee in de toekomst gehandhaafd zal worden. Ik wil de drie rapporteurs hartelijk bedanken voor hun werk. U kunt er zeker van zijn dat we in de toekomst met u zullen blijven samenwerken.
Jacek Saryusz-Wolski, rapporteur. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit was een heel breed en voor mij tevredenstellend debat over de successen, tekortkomingen en de huidige optredens. In grote lijnen kan ik zeggen dat we hier te maken hebben met het syndroom van het halfvolle of het halflege glas; het hangt ervan af wie ernaar kijkt.
Enkele vragen zijn al beantwoord, ten minste door de meeste sprekers. Is er vooruitgang op dit gebied? Ja. Is er voldoende vooruitgang? Nee. Wordt er meer samengewerkt door instellingen als het Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten? Ja, er is vooruitgang geboekt, hoewel voor dit brede buitenlands beleid van de Unie - en hier verwijs ik naar uw woorden, commissaris Ferrero-Waldner - onvoldoende geld beschikbaar is. Als we meer geld zouden hebben, of ten minste net zoveel als de Commissie heeft voorgesteld voor breedband in plattelandsgebieden – 1,5 miljard euro – zouden de lidstaten misschien sterker bereid zijn om deel te nemen aan GBVB-optredens, dat wil zeggen indien ze niet hoefden te betalen. U weet dat dit Parlement nu erop aandringt dat de EU-begroting hiervoor betaalt.
Waarderen de burgers dit buitenlands beleid? Het antwoord is wederom ‘ja’. Maken we voldoende gebruik van het buitenlands beleid om de Unie te legitimeren? Het antwoord hierop is ‘nee’. Wat zijn onze mogelijkheden? In een ruime zin van het woord hebben we op het gebied van crisisbeheersing en -preventie en snelle reactie alles wat we konden krijgen en – ik denk dat mijnheer Solana het hiermee eens is – zelfs meer. Ik heb al even over de financiën gesproken. Iedereen is het erover eens dat we op juridisch en institutioneel gebied – Lissabon – meer instrumenten nodig hebben, instrumenten die beter zijn toegerust volgens de regels van het Verdrag.
Deze convergentie wordt op een discrete manier tot stand gebracht en ik wil graag mijn respect betonen voor het discreet diplomatiek optreden van de Hoge Vertegenwoordiger, niet alleen naar buiten toe, maar ook intern. Hoe is deze eensgezindheid bereikt? Om u, mijnheer Solana, in staat te stellen om namens de hele Unie te spreken, moet een en ander vooraf worden ondernomen om iedereen te overtuigen en op één lijn te krijgen.
Er is gesproken over waarden. Zijn we het eens over de waarden? Ja, zeer zeker, maar we brengen deze waarden op verschillende manieren in praktijk en tegenover waarden staan ook belangen. Het beste voorbeeld hiervan is de vraag hoe je hiermee omgaat in Centraal-Azië. Dit was een onderwerp in het debat over de strategie voor Centraal-Azië.
Tot slot wil ik zeggen dat ik ben getroffen door wat mijnheer Solana zei, namelijk dat de EU zich identificeert door haar buitenlands beleid. Haar identiteit wordt duidelijker. Wat we toevoegen met onze aanpak in het Parlement is een grotere legitimiteit, dat wil zeggen meer macht. Daarom kan deze identiteit een integraal onderdeel van de Europese integratie zijn. Het debat heeft duidelijk gemaakt dat er behoefte is aan meer Europa in het buitenlands beleid en dat het Europese politieke en materiële kapitaal sterker moet worden ‘gepoold’.
De Voorzitter. – Wij geven de rapporteurs iets meer tijd, maar we zitten nu eenmaal in tijdnood en kunnen niet aan de gang blijven.
Karl von Wogau, rapporteur. − (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, ik wil op enkele punten ingaan.
Allereerst op de vraag: waarom heb ik de begrippen “human security” en “resonsibility to protect” niet in mijn verslag overgenomen? Het was zeer omstreden. Ik persoonlijk ben van mening dat het weliswaar heel belangrijke begrippen zijn, maar ze niet thuishoren in het veiligheidsbeleid, omdat ze zouden kunnen worden misbruikt om militaire interventies waar ook ter wereld te rechtvaardigen. Dat is mijns inziens een concreet gevaar. Daarom sta ik achter beide begrippen, maar niet in het kader van het veiligheidsbeleid.
Er is verder gezegd dat ik met het verslag de oprichting van een Europees leger beoog. Ik wil u verzoeken het verslag nog een keer door te lezen – u zult het woord “Europees leger” in het verslag nergens tegenkomen. Het verslag geeft aan dat het geld van de belastingbetaler op dit gebied beter moet worden besteed dan dat tot nu toe het geval was.
Dan nog het punt van de veiligheidsstrategie, dat nu door iedereen gesteund wordt. Het werk dat hiervoor nodig was, heeft enkele jaren geduurd en was zeer succesvol. Ik ben van mening dat er als volgende stap een document moet worden opgesteld over de uitvoering van het veiligheidsbeleid - een witboek over veiligheidsbeleid. Dat is een taak voor de volgende zittingsperiode.
Last but not least vind ik dat de volgende gesprekken over dit onderwerp betrekking moeten hebben op EUBAM Rafah, over de wijze waarop deze missie nieuw leven kan worden ingeblazen en mogelijk uitgebreid kan worden.
Ari Vatanen, rapporteur. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik kan slechts herhalen wat president Wilson in 1917 heeft gezegd en wat bijvoorbeeld onze waarde collega mijnheer Swoboda een half uur geleden ook heeft gezegd: de staat kan de problemen niet in zijn eentje oplossen. Dit Parlement en de EU kunnen daarvan getuigen. We moeten van onze fouten leren. Het maakt niet uit in welke situatie we ons bevinden; samenwerken moeten we altijd. In de echte wereld kunnen we niet alleen de leuke dingen eruit kiezen en alleen maar profiteren. We kunnen niet slechts enkele mensen de lasten laten dragen. We moeten deze verdelen, omdat we democratische staten zijn. Dat is een goede zaak.
Soms begrijp ik niet zo goed waarom mensen al tegen zijn zodra ze het woord ‘NAVO’ horen vallen – misschien hebben ze anti-Amerikaanse gevoelens of antimilitaristische neigingen. Ja, we zijn pacifisten. Wie is er nu geen pacifist? Ieder verstandig mens is pacifist. Wie wil mensen zien lijden? Wie wil er oorlog? We moeten echter wel de middelen hebben om oorlog te voorkomen. We moeten proactief zijn. Oorlogen komen en gaan als men een dergelijke houding aanneemt. Wij moeten echter actief vrede opbouwen.
Ik wil echt mijn waardering uitspreken voor de meeste afgevaardigden, want zij hebben vanavond weer eens bewezen dat constructief, verantwoordelijk gezond verstand de overhand heeft. Dit Parlement is wat het moet zijn: een Parlement dat vooruitkijkt, omdat de vrede eronder zal lijden als we niet samenwerken.
Als laatste wil ik nog het volgende zeggen. Mijnheer Platini – een voetbalmaestro – spreekt op dit moment in een andere zaal. Ik was in Frankrijk toen het bloedbad in Rwanda plaatsvond – en dit is niet tegen Frankrijk gericht, maar is bedoeld als commentaar op de informatievoorziening door de media – en het feit dat mijnheer Zidane, de voetbalster, een wrat op zijn knie had, trok werkelijk meer aandacht dan het bloedbad in Rwanda. Nee, we kunnen niet zwijgen. We moeten proactief zijn, anders zien we dit soort gebeurtenissen in de wereld door de vingers.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Alexandra Dobolyi (PSE), schriftelijk. – (HU) Hoe moet Europa reageren nu aan haar oostgrenzen de Shanghai Samenwerkingsorganisatie (SCO), een regionale organisatie van meerdere opkomende supermachten en staten die over veel energiebronnen beschikken, almaar sterker wordt? Aangezien de SCO via Rusland aan de EU grenst, moet deze organisatie serieuze aandacht krijgen van de EU. Gezien de leden en waarnemers van de SCO kunnen we gerust stellen dat deze landen een aanzienlijk aandeel van de olie- en gasreserves van de wereld in handen hebben.
In dit licht bekeken kan het vraagstuk van een nieuwe strategie voor Rusland en Midden-Azië niet uit de weg worden gegaan. Deze strategie moet bovendien voor elk land een specifieke, politieke risicobeoordeling omvatten.
Ik wil erop wijzen dat – zoals blijkt uit de gasruzie tussen Rusland en Oekraïne – de huidige kwetsbaarheid en de aanzienlijke energieafhankelijkheid van de EU de totstandkoming van een geloofwaardig, doeltreffend en consistent gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ondermijnen.
Daar komt bij dat de landen uiteenlopend reageren, al naargelang hun ervaringen uit het verleden en hun financiële belangen. Het is vandaag meer dan ooit belangrijk dat eenzelfde beleid wordt gevoerd en strijdige nationale belangen en standpunten met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
Het is een absolute noodzaak dat de EU de doeltreffendheid en consistentie van haar optreden op het wereldtoneel verbetert. De ratificatie van het Verdrag van Lissabon en de instrumenten voor het buitenlands beleid waarin daarmee wordt voorzien, kan een aanzienlijke bijdrage hiertoe leveren.
Omdat het steeds noodzakelijker wordt effectief te opereren en snel te reageren en omdat de omstandigheden met toenemende urgentie om weloverwogen antwoorden vragen, moeten de organisatie- en besluitvormingsmechanismen voor het beheer van ons buitenlands beleid en voor het bieden van passende structurele antwoorden worden herzien.
Glyn Ford (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik feliciteer mijnheer Vatanen met zijn verslag, waaraan ik mijn steun verleen. Vooral steun ik het idee van de instelling van een operationeel militair hoofdkwartier van de EU. Als de veiligheid in het geding is, behoren wij ons natuurlijk in de eerste plaats tot de NAVO te wenden en dit doen we ook. Tijdens de debatten tussen Bush en Gore, iets meer dan tien jaar geleden, heeft George Bush echter gezegd dat hij niet had ingegrepen in Kosovo, als hij president was geweest.
Ondanks mijn afkeer van het buitenlands beleid van de regering-Bush, lijkt het me dat Bush volkomen gelijk had dat hij uitging van het eigenbelang van de VS. Dit is echter niet een standpunt dat Europa had kunnen of had moeten innemen. Afgezien van het sterke morele argument dat het tot onze verantwoordelijkheden behoorde om mensen te beschermen die door de genocide door de Serviërs werden bedreigd, hadden we ook te maken met de tien- tot honderdduizenden vluchtelingen die hiervan het gevolg waren. Het is in ons eigen belang en in hun belang dat wij het vermogen hebben om de strijd aan te gaan zonder de Amerikanen. Het kost ons weinig om een permanent operationeel militair hoofdkwartier van de EU gereed te hebben voor een eventuele soortgelijke situatie in de toekomst.
Anneli Jäätteenmäki (ALDE), schriftelijk. – (FI) Mevrouw de Voorzitter, Finland hoeft zich niet te schamen voor de wijze waarop het zijn veiligheidsbeleid uitvoert. Finland is buiten de NAVO in goed gezelschap van Zweden, Oostenrijk en Zwitserland. Het is niet moeilijk zich met die landen te identificeren. Het niet gebonden zijn aan de NAVO is een modern alternatief voor een moderne staat.
Wij zijn gaan spreken over een softere NAVO toen in de Verenigde Staten de “oorlogszuchtige” president plaats maakte voor een “vreedzame” president. Het valt te verwachten dat onder leiding van president Obama en minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton de vervoerende toespraken over een softe NAVO steeds algemener worden. Laten we nu eerst maar rustig afwachten hoe de NAVO zich ontwikkelt.
Ik ben van mening dat het fundamentele karakter van de NAVO helemaal niet is veranderd sinds er een eind is gekomen aan het bipolaire veiligheidssysteem. De propaganda over een softe NAVO is daarentegen een succes.
Het alleen maar kijken in de richting van Rusland (Rusland, Rusland, Rusland!) of het wachten op een nieuwe Winteroorloog leiden nergens toe. De NAVO is ook geen geschikt antwoord op de grotere problemen waar Finland in de nabije toekomst voor staat en die vooral van economische aard zijn.
Adrian Manole (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Als men de rol van de alliantie tussen NAVO en EU wil evalueren, moet men beginnen met de erkenning dat het politieke landschap zowel in Europa als in de Verenigde Staten de laatste tijd fundamenteel is veranderd en dat de Europese Unie nu een legitieme rol heeft in de mondiale veiligheid.
Deze situatie eist van het bondgenootschap dat het ‘gerepolitiseerd’ wordt, zodat het een forum wordt voor een open dialoog over de belangrijkste zaken waarbij het waarschijnlijk betrokken zal raken. Een eerlijke trans-Atlantische dialoog over bijvoorbeeld de noodzakelijke aanpak van terrorisme, is een absolute vereiste, juist omdat de bondgenoten verschillende visies hebben op de manier waarop zij moeten reageren op deze gemeenschappelijke uitdaging.
In de huidige situatie worden de lidstaten geconfronteerd met steeds gevarieerdere bedreigingen van de mondiale veiligheid, uiteenlopend van etnische conflicten in de onmiddellijke nabijheid van bondgenootschappelijk grondgebied tot wereldwijde terroristische netwerken en de verspreiding van massavernietigingswapens, en daarom moeten zij bijzonder belang hechten aan het proces van reflectie en dialoog ter zake en de hervormingsprocessen in het bondgenootschap steunen. Ik verwijs hierbij in het bijzonder naar de veiligheidsproblemen in gebieden in de onmiddellijke nabijheid, waar het bondgenootschap een belangrijke rol kan spelen bij de oprichting van democratische defensie- en veiligheidsinstellingen op de Balkan en de uitgebreide regio van de Zwarte Zee.
Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Wij hebben behoefte aan een gemeenschappelijk, samenhangend en geactualiseerd Europees veiligheidsbeleid dat zal bijdragen aan de versterking van onze Europese identiteit en de EU in staat zal stellen met één geloofwaardige stem te spreken in de internationale arena.
De realiteit waarmee we op het ogenblik geconfronteerd worden, is vol grote uitdagingen zoals de economische crisis, energiezekerheid, klimaatverandering en migratiebeheersing. Deze vereist dan ook samenwerking en verantwoordelijkheid van de lidstaten, als zij in staat willen zijn hun gemeenschappelijke belangen te beschermen en vrede, veiligheid en eerbiediging van de territoriale integratie te bevorderen.
De EU kan alleen effectief zijn als zij met één stem spreekt en doeltreffend gebruikmaakt van de instrumenten voor de versterking van de samenwerking met nabuurlanden.
We moeten strategisch denken, actief betrokken zijn en consequent optreden op mondiaal niveau. Ook hebben we behoefte aan regionale veiligheid en nauwe banden met relevante regionale spelers.
Strategische partnerschappen met buurlanden ten oosten van de EU zijn noodzakelijk. We zullen moeten investeren in de betrekkingen met Rusland volgens een coherente strategie met gemeenschappelijke, tot wederzijds voordeel strekkende verplichtingen.
We moeten investeren in buurlanden, vooral ten oosten van de EU, en hun de nodige stimulansen bieden om hun hervormingen voort te zetten en de aanwezigheid van de EU in het gebied te versterken. Er staan nieuwe instrumenten tot onze beschikking, zoals het oostelijk partnerschap, die ons zullen helpen op een hoger niveau een nieuwe geconsolideerde aanpak met onze partners in de regio tot stand te brengen.
Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. – (PL) Internationale veiligheid is een van de grootste waarden voor alle actoren in internationale betrekkingen. Momenteel zijn we getuige van een herdefiniëring van dit begrip en zien we het zwaartepunt verschuiven naar niet-militaire factoren die de stabiliteit en internationale veiligheid bedreigen. Voorbeelden van dergelijke bedreigingen zijn georganiseerde misdaad, cyberterrorisme, piraterij (voor de kust van Somalië), klimaatveranderingen en de gevaren als gevolg van de wereldwijde economische crisis. De Europese Unie besteedt aandacht aan de totstandkoming van gemeenschappelijke militaire instrumenten zoals Eurokorps, de EAT-vloot en een permanent operationeel hoofdkwartier van de EU, maar daarbij mag zij andere en zeker even belangrijke bedreigingen niet uit het oog verliezen. Er moet meer aandacht besteed worden aan de totstandbrenging van organen en instellingen die ons helpen om de financiële situatie als gevolg van de wereldwijde economische crisis te overwinnen en om de natuurlijke omgeving en de biodiversiteit in stand te houden en te beschermen. Ook interne bedreigingen zoals drugs, armoede in de samenleving en internetcriminaliteit mogen we niet vergeten.
Al deze elementen zijn belangrijke factoren die invloed uitoefenen op de internationale veiligheid, op de veiligheid van de Europese Unie en die van elke natie. Het is onmogelijk om een stabiele Europese veiligheidsstrategie te creëren als niet eerst een oplossing gevonden wordt voor bovenstaande fundamentele kwesties.
Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid is een onderwerp waarover vaak gedebatteerd en veel geschreven is. De Europese Unie is een steeds belangrijkere promotor op regionaal en mondiaal niveau. Dat is precies de reden waarom volgens mij de Europese Unie zichtbaar actief moet zijn binnen haar grenzen en proactief in alle streken van de wereld.
Na vandaag de drie verslagen te hebben bestudeerd – over het jaarlijks verslag (2007) over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, de Europese veiligheidsstrategie en het EVDB, en de rol van de NAVO in de veiligheidsstructuur van de EU – meen ik drie conclusies te mogen trekken:
1. De Europese Unie moet beschikken over een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid dat de democratieën binnen haar grenzen en de partnerschappen met haar buurlanden kan ondersteunen.
2. De Europese Unie moet de uitstraling hebben van een unitaire organisatie en heeft behoefte aan een snelle reactiemacht die te allen tijde kan ingrijpen ten gunste van vrede, democratie en mensenrechten.
3. De Europese Unie moet haar positie wereldwijd consolideren en blijven optreden als promotor van stabiliteit en evenwicht tussen de grootmachten in de wereld.
Katrin Saks (PSE), schriftelijk. – (ET) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag mijn collega, de heer Vatanen, bedanken voor zijn goede verslag over de synergie tussen de EU en de NAVO. Het over de hele linie intensiveren van de samenwerking en het partnerschap, een verstandig gebruik van de middelen en het voorkomen van dubbelwerk, een oproep aan de lidstaten van beide organisaties om flexibeler, doelgerichter en pragmatischer te zijn – dit verslag bevat alles dat wij in Europa, en ook in het Europees Parlement, altijd in onze standpunten hebben benadrukt.
Een van de andere belangrijke punten van dit verslag is naar mijn mening de aanbeveling om kandidaat-lidstaten van de EU die ook lid zijn van de NAVO, een tijdelijke status te verlenen in het Europees Defensieagentschap (EDA). Dit zou vanuit NAVO-oogpunt bekeken zeker ook een oplossing zijn voor het probleem met Turkije.
Met het verslag over het EVDB en de EVS van onze collega, de heer von Wogau, ben ik het over het algemeen eens. Het verslag over de in december door de Raad goedgekeurde EVS heeft de meeste vragen die waren gerezen, beantwoord. De nieuwe aspecten die in dit verslag worden aangesneden en de ijkpunten van het optreden van de EU op veiligheidsgebied, zullen de EU helpen haar veiligheidsbelangen doeltreffender te verdedigen, zoals in het verslag-von Wogau wordt aanbevolen. Het valt prijzenswaardig dat het verslag gericht is op meer samenwerking tussen de EU en andere partners.
Dank u wel!
Theodor Dumitru Stolojan (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Ik wil mijn steun uitspreken voor het verslag van de heer Saryusz-Wolski, waarin terecht wordt benadrukt dat het garanderen van energiezekerheid voor de burgers van Europa een belangrijke prioriteit moet worden van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU.
Ik zou luid en duidelijk willen zeggen dat zekere energievoorziening en in het bijzonder diversificatie van de gastoevoer slechts een mooie droom zal blijven als de Nabucco-pijpleiding niet wordt aangelegd.
Het Nabucco-project moet door de gehele EU als strategisch doel worden overgenomen. Het vereist niet alleen een aanzienlijke financiële investering maar vooral ook een doeltreffend Europees buitenlands en veiligheidsbeleid. Een doeltreffend beleid biedt garanties voor regionale stabiliteit in het gebied waardoor deze gaspijpleiding zal gaan lopen. Met dit doel voor ogen moeten we ons tot het uiterste inspannen om ons gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid de samenhangende en doeltreffende structuur te verlenen die het zo dringend nodig heeft om tastbare resultaten te kunnen opleveren.
Zo denk ik bijvoorbeeld dat de EU behoefte heeft aan een hoge functionaris voor het buitenlands energiebeleid die krachtige politieke steun geniet en over de nodige instrumenten beschikt om actie te ondernemen.
Ik besef dat de EU toereikende financiële middelen en menskracht aan haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid moet toekennen als zij de concrete resultaten wil bereiken die de Europese burgers van ons verwachten.
Daniel Strož (GUE/NGL), schriftelijk. – (CS) Ik keur het verslag over de Europese veiligheidsstrategie en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (A6-0032/2009) in zijn huidige versie fundamenteel af. Dit verslag is een typisch voorbeeld van de militarisering van de EU en een bewijs van het feit dat op het gebied van veiligheid militaire middelen en maatregelen de noodzakelijke politieke maatregelen moeten gaan vervangen of zelfs verdringen. Veel van de conclusies en aanbevelingen in het verslag zijn regelrecht in conflict met het feit dat de EU als een vredesproject zou moeten worden ontwikkeld. Het is geen wonder dat wanneer burgers van de EU hun mening kunnen uiten, zij zich tegen het Verdrag van Lissabon uitspreken, onder andere omdat daarin het militaristische karakter van de EU verankerd is. In het verslag wordt een verwerpelijk en gevaarlijk standpunt ingenomen, waarbij aan de ene kant wordt gesproken over de veiligheidsbelangen van de EU en aan de andere kant Rusland wordt bekritiseerd vanwege zijn volstrekt legitieme veiligheidsbelangen in de Kaukasus.
Dushana Zdravkova (PPE-DE), schriftelijk. – (BG) Dames en heren, het feit dat wij in dit Parlement drie verslagen bespreken over veiligheid en defensie, toont aan hoe groot onze politieke verantwoordelijkheid jegens de Europese burgers is aan de vooravond van NAVO-top. Het ingeburgerde gebruik om resoluties over de belangrijkste aspecten en besluiten van het verslag van de Raad over het gemeenschappelijk buitenlands beleid en veiligheid aan te nemen, is een uitstekende gelegenheid om de lidstaten op te roepen deze praktijk ook op nationaal niveau toe te passen.
Het is uitermate belangrijk dat er middelen en mensen vrijgemaakt worden zodat een onafhankelijke ploeg van onderzoekers het Europese veiligheids- en defensiebeleid in combinatie met het nationale veiligheidsbeleid van de lidstaten kunnen analyseren en beoordelen. Op basis daarvan kan middels een netwerk van analysecentra in de lidstaten een publiek debat over het EVDB op gang worden gebracht.
Het is onmogelijk om aan een witboek over de veiligheid en defensie van de EU te werken als de lidstaten dit document niet naar hun nationale strategieën vertalen. Dit betekent onder andere een versterking van de nationale analysecapaciteit en de mogelijkheid van computerondersteund leren en trainen, om nieuwe concepten op het gebied van civiel-militaire samenwerking te testen en zich deze concepten eigen te maken.
We moeten de lidstaten aanmoedigen om een gezamenlijke strategische toets te verrichten op het gebied van veiligheid, om zo een solide basis te leggen voor interactie tussen de EU en de NAVO bij het ontwikkelen van een nieuw strategisch concept voor de NAVO in de context van het EVDB.
20. Barcelona-proces: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (debat)
De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0502/2008) van Pasqualina Napoletano, namens de Commissie buitenlandse zaken, over het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied [2008/2231(INI)].
Pasqualina Napoletano, rapporteur. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Vondra, geachte collega's, met dit verslag stelt het Parlement voor om een constructieve bijdrage te leveren aan het perspectief van versterking van het Euro-mediterrane partnerschap.
De voorstellen die zijn voortgevloeid uit de topconferentie van Parijs op 14 juli vorig jaar, bevatten twee doelstellingen die onze steun waard zijn. Het eerste doel is de projecten inzake economische, territoriale en milieu-integratie in een concretere en efficiëntere vorm te gieten via de oprichting van een voor dit doel bestemd secretariaat dat moet opereren met openbaar en particulier geld. Het tweede doel is de politieke dialoog binnen het gehele proces te versterken aan de hand van nieuwe instellingen zoals het covoorzitterschap, de topconferentie van staatshoofden en regeringsleiders en de regelmatige bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken. In dit verband wil ik de rol van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering benadrukken, die ook in de tekst van Parijs wordt erkend en vervolgens in het document van Marseille.
Het Parlement wil helpen bij het vinden van een manier om uit de ernstige impasse te geraken die is ontstaan na de tragische gebeurtenissen in de Gazastrook. Veel hangt echter af van het beleid van de nieuwe Israëlische regering, die na de verkiezingen zal worden gevormd. Ik wil erop wijzen dat de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering desondanks binnenkort zal plaatsvinden en zal aantonen welke rol de parlementen ook in dergelijke moeilijke situaties kunnen spelen.
We onderstrepen de waarde van de instellingen waar zowel de Europese Unie als de landen in het zuiden en oosten van het Middellandse-Zeegebied bij betrokken zijn. Tegelijkertijd merken wij echter op dat het cruciaal is te voorkomen dat het hele proces wordt gereduceerd tot een uitsluitend gouvernementele aanpak. We hopen op grote betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners, vooral omdat de economische crisis de verschrikkelijke, reeds endemisch geworden problemen als werkloosheid en toenemende migratiedruk kan verergeren, waardoor dit verschijnsel nog moeilijker te controleren zal zijn. We vragen om meer aandacht voor de mensenrechtenvraagstukken die het gedrag van alle partnerlanden in meer of mindere mate beïnvloeden.
Laten we niet vergeten dat, wat betreft de instellingen, met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, de Europese Unie een coherente en gestructureerde vertegenwoordiging kan verzekeren dankzij nieuwe functies, zoals voorzitter van de Raad en Europese minister van Buitenlandse Zaken. In afwachting daarvan zou het nuttig zijn continuïteit te verzekeren in de Europese aanwezigheid, in ieder geval in het covoorzitterschap. We weten dat het Tsjechische voorzitterschap hier ontvankelijk voor was en we hopen dat ook het Zweedse voorzitterschap deze boodschap wil meenemen.
Mevrouw de Voorzitter, geachte collega's, ik wil graag al mijn collega's en de vertegenwoordigers van de fracties en commissies die advies hebben uitgebracht, bedanken. Ze hebben allen bijgedragen aan de opstelling van dit verslag, dat naar mijn idee wijdverspreide steun geniet.
Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben dankbaar dat mij de gelegenheid wordt geboden om deel te nemen aan de discussie van vandaag over de onder het proces van Barcelona vallende kwestie van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Ik weet dat het Parlement deze zaak met speciale belangstelling volgt. Vooral Pasqualina Napoletano verdient lof. De ontwerpresolutie waarover u later zult stemmen, levert een waardevolle bijdrage aan ons gezamenlijk werk.
De Top van Parijs van juli vorig jaar heeft geleid tot de oprichting van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en tot de instelling van een partnerschap dat op het bestaande proces van Barcelona moet voortbouwen. Het huidige roulerend voorzitterschap ziet het versterken van dit partnerschap als een prioriteit. Hoewel het Verdrag van Lissabon nog niet van kracht is, kan ik u verzekeren dat wij, in de geest van mede-eigenaarschap, speciale aandacht zullen schenken aan de ontwikkeling van dit initiatief en in het bijzonder aan de regionale projecten. Deze zijn belangrijk en ze bieden de burgers van de regio concrete signalen dat het partnerschap in hun belang is.
De Unie voor het Middellandse-Zeegebied is niet het enige samenwerkingsmechanisme. De bilaterale samenwerking wordt voortgezet op grond van het Europees nabuurschapsbeleid en wordt in sommige gevallen aangevuld met het pretoetredingskader en ook, in het geval van Mauritanië, het ACS-kader.
Al deze benaderingen moedigen hervormingen binnen de afzonderlijke landen aan en versterken de regionale samenwerking. Het nabuurschapsbeleid kent natuurlijk ook een belangrijke oostelijke dimensie en we zijn zeer verheugd over de parallelle ontwikkeling van dit beleid.
Op de Top van Parijs is overeengekomen dat er werk zal worden verricht op vooral de volgende terreinen: sanering van de Middellandse Zee, autowegen over zee en over land, civiele bescherming en ontwikkeling van alternatieve energiebronnen via, bijvoorbeeld, het mediterrane plan voor zonne-energie.
Er is ook speciale aandacht voor hoger onderwijs en onderzoek, alsmede voor steun aan ondernemingen via het mediterrane initiatief voor bedrijfsontwikkeling. Zoals vorig jaar in Marseille is afgesproken, zullen de technische aspecten van de op dit gebied naar voren gebrachte projectvoorstellen worden behandeld door het secretariaat dat in Barcelona wordt gevestigd.
Naast deze specifieke projectgebieden, zullen de ministeriële conferenties van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied een aantal mondiale uitdagingen aanpakken die ons allen treffen. Het gaat hierbij onder meer om het streven naar vrede en veiligheid in de regio, de sociale en geopolitieke effecten van de economische crisis, milieubelangen, het beheersen van migrantenstromen en de rol van vrouwen in onze respectieve samenlevingen.
Ik weet dat er twee samenwerkingsterreinen zijn die voor dit Parlement van speciaal belang zijn en die wij ook volledig steunen. Het eerste is de interparlementaire samenwerking via de instelling van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en haar commissies. Dit initiatief is cruciaal voor de ontwikkeling van een sterke parlementaire dimensie van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Zoals in uw resolutie wordt aangegeven, zal dit de democratische legitimiteit kunnen versterken. Het zal ook de fundamentele waarden van de Europese Unie helpen bevorderen. We zijn zeer verheugd over de manier waarop u en uw voorzitter dit initiatief hebben omarmd en we bieden u onze volledige steun.
Het tweede terrein dat mijns inziens voor ons bijzondere prioriteit verdient, is de ontwikkeling van interculturele betrekkingen. Dit is beslist van cruciaal belang, indien we meer begrip tussen de culturen in de mediterrane regio willen bevorderen. Het maatschappelijk middenveld en lokale sociale en regionale partners moeten allen hierbij worden betrokken. De Anna Lindh-Stichting speelt op dit gebied een bijzonder belangrijke rol.
De Unie voor het Middellandse-Zeegebied biedt ons de mogelijkheid om betere betrekkingen tussen haar leden te ontwikkelen. Uit recente gebeurtenissen is gebleken dat dit niet eenvoudig is, maar hierdoor is ook duidelijk aangetoond hoe belangrijk het is dat we ons blijven inspannen voor dit doel. We beseffen zeer goed welke problemen de bevolking in de regio ondervindt door de crisis in Gaza. Zoals u weet heeft dit geleid tot de opschorting van de vergaderingen van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Het voorzitterschap is echter van mening dat regionale samenwerking en dialoog de weg vormen voor vrede, vertrouwen en welvaart en we verwachten zeker dat het werk binnen de Unie voor het Middellandse-Zeegebied zo snel mogelijk zal worden hervat.
Daarom worden er nu voorbereidingen getroffen voor een tot onze Arabische partners gerichte diplomatieke demarche van het Tsjechisch voorzitterschap van de EU, dat daartoe samenwerkt met het Frans covoorzitterschap van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, namens de EU-leden van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, en waarbij misschien ook het Egyptisch covoorzitterschap betrokken zal zijn. Doel hiervan is op erop aan te dringen dat alle activiteiten van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied onmiddellijk na de top van de Arabische Liga, eind maart in Doha, automatisch en onvoorwaardelijk worden hervat. We zijn van plan om de donorconferentie voor Gaza, die op 2 maart in Sharm el-Sheikh in Egypte zal worden gehouden, aan te grijpen voor verdere besprekingen van de drie ministers van Buitenlandse Zaken: Karel Schwarzenberg van Tsjechië, Bernard Kouchner van Frankrijk en de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken.
VOORZITTER: MAREK SIWIEC Ondervoorzitter
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, mevrouw Napoletano, in de eerste plaats wil ik u feliciteren met uw werk. Dit werk heeft namelijk geleid tot een verslag dat op verschillende vlakken uiterst belangrijk is.
Eerst en vooral is dit verslag werkelijk een positieve en constructieve bijdrage van het Europees Parlement tot de uitwerking van een coherent Euro-mediterraan beleid, een uitdaging die ons na aan het hart ligt.
Vervolgens hebt u terecht benadrukt dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied moet worden aangevuld. Ze mag niet enkel intergouvernementeel zijn, maar moet op juiste manier worden aangevuld en worden opengesteld voor deelname van andere betrokkenen, zoals lokale en regionale overheden. De parlementaire dimensie moet geïntensiveerd worden via de versterking van de rol van de Parlementaire Vergadering en via een duurzame betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.
Het klopt dat de Unie van het Middellandse-Zeegebied gebruik moet maken van het institutionele en politieke paritaire karakter van een regionaal partnerschap, dat nieuw leven in geblazen moet worden. Het klopt echter ook dat zoiets enkel kan op basis van het Barcelona-acquis dat we moeten verlengen en consolideren.
De door de Commissie gefinancierde regionale samenwerking maakt deel uit van dat acquis. Er is vandaag dus geen enkele reden om dat in twijfel te trekken. Integendeel, die samenwerking ondersteunt en garandeert een coherent Europees optreden in het gebied, temeer daar de doelstellingen ervan volledig stroken met de ambitie van het Europese nabuurschapsbeleid, dat het belangrijkste kader is van onze bilaterale betrekkingen met de landen uit de regio.
Hetzelfde geldt voor de eerbiediging van de communautaire methodes die worden toegepast op de mechanismen voor besluitvorming en prioriteitvaststelling binnen de Europese Unie, aangezien de Unie voor het Middellandse-Zeegebied een initiatief is dat volledig past bij het Europese kader.
Mijnheer de Voorzitter, de Top tot oprichting van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied had, zoals u weet, een drievoudige doelstelling: hij moest de Euro-mediterrane betrekkingen een nieuw politiek elan geven, de institutionele governance van die betrekkingen veranderen om een paritaire uitvoering van het initiatief mogelijk te maken en ten slotte de multilaterale samenwerking van de Europese Unie met zijn mediterrane partners concreet gestalte geven met behulp van structurele projecten die subregionale integratie teweeg kunnen brengen en de ontwikkelingskloof tussen beide oevers van de Middellandse Zee kunnen helpen dichten.
We moeten die verschillen inderdaad verminderen door de socio-economische ontwikkeling, de handel en de investeringen te bevorderen. We moeten door middel van dialoog en politieke conflictoplossing weerstand bieden aan ideologisch radicale opvattingen, waarvoor gebrekkige ontwikkeling en gevoelens van onrechtvaardigheid een vruchtbare voedingsbodem zijn. Zoals u hebt opgemerkt, moeten we een verantwoord en op afspraken gebaseerd migratiebeleid voeren om profijt te kunnen trekken van de demografische stabilisatie in Europa en de demografische groei in de mediterrane landen. Dat zijn enkele voorbeelden van de uitdagingen die we samen met onze partners in het kader van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied moeten aanpakken.
We weten natuurlijk dat we die doelstellingen niet kunnen bereiken zonder parlementaire steun, zonder de steun van zowel het Europees Parlement als de Parlementaire Euromed-Vergadering. Dat is de geest waarin wij werken, in de vaste overtuiging dat de Europese Commissie in al die kwesties op uw medewerking mag rekenen. Ik wil u daarvoor graag bij voorbaat bedanken.
Wij weten natuurlijk ook dat wij wegens de uitermate zorgwekkende situatie in het Midden-Oosten ten gevolg van de oorlog in Gaza – waarover we vandaag hebben gesproken – een probleem hebben. We mogen de Unie voor het Middellandse-Zeegebied niet in een politiek vacuüm laten. Dat hebben we altijd gezegd en dat is inderdaad het geval.
Daar is ook de huidige opschorting van de werkzaamheden aan te wijten. Ik vind dat persoonlijk erg jammer, maar we hopen natuurlijk op een bepaald moment weer aan het werk te kunnen gaan. De vergadering in Sharm el-Sheikh, waar de Commissie als "medesponsor" een grote rol te vervullen heeft, zal inderdaad erg belangrijk zijn. Ik hoop dat nog andere vergaderingen zullen volgen. We hebben al veel werk verzet en als de Commissie werkt, doet ze dat heel ernstig.
Er is trouwens al heel wat gedaan voor de regels met betrekking tot het secretariaat. Die regels zijn er en moeten Barcelona de kans geven zijn werk te beginnen.
Vural Öger, rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, beste Pasqualina, dames en heren, met de Unie voor het Middellandse-Zeegebied wordt beoogd het in 1995 gestarte proces van Barcelona nieuw leven in te blazen. Helaas moeten we nu constateren dat het project vanwege de recente crisis in het Midden-Oosten stil ligt. De opening van het secretariaat in Barcelona is voor onbepaalde tijd uitgesteld, de toegezegde middelen kunnen niet verstrekt worden.
Er zijn tot dusverre dus nog geen concrete resultaten geboekt, hetgeen ik ten zeerste betreur. Ik vraag mij af of we ons te veel op instellingen hebben gericht en of dat de reden is van de huidige impasse. Hebben we de invloed van politieke crises op de Unie voor het Middellandse-Zeegebied onderschat?
Hoe kunnen we de voortgang van de projecten veiligstellen? In de geschiedenis van de Europese integratie waren we op het gebied van economie en handel zeer succesvol. Dat is precies de reden waarom we in de Commissie internationale handel hebben nagedacht over de manier waarop we onze succesvolle mechanismen zouden kunnen overdragen aan onze buurlanden in Zuid-Europa. Een doel is het oprichten van een vrijhandelszone tot 2010. Ook dit punt verloopt moeizaam. Juist omdat politieke conflicten dit proces blokkeren, zouden we het economische terrein moeten versterken.
De internationale handel zou niet alleen de economische, maar vooral ook de politieke en maatschappelijke situatie van de regio kunnen verbeteren. Daarbij is de regionale economische integratie van centrale betekenis. Onze Zuid-Europese buurlanden moeten ook onderling nauwer samenwerken.
Tegelijkertijd moeten de landen die al een netwerk van bilaterale handelsbetrekkingen hebben opgebouwd, overtuigd worden van de meerwaarde van een multilaterale dimensie. Daarbij speelt de communicatie over de voordelen van economische integratie met de burgers ter plaatse een belangrijke rol. Daardoor zou de situatie ten zuiden van de Middellandse Zee kunnen worden gestabiliseerd. Dat wens ik ons allemaal toe, en vooral de burgers in die regio!
Íñigo Méndez de Vigo, rapporteur voor advies van de Commissie constitutionele zaken. – (ES) Een gedicht is nooit af, alleen aan zijn lot overgelaten, zei een in Sète aan de Middellandse Zee geboren dichter. Volgens mij geldt hetzelfde voor het proces van Barcelona: het werd niet afgerond, maar aan zijn lot overgelaten, gedeeltelijk althans.
Daarom is het Parlement van mening dat de tijdens het Franse voorzitterschap ondernomen inspanningen om het proces van Barcelona nieuw leven in te blazen belangrijk zijn. Daarom hebben wij in de Commissie constitutionele zaken ook actief meegewerkt aan het verslag van mevrouw Napoletano, die ik voor haar geduld en begrip wil bedanken.
Waarom werd de Commissie constitutionele zaken bij dit onderwerp betrokken, mijnheer de voorzitter? Om meerdere redenen. Ten eerste om de voortzetting van het proces van Barcelona met de Unie voor het Middellandse-Zeegebied te waarborgen. Ten tweede om een overlapping van structuren te vermijden en dit proces in het institutionele kader van de Unie te verankeren. Ten derde, zoals mevrouw Ferrero-Waldner al heeft gezegd, om duidelijk te maken dat dit niet gewoon een intergouvernementeel proces is, maar dat de parlementaire dimensie ervan moet worden benadrukt.
Dat is de reden waarom wij in de Commissie constitutionele zaken aan punten hebben vastgehouden die al op 13 juli 2008 door Voorzitter Pöttering naar voren zijn gebracht. Deze hebben betrekking op de bijeenkomst van de Parlementaire Vergadering één keer per jaar, op de manier waarop zij overeenkomstig politieke families in fracties dient te worden ingedeeld en op de manier waarop zij adviesverslagen dient te produceren.
We hebben ook getracht de Raad te helpen bij de belangrijke beslissingen die hij moest nemen. Mijnheer Vondra, dit Parlement wil met de Raad samenwerken. We hebben de criteria vastgesteld waaraan het hoofdkwartier van deze nieuwe Unie voor het Middellandse-Zeegebied dient te voldoen. Toevallig stemmen deze criteria overeen met een stad in een land dat ik zeer goed ken. De Commissie constitutionele zaken heeft namelijk besloten dat Barcelona een goed hoofdkwartier zou zijn. Bovendien werd dit kort daarna ook door de ministers erkend, wat onze wens om met de Raad samen te werken nog eens extra weergeeft, mijnheer de Voorzitter.
Ik begon met een citaat van Paul Valéry; staat u mij tot om ook met een dichtregel van Paul Valéry te eindigen: “Tu n’as que moi pour contenir tes craintes!”
Volgens mij zou niets de eventuele angsten aan beide kusten van de Middellandse Zee beter kunnen wegnemen dan een succesvolle Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Laten we hopen dat zij succes heeft, mijnheer de Voorzitter, en nog eens mijn dank aan mevrouw Napoletano voor haar begrip en haar hulp.
Vito Bonsignore, namens de PPE-DE-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik feliciteer mevrouw Napoletano met haar inspanningen en de evenwichtigheid waarvan zij in haar werk blijk heeft gegeven. Ik dank ook mevrouw Ferrero-Waldner - die altijd erg attent is als het om onze activiteiten gaat - voor het belangrijke werk dat ze wereldwijd verricht.
We moeten allen blijk geven van grote eenheid, want de problemen en uitdagingen die we het hoofd moeten bieden in het Middellandse-Zeegebied, zijn bijzonder moeilijk. We moeten aandringen op een steeds grotere en invloedrijkere rol voor Europa, aangezien we strategisch gezien aan de zijde van de Verenigde Staten staan.
De Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten heeft door de jaren heen kosten noch moeite gespaard om een steeds sterkere en steeds actievere rol voor Europa op te bouwen. Financiële steun is niet voldoende; financiële steun alleen is niet langer toereikend; het politieke optreden is toe aan een grootschalige vernieuwing. Eén van de vele gezamenlijke uitdagingen is de aanpak van immigratie in Europa. Dit probleem kan niet worden bestreden met meegaandheid, noch met populisme. Integendeel, daarbij is uiterste striktheid geboden om de naleving van de wet en het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens te waarborgen.
De Unie voor het Middellandse-Zeegebied, de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en het gemeenschappelijk buitenlands beleid met betrekking tot het zuiden zijn allemaal uitstekende en waardevolle instrumenten om een sterkere, belangrijkere en geloofwaardigere rol voor Europa te bewerkstelligen.
Mijn fractie zal daarom tegen de amendementen stemmen die door extreemlinks zijn ingediend. Wij zijn van mening dat deze overdreven polemisch en niet erg constructief zijn. Mijn politieke familie probeert nieuw elan te brengen in deze waardevolle activiteiten. Deze zullen een cruciale rol spelen in de nabije toekomst, en daarom steunen we een heropleving van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering. Deze mag niet enkel een discussieforum zijn, maar moet ook een plaats worden waar belangrijke, gezamenlijke beslissingen worden genomen voor onze toekomst en voor de toekomst van al diegenen die op de oevers van het Middellandse-Zeegebied wonen.
Carlos Carnero González, namens de PSE-Fractie. – (ES) Namens de Sociaal-democratische Fractie wil ik allereerst mevrouw Napoletano feliciteren met het uitstekende verslag dat zij ons vanmiddag heeft voorgelegd, maar vooral ook met het feit dat zij een Euro-mediterraanse is van het eerste uur. Zonder haar werk en zonder haar inzet zouden we ons in eerste instantie geen Euromediterraan parlementair forum, of daarna een Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering hebben kunnen voorstellen, en zouden wij nu niet in staat zijn geweest de rol op te eisen die vertegenwoordigers van burgers in dit forum toekomt.
Ik zou graag willen aanknopen bij mijn collega de heer Méndez de Vigo die altijd literaire kopstukken citeert, door een zin uit Shakespeares King Lear aan te halen: “het ergste is het ergste niet, zolang je kunt zeggen: dit is het ergste”. We hebben ernaar gestreefd het tegenovergestelde te doen, omdat we, nu de situatie in het Midden-Oosten erger dan is ooit, een instrument hebben opgezet dat ten doel heeft in de gehele regio bij te dragen tot de politieke, economische en sociale ontwikkeling, als zijnde een algemeen kader voor conflictoplossing. Dit is het uiteindelijke doel van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Deze Unie voor het Middellandse-Zeegebied is niet nieuw. Integendeel, ze is diep geworteld in het proces van Barcelona en voorziet in de oprichting van nieuwe instellingen zoals het permanente secretariaat, dat in Barcelona zal worden gevestigd. Wij juichen deze unie toe, als Europeanen, als Mediterranen, als Spanjaarden en als de parlementaire vertegenwoordigers die er indertijd om hebben verzocht. Dit betekent ook de aanvaarding van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering als wat het moet zijn: een forum waarop parlementariërs en burgers binnen deze Unie hun mening kunnen uiten.
De EMPV behoort te krijgen wat haar toekomt: advies- en controletaken en het recht om voorstellen te doen. De Unie voor het Middellandse-Zeegebied moet worden gebaseerd op gezamenlijk bestuur, over voldoende financiële middelen beschikken, gericht zijn op regionale integratie en voorzien in de behoeften van de burgers. Op deze manier zullen wij in staat zijn een mediterrane ruimte van vrede en solidariteit en ook een alliantie van beschavingen op te bouwen.
Marios Matsakis, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil mevrouw Napoletano graag bedanken, niet alleen voor haar uitstekende verslag, maar ook voor haar waardevolle samenwerking met de schaduwrapporteurs. Het onderwerp van dit verslag is uiterst belangrijk, omdat het hier gaat om het vooruitzicht van een Euro-mediterrane Unie van staten die met elkaar zijn verbonden door vriendschap en samenwerking en waarvan de gemeenschappelijke doelstelling het bereiken van vrede, stabiliteit en welvaart voor hun burgers is.
Dit is geen eenvoudige opgave, niet in de laatste plaats omdat regionale conflicten, zoals het probleem van Israël en de Palestijnen, niet eenvoudig zijn op te lossen – en soms is het zelfs moeilijk om ermee om te gaan. Toch mag men nooit de hoop laten varen. De Unie voor het Middellandse-Zeegebied kan helpen om deze hoop in stand te houden. En wie weet, misschien helpt het als de hoop verwezenlijkt wordt in de vorm van stabiliteit voor de lange termijn en blijvende oplossingen voor regionale problemen.
In dit debat moet zeker worden gewezen op de waardevolle bijdrage van de Franse regering, die de aanzet heeft gegeven tot het voorgestelde project. Het is ook belangrijk nog eens te vermelden dat de oprichting van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied niet mag worden gezien als een alternatief voor de geplande toetreding van Turkije tot de EU. We moeten ervoor zorgen dat het Turkse volk weet en begrijpt dat er geen sprake is van een dergelijke verborgen agenda of bedrog.
Ten slotte heeft, wat de ingediende amendementen betreft, de ALDE-Fractie samen met de PSE-Fractie overeenstemming bereikt over vijf compromisamendementen waarvan het doel is het verslag te verbeteren. De vijf aanvullende amendementen van de GUE/NGL-Fractie lijken ons niet erg nuttig en zullen door mijn fractie niet worden gesteund.
Nogmaals mijn felicitaties voor de rapporteur.
Salvatore Tatarella, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik sta volledig achter ieder initiatief dat gericht is op de ontwikkeling van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied.
Vanuit dit oogpunt bekeken hoop ik dat de parlementaire rol van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering wordt versterkt, onder andere via de intensivering van de betrekkingen met de mediterrane partners, via de mogelijkheid aanbevelingen in te dienen op de bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken en via deelneming als waarnemer aan de bijeenkomsten van de staatshoofden en regeringsleiders en van de ministers en aan de voorbereidende bijeenkomsten van hoge ambtenaren.
Ik wil de noodzaak onderstrepen dat de rol en de initiatieven van de Euro-mediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit worden versterkt en een Euro-mediterrane investeringsbank wordt opgericht, die enige tijd geleden werd aangekondigd maar tot op heden nog niet is verwezenlijkt.
Ik steun het voorstel om een Vergadering van Euro-mediterrane lokale en regionale overheden op te richten, naar voorbeeld van de dienovereenkomstige Europese instellingen, teneinde de regio’s en steden een grotere rol te geven, en om een Euro-mediterraan economisch en sociaal comité in te stellen om te zorgen voor betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.
Ik sta ook achter het voorstel om een Euro-mediterrane Gemeenschap voor energie op te richten. Dit moet deel uitmaken van een beleid voor de implementatie van grootschalige projecten in de sector van hernieuwbare energie en energie-infrastructuur.
Verder hoop ik dat de Unie een steeds effectievere rol zal gaan spelen bij het streven naar vrede, conflictoplossing, de versterking van de democratie, de bescherming van de godsdienstvrijheid en bij de strijd tegen terrorisme, drugshandel, georganiseerde criminaliteit en mensensmokkel.
Tot slot kan de Unie zich niet onttrekken aan haar taak om samen met de betrokken lidstaten het migratiebeleid en de migratiestromen in het Middellandse-Zeegebied te beheren. Daarbij mag niet langer alleen worden gekeken naar veiligheid, wettelijkheid en repressie van illegale immigratie, maar moet ook een actief beleid worden gevoerd dat voor iedereen aanvaardbare regels omvat en zorgt voor doelgerichte en duurzame werkgelegenheid.
David Hammerstein, namens de Verts/ALE-Fractie. – (ES) Hartelijk dank, mevrouw Napoletano, voor dit uitstekende verslag. Een paar dagen voor het uitbreken van de oorlog in Gaza vertegenwoordigde ik het Parlement en de EMPV in Jordanië op de laatste ministeriële conferentie die plaatsvond voordat de werkzaamheden vanwege het geweld in het Midden-Oosten weer eens werden opgeschort. Het was een conferentie over water. Het was een ministeriële conferentie over een van de belangrijkste vraagstukken waarvoor samenwerking in het hele Middellandse-Zeegebied vereist is en waardoor conflicten kunnen ontstaan. Water zal een kwestie van overleven worden en is ook het doel van een paar grote projecten die eventueel in het Middellandse-Zeegebied zullen worden uitgevoerd en die met zonne-energie, watertransport en vele andere zaken van doen hebben.
Hieruit blijkt hoe cruciaal dit vraagstuk is. Deze werkzaamheden zijn nu opgeschort en ik hoop dat de activiteiten van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied snel zullen worden hervat en er vooruitgang in het Midden-Oosten zal zijn.
We hebben zeer ambitieuze doelstellingen in het Middellandse-Zeegebied, maar de resultaten zijn zeer bescheiden, vooral op het gebied van mensenrechten, democratie en het milieu.
We dienen ook de zuid-zuid-markt en de samenwerking tussen de zuidelijke landen te bevorderen, en mogen ons niet blind staren op een grote vrije markt in het Middellandse-Zeegebied, wanneer hieraan geen samenwerking voorafgaat tussen landen die diepgewortelde conflicten hebben. Eén stap tegelijk.
Bovendien moeten we de energiecrisis aanpakken. De energiecrisis en de huidige economische crisis bieden mogelijk kansen om uiterst belangrijke projecten voor Europa en onze zuidelijke buurlanden op gang te brengen, zoals bijvoorbeeld plannen voor thermische zonne-energiecentrales (zonne-energie bij hoge temperatuur) en de totstandbrenging van intelligente schone netwerken om Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Europa met elkaar te verbinden in het kader van een snel, schoon plan ter bestrijding van klimaatverandering en de economische crisis.
Willy Meyer Pleite, namens de GUE/NGL-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen zou ik mevrouw Napoletano voor haar werk willen danken. Ten tweede wil ik als schaduwrapporteur opmerken dat ik mijn fractie om twee fundamentele redenen verzocht heb niet voor dit verslag te stemmen.
Ten eerste omdat het meest recente conflict, de meest recente Israëlische aanval op Gaza, van een dermate orde van grootte is dat deze niet straffeloos kan worden aanvaard. Alles heeft zijn grenzen. Het is niet de eerste keer, maar deze aanval op de Palestijnse soevereiniteit is van een dergelijke omvang dat hij een echte bedreiging vormt voor de verwezenlijking van de overeenkomst van Annapolis en het vooruitzicht op de totstandkoming van een Palestijnse staat teniet doet, ofschoon die de enige mogelijkheid is om een door vrede en solidariteit gekenmerkte Unie voor het Middellandse-Zeegebied tot stand te brengen.
De tweede reden waarom ik heb aanbevolen om niet voor het verslag te stemmen is dat, wat de vrijhandelszone betreft, geen rekening is gehouden met regionale verschillen. Volgens ons is het van essentieel belang dat bij handelsvraagstukken iedereen gelijk wordt behandeld en dat daarbij rekening wordt gehouden met regionale verschillen en met de bijzondere kenmerken van elk land.
Luca Romagnoli (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik denk daarentegen dat ik vóór de ontwerpresolutie van mevrouw Napoletano zal stemmen, want mijns inziens is het zonder meer van strategisch belang dat grote projecten in kaart worden gebracht en verwezenlijkt en is het evenzo nuttig om te benadrukken dat voor de verwezenlijking ervan een bepaalde formule moet worden toegepast, de formule van ‘programma-afspraken, overeenkomsten die hoe dan ook – en ik wil hier graag de nadruk op leggen – in het teken moeten staan van het subsidiariteitsbeginsel.
Eerlijk gezegd ben ik enigszins verbaasd over het verzoek om een nieuwe impuls te geven aan het beheer van de gemeenschappelijke migratiebeleidslijnen, ofschoon ik erken hoe belangrijk een effectieve samenwerking is tussen de lidstaten – en niet alleen de lidstaten – en de landen op de zuidelijke oevers van de Middellandse Zee.
Ik heb eerlijk gezegd ook enkele twijfels over de economische en commerciële initiatieven die de weg vrij moeten maken voor de oprichting van een Euro-mediterrane vrijhandelszone. Deze komen niet voort uit vooroordelen, maar uit mijn wens om meer duidelijkheid over de manier waarop een dergelijke vrijhandelszone wederzijdse voordelen kan leiden.
Ioannis Kasoulides (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ten eerste wil ik mevrouw Napoletano feliciteren met haar verslag. Het is duidelijk dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied een belangrijke stap is in de pogingen om een Euro-mediterraan partnerschap tot stand te brengen. Een van de obstakels voor dit partnerschap was tot nu toe de zichtbaarheid, dat wil zeggen de mogelijkheid voor de bevolkingen van de partnerlanden om inzicht te krijgen in de effecten van het proces van Barcelona en onze Unie voor het Middellandse-Zeegebied.
Ik zal hiervan een voorbeeld geven. Toen mij werd gevraagd een verslag op te stellen over de sanering van het milieu in het Middellandse-Zeegebied, constateerde ik dat de volgende programma's betrekking hadden op dit onderwerp: het investeringsprogramma voor probleemgebieden in het Middellandse-Zeegebied (Mediterranean Hotspot Investment Programme (MeHSIP)), de waterstrategie voor het Middellandse-Zeegebied, de mariene strategie van de Europese Unie, UNEP/MAP, de Mediterrane Strategie voor duurzame ontwikkeling, het Europees Programma voor technische bijstand ten behoeve van het milieu in het Middellandse-Zeegebied (METAP), het Europees-mediterraan waterinitiatief en de meerjarige investeringsregeling, die worden uitgevoerd onder auspiciën van het programma Horizon 2020. Deze versnippering leidt tot verminderde zichtbaarheid.
Het andere obstakel is het probleem in het Midden-Oosten. Ik juich het standpunt van de heer Solana toe, die zei dat het Kwartet deze keer op een andere manier te werk zal gaan dan in het verleden, niet vanwege een tekortschietende wil aan de zijde van de Europese Unie, maar vanwege het eerdere beleid van de Amerikaanse regering. Ik hoop dat er deze keer, met de heer Mitchell als afgezant in het gebied, politieke vooruitgang wordt geboekt. We hebben al veel gedaan. Onlangs heb ik Libanon bezocht waar ik zag hoe UNIFIL met behulp van de aanwezigheid van de Europese troepen een herhaling van de vijandelijkheden in zuidelijk Libanon en Israël onmogelijk maakte.
Jamila Madeira (PSE). – (PT) Mijn dank aan mijn collega Pasqualina Napoletano voor haar uitstekende verslag. Veertien jaar na Barcelona en vijf jaar na de eerste Euro-meditterane Parlementaire Vergadering hebben we nu de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, met economische en parlementaire bevoegdheden, met maatschappelijke organisaties en met regeringsleiders die gezamenlijk besluiten nemen. Iedereen wil meer doen en het beter doen in dit gebied waar 720 miljoen burgers een reëel potentieel betekenen voor ontwikkeling en vrede in de wereld. Het zou een grote vergissing zijn als we ons zouden beperken tot de economische en zakelijke dimensies. De crisis in de groei vraagt natuurlijk om een politiek antwoord, maar het vinden van een antwoord op de humanitaire crisissen, de noodsituaties en de militaire crisissen, die we eind 2008, begin 2009 gekend hebben, is cruciaal.
Politici en burgers moeten een antwoord vinden op de problemen van de wereld. De wereld heeft hen om antwoorden gevraagd, maar nu, maanden later, zijn we - burgers en politici - met name in een platform zoals de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, nog steeds bezig een antwoord te zoeken. Ik hoop dat we van deze tijden van crisis ten minste iets hebben geleerd en daardoor voortgang kunnen boeken. Hoewel we alleen van onze fouten kunnen leren, is het van cruciaal belang dat we nu snel een antwoord vinden.
Miguel Portas (GUE/NGL). – (PT) Commissaris Ferrero-Waldner heeft in haar toespraak de doelstellingen van de nieuwe Unie samengevat. In werkelijkheid is de Unie tijdens het Franse voorzitterschap in een verkeerd gesternte geboren en zijn er fouten gemaakt. De eerste fout was dat de conflicten in de regio, met name het Palestijns-Israëlische conflict en het conflict in de Westelijke Sahara, van de agenda zijn verwijderd. De tweede fout is dat de Unie zich probeert waar te maken door gezamenlijke economische en milieuprojecten op te zetten zonder vraagtekens te zetten bij de context van vrijhandel waarin deze plaatsvinden. De derde fout is dat werd gesuggereerd dat de Turkse aanvraag voor toetreding tot de Europese Unie zou kunnen worden verlegd naar deze Unie.
Het verslag van mevrouw Napoletano pakt het eerste probleem niet aan, waarmee zijn reikwijdte wordt beperkt. Economische en regionale integratie is gedoemd te mislukken indien de Unie niet de moed heeft de bestaande conflicten aan te pakken op basis van het internationaal recht. Anderzijds bevat het verslag duidelijke aanbevelingen ten aanzien van de tweede en derde fout, en deze gaan in de goede richting.
De Unie voor het Middellandse-Zeegebied mag niet fungeren als de wachtkamer of de achterdeur voor Turkije, vooropgesteld dat Turkije voldoet aan de criteria voor toetreding. Evenmin mag de Unie voor het Middellandse-Zeegebied een aanhangsel worden van de Europese vrijhandelsstrategie en volledig losgekoppeld zijn van elk beleid voor sociale integratie.
In het verslag worden belangrijke aanbevelingen gedaan: een Unie met burgerschap en een representatieve dimensie en betrokkenheid van de Arabische Liga, regionale projecten met een sociale dimensie en uitbreiding van de projecten naar terreinen die van essentieel belang zijn voor het leven van mensen, zoals water, landbouw en onderwijs. Er staan ook duidelijke regels in het verslag voor programma-afspraken en een Euromeditterane Investeringsbank.
De Unie is tot stand gekomen met fouten, maar ze bestaat tenminste. Ik sta achter dit verslag omdat ik denk dat deze Unie wordt wat wij ervan zullen maken. Het verslag krijgt daarom van mij het voordeel van de twijfel.
Luís Queiró (PPE-DE). – (PT) Veel van de vraagstukken die voor Europa van groot belang zijn, houden verband met aan het Middellandse Zeegebied. Het initiatief voor de Unie voor het Middellandse-Zeegebied verdient dan ook onze steun, aangezien deze een nieuwe impuls kan betekenen aan een noodzakelijk en nuttig proces. Tot dusverre heeft dit proces echter nog niet het vereiste succes of de vereiste zichtbaarheid gehad. Dit roept de vraag op hoe we deze strategie ten uitvoer kunnen leggen. Het model dat in Barcelona gevolgd werd, heeft niet het verwachte resultaat gehad. Zou dit nieuwe partnerschap wel gaan slagen?
Het verslag van mevrouw Napoletano gaat hierop in. We hopen echter niet dat de Unie tegen dezelfde problemen zal aanlopen als het Proces van Barcelona, met op het oog veel projecten en actieterreinen, maar in feite zonder heldere prioriteiten. Door het feit dat een beter sociaal en cultureel begrip tussen de volkeren aan weerszijden van de Middellandse Zee verwezen wordt naar paragraaf 26, de bevordering van democratie en de bescherming van de mensenrechten naar paragraaf 27 en immigratievraagstukken naar paragraaf 28, nadat het eerst een hele tijd om andere sectoren en andere kwesties is gegaan, ontstaat een verkeerd beeld van de prioriteiten van dit partnerschap, of van wat deze zouden moeten zijn.
Er is een duidelijke strategie nodig. Wij zijn van mening dat deze strategie eruit moet bestaan dat we onze buurlanden meer voordelen en meer samenwerking bieden, maar ook meer resultaten van hen vragen op economisch, sociaal en democratisch vlak, en dat we ons concentreren op helder gedefinieerde, en wellicht minder, sectoren om te voorkomen dat alle terreinen dezelfde prioriteit krijgen, met het risico dat uiteindelijk niets echte prioriteit krijgt. Het moge duidelijk zijn dat dit alleen bereikt kan worden met juiste steun en financiering. De erkenning van de noodzaak van een investeringsbank voor het Middellandse-Zeegebied verdient een positieve ontvangst. Het is uiterst belangrijk ambitieus te zijn, wat betekent dat we alles moeten doen wat in ons vermogen ligt.
Tot slot, voorzitter, een woord over het Midden-Oostenconflict. Hoewel dit proces geen alternatief is voor vredesonderhandelingen, kan en moet het een bijdrage leveren aan beter begrip, onderlinge afhankelijkheid en wederzijds respect tussen de partijen. Dit zijn essentiële voorwaarden – daar zijn we ons allemaal van bewust – om vrede in de regio tot stand te brengen.
De Voorzitter. – Wij zijn aan het einde van de sprekerslijst. Er zijn vier verzoeken uit de zaal om het woord te mogen voeren volgens de "catch the eye"-procedure.
Christopher Beazley (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, zou de commissaris in haar antwoord aan het Parlement kunnen uitleggen op welke manier de nieuwe formulering “Unie voor het Middellandse-Zeegebied”, in tegenstelling tot “Mediterrane Unie”, nog een EU-beleid blijft? Het is naar mijn mening uitermate belangrijk dat de commissaris ook twee andere EU-zeeën in aanmerking neemt: de Zwarte Zee en de Synergie voor het Zwarte Zeegebied, en de Oostzee en de Strategie voor het Oostzeegebied.
Mijn land heeft grote belangstelling voor het Middellandse-Zeegebied en ik geloof dat we ook de status van waarnemer hebben. Er zijn lidstaten die ook tot het Gemenebest behoren en hoewel ik mijn Spaanse collega’s niet wens te ergeren, maakt Gibraltar, voor zover ik weet, technisch gezien nog steeds deel uit van de Britse kroondomeinen.
Het is van groot belang dat dit niet een soort regionaal onderonsje wordt waar de rest van Europa niet volledig deel aan kan nemen. Veeleer hoop ik dat de overige lidstaten volledig bij de Oostzee en Zwarte Zee betrokken zullen worden.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) De economische en sociale ontwikkeling en de welvaart van de burgers in de lidstaten van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied moeten duurzaam zijn. Ik vind dat de nieuw opgerichte Unie voor het Middellandse-Zeegebied ook het probleem van de klimaatverandering moet aanpakken.
In de Euro-mediterrane regio wonen ongeveer één miljard mensen, die een derde van het BBP van de wereld genereren. Regionale samenwerking is broodnodig bij de aanpak van milieubedreigingen.
De bevolkingsgroei en de afnemende hoeveelheid neerslag in deze regio ten gevolge van klimaatverandering, zorgen ervoor dat drinkwater een van de grootste risico-elementen in het gebied wordt. Watertekorten, waterverontreiniging, gebrek aan waterzuiveringsinstallaties, olievervuiling als gevolg van ongevallen op zee, ontbossing en bodemerosie moeten deel gaan uitmaken van de vraagstukken waar het Europees-mediterraan partnerschap zich over ontfermt.
Ik geloof dat een van de fundamentele waarden die door de Unie in het Middellandse-Zeegebied bevorderd moet worden milieubescherming in de vorm van bestrijding van klimaatverandering is, en dan heb ik het zowel over de aanpassing aan de klimaatverandering als over de bestrijding van de oorzaken ervan.
Marie Anne Isler Béguin (Verts/ALE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, mevrouw de commissaris, ook ik wil graag mevrouw Napoletano bedanken. Tijdens onze eerste discussie over de Unie voor het Middellandse-Zeegebied was ik namelijk eerder sceptisch. Dat ben ik nog steeds, maar toch heb ik vandaag een sprankje hoop.
De uitdagingen zijn ontegensprekelijk enorm. Hebben we de middelen om ze het hoofd te bieden? Dat weten wij niet. De doelstellingen zijn weliswaar nobel - milieu, energie, strijd tegen woestijnvorming, immigratie, enzovoort - maar we mogen niet terechtkomen bij een onsamenhangende lijst die enkel tot ontgoocheling aan de andere kant van de Middellandse Zee kan leiden.
Mevrouw de commissaris, als u het me toestaat zou ik een specifiek land willen noemen dat niet aan de Middellandse Zee ligt, maar dat wel opgenomen is, een ACS-land dat ook lid van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied is: Mauretanië. Dat land bevindt zich vandaag in een ernstige politieke crisis. Ik vind dat dit land, als partner van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, als ACS-land en in naam van het nabuurschapsbeleid onze steun verdient bij het vinden van een uitweg uit deze crisis.
Volgens mij is het dat wat de twee partijen in het conflict ons vragen. Het is onze verantwoordelijkheid om ons daarvoor in te zetten en hen uit deze diepe politieke crisis te helpen.
Avril Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, water is een belangrijk onderwerp voor de samenwerking in het Middellandse-Zeegebied. Belangrijk is ook - zo hoop ik - een pan-Europees superhoogspanningsnet, oftewel een netwerk van verbindingen met hoge gelijkspanning, waaronder een verbinding tussen Spanje en de noordwestkust van Afrika.
Het is van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat hernieuwbare energie, waaronder wind, waterkracht, verscheidene zonne-energie- en andere technologieën, standaard kan worden gebruikt. Om bij piekbelastingen op hernieuwbare energie te kunnen vertrouwen moet de toevoer naar onze hoogspanningsnetten vanuit zo veel mogelijk verschillende bronnen komen, zodat de levering van stroom altijd kan voldoen aan de vraag. Als er geen wind is aan de noordwestkust van Ierland – en Ierland wordt wel het Saoedi-Arabië van Europa genoemd wat betreft wind – waait de wind wel aan de noordwestkust van Afrika, of wordt het hoogspanningsnet gevoed door zonne-energie uit het Middellandse-Zeegebied, met name Spanje, of door de vele zonnecelinstallaties in de gehele regio.
Dit scenario is een win-winsituatie voor het Middellandse-Zeegebied, voor energiezekerheid, voor het energiebeleid en vooral voor een aanzienlijke reductie van onze kooldioxide-emissies, die op dit moment worden veroorzaakt door onze huidige afhankelijkheid van fossiele brandstoffen voor industrieën, transport en verhitting en koeling.
De Voorzitter. – Mevrouw Figueiredo heeft zich bij ons gevoegd en zal, in het kader van de ‘catch-the-eye’-procedure, het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid toelichten.
Ilda Figueiredo, rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. – (PT) Het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid benadrukt het belang dat alle lidstaten het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en alle andere mensenrechteninstrumenten van de Verenigde Naties en de Internationale Arbeidsorganisatie ratificeren. Het vraagt ook aandacht voor de situatie van vrouwen en betreurt dat daaraan in de mededeling van de Commissie geen specifieke aandacht wordt besteed, vooral als het gaat om ‘projecten’, waarvan het bevorderen van geografische, economische en sociale cohesie deel moet uitmaken en waarbij altijd het vraagstuk van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en het genderperspectief moet worden meegenomen.
Tot slot wil ik simpelweg mijn zorg uiten over armoede en sociale uitsluiting, waar vrouwen in ernstige mate mee geconfronteerd worden. Ik eindig met een slotwoord over de ernstige situatie in Palestina en in de Westelijke Sahara, waar vrouwen en kinderen de belangrijkste slachtoffers zijn van oorlog en uitbuiting, kortom van het hele proces van discriminatie waarmee mensen, en in zeer ernstige mate vrouwen en kinderen, geconfronteerd worden.
Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ten eerste wil ik u allen bedanken voor dit zeer waardevolle debat, waarin een aantal ideeën naar voren is gekomen. U hebt een werkelijk interessant document opgesteld.
Op welk punt zijn we nu aanbeland? We weten waarom we dit doen: het Middellandse-Zeegebied is de bakermat van onze beschaving en daarom is het logisch dat wij dit gebied binnen de Europese Unie bijzondere aandacht willen geven. Vorig jaar werd al een Frans initiatief ontplooid en dit proces moeten we gaande houden en volledig tot ontwikkeling brengen.
Kortom, we weten waarom we dit doen en wat we willen bereiken. Velen onder u hebben benadrukt hoe belangrijk het is dat het Middellandse-Zeegebied een gebied wordt van vrede, stabiliteit en veiligheid, een gebied waar democratische principes, mensenrechten en grondvrijheden, waaronder gendergelijkheid en de rol van vrouwen in de maatschappij, worden gehandhaafd en ten volle gerespecteerd.
We weten ook hoe we dit willen bereiken, en daarom hebben we de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en een uitgebreide reeks van verschillende activiteiten. U bent al goed op de hoogte van de belangrijkste gebieden: de nadruk op hernieuwbare energiebronnen, het programma voor zonne-energie en het waterbeheerprogramma. Ik was een week geleden nog in Portugal. Dat land kan een voorbeeld zijn voor de manier waarop een duurzaam, dynamisch programma voor hernieuwbare energie moet worden ontwikkeld. Dit is namelijk van groot belang voor het Middellandse-Zeegebied.
We moeten nu gewoon in actie komen. Toen we vorig jaar bijeenkwamen in Parijs en in Marseille, konden we niet vermoeden dat de situatie in Gaza zich op deze manier zou ontwikkelen, maar het voorzitterschap doet samen met de Commissie genoeg om te kunnen beginnen met de uitvoering van alle overeenkomsten die we vorig jaar hebben bereikt. Ik denk dus dat we redelijkerwijs kunnen verwachten dat we na maart, zoals ik u al heb meegedeeld, kunnen verdergaan met de meest recente werkzaamheden van het voorzitterschap.
Ons werkprogramma voor 2009 is omvangrijk: er zijn ongeveer negen bijeenkomsten van ministers in verschillende formaties gepland. Dan zijn er nog de middelen, die, voor zover ik weet, meer dan een miljard euro bedragen. Ik denk dus dat we er klaar voor zijn. Er zijn weliswaar omstandigheden in verband met de situatie in Gaza die voor vertraging hebben gezorgd, maar ik denk dat we daar een oplossing voor zullen kunnen vinden.
Ik dank u zeer voor dit nuttige debat. We zijn er zeker klaar voor om u verder bij te staan.
Benita Ferrero-Waldner, Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, er valt uiteraard nog veel te zeggen, maar ik wil beginnen met de volgende vraag: wat is de communautaire dimensie van dit alles?
Ten eerste kan ik u zeggen dat de communautaire dimensie van dit dossier van groot belang is, omdat het plan betreffende de Unie voor het Middellandse Zeegebied weliswaar voortkomt uit het Proces van Barcelona maar de nalatenschap heeft ontvangen van het acquis van het Proces van Barcelona. Heel het acquis is opgenomen en daar hebben we hard voor gewerkt.
Ten tweede sluit de Unie voor het Middellandse Zeegebied aan bij het nabuurschapsbeleid. Het nabuurschapsbeleid is het bilaterale beleid en het proces van Barcelona - nu de Unie voor het Middellandse Zeegebied - is het multilaterale deel. Ik kan daar aan toevoegen dat de Zwarte Zee en de Baltische Zee natuurlijk opgenomen zijn in hetzelfde kader, maar dan in het noorden. Dus maakt u zich geen zorgen, alle elementen zijn aanwezig. Dit is wat het Franse voorzitterschap wilde bereiken: het covoorzitterschap delen met de landen uit het Middellandse Zeegebied, zoals ik al eerder heb gezegd, en samenwerken met deze landen.
Nu beheert de Commissie ook alle toekomstige communautaire projecten, omdat dit nodig is en omdat we ook gecontroleerd worden door het Parlement. Alleen projecten die eventueel door particuliere fondsen worden gefinancierd, zullen op een andere manier worden beheerd.
Het secretariaat, dat in Barcelona gehuisvest zal worden, zal de projecten promoten. Zo zien wij de promotie van de projecten. Verder zullen wij proberen de met particuliere middelen gefinancierde projecten te promoten, want voor de rest blijven ze een bevoegdheid van de Commissie. Besluiten worden zoals altijd eerst genomen door de zevenentwintig lidstaten en vervolgens krijgt het covoorzitterschap wederom de mogelijkheid om samen te werken met de 143, het Zuiden en het Noorden.
Wat Mauritanië betreft, mevrouw Isler Béguin, dat land neemt enkel deel aan de multilaterale onderhandelingen, dus in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, maar maakt geen deel uit van het nabuurschapsbeleid. Dat is het enige verschil.
Dit gezegd zijnde, kan ik toevoegen dat wij in de Commissie, ondanks deze tijdelijke opschorting, hard en op constructieve wijze werken aan de uitvoering van de vier à zes projecten die naar voren zijn gebracht als prioritaire projecten: civiele bescherming, sanering van de Middellandse Zee, snelwegen op zee en ook een mediterraan plan voor zonne-energie. In het kader van dit plan, mevrouw, werken wij hard aan de ontwikkeling van duurzame energie, met name zonne-energie, want zonne-energie is evenals windenergie en andere energiebronnen van groot belang.
In totaal kan de Unie voor het Middellandse Zeegebied rekenen op financiële steun van zestig miljoen euro binnen de begroting 2008-2009, met name via regionale programma’s. Verder is al een bedrag van vijftig miljoen euro toegewezen aan het investeringsfonds van het nabuurschapsbeleid ter ondersteuning van investeringsprojecten in de regio.
Wij wilden tevens uitwisselingen tussen universiteiten bevorderen en daarom heb ik besloten om bijvoorbeeld het programma Erasmus Mundus uit te breiden tot de zuidelijke landen van het Middellandse Zeegebied en deze landen extra studiebeurzen aan te bieden.
Wat betreft de situatie van de vrouw, mevrouw, daar gaan wij ons natuurlijk ook mee bezig houden, aangezien dit vraagstuk deel uitmaakt van het acquis van Barcelona. Ik herinner me nog de eerste conferentie over vrouwen in het Middellandse Zeegebied, die in 2007 in Istanboel werd gehouden. Ik was daarbij aanwezig, en uiteraard zullen wij dit thema blijven behandelen.
Maar zoals u weet hebben we altijd te maken met enerzijds het bilaterale aspect, dus de relatie met elk land afzonderlijk, en anderzijds het multilaterale aspect. Dat laatste aspect staat nu centraal in de aangelegenheden van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied.
Nog kort iets over het secretariaat. Wij gaan een redactiecomité oprichten dat met name tot taak zal hebben de statuten voor te bereiden. De Commissie is al aardig gevorderd met de voorbereidende werkzaamheden. De statuten zullen het secretariaat een rechtspersoonlijkheid verschaffen en zullen vervolgens formeel moeten worden goedgekeurd door de hoge ambtenaren van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.
Tot slot wil ik u nogmaals zeggen dat de deelname van de EMPV in de hoedanigheid van waarnemer aan alle vergaderingen van de Unie voor het Middellandse Zeegebied van essentieel belang is en dat wij deze rol binnen de Unie voor het Middellandse Zeegebied ondersteunen. Toen mevrouw Kratsa in Marseille was, hebben we haar in dit opzicht veel steun gegeven.
Ik geloof dat ik de belangrijkste punten heb genoemd. Uiteraard valt er over dit thema nog veel te zeggen.
Pasqualina Napoletano, rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Vondra, geachte collega's, dit debat is naar mijn mening zeer nuttig geweest en heeft voor opheldering gezorgd van enkele aspecten van ons tamelijk gecompliceerde stelsel van instrumenten voor bilateraal en multilateraal partnerschap met de landen in het zuiden.
Ik ben verheugd over de verduidelijkingen van mevrouw Ferrero-Waldner. Daarin heeft ze benadrukt dat het acquis van Barcelona geheel gehandhaafd blijft, en juist daarom ging onze voorkeur uit naar de eerste definitie, namelijk: 'Proces van Barcelona: Unie van het Middellandse-Zeegebied'. Dan zou het misschien duidelijker zijn geweest dat we bezig waren met het versterken van een systeem dat reeds een eigen grondslag had.
Zo hoop ik ook – en dit zeg ik openlijk, omdat ik hierna geen rapporteur meer zal zijn – dat het Europees institutioneel kader vatbaar zal zijn voor ontwikkeling. Waarom? Omdat ik hoop dat, als we eenmaal een Europese minister van Buitenlandse Zaken hebben en dus de functies van de Commissie en de Raad in zekere zin door hem of haar vertegenwoordigd zullen zijn, deze minister niet de achtentwintigste minister van Buitenlandse Zaken in de rij van de andere zevenentwintig, maar dat de lidstaten, tenminste wat het Europese deel betreft, zich vertegenwoordigd zullen voelen door deze persoon. Dan zal er wellicht geen behoefte meer zijn om landen en Unie met elkaar te vermenigvuldigen. Dan zullen wij in de Hoge Vertegenwoordiger ook een minister van Buitenlandse Zaken hebben en dan kunnen we wellicht de rol van de Europese Unie consolideren. Hier hebben we met zijn allen naartoe gewerkt en daarom staan we volledig achter het behoud van de regionaal programma's. Zoals de commissaris weet, hecht het Parlement veel belang aan deze programma's, die wellicht tot de beste resultaten hebben opgeleverd.
Ik dank u allen voor dit debat.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), schriftelijk. – (PL) Een nauw partnerschap tussen de Europese Unie en de landen van het Middellandse-Zeegebied moet in de eerste plaats gebaseerd zijn op het respecteren van de mensenrechten en de rechtsstaat. Het voorstel met de titel ‘Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied’, dat in Parijs op 13 juli 2008 aangenomen werd, draagt bij tot vrede en welvaart en kan een belangrijke stap vooruit betekenen in de richting van economische en territoriale integratie evenals van samenwerking op het vlak van milieu en klimaat.
Het is jammer dat er sinds het begin van het Proces van Barcelona in sommige partnerlanden geen concrete vooruitgang is geboekt op het vlak van het naleven en eerbiedigen van enkele van de gemeenschappelijke waarden en principes die benadrukt werden in het Verdrag van Barcelona van 1995, dat door deze landen ondertekend werd (in het bijzonder op het vlak van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat).
Dat in de landen van het Middellandse-Zeegebied armoede en maatschappelijke uitsluiting voorkomen, waarvan vooral vrouwen en kinderen het slachtoffer zijn, is bijzonder verontrustend. Het is noodzakelijk dat de lidstaten en partners die bij het Proces van Barcelona betrokken zijn, de nadruk leggen op gendermainstreaming van het beleid en de specifieke maatregelen ter bevordering van gelijke kansen voor vrouwen en mannen. Alle landen die deelnemen aan het “Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied” moeten zo snel mogelijk het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en alle andere instrumenten van de Verenigde Naties en de Internationale Arbeidsorganisatie met betrekking tot de mensenrechten goedkeuren.
Tunne Kelam (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Ik juich de inspanningen toe om de betrekkingen van de EU met landen in het Middellandse-Zeegebied verder te ontwikkelen, maar ik wil ook benadrukken dat de EU niet haar twee andere zeeën moet verwaarlozen, namelijk de Oostzee en de Zwarte Zee. De strategie voor de Oostzee zal een van de prioriteiten van het Zweedse voorzitterschap zijn. Ook de Synergie voor het Zwarte Zeegebied is van strategisch belang. De EU dient zich, in de geest van de EU-gedachte, te richten op een evenwichtige ontwikkeling van al deze regio's. De EU is een geïntegreerde gemeenschap en de strategische ontwikkeling van de regio’s op de lange termijn is voor iedere regio even belangrijk.
Er is duidelijk behoefte aan een goed partnerschap met de landen in het Middellandse-Zeegebied die geen lidstaat van de EU zijn. Dit partnerschap moet gebaseerd zijn op eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat. Helaas zijn er nog steeds landen die ernstige problemen op dit gebied hebben en ik dring er bij de EU-lidstaten op aan om deze problemen in volle ernst te benaderen.
De betrokkenheid van de Arabische Liga biedt een belangrijke mogelijkheid om alle landen samen te brengen en gezamenlijk naar oplossingen voor de conflicten in de regio te zoeken. Ik roep de EU-lidstaten op om een evenwichtig standpunt in te nemen en eerder de rol van onderhandelaar te spelen dan partij te kiezen in de diverse conflictsituaties. Alleen als we een evenwichtig standpunt innemen, kunnen we een bijdrage leveren aan vrede op de lange termijn in het Midden-Oosten.
21. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
De Voorzitter. − Aan de orde zijn de opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang.
Csaba Sógor (PPE-DE). – (HU) De autonomie van Szeklerland in Roemenië heeft een eeuwenlange geschiedenis. In de documenten tot oprichting van de moderne Roemeense staat werd de regionale autonomie van Szeklerland gewaarborgd, en deze heeft zelfs in het communistische tijdperk nog enige tijd voortbestaan.
De verschillende vormen van regionale autonomie binnen EU-lidstaten in aanmerking nemend, heeft op 8 februari 2009 in Sepsiszentgyörgy (Sfântu Gheorghe) een menigte van enige duizenden mensen de president opgeroepen zijn beledigende uitlatingen jegens de Hongaren in Transsylvanië in te trekken, te zorgen voor een evenredige vertegenwoordiging van de etnische bevolkingsgroepen in de nationale instellingen, de doelgerichte verhuizingen naar het gebied te stoppen, op te houden de economie van Szeklerland moedwillig te dwarsbomen, de teruggave van kerkelijke en publieke eigendommen te bespoedigen, de uitbreiding van militaire eenheden te staken, door de staat gefinancierde, onafhankelijke Hongaarse universiteiten op te richten, het Hongaars te erkennen als officiële taal van de regio, en de collectieve rechten en de regionale autonomie van Szeklerland te erkennen.
Iliana Malinova Iotova (PSE). - (BG) We moeten de tweede kamer van het Tsjechische parlement feliciteren met de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon. Dit is de zoveelste overwinning van de Europese gedachte en het zoveelste bewijs dat steeds meer mensen geloven in de Europese waarden. Daarom doe ik een oproep om ons te distantiëren van iedereen die deze waarden schendt en ons geloof erin ondermijnt.
Hoe kunnen we aan de ene kant onze grondrechten met gouden letters in het Handvest schrijven, en aan de andere kant tolereren dat ze worden geminacht en gehekeld? We hebben het over etnische en religieuze tolerantie, en over het recht van ouderen op een waardig leven en actieve deelname aan dit leven. Maar tegelijkertijd maakt de leider van een Bulgaarse politieke partij, een volwaardig lid van de Europese Volkspartij, een onderscheid tussen verschillende etnische groepen en leeftijdsgroepen, en verdedigt hij het idee dat sommige mensen meer waard zijn dan andere. Hoe moeten wij ons opstellen tegenover dit soort leiders? Ik richt mijn vraag tot de rechterzijde van dit Parlement, aangezien de voorzitter van de EVP, de heer Martеns, diezelfde persoon heeft aanbevolen als de volgende premier van mijn land. Laten we ophouden met twee maten te meten en onze eigen handelingen en woorden in acht nemen. En laten we niet vergeten dat het de mensenrechten zijn die ons meer dan vijftig jaar geleden hebben verenigd.
Filiz Hakaeva Hyusmenova (ALDE). - (BG) Het Europees economische herstelplan is een feit. De crisis is een algemeen probleem, maar protectionisme en het stimuleren van nationale industrieën en werkgelegenheid beginnen de kop op te steken. De fundamentele vrijheden van vrij verkeer van werknemers en vrije handel staan onder druk. De crisis ontwikkelt zich in verschillende landen op verschillende manieren. In de opkomende economische tijgers van de Europese Unie, waaronder Bulgarije, is het banksysteem relatief stabiel, de werkloosheid niet hoog, zijn er hoogopgeleide arbeidskrachten en is de munt stabiel. Gezien de dynamiek van de crisis dring ik aan op actualisering van het herstelplan, zodat het beter aansluit op de reële economische situatie. In tijden van crisis wordt kapitaal aangetrokken tot risicoarme investeringskansen en bestaat de mogelijkheid dat geld wordt geïnvesteerd in compleet nieuwe technologieën in plaats van in oude, onrendabele industrieën. Het potentieel van de laatste economieën die in recessie raken, moet worden gebruikt om hen als eerste weer te doen opleven, zodat ze zich met behulp van deze fondsen en knowhow kunnen ontwikkelen tot centra van stabiliteit, die een omgeving creëren waarin het economische en financiële systeem van de Europese Unie zich sneller kan herstellen.
Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in een tijd waarin de crisis zich steeds verder uitbreidt, zou ik graag de Europese Commissie willen feliciteren met het te gronde richten van de Poolse scheepswerven. Door de egoïstische aanpak van de Europese elite en haar blijdschap over het feit dat meer dan honderdduizend mensen hun baan op de scheepswerven en bij de toeleveringsbedrijven verliezen, zal in de nabije toekomst zeker een groot deel van deze werknemers op de arbeidsmarkt in West-Europa opduiken. Dit besluit heeft de Europese crisis alleen maar vergroot.
Ik ben benieuwd hoe de Europese elite zich zal gedragen. Zal zij zich solidair opstellen tegenover de lidstaten waar de crisis zich enorm uitgebreid heeft, of zal zij zich enkel met haar eigen belangen bezighouden? Juist in tijden van crisis zal de Europese samenleving zien of de verklaringen en principes die aan de basis liggen van het ontstaan van de Europese Unie, oprecht zijn, dan wel of het enkel om een spel gaat dat door sommige landen gespeeld wordt tegen andere landen binnen een instelling die gebaseerd is op nobele principes. In dit opzicht ben ik verbaasd over het feit dat de Commissie nalaat te reageren op de maatregelen die onlangs door vele lidstaten zijn genomen en die de geldende principes overtreden, terwijl Polen gestraft werd voor gelijkaardige maatregelen.
Rebecca Harms (Verts/ALE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, afgelopen week ontving ik vreemd nieuws uit Noord-Ierland. De heer Sammy Wilson, de milieuminister van de regionale regering, verbood een door de Britse regering georganiseerde informatiecampagne over energie-efficiëntie. Ik kan niet geloven dat de goede redenen achter onze communautaire klimaat- en energiedoelstellingen, namelijk twintig procent minder CO2, twintig procent hernieuwbare energie en twintig procent meer energie-efficiëntie, niet worden geaccepteerd door een regionale regering van een lidstaat.
Ik verzoek de Commissie derhalve om te onderzoeken wat de redenen achter dit vreemde en nogal bizarre verbod in Noord-Ierland zijn. Naar mijn mening heeft zelfs een klimaatscepticus als de heer Wilson de plicht om voor de burgers te zorgen en steun te geven aan energie-efficiëntie en andere maatregelen die de energierekening voor burgers verlagen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Ik wil vandaag de aandacht vragen voor de schandalige situatie bij Corticeira Amorim in Portugal. Dit bedrijf heeft de afgelopen twee jaar een totale winst geboekt van meer dan 30 miljoen euro, waarvan meer dan 8 miljoen in 2008. Toch heeft Corticeira Amorim deze week aangekondigd dat er bijna tweehonderd mensen ontslagen zullen worden. Als reden daarvoor werden de gevolgen van de crisis aangehaald. Wat het bedrijf echter vergeet, is dat het de werknemers waren die de groep hebben helpen opbouwen, die miljoenen waard is en die overheidsgeld heeft ontvangen, waaronder ook communautaire middelen, waarmee het bedrijf de miljoenenwinst heeft kunnen genereren die het nog steeds behaalt. Ik wil daarom in dit Parlement mijn protest laten horen en uitdrukking geven aan mijn verontwaardiging over dit bericht. Het is echt een schande en ik hoop dat wij allen de gelederen sluiten om bedrijven te veroordelen die de crisis als excuus gebruiken om mensen te ontslaan, ook al maken ze nog steeds grote winsten.
VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT Ondervoorzitter
De Voorzitter. − Voordat ik het woord geef aan de volgende spreker, kan ik tot mijn genoegen bekend maken dat de heer Ayman Nour, een Egyptische parlementariër die enkele jaren geleden om volgens de Europese Raad niet serieus te nemen redenen gevangen was gezet, vandaag is vrijgelaten. Hij is het onderwerp geweest van een groot aantal resoluties in het Europees Parlement en het doet mij daarom deugd te kunnen aankondigen dat hij is vrijgelaten.
Bernard Wojciechowski (IND/DEM). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, Polen stuurt afgevaardigden naar het Europees Parlement, maar de mogelijkheden om in eigen land te handelen, zijn beperkt. De Poolse regering geeft de leden van het Europees Parlement niet de wettelijk instrumenten om hun mandaat doeltreffend te kunnen uitoefenen. Het gaat hierbij om een aantal kwesties van wezenlijk belang, zoals de mogelijkheid om effectief invloed uit te oefenen op de bestuursorganen van de nationale en lokale overheden.
De afgevaardigden en senatoren van het nationale parlement hebben een reeks rechten: het recht om informatie te verkrijgen van staatsinstellingen, het recht om informatie op te vragen bij de administratieve organen van de nationale en lokale overheden en het recht op een wettelijke termijn van veertig dagen voor het geven van een antwoord. In Polen hecht bijna niemand belang aan de leden van het Europees Parlement, behalve de pers als die op zoek is naar goedkope sensatie. Via mijn website heb ik de kiezers geïnformeerd over het gebrek aan wettelijke mogelijkheden tot handelen waarover de leden van het Europees Parlement beschikken. De slordigheid waarvan de opeenvolgende groepen van wetgevers in Polen bij de wetgeving blijk geven, is in dit geval algemeen bekend. Ik ben van mening dat het Europees Parlement meer mogelijkheden moet eisen voor zijn vertegenwoordigers opdat zij in hun eigen land actie kunnen ondernemen.
Jim Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is verkeerd wanneer EU-fondsen verdeeld worden volgens het willekeurige principe “wie het eerst komt, eerst maalt”. Toch is dat precies wat we deze week in Noord-Ierland hebben gezien. De minister die besloot om EU-fondsen voor plattelandsontwikkeling op deze achteloze manier te verdelen, waardoor de mensonwaardige en bizarre situatie ontstond van landbouwers die twee dagen lang in de rij stonden om een beetje van hun eigen gemoduleerde geld terug te krijgen, is een minister die niet geschikt is om dit ambt te bekleden. Met haar beslissing vernederde ze in één klap hard werkende landbouwers en vertoonde ze een ongeziene onwetendheid van de basisvereisten voor de verdeling van EU-fondsen.
De bron van deze genante vertoning is de onverantwoorde weigering van de minister om voldoende middelen aan plattelandsontwikkeling toe te wijzen. De schamele 50 miljoen Britse pond die zij aan zwaartepunt 1 heeft toegewezen, waarvan slechts vijftien miljoen pond naar het moderniseringsfonds gaat, is de oorzaak van het schouwspel van afgelopen dinsdag.
Om nog een op ander punt terug te komen wil ik ter verdediging van de heer Wilson, de milieuminister in Noord-Ierland, zeggen dat ik blij ben dat hij niet voldoet aan het stereotiepe beeld dat onnadenkende klimaatveranderingshysterici in dit Parlement van hem hebben.
Colm Burke (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de recente opiniepeiling in de Irish Times van maandag toont aan dat de steun voor het Verdrag van Lissabon in Ierland toeneemt, nu 51 procent van de kiezers zegt dat zij ‘ja’ zouden stemmen, vooral gezien de kwetsbaarheid van de Ierse economie op dit moment. Dit is een stijging van acht procentpunten sinds de laatste opiniepeiling door de Irish Times in november van afgelopen jaar. Het aantal mensen dat ‘nee’ zou stemmen is ook gedaald, tot 33 procent.
Wat betreft onze huidige gespannen relatie met de Europese Unie moet er, bij gebrek aan leiderschap van de huidige regering, een poging worden ondernomen om iets te doen aan de achterliggende oorzaken van het ongenoegen van de Ierse kiezers over de EU. Er moet een zinvolle manier zijn om met de Ierse bevolking in contact te komen en begrip van en steun voor het Europese proces opnieuw op te bouwen. De falende communicatie kan worden hersteld door meer positieve informatie over de voordelen van het EU-lidmaatschap vrijelijk te laten circuleren.
Ik ben van mening dat het belangrijk is om de positieve rol van Europa te benadrukken binnen onze onderwijsstelsels. Dit zou niet alleen voor Ierland moeten gelden, maar voor alle lidstaten. Ik zou erop willen aandringen dat het falen van de communicatie zo snel mogelijk wordt aangepakt.
Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE). - (BG) Ik wil de aandacht vestigen op het probleem van het hernieuwde schisma in de Bulgaars-orthodoxe kerk. Dit schisma is ontstaan in een periode van sterke politisering van Bulgarije, in een tijd waarin de Bulgaars-orthodoxe kerk, net als veel andere instellingen, haar positie moest handhaven in het democratische gezicht van Bulgarije. Helaas leidde dit tot de zogenaamde Tweede Synode van de Bulgaars-orthodoxe kerk, ondanks de Bulgaarse godsdienstwet. Deze wet is zeer liberaal en bepaalt dat in Bulgarije elke godsdienst kan worden geregistreerd, zolang deze geen inhumane doelstellingen heeft. De zogenaamde Tweede Synode wil echter worden geregistreerd als 'de Heilige Synode van de Bulgaars-orthodoxe kerk'. De wet bepaalt dat de Bulgaars-orthodoxe kerk de traditionele kerk van Bulgarije is en dat deze is vrijgesteld van registratie. De verkiezing van de patriarch en de leden van de Heilige Synode valt niet onder wetgevende maatregelen. Ik roep iedereen die waarde hecht aan godsdienstvrijheid uitgaande van eenieders persoonlijke spirituele behoeften op om zich niet te laten beïnvloeden door de manipulatieve definities van de zogenaamde Tweede Synode. Deze synode kan niet worden geregistreerd en heeft geen rechtsgrond.
Toomas Savi (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de verkiezingen die afgelopen week plaatsvonden in Israël tonen aan dat de meerderheid van de burgers de partijen steunt die de versterking van het leger als de beste manier zien om het land te beschermen. Zelfs al behaalde de middenpartij, Kadima, het hoogste aantal stemmen, het feit dat de partijen op de rechtervleugel nu 65 zetels hebben in het Israëlische parlement, vergeleken met 50 zetels bij de vorige verkiezingen, laat zien dat de Israëlische burgers anders zijn gaan denken over het Israëlisch-Palestijns conflict. Deze rechtse partijen zijn voorstander van het vasthouden aan de harde lijn in plaats van te vertrouwen op schijnbaar eindeloze en ondoeltreffende vredesbesprekingen.
Het Midden-Oosten moet een van de hoogste prioriteiten zijn binnen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, en de stabiliteit van de gehele regio is grotendeels afhankelijk van de Israëlisch-Palestijnse betrekkingen. Om die reden is het absoluut van cruciaal belang dat de Europese Unie doorgaat zich in te spannen om vredesbesprekingen tot stand te brengen en om Israëliërs en Palestijnen opnieuw de hoop te geven dat vreedzame co-existentie mogelijk is.
Mirosław Mariusz Piotrowski (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, morgen brengt Vaclav Klaus, de president van de Tsjechische Republiek, een bezoek aan het Europees Parlement. Het schandaal dat zich in Praag heeft voorgedaan indachtig, hopen wij dat de president van de staat die het voorzitterschap van de Europese Unie uitoefent, waardig ontvangen en met passend respect behandeld zal worden. Er werden pogingen ondernomen om de gerechtvaardigde meningen die door president Klaus geformuleerd werden over het Verdrag van Lissabon te bedekken met verhitte discussies om te maskeren dat Duitsland wel eens de grootste bron van verzet zou kunnen zijn tegen de invoering van het Verdrag. Het besluit van het Constitutionele Hof te Karlsruhe zal hierin een sleutelrol spelen. Volgens de media heeft de helft van de leden van het Hof serieuze twijfels en zijn zij van mening dat het Verdrag de eigen grondwet zou kunnen schenden. Dit toont aan dat een dergelijke belangrijke beslissing niet overhaast genomen mag worden en de bezoekende president van de Tsjechische Republiek is niet de enige die dat opmerkt.
László Tőkés (Verts/ALE). – (RO) Na de Roemeense verkiezingen in het najaar en de vorming van een nieuwe regering hebben we in Roemenië, net als in Slowakije, de keiharde terugkeer beleefd van een politiek klimaat waarin anti-Hongaarse sentimenten worden aangewakkerd.
De demonstratie op 9 februari in Sfântu Gheorghe, die was georganiseerd door de Hongaarse kerken, was bedoeld als protest tegen die ophitsing. In de tijdens de demonstratie aangeboden petitie protesteerden duizenden bewoners van de regio Szeklerland tegen de verandering van de etnische verhoudingen door rechtstreekse vestiging in de regio van groepen Roemenen uit andere regio’s.
President Traian Băsescu heeft de Hongaren in de regio belachelijk genoeg beschuldigd van etnische zuivering. Tegelijkertijd zaaiden de folders van de democraten gedurende de gemeentelijke verkiezingen in Cluj haat tegen de Hongaarse kandidaten met dezelfde laster. Wie beschuldigt hier nu wie, na tientallen jaren discriminatie en onthouding van rechten?
Ik wil de aandacht van het Parlement vestigen op het feit dat in Roemenië met subtiele methoden zelfs nu nog een proces van homogenisering en romanisering van Transsylvanië in stand wordt gehouden door middel van kunstmatige wijziging van de etnische verhoudingen.
Gerard Batten (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, op 12 februari 2009 werd het Nederlandse parlementslid Geert Wilders de toegang tot het Verenigd Koninkrijk ontzegd op bevel van de Britse minister van Binnenlandse Zaken. Nooit eerder werd een democratisch verkozen politicus als vertegenwoordiger van een democratische partij uit een democratisch Europees land de toegang tot het land geweigerd.
Het komt nogal vreemd over dat de Britse regering wel de rechtsmiddelen weet te vinden om de heer Wilders te weren, maar tegelijkertijd machteloos staat als het erom gaat te voorkomen dat allerlei terroristen, politieke en religieuze extremisten, gangsters, criminelen, verkrachters en pedofielen vanuit de Europese Unie, en zelfs van daarbuiten, het land binnenkomen.
Wellicht heeft de weigering om de heer Wilders toe te laten iets te maken met het vermeende dreigement van een lid van het Britse Hogerhuis, Lord Ahmed, dat als de heer Wilders naar het Hogerhuis zou komen, 10 000 islamitische demonstranten zich buiten zouden verzamelen. De weigering om de heer Wilders toe te laten was een verzoenend gebaar jegens een middeleeuwse ideologie, en het lijkt erop dat er nog altijd geen grensoverschrijdend vrij verkeer van ideeën binnen de Europese Unie mogelijk is.
Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, met betrekking tot het Verdrag van Lissabon heeft mijn collega gesproken over de toenemende steun onder de Ierse bevolking voor het verdrag. Ik wil er echter wel op wijzen dat één zwaluw nog geen zomer maakt. We moeten dit zien tegen de achtergrond van een onlangs gehouden Eurobarometer-enquête, die aantoont dat de steun voor het Ierse lidmaatschap van de EU met tien procentpunten is gedaald van 77 procent in de lente van 2006 tot 67 procent in de herfst van 2008. Ja, er moet inderdaad het een en ander gedaan worden om de Ierse kiezers te overtuigen van de voordelen van de Europese Unie.
Daarom luister ik met enige bezorgdheid naar degenen die de datum voor een tweede referendum in Ierland willen vervroegen. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn, dat we voldoende tijd moeten hebben om de onderwerpen waar Ierse kiezers zich zorgen over maken te verduidelijken en dat we tijd moeten inruimen om een uitputtend en publiek debat over deze onderwerpen te voeren, zodat de kiezers te zijner tijd op het juiste moment hun mening kunnen geven.
Vasilica Viorica Dăncilă (PSE). – (RO) De huidige economische en financiële crisis is een belangrijke test voor Europa, dat nu meer dan ooit eenheid moet tonen bij het treffen van maatregelen die het herstel van de economie op de kortst mogelijke termijn mogelijk maken.
De begrotingen van de lidstaten staan door deze uitdagingen onder grote druk. Daarom moeten de beste instrumenten en maatregelen worden gevonden om te voorkomen dat zij de door de Commissie aan het begrotingstekort gestelde grenzen ruim overschrijden en dat sommige lidstaten protectionistische maatregelen nemen of maatregelen die particuliere bedrijven bevoordelen.
Zulke besluiten moeten de goedkeuringsprocedure snel doorlopen om te voorkomen dat de crisis onnodig lang duurt en vooral om het mogelijk te maken het vertrouwen in de financiële markten te herstellen. Gezien de naderende verkiezingen voor het Europees Parlement dient ook vanuit politiek oogpunt te worden vermeden dat de crisis te lang duurt.
Eén mogelijke oplossing voor de financiering van overheidsbestedingen is de uitgifte van euro-obligaties. We moeten daarbij echter het risico meewegen dat we ons met de genomen maatregelen tot onze nek in de schulden steken en niet meer kunnen vermijden dat een situatie ontstaat waarin we toekomstige generaties opzadelen met de aflossing van die schulden.
Ignasi Guardans Cambó (ALDE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, anderhalf jaar geleden hebben we de richtlijn audiovisuele mediadiensten aangenomen. Het beginsel van het land van oorsprong stond centraal in deze tekst en werd door ons cruciaal geacht voor het waarborgen van het vrij verkeer van audiovisuele informatie binnen de Europese Unie.
In mijn land, Spanje, kan de richtlijn echter niet worden toegepast, omdat het om een interne aangelegenheid van een lidstaat gaat. De regio Valencia legt precies het tegenovergestelde beginsel op en dwingt om politieke redenen de sluiting van relaisstations af die haar burgers tot dusver in staat hebben gesteld openbare televisiesignalen uit Catalonië te ontvangen.
Met andere woorden er is een volledig vrij verkeer van audiovisuele informatie tussen de lidstaten van de Europese Unie, maar tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat er in Spanje overheden bestaan die bang zijn voor deze zo essentiële culturele vrijheid. Het is van cruciaal belang dat deze vrijheid in heel Europa geldt, maar binnen Spanje worden bepaalde delen van de bevolking belet televisieprogramma’s te ontvangen die door anderen worden uitgezonden. Op deze ongerijmdheid wilde ik uw aandacht vestigen.
Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN). – (PL) (microfoon was aanvankelijk niet ingeschakeld) tragische perioden in de geschiedenis van de mensheid. In deze periode vonden enkele tientallen miljoenen mensen de dood. Veel van deze slachtoffers werden van het leven beroofd in een van de meer dan twaalfduizend Duitse vernietigings- en concentratiekampen op het grondgebied van het Derde Rijk en van de bezette landen. Vandaag wordt gepoogd de waarheid over deze tragische jaren te verdraaien en beweerd dat dit Poolse of Letse kampen waren en geen Duitse. De Duitse pers neemt hierin het voortouw. Laatst schreef Die Welt dat Majdanek een Pools concentratiekamp was.
In verband hiermee heb ik een ontwerpresolutie voorbereid, die erop gericht is om de naamgeving van de concentratiekampen te standaardiseren door aan hun namen de woorden “Duits” of “nazi-” concentratiekamp toe te voegen. De fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten heeft mijn initiatief overgenomen, maar helaas heb ik vernomen dat het tegengehouden werd door de Conferentie van voorzitters.
Dames en heren, de Europese Unie kan enkel dan standhouden en zich verder ontwikkelen als zij zich laat leiden door historische waarheid en respect voor de mensenrechten. Daarom richt ik mij tot mijn collega’s met het verzoek om het initiatief van de UEN te steunen, zodat niemand ooit nog de geschiedenis verdraait en van slachtoffers beulen en van beulen slachtoffers maakt.
Nicolae Vlad Popa (PPE-DE). – (RO) Aangezien enkele van mijn Hongaarse collega’s zich onlangs hebben beklaagd over de schending van hun rechten in Roemenië, wil ik graag een paar feiten noemen.
De naderende verkiezingscampagne mag geen aanleiding zijn om een rechtsstaat aan te vallen en te beledigen waarvan de wetgeving een model is op het gebied van interetnische betrekkingen. De eerbiediging van de rechten van minderheden is gewaarborgd met de Roemeense grondwet.
De burgers van Hongaarse afkomst zijn evenredig vertegenwoordigd in de lokale bestuursstructuren. Zo tellen de partijen van de Hongaarse minderheid 195 burgemeesters en 4 voorzitters van districtsraden, 2 684 gemeenteraadsleden en 108 districtsraadsleden. Doordat zij in deze gemeente- en districtsraden de meerderheid hebben, beheren zij de lokale begrotingen naar hun goeddunken. Dat is wat lokale autonomie betekent.
Op parlementair niveau heeft de Hongaarse minderheid 3 leden in het Europees Parlement, 22 leden en 9 senatoren in het nationale parlement en neemt zij sinds 12 jaar deel aan de regering van Roemenië. De klachten die we hebben gehoord zijn klinkklare verkiezingsretoriek.
Luis Yañez-Barnuevo García (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, het referendum in Venezuela is op een overwinning voor de ‘ja’-campagne uitgelopen en de democratische oppositie heeft daar op sportieve wijze kennis van genomen.
Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat er geen sprake was van gelijke kansen tijdens de campagne en dat de regeringspartij de overweldigende ondersteuning had van het hele staatsapparaat, terwijl de oppositie voortdurend getreiterd en onderdrukt werd.
Zelfs onder deze omstandigheden is het land praktisch in twee kampen verdeeld en het zal zeer moeilijk zijn om een toekomst met slechts een van deze groepen op te bouwen. In het belang van dit land dient de Europese Unie dialoog, inclusie en consensus tussen de politieke en sociale leiders van Venezuela te bevorderen.
Impulsieve uitlatingen, veroordelingen en beledigingen zijn niet de juiste manier om Venezuela te helpen een democratisch, pluralistisch en vrij pad te bewandelen.
Daarom uiten we kritiek op het besluit van de Venezolaanse regering om een Spaans lid van het Europees Parlement het land uit te zetten, en vooral op de manier waarop dit is gebeurd. We dringen er echter bij dit Parlement op aan te voorkomen dat onze afgevaardigden tijdens bezoeken aan derde landen verklaringen afleggen die tegen bestaande plaatselijke wetgeving indruisen, met name verklaringen die een belediging vormen voor staatshoofden, ongeacht de vraag of de geuite kritiek wellicht terecht is. Dergelijk gedrag brengt toekomstige missies van het Europees Parlement naar andere landen in gevaar.
Marian Harkin (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het hebben over de kwestie van transparante en accurate etikettering van voedingsmiddelen, met name in verband met vlees van gevogelte en varkensvlees.
Op dit moment kan vlees in een substantieel getransformeerde vorm, dat wil zeggen omhuld in broodkruimels of een ander beslag, van buiten de EU naar de EU vervoerd en vervolgens geëtiketteerd en verkocht worden als EU-product. Dit slaat nergens op en de etikettering dient in dit geval alleen om de consument te misleiden. We hebben behoefte aan etikettering die het land van herkomst vermeldt, zodat consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken.
Verder bestaan er praktijken waarbij varkensvlees en vlees van gevogelte eerst wordt ingevroren en vervolgens wordt ontdooid, geëtiketteerd en als vers verkocht. Dit is niet alleen een voorbeeld van onjuiste etikettering, maar tevens potentieel gevaarlijk voor de menselijke gezondheid.
Ik wijs erop dat de Britse milieuminister, Hilary Benn, en de milieuwoordvoerder van de Britse oppositie voor een meer duidelijke etikettering hebben gepleit. Ik ben ervan overtuigd dat dit door velen in de gehele EU wordt gesteund, aangezien niemand consumenten om de tuin wil leiden. Ik zou er bij de Commissie op willen aandringen deze kwestie met voorrang in behandeling te nemen.
Hanna Foltyn-Kubicka (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, vandaag heeft de fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten tijdens een vergadering unaniem een resolutie aangenomen waarin wordt opgeroepen om 25 mei uit te roepen tot de Dag van de helden van de strijd tegen het totalitarisme. Binnenkort zal de tekst van deze resolutie verstuurd worden naar vertegenwoordigers van de hoogste organen van de EU, waaronder ook de heer Pöttering. De keuze voor de datum van 25 mei is niet toevallig – dat is de dag waarop de Sovjetoverheid in 1948 ritmeester Witold Pilecki heeft vermoord, de Poolse soldaat die vrijwillig naar het vernietigingskamp in Auschwitz ging om daar een verzetsbeweging op te starten. Later ontsnapte hij en vocht tot het einde van de oorlog tegen de nazi’s. Nadat het Sovjetleger Polen was binnengetrokken, ging hij een ondergrondse strijd aan tegen de opeenvolgende bezetters. Pilecki was slechts één van de vele Europeanen die hun leven hebben verloren in de strijd tegen brutale, totalitaire systemen. Velen van hen zijn onbekend gebleven, maar hun moed en toewijding zijn het waard om herinnerd te worden. Daarom verzoek ik u, mijnheer de Voorzitter, om het initiatief van onze fractie te ondersteunen.
Alexandru Nazare (PPE-DE) . – (RO) De recente geschiedenis van de Europese Unie is een succesverhaal wat betreft de bescherming van de rechten van minderheden. Dit geldt ook voor de Hongaarse minderheid in Roemenië. Deze minderheid geniet diverse rechten, waaronder het bekleden van bestuursfuncties, en deze rechten worden voortdurend onderschreven door de Roemeense president Traian Băsescu.
Op andere gebieden hebben we echter nog veel te doen en daarom wil ik nu spreken over het probleem van de Roma-gemeenschap. Dit is een test voor het vermogen van de Europese Unie om groepen met een hoog risico op uitsluiting te integreren.
De zaak van de Roemeense handballer Marian Cozma, die met bruut geweld vermoord werd door twee leden van de Hongaarse Roma-gemeenschap, toont weer eens aan dat misdaad geen grenzen kent en dat ontkenning van de problemen van deze gemeenschap contraproductief is.
De situatie van deze minderheid, die intrinsiek transnationaal is en een groot gevaar loopt uitgesloten te worden, kan slechts worden verbeterd met een gemeenschappelijk Europees beleid. Daarom heb ik samen met mijn collega Rareş Niculescu een resolutie ingediend voor de oprichting van een Europees agentschap voor Roma. De EU heeft wel een strategie voor de Roma-minderheid maar geen agentschap om die strategie samenhangend en doeltreffend ten uitvoer te leggen.
Wil de EU een relevante factor op het internationale toneel blijven met behoud van de interne cohesie, dan zal zij in staat moeten zijn een pan-Europese omgeving van verdraagzaamheid te scheppen.
Vicente Miguel Garcés Ramón (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik ben net teruggekomen uit Venezuela, waar ik op uitnodiging van de verkiezingsorganen van het land heb deelgenomen aan een internationale verkiezingssteungroep voor het referendum van 15 februari.
De Europese leden van de groep hebben een verslag bij de nationale verkiezingsraad ingediend met een over het algemeen positieve beoordeling van het proces wat betreft organisatie, transparantie, participatie, kiesvrijheid, geheimhouding en veiligheid in alle verkiezingsfases.
Met betrekking tot de verklaringen die de heer Herrero op de Venezolaanse televisie heeft afgelegd, kan ik u mededelen dat deze ertoe dienden de legitimiteit van het verkiezingsproces in twijfel te trekken. Bovendien bevatten zij zware beschuldigingen aan het adres van de democratische instellingen van dat land en grensden zij aan inmenging in de interne politiek van een soeverein land.
Het Parlement dient een confrontatie met de democratische instellingen in Venezuela op geen enkele wijze aan te moedigen. Het is echter aan de heer Herrero zelf om uitleg aan het Parlement te geven over een actie die ons allen betreft.
Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE) . – (RO) Ik verwerp de beschuldigingen die door mijn collega’s Csaba Sógor en László Tőkés tegen Roemenië zijn geuit.
Roemenië is een lidstaat van de Europese Unie, de NAVO, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en eerbiedigt, overeenkomstig de Europese normen, de mensenrechten en de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren. Roemenië houdt zich aan de letter en de geest van alle relevante internationale verdragen op dit gebied.
De Hongaarse taal wordt volgens de wet gebruikt voor bestuurlijke zaken in elke gemeente en elk district waar de leden van de Hongaarse minderheid meer dan 20 procent van de bevolking uitmaken. Dit is niet alleen de wettelijke maar ook de feitelijke situatie. Roemenië biedt Hongaren uitgebreide onderwijsmogelijkheden in hun moedertaal op kleuter- en basisscholen, op middelbare scholen, in het beroepsonderwijs en aan de universiteiten, tot en met het master- en doctoraatniveau. In gebieden waar etnische Hongaren en Roemenen naast elkaar leven, wordt de regel nageleefd dat scholen afdelingen inrichten waar de onderwijstaal Hongaars is voor alle kinderen van Hongaarse afkomst. Voor het geval zij dat misschien ook vergeten zijn: de Babeş-Bolyai-universiteit in Cluj-Napoca heeft drie afdelingen die onderwijs aanbieden in respectievelijk het Roemeens, het Hongaars en het Duits. Ook kent de instelling een bloeiende ontwikkeling op het gebied van Joodse studies en speciale plaatsen voor Roma.
Csaba Sándor Tabajdi (PSE). – (HU) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de persdienst van het Europees Parlement, die verantwoordelijk is voor de officiële homepage van het Europees Parlement, prijzen voor de aandacht die zij besteed aan meertaligheid en voor het feit dat zij plaatsnamen op elke webpagina in de nationale taal weergeven. Hierdoor kunnen de EU-burgers in hun eigen moedertaal informatie krijgen over de andere zesentwintig landen. Op de Tsjechische pagina over Duitsland wordt Köln Kolín genoemd, terwijl op de Franse pagina Cologne staat. Op de Slowaakse pagina's over Hongarije staan de plaatsnamen vermeld in het Slowaaks, en terecht. Het zou net zo natuurlijk zijn voor Hongaren die in Slowakije wonen, om het dorp of de stad waar zij geboren zijn, in hun moedertaal, het Hongaars, te benoemen.
Daarom verwelkom ik het feit dat in de wetgeving op het openbaar onderwijs die het Slowaakse parlement heeft aangenomen, wordt bepaald dat in schoolboeken die in minderheidstalen zijn geschreven, aardrijkskundige namen in de betreffende minderheidstaal worden weergegeven. Op die manier kan, als de wet ten uitvoer wordt gelegd, de oude situatie worden hersteld en kunnen de Hongaren weer Hongaarse plaatsnamen gebruiken.
James Nicholson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u wijzen op de situatie die gisterenochtend in mijn kiesdistrict ontstond, toen landbouwers gedwongen waren om bij overheidsgebouwen in de rij te gaan staan, in sommige gevallen zelfs gedurende twee nachten, om zich aan te melden voor een EU-steunregeling voor de modernisering van landbouwbedrijven.
Onze regionale landbouwminister heeft besloten om deze subsidies toe te wijzen volgens het principe “wie het eerst komt, eerst maalt”. Dit kan slechts worden omschreven als een inadequate manier om de toewijzing van EU-middelen voor plattelandsontwikkeling te organiseren. Ik heb daarom tot mijn genoegen vernomen dat een ambtenaar van de Commissie gisteren de geldigheid van deze toewijzingsprocedure in twijfel trok.
We realiseren ons dat niet iedere landbouwer van dit specifieke steunpakket kan profiteren. Echter, naar mijn mening laat deze situatie duidelijk zien dat de landbouwsector in het slop zit, in elk geval in mijn regio, als landbouwers dagenlang buiten in de rij moeten staan, tijdens de wintermaanden, in een poging om bescheiden sommen EU-steun te bemachtigen.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) De uitvoering van het energie- en klimaatpakket veronderstelt belangrijke investeringen in maatregelen tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
Gebouwen zijn verantwoordelijk voor 40 procent van het verbruik van primaire energie. Verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen helpt het primaire energieverbruik en de uitstoot van koolstofdioxide te verminderen.
Volgend jaar, halverwege de periode 2007-2013, gaat de Commissie samen met de lidstaten de operationele programma’s en de bestedingsgraad van structuurfondsen evalueren. Ik roep de lidstaten op de methode voor het gebruik van structuurfondsen te herzien en voor de periode 2010-2013 prioriteit te geven aan energie-efficiënte gebouwen en stedelijke mobiliteit.
Ik verzoek de Europese Commissie en de lidstaten het bedrag dat vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling aan elke lidstaat wordt toegekend voor kosten in verband met bevordering van energie-efficiëntie in gebouwen en het gebruik van hernieuwbare energie te verhogen van 3 naar 15 procent. Deze verhoging zal de lidstaten meer flexibiliteit opleveren bij het gebruik van de structuurfondsen en daardoor de besteding ervan versnellen, vooral in de huidige economische crisis.
Ryszard Czarnecki (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, met groot verdriet en grote woede wens ik u mede te delen dat onlangs in Pakistan een van onze landgenoten, een Poolse ingenieur, om het leven is gekomen. Dit is de zoveelste burger van een lidstaat van de Europese Unie die in deze regio om het leven komt; weer een overlijden dat aantoont dat er een wereld bestaat van antiwaarden, een wereld van mensen die niet erkennen wat in andere culturen heilig is, namelijk het leven van een mens.
Ik denk dat deze dramatische en overigens herhaaldelijk voorvallende gebeurtenis voor ons een volgend belangrijk signaal en een impuls moet zijn om ons te verenigen in de strijd tegen de wereld van antiwaarden, maar ook in de politieke strijd en in het kader van – en dat dient zonder omhaal gezegd te worden – een gemeenschappelijk front tegen terrorisme. Ik denk dat de politici van de Europese Unie die van mening zijn dat terrorisme bestreden kan worden zonder geweld, zich vergissen.
Oldřich Vlasák (PPE-DE). – (CS) De toenemende economische crisis treft alle staten van de Europese Unie. De groeiende werkloosheid is echter in geen geval reden om de basisprincipes van de gemeenschappelijke markt te verstoren. Ik wil vanaf deze plaats graag mijn protest kenbaar maken tegen de uitlatingen van de Franse president Sarkozy, die er bij het Franse merk Peugeot op heeft aangedrongen de fabriek in het Tsjechische Kolín terug te verhuizen naar Frankrijk. Dit soort uitspraken van politici die tijdens de crisis bedrijven willen beperken en beschermen, zijn niet te rechtvaardigen. Pogingen tot protectionisme en het afsluiten van landen tegen de buitenwereld zijn ongewenst en ondermijnen de betekenis van de Europese Unie.
Richard Fisher, de president van de Federale Reservebank (FRB) in Dallas, zei:
“Protectionisme werkt als een dosis cocaïne voor de economie. Het geeft een kick, maar is verslavend en leidt tot de economische dood.” Laten we daar stil bij staan; laten we de populistische druk weerstaan en in confrontatie met de crisis ons verstand niet verliezen. Laten we ons houden aan de prioriteiten van het Tsjechische voorzitterschap en het idee propageren van een open Europa zonder barrières.
Iuliu Winkler (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in Roemenië werd na de verkiezingen in november van afgelopen jaar een grote coalitieregering gevormd die kan rekenen op een steun van 73 procent in beide kamers van het Roemeense parlement.
Een van de eerste maatregelen die door deze coalitie werd genomen, betrof de uitwerking van een plan om de hoogste functies in de Roemeense overheid en overheidsinstellingen onder de coalitieleden te verdelen.
Dit is om twee redenen een onacceptabele situatie. Ten eerste wordt door deze maatregel opnieuw partijpolitiek in de overheid geïntroduceerd, wat in strijd is met de wet op het ambtenarenstatuut. Ten tweede heeft de maatregel ook een antiminderheidsaspect in de regio’s waar de Hongaarse bevolking een grote meerderheid vormt, aangezien ambtenaren met een Hongaarse achtergrond worden vervangen door etnische Roemenen. Op 8 februari vond in Sfântu Gheorghe/Sepsiszentgyörgy een openbare bijeenkomst plaats, waar meer dan 3 000 mensen protesteerden tegen de politieke spelletjes van de Roemeense partijen en opriepen tot het respecteren van de rechten van de Hongaarse gemeenschappen.
Nicodim Bulzesc (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met betrekking tot het verslag over de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, wil ik de nadruk leggen op het recht van patiënten om te worden geïnformeerd over de beschikbare medicatie- en behandelopties. Europese patiënten moeten toegang hebben tot gezondheidsinformatie van hoge kwaliteit over de nieuwste medicatie die beschikbaar is, de behandelopties in eigen land en in het buitenland, de juridische en financiële gevolgen van een behandeling in het buitenland, de vergoeding van de behandelingskosten en veel andere onderwerpen. Momenteel hebben we dergelijke kwalitatief goede informatie niet. We hebben misschien wel wat nationale initiatieven, maar niets dat op Europees niveau effectief zou kunnen zijn.
De problemen waarvoor we worden gesteld, zijn Europees. Ik steun daarom het idee om een Europees netwerk voor gezondheidsgeletterdheid op te zetten. Zo'n netwerk zou kunnen bestaan uit patiëntenorganisaties uit alle lidstaten en zou nauw moeten samenwerken met de gezondheidssector en de beleidsmakers. In de hoop de Commissie bewust te maken van de noodzaak de 150 miljoen Europese patiënten beter te informeren, heb ik het initiatief genomen tot een schriftelijke verklaring over gezondheidsgeletterdheid. We zijn allemaal ooit patiënt geweest en we weten nooit wanneer we dat weer zullen zijn.
Maria Petre (PPE-DE). – (RO) Vandaag en morgen zult u in ons gebouw enkele jonge studenten uit de Republiek Moldavië aantreffen. Zij zijn naar het Europees Parlement gekomen omdat zij in hun eigen land niet vrijuit kunnen spreken; als zij dat toch doen kunnen zij represailles verwachten.
Alle verslagen van de Europese Commissie, onze hoorzittingen in de Subcommissie mensenrechten en de rapporten van maatschappelijke organisaties in Moldavië wijzen erop dat met grote regelmaat inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van meningsuiting en dat de massamedia niet onafhankelijk kunnen functioneren. Tientallen jongeren die hun mening uitten op internetfora zijn in 2008 het doelwit van onderzoek geweest en bedreigd met strafrechtelijke vervolging.
Toont u alstublieft belangstelling voor hen, nodig hen uit in uw kantoor, luister naar hen en onderteken de schriftelijke verklaring nr. 13/2009, die is opgesteld om vrijheid van meningsuiting te geven aan henzelf, aan deze generatie uit de oostelijke grensstreek van ons verenigde Europa.
Avril Doyle (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, volgens Richtlijn 2000/84/EG gaat de zomertijd in op de laatste zondag van maart en eindigt hij op de laatste zondag van oktober. Ik wil voorstellen deze periode uit te breiden zodat maximaal wordt geprofiteerd van veel economische, veiligheids- en milieuvoordelen die verbonden zijn aan de zomertijd.
In 2005 hebben de Verenigde Staten een programma uitgevoerd om de zomertijd met vier weken te verlengen: drie weken extra in het voorjaar en een week extra in de herfst. Er zijn al duidelijke aanwijzingen dat dit heeft geholpen om zowel het energieverbruik als de uitstoot van koolstofdioxide te verlagen. In een rapport van het Amerikaanse ministerie van Energie wordt zelfs gesteld dat de uitbreiding van de zomertijd met vier weken voldoende elektriciteit bespaart om per jaar circa honderdduizend huizen van stroom te voorzien. Evenzo wijst een recent onderzoek van de Universiteit van Cambridge erop dat verlenging van de zomertijd zou leiden tot een daling van zowel het energieverbruik als de uitstoot van koolstofdioxide, omdat elke dag van 4 uur ’s middags tot 9 uur ’s avonds, de uren waarin de vraag het grootst is, veel van de duurdere en koolstofdioxide uitstotende reservecentrales ingeschakeld zijn.
Als rapporteur voor de herziening van het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU, dat de hoeksteen vormt van het EU-klimaat- en energiepakket dat vorig jaar december in dit Parlement is goedgekeurd, verzoek ik u dit voorstel te overwegen als een bijdrage om de 2 °C-doelstelling te halen. Ik wil dus graag een herziening van de richtlijn betreffende de zomertijd.
Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, er is vandaag telkens weer gesproken over het Verdrag van Lissabon. Men zou in dit Parlement toch op zijn minst mogen verwachten dat er onderscheid wordt gemaakt tussen tegenstanders van het Verdrag van Lissabon en tegenstanders van de EU. Het is ook wenselijk dat de Ieren – als ze nog een keer zouden moeten stemmen – een eerlijke kans krijgen en dat de huidige regels worden gehandhaafd zodat ‘ja’ en ‘nee’ een gelijke kans hebben om door het publiek te worden gekozen. Als aan deze regels zou worden getornd, zou men dan nog kunnen spreken van een zege van de democratie– of van wat anders?
Ten tweede merk ik op dat er met het oog op de naderende verkiezingen meer en meer aan zelfverheerlijking wordt gedaan. Ik zou graag willen dat er onderzocht werd hoe dit Parlement de afgelopen jaren concreet is omgegaan met de problemen van de wereldwijde financiële crisis en wie op welke wijze gestemd heeft. Dan zal namelijk duidelijk worden dat de meesten van degenen die nu als brandweer optreden, voor het overgrote deel zelf de brandstichters waren.
Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT) In januari jongsleden kwam de Europese Commissie met een pakket voorstellen over de financiering van projecten voor energie- en breedbandnetwerken die zijn opgenomen in het Europees economisch herstelplan. Voorgesteld wordt om aan deze projecten 5 miljard euro toe te wijzen en daarvoor 3,5 miljard euro van de landbouwbegroting van 2008 te gebruiken. Vorige week werd dit Commissievoorstel echter door zes lidstaten tegengehouden. Het schijnt dat dit precies de landen zijn die bij de totstandkoming van de huidige financiële vooruitzichten om een verlaging van de bijdragen aan de EU-begroting tot 1 % van het BBP hadden gevraagd. We grijpen terug naar nationalisme en protectionisme, nadat die vijftig jaar lang, sinds de oprichting van de Gemeenschap, consequent waren verworpen. Collega's, alleen solidariteit tussen de lidstaten kan ons helpen de uitdagingen van de financiële en economische crisis het hoofd te bieden en de toekomst van de EU veilig te stellen.
De Voorzitter. − Hiermee is dit onderdeel van de agenda beëindigd.
22. Evaluatie van het Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (debat)
De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0037/2009) van Konrad Szymański, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de kritische evaluatie van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument [2008/2236(INI)].
Konrad Szymański, rapporteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik had mij ook heel graag tot een vertegenwoordiger van de Raad gericht, maar de Raad heeft niet beslist om iemand naar dit debat te sturen. Ik vind dit jammer en bovendien vind ik dit een slechte gewoonte. Tevens ben ik van mening dat de Voorzitter op deze situatie moet reageren.
Terugkomend op de kwestie van het nabuurschap moeten we toegeven en er ons van bewust zijn dat de buurlanden van de Europese Unie heel dynamisch aan het veranderen zijn. Daarom hebben we wijzigingen van het nabuurschapsbeleid nodig. De Unie voor het Middellandse-Zeegebied is ons antwoord op de behoeften van het zuiden en de Synergie voor het Zwarte Zeegebied beantwoordt de uitdaging die versterkt werd door de laatste uitbreiding van de Europese Unie. Het oostelijk partnerschap is het tijdige antwoord op de verwachtingen van onze oostelijke Europese buren.
Om de doelstellingen te bereiken die wij in de voorbije jaren voor het nabuurschapsbeleid vastgesteld hebben, moeten de burgers van de buurlanden een echte politieke en economische toenadering tot de EU voelen. Vandaar dat er zoveel belang wordt gehecht aan het oprichten van een grote vrijhandelszone en aan snel optreden met betrekking tot de verlaging van visumkosten, met als ultieme doelstelling het vooruitzicht van vrijstelling van visumplicht voor een aanzienlijk deel van deze landen. De opneming van het energiebeleid in de belangrijkste doelstellingen van het nabuurschapsbeleid moet ons gemeenschappelijk doel en wederzijds belang zijn. Hieronder valt ook het investeren van ons geld in de modernisering van onafhankelijke energiedistributienetwerken, in het bijzonder in het oosten en het zuiden. Enkel op die manier kunnen we politieke toenadering tot Oekraïne, Georgië, Moldavië, Armenië en tenslotte ook Azerbeidzjan bereiken en – om het correcte evenwicht te behouden – in de toekomst ook met de vijf Centraal-Aziatische republieken.
Wanneer we het hebben over de oostelijke dimensie van het nabuurschap stoten we onvermijdelijk op het probleem van Rusland en ons partnerschap met dat land. Vandaag, aan de vooravond van de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst, kunnen we slechts één ding zeggen: Rusland is een uitdaging voor de veiligheid in ons gemeenschappelijke nabuurschap. Het is erg moeilijk om Rusland op dit vlak als een partner te zien. Hiermee komen we bij het fundamentele politieke probleem van de uitbreiding van de EU naar het oosten. Het nabuurschapsproces kan natuurlijk niet in de plaats komen van toetreding, maar het kan in het geval van Europese landen ook niet los worden gezien van het uitzicht op lidmaatschap. Zonder dit perspectief worden onze inspanningen aanzienlijk verzwakt.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn dank uit te spreken aan alle coördinatoren van de fracties in de Commissie buitenlandse zaken, aan de corapporteurs en het secretariaat van de Commissie buitenlandse zaken, zonder wiens hulp het onmogelijk zou geweest zijn om een verslag op te stellen dat vandaag al op veel steun kan rekenen, getuige het feit dat er slechts een heel beperkt aantal amendementen is ingediend in de plenaire vergadering. Dit zal de stemming van morgen aanzienlijk eenvoudiger maken.
Benita Ferrero-Waldner, Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, twee en een half jaar geleden hebben het Parlement en de Raad het voorstel van de Commissie voor een vereenvoudiging van de externe financiële instrumenten goedgekeurd. We hebben veel instrumenten gestroomlijnd. Een daarvan was het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI). Dit is een uiterst belangrijk instrument, want het maakt onze externe samenwerking sterker, meer ‘beleidsgestuurd’, en het maakt onze financiering ter ondersteuning van belangrijke sectoren doelgerichter.
Het doet mij groot genoegen de opmerkingen van de heer Szymański te lezen en te zien dat hij van mening is dat de verordening houdende algemene bepalingen tot invoering van een nabuurschaps- en partnerschapsinstrument een degelijk en bruikbaar hulpmiddel is voor de samenwerking met onze buurlanden. De voorlopige bevindingen van onze evaluatie wijzen in precies dezelfde richting.
De landenprogramma's van het ENPI ondersteunen de tenuitvoerlegging van de actieplannen van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en weerspiegelen de ambitie van de EU en de partnerlanden. Ze zijn als het ware lopende banden voor de politieke en economische hervormingen die we door het ENPI proberen aan te moedigen. Instrumenten zoals partnerschapsprogramma's en het Bureau voor de uitwisseling van informatie over technische bijstand (TAIEX) geven bovendien steun voor institutionele opbouw en aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften. Operaties voor sectorale steun en begrotingssteun worden gebruikt om de overeengekomen hervormingsagenda te bevorderen. De verschillende regionale benaderingen en dimensies van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument worden ondersteund door specifieke regionale programma's. Er is een meerlandenprogramma opgesteld, in het bijzonder om heel zichtbare initiatieven ten uitvoer te leggen die gemeenschappelijk zijn voor alle buurlanden, zoals Tempus, Erasmus, Mundus of Ciudad. Er is met succes een begin gemaakt met de innovatieve component van grensoverschrijdende samenwerking.
Dit alles laat duidelijk zien dat het akkoord uit 2006 over de ENPI-verordening ons een gereedschap in handen heeft gegeven waarmee we tastbare resultaten kunnen boeken en presenteren. Er is altijd ruimte voor verbetering en ik ben altijd dankbaar voor suggesties.
Het verslag onderstreept op de eerste plaats de noodzaak om de procedures voor raadpleging van het maatschappelijk middenveld en de lokale autoriteiten verder uit te bouwen. Daar zijn we momenteel al mee bezig.
Op de tweede plaats heb ik kennis genomen van uw verzoek om nog ambitieuzer optreden op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de rechten van de mens. Zoals u weet, staan deze onderwerpen al voorop in onze samenwerking met de partnerlanden, en staan politieke hervormingen en goed bestuur centraal in het Europees nabuurschapsbeleid. We hebben ook gerichte projecten om de rechterlijke macht te versterken.
Maar laten we wel eerlijk zijn, onze partners staan voor grote structurele uitdagingen en we kunnen dus niet verwachten dat de dingen van de ene dag op de andere zullen veranderen. Zoals Lord Patten ooit zei: ‘Democratie is geen instantkoffie.’ Ik denk dat dit waar is.
Op de derde plaats zie ik dat het verslag vraagt om meer middelen. Meer middelen zouden natuurlijk onze invloed vergroten; dat is waar. In de eerste twee jaar moesten we meerdere keren terug naar de begrotingsautoriteit met het verzoek om extra middelen, bijvoorbeeld voor Palestina en Georgië. We hebben daarom voorgesteld om gebruik te maken van nieuwe middelen voor een ambitieus oostelijk partnerschap, dat we binnenkort in het Parlement zullen bespreken.
Ik wil tot slot zeggen dat ik met groot genoegen constateer dat in het verslag het recente voorstel van de Commissie over het oostelijk partnerschap wordt toegejuicht. Dat partnerschap heeft volgens ons een zeer belangrijke multilaterale dimensie, samen met de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en het gebied van de Zwarte Zee. Ik hoop dat ik in de toekomst op uw steun en begrip mag blijven rekenen.
Danutė Budreikaitė, rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. − (LT) Het Europees nabuurschapsinstrument (ENPI) werd in het leven geroepen in 2004, na de uitbreiding van de EU. Van de zeventien landen die onder de werkingssfeer van het ENPI vallen, worden er vijftien als ontwikkelingslanden aangemerkt. Het instrument omvat onder meer de nieuwe oosterburen van de EU Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Belarus.
De veiligheid van onze oosterburen, met name als het gaat om de energievoorziening in Oekraïne en Belarus, is ook de veiligheid van de EU. Dit bleek begin dit jaar bij de gascrisis tussen Oekraïne en Rusland, die inmiddels een traditie is geworden. Het militaire conflict in Georgië dwong ons allen om na te denken over de veiligheid van de EU-lidstaten en de bedreiging van hun onafhankelijkheid.
Tegenover een dergelijke situatie stel ik voor – zoals ik al eerder heb gedaan – om, met het oog op de tenuitvoerlegging van het ENPI in de Oost-Europese landen, een vergadering van het oostelijk nabuurschap op te richten ("Euroeast"), met deelname van het Europees Parlement en op grond van de zelfde beginselen als die van de "Euromed"- en "EuroLat"-vergadering.
Ik ben blij dat dit ook in het verslag is goedgekeurd.
Met Euroeast zou het Europees Parlement evenveel aandacht kunnen besteden aan alle naburige ontwikkelingslanden.
Tunne Kelam, rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn collega, de heer Szymański, feliciteren met zijn uitstekende verslag. Namens de Commissie regionale ontwikkeling verwelkom ik de opneming van grensoverschrijdende samenwerking in het toepassingsgebied van de ENPI-verordening als een instrument voor het ontwikkelen van gemeenschappelijke projecten en het versterken van de betrekkingen tussen de ENB-landen en de lidstaten van de EU.
Tegelijkertijd wil ik wijzen op de noodzaak regelmatig toezicht te houden op het beheer en de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke operationele programma's aan weerszijden van de EU-grenzen. Grensoverschrijdende samenwerking dient bij te dragen tot een geïntegreerde en duurzame ontwikkeling van aangrenzende regio's. We verzoeken de Commissie een gedetailleerd overzicht op te stellen van alle voor de huidige financiële periode goedgekeurde gemeenschappelijke operationele programma's, alsook een evaluatie te maken van de vraag in hoeverre de beginselen van transparantie, doelmatigheid en partnerschap zijn nageleefd. Deze evaluatie dient samen met een inventarisatie van de problemen waarmee de leidinggevende autoriteiten het vaakst geconfronteerd worden, bij te dragen aan het vinden van passende oplossingen voor de volgende programmeringsperiode.
Ik wil de Commissie ook aanmoedigen om de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken te vergemakkelijken bij enerzijds grensoverschrijdende samenwerking tussen de ENB-programma's en -projecten en anderzijds de maatregelen in het kader van de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ en het reeds voltooide communautaire initiatief Interreg IIIA.
Tot slot is de Commissie regionale ontwikkeling van oordeel dat het zwaartepunt bij het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument dient te liggen op een evenwichtige strategie tussen het oosten en het zuiden, met een specifieke aanpak per regio.
Ioannis Kasoulides, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de heer Szymański feliciteren met zijn uitvoerige verslag, dat morgen in de stemming de steun van onze fractie krijgt.
Ik wil ook commissaris Ferrero-Waldner feliciteren, zowel met het succes van het ENPI als met dat van de komende projecten, met de noodzaak van een oostelijk partnerschap voor met name onze oostelijke buurlanden en partners, alsook de synergie in het gebied van de Zwarte Zee. Wanneer deze eenmaal zijn gevormd en hun eigen identiteit hebben gekregen – bijvoorbeeld met een parlementaire vergadering enzovoort, zoals we voor het Middellandse-Zeegebied hebben – zullen ze misschien allemaal een eigen karakter krijgen, zelfs in de manier waarop ze worden gefinancierd.
Ik bespeur enige rivaliteit – of laten we zeggen, bezorgdheid – onder de afgevaardigden. We hebben zojuist gehoord dat we moeten voorkomen iets op te zetten dat financieel ten koste gaat van iets anders. Dat mag inderdaad niet gebeuren. We weten dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, het oostelijk partnerschap en de synergie voor het gebied van de Zwarte Zee enzovoort in het belang zijn van de Europese Unie. Deze regelingen mogen niet betekenen dat landen die willen toetreden tot de Europese Unie, steeds weer te horen moeten krijgen dat dit niet het alternatief is voor lidmaatschap, waar sommigen zich zorgen over maken.
VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS Ondervoorzitter
Maria Eleni Koppa, namens de PSE-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de herziening van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument is noodzakelijk als wij eenvoudigere procedures willen en tegelijkertijd de transparantie willen verbeteren. Het Europees nabuurschapsbeleid moet gegrondvest zijn op de totstandbrenging van een sfeer van vertrouwen in het nabuurschap van de Unie.
Het is in eenieders belang ervoor te zorgen dat de economische ontwikkeling en de stabiliteit in alle buurlanden in zowel het oosten als het Middellandse-Zeegebied worden versterkt. Het is echter ook noodzakelijk criteria en een specifieke benadering per land vast te stellen, uitgaande van de politieke prioriteiten van elk land op het gebied van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat, de minderheidsrechten. Het is eveneens belangrijk ervoor te zorgen dat de communautaire steun alle betrokken groepen van burgers bereikt. Daarom moeten op geschikte wijze de mogelijkheden van het nabuurschapsinstrument worden gepromoot.
Om deze ambitieuze doelstellingen te bereiken moeten de kredieten op gelijkmatige wijze, overeenkomstig het financieel kader 2007-2013, worden verdeeld over de Oost-Europese landen en de landen van het Middellandse-Zeegebied. Het proces van Barcelona moet een aanvulling zijn op het Europees nabuurschapsbeleid en de doelstellingen daarvan moeten duidelijk van te voren worden vastgesteld.
Vooral in deze tijd van economische crisis - waarvan de gevolgen zich in alle landen die profiteren van het nabuurschapsinstrument doen gevoelen - moet duidelijk worden gemaakt in welke mate de Unie met dit instrument van financiële ondersteuning bijdraagt aan de aanpak van de crisis. Daarom moet de Commissie de desbetreffende evaluaties openbaar maken.
Tot slot wil ik nog iets zeggen over de samenwerking in het Zwarte Zeegebied. Dit gebied moet kunnen profiteren van het Europees nabuurschapsbeleid. De steun die de Europese Unie deze regionale samenwerking biedt moet doelgericht zijn en tastbare resultaten opleveren op een aantal prioritaire gebieden, zoals energie, vervoer, immigratie maar ook bestrijding van georganiseerde misdaad.
Metin Kazak, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik sta volledig achter het verslag van de heer Szymański, met name achter het voorstel om de middelen voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument te verhogen. Het is noodzakelijk om extra aandacht te besteden aan de betrekkingen met onze buurlanden, vooral na de drie recente conflicten die zich het afgelopen halfjaar hebben voorgedaan in Gaza, Oekraïne en Georgië.
Een fors aantal door onze fractie ingediende amendementen zijn goedgekeurd in de Commissie buitenlandse zaken, onder andere de elf amendementen die ik als schaduwrapporteur naar voren heb gebracht. Maar hier zou ik namens de ALDE-Fractie wederom twee aanvullende amendementen willen indienen.
Ik ben het weliswaar eens met het idee om meer samen te werken met Turkije en Rusland om bepaalde lopende conflicten op te lossen en de banden met de landen van het Zwarte Zeegebied te versterken, maar de formulering van paragraaf 39 kan tot verwarring leiden. De samenwerking in het Zwarte Zeegebied vindt plaats op vier verschillende niveaus: lidstaten, kandidaat-lidstaten, landen van het Europese nabuurschapsbeleid en Rusland als strategische partner.
Aangezien Turkije kandidaat-lidstaat is, maakt het geen deel uit van het Europese nabuurschapsbeleid en krijgt het hulp via het instrument van pretoetredingssteun en niet via het Europees nabuurschapsinstrument. Het Europese nabuurschapsbeleid vormt dus zeker geen geschikte basis voor de samenwerking met Turkije.
Er bestaan reeds platformen voor samenwerking met de landen van het Zwarte Zeegebied. Wij moeten wellicht verbindingen met deze regionale initiatieven tot stand brengen om deze synergie te versterken in plaats van nieuwe samenwerkingsvormen te bedenken.
Het tweede amendement heeft betrekking op energie. Paragraaf 44 van het verslag refereert uitsluitend aan Oekraïne en Moldavië, terwijl de meeste van onze buurlanden belangrijk zijn voor onze energiesector, als bronland of als doorvoerland. Ik denk hierbij met name aan Georgië en Azerbeidzjan, die belangrijker zullen worden door de lancering van het Nabucco-project, waarover in januari een internationale conferentie is gehouden. Het lijkt mij dus dat alle landen van ons nabuurschap bij de maatregelen op het gebied van energie moeten worden betrokken.
Hanna Foltyn-Kubicka, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Europese nabuurschapsbeleid is ontstaan met als doel om de landen die in het programma zijn opgenomen te integreren in de structuren van de Europese Unie. Het veronderstelt intensieve samenwerking op economisch, cultureel en politiek vlak, zonder dat hierbij landen worden voorgetrokken. Dit indachtig is het moeilijk om de verschillen te begrijpen die ontstaan bij de verdeling van de financiële middelen over de Middellandse-Zeelanden en de oostelijke landen, waarbij de laatste groep wordt benadeeld.
Het idee om in het Europese nabuurschapsbeleid (ENB) een onderscheid te maken tussen deze regio’s is gerechtvaardigd in het licht van de verschillende problemen die deze regio’s kennen. Het kan echter geen rechtvaardiging zijn voor ongelijkheid in de verdeling van de financiële middelen. Dit lijkt bijzonder ongegrond in het licht van de tragische situatie waarin een van de landen uit het ENB, namelijk Georgië, laatst terecht is gekomen. Juist nu hebben de burgers van Georgië onze hulp en het gevoel nodig dat zij op dezelfde manier worden behandeld als de andere landen die met de Europese Unie samenwerken.
Een ander belangrijk doel dat het ENB geacht wordt te bereiken, is energiezekerheid. De huidige crisis in Europa is echter een evidente manifestatie van het gebrek aan samenhang tussen de principes voor samenwerking in het kader van het nabuurschapsbeleid. Zonder twijfel heeft de crisis aangetoond dat het noodzakelijk is de maatregelen in het kader van dit beleid vast te stellen en de energiesector te versterken in het kader van het oostelijk partnerschap. Ik ben verheugd dat de Commissie dit probleem heeft opgemerkt en een dergelijk beleid wil invoeren.
Cem Özdemir, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ook ik wil allereerst de rapporteur, de heer Szymański, bedanken voor het uitstekende verslag. Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument kan alleen effectief zijn als het democratische hervormingen stimuleert en een duurzame, dat wil zeggen ecologische en rechtvaardige ontwikkeling bevordert.
Om de effectiviteit van dit instrument te kunnen controleren, moeten voor alle actieplannen in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid duidelijke, concrete en meetbare doelstellingen worden vastgelegd. De fractie van de groenen verlangt in het bijzonder dat er een goede samenhang wordt gewaarborgd tussen alle mensenrechteninstrumenten in het kader van de ENB-actieplannen, en dat er grondig onderzoek wordt gedaan naar de zogeheten ‘justitiële’ projecten die met het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument gefinancierd worden.
Een ander belangrijk punt dat in het verslag terecht benadrukt wordt, is de grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de opzet van en het toezicht op het ENPI. De oorlog in Georgië in de zomer van 2008 maakte duidelijk dat de Europese Unie op dat moment nog geen duurzaam beleid voor conflictoplossing in de Kaukasus-regio had ontwikkeld en uitgevoerd.
Nog altijd vormen de zogeheten frozen conflicts, zoals in Nagorno-Karabach, een obstakel voor de verdere ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid in de zuidelijke Kaukasus. We roepen de Raad daarom op zich actiever in te zetten voor conflictoplossing. De Europese Unie heeft met dit instrument de mogelijkheid om een actieve rol te spelen in de aangrenzende regio, ter bevordering van democratische hervormingen en een duurzame ontwikkeling.
En, niet in de laatste plaats, moet de Europese Unie om haar – dus onze – geloofwaardigheid niet te verliezen, nu eindelijk de democratie- en mensenrechtenclausules in de overeenkomsten met derde landen serieus nemen en bij voorkeur positieve maar indien nodig negatieve maatregelen nemen.
Zbigniew Zaleski (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, met dank aan onze collega, de heer Szymański, voor het goede verslag, zou ik graag mijn gedachten met u willen delen over de vraag waarom het nabuurschapsbeleid voor ons zo belangrijk is. We moeten deze vraag beantwoorden. Allereerst omdat noch de Europese Unie, noch Europa een geïsoleerd eiland is. De EU bevindt zich in Europa en dat is voor ons belangrijk, vooral omdat we ambitieus zijn en we onze waarden, ideeën en ervaringen willen “exporteren” naar andere landen.
Ik ben van mening dat er naast de grote besluiten – inzake transport, energie, de vrije markt en onderlinge uitwisseling – ook kleinere kwesties zijn die van groot belang zijn, zoals onderwijs, wetenschappelijke en culturele uitwisseling en vooral intermenselijke contacten. Ik beschouw de Europese Unie als een familie van mensen die onderling met elkaar communiceren. Europa – tenminste dit is hoe ik het zie – zal sterk zijn als elk deel van Europa een rol te spelen heeft en deze rol kan vervullen. Hierbij mag het niet enkel gaan om de landen van de EU; het moet ook gaan om de buurlanden.
Commissaris, ik denk dat we vandaag in belangrijke mate de opbouw van Euromed hebben afgerond, wat een interessante structuur is. We besteden er veel geld aan, misschien zelfs te veel, zoals onze collega van de fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten zei, en nu moeten we de idee van Euroeast versterken. Dit is erg belangrijk en ik denk dat na de recente energiecrisis niemand er nog aan twijfelt dat dit een dimensie is die voor ons uiterst belangrijk is. Het gaat hierbij om regionale en gemeenschappelijke programma’s die ondersteund moeten worden, maar die helaas financiële steun vergen. Hiervoor moeten adequate bedragen uitgetrokken worden. We maken hier goede besluiten, die landen en buurlanden zullen uitvoeren in onderlinge samenwerking en aan de hand van gezamenlijke projecten.
Aloyzas Sakalas (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in 2008 zijn onder de paraplu van het Europees nabuurschapsbeleid meerdere nieuwe regionale initiatieven van start gegaan. Het financiële instrument is weliswaar in 2006 opgezet, maar bleek een afdoend gereedschap te zijn, omdat het gericht was op de toekomst.
De EU heeft besloten de multilaterale en regionale samenwerking met en tussen zijn buurlanden te versterken. Het instrument maakt het de EU nu al mogelijk om van andere internationale organisaties medefinanciering te krijgen en samen te werken met andere multilaterale organisaties in haar omgeving. Laten we actief gebruikmaken van deze mogelijkheden.
Mijn tweede punt betreft de verdeling van de financiële toewijzingen over onze buren in het zuiden en oosten van het Middellandse-Zeegebied en onze buren in het oosten. Uiteindelijk komt het neer op de vraag hoe geloofwaardig het EU-beleid is. De EU moet zich daarom aan zijn toezeggingen houden en vasthouden aan de geografische verdeling van de financiële toewijzingen, zoals vastgelegd in de financiële vooruitzichten voor de jaren 2007-2013.
Er is echter nog een ander belangrijk verschil in de toewijzingen tussen de buren. Ik heb het over het verschil in de toewijzingen aan programma's op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten in de toekomstige democratieën. Tussen 2007 en 2010 wordt 21 procent van de totale middelen voor de oostelijke buurlanden besteed aan toewijzingen om de democratische ontwikkeling te ondersteunen, maar voor de zuidelijke buurlanden is dat slechts 5 procent. Ik vraag de Commissie rekening te houden met dit punt van zorg.
Grażyna Staniszewska (ALDE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de financiering van initiatieven ten behoeve van het Middellandse-Zeegebied en het toekomstige oostelijk partnerschap met behulp van het Europese nabuurschapsinstrument, zou niet ten koste van een van deze regio’s mogen gaan. Het is van belang om rekening te houden met het specifieke karakter van zowel de oostelijke als de zuidelijke partnerlanden.
De recente geopolitieke gebeurtenissen bij onze oosterburen hebben duidelijk aangetoond dat er behoefte bestaat om het Europees nabuurschapsbeleid beter aan te passen aan de behoeften van de regio. Een voorbeeld hiervan is Oekraïne. Het grootste oostelijke buurland van de Europese Unie moet in het kader van het oostelijk partnerschap concrete stimulansen en voordelen krijgen die een motiverende invloed zullen hebben op een land met Europese ambities. Daarenboven is het ook van belang om de invoering van een vrijhandelszone te versnellen en de gesprekken met Oekraïne over de vrijstelling van de visumplicht af te ronden.
Het Europese nabuurschapsbeleid draait niet enkel om de activiteiten van regeringen en nationale politici. Daarom ben ik zeer verheugd dat in het verslag de nadruk wordt gelegd op de behoefte aan meer sociaal engagement van de burgers en de lokale overheden bij de planning en invoering van het Europese nabuurschapsbeleid. We mogen ook niet vergeten dat het uitwisselen van ervaring en goede praktijken, opleidingsinitiatieven, waaronder ook programma’s om de talen van buurlanden te leren, enorm belangrijk en waardevol zijn voor een goede, effectieve en wederzijds voordelige nabuursamenwerking.
Pierre Pribetich (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik mijn collega Konrad Szymański feliciteren met zijn evenwichtige verslag over de herziening van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument.
Wij moeten goed bedenken dat het primaire doel van dit verslag is om te voorkomen dat nieuwe scheidingslijnen of, erger nog, breuklijnen ontstaan tussen de uitgebreide EU en de landen in haar nabuurschap, maar ook om de stabiliteit en de veiligheid van de in ogenschouw genomen ruimte in zijn geheel te versterken.
Het propageren van vrede is een wens die men talloze malen heeft geprobeerd te verwezenlijken, maar die heel vaak wordt gehinderd door de realiteit van haat en intolerantie. Daarom is de juiste uitvoering van dit beleid deels bepalend voor de Europese en internationale geopolitieke orde.
Hoe kunnen we dit Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument op een doeltreffende manier aanpassen? De hoofdzaak kan in slechts één woord worden gevangen: ambitie.
Meer ambitie in de dialogen met het maatschappelijk middenveld en de lokale autoriteiten, teneinde hun betrokkenheid bij de ontwikkeling en de controle van de uitvoering van dit instrument te verbeteren.
Meet ambitie bij het verlenen van steun, teneinde de bestuurlijke, lokale en regionale capaciteiten in de grenslanden te versterken en ook uitwisselingsprogramma’s met het maatschappelijk middenveld te bevorderen.
Meer ambitie op het gebied van democratie, rechtsstaat en mensenrechten.
Bij de begrotingshulp moet echter een selectie worden gemaakt, zodat deze alleen toegankelijk is voor landen die er de vruchten van kunnen plukken. Hierbij moet per land een aparte benadering worden gehanteerd, met politieke voorwaarden, en niet te vergeten een betere evaluatie van het gevoerde beleid. Daarnaast moet dringend de relatie worden verduidelijkt tussen het Europees nabuurschapsbeleid als kaderbeleid bij uitstek en de regionale initiatieven, zoals de synergie in het gebied van de Zwarte Zee, de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en het komend oostelijk partnerschap.
Door de beleidsvoering alsmaar te beperken tot steeds kleinere regio’s lopen we namelijk het risico’s de algemene oriëntatie, zichtbaarheid en leesbaarheid te verliezen van het nabuurschapsbeleid dat de Europese Unie wil voeren.
Dat zal de prijs zijn die wij moeten betalen als wij de samenhang en de synchronisatie van de Unie willen versterken, onze begroting in de gewenste richtingen willen ontwikkelen en de Europese Unie ten volle haar rol van stabiliteitspool willen laten spelen.
Nicolae Vlad Popa (PPE-DE). – (RO) Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de betrekkingen met de aan de Europese Unie grenzende landen.
Een van de financieringsmogelijkheden is de nabuurschapsinvesteringsfaciliteit (NIF), waaraan EU-lidstaten kunnen deelnemen middels donaties die boven op de vanuit het ENPI toegekende som komen. Wij zijn ons ervan bewust dat volgens deze studie de financiering van het ENPI niet toereikend is om de ambitieuze doelstellingen op dit gebied te realiseren.
Wij verzoeken de Europese Commissie een analyse uit te voeren van de toekenning in de toekomst van meer consistente bedragen aan dit instrument, in het bijzonder gezien de omstandigheid dat ook andere initiatieven, zoals de synergie voor het Zwarte Zeegebied, met voldoende middelen moeten worden gesteund. Roemenië onderschrijft het belang van het Zwarte Zeegebied voor de Europese Unie, en zal dat blijven doen, op basis van de duidelijke kansen die deze regio biedt voor stabiliteit, economische ontwikkeling, energiezekerheid, veiligheid voor de burgers en milieubescherming.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) kan en moet meer worden gebruikt in het Zwarte Zeegebied. Naar mijn mening is de synergie in het Zwarte Zeegebied positief, maar ik vind dat deze regio van speciaal geostrategisch belang is en een meer gestructureerd samenwerkingskader verdient, dat is gebaseerd op een model met dezelfde reikwijdte als het Noordse kader of dat van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied.
Het ENPI zou meer moeten bijdragen aan de ontwikkeling van vervoersverbindingen tussen de Europese Unie en de Zwarte Zee, en tussen de Europese Unie en Moldavië en Oekraïne. Roemenië wil meer samenwerkingsprogramma’s ontwikkelen tussen steden in Roemenië en Moldavië. Ik verwelkom de start van het Ciudad-programma, dat dialogen tussen steden moet aanmoedigen.
De ontwikkeling van Gemeenschapshavens aan de Zwarte Zee, de aanleg van terminals voor vloeibaar gas en de ontwikkeling van spoor- en wegverbindingen tussen landen van het Zwarte Zeegebied en lidstaten van de EU moeten deel uitmaken van de prioriteiten van dit instrument. Bovendien vind ik dat dit instrument ook moet worden gebruikt voor samenwerking in de energiesector, alsmede voor uitbreiding en integratie van de infrastructuur voor elektriciteitstransport naar de westelijke Balkan.
De Voorzitter. – Ik moet me verontschuldigen bij de heer Alexandru Nazare. Wegens een fout van het Bureau heeft hij niet het woord kunnen voeren tijdens de normale spreektijd, ofschoon hij wel op de sprekerslijst stond. Ik geef hem het woord volgens de "catch the eye"-procedure.
Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de aandacht vestigen op drie punten met betrekking tot dit debat. Ten eerste is het noodzakelijk om de financiële hulp uit de communautaire begroting voor de Middellandse Zeelanden en de Oost-Europese landen geografisch van elkaar gescheiden te houden. Dit strookt met de bepalingen van de financiële vooruitzichten 2007-2013. Tevens moet de ondersteuning van deze landen door middel van leningen van de Europese Investeringsbank wordt voorgezet. De subplafonds van de leningen voor deze landen die door de EIB zijn voorzien voor de jaren 2007-2013 – 8,7 miljard euro voor de Middellandse Zeelanden en slechts 3,7 miljard euro voor de oostelijke landen en Rusland – lijken echter niet in het voordeel te zijn van de Oost-Europese landen, in de zin dat ze niet evenredig zijn met de noden van de Oost-Europese landen.
Ten tweede is het noodzakelijk om in het kader van het oostelijk partnerschap de samenwerking met deze landen op het vlak van energie aan te moedigen en om voorwaarden te scheppen waaronder deze landen Europa de leverantie van energiebronnen kunnen verzekeren en alternatieven hiervoor kunnen aanbieden. Ten derde en ten laatste is het noodzakelijk om de economische integratie van de EU met de landen van het oostelijk partnerschap te verdiepen door de vrijhandelszone uit te breiden met deze landen en door sociale integratie te bevorderen, waarvan het uiteindelijke doel visumvrijstelling moet zijn voor de inwoners van de ENPI-landen.
Daniel Petru Funeriu (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, bij het ontwerpen van een beleid voor de buurlanden van de Europese Unie mogen wij het democratische tekort van deze landen niet buiten beschouwing laten. Dit democratisch tekort is voortgekomen uit de geschiedenis van deze landen. Voor de vorming van een democratische maatschappij is een democratisch besef nodig van alle burgers van deze landen.
In het verslag worden – geheel terecht overigens – contacten van burger tot burger, “people to people contacts”, genoemd, en ik vraag u: hoe kunnen we deze “people to people contacts” beter tot stand brengen dan door de burgers vrij door de Europese Unie te laten reizen?
Ik roep de Raad dus op om de burgers van de Republiek Moldavië, overigens het enige land waar een officiële taal van de EU wordt gesproken, toe te staan zonder visum naar de Europese Unie te reizen. Uiteraard vraag ik de Commissie om in afwachting van een dergelijke maatregel al het noodzakelijke te doen om het “common visa center” in Chisinau te openen. Wij moeten echt het voorbeeld geven.
Corina Creţu (PSE) . – (RO) De afgelopen zes maanden was de Europese Unie geconfronteerd met een reeks uitdagingen die vragen opriepen over haar rol, samenhang en actie- en reactievermogen.
De crisis in Georgië en de gascrisis hebben ons duidelijk gemaakt dat we niet voortdurend dreigingen uit het oosten kunnen blijven accepteren die de internationale stabiliteit en onze energievoorzieningszekerheid ondermijnen.
Ik ben voor een oostelijk partnerschap dat zo ambitieus is als in het verslag wordt voorgesteld, temeer daar dit partnerschap gericht is op doeltreffendere samenwerking en ondersteuning van de wederopbouw van Georgië, en tevens suggesties bevat voor de toekomstige oprichting van een vrijhandelszone en de opheffing van visumverplichtingen voor de Europese Unie.
Ik denk echter dat we meer belang moeten toekennen aan de situatie in Moldavië, van waaruit ons verontrustende signalen bereiken over de vrijheid van meningsuiting en de integriteit van de verkiezingen die er in het voorjaar moeten worden gehouden.
Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE) . – (RO) Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) is van fundamenteel belang voor het succes van het Europees nabuurschapsbeleid, en vooral van het oostelijk partnerschap en de samenwerking in het Zwarte Zeegebied.
Het project van het oostelijk partnerschap kan alleen slagen als het over de financiering beschikt die nodig is om duidelijke doelstellingen te bereiken. Tegelijkertijd moeten we de mechanismen stroomlijnen waarmee de effecten van de maatregelen en de fondsen van het oostelijk partnerschap worden geëvalueerd, zodat de Europese steun niet verkeerd wordt aangewend of door regeringen wordt misbruikt om de politieke oppositie te bestrijden.
Onze maatregelen moeten altijd goed doordacht zijn, zodat de burgers de specifieke voordelen ervan kunnen inzien. Ik vind dat in de Europese financiering die via het ENPI wordt verstrekt, prioriteit moet worden gegeven aan de maatregelen die zijn gericht op grensoverschrijdende samenwerking in de regio van het oostelijk partnerschap.
Grensoverschrijdende samenwerking is uitdrukkelijk bedoeld om een beslissende bijdrage te leveren aan de regionale ontwikkeling, de opbouw van vertrouwen tussen buurstaten en interetnische harmonie, waarbij bevordering van het grensoverschrijdende verkeer van personen en handelsstromen een bijzonder positieve, versterkende werking kan hebben.
Alexandru Nazare (PPE-DE) . – (RO) Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) is van vitaal belang voor het waarborgen van stabiliteit, democratie en welvaart in de regio. Bovendien wordt met dit instrument het begrip ‘grensregio’ veranderd van een gebied dat inperkt en uitsluit in een gebied van samenwerking en politieke banden.
De recente gebeurtenissen in het gebied ten oosten van de EU, die al eerder in dit Parlement ter sprake zijn gebracht, namelijk de gascrisis en de crisis in Georgië, hebben opnieuw de noodzaak aangetoond van een strategie waarmee kan worden gewaarborgd dat de Europee Unie een actieve rol speelt op dit geopolitieke terrein. We moeten overeenstemming bereiken over een door meer samenhang gekenmerkte benadering van dit gebied ten oosten van onze grenzen. We moeten heldere doelstellingen formuleren die tegemoetkomen aan de belangen van de EU en de specifieke behoeften van onze partners.
Ik juich initiatieven zoals de synergie voor het Zwarte Zeegebied en het oostelijk partnerschap, die de samenwerking met de landen in de regio, met name Moldavië en Oekraïne, en met de landen in de Kaukasus en het Kaspische Zeegebied consolideren, ten volle toe. We hebben ook behoefte aan meer actieve betrokkenheid in het Zwarte Zeegebied als basis voor de consolidatie van de betrekkingen met Turkije en Rusland, omdat dit gebied in de nabijheid ligt van de Europese Unie, Turkije en Rusland.
Het partnerschap is ook een welkome stimulans voor de deelnemende landen die lidmaatschap van de Europese Unie willen aanvragen, zoals Moldavië. Dit partnerschap verhoogt het engagement van beide kanten aanzienlijk.
Verder wil ik ook een paar woorden zeggen over het Euronest-initiatief, dat slechts een voorbeeld is van een specifieke oplossing voor de verbetering van de uitvoering van het ENPI in landen als Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland.
De uitvoering van dit beleid kan niet worden verbeterd zonder het niveau van financiële ondersteuning te verhogen. Afgezien van de noodzaak dit financiële pakket uit te breiden moeten we evenzeer aandacht besteden aan de manier waarop deze middelen worden besteed.
Ik meen dat het absoluut noodzakelijk is om transparantie te garanderen in de financiële mechanismen voor de toewijzing van fondsen. Ook vind ik dat middelen moeten worden uitgetrokken voor de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties in de partnerlanden bij gemeenschappelijke projecten en voor het ondersteunen van de mobiliteit van de burgers in deze landen, met inbegrip van een versoepeling van de visumverplichtingen.
Benita Ferrero-Waldner, Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat deze discussie over het ENPI de volgende mededeling van de Commissie over het oostelijk partnerschap eigenlijk al overbodig heeft gemaakt. Veel van de ideeën die u naar voren hebt gebracht, staan ook in de mededeling over het oostelijk partnerschap, en ik weet zeker dat u heel tevreden zult zijn, wanneer u deze krijgt.
Ik wil toch een paar opmerkingen maken. Ik ben natuurlijk heel dankbaar voor veel van de suggesties. Het idee van dit oostelijk partnerschap is dat we met onze oostelijke partners Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland willen samenwerken, indien nodig op het gebied van de democratie en de mensenrechten, maar ook met de drie Kaukasische landen, op de eerste plaats op het gebied van de handel, teneinde te proberen diepgaandere associatieovereenkomsten te sluiten, op de tweede plaats op het gebied van de energie, en op de derde plaats op het gebied van grotere mobiliteit. Wat betreft uw suggesties over visumvrijstelling zullen we beginnen met de versoepeling van de visumregeling, al is ook dat niet gemakkelijk, want veel lidstaten hier zijn nog steeds erg terughoudend. En dan zijn er natuurlijk nog allerlei verschillende platforms die ik al heb genoemd, zoals het platform voor het maatschappelijk middenveld, voor energie en vervoer, of zelfs platforms waar beste praktijken kunnen worden uitgewisseld.
Wat betreft de financiering, kan ik u alleen zeggen dat ik helaas niet over meer middelen beschik. Als moeder van het nabuurschapsbeleid zeg ik altijd dat ik natuurlijk graag meer middelen zou hebben gehad. U bent een zeer belangrijke begrotingsautoriteit, dus geef ons in de toekomst alstublieft een kans en steun ons hierin ook echt. Dit geldt zowel voor de Unie voor het Middellandse-Zeegebied in het zuiden als voor het oostelijk partnerschap en het ENPI in het oosten.
De financieringscijfers zijn momenteel 3,6 euro per hoofd van de bevolking per jaar voor het oosten en 3,4 euro per hoofd van de bevolking per jaar voor het zuiden. Zoals u ziet, zijn de bedragen dus vrijwel hetzelfde. Het is echter nooit genoeg, omdat er enorme noden en uitdagingen zijn. We hebben daarom ook het plan opgevat voor een zogenoemde ENB-investeringsfaciliteit, die voor grotere projecten kan worden gebruikt.
Dit is alles wat ik u in dit stadium kan vertellen. Misschien kunnen we in een later stadium, wanneer we het oostelijk partnerschap gaan bespreken, ingaan op alle details. Ik bedank u in elk geval voor dit debat en voor uw suggesties. Ze sluiten heel goed aan bij de richting waarin wij gaan.
Konrad Szymański, rapporteur − (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag een paar opmerkingen maken over dit debat. De vereenvoudiging van procedures, het toezicht op de manier waarop het nabuurschapsbeleid ingevoerd wordt en de controlerende rol van het Europees Parlement zijn zaken waar we al sinds 2005 mee worstelen en het lijkt erop dat we hier niet veel meer kunnen doen. Vandaag is het echter heel belangrijk om ons nabuurschapsbeleid politieke inhoud te geven. Die politieke inhoud heeft betrekking op kwesties als visa, een gemeenschappelijke markt en energie. Als wij niet opgewassen zijn tegen deze uitdagingen, dan kunnen wij de kans verliezen om ons eigen nabuurschap op onze eigen voorwaarden op te bouwen. De tijd tikt in ons nadeel. Landen die vandaag deel uitmaken van ons nabuurschap kunnen hun stabiliteit verliezen en zich in de richting bewegen van andere principes voor de opbouw van regionale orde. Met een dergelijk resultaat zullen we niet tevreden zijn en de mogelijkheid bestaat dat de geschiedenis ons een dergelijke kans nooit meer geeft. Dergelijke gebeurtenissen zullen ook onze eigen veiligheid beïnvloeden en daarom moeten we ook om zuiver egoïstische redenen nadenken over het probleem, over de belangen van de Europese Unie, zodat ons nabuurschap een stabiel en welvarend gebied kan worden.
Wat betreft de begroting weet ik heel goed dat in het kader van de hervorming van het nabuurschapsbeleid vele fracties in dit Parlement het eens zijn over de financiering van specifieke gebieden van het beleid, evenals van bepaalde regio’s. We mogen echter niet vergeten dat het nabuurschap slechts één onderdeel is van de begroting en dat er niets zal veranderen tijdens de volgende financiële vooruitzichten. Als het ons lukt om het nabuurschap voor de Middellandse Zee en de Zwarte Zee en het oostelijke nabuurschap goed te financieren, dan winnen wij er allemaal bij. We kunnen geen succes boeken in het ene deel van het nabuurschap ten koste van het andere, omdat de EU-begroting zo opgesteld is dat dit wordt voorkomen. We moeten ons veeleer concentreren op de hervorming van de EU-begroting zodat alle onderdelen (Middellandse Zee, oostelijke landen en Zwarte Zee) hun voordeel zullen halen uit de toekomstige financiële vooruitzichten.
Marcin Libicki (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik betreur het zeer dat mevrouw Ferrero-Waldner de samenvatting van het uitstekende verslag van de heer Szymański helaas niet heeft kunnen horen, omdat zij de hele tijd bezig is met andere zaken.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Alin Lucian Antochi (PSE), schriftelijk. – (RO) Ik onderschrijf van harte de uitspraken in het verslag die moeten zorgen voor meer politieke betrokkenheid van de Europese Unie bij de landen van het ENPI alsmede voor de ondertekening van associatieovereenkomsten die op maat zijn gesneden voor elk land.
Teneinde dit beleid doeltreffend uit te voeren moeten de betrokken staten zich volledig verbinden met het proces van democratische hervorming van de samenleving. Doeltreffende uitvoering van de hervormingen, vooral op het gebied van democratie, rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting, blijft een ernstig probleem voor deze landen en is afhankelijk van zowel de politieke wil van de overheden als het engagement van maatschappelijke organisaties en burgers.
Het is belangrijk dat de bevolking van deze landen inziet dat Europese integratie niet alleen de mogelijk biedt om legaal de grens over te gaan, maar ook een reële kans is om hun land uit de impasse te helpen. In dit verband moeten Europese projecten voorzien in meer specifieke regels en speciale fondsen om de bevolking voor te lichten.
Wanneer mensen vertrouwd worden gemaakt met zowel de voordelen van integratie als hun plichten, zodra hun land is toegetreden tot de EU, heeft dat tot gevolg dat zij actiever betrokken worden bij het democratiseringsproces in de samenleving en dat de mogelijkheden van de machtselite om dwingende maatregelen te treffen tegen oppositionele politieke partijen en maatschappelijke organisaties aanzienlijk worden verkleind.
Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het initiatief dat Polen en Zweden vorig jaar nog hebben bepleit, staat vandaag niet meer ter discussie. Een nauwere samenwerking met onze oosterburen is niet enkel gunstig voor beide partijen, maar ook strategisch en noodzakelijk voor de veiligheid van Europa.
De politieke en economische situatie aan gene zijde van onze oostelijke grens heeft een rechtstreekse invloed op de situatie in de hele EU en op ons economisch evenwicht en onze veiligheid. Het afgelopen jaar is een test geweest voor de geloofwaardigheid van Rusland met betrekking tot de relaties met zijn buurlanden, een test waarvoor het Kremlin simpelweg gezakt is.
Daarom vereist de ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid onze actieve betrokkenheid bij de situatie in de Zuidelijke Kaukasus en bij de gebeurtenissen die onze naaste buren betreffen. Die betrokkenheid is de voorwaarde voor onze samenwerking op concrete vlakken. Ik denk hierbij aan de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en van democratische en institutionele hervormingen en aan de waarborging van de energiezekerheid van Europa. Laten we aantonen dat we de hoofdrol kunnen spelen in het oosten en dat wij niet toestaan dat Rusland zijn eigen neo-imperialistische plan realiseert.
Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Het gebruik van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument om zowel het zuidelijke als het oostelijke Europese nabuurschapsbeleid te financieren mag niet ten koste gaan van een van deze regio’s. Bij de inzet van deze middelen is transparantie van andere bronnen, waaronder particuliere financiering, van groot belang.
Tijdens de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland moeten we ons erop toeleggen dat Rusland beter meewerkt aan de vastlegging van duidelijke prioriteiten voor financiële samenwerking. Deze prioriteiten moeten leiden tot een betere planning en een meerjarenprogramma voor hulp. We moeten ons concentreren op de garantie dat alle aan de Russische overheid verleende financiële hulp bijdraagt tot de verbetering van het democratische gehalte in Rusland en tot de verzekering dat er meer gemeenschappelijke projecten voor financiering in aanmerking komen.
Ik wil ook onderstrepen dat er behoefte is aan effectieve politieke voorwaarden en garanties. Deze moeten ervoor zorgen dat de hulp aan Wit-Rusland een onmiddellijke en rechtstreekse invloed heeft op de burgers en niet door de overheid misbruikt wordt om haar politieke tegenstanders aan te vallen. De Europese Unie moet effectieve steun verlenen aan het maatschappelijk middenveld en de politieke partijen die opkomen voor democratie.
De recente geopolitieke gebeurtenissen in het oostelijk nabuurschap van de Europese Unie onderstrepen het belang van een verdere ontwikkeling van het Europese nabuurschapsbeleid via een betere aanpassing aan de behoeften van de partners, hetgeen een grotere betrokkenheid van de EU bij de regio van de Zwarte Zee inhoudt.
Marianne Mikko (PSE), schriftelijk. – (ET) Aangezien ik voorzitter ben van de delegatie in de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Moldavië, heeft de ontwikkeling van de oostelijke dimensie van het Europees nabuurschapsinstrument (ENPI) automatisch mijn belangstelling.
Ik heb er alle begrip voor dat de zuidelijke lidstaten van de EU er belang in stellen om de ontwikkeling van de zuidelijke dimensie van het ENPI te stimuleren. Ik sta daar ook achter. Maar tegelijkertijd ben ik er van overtuigd dat we onze oosterburen niet mogen vergeten. Voor de veiligheid en de welvaart van ons gemeenschappelijke huis zijn onze oostelijke en onze zuidelijke buren even belangrijk voor ons.
Met het huidige systeem, dat tot 2010 van kracht blijft, wordt de ENPI-steun ongelijk verdeeld, met zeventig procent voor de landen van de zuidelijke dimensie en maar dertig voor die van de oostelijke. Dit jaar begint het overleg over de nieuwe financiële vooruitzichten. Ik hoop van harte dat hier een wijziging van het huidige systeem uit zal komen, en dat de steun in de toekomst eerlijk wordt verdeeld.
Wegens de gebeurtenissen van afgelopen zomer – en ik doel hier op het conflict tussen Rusland en Georgië –, verwachten onze oosterburen mijns inziens terecht dat de EU een grotere bijdrage levert aan de waarborging van de stabiliteit. De EU mag haar betrokkenheid niet beperken tot politieke steunverklaringen, maar moet ook echte samenwerking en ondersteuning bieden bij het doorvoeren van hervormingen.
Ik ben ongelooflijk blij dat Estland samen met vijftien andere landen aan de wieg heeft gestaan van de onlangs opgerichte nabuurschapsinvesteringsfaciliteit. In de huidige economische recessie is de toekenning van één miljoen euro geen gering gebaar, en een concreet gebaar bovendien.
Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verwelkom de gedachte dat ‘het oostelijk partnerschap het EU-lidmaatschap van de aangrenzende landen die voor toetreding in aanmerking willen komen (…) niet in de weg mag staan’, zoals in het verslag staat. De stimulans voor het mogelijke toekomstige lidmaatschap is een integraal onderdeel van het oostelijk partnerschap, aangezien het de basis is voor een geslaagde voorwaardelijke benadering.
De voortgang in de richting van een volledige democratische overgang verschilt van land tot land. In Wit-Rusland zijn slechts kleinere vorderingen gemaakt, terwijl in Oekraïne en Georgië enkele grote stappen voorwaarts zijn gemaakt. De Europese Unie moet voor de landen van het oostelijk partnerschap desondanks altijd de mogelijkheid openhouden om toe te treden tot de EU, aangezien de inspanningen om te komen tot een goed werkende democratie, een rechtsstaat en respect voor de mensenrechten soms zo uitputtend kunnen zijn, dat het leidt tot een terugval.
De hoofddoelstelling van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en de toetredingsstimulans voor Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland is de waarborging van voortdurende vooruitgang in de richting van een geconsolideerde democratie in deze landen.
23. Financiering van andere maatregelen dan de officiële ontwikkelingshulp in landen die onder Verordening (EG) nr. 1905/2006 vallen (debat)
De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0036/2009) van Thijs Berman, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over de financiering van andere maatregelen dan de officiële ontwikkelingshulp in landen die onder Verordening (EG) nr. 1905/2006 vallen [2008/2117(INI)].
Thijs Berman, rapporteur. − Ik ben ook blij dat mijnheer Deva is gaan zitten, want nu kan mevrouw Ferrero-Waldner gewoon naar mij luisteren, ik ben echt opgelucht.
De ongekende economische crisis die om zich heen grijpt, is een nieuwe ramp voor ontwikkelingslanden. De crisis leidt tot dalende grondstoffenprijzen, minder investeringen, minder handelskrediet, minder geld dat door migranten naar huis wordt overgemaakt. Het bruto nationaal product van elk welvarend land holt ondertussen achteruit en daardoor vermindert ook het budget voor ontwikkelingssamenwerking, want dat is 0,7% van het bruto nationaal product, tenminste dat zou het moeten zijn en de meeste landen houden zich niet aan die belofte.
Dit is de context van de discussie over het nieuwe beleidsinstrument dat hier wordt besproken. Als Spaanse studenten een paar maanden met een beurs studeren in Latijns-Amerika en omgekeerd, dan is zo'n uitwisseling nuttig, noodzakelijk en wenselijk, maar zo'n project kan niet uitsluitend gefinancierd worden met geld dat bedoeld is voor armoedebestrijding. Het is prima dat er EU-geld naartoe gaat, maar armoedebestrijding is het niet. Het is frustrerend om dit soort projecten te schrappen enkel omdat er geen wettelijke mogelijkheid is om ze te steunen.
Daarom hebben wij gezocht naar een bescheiden instrument waarmee de EU in ontwikkelingslanden beleid kan uitvoeren dat niet strikt genomen onder de bestrijding van armoede valt. Daarvoor moet een andere geldbron, een andere wettelijke basis gevonden worden dan die van ontwikkelingsbeleid. De wettelijke basis kan dus niet liggen in artikel 179 van het Verdrag van Nice, want dat is nu precies die wettelijke basis van ontwikkelingsbeleid en die moet hier vermeden worden.
Via artikel 179 mogen de belangen van de EU zelf - Europese studenten die studiereizen maken - niet worden gefinancierd. Bovendien moet de EU in de besteding van ontwikkelingsgeld wettelijk voldoen aan de criteria die aan ontwikkelingssamenwerking worden gesteld, namelijk armoedebestrijding.
Met een klein beetje creativiteit zijn er ook andere bronnen. Uitbreiding van het Industrialised Countries Instrument is een mogelijkheid die de Commissie buitenlandse zaken voorstelt en die ook door mijn commissie wordt gesteund. Maar wat ook een mogelijkheid is, is een combinatie van de artikelen 150, 151 en 170, onderwijs, cultuur en research. Met deze gecombineerde wettelijke basis houdt het Europees Parlement volledige medezeggenschap (codecisie) over dit instrument en komt het geld, ongeveer 13 miljoen euro op dit moment, niet uit de enveloppe voor het ontwikkelingsbeleid. Het komt dan overigens evenmin uit de enveloppe voor buitenlands beleid.
Ik kan als rapporteur - en de Commissie ontwikkelingssamenwerking steunt mij hierin - niet akkoord gaan met het artikel 179 als wettelijke basis. Dit nieuwe instrument zou daardoor zinloos worden, want het heeft juist tot doel om te vermijden dat ontwikkelingsgeld gebruikt wordt voor andere doeleinden. Dan mag er ook geen wettelijke basis komen voor dit instrument die daartoe zou dwingen.
Om deze reden verzoek ik de EVP-Fractie dringend, zeer dringend, om haar amendement in te trekken. Het is in strijd met ons gedeeld verlangen om het budget voor ontwikkelingssamenwerking te beschermen, zelfs in tijden van economische crisis.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de belofte bevestigen die ik namens de Commissie heb gedaan om in 2009 een tussentijdse evaluatie van de financiële instrumenten uit te voeren. Daarmee reageren wij op het verzoek dat het Parlement heeft gedaan tijdens de slotbesprekingen over de instrumenten.
Deze evaluatie zal de vorm aannemen van een mededeling die, indien nodig, vergezeld zal gaan van wetgevingsvoorstellen. Verwacht wordt dat de mededeling zal worden goedgekeurd voor april 2009. Zij is ook opgenomen in het wetgevend en werkprogramma van de Commissie.
De evaluatie betreft de tenuitvoerlegging van de instrumenten. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen deze evaluatie en de andere, ook in de verordeningen voorziene tussentijdse evaluatie, die momenteel plaatsvindt en betrekking heeft op de programmeringsdocumenten en de strategiedocumenten 2011-2013. Deze nieuwe programmering zal leiden tot een democratische toetsingsronde, zoals die ook heeft plaatsgehad voor de eerste programmeringsperiode die de jaren 2007-2010 bestrijkt.
Het gaat hier om twee verschillende exercities, maar deze vullen elkaar wel aan. Het is belangrijk om vóór de nieuwe programmeringsperiode de problemen te identificeren die verband houden met de instrumenten. De evaluatie van de strategie en de programmering zal in 2009 plaatsvinden, zodat deze in 2010 afgerond zal zijn en kan worden onderworpen aan de democratische toetsing door het Parlement.
Wat betreft het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), bevestigen onze voorlopige overpeinzingen dat er een probleem is dat centraal zal staan in de evaluatie, namelijk de leemte in de wetgeving voor niet-ODA-activiteiten voor landen die vallen onder het DCI.
Wat zijn niet-ODA-activiteiten? Dit zijn activiteiten van wisselende aard, maar de huidige vier voorbereidende acties waartoe dit Parlement de aanzet heeft gegeven, geven een goed beeld van waar we het over hebben: samenwerking met landen met een middeninkomen in Azië en Latijns-Amerika, die niet valt onder het DCI, en handels- en wetenschappelijke uitwisselingen met China en India.
We zijn het met betrekking tot zulke activiteiten met u eens dat er wetgeving nodig is voor de maatregelen die de belangen van de EU in de DCI-landen kunnen bevorderen. Dit kunnen wij bewerkstelligen hetzij met een nieuw rechtsinstrument hetzij met een wijziging van de bestaande verordening betreffende het instrument voor geïndustrialiseerde landen (ICI).
Toen we in 2006 de nieuwe instrumenten voor de externe betrekkingen aan het voorbereiden waren, spraken we af dat ze ook de externe dimensie van ons binnenlands beleid moesten bestrijken. We spraken af dat dit kon gebeuren aan de hand van de rechtsgrondslag voor extern optreden. Dit was een aanzienlijke vereenvoudiging vergeleken met de eerdere situatie.
Het zal voor de Commissie moeilijk zijn deze aanpak te volgen. We zijn van mening dat de rechtsgrondslag de doelstellingen en de inhoud van het instrument moeten weerspiegelen. We erkennen dat er een probleem is met niet-ODA-activiteiten. Zulke activiteiten kunnen op grond van hun aard niet worden aangemerkt als ontwikkelingshulp. Een voorstel dat uitsluitend over zulke activiteiten gaat, kan dus niet vallen onder ontwikkelingssamenwerking – onder artikel 179, zoals u hebt gezegd.
Aangezien we bekende ODA-activiteiten willen bestrijken, zal artikel 181 A van het Verdrag waarschijnlijk de meest passende rechtsgrondslag zijn. Dit artikel bestrijkt immers de economische, financiële en technische samenwerking. Voordat de Commissie echter een voorstel zal doen, zal zij de kwestie eerst zorgvuldig overwegen en daarbij rekening houden met het door het Parlement naar voren gebrachte standpunt. Het zou handig zijn over het standpunt van het Parlement te kunnen beschikken, zodat we, zoals beloofd, voor de verkiezingen de laatste hand kunnen leggen aan onze voorstellen.
Ik zie, tot slot, dat het verslag vraagt om meer middelen. We zullen daarnaar moeten kijken. U weet hoe krap de middelen zijn in rubriek 4 van het financiële kader. Men zou kunnen betogen dat de opkomende landen in een overgang zitten en dat de huidige kredieten voor hulpverlening die overgang zouden moeten begeleiden, dat wil zeggen, dat het zwaartepunt geleidelijk moet worden verschoven van ontwikkeling naar niet-ODA-activiteiten. We zullen dit in het kader van de evaluatie onderzoeken.
Dit zijn de eerste overwegingen van de Commissie over het verslag dat we vandaag bespreken. We vinden het een goede basis voor ons gemeenschappelijke werk, en ik ben benieuwd naar de meningen van de afgevaardigden.
Vicente Miguel Garcés Ramón, rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, volgens de Begrotingscommissie is het uiterst belangrijk dat alle begrotingsinstrumenten duidelijk zijn afgebakend. De meest waarschijnlijke optie lijkt daarom de invoering van een nieuw instrument voor activiteiten die niet onder de openbare ontwikkelingshulp vallen voor de landen waarop de verordening van toepassing is.
Vanuit begrotingsoogpunt lijkt het financieringsvoorstel van de Commissie ontwikkelingssamenwerking niet adequaat te zijn, aangezien de desbetreffende middelen niet bestaan en aan de desbetreffende begrotingslijnen geen middelen op meerjarenbasis zijn toegewezen. Er zijn middelen beschikbaar voor 2009, maar niet voor daarna.
Aangezien de financiering van dit nieuwe instrument voor ontwikkelingssamenwerking in overeenstemming moet zijn met het financieel kader 2007-2013, is het in ieder geval de moeite waard om op het belang van de tussentijdse herziening van het financieel kader te wijzen. Bij de herziening moet het mogelijk zijn de plafonds voor de verschillende rubrieken aan te passen.
Nirj Deva, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben heel blij met de verklaring die commissaris Ferrero-Waldner zojuist heeft afgelegd, en ik vraag mijn fractie haar amendement in te trekken, zodat dit verslag er door komt. Als zij dat niet doet, kom ik in een lastige positie te verkeren en zal ik gedwongen zijn de Sociaal-democratische rapporteur bij dit onderwerp te steunen.
Ik moet zeggen dat mijns inziens het ontwikkelingsinstrument bedoeld is voor ontwikkelingsdoeleinden. Als men echter kijkt naar wat het ontwikkelingsinstrument, en met name artikel 179, biedt, dan staat het instrument voor officiële ontwikkelingshulp, ondanks alle beperkingen, wel degelijk toe om musea, bibliotheken, kunst, muziek op school en sporttraining en -terreinen te bevorderen. Deze tellen allemaal als officiële ontwikkelingshulp, maar sponsoring van concerttours of reiskosten van atleten natuurlijk niet. Culturele programma's in ontwikkelingslanden, waarvan het voornaamste doel is de culturele waarden van de donor te bevorderen, kunnen niet worden aangemerkt als officiële ontwikkelingshulp. Officiële ontwikkelingshulp sluit militaire steun wel maar vredeshandhaving niet uit. Zij omvat een grote verscheidenheid aan acties. Civiel politiewerk om de opleidingscapaciteit voor politieagenten te leveren of te vergroten, demobilisatie van soldaten, toezicht op verkiezingen, verwijdering van mijnen en landmijnen: dit is allemaal officiële ontwikkelingshulp.
We vragen ons hier, in dit Parlement, dus af hoeveel engelen er op een speldenknop passen, terwijl in feite het grootste deel van het werk valt onder het instrument voor officiële ontwikkelingshulp. Ik juich dus de verklaring van commissaris Ferrero-Waldner toe dat artikel 181 A het mogelijk maakt om middelen te vinden voor wat sommige van mijn collega's hopen te doen.
Ana Maria Gomes, namens de PSE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is cruciaal dat de huidige leemte wordt opgevuld in de wetgeving met betrekking tot de financiering van niet-ODA-activitieit in landen die vallen onder het DCI. Het onderhavig voorstel voor een instrument om deze leemte weg te werken moet ondubbelzinnig ervoor zorgen dat het DCI behouden blijft als instrument voor officiële ontwikkelingshulp. Het moet ook een duidelijke scheiding mogelijk maken tussen de financiële middelen voor zuivere ODA-ontwikkelingssamenwerking en de middelen voor andersoortige ontwikkelingssamenwerking met ontwikkelingslanden die geen ODA zijn. Deze scheiding is op zichzelf een heel belangrijke politieke boodschap en zou het beleid van de EU op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking de juiste zichtbaarheid geven.
Het nieuwe of gewijzigde instrument moet ook breed genoeg zijn om een groot scala van acties te bestrijken die niet voldoen aan de richtsnoeren van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO, maar wel cruciaal zijn voor de samenwerking van de EU met de ontwikkelingslanden, zoals de ontwikkeling van het Akkas-gasveld in Irak of samenwerking met India op het gebied van de veiligheid in de luchtvaart. Daarom ben ik het niet helemaal eens met de voorgestelde restrictieve rechtsgrondslag. Ik ben het volledig eens met commissaris Ferrero-Waldner dat artikel 181 A mogelijk een geschiktere rechtsgrondslag zou zijn en tegemoet zou kunnen komen aan het soort zaken die ik hier naar voren haal. Ik ben echter evenmin overtuigd van het alternatief dat met het amendement van de PPE-DE-Fractie wordt voorgesteld en waarover we morgen geacht worden te stemmen.
Ik hoop daarom dat we onder leiding van onze rapporteur, Thijs Berman, meer tijd zullen vinden om een gedegen discussie te voeren over dit onderwerp en na te denken over wat de beste rechtsgrondslag is. Mijns inziens is dat het voorstel dat commissaris Ferrero-Waldner heeft gedaan.
Toomas Savi, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Berman bedanken voor zijn verslag. Het wijst op een belangrijk aspect van ontwikkelingshulp waar de Commissie, naar mijn mening, serieus over na zou moeten denken. Activiteiten zoals culturele, wetenschappelijke en economische uitwisselingsprogramma's, contacten tussen burgers onderling of politieke dialoog worden helaas niet bestreken door de bestaande Europese wetgeving, en dit zijn slecht een paar voorbeelden.
De Europese Unie heeft onder auspiciën van verschillende agentschappen talrijke programma's en financiële instrumenten opgezet, die elk slechts bepaalde, beperkte aspecten bestrijken van de problemen waarvoor de ontwikkelingslanden zich thans gesteld zien. Ik ben van mening dat de inspanningen die we leveren om de situatie in de ontwikkelingslanden te verbeteren, zonder centraal EU-agentschap en een veelomvattend en samenhangend beleid geen noemenswaardige reikwijdte zouden hebben.
We zijn het er allemaal over eens dat het beleid van de Europese Unie inzake ontwikkelingssamenwerking tot doel heeft zo veel mogelijk mensen in nood te bereiken. Toch hebben we gekozen voor een tamelijk lastige weg naar dit doel. De Europese Unie is momenteel institutioneel gefragmenteerd en wordt bovendien juridisch gehinderd, als het om ontwikkelingshulp gaat. Dit zeer gewaardeerde verslag gaat over de gevolgen van deze tekortkomingen.
De Europese Unie en haar lidstaten hebben immens bijgedragen aan de officiële ontwikkelingshulp en deze bijdrage mag nooit worden onderschat. Er moet echter nog veel gebeuren om de doelmatigheid en doeltreffendheid van het institutionele kader, alsook de consistentie van de wetgeving inzake ontwikkelingshulp te vergroten.
Michael Gahler (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, eerlijk gezegd was ik enigszins verrast over het feit dat het verslag van Berman al is opgesteld en er een voorstel wordt gedaan nog voordat het eigenlijke verslag van collega Mitchell gereed is, waarin een beoordeling wordt gemaakt van de ervaringen met het DCI.
Mijn collega heeft gelijk wat de inhoud van zijn voorstel betreft. Door de opzet van het DCI was het onvermijdelijk dat er een leemte zou ontstaan in de wetgeving. Ik steun de conclusie dat er een ander instrument nodig is om de leemte met betrekking tot de niet onder ODA vallende activiteiten op te vullen. Ik kan mij vinden in de beide alternatieven die de rapporteur in paragraaf 3 voorstelt.
Ik wil echter duidelijk stellen dat ook niet onder ODA vallende activiteiten relevant zijn voor de ontwikkeling van een land. Het enige punt van discussie is de hier gekozen rechtsgrondslag. Op dit punt staat de rapporteur met zijn commissie mijns inziens tegenover de rest van de wereld. De Commissie ontwikkelingssamenwerking kiest hier voor een enge interpretatie van artikel 179 en moet derhalve als rechtsgrondslag teruggrijpen op artikelen die bedoeld zijn voor intern beleid. De Commissie buitenlandse zaken, de Commissie juridische zaken, de Juridische Dienst van het Parlement, het Europees Hof van Justitie evenals de Raad en de Commissie interpreteren artikel 179 anders.
Wij, als PPE-ED-Fractie, hebben dan ook vandaag besloten om morgen dit amendement niet intrekken, maar een ander amendement indienen om de gekozen rechtsgrondslag te wijzigen. Wij zullen ook niet instemmen met uitstel omdat het hierbij alleen gaat om de rechtsgrondslag. Ik verwacht dan ook dat er morgen duidelijkheid in deze zaak zal komen.
Corina Creţu (PSE) . – (RO) Het verslag van onze collega, de heer Berman, biedt een heldere oplossing voor het opvullen van de leemte in de wetgevingsstructuur voor de financiering van externe maatregelen die geen noodhulp betreffen en die niet vallen onder de ontwikkelingsmaatregelen zoals gedefinieerd in het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking.
Financieringsmaatregelen van dit type zijn vanuit politiek oogpunt belangrijk omdat zij een continue aanwezigheid van de Europese Unie kunnen garanderen in landen en regio’s die de eerste fase van ontwikkeling voorbij zijn. Het is echter van vitaal belang dat de fondsen waarmee deze maatregelen worden gefinancierd niet afkomstig zijn uit financiële bronnen voor ontwikkeling maar uit andere begrotingsposten.
Het doel van het in dit verslag bepleite wetgevingsvoorstel is de ontwikkeling te bevorderen en niet te beperken door vermindering van de beschikbare ontwikkelingsgelden ten gunste van andere maatregelen. Daarom is het zo belangrijk dat het onderscheid tussen enerzijds maatregelen krachtens de werkingssfeer van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en anderzijds maatregelen krachtens de nieuwe wetgevingsbepalingen wordt weerspiegeld in de vaststelling van de fondsen voor de financiering ervan.
Mairead McGuinness (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil eerst de rapporteur bedanken voor dit verslag. Ik ben het eens met zijn eerste opmerking over de economische crisis, de bijzondere gevolgen daarvan voor de ontwikkelingslanden en, inderdaad, het feit dat we onze doelstelling van 0,7 procent ontwikkelingshulp niet halen. Dat is zeer triest, want als de ontwikkelde landen hoesten, hebben de ontwikkelingslanden longontsteking.
Ik ben naar dit debat gekomen omdat ik graag de argumenten over de rechtsgrondslagen wilde horen. Ik heb de indruk dat men in feite bang is dat de begroting te dun zal worden uitgesmeerd. Laten we het beestje bij de naam noemen, en ik citeer de opmerkingen van een hulporganisatie die vandaag contact met mij opnam: “We steunen het verzoek van het Parlement om een financieringsinstrument voor niet-ODA-activiteiten in ontwikkelingslanden, maar we zijn absoluut van mening dat dit instrument een rechtsgrondslag moet hebben die passend is voor de activiteiten die het van plan is te financieren. De toepassing van artikel 179 als rechtsgrondslag op activiteiten die geen ontwikkelingshulp zijn, is duidelijk niet gepast en zou dus in strijd zijn met zowel het EG-Verdrag als het acquis communautaire. Het opent tevens de mogelijkheid om niet-ODA-activiteiten in de toekomst te financieren uit rubrieken die bedoeld zijn voor werkelijke ontwikkelingsactiviteiten. We hopen van ganser harte dat het amendement zal worden ingetrokken.’
Als lid van de PPE-DE-Fractie ben ik hier vanavond aanwezig om naar beide zijden van deze discussie te luisteren, maar ook om gewag te maken van de lobbyactiviteiten van heel oprechte mensen op het gebied van de ontwikkelingshulp, aan wier belangen ik aandacht moet schenken.
Ik herhaal dat we wij misschien minder reden hadden om ons druk te maken over de rechtsgrondslag als we zwommen in het geld. Het probleem is dat we niet zwemmen in het geld. Degenen die betrokken zijn bij de ontwikkelingsagenda – het belangrijkste punt van zorg – vrezen dat het beschikbare geld over teveel activiteiten zal worden uitgesmeerd. Ik ben daar echter nog niet van overtuigd.
Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Ferrero-Waldner, dames en heren, ik wil niet spreken over de rechtsgrondslag maar over de overlevingsgrondslag. Hierbij spelen de kleine en middelgrote ondernemingen een zeer belangrijke rol. Juist in een financiële crisis is goede kredietwaardigheid belangrijk, zodat deze ondernemingen nog steeds microkredieten kunnen verkrijgen.
Ik wil er in het bijzonder op wijzen dat het instrument microkredieten wereldwijd eigenlijk zeer succesvol gebleken is, en dat we moeten overwegen hoe we juist in het kader van de WTO-ronde – die nu hopelijk spoedig zal worden afgerond - kunnen zorgen voor de overeenkomstige handelsfaciliteiten voor de betrokken families in deze gebieden.
Welvaart ontstaat immers daar waar mensen iets kunnen produceren, hiervan zelf kunnen leven en hun families hiermee kunnen voeden. Als het dan ook nog lukt om iets te verkopen, is welvaart gegarandeerd. In die zin hoop ik dat het ontwikkelingsbeleid de juiste richting op zal gaan.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, na alle bijdragen te hebben gehoord is het mij duidelijk dat de belangrijkste zorg van de afgevaardigden de keuze van de rechtsgrondslag is.
Ik heb in mijn inleiding aangegeven in welke richting de Commissie wil gaan, maar ik zal met alle genoegen ook uw suggesties overwegen.
U weet dat we voor alle landen de beste ontwikkelingshulp willen; dit is onze belangrijkste drijfveer. Laten we dus samenwerken om de juiste oplossing te vinden.
Thijs Berman, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben geen jurist en ik ben niet erg thuis in recht, maar ik weet wel dat je moet vermijden wetsteksten al te ruim uit te leggen. Dat is mijn angst als we artikel 181 A zouden gebruiken, want dit artikel heeft het over economische en technische samenwerking, terwijl wij het hebben over studenten die naar het buitenland gaan in het kader van uitwisselingen tussen universiteiten. Het is een beetje riskant. Ik ben er niet tegen, en als de Commissie het ziet als een uitweg voor niet-ODA-activiteiten, die we allemaal nodig en belangrijk vinden, dan zal ik erin meegaan. Misschien maak ik me gewoon zorgen omdat ik journalist ben. Ik houd van teksten en ik neem woorden serieus, wat de essentie van Europa is – zijn humanisme, teksten serieus nemen en taal serieus nemen. Je moet heel voorzichtig zijn met woorden. Artikel 181 A is dus een optie, maar ik ben er niet erg gelukkig mee.
Ik was echter wel blij met de opmerking van mevrouw McGuinness dat ze nog moet worden overtuigd. Zij is Ierse, heeft haar overtuigingen en houdt vast aan haar principes, zoals wij dat eigenlijk allemaal doen. Als het morgen niet mogelijk blijkt om overeenstemming te bereiken over de juiste rechtsgrondslag, zou ik dit graag terugverwijzen naar mijn commissie en de tijd nemen om tot een besluit te komen over een passende rechtsgrondslag, want we weten allemaal dat niet-ODA-activiteiten noodzakelijk zijn.
Ik bedank de Commissie voor haar opmerking dat niet-ODA-activiteiten in de loop van de tijd in de ontwikkelingslanden, in landen met een middeninkomen enzovoort, steeds belangrijker zullen worden. We zijn het allemaal eens over de noodzaak ervan, en we het zijn allemaal eens over de noodzaak een rechtsgrondslag te vinden. Sommige van ons zijn het ermee eens dat artikel 179 niet de grondslag is die we zoeken.
Als ik voor de stemming van morgen rond het middaguur niet tot overeenstemming kan komen met de PPE-DE-Fractie – wat jammer zou zijn – zal ik vragen om terugverwijzing naar mijn commissie. Ik ben bereid dat te doen, en ik zal dat ook doen als morgen over het amendement wordt gestemd. Ik zou het heel jammer vinden als dit het standpunt was van de PPE-DE-Fractie, want we zijn het allemaal eens over de noodzaak om de ontwikkelingshulp op het peil van vandaag te houden, en we weten allemaal dat dit peil met de economische crisis daalt.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Angelika Beer (Verts/ALE), schriftelijk. – (DE) Bij de toetsing van de nieuwe financieringsinstrumenten van extern beleid is gebleken dat de samenwerking met derde landen hiaten vertoont. Daarom stellen wij voor het industriële instrument in een andere vorm te gieten.
De Commissie buitenlandse zaken vond het niet zinnig om de nieuwe rechtsgrondslag van het instrument te beperken tot een klein aantal samenwerkingsgebieden. Daar komt bij dat de huidige beleidsgebieden (cultuur, jeugd, onderzoek) ontleend zijn aan het Europees intern beleid en tot dusverre helemaal niet bedoeld waren om de samenwerking met derde landen te bepalen. Dat is echter slechts een van de punten waarover de Commissie buitenlandse zaken bezorgd is. Wat gebeurt bijvoorbeeld als het binnenkort wenselijk wordt om op het gebied van klimaatbeleid te gaan samenwerken met andere landen? Moeten we dan telkens een nieuwe rechtsgrondslag voor het instrument creëren? Willen we dat telkens doen wanneer het samenwerkingsgebied verandert?
Ons ligt de hervorming van de instrumenten voor het buitenlands beleid na aan het hart. Het moet dus duidelijk zijn dat wij elkaar niet in de haren zullen zitten.
Louter om deze reden hebben de groenen samen met de tweede rapporteur van de Commissie buitenlandse zaken het amendement maandag ingetrokken.
Inhoudelijk vinden wij dat ons voorstel een ruimer perspectief biedt en een coherent buitenlands beleid mogelijk maakt. Dit verslag is echter slechts een aanbeveling voor de Commissie. We zullen zien wat zij daarmee doet.
Sirpa Pietikäinen (PPE-DE), schriftelijk. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Europese Unie is met een aandeel van 60 procent de grootste donor van ontwikkelingshulp ter wereld. De grote rol van de Europese Unie als belangrijkste speler in ontwikkelingssamenwerking moet in de toekomst nog groter worden.
Om de economieën van de ontwikkelingslanden te stabiliseren en om de vrede daar te handhaven is het van wezenlijk belang dat de Europese Unie zich houdt aan haar doel om tot 2015 haar ontwikkelingshulpaandeel te laten stijgen tot 0,7 procent van het BBP. Dat alleen is echter niet genoeg.
Het is van wezenlijk belang om op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te zorgen voor een algemene samenhang tussen de verschillende instellingen. Financiële investeringen, projecten voor het opbouwen van infrastructuur en meer respect voor de mensenrechten moeten zo worden uitgevoerd dat ze elkaar ondersteunen. De Europese Unie moet voor de benodigde instrumenten zorgen om samenhangende maatregelen in het kader van het ontwikkelingsbeleid ten uitvoer te kunnen leggen.
De huidige communautaire rechtsgrondslag voor ontwikkelingssamenwerking kent echter gebreken en daarom wil ik de rapporteur bedanken voor het naar voren brengen van een belangrijke zaak. Projecten die gericht zijn op het verbeteren van de vervoers-, technologie- en energiesector, wetenschappelijke samenwerking en de dialoog met niet-gouvernementele organisaties zijn van wezenlijk belang voor de maatschappelijke levensvatbaarheid in ontwikkelingslanden. Het hoofddoel van dergelijke projecten is echter niet het bevorderen van de economische ontwikkeling en de welvaart in de ontwikkelingslanden, en daarom voldoen zij niet aan de officiële criteria voor ontwikkelingshulp van de OESO. Ook in de toekomst moet officiële ontwikkelingshulp vooral gericht zijn op het bestrijden van armoede en het verbeteren van de leefomstandigheden van mensen.
24. Communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERI) (debat)
De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0007/2009) van Teresa Riera Madurell, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERI) [COM(2008)0467 - C6-0306/2008 - 2008/0148(CNS)].
Teresa Riera Madurell, rapporteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, allereerst zou ik er op willen wijzen dat in de Commissie industrie, onderzoek en energie over dit verslag eenparigheid werd bereikt. Deze eenparigheid was mogelijk dankzij het goede werk van en de goede samenwerking tussen de schaduwrapporteurs, die er grotendeels toe hebben bijgedragen dat een bruikbaar verslag over een zo belangrijk onderwerp als de Europese onderzoeksinfrastructuur kon worden opgesteld.
Ik moet zeggen dat het Parlement het met de Commissie eens is dat wij, gezien de mondialisering van het onderzoek en het verschijnen van nieuwe wetenschappelijke en technologische machten als bijvoorbeeld China en India op het wereldtoneel, de opbouw van een nieuwe Europese onderzoeksruimte dringend dienen te bespoedigen en dientengevolge dienen te stimuleren.
Het is van groot belang dat wij er zo spoedig mogelijk voor zorgen dat de Europese Unie een ruimte is waarin onderzoekers, technologieën en kennis zich vrij kunnen bewegen, waarin de onderzoeksactiviteiten doeltreffend worden gecoördineerd en waar zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen. Hiervoor zijn onder andere grote onderzoeksinfrastructuren op Europees niveau vereist.
Dergelijke infrastructuren bieden ook uitstekende mogelijkheden tot samenwerking tussen de verschillende lidstaten. Daarvan valt ook een significant effect voor het wetenschappelijk onderwijs aan onze jongeren en een grote economische impuls voor de Europese industrie te verwachten. Daarom zijn ze van essentieel belang voor de vooruitgang van de wetenschap in Europa, en wij moeten dan ook de ontwikkeling ervan bevorderen. Het Parlement juicht daarom het initiatief van de Commissie toe dat hiervoor een wettelijk kader en voorwaarden voorstelt.
Van meet af aan waren wij namelijk van mening dat de ontwikkeling van Europese onderzoeksinfrastructuren een van de pijlers van de Europese onderzoeksruimte vormt. We waren ons echter altijd bewust van de moeilijkheden die we uit de weg moesten ruimen, niet alleen omdat dergelijke infrastructuren aanzienlijke financiële middelen vereisen – er zij aan herinnerd dat het stappenplan van ESFRI voorziet in 44 projecten die in de komende tien jaar dienen te worden uitgevoerd – maar ook vanwege de technische en organisatorische complexiteit.
Hierbij wil ik er nog eens op wijzen dat het Parlement bij een initiatief van dit kaliber een veel beslissendere rol zou moeten hebben gespeeld. De urgentie van deze maatregelen en het ontbreken van een betere rechtsgrondslag in het huidige Verdrag zijn echter voldoende rechtvaardiging voor de toepassing van artikel 171. Dit neemt niet weg dat dit een reden te meer is om erop te hameren dat er zo snel mogelijk een nieuw Verdrag moet komen.
Ik zal in het kort een paar positieve bijdragen van het verslag aanstippen. Ten eerste verduidelijkt het de definitie van de ‘Europese onderzoeksinfrastructuur’ om verwarringen tussen de juridische entiteit en de feitelijke onderzoeksinfrastructuur te vermijden. Het verduidelijkt en vervolledigt ook de voorwaarden waaraan een stuk onderzoeksinfrastructuur moet voldoen om als Europees te worden beschouwd, waarbij het belangrijke zaken toevoegt als een effectbeoordeling van het voorstel op Europees niveau, waarin de subsidiabiliteit wordt onderbouwd en erop wordt toegezien dat er sprake is van een goed toegangsbeleid voor de gehele Europese wetenschappelijke gemeenschap.
We stellen ook voor om dit initiatief tot de bestaande infrastructuur uit te breiden, en we verlenen onze volledige steun aan het voorstel van de Commissie voor BTW-vrijstelling, dat volgens ons het belangrijkste onderdeel van dit initiatief is.
Daarom willen we een duidelijk signaal aan de Raad geven en zeggen dat hij zijn problemen rond deze kwestie zo snel mogelijk moet oplossen. Ook willen we nog eens benadrukken dat we, als we het onderzoek in Europa willen bevorderen, het van de bestaande belastingdruk moeten bevrijden. Wij hebben herhaaldelijk voor deze maatregel gepleit, teneinde KMO’s aan te moedigen om aan O&O-taken deel te nemen, en we moeten deze maatregel nu steunen in de context van de opbouw van grote onderzoeksinfrastructuren op Europees niveau, omdat deze van wezenlijk belang zijn voor de vooruitgang van de wetenschap.
Tot slot wil ik nog eens mijn dank betuigen aan alle schaduwrapporteurs, aan de Commissie voor haar uitstekende bijdrage en aan de diensten van de Commissie industrie, onderzoek en energie voor hun ondersteuning bij de opstelling van dit verslag.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil op de allereerste plaats mijn dank uitspreken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) en in het bijzonder aan de rapporteur, mevrouw Riera Madurell, voor hun steun aan ons voorstel voor een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur. Uw woorden waren muziek in mijn oren!
Ik wil ook de schaduwrapporteurs van de Commissie industrie, onderzoek en energie bedanken voor hun constructieve steun.
Samen komen we een belangrijke stap dichter bij een rechtskader dat de lidstaten in staat zal stellen samen te werken aan het opzetten van nieuwe, grote onderzoeksinfrastructuren, die steeds complexer en duurder worden en alleen kunnen worden opgebouwd als meerdere Europese landen samenwerken.
U hebt het nieuwe rechtskader diepgaand besproken en u hebt veel amendementen ingediend die de tekst helpen verduidelijken en deze een betere structuur geven, met name op het punt van definitie, bereik en status, en door verwijzingen op te nemen naar het Europees Strategieforum voor onderzoeksinfrastructuren (ESFRI).
De Commissie zal zich alle mogelijke inspanningen getroosten om implementatie van deze amendementen door de Raad te steunen.
We zijn vooral blij dat we het eens zijn over het belangrijkste aspect van de discussies die op dit moment in de Raad plaatsvinden, waardoor mogelijk de goedkeuring wordt geblokkeerd, namelijk het vraagstuk van de BTW.
Zoals u weet, zijn alle lidstaten het erover eens dat door meerdere landen opgezette onderzoeksinfrastructuren moeten worden vrijgesteld van belastingen in het gastland.
Dit wordt, voor werkdoeleinden, vaak behandeld als een kwestie van belastingvrijstelling. Dat leidt tot enige verwarring. In werkelijkheid betreft het uitsluitend de tenuitvoerlegging van de bestaande BTW-richtlijn, die al door de Raad is goedgekeurd en vastgesteld. De echte vraag is of Europese onderzoekinfrastructuren de status van een internationale organisatie moeten krijgen, als gedefinieerd in de BTW-richtlijn, en of zij dus moeten worden vrijgesteld van het betalen van BTW. We hebben het dus niet over fiscale harmonisatie, maar over het opzetten van de rechtspersonen die verband houden met onderzoeksinfrastructuren.
De juridische diensten van de Commissie en de Raad hebben beide duidelijk verklaard dat dit de juiste plek is. Dit is dus puur een politiek besluit over het belang dat de lidstaten hechten aan het opzetten van nieuwe onderzoeksfaciliteiten van wereldklasse in Europa.
Uw niet aflatende steun op dit gebied zou van groot belang kunnen zijn!
VOORZITTER: GÉRARD ONESTA Ondervoorzitter
Paul Rübig, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, Lambert van Nistelrooy zei eens dat het hierbij gaat om de definitie van de “vijfde vrijheid”. De “vijfde vrijheid” is simpelweg de vrijheid van onderzoekers, die niet gebonden zouden moeten zijn aan regionale, nationale of internationale niveaus.
We moeten eenvoudigweg ervoor zorgen dat er een context en rechtskader komen waarin onderzoekers kunnen doen wat de maatschappij van hen verwacht. Daarbij gaat het niet alleen om onderzoek aan universiteiten – academisch onderzoek – of in de industrie, maar met name ook om onderzoek in kleine en middelgrote ondernemingen. Tot slot is het eveneens belangrijk dat de onderzoeksresultaten telkens worden gepresenteerd en toegankelijk worden gemaakt.
Het afgelopen jaar hebben we hier in het Parlement de Energy Club gepresenteerd, waarbij ondervoorzitter Onesta aanwezig was. Toen gaven de wetenschappers en de verantwoordelijken blijk van veel enthousiasme over uitvindingen die voor ons allemaal van groot nut kunnen zijn. Het creëren van dergelijke onderzoeksinstrumenten is precies het juiste antwoord op de huidige economische en energiecrisis. Daardoor kunnen er nieuwe producten en diensten worden ontwikkeld die dan wereldwijd op de markt gebracht kunnen worden. Het initiatief van de Commissie op dit vlak is dan ook bijzonder welkom omdat het organiseren van dergelijke initiatieven de internationale mogelijkheden versterkt. Vooral de internationale samenwerking wordt voor ons in Europa, maar ook voor onze partners, steeds belangrijker. We hebben hier in Europa tenslotte het gebied met de grootste koopkracht ter wereld gecreëerd, en 500 miljoen burgers in Europa hebben het recht om zo snel en efficiënt mogelijk te profiteren van de onderzoeksresultaten Ik dank u.
Adam Gierek, namens de PSE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het doel van de Europese Onderzoeksinfrastructuur (ERI) is het opzetten van unieke onderzoekscentra onder leiding van de meest befaamde specialisten die op specifieke domeinen werken. Deze centra moeten naar mijn mening kunnen beschikken over heel wat dure, geavanceerde apparatuur en moeten bemand worden door een team van wetenschappers. De ERI zal gebruikt worden voor experimenteel onderzoek naar fenomenen uit de wereld om ons heen. Daarbij zullen hoofdzakelijk inductieve methodes worden toegepast en zal het doel zijn praktische oplossingen te vinden. De ERI moet ook gebruikt worden om jonge wetenschappers op te leiden.
Ik denk dat het Europese Strategieforum voor onderzoeksinfrastructuren niet gericht is op het na-apen van bestaande centra van uitmuntendheid, maar op het creëren van aparte onderzoekseenheden met behulp van structuurfondsen en nationale middelen. Deze onderzoekseenheden zullen een aanvulling zijn op de centra van uitmuntendheid, een infrastructuur van gespecialiseerde onderzoekseenheden in het leven roepen en een uniform netwerk vormen over de hele Unie. Jonge, ambitieuze Europese onderzoekers zijn hierdoor niet genoodzaakt om voor de verwezenlijking van hun ideeën de oceaan over te steken. De voorwaarden voor het efficiënt functioneren van de ERI zijn dus naar mijn mening een hoge graad van specialisatie en mobiliteit met betrekking tot het onderzoeksmilieu. Het onderzoek zal effectiever worden als tijdsbeperkingen worden ingevoerd en het verspreid wordt over verschillende locaties, dat wil zeggen als taken van fundamenteel onderzoek tegelijkertijd worden uitgevoerd in verschillende gespecialiseerde internationale ERI-eenheden, die, omdat ze geen economische entiteiten zijn, vrijgesteld moeten zijn van belastingen.
Ik dank u voor uw aandacht, ik feliciteer mevrouw Madurell en wens de Commissie een snelle uitvoering van dit project toe, dat interessant is maar nader ingevuld moet worden.
Vladko Todorov Panayotov, namens de ALDE-Fractie. – (BG) Ik wil Teresa Riera Madurell feliciteren met dit verslag, dat ons dichter brengt bij de succesvolle verwezenlijking van een Europese onderzoeksruimte. Ik ben ervan overtuigd dat we door een netwerk van wetenschappelijke onderzoekspartnerschappen tussen de lidstaten op te zetten een concurrerende en winstgevende economie kunnen creëren die gebaseerd is op kennis en innovatie. Het zou niet mogelijk zijn om kennis uit te wisselen zonder de relevante infrastructuur, aangezien infrastructuur een sleutelrol speelt bij het creëren van een doeltreffende omgeving voor het uitvoeren van modern en broodnodig wetenschappelijk onderzoek.
Op dit moment is alle activiteit beperkt tot samenwerkingsverbanden tussen individuele onderzoekscentra. Daarnaast ontbrak het ons tot nu toe aan de nodige juridische instrumenten die het mogelijk zouden maken om een geschikt partnerschap op te zetten met deelnemers uit verschillende landen, hetgeen in feite de sleutel tot succes is op dit gebied. Het ontbreken van dergelijke juridische instrumenten vormde een grote belemmering voor de processen van onderzoeksintegratie van de nieuwe lidstaten. Deze lidstaten beschikken over een enorm onderzoekspotentieel, dat moet worden opgenomen in de Europese Unie.
Dit verslag draagt niet enkel bij aan het leggen van de juridische fundamenten voor het opzetten van een onderzoeksinfrastructuur, maar zal ook verkeer van kennis in de Europese Unie mogelijk maken, het prestige en de autoriteit van de Europese onderzoekscentra op wereldniveau vergroten en de werkgelegenheid verhogen. Het zal bovendien bijdragen aan het vinden van adequate oplossingen voor nieuwe ecologische uitdagingen. Ik feliciteer nogmaals de rapporteur, mevrouw Riera Madurell.
Nils Lundgren, namens de IND/DEM-Fractie. - (SV) Hebben wij een Europese economische juridische entiteit op het gebied van onderzoek nodig, of is dit het zoveelste voorbeeld van de voortdurende strijd van de Europese Unie tegen Europees pluralisme? De waarheid is natuurlijk dat er institutionele concurrentie nodig is voor succesvolle institutionele hervormingen. Stel je voor dat er vijftig jaar geleden een internationaal rechtskader voor onderzoek was vastgelegd! Dan zou de ontwikkeling op dit gebied zijn gestopt. Het wijzigen van internationale verdragen is moeilijk en gaat daarom langzaam. Er wordt vooruitgang geboekt als landen hun nationale instellingen gemakkelijk kunnen hervormen. Succesvolle hervormingen verspreiden zich dan naar andere landen.
Het voorstel van de Commissie is zeker geen dwangbuis. Het biedt een alternatief voor bestaande nationale voorstellen en houdt in dat opzicht een verbetering in. Het voorstel wordt echter volkomen verpest doordat de Commissie ook de belasting van deze juridische entiteit op communautair niveau wil reguleren. Het voorstel moet daarom worden afgewezen.
Erna Hennicot-Schoepges (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik denk dat we kunnen spreken van een aanzienlijke vooruitgang binnen het Europese onderzoeksbeleid. Dit is te danken aan het beoordelingsverslag van het zesde kaderprogramma, maar ook aan het overpeinzingsproces gedurende de uitwerking van het zevende kaderprogramma.
U hebt verklaard, mijnheer de commissaris, dat bepaalde lidstaten nu toestemming hebben om zich te verenigen. Het is op z’n minst absurd dat daar speciale toestemming van de Europese Unie voor nodig is, maar desondanks is het vooruitgang. Wat mij zorgen baart, is uw constatering dat de BTW van toepassing zal zijn volgens het laagste tarief, en dat de situatie van het internationaal statuut nog niet geheel is opgehelderd; dat is althans wat ik heb begrepen.
Artikel 171 is aangehaald voor de stemming over de gemeenschappelijke onderneming SESAR. Wij hebben tweemaal over dit plan gestemd, omdat het internationale statuut in de eerste versie niet was bevestigd en de gemeenschappelijke onderneming dus niet kon worden opgericht. Een andere gemeenschappelijke onderneming, Galileo, kon helemaal niet worden opgericht.
Ik zou graag de volgende vragen willen stellen. Wat wordt het aandeel van de communautaire financiering? Komt er een financiering voor landen die zich verenigen om te voorkomen dat middelen voor onderzoeksinfrastructuren worden verspild en om deze infrastructuren extra te bevorderen? Tot slot, wordt het eindelijk mogelijk cohesiemiddelen te gebruiken voor onderzoeksdoeleinden, zodat uitmuntendheid en cohesie met elkaar worden verenigd?
Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) 2009 is het Europees Jaar van creativiteit en innovatie.
De oprichting van een Europese onderzoeksinfrastructuur die kan werken op niet-economische basis, zal helpen bij de stroomlijning van de onderzoeksprogramma’s van de Gemeenschap. Ook zullen de resultaten van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstraties op communautair niveau worden geoptimaliseerd en beter verspreid worden.
Ik ben verheugd over het feit dat deze infrastructuur cofinanciering kan ontvangen via de financiële instrumenten van het cohesiebeleid, overeenkomstig de verordeningen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Sociaal Fonds en het Cohesiefonds.
Ik wil benadrukken dat het van levensbelang is met deze infrastructuur een koppeling te maken tussen onderzoeksinstituten en -structuren, universiteiten, de academische en de particuliere sector, om de economie in staat te stellen te profiteren van de toepassing van onderzoeksresultaten.
Desalniettemin wil ik opmerken dat we er, vooral tijdens de huidige crisis, voor moeten zorgen dat ten minste 1 procent van het BBP van een lidstaat wordt besteed aan onderzoek.
Dragoş Florin David (PPE-DE). – (RO) De notie van een gemeenschappelijke Europese onderzoeksruimte en een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur is het basisbeginsel voor het bereiken van de doelstellingen van de strategie van Lissabon met betrekking tot economische groei, meer werkgelegenheid en de totstandbrenging van een dynamische kenniseconomie.
De onderzoeksinfrastructuur speelt een steeds belangrijker rol bij de bevordering van kennis en technologie dankzij haar vermogen om menskracht en investeringen te mobiliseren tot een kritische massa en daarmee een cruciale bijdrage te leveren aan de Europese economische ontwikkeling. Wij hebben voorgesteld onderzoek te voorzien van concurrerende financiering, een toereikende infrastructuur en regelgeving inzake intellectuele eigendom, en onderzoekers doelmatige mobiliteit te garanderen in ons streven om van de Europese Unie een vooraanstaande internationale onderzoekspartner te maken.
Vandaag consolideren wij met dit voorstel voor een verordening betreffende een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur, de totstandbrenging van een vijfde vrijheid in Europa: het vrije verkeer van kennis. De huidige verordening zal een pijler zijn van de onderzoeksontwikkeling in Europa, omdat de Europese onderzoeksinfrastructuur de wetenschappelijke uitmuntendheid van het communautaire onderzoek en het concurrentievermogen van de communautaire economie zal garanderen op basis van voorspellingen op middellange en lange termijn en met doeltreffende steunverlening aan Europese onderzoeksinitiatieven.
In de huidige economische crisis kan de zo snel mogelijke tenuitvoerlegging van deze verordening, in combinatie met aanmoedigingsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling, de vaststelling van gemeenschappelijke normen in de kennissector en de modernisering van nationale onderwijsstelsels, echte oplossingen opleveren waarmee de crisis kan worden bestreden.
Ik vind dat we op dit ogenblik onze aandacht direct moeten richten op de bestaande verschillen in infrastructuur voor innovatie en onderzoek tussen ontwikkelde lidstaten en die waarvan de economie nog in ontwikkeling is, om te voorkomen dat we een grote migratiestroom op gang brengen van onderzoekers uit recent toegetreden lidstaten naar lidstaten waarvan de economie zich in de frontlinie van de wereldeconomie bevinden. Een homogene verdeling van de onderzoeksinfrastructuur en -mogelijkheden binnen de Europese Unie zou de gehele Europese Unie ten goede komen en zou helpen bij de bestrijding van migratie van wetenschappers van oost naar west.
Ik wil tot slot de rapporteur, Riera Madurell, en haar collega’s van de Commissie industrie, onderzoek en energie feliciteren met hun bijdrage in de vorm van dit verslag.
Avril Doyle (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, kunt u de vijf minuten niet verdelen over de twee leden die om het woord hebben gevraagd? Ik zou graag twee minuten krijgen, als het kan.
De Voorzitter. – U brengt me wel in een lastig parket. Het Reglement staat één minuut toe. Eén minuut.
Avril Doyle (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met alle respect, we hebben al twee minuten verspeeld door hierover te praten. In de ‘catch the eye’-procedure krijgt de zaal vijf minuten. Ik heb aan andere debatten deelgenomen waar er misschien een, twee of drie sprekers waren en we de tijd hebben verdeeld. Ik weet niet hoe het met de andere collega's zit, maar ik wil slechts twee minuten.
Mijnheer de Voorzitter, dank u wel dat u mij toestaat misbruik te maken van uw geduld.
Ik sta volledig achter het creëren van een rechtsstatus voor nieuwe Europese onderzoeksinfrastructuren voor pan-Europese onderzoeksprojecten en pan-Europese financiering.
Ik heb twee korte punten. Ik heb hier voor me een publicatie met de titel ‘A more research-intensive and integrated European Research Area: Science, Technology and Competitiveness key figures report 2008/2009’. Ik complimenteer de commissaris en zijn medewerkers hiermee. Ik denk dat de cijfers mogelijk verouderd zijn, gezien de sterke daling van het BBP in de hele EU en elders. Ik heb in het bijzonder nota genomen van het feit dat de overheidsfinanciering van O&O anticyclisch kan zijn, zoals dat in het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw en in het begin van dit decennium het geval was in respectievelijk Japan en de VS. Toen hun BBP instortte, stegen de overheidsinvesteringen in O&O.
Kunt u uit wat we momenteel in de EU doormaken, op grond van wat we beschikbaar hebben in het zevende kaderprogramma en uit de lidstaten, en gezien de huidige ineenstorting van de economische groei in de hele EU – we zijn niet de enige in de wereld – afleiden of we een en ander zullen kunnen compenseren met meer overheidsfinanciering van O&O?
Mijn tweede punt betreft het vreselijke vooruitzicht voor het EU-aandeel in het aantal octrooiaanvragen wereldwijd, dat alarmerend is gedaald. U zegt dat dit mogelijk zou kunnen worden verklaard door de hoge octrooikosten in Europa. In Europa liggen de kosten en de bijkomende kosten van octrooiaanvragen meer dan 20 procent hoger dan in de VS en dertien keer zo hoog als in het geval van het Japanse Octrooibureau, terwijl de kosten voor het handhaven van octrooibescherming in de zevenentwintig lidstaten in de EU meer dan zestig keer zo hoog zijn als in de VS – met vreselijke gevolgen. Commissaris, zou u ons misschien kunnen vertellen hoe we dit zo snel mogelijk kunnen oplossen?
Commissaris, ik wil u nogmaals feliciteren met deze fascinerende publicatie.
Mieczysław Edmund Janowski (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de rapporteur willen bedanken voor haar werk. Ik verwijs hier naar een uitspraak van mevrouw Doyle. Gedurende deze tijd van economische crisis kunnen we het ons niet veroorloven de fout te maken om wetenschap, onderzoek en de mensen die in deze sectoren werkzaam zijn te verwaarlozen. Daarom ondersteun ik de maatregelen met betrekking tot het creëren van een rechtskader voor de Europese Onderzoeksinfrastructuur.
We moeten ons ervan bewust zijn, dat voor het ERI zowel een rechtskader als adequate middelen nodig zijn, maar dat dit geld niet afkomstig mag zijn van bijdragen die door individuele regio’s of zelfs landen bestemd zijn. Ook de kwestie van een passende belastingheffing is hier van belang. Bovendien ben ik van mening dat er een betere samenwerking nodig is tussen wetenschappelijke centra en bedrijfsleven, waaronder ook kleine als middelgrote ondernemingen. Ik ben ervan overtuigd dat het ERI ook zal bijdragen aan de verbetering van de situatie van de mensen die in het onderzoek werkzaam zijn, vooral jonge mensen, zoals de heer Gierek al opmerkte, mits het op een correcte manier gekoppeld wordt aan de kaderprogramma’s. Dit kan ook een braindrain uit Europa voorkomen. We moeten voor ogen houden dat volgens de strategie van Lissabon investeringen in wetenschap en onderzoek drie procent van het BNP moeten bedragen. Op dit moment is dit voor de Europese Unie – de gegevens betreffen het jaar 2007 – slechts 1,84 procent. Ik vertrouw er daarom op dat het ERI deze situatie zal verbeteren.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u op de eerste plaats bedanken voor uw steun. Ik denk dat we allemaal begrijpen hoe belangrijk het is dat we praten. Ik volg misschien niet de precieze volgorde van de vragen, maar zal wel proberen kort te reageren op wat u hebt gevraagd.
Mevrouw Doyle, wat betreft overheidsfinanciering, de ervaringen uit het verleden leren dat de particuliere financiering in tijden van crisis doorgaans omlaag gaat. Daarom mogen we niet de grote fout maken om met overheidsfinanciering dat patroon te volgen, want dat zou ons na de crisis in een volstrekt ongepaste situatie brengen. Dat is de reden waarom overheidsfinanciering anticyclisch moet zijn. En dat is ook de reden waarom we, zelfs in Europa, een dergelijk voorbeeld hebben gehad, namelijk aan het begin van de jaren negentig in Finland. Ik vind dat we iets dergelijks moeten doen en dat pad moeten volgen.
De kosten van octrooiaanvragen zijn opvallend. Ik denk dat er geen eenvoudig antwoord is. Een antwoord dat horizontaler is dan wat we kunnen doen, zou zeker ‘beter’ zijn. Vorig jaar hebben we ons best gedaan en hebben we voorgesteld dit octrooiplaatje te verklaren in relaties tussen particuliere en overheidsinstellingen, maar dat is zeker niet het antwoord op de omvang van het probleem waar we met betrekking tot octrooiaanvragen voor staan.
Ik kom nu op het voorstel over de vragen over de financiering uit hoofd van het zevende kaderprogramma. Tot nu toe hebben we de voorbereidende fase gefinancierd van de projecten die zijn vrijgegeven. Het is niet de bedoeling dat we institutioneel de infrastructuur gaan financieren. Dat zal gebeuren door de lidstaten. Het zijn ook de lidstaten die zullen beslissen over bijvoorbeeld de plaats waar deze infrastructuur zal worden gevestigd. Wanneer dit is afgerond, zullen we echter zeker de subsidies financieren, zoals voor elke andere infrastructuur.
Dat is echt de enige weg voorwaarts. Ik herinner u eraan dat, toen we de kwestie van de begroting van de onderzoeksinfrastructuur bespraken, dit de begroting was waarop in procentpunten het meest was bezuinigd van het hele zevende kaderprogramma. Ik ben echter redelijk optimistisch. We maken goede vorderingen en ik denk dat wetgeving goede oplossingen brengt.
Wat betreft de BTW, wil ik precies zijn. We stellen in de wetgeving geen BTW-vrijstelling voor. We zijn van mening dat, als meer landen hun krachten bundelen om een gemeenschappelijke infrastructuur op te zetten, bijvoorbeeld tussen Duitsland en Slovenië of het Verenigd Koninkrijk of een ander land, uiteindelijk geen van de landen ermee zal instemmen in een ander land BTW af te dragen. Dat is vandaag de dag ook al zo. Maar waarover gaat het vandaag precies? Momenteel onderhandelen de landen afzonderlijk met het gastland over zo'n vrijstelling. Wat we via deze wetgeving proberen te doen is de status te waarborgen van een internationale organisatie, die daardoor, dankzij de reeds bestaande BTW-wetgeving, een BTW-vrijstelling zal krijgen.
Dat zou in wezen het einde van het verhaal zijn, ware het niet dat de factor tijd is genoemd. Tijd is hier het cruciale probleem. We hebben het daarom nu over de vraag of we de procedure voor het samen opzetten van de onderzoeksinfrastructuur kunnen versnellen en vereenvoudigen. Helaas is de huidige situatie op het gebied van onderzoeksinfrastructuren zo ingewikkeld, dat we tijd verliezen en dus ook geld. In de kern is dat het verhaal.
Ik ben de cohesie vergeten. Het antwoord is ‘ja’.
Dat is, tot slot, precies het punt dat we moeten onderstrepen. We hebben een infrastructuur nodig. We hebben die zo snel mogelijk nodig. Dit is de stap om het hele proces te versnellen. Ik bedank u voor uw begrip hiervoor en ik bedank u ook voor uw steun in dit verband.
De Voorzitter. – Alvorens ik het woord geef aan onze rapporteur wil ik eerst iets verduidelijken aan mevrouw Doyle. We hebben even gekeken naar de technische aspecten.
Iets langer dan een jaar geleden, op 8 januari 2008, ontving u een mededeling van de adjunct-secretaris-generaal over een besluit van de Conferentie van voorzitters van 27 oktober 2007. In paragraaf 3, alinea B, staat heel duidelijk dat de ‘catch the eye’-procedure maximaal vijf minuten mag duren en dat de spreektijd beperkt is tot maximaal één minuut per spreker.
Zo is het bepaald, maar niettemin hebben wij met groot genoegen geluisterd naar wat u te vertellen had. Ik geef nu het woord aan onze rapporteur, mevrouw Riera-Madurell.
Teresa Riera Madurell, rapporteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag iedereen die aan dit debat heeft deelgenomen willen bedanken voor hun bijdragen, en ik zou ook graag de commissaris voor zijn woorden willen danken en zeggen dat ik het volledig eens ben met zijn zeer heldere uitleg over de BTW-kwestie. Tot besluit zou ik gewoon willen zeggen dat de meerderheid van ons het eens is met de grondbeginselen. De boodschap is duidelijk: onderzoek op topniveau heeft een onderzoeksinfrastructuur van hoge kwaliteit nodig, en met name vanwege de hoge ontwikkelings- en bedrijfskosten is het belangrijk om een groot gedeelte van deze onderzoeksinfrastructuur te delen. Met andere woorden: het is alleszins verstandig om na te denken over de opbouw van Europese infrastructuur waar de gehele Europese wetenschappelijke gemeenschap baat bij heeft.
Het door ESFRI opgezette stappenplan was ongetwijfeld een stap voorwaarts in richting van een betere planning van de onderzoeksinfrastructuur op Europees niveau. Nu moeten we dit stappenplan alleen nog ten uitvoer leggen. Een van de hoofdproblemen zal zeker de financiering zijn, waarop reeds door sommige van mijn collega’s werd gewezen, omdat de begroting van de Europese Unie ondanks de toename van de middelen voor het zevende kaderprogramma en de steunmogelijkheden voor infrastructuur in de programma’s van het cohesiebeleid, die ook door sommige van mijn collega’s werden genoemd, niet voldoende is om alle noodzakelijke infrastructuur te financieren. Het is daarom van wezenlijk belang dat wij zoveel mogelijk financieringsbronnen beschikbaar stellen, zowel op nationaal niveau als door de particuliere sector, vooral door de industrie, ook al zijn het op dit moment geen echt goede tijden, zoals de commissaris terecht heeft opgemerkt.
Een andere, niet minder grote, hinderpaal was het ontbreken van een rechtskader. Dit was wat de Commissie op het oog had toen ze met dit voorstel op de proppen kwam: het formuleren van een rechtskader en van de noodzakelijke voorwaarden voor de ontwikkeling van Europese onderzoeksinfrastructuren. Dit is een goed voorstel, dat ongetwijfeld nog door het Parlement is versterkt, zoals de commissaris reeds heeft gezegd.
Ik zou de Raad nog eens willen vragen om aan onze boodschap gehoor te geven.
Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen verzoeken of de verwarming tot aan het einde van de vergadering aan kan blijven staan, het is namelijk te koud in het Parlement.
De Voorzitter. – Uw opmerking is genoteerd. Het zou niet slecht zijn als onze nachtvergaderingen wat levendiger en verhitter verliepen; misschien zou dat de temperatuur een paar graden doen stijgen. Hoe dan ook, we zitten wel in een grote zaal.
Het debat over dit fundamentele onderwerp, dat een forse bijdrage zal leveren aan de bevordering van het Europese onderzoek, is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Constantin Dumitriu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Soms, wanneer de economie zich in een neerwaartse spiraal bevindt, komen overheden in de verleiding om te bezuinigen op de fondsen voor onderzoek. Ik ben echter blij dat wij met de behandeling van dit verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur, het belangrijke signaal uitzenden dat onderzoek voor de Europese Unie een prioritaire activiteit blijft.
Ik ben er stellig van overtuigd dat we dankzij de totstandbrenging van dit institutionele kader voor steun aan onderzoeksactiviteiten resultaten te zien zullen krijgen die de Europese economie versterken. De reden is dat onderzoek geen modegril is maar een noodzakelijkheid die het concurrentievermogen van de Europese economie op wereldschaal garandeert.
Ik wil één uiterst belangrijk gebied benadrukken waarop onderzoek een belangrijke rol kan spelen. De komende 25 jaar zal als gevolg van de verstedelijking naar verwachting bijna 25 procent van het land zijn agrarische functie verliezen. Om deze verkleining van het areaal te compenseren zullen we productiever moeten zijn op kleinere gebieden, waarbij minder gebruik wordt gemaakt van water of bestrijdingsmiddelen. De oplossingen kunnen voortkomen uit onderzoek, in het bijzonder op het gebied van biotechnologie, waarbij natuurlijk rekening dien te worden gehouden met het beginsel van voedselveiligheid.
Dit is een reden te meer om steun te geven aan uitbreiding van de onderzoeksactiviteiten en een uniform Europees kader te garanderen.
Daniel Petru Funeriu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Ik ben blij met dit verslag over een communautair rechtskader voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERI) en met het voorstel van de Commissie voor een verordening op dit gebied.
De ERI beantwoordt aan een reële behoefte onder Europese onderzoekers en zal ongetwijfeld de competitie binnen de Europese wetenschapswereld een positieve impuls geven.
Een van de belangrijke aspecten van deze verordening is dat de Europese Unie zo een belang krijgt in ERI-entiteiten. Daarmee krijgt de Unie de gelegenheid deel te nemen in en richting te geven aan trans-Europees onderzoeksbeleid.
Op basis van dat aspect roep ik de Europese Commissie op bij de financiering van de ERI drie zaken in acht te nemen:
1) dat de Gemeenschap zich uitsluitend bezighoudt met projecten met een extreem groot wetenschappelijk potentieel;
2) dat de oprichting van ERI’s wordt gestimuleerd in regio’s die van oudsher het slachtoffer zijn van de ‘brain drain’, zowel binnen als buiten de Gemeenschap;
3) dat de ERI ook goed toegankelijk moet zijn voor bedrijven uit de particuliere sector.
Het communautaire beleid in deze moet een combinatie zijn van wetenschappelijke uitmuntendheid en het stimuleren van de instroom van onderzoekers en van effectieve infrastructuren in bepaalde landen, zoals de nieuwe lidstaten die in 2004 en 2007 tot de Europese Unie zijn toegetreden.
Nicolae Vlad Popa (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Het verslag van Teresa Riera Madurell is vooral van belang omdat het een rechtskader creëert dat nodig is voor de ontwikkeling van een onderzoeksinfrastructuur.
Door de inrichting van een Europese onderzoeksinfrastructuur kan onderzoek op hoog niveau worden gegarandeerd.
Bovendien worden hierdoor nieuwe kansen gecreëerd voor een nauwere samenwerking tussen teams van Europese onderzoekers, waarin ook studenten en technisch personeel kunnen deelnemen, waardoor hightech onderzoek aantrekkelijker wordt voor jonge mensen.
Dit rechtskader moet ook zorgen voor een betere afstemming tussen de industrie en het universitair onderzoek, zodat de implementatie van innovaties beter kan verlopen.
Ik steun het voorstel van de rapporteur, waarin de Commissie wordt gevraagd regelmatig aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de stand van zaken bij de ontwikkeling van de Europese onderzoeksinfrastructuur.
Vanwege de kosten van grootschalige onderzoeksinfrastructuur zullen de landen hun krachten moeten bundelen.
Een communautair rechtskader is absoluut noodzakelijk om de ontwikkeling van deze infrastructuren te faciliteren en te versnellen.
25. Een bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden van de EU (korte presentatie)
De Voorzitter. – Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0039/2009) van Glenys Kinnock, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over een bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden van de EU [2008/2203(INI)].
Glenys Kinnock, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil beginnen met te zeggen dat ik heel blij ben met de mededeling die de Commissie heeft opgesteld. Ik vind deze zowel uitvoerig als ambitieus.
Commissaris, in mijn verslag geef ik aan welke praktische activiteiten, investeringen en processen nodig zijn als we die heel bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden willen concretiseren. De mededeling van de Commissie en de conclusies van de Raad over het externe optreden bouwen voort op de externe dimensie van de EU-strategie inzake de rechten van het kind. Ik denk dat dit heel belangrijk werk is voor de Europese Unie.
Commissaris, ik kijk nu heel erg uit naar activiteiten die passen bij de ambitie die ik zie. We moeten onze woorden vergezeld laten gaan van daden. Dat betekent dat er middelen beschikbaar moeten zijn en - daar zult u het ongetwijfeld mee eens zijn - dat de lidstaten van de Europese Unie natuurlijk niet mogen terugkomen op de door hen aangegane verplichtingen met betrekking tot de financiering van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG). We weten dat het voor het merendeel van de twee miljard kinderen in de wereld iedere dag weer een strijd is tegen armoede en kwetsbaarheid. Zoals we weten leeft 98 procent van de kinderen in onze wereld die onder extreme armoede lijden, in een ontwikkelingsland.
Het is nu bovendien duidelijk dat kinderen en jongeren het effect van de financiële crisis sterk zullen voelen, bijvoorbeeld wanneer wordt bezuinigd op de begrotingen voor gezondheidszorg en onderwijs. Dat is de reden waarom ik het juist vind dat we op het hoogste niveau een politieke toezegging doen, namens en met kinderen. De EU moet in haar partnerschap met de ontwikkelingslanden een kans zien om het overheidsbeleid te beïnvloeden, teneinde het leven van kinderen te redden. Prioritaire acties voor kinderen moeten worden bevorderd wanneer de Europese Commissie onderhandelt over de regionale en thematische strategieën in de landenstrategiedocumenten, wanneer deze worden opgesteld en vervolgens wanneer ze worden herzien.
Wanneer er begrotingssteun is, met inbegrip van MDG-budgetcontracten, moeten daarin specifieke doelstellingen en indicatoren met betrekking tot kinderen worden opgenomen. Ik verwelkom het plan van de Commissie om met de partners nationale actieplannen voor kinderen op te stellen. We hebben garanties nodig dat zelfs de meest gemarginaliseerde kinderen, met inbegrip van kinderen met een handicap en wezen, gelijke toegang krijgen tot gezondheidszorg, welzijn en justitie.
Ik vind dat het personeel van de Commissie, zowel in Brussel als in de delegaties, vaker en beter getraind moet worden, met name ten aanzien van de vraag hoe de inspraak van kinderen kan worden opgezet. We moeten in de Europese Unie radicaal anders gaan denken over de manier waarop we kunnen waarborgen dat naar kinderen wordt geluisterd en kinderen worden uitgenodigd om te participeren, want we beseffen dat het de kinderen zelf zijn die leven geven aan de waarden die zijn vastgelegd in het internationaal recht door middel van het in 1989 gesloten Verdrag inzake de rechten van het kind. Het is mijn ervaring dat de kinderen zelf, de jongeren, grote kennis en een schat aan ervaring hebben – die we moeten benutten – waar het gaat om de manier waarop armoede en de achteruitgang van het milieu moeten worden aangepakt.
Ik verwelkom het feit dat de Commissie het belang erkent van raadpleging tijdens de voorbereiding van de communautaire strategie voor de rechten van het kind. Ik begrijp ook dat deze raadpleging is gepland voor de eerste helft van 2009. Commissaris, zou de Commissie kunnen aangeven wanneer dit proces precies begint? Ik vertrouw erop dat er geen besluit wordt genomen om de openbare raadpleging, inclusief de raadpleging van kinderen, op te schorten tot er een nieuwe Commissie en een nieuw Parlement zijn.
Tot slot citeer ik Kofi Annan: ‘Er is geen taak in deze wereld zo heilig als onze zorg voor kinderen. Er is geen plicht belangrijker dan te zorgen dat hun rechten worden gerespecteerd, hun welzijn wordt beschermd, hun levens vrij zijn van angst en gebrek, en zij in vrede groot kunnen worden.’ Ik denk dat we het er allemaal mee eens zijn dat dit nobele doelstellingen zijn.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is geweldig om hier vandaag te zijn en over kinderen te praten, evenals over het verslag dat u spoedig zult aannemen.
Laat me kort uiteenzetten hoe we zover zijn gekomen, over wat er in de toekomst gaat gebeuren en over kinderparticipatie, waarschijnlijk onze grootste uitdaging als het op kinderen aankomt.
Vandaag wordt een belangrijke stap voorwaarts gezet in een lang proces dat enkele jaren geleden intern in de Commissie begon. We erkennen dat de EU een strategie nodig heeft voor kinderen. We hebben een strategie nodig voor de manier waarop wij, de Europese Unie, de toezeggingen gaan implementeren. Wij en de rest van de wereld hebben het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind ondertekend.
De eerste stap was de mededeling van de Commissie getiteld “Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind” in 2006. Hierop volgde in 2008 het mededelingenpakket inzake kinderen in het externe optreden, waarin een alomvattende EU-benadering voor kinderen werd geschetst en waarbij alle beschikbare instrumenten in de externe samenwerking werden benut.
Ik maak even een zijsprongetje, want ik ben ervan overtuigd dat sommigen onder u zich het volgende afvragen: hoe zit het met de EU-strategie voor de rechten van het kind, die in bovengenoemde mededeling is aangekondigd? Ik kan bevestigen dat de Commissie aan een dergelijke strategie werkt en dat die strategie door de volgende Commissie zal worden gepresenteerd.
Tijdens het Sloveense voorzitterschap in mei 2008 heeft de Raad conclusies aangenomen over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind in het externe optreden van de Europese Unie – de dimensies van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.
De Commissie ontwikkelingssamenwerking is toen begonnen met het opstellen van een verslag. We bevinden ons nu aan het einde van dit proces en morgen zult u over dit voortreffelijke verslag gaan stemmen.
Daarnaast is het beleid van de EU met betrekking tot kinderen op twee EU-richtsnoeren gebaseerd – de richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten en de richtsnoeren inzake de rechten van het kind – die beide in een aantal geselecteerde prioriteits- en proeflanden worden geïmplementeerd. De Commissie is heel blij met dit verslag, dat een uitstekende aanvulling is op onze mededeling, met de conclusies van de Raad en de richtsnoeren. We zullen het verslag zeker gebruiken in ons werk voor kinderen.
Ik zal me in mijn laatste opmerkingen richten op de misschien wel grootste uitdaging van vandaag de dag: kinderparticipatie. Hoe zorgen we ervoor dat we kinderen betrekken bij besluiten die hen aangaan? Hoe zorgen we ervoor dat kinderen toegang hebben tot relevante informatie? Hoe zorgen we voor gelijke kansen voor kinderen om hun mening te kunnen uiten? We moeten onder ogen zien dat, van alles waar we in het Verdrag inzake de rechten van het kind over hebben ingestemd, dit misschien wel de grootste uitdaging is.
We geven toe dat we nog op geen stukken na een waardevolle bijdrage hebben geleverd op het gebied van kinderparticipatie. In de Commissie is het nadenken over de ontwikkeling en implementatie van een echte, en geen symbolische, kinderparticipatie nog maar net begonnen. Het moet gaan om relevante, zinvolle en op informatie gebaseerde kinderparticipatie. Ook hebben we gezorgd voor relevante financiering voor kinderparticipatie op grond van het thematische programma “Investeren in mensen”.
Waarom is dit ingewikkeld voor ons als volwassenen? In wezen omdat het appelleert aan wat voor ons zo fundamenteel is, namelijk de manier waarop we ons gedragen.
Wat gaat de Commissie doen in haar externe optreden om deze participatie te bevorderen? De Commissie zal de middelen om kinderen te raadplegen beschikbaar stellen voor onze delegaties, maar deze middelen zullen niet alleen door onze delegaties worden gebruikt, maar ook door partnerlanden. Samen met Unicef zijn we ook een toolkit aan het ontwikkelen die zich niet alleen richt op kinderparticipatie, maar ook op algemene kinderbescherming, wettelijke hervormingen en financiële middelen voor kinderen.
Naast de toolkit zijn we ook onze samenwerking met Unicef over het algemeen aan het hervormen en versterken, zodat we partnerlanden beter kunnen steunen in hun inspanningen om kinderen op landsniveau te betrekken.
We werken ook nauw samen met verschillende NGO’s om van hen te leren over mogelijke formats, waarbij vaak kinderen worden betrokken en zinvolle kinderparticipatie ontstaat. Ik zal eerlijk zijn: dit gaat niet van vandaag op morgen. Dit is slechts het begin van een lang proces.
Ik wil graag even één opmerking maken bij het verslag. Het verslag onderstreept dat de Commissie aandacht moet schenken aan kinderparticipatie, maar collega’s, dat zult u ook moeten doen, en ik kan u ervan verzekeren dat de Commissie graag met u wil samenwerken om op dit punt vooruitgang te boeken. We moeten vertrouwen op de gezamenlijke kracht van de twee instellingen om vorderingen te maken bij dit belangrijke thema.
Laat me nogmaals uiting geven aan de waardering van de Commissie voor het verslag en onderstrepen dat we ons uiterste best zullen doen om deze aanbevelingen ten uitvoer te brengen. We rekenen op de voortdurende steun van het Parlement op dit punt.
Om een antwoord te geven op de vraag van mevrouw Kinnock, wil ik zeggen dat ik verheugd ben te kunnen bevestigen dat het standpunt van de Commissie niet is gewijzigd. Het idee om 2009 te gebruiken voor raadplegingen komt van de Commissie zelf en we werken aan voorwaarden voor een proces van raadpleging van kinderen waarbij alle bestaande middelen worden ingezet.
Verder wil ik ook onderstrepen dat de Commissie streeft naar een raadplegingsproces dat de rechten van het kind onverkort eerbiedigt.
Tot slot wil ik u bedanken, mevrouw Kinnock, voor de zeer vruchtbare samenwerking op het gebied van kinderen en aanverwante kwesties, niet alleen wat dit verslag betreft, maar ook in de afgelopen jaren. Ik weet dat ik te lang gepraat heb, maar over de rechten van kinderen raak je nooit uitgepraat.
De Voorzitter. – Hartelijk dank, commissaris. Ik moet zeggen dat u een heel interessant betoog hebt gehouden over een zeer belangrijk onderwerp.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. – (EN) Het is triest te moeten erkennen dat er in de wereld dagelijks meer dan 26 000 kinderen van onder de vijf jaar sterven, meestal door oorzaken die voorkomen hadden kunnen worden.
Het is droevig dat, ofschoon veel levens met de juiste maatregelen gered kunnen worden, of het nu gaat om medische of financiële maatregelen, de situatie toch verslechtert. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de meest kwetsbare en sociaal uitgesloten meisjes en jongens, waaronder kinderen met handicaps, migrantenkinderen en kinderen van minderheden.
Het verslag is prijzenswaardig. Ik ben het alleen niet eens met de onderdelen die over abortus gaan.
De Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft een initiatiefverslag goedgekeurd (opgesteld door Glenys Kinnock (PSE, VK) over een bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden van de EU, als antwoord op de mededeling van de Commissie over dit onderwerp. De commissie is verheugd over de mededeling en de vier hoofdlijnen van het actieplan van de Commissie betreffende de rechten van kinderen in het externe EU-optreden, waarvan een alomvattende, coherente en op de rechten van het kind gebaseerde benadering deel uitmaakt.
Zonder nog meer tijd te verliezen moeten we:
(a) overgaan tot een grondige analyse van de rechten van het kind;
(b) de bestaande jongeren- en kindernetwerken ontwikkelen en omvormen tot permanente platforms voor de raadpleging van kinderen;
(c) ervoor zorgen dat in de bestaande internationale overeenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen een juridisch bindende clausule wordt opgenomen betreffende de naleving van de rechten van het kind.
Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. – (RO) Het is onze plicht aan een betere toekomst te bouwen, niet alleen voor de Europeanen, maar ook voor de ontwikkelingslanden.
Kinderen hebben de toekomst en we moeten ervoor zorgen dat hun rechten gerespecteerd worden in de derde landen die Europese middelen ontvangen.
In de betrekkingen met derde landen moet de waarborging van het recht van kinderen op onderwijs en op toegang tot medische zorg één van de prioriteiten van de Europese Unie zijn.
We beleven inderdaad een periode van financiële crisis, maar we kunnen niet zo maar voorbij gaan aan het feit dat er elke drie seconden ergens in de wereld een kind sterft en dat er elke minuut een vrouw sterft tijdens de bevalling.
Gezien het feit dat kinderen de helft van de wereldbevolking vormen, moeten de rechten van kinderen een prioriteit zijn binnen het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie.
Elke lidstaat moet alles doen wat binnen zijn vermogen ligt om uitvoering te geven aan beleid op het gebied van samenwerking met ontwikkelingslanden. De Commissie moet daarnaast druk uitoefenen op de ontwikkelingslanden opdat zij de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind vertalen naar nationale wetgeving.
Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) Ik ben blij dat ik namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid een advies heb mogen schrijven over dit verslag. Het onderwerp kinderrechten in de context van externe betrekkingen heeft mijn bijzondere belangstelling.
Mijn advies heeft unanieme steun gekregen. Daarin wordt er in de eerste plaats aan herinnerd dat het externe optreden van de EU, wat betreft de rechten van het kind, op de waarden en beginselen moeten steunen die zijn neergelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en met name in de artikelen 3, 16, 18, 23, 25, 26 en 29. Deze waarden en beginselen zijn buitengewoon belangrijk voor het welzijn van zowel het individu als de samenleving als geheel. In mijn advies wordt benadrukt dat bij alle maatregelen ter bescherming van de rechten van het kind de ouders en naaste familie van het kind op de eerste plaats moeten komen.
Het menselijk leven dient vanaf het begin te worden beschermd en elk kind heeft recht op een eigen identiteit. Het belang hiervan wordt onderstreept door het feit dat het Europees Parlement met mijn advies heeft ingestemd. Ik ben erin geslaagd om in het advies standpunten op te nemen waarin eugenetische discriminatie op grond van geslacht, die in sommige landen steeds vaker voorkomt, wordt veroordeeld. De Commissie wordt opgeroepen om als onderdeel van haar ontwikkelingsbeleid de nadruk te leggen op het belang en de noodzaak van geboorteregistratie van alle kinderen in alle derde landen en geboorteregistratie als voorwaarde te verbinden aan haar hulpprogramma’s.
Ik steun elke poging om ontwikkelingshulp te bevorderen. Ik wil echter wel benadrukken dat humanitaire en internationale hulporganisaties die verantwoordelijk zijn voor hulpverlening, ervoor moeten zorgen dat de nodige middelen en de steun die kinderen toekomt, daadwerkelijk bij hen terechtkomen en niet worden verspild.
26. Toepassing van Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (korte presentatie)
De Voorzitter. – Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0023/2009) van Jean Louis Cottigny, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de toepassing van Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap [2008/2246(INI)].
Jean Louis Cottigny, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, allereerst wil ik de verschillende schaduwrapporteurs bedanken voor hun blikverruimende werk tijdens onze samenwerking bij het opstellen van deze tekst in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken.
De lidstaten moeten de richtlijn betreffende de informatie en de raadpleging van werknemers beter ten uitvoer leggen, met name in de huidige context van de financiële crisis en de daaruit voortvloeiende gevolgen, zoals bedrijfssaneringen, fusies en delokalisaties van ondernemingen. Dat is de boodschap die de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken met dit initiatiefverslag heeft willen uitbrengen.
De Europese Unie telt 23 miljoen bedrijven met minder dan 250 werknemers. Dit is 99 procent van de ondernemingen, met een gezamenlijk werknemeraantal van meer dan 100 miljoen mensen. Het recht van werknemers op informatie en raadpleging staat centraal in de sociale markteconomie.
Sommige lidstaten hebben een forse vertraging opgelopen bij de omzetting van Richtlijn 2002/14/EG. In dit initiatiefverslag hebben wij aangetoond dat het effect van de richtlijn evident is in de lidstaten waar geen enkele algemene regeling bestond voor informatie en raadpleging van de werknemers.
Ik pleit voor een betere omzetting van de richtlijn door de lidstaten. Wij vragen de Commissie dringend en zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat deze richtlijn goed door de lidstaten wordt omgezet en een inbreukprocedure in te leiden tegen lidstaten die deze niet of onjuist hebben omgezet.
Het verslag geeft ook aan dat sommige lidstaten bij hun omzettingsmaatregelen geen rekening hebben gehouden met jonge werknemers, vrouwen die in deeltijd werken of werknemers met kortlopende contracten.
Wij vragen de lidstaten de term “informatie” exact te definiëren, dat wil zeggen dat de vertegenwoordigers van de werknemers wordt toegestaan de verstrekte gegevens te controleren en dat zij niet het einde van de informatieprocedure hoeven af te wachten, indien besluiten van de onderneming rechtstreekse gevolgen hebben voor de werknemers. Wij verzoeken lidstaten die geen doeltreffende, redelijke en afschrikkende sancties hebben getroffen, dit alsnog te doen. Ten slotte verzoeken wij de Commissie om met het oog op een betere coördinatie van de diverse wetsinstrumenten te onderzoeken in hoeverre coördinatie is geboden tussen de zes richtlijnen en de verordening betreffende informatie van werknemers, zodat eventueel wijzigingen kunnen worden doorgevoerd die een einde maken aan overlappingen en tegenstrijdigheden.
Aangezien een dergelijke vooruitgang op het gebied van de rechten van werknemers meer dan wenselijk is, is de EU verplicht te garanderen dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van de richtlijn correct en volledig omzetten. Het is essentieel dat alle werknemers in Europa weten dat Europa hen steunt bij hun inzet voor de ontwikkeling van hun bedrijf en in hun dagelijks leven als werknemer, met name in de huidige periode.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb goede nota genomen van de steun van de heer Cottigny voor een belangrijke richtlijn, die op Europees niveau een fundamenteel sociaal recht van werknemers consolideert. De Commissie hecht veel waarde aan informatie en raadpleging van werknemers op zowel nationaal als transnationaal niveau, vooral in de huidige moeilijke situatie van de financiële crisis.
We hebben voorgesteld om de richtlijn inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad te herschikken. Dat is met succes afgerond. We gaan door met ons werk voor de anticipatie op en de maatschappelijk verantwoorde begeleiding van herstructurering en de vragen die op Europees niveau rijzen uit de onderhandelingen over grensoverschrijdende overeenkomsten.
Zoals de Commissie in haar mededeling van 17 maart 2008 heeft verklaard, is het voor haar bij Richtlijn 2002/14/EG het allerbelangrijkste dat zij in samenwerking met de lidstaten en de sociale partners - die zoals u weet een uitermate belangrijke rol spelen - zorgt voor een alomvattende en doeltreffende implementatie. Daarbij mag niet worden vergeten dat de richtlijn slechts een algemeen kader vaststelt dat geïmplementeerd en uitgebreid kan worden door de sociale partners, vooral in bedrijven.
De Commissie leidt en steunt activiteiten voor bewustmaking, bevordering van uitwisseling van beste praktijken en versterking van het potentieel van alle betrokken partijen door middel van seminars, cursussen, onderzoeken en financiële hulp, met name voor projecten uit hoofde van een bepaalde begrotingslijn.
De Commissie ziet, in haar hoedanigheid van hoedster van de Verdragen, ook toe op de juiste toepassing van de richtlijn, bijvoorbeeld wanneer er klachten komen van vakbondsorganisaties. Tot nu toe echter heeft de Commissie erg weinig klachten binnengekregen over de implementatie van deze richtlijn.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Silvia-Adriana Ţicău (PSE), schriftelijk. – (RO) De toepassing van Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap heeft in sommige lidstaten aanzienlijke vertraging opgelopen.
Ik ben van mening dat de democratische betrokkenheid van werknemers bij besluiten die van invloed zijn op het bedrijf, versterkt moet worden, met het oog op de huidige wereldwijde financiële crisis, die zonder enig onderscheid alle lidstaten treft in hun economisch netwerk en angst oproept voor herstructureringen, fusies en productieverplaatsing.
Wat betreft de herstructurering van bedrijven vraag ik om Europese middelen ter beschikking te stellen en ook werknemers te ondersteunen en niet alleen bedrijven. Ik vind ook dat het in het geval van een herstructurering van een multinationale onderneming verplicht moet worden dat vakbondsleden uit alle onderdelen van het bedrijf bij de onderhandelingen worden uitgenodigd en geraadpleegd worden, en niet alleen vakbondsleden uit de lidstaat waar het moederbedrijf gevestigd is.
Ik vind het belangrijk dat de wetgeving inzake het recht van werknemers om geïnformeerd en geraadpleegd te worden regelmatig wordt bijgesteld en dat dit onderwerp op de agenda voor de Europese sociale dialoog wordt gezet, zowel op interprofessioneel als op industrieel niveau.
De Voorzitter. – Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0015/2009) van Patrizia Toia, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de sociale economie [2008/2250(INI)].
Patrizia Toia , rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik ben blij en trots dat het Europees Parlement de sociale markteconomie onderzoekt en praktische voorstellen op papier zet om deze sector effectief te ondersteunen.
Mijn verslag heeft drie doelstellingen. Het eerste doel is de aandacht te vestigen en een licht te laten schijnen op een heel belangrijke sector, ook voor de economie. Deze sector omvat 10 procent van de Europese bedrijven en zorgt voor 9 à 10 procent van de werkgelegenheid. Het is een sector met uiteenlopende marktdeelnemers – coöperaties, onderlinge maatschappijen, stichtingen, sociale ondernemingen en verenigingen – die specifieke waarden delen en een aanzienlijke bijdrage leveren aan het BBP. Daarom willen we hieraan meer institutionele zichtbaarheid geven.
Het tweede doel is aan te tonen dat dit geen marginale sector is, geen buitenbeentje, maar een sector die volledig deel uitmaakt van de markteconomie, een sector met eigen regels die nog door de interne markt erkend en gerespecteerd moeten worden. De sector vertegenwoordigt een alternatieve manier van zakendoen, van produceren, consumeren en creëren van werkgelegenheid, maar is niettemin volledig opgenomen in de markt. Deze manier heeft een aantal onderscheidende kenmerken die niet afgevlakt mogen worden en in feite erop neer komen dat productie en werkgelegenheid worden gecombineerd met waarden als solidariteit, verantwoordelijkheid en menselijke waardigheid ook op de arbeidsmarkt.
Zoals iemand al eens zei – en in mijn ogen terecht – werken deze ondernemingen met kapitaal, maar niet vóór het kapitaal. Het gaat hierbij om concepten die deel uitmaken van het ideëel erfgoed van de Europese Unie – denk bijvoorbeeld aan Delors –, omdat we de sociale economie vaak als hoeksteen van het Europees sociaal model hebben erkend maar er vervolgens weinig mee hebben gedaan.
Nu is de tijd rijp om opnieuw het belang van deze bedrijven te ontdekken, aangezien de huidige productiecrisis heeft aangetoond dat veel traditionele bedrijven fragiel, zwak en soms gewetenloos zijn. De wereld van de sociale economie is daarentegen veel meer plaatsgebonden, staat dichter bij de echte economie en bij de mensen en is, en was, daarom vrij van speculatieve neigingen. Binnen deze sector zijn mensen werkzaam met zeer verschillende functies, vaak op het vlak van de voorzieningsstaat. Zij wordt ook wel “pool van sociaal nut” genoemd en kan mijns inziens een bijdrage leveren aan de duurzaamheid van onze sociale stelsels in tijden van schaarste.
Het derde doel is te bepalen wat we concreet kunnen doen om deze sector te ondersteunen. Ik zal heel kort één of twee voorstellen beschrijven. Allereerst hebben we een duidelijke definitie nodig, om precies te weten te komen hoe de profielen en definities van het grote aantal verschillende marktdeelnemers eruit zien. Het is ook onontbeerlijk dat de bijdrage van deze sector op correcte wijze wordt weergegeven in de nationale boekhouding van de verschillende landen. Deze sector behoort niet tot de kapitalistische economie, noch tot de algemene economie, en heeft daarom een eigen definitie nodig. De Commissie heeft hier al een bijdrage aan geleverd met het handboek, dat echter absoluut moet worden toegepast. Ik denk dat de academische wereld, de wereld van de universiteiten en het onderzoek, hier ook een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren.
Ten slotte moeten er wetgevingsinitiatieven komen. Er zijn verschillende dingen gedaan - zoals het statuut van coöperatie en het statuut van stichting - en ik heb gezien dat de Commissie haar raadpleging heeft hervat. We moeten dus nagaan wat nuttig is en of het de moeite waard is om op deze manier verder te gaan. We willen niet dat een sector die gedijt op ideeën, motivatie en vrijheid in bureaucratie verzandt, maar het zou verstandig zijn om daar waar communautaire wetten nodig zijn, of in de toekomst nodig zijn, deze op te stellen.
Tot slot wil ik vragen deze sector te betrekken in de sociale dialoog. Waar en op welk niveau zouden raadplegingen en dialogen met de Europese Commissie moeten plaatsvinden? En tot slot, in welke directe steun moet worden voorzien met de Europese programma's? Moeten er ad hoc-programma’s komen voor de sociale economie, of moet ruimte worden gecreëerd binnen bestaande programma's voor deze marktdeelnemers? Het is aan de Commissie om dit te bepalen.
Alvorens af te sluiten wil ik de nationale verenigingen en de Europese netwerken bedanken die me gesteund hebben bij dit werk. Ik dank ook de interfractiewerkgroep 'Sociale economie' van het Parlement, die uitstekend functioneert, de schaduwrapporteurs, en ook commissarissen Verheugen en Špidla, met wie we vrij open en intensief van gedachten hebben gewisseld.
Dit verslag, waarbij talloze sociale organisaties en verenigingen waren betrokken, vertrouwen wij nu toe aan de Commissie, in de hoop dat u, mijnheer de commissaris – als vertegenwoordiger van de hele Commissie – ondanks het feit dat het einde van deze legislatuur nadert, toch nog wat tijd zult vinden om een of ander initiatief in een concrete vorm te gieten en om een duidelijk signaal af te geven, zodat het volgende Parlement en de volgende Commissie niet weer van voren af aan hoeven te beginnen, maar iets concreets in handen hebben om op verder te bouwen.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie juicht het initiatief van het Parlement om een initiatiefadvies op te stellen over sociale economie toe. Vooral in de context van de huidige financiële en economische crisis verdient deze belangrijke sector het om meer te worden gestimuleerd.
Sociale-economieondernemingen hebben een unieke manier van zakendoen, doordat ze de bundeling van de economische prestaties van alle leden, en vaak ook het streven naar sociale doelstellingen, als zakelijk doel hanteren. Ze kunnen dus bij uitstek bijdragen aan het beleid en de doelstellingen van de Gemeenschap, vooral op het gebied van werkgelegenheid, sociale samenhang, regionale en plattelandsontwikkeling, milieubescherming, consumentenbescherming en sociale zekerheid. Sociale-economieondernemingen zijn een vast bestanddeel van het ondernemingsbeleid van de Commissie. Aangezien ze meestal micro-, kleine of middelgrote ondernemingen zijn, profiteren ze al van de Europese wetgeving inzake het midden- en kleinbedrijf ("Small Business Act") en van alle maatregelen gericht op kleine ondernemingen.
Met betrekking tot de sociale economie is ons doel om een juridisch en administratief klimaat te creëren, op Europees niveau en in elke lidstaat, waarin sociale-economieondernemingen van elke soort en maat kunnen bloeien en de door de globalisering en economische malaise veroorzaakte uitdagingen het hoofd kunnen bieden. Meer in het bijzonder is het beleid van de Commissie erop gericht ervoor te zorgen dat sociale-economieondernemingen kunnen groeien en bloeien naast andere soorten bedrijven. Daarom zorgt de Commissie er met bijzondere aandacht voor dat alle andere beleidsregels van de Gemeenschap, op het gebied van bijvoorbeeld concurrentie, boekhouding, ondernemingsrecht, overheidsopdrachten, gezondheid, sociale zaken, landbouw, visserij, banken, verzekeringen, publieke en private partnerschappen en regionale ontwikkeling, rekening houden met de specifieke behoeften, bijzondere doelen, inspanningen en werkwijze van dit soort ondernemingen.
Tot slot werken de diensten van de Commissie momenteel aan een document waarin de vooruitgang die sinds 2004 is geboekt met betrekking tot de steun voor coöperaties, wordt beoordeeld. Het document zal ook de situatie van andere sociale-economieondernemingen beoordelen en zo nodig nieuwe maatregelen voorstellen.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Iles Braghetto (PPE-DE) , schriftelijk. – (IT) Niet-lucratieve activiteiten en verenigingen zonder winstoogmerk zijn een voortdurend groeiend verschijnsel binnen Europa.
In tijden van economische en financiële crisis, met serieuze gevolgen op sociaal niveau, is het versterken van een economie die gebaseerd is op sociaal nut en niet op winst, een strategische keuze die ons de mogelijkheid biedt om de negatieve effecten van de crisis aan te pakken en de ontwikkeling van de strategie van Lissabon voort te zetten via de verwezenlijking van een van haar voornaamste doelstellingen, te weten sociale verantwoordelijkheid.
Ten tweede is de sociale economie een soort vliegwiel voor activiteiten op plaatselijk niveau. Op die manier wordt zij een betrouwbare partner voor de overheidsdiensten die maatregelen moeten treffen ter bescherming van de zwakkeren in de samenleving.
Daarom juichen wij dit initiatief van het Europees Parlement toe. Dit is gebaseerd op de wettelijke en statistische erkenning van een realiteit die wortelt in het Europees weefsel, daarbinnen opereert en in staat is sociale doelstellingen te bereiken.
Dit is een visie van subsidiariteit waarmee een fundamentele bijdrage wordt geleverd aan het Europees sociaal model.
Gabriela Creţu (PSE), schriftelijk. – (RO) De sociale economie kan een vitale rol spelen in de Europese economie door een nieuw type economie te creëren dat gebaseerd is op democratische waarden, een economie waarin mensen voorop staan en waarin belang wordt gehecht aan duurzame ontwikkeling.
De sociale economie kent echter een groot obstakel: het is een sector die nog niet erg zichtbaar is, omdat deze nog geen erkenning heeft als een sector die zich onderscheidt van de andere twee, de overheidssector en de particuliere sector.
We roepen de Commissie en de lidstaten op een rechtskader te ontwikkelen waarbinnen de sociale sector erkend wordt als een derde sector en in duidelijke regels vast te leggen welke soort rechtspersonen in deze sector mogen opereren, zodat andere soorten organisaties geen gebruik kunnen maken van financiële middelen of beleid die bedoeld zijn om sociale-economieondernemingen te ondersteunen en stimuleren.
We roepen de Commissie en de lidstaten ook op financiële steun, opleidingen en advies ter beschikking te stellen en de procedures voor het opzetten van een onderneming in de sociale sector te vereenvoudigen.
Op die manier kan de sociale economie zijn effectieve rol vervullen tegen de algemene achtergrond van de Europese economie, niet alleen door armoede te bestrijden, maar ook door middelen, rechten en diensten toegankelijk te maken voor burgers die deze nodig hebben om in de samenleving te kunnen participeren.
Gábor Harangozó (PSE), schriftelijk. – (EN) Allereerst zou ik graag onze rapporteur, mevrouw Patrizia Toia, willen bedanken voor de kwaliteit van het verslag dat zij vandaag presenteert. Het is belangrijk om duidelijkheid te verschaffen bij de vaststelling van het concept sociale economie en zijn juridische status af te bakenen tegen de achtergrond van het brede scala aan ervaringen in de verschillende landen. De sociale economie moet inderdaad zichtbaar zijn – door middel van meer kennis van EU-brede gegevens – zodat de doelstellingen van solidariteit, werkgelegenheid, ondernemerschap, groei, concurrentie, sociale cohesie en sociale dialoog in de hele Unie beter bereikt kunnen worden. De sociale economie wordt steeds meer een belangrijke deelnemer op plaatselijk en regionaal niveau en speelt nu meer dan ooit – vanwege de ernstige impact van de financiële crisis – een belangrijke rol in de Europese maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Unie moet haar inspanningen concentreren op het steunen van de sociale en economische krachten, zodat de strikte scheiding tussen de publieke en de private sector wordt overwonnen. Dit is noodzakelijk als we echt nieuwe en innovatieve oplossingen willen vinden voor onze burgers en voor duurzame banen en een betere leefomgeving met kwaliteitsdiensten van algemeen belang in een inclusieve maatschappij willen zorgen.
Magda Kósáné Kovács (PSE), schriftelijk. – (HU) Al maanden lang proberen we alle EU-instellingen en -middelen vlot te trekken om de gevolgen van de toenemende crisis te verlichten. Met het verslag van mevrouw Toia, dat vandaag in de plenaire vergadering behandeld wordt, breekt de zon even door dit donkere wolkendek, want initiatieven die zijn gericht op solidariteit en sociale en regionale cohesie zijn vandaag de dag van eminent belang. En dat is waar het in de sociale economie om gaat, want de sociale economie is een geheel van organisatievormen die solidariteit en gemeenschappelijk financieel belang als oogmerk hebben, in plaats van winst. Dergelijke instellingen kunnen door geen enkele marktgerichte organisatie vervangen worden. Ze bieden de mogelijkheid om de gevolgen van de economische hiërarchie op gemarginaliseerde leden van de samenleving te verkleinen, verschaffen eervol werk, en in hun uiteenlopende vormen, van zelfstandig ondernemerschap tot sociale coöperaties, zijn ze in staat de vruchten van hun arbeid ten goede te laten komen aan de gemeenschap.
We hebben al veel gepraat en geschreven over de sociale economie, maar zonder en statistische basis op Europees niveau blijft zij in ons dagelijks leven onzichtbaar. Zolang de samenleving onbekend is met dit concept, kan de solidariteit ervan haar niet helpen. Anderzijds zijn de deelnemende organisaties te klein om op macro-economisch niveau bekendheid te verwerven.
Het verslag van mevrouw Toia kan bijdragen tot het wegnemen van de argwaan bij wetgevers en marktspelers die vrezen dat het geld en de producten die de sociale economie voortbrengt verband houden met organisaties die aan de wetten van de concurrentie willen ontsnappen.
Hier en nu kan dit verslag de sociale economie wellicht een kans bieden om de crisis doeltreffend en met betrekkelijk weinig moeite het hoofd te bieden, het verlies van banen te vermijden en bescherming te bieden tegen het verlies van bestaansmiddelen.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE), schriftelijk. – (RO) De sociale economie zorgt voor stabiele arbeidsplaatsen, omdat het verschijnsel van productieverplaatsing naar elders hier geen rol speelt. Ik vind dat de Europese Unie en de lidstaten in hun wetgeving en beleid vormen van sociale economie - zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen - moeten stimuleren en steunen.
Het is belangrijk dat er maatregelen worden uitgewerkt die gericht zijn op de ontwikkeling van microkredieten en EU-financiering op maat, aangezien de waarden van de sociale economie passen in de Europese doelstellingen van sociale integratie en bijdragen aan een goed evenwicht tussen werk en privé. Ook helpt deze de gelijkheid van vrouwen en mannen en de levenskwaliteit van ouderen en gehandicapten te bevorderen. Ik vind dat de rol van vrouwen in de sociale economie versterkt moet worden, gezien hun aandeel in het verenigingsleven en in vrijwilligersorganisaties.
Ik dring er bij de Commissie op aan de sociale economie te integreren in de andere beleidsmaatregelen en strategieën voor sociale en economische ontwikkeling, met name in de ‘Small Business Act’, aangezien de sociale economie vooral bestaat uit kleine en middelgrote bedrijven en diensten van algemeen belang. Deze inspanningen kunnen worden ondersteund door in elke lidstaat van de Europese Unie een statistisch register voor sociale-economieondernemingen op te stellen en deze gegevens in het Europese statistieksysteem Eurostat in te voeren.
De Voorzitter. – Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0034/2009) van Evangelia Tzampazi, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over geestelijke gezondheid [2008/2209(INI)].
Evangelia Tzampazi, rapporteur. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, wij worden ons er steeds meer van bewust dat er van gezondheid geen sprake kan zijn zolang er geen geestelijke gezondheid is. Wij beseffen dat geestelijke gezondheidsproblemen zowel in menselijk als in economisch opzicht gevolgen hebben zowel voor het persoonlijke en het sociale leven van de betrokkenen, als voor hun gezin en hun beroep en de samenleving in haar geheel.
De gegevens spreken voor zich: een van de vier mensen krijgt ooit te maken met een geestelijke stoornis. Depressies behoren tot de meest voorkomende stoornissen en zullen in 2020 de meest frequente ziekte zijn in de ontwikkelde wereld. Elk jaar doen zich in de Europese Unie 59 000 gevallen van zelfmoord voor, waarvan 90 procent te wijten is aan geestelijke stoornissen. De kwetsbare en gemarginaliseerde groepen van de bevolking, zoals gehandicapten, lopen een groter risico op geestelijke gezondheidsproblemen.
Ons Europa vergrijst en neurodegeneratieve stoornissen zullen bijgevolg steeds vaker voorkomen. Daarom zijn wij het er mee eens dat de uitdagingen met betrekking tot de geestelijke gezondheid op gemeenschappelijke wijze moeten worden aangepakt, en ons allen aangaan. Het is ons aller plicht om de geestelijke gezondheid te beschermen. Het waarborgen van de rechten van geesteszieken en hun families is een ideologisch en politiek standpunt, op grond waarvan de overheid sociale steun en bescherming moet bieden aan degenen die daar behoeften aan hebben. De eerste stap werd gezet met het Groenboek van de Commissie, waarop de Europese Conferentie “Samen voor geestelijke gezondheid en welzijn” volgde, tijdens de welke het Europees pact voor de geestelijke gezondheid en welzijn werd uitgevaardigd.
Het verslag over geestelijke gezondheid, dat unaniem in de Commissie milieubeheer werd goedgekeurd, bevat een reeks aanbevelingen voor de bevordering van de geestelijke gezondheid en het welzijn van de bevolking, de bestrijding van stigmatisering, discriminatie en sociale uitsluiting, de versterking van preventie en zelfhulp en de ondersteuning en toereikende behandeling van mensen met geestelijke gezondheidsproblemen, hun gezinnen en hun verzorgers.
In het verslag wordt gewezen op de noodzaak om efficiënte en alomvattende geestelijke gezondheidsdiensten te verlenen. Deze moeten betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit zijn. Wij willen dat de klemtoon wordt gelegd op de opleiding van alle mensen die sleutelposities innemen en vragen dat toegang wordt verzekerd tot geschikt onderwijs, opleiding en werkgelegenheid en dat een ondersteunende omgeving wordt gecreëerd waarin de klemtoon ligt op kwetsbare groepen. Wij vragen eveneens de nadruk te leggen op preventie van geestelijke gezondheidsproblemen door middel van sociale maatregelen, en wij vragen de lidstaten de instanties die de personen met geestelijke gezondheidsproblemen vertegenwoordigen te versterken. Wij stellen voor een platform op te richten voor toezicht op de toepassing van het pact. Wij vragen de Commissie om de conclusies van de thematische conferenties te presenteren en wijzen op de noodzaak geschikte indicatoren vast te stellen voor een betere inschatting van de behoeften op nationaal en Europees niveau.
Daarnaast doen wij echter ook voorstellen voor de vijf prioritaire gebieden van het pact. Zo benadrukken wij dat voor preventie van depressies en zelfmoorden het noodzakelijk is multisectorale programma’s ten uitvoer te leggen, netwerken te ontwikkelen, een gezonde omgeving op school te bevorderen, betere arbeidsomstandigheden tot stand te brengen en maatregelen te nemen voor de verbetering van de levenskwaliteit. Tot slot wijzen wij, wat de bestrijding van stigmatisering en sociale uitsluiting betreft, op de noodzaak voorlichtings- en sensibiliseringsactiviteiten te ontplooien. Daarom wil ik, mijnheer de Voorzitter, alle collega’s van harte bedanken die met hun voorstellen aan dit verslag hebben bijgedragen en een krachtige boodschap wereld in sturen om duidelijk te maken dat geestelijke gezondheid een hoog sociaal goed is, waarnaar wij allen moeten ijveren.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer het Europees Parlement en zijn rapporteur, mevrouw Tzampazi, met dit initiatiefverslag over geestelijke gezondheid. Het verslag onderstreept volkomen terecht de grote impact die geestelijke gezondheid heeft op het algemeen welzijn, op onderwijs, leren en sociale samenhang in de Europese Unie.
Het feit dat het Parlement dit verslag aanneemt nog geen twee jaar na zijn resolutie over het Groenboek van de Commissie over geestelijke gezondheid, is een teken dat er dringend behoefte is aan meer maatregelen op dit gebied.
Naar mijn mening is er reden voor optimisme. Er is, vergeleken bij een aantal jaren geleden, meer besef van het belang van geestelijke gezondheid en welzijn in alle sectoren. Dit bleek uit de grote steun die er was voor de conferentie op hoog niveau van de Commissie “Samen voor geestelijke gezondheid en welzijn” en het “Europees pact voor geestelijke gezondheid en welzijn”, die beide door de rapporteur zijn genoemd.
Verdere positieve ontwikkelingen zijn onder andere het feit dat veel lidstaten hun strategie op het gebied van de geestelijke gezondheid hebben herzien of dat ze actieplannen opstellen, zoals in Finland en Hongarije. Sociaaleconomische educatie is in lesprogramma’s opgenomen. In het Verenigd Koninkrijk is levensbeschouwing nu een apart vak op veel scholen.
Werkgevers zijn zich steeds meer bewust van het verband tussen welzijn en productiviteit. CSR Europe heeft zelfs een toolkit ontwikkeld voor welzijn op de werkplek. Laat het echter duidelijk zijn dat er beslist geen reden bestaat om zelfgenoegzaam achterover te leunen en dat er nog veel meer moet gebeuren. Als gevolg van de huidige financiële en economische crisis zouden er nieuwe risico’s voor de geestelijke gezondheid kunnen ontstaan. Lidstaten zouden in de verleiding kunnen komen om hun begroting voor geestelijke gezondheid te verminderen of om hun inspanningen voor de ontwikkeling van een moderne geestelijke gezondheidszorg met gemeenschapsgerichte zorg, in plaats van met verouderde inrichtingen, op een lager pitje te zetten.
De economische malaise zorgt voor slechte toekomstperspectieven voor jonge mensen, vooral voor schoolverlaters. Onzekere banen en de daaruit voortvloeiende bezorgdheid over de inkomensstabiliteit en de groeiende werkloosheid creëren nieuwe grote risico’s voor de geestelijke gezondheid.
In de komende twee jaar zal de Commissie een reeks thematische conferenties organiseren over de vijf prioriteiten van het pact voor geestelijke gezondheid. Het gaat om evenementen die samen met het respectieve voorzitterschap van de Raad en de lidstaten zullen worden georganiseerd. De eerste internationale conferentie, over stigmatisering en psychiatrische zorg, zal worden georganiseerd door het Tsjechische voorzitterschap op 29 mei van dit jaar. De eerste thematische conferentie over jeugd en onderwijs zal worden gehouden in Stockholm op 29 en 30 september, in samenwerking met het Zweedse voorzitterschap. De tweede thematische conferentie over het voorkomen van depressies en zelfmoord zal in december in samenwerking met Hongarije worden georganiseerd. In het eerste half jaar van 2010 zal het Spaanse voorzitterschap een thematische conferentie over geestelijke gezondheid van ouderen houden. Verder onderhouden we met lidstaten contact over twee andere conferenties, één over geestelijke gezondheid op de werkplek en één over de bestrijding van stigmatisering en sociale uitsluiting.
Het verslag van het Parlement bevat veel concrete voorstellen, die een waardevolle bijdrage leveren aan de toekomstige discussies op deze conferenties. Het verslag legt niet alleen de nadruk op het belang van geestelijke gezondheid in de Europese Unie, maar toont ook dat er veel mogelijkheden zijn om maatregelen te nemen voor geestelijke gezondheid op het niveau van de Europese Unie.
Een van de voorstellen in het verslag betreft de opzet van een systeem voor toezicht op de implementatie van het Europees pact voor geestelijke gezondheid en welzijn. Ik ben het ermee eens dat met een periodieke voortgangsbeoordeling aan de hand van de doelstellingen van het pact een aanmerkelijke toegevoegde waarde kan worden gecreëerd.
We zullen serieus nadenken over hoe we een dergelijk idee het beste in de praktijk kunnen omzetten. Ik wil nogmaals het Parlement en zijn rapporteur bedanken voor de steun die zij met dit verslag geven, en voor de zeer belangrijke aanbevelingen daarin.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Louis Grech (PSE), schriftelijk. – (EN) Geestelijke gezondheid is van doorslaggevend belang voor het leven van de mensen en er is steeds meer bewijs voor de invloed ervan op onze maatschappij, economie en rechtsstelsel. Ik steun dit verslag omdat hierin een alomvattende benadering is vervat voor de uitdagingen die ons in de geestelijke gezondheidssector te wachten staan, zoals bestrijding van stigmatisering, discriminatie en sociale uitsluiting, maar ook omdat het de behoefte aan preventieve programma’s, draagvlak en adequate behandeling erkent.
Geestelijke gezondheid is een relatief nieuwe wetenschap die velen niet als een prioriteit erkennen. Recente technologische ontwikkelingen hebben ons echter de mogelijkheid gegeven om meer van het menselijk brein te onderzoeken. Zij geven de weg aan voor nieuwe levensveranderende behandelingen. Ik ben van mening dat we nader onderzoek op dit gebied sterk moeten steunen, en daarbij speciale aandacht moeten schenken aan het groeiend aantal bejaarden in Europa, die een gezonde, waardige en actieve oude dag hopen te hebben.
We hebben toegankelijke systemen nodig voor de zorg en behandeling van geestesziekten, maar erg belangrijk is ook een ondersteunende omgeving, zoals programma’s voor opname in de arbeidsmarkt. Geestelijke gezondheid is ook heel belangrijk op de werkplek, waar zij de prestaties ernstig kan belemmeren. Dus moeten wij goede praktijken onder werkgevers bevorderen om onnodige stress te verminderen en het geestelijk welzijn van hun werknemers te beschermen.
Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), schriftelijk. – (FI) Ik wil mevrouw Tzampazi bedanken voor haar verslag over geestelijke gezondheid, waar ik voor heb gestemd.
Een op de vier Europeanen lijdt in ieder geval een keer in zijn leven aan problemen met zijn geestelijke gezondheid. Men gaat ervan uit dat depressie in 2020 de meest voorkomende ziekte in de ontwikkelde wereld zal zijn en de op een na belangrijkste reden voor arbeidsongeschiktheid. Externe factoren, zoals de gevolgen van de huidige economische crisis, maken mensen kwetsbaar voor deze problemen. Afgezien van het feit dat psychische problemen voor uitgaven zorgen die een last vormen voor de gezondheidszorg en voor het hele sociale en economische systeem, verminderen zij onnodig veel de levenskwaliteit van de zieke personen en hun gezinnen.
Hoewel er enorme vooruitgang is geboekt met het verbeteren van het zorgniveau en de algemene houding, worden mensen met geestesproblemen en hun gezinnen nog steeds vaak uitgesloten. De niveauverschillen met betrekking tot preventie en het waarborgen van hoogwaardige zorg zijn te groot, zowel tussen de EU-landen als tussen de regio’s in die landen.
Ik ben blij dat er in het verslag-Tzampazi specifiek aandacht wordt besteed aan de geestelijke gezondheid van jongeren en dat hiervoor veelzijdige programma's worden voorgesteld. Wij mogen echter niet vergeten dat het belangrijkste preventieve werk met betrekking tot de geestelijke gezondheid altijd de verantwoordelijkheid is van de ouders en van opvoeders en instanties buiten het gezin. Dat werk is het bevorderen van een gezonde leefwijze en het luisteren naar en het aandacht schenken aan kinderen en jongeren.
Ik vind de in het verslag-Tzampazi genoemde hoge kwaliteit, gemakkelijke toegankelijkheid en doeltreffendheid van openbare diensten voor geestelijke gezondheid evenals meer investeringen in hoogwaardig onderzoek van zeer groot belang. Er moet vooral meer geld komen voor medisch onderzoek naar het verband tussen preventie en psychische en fysieke gezondheidsproblemen.
Siiri Oviir (ALDE), schriftelijk. – (ET) Geestelijke gezondheidsstoornissen vormen in veel landen een probleem voor de volksgezondheid, aangezien ze aanmerkelijke gevolgen hebben voor de betrokken personen, hun naasten en de samenleving als geheel. Geestelijke stoornissen leiden dikwijls tot handicaps en kunnen zo een aanzienlijke economische last betekenen voor de samenleving.
Volgens het wereldontwikkelingsrapport 1993 van de Wereldbank waren vier van de tien meest voorkomende oorzaken van handicaps geestelijke of neurologische stoornissen. Depressie stond in 1993 nog op de vierde plaats van de aandoeningen die tot handicaps leiden, maar als de huidige trends doorzetten, kan depressie tegen 2020 de op een na belangrijkste oorzaak zijn voor de gehele bevolking, en voor vrouwen zelfs de belangrijkste oorzaak van handicaps.
De omvang en de ernst van de gevolgen van geestelijke stoornissen ten spijt, zijn er vandaag de dag nog steeds landen in de wereld en in Europa waar dit probleem onvoldoende aandacht krijgt. Een dergelijke situatie is dikwijls toe te schrijven aan een vaak deels negatieve publieke en politieke houding in de samenleving en de stigmatisering van mensen met een geestesziekte. Dit leidt weer tot onvoldoende aandacht voor de geestelijke gezondheid, beperkte beschikbaarheid van diensten, een gebrek aan alternatieve behandelmethoden en onvoldoende informatie over mogelijke behandelingen.
Ook al valt het oplossen van problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid onder de bevoegdheid van de lidstaten, is het van belang dat de hoeveelheid financiële en op kennis gebaseerde steun die de EU aan de lidstaten verstrekt, verder wordt verhoogd, om hen te helpen de benodigde sociale, gezondheids-, zorg- en onderwijsdiensten te ontwikkelen en te verbeteren, evenals preventieve maatregelen.
Ik ben van mening dat de bevordering van de geestelijke gezondheid en het welzijn van het individu in alle EU-lidstaten een prioritaire doelstelling moet worden, omdat de geestelijke gezondheid van het individu rechtstreeks van invloed is op de economische productiviteit van de lidstaten en de werkgelegenheid.
Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk – (PL) Zoals we weten is geestelijke gezondheid een van de fundamentele waarden voor ieder mens, iets dat wij als vertegenwoordigers van de Europese naties niet mogen vergeten. Ik denk dat het goed is dat wij ons daar vandaag in het Europees Parlement mee bezig houden. Geestesziekten en het hoge aantal zelfmoorden en depressies zijn een bedreiging geworden voor de moderne samenleving. Deze problemen betreffen niet enkel personen die continu onder stress staan, maar ook kinderen, jongeren en ouderen. Ik ben van mening dat we vergaande stappen moeten zetten om deze welvaartsziekten het hoofd te bieden. Daarom ondersteun ik ook onderzoek, vrije toegang tot de resultaten van dit onderzoek en specialisten.
Ik wil mijn dank uitspreken voor het verslag over geestelijke gezondheid en tegelijkertijd mijn bezorgdheid uiten over de vraag of het wel mogelijk is om afgezien van hulp voor ouderen en strijd tegen stigmatisering en sociale uitsluiting ook projecten op te nemen die tot doel hebben sociaal gemarginaliseerde mensen te bereiken. Dergelijke mensen vertonen vaak afkeer voor anderen, voelen zich vervreemd en zijn bang om door de samenleving afgekeurd te worden. Naar mijn mening moeten we ons in de eerste plaats concentreren op een uitgebreid opleidingsprogramma, zodat iedereen die daar behoefte aan heeft, weet waar hij terecht kan, welke hulp hij kan krijgen en, wat het belangrijkst is, dat het mogelijk is om terug te keren naar een normaal leven.
Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. – (RO) Geestelijke gezondheid en welzijn zijn de grote uitdaging van deze eeuw. De Wereldgezondheidsorganisatie schat dat geestelijke aandoeningen in 2020 ongeveer 15 procent van alle ziektegevallen zullen vormen.
Ik maak me vooral zorgen over de toekomst van jongeren en kinderen, en daarom heb ik voorgesteld iets te doen aan bewustmaking van het publiek over de achteruitgang van de geestelijke gezondheid bij migrantenkinderen, en op scholen programma's in te voeren om jonge mensen te leren om te gaan met de psychologische problemen die samenhangen met de afwezigheid van hun ouders.
Ik heb hierop aangedrongen omdat veel kinderen door hun ouders worden achtergelaten op het moment dat deze in het buitenland gaan werken, een situatie die in Centraal- en Oost-Europa steeds vaker voorkomt. Met het oog op de ondersteuning van deze jonge mensen, heb ik voorgesteld dat er op alle scholen van het voortgezet onderwijs een psychologische begeleidings- en adviesdienst komt en dat er alternatieve opties aangeboden worden die vertrouwelijk zijn en kinderen niet stigmatiseren, zodat aan hun sociale en emotionele behoeften noden tegemoet kan worden gekomen.
We moeten onder ogen zien dat geestelijke gezondheid bepalend is voor de levenskwaliteit van de burgers in de Europese Unie en dit probleem dus net zo serieus aangepakt moet worden als lichamelijke gezondheidsvraagstukken. We moeten een Europees actieplan opstellen om een antwoord te kunnen bieden op de uitdagingen waar geestesaandoeningen ons voor stellen.
Richard Seeber (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) Als we spreken over gezondheid, doelen we meestal op lichamelijk welzijn. Geestesaandoeningen kunnen echter ook het dagelijks leven van de betrokkenen ernstig bemoeilijken en hebben in maatschappelijk opzicht grote negatieve gevolgen. Het initiatief van het Parlement inzake betere voorlichting over geestelijke gezondheid is daarom een positieve stap. Er moet onder het grote publiek meer discussie op gang worden gebracht over de omgang met geestesaandoeningen, en de methoden ter voorkoming van geestesaandoeningen moeten beter toegankelijk worden gemaakt.
Van groot belang in dit verband is de werkplek. Aangezien de mensen veel tijd op hun werkplek doorbrengen en bij hun werk aan stress worden blootgesteld, dient juist hier de geestelijke gezondheid bevorderd te worden. Alleen gemotiveerde en evenwichtige werknemers zijn in staat hun taken goed te vervullen.
Bedrijven en overheidsinstellingen moeten derhalve bewust worden gemaakt van dit onderwerp. Door geestesaandoeningen te erkennen geeft het Parlement al met al blijk van een moderne opvatting over gezondheidszorg en biedt het op lange termijn tal van patiënten een positief vooruitzicht.
29. Follow-up van de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie: een eerste beoordeling (korte presentatie)
De Voorzitter. – U zult wel gemerkt hebben dat de verlichting in de zaal wat is gedimd. Ik neem aan dat dit is gedaan om energie te besparen.
Dat komt ook gelegen want aan de orde is het verslag (A6-0030/2009) van András Gyürk, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over de follow-up van de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie: een eerste beoordeling [2008/2214(INI)].
András Gyürk, rapporteur. − (HU) Dank u voor het woord, mijnheer de Voorzitter. Mijnheer de commissaris, de gascrisis van januari heeft in elk geval één positief gevolg gehad: ze heeft in elke lidstaat de dialoog over het energiebeleid een impuls gegeven.
Evenzo is er hier in het Europees Parlement veel discussie geweest over allerlei alternatieve transportroutes, de uitbreiding van opslagcapaciteiten en de rol die kernenergie in de toekomst moet vervullen. We hebben echter ten onrechte nauwelijks aandacht besteed aan energie-efficiëntie. Ik ben buitengewoon verheugd dat met het verslag over de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie dit onderwerp de afgelopen paar weken op de agenda heeft gestaan.
Energie-efficiëntie is zo belangrijk omdat het ons in staat stelt om sneller dan langs welke andere weg dan ook, tastbare resultaten te boeken. Zoals de commissaris voor energie, de heer Andris Piebalgs, onlangs heeft aangegeven, zouden Europese maatregelen met betrekking tot de uit-stand van apparaten de stand-by-verliezen kunnen terugdringen met het equivalent van het jaarlijkse energieverbruik van Hongarije.
We kunnen niet genoeg benadrukken dat energie-efficiëntie misschien zelfs alle problemen op het gebied van energiebeleid kan helpen oplossen. Allereerst zou het de Europese energieafhankelijkheid van derde landen kunnen helpen beperken. Bovendien zou energie-efficiëntie ook een heilzame invloed kunnen hebben op het concurrentievermogen van de Europese industrie en het milieu kunnen ontlasten. En laten we niet vergeten dat verbetering van de energie-efficiëntie ook de lasten voor de meest kwetsbare gebruikers zou kunnen verlichten.
Uiteraard lopen de omstandigheden en mogelijkheden van de lidstaten sterk uiteen, evenals hun wetgevingsinitiatieven. Daarom staan wij achter de EU-richtlijn van 2006 waarin maatregelen worden voorgesteld aan de hand waarvan de lidstaten in hun nationale actieplannen kunnen samenvatten welke maatregelen zij plannen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
In het huidige verslag hebben we gepoogd algemene conclusies te trekken met betrekking tot voornoemde actieplannen. Tegelijkertijd hebben wij geprobeerd te bepalen welke stappen op het vlak van EU-wetgeving er in de toekomst nodig zijn. Ik wil graag een aantal kernpunten van het verslag onder de aandacht brengen.
In de eerste plaats dringen we er in het verslag bij de Commissie op aan om strenger op te treden tegen verdere vertragingen bij het opstellen van nationale actieplannen voor energie-efficiëntie. Dit maal moet grondig worden bekeken of de lidstaten hun plannen vergezeld doen gaan met praktische maatregelen. Een belangrijke tekortkoming van verscheidene nationale actieplannen is dat ze weinig overeenkomst vertonen met het beleid van hun regeringen.
In de tweede plaats moet er zowel op nationaal als op communautair niveau meer geld worden uitgetrokken voor de verbetering van de energie-efficiëntie. Als gevolg van de financiële crisis kunnen maar heel weinig Europese burgers het zich veroorloven om in energie-efficiëntie te investeren. Daarom moeten bestaande projecten om energie-efficiëntie te stimuleren dringend worden uitgebreid. Dit brengt ons bij de volgende financiële vooruitzichten voor zeven jaar. Daarin moet energie-efficiëntie meer nadruk krijgen. Belastingvoordelen kunnen eveneens bijdragen aan substantiële verbeteringen.
In de derde plaats is er in de EU nog steeds behoefte aan wetgeving op het gebied van energie-efficiëntie. De aanbevelingen van de Europese Commissie hebben mijns inziens de juiste richting gewezen op dit gebied. Zo zou een strengere wetgeving voor het energieverbruik van gebouwen aanzienlijke besparingen kunnen opleveren.
In de vierde plaats moeten nationale regeringen een pioniersrol op zich nemen bij de ontwikkeling van energie-efficiënte oplossingen. Deze inspanningen moeten gepaard gaan met uitvoerige voorlichtingscampagnes. Consumenten zijn pas bereid om in hun energie-efficiëntie te investeren als ze zich ten volle bewust zijn van de baat die ze erbij hebben.
Ten slotte wil ik graag nog een gedachte met u delen. Ik ben er stellig van overtuigd dat energie-efficiëntie ook in tijden van recessie niet als tweederangs streven mag worden beschouwd. Daar komt bij dat programma’s voor energie-efficiëntie in Europa honderdduizenden banen kunnen scheppen. In een jaar van massaontslagen is dit aspect bepaald geen bijzaak.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik de kans krijg om in deze vergaderperiode van het Europees Parlement het woord te voeren over onder andere de beoordeling van de Commissie van de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie (NEEAP's), die in de tweede strategische energiebeleidsevaluatie van november 2008 en de eerdere mededeling van de Commissie van januari 2008 werd gepresenteerd.
Deze lente zal in het NEEAP-document van de Commissie een meer gedetailleerde technische samenvatting van de beoordeling van de Commissie van de NEEAP’s worden gepresenteerd.
Ik zou daarom van de gelegenheid gebruik willen maken om de rapporteur, de heer Gyürk, te bedanken voor zijn werk, alsook de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) voor haar waardevolle discussies en opmerkingen.
In de afgelopen jaren heeft de Commissie heel duidelijk gesteld dat energie-efficiëntie de eerste prioriteit is van het energiebeleid van de Europese Unie en een heel belangrijke steunpilaar om de streefdoelen voor 2020 te verwezenlijken. Nationale actieplannen voor energie-efficiëntie spelen een centrale rol in dit verband. De richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten verplicht zoals u weet de lidstaten om deze actieplannen voor te leggen en om te laten zien hoe ze hun nationale doelstellingen voor energie-efficiëntie in de praktijk willen verwezenlijken.
De oorspronkelijke termijn voor de indiening ervan door de lidstaten was 30 juni 2007 maar, zoals u weet, waren veel lidstaten helaas te laat. De laatste NEEAP’s zijn pas in juni 2008 bij de Commissie gearriveerd.
Nu heeft de Commissie alle individuele beoordelingen afgerond en brieven gestuurd naar alle lidstaten met de resultaten van die beoordelingen. In aansluiting daarop heeft er een aantal bilaterale vergaderingen plaatsgevonden en een aantal lidstaten heeft verklaard dat ze ook zelf hun NEEAP’s in de komende maanden zouden willen verbeteren. Zoals de leden van de commissie ITRE hebben opgemerkt, zijn de eerste nationale actieplannen voor energie-efficiëntie een hele nuttige exercitie gebleken. Sterker nog, veel lidstaten zijn voor het eerst met uitgebreide actieplannen voor energiebesparingen gekomen. Velen van hen hebben bevestigd dat ze de sectoroverschrijdende inspanning die als voorbereiding nodig was, erg nuttig hebben gevonden.
In het kader van de richtlijn inzake energiediensten hebben NEEAP’s slechts een beperkte rol. Echter, de Commissie heeft in haar mededeling van november 2008 en in andere recente verklaringen de lidstaten altijd ertoe aangemoedigd om hun rol te vergroten.
De Commissie zal een nieuw EU-actieplan voor energiebesparingen voorbereiden waarmee de maatregelen van de Europese Unie versterkt en doelgerichter worden, zodat de lidstaten, het bedrijfsleven en de burgers van de Europese Unie op een financieel verantwoorde manier energie kunnen besparen.
In uw verslag verzoekt u de Commissie dringend een bindend streefdoel voor energiebesparingen voor te stellen. Het huidige doel voor energiebesparing van 20 procent primaire energie tot 2020 is een niet-bindend streefdoel, zoals u weet. De Commissie meent echter dat met het klimaat- en energiepakket, alsook met de voorstellen in de tweede strategische energiebeleidsevaluatie die 20 procent gehaald kan worden.
Het verslag van de heer Gyürk geeft ook terecht aan dat de financiële steun moeten worden verhoogd. De Commissie heeft erkend dat er financiële vraagstukken zijn met betrekking tot energiebesparing. Ik verwijs naar het Europees economisch herstelplan van 26 november 2008 en naar andere gecoördineerde inspanningen die gericht zijn op het helpen creëren van banen, vaak in kleine en middelgrote bedrijven, aangezien investeringen in energie-efficiëntie, en vooral in gebouwen, meestal renovatieprojecten op kleine schaal betreffen.
Tot besluit zou ik u er graag aan willen herinneren dat de Europese leiders zich tijdens de ambtstermijn van deze Commissie echt hebben ingezet voor de bevordering van energie-efficiëntie. Door investeringen in energie-efficiëntie en in aanverwante nieuwe technologieën te stimuleren wordt een essentiële bijdrage geleverd aan duurzame ontwikkeling evenals aan continue energievoorziening. Energie-efficiëntie heeft echter een grotere impact, een impact die veel verder gaat dan het energiebeleid. Ze heeft over het algemeen een positief effect op de economie van de Europese Unie: meer efficiëntie helpt nieuwe banen creëren, de economische groei stimuleren en het concurrentievermogen verbeteren. Zoals u terecht al zei is dit precies wat we in deze moeilijke en uitdagende tijden zouden moeten doen.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. – (LT) Het is duidelijk dat de olieprijzen kelderen, maar als eenmaal de huidige economische crisis voorbij is, zullen de prijzen weer omhoog gaan. Ik wil er daarom op wijzen hoe belangrijk het is de energiebronnen en aanvoerroutes te diversifiëren, om de negatieve gevolgen van een mogelijke toekomstige oliecrisis te beperken.
De lidstaten van de EU, en in het bijzonder de "energie-eilanden" zijn in verschillende mate afhankelijk van de invoer van energie en bestaande infrastructuur. Is een gemeenschappelijke energiemarkt realistisch als bijvoorbeeld de Baltische staten, waaronder Litouwen, energie-eilanden zijn? Ook is het een acuut probleem dat Europa niet in staat is met één stem te spreken tot de belangrijkste energieleveranciers. Op papier scheppen we een ambitieus Europees energiebeleid, maar in de praktijk blijft bilateralisme de klok slaan. Geachte collega's, de politisering van de energiesector komt de stabiliteit niet ten goede. We kunnen en moeten proberen om de situatie te veranderen door middel van diversifiëring en solidariteit. We moeten de energie-infrastructuur voltooien met de ontbrekende schakels en een Europees coördinatiemechanisme opzetten om op dergelijke crises te reageren. Het is van wezenlijk belang dat de lidstaten die het meest afhankelijk zijn van energiebronnen ook over voldoende energiereserves beschikken. Daarbij moeten we niet alleen naar kortetermijnmaatregelen kijken voor energiezekerheid, maar ook de langetermijnperspectieven meenemen. Europa moet op zijn beurt zijn energiebronnen diversifiëren en de energiezekerheid verbeteren.
Cristian Silviu Buşoi (ALDE), schriftelijk. – (RO) Energie-efficiëntie is nu belangrijker dan ooit, omdat we ons geconfronteerd zien met grote uitdagingen bij de energiebevoorrading van de EU en omdat we nog consequentere inspanningen moeten leveren om de uitstoot van kooldioxide te verminderen. Ik ben ervoor het probleem van de energie-efficiëntie aan te pakken op een manier die coherent is met het ander EU-beleid, vooral het klimaat- en energiepakket en de noodzaak van diversificatie van energiebronnen.
Naar mijn sterke overtuiging moet de sector R&D gesteund worden, omdat deze een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de energie-efficiëntie. De Commissie en de lidstaten moeten meer steun geven aan projecten die gericht zijn op verbetering van de energie-efficiëntie, zoals investeringen in de energie-efficiëntie van openbaar vervoer, isolatie van gebouwen, enzovoort. Ik denk dat overheidsmiddelen meer in die richting moeten worden ingezet en niet in prijssubsidies voor brandstof, omdat dit soort projecten tegelijkertijd de consument helpen, die geconfronteerd wordt met stijgende energieprijzen.
Ik roep daarom de lidstaten op om effectieve en realistische actieplannen op te stellen, de burgers zoveel mogelijk informatie te geven over energie-efficiëntie en meer samen te werken door goede praktijken uit te wisselen. Ik roep de Commissie ook op nationale overheden te ondersteunen, met name op technisch gebied.
Daniel Petru Funeriu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Energie-efficiëntie van gebouwen is vooral een ernstige zorg in landen met een nalatenschap van een groot aantal gebouwen van slechte kwaliteit die volgens de normen van het communistische tijdperk zijn gebouwd.
Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om de Commissie te vragen financiële instrumenten en effectieve procedures te ontwikkelen om de verwarmingssystemen in deze gebouwen te vernieuwen, in het kader van de doelstelling om de energie-efficiëntie in de EU tot 2020 met 20 procent te verbeteren.
Iosif Matula (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Energie-efficiëntie is een van de hoofddoelstellingen van de Europese Unie en het bereiken van deze doelstelling zal een belangrijke stap zijn op weg naar duurzame ontwikkeling. Daarom is er voor het bereiken van betere resultaten, naast inspanningen van de lidstaten voor een actiever beleid voor een efficiënter energieverbruik, ook coördinatie nodig op het niveau van de Gemeenschap.
Een van de manieren om energie te besparen is gebouwen te isoleren. Volgens onderzoek kan het energieverlies op het niveau van de Gemeenschap met in totaal ongeveer 27 procent worden verminderd, wat een verlaging van de kosten voor de consument met zich mee zou brengen.
Een van de problemen die plaatselijke gemeenschappen ondervinden bij het opzetten van projecten voor de renovatie van verwarmingssystemen in woningen wordt gevormd door de complexe aanvraagprocedure die ze daarbij moeten volgen. De maatregelen die in de toekomst genomen worden, moeten dan ook als uitgangspunt de vereenvoudiging van deze procedures hebben. De doelstelling van de verbetering van de energie-efficiëntie door het isoleren van gebouwen moet ook gericht zijn op achtergestelde sociale groepen. Dat versterkt het solidariteitsprincipe in Europa.
Anni Podimata (PSE), schriftelijk. – (EL) Uit de met de eerste beoordeling van de nationale actieplannen opgedane ervaring blijkt duidelijk dat de omstandigheden in de EU nog niet zover gevorderd zijn dat steun kan worden gegeven aan maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie. Niet alleen werden de eerste nationale actieplannen voor energie-efficiëntie in een aantal lidstaten, waaronder Griekenland, met grote vertraging ingediend maar ze gingen bovendien gebukt onder ernstige tekortkomingen, met dien verstande dat de ambitieuze plannen niet gepaard gingen met duidelijk afgebakende, praktische voorstellen met toegevoegde waarde. Uit recente gegevens van de Commissie is echter gebleken dat de EU met de verwezenlijking van het doel van 20 procent energiebesparing ongeveer 400 Mtoe minder primaire energie zou gebruiken en de CO2-uitstoot met 860 Mt zou verminderen.
Bijgevolg is het kennelijk nog niet volledig tot ons doorgedrongen welke enorme mogelijkheden wij hebben met de bevordering van energie-efficiëntie, met name in een tijd van economische crisis als deze. Daarom moet de EU energie-efficiëntie onmiddellijk opnemen in al haar sectorale beleidsvormen, duidelijke voorstellen doen, ondersteunende maatregelen treffen en de communautaire steun hieraan verhogen. Energie-efficiëntie is een cruciaal vraagstuk na de uitvaardiging van het klimaatpakket en kan zorgen voor energiezekerheid, voor minder uitstoot van broeikasgassen en stimulering van de Europese economie.
30. Toegepast onderzoek op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid (korte presentatie)
De Voorzitter. – Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0016/2009) van Rosa Miguélez Ramos, namens de Commissie visserij, over het toegepast onderzoek op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid [2008/2222(INI)].
Rosa Miguélez Ramos, rapporteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, het verenigen van behoud van ecosystemen met duurzame exploitatie van mariene hulpbronnen, het voorkomen en beperken van de gevolgen van menselijke activiteiten voor het milieu, uitbreiding van kennis en bevordering van technologische ontwikkeling en innovatie zijn opgaven die niet zonder ondersteuning door de wetenschappelijke gemeenschap kunnen worden aangepakt.
Onderzoek op visserijgebied is absoluut noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de wetgever beschikt over passende aanbevelingen en wetenschappelijk adviezen. Meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in de verzameling en verwerking van betrouwbare gegevens zullen een degelijker en duurzamer gemeenschappelijk visserijbeleid opleveren.
Weliswaar schetst de opmerking die ik een wetenschapper hoorde maken: “Het geld is niet het probleem, maar de mensen”, een goed beeld van de situatie, maar ik wil niet beweren dat het onderzoek op visserijgebied over voldoende financiële middelen beschikt. In plaats daarvan hebben we volgens mij te maken met een tweeledig probleem.
Ten eerste, mijnheer de commissaris, lijken de in het zevende kaderprogramma vastgestelde bedragen voor marien onderzoek, dat een horizontaal onderzoeksgebied behoort te zijn, niet toereikend te zijn voor de op het moment gewenste geïntegreerde aanpak op dit gebied.
Bovendien, commissaris, hebben wetenschappers te maken met problemen wanneer ze projecten voor het zevende kaderprogramma willen indienen – en ik kan u verzekeren dat ik met velen van hen gesproken heb om dit verslag te kunnen opstellen, zowel voor als tijdens het proces. Deze problemen zijn gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat enerzijds op het gebied van aquacultuur de nadruk vooral moet liggen op de industriële aspecten, en dat anderzijds op het gebied van visserijonderzoek en mariene wetenschappen meer interdisciplinariteit en langetermijnvisie vereist zijn.
Vóór het zevende kaderprogramma werden deze beide gebieden uit dezelfde fondsen gefinancierd en werd daarover verslag uitgebracht bij het directoraat-generaal Maritieme zaken en visserij, waardoor deze verschillende takken elkaar konden aanvullen. Op het moment ligt de verantwoordelijkheid bij het directoraat-generaal Onderzoek, waardoor het voor de wetenschappelijke gemeenschap moeilijk wordt om de zorgpunten en behoeften van de sector kenbaar te maken aan degenen die de richtsnoeren voor de uitnodigingen tot het indienen van voorstellen opstellen.
Bovendien bestaat er binnen de wetenschappelijke gemeenschap de indruk dat het directoraat-generaal ervoor heeft gekozen prioriteit te geven aan fundamenteel onderzoek, zonder plaats in te ruimen voor onderzoek dat gericht is op overheidsbeleid, bijvoorbeeld onderzoek dat ertoe dient om de maritieme strategie van de Gemeenschap uit wetenschappelijk oogpunt te verrijken, of om de verhouding tussen visserij en klimaatverandering te onderzoeken.
Kortom, om het doel van het maritieme beleid van de Europese Unie: een productieve visserij in een schoon marien milieu, te kunnen verwezenlijken, moeten op dit gebied werkzame wetenschappers toegang hebben tot horizontale financieringsmechanismen in het kader van het zevende kaderprogramma.
Tot slot zou ik graag het tweede probleem willen aankaarten: het zorgwekkende gebrek aan jonge wetenschappers in het onderzoek op visserijgebied, dat kennelijk te wijten is aan het feit dat de loopbaanvooruitzichten in vergelijking tot andere wetenschappen niet erg aantrekkelijk zijn.
Het is van cruciaal belang dat we interessante en perspectiefrijke universitaire opleidingen opzetten die kansen bieden op goede banen. Kennelijk is het ook noodzakelijk de verschillende onderzoeksmodellen in de verschillende lidstaten te standaardiseren om de vergelijkbaarheid van de resultaten te verbeteren, de gegevensverwerking te vereenvoudigen, en de samenwerking tussen de nationale onderzoeksinstellingen te versterken. Natuurlijk ben ik ook van mening dat het van essentieel belang is de ervaringen en deskundigheid van vissers beter te integreren in het proces voor de opstelling van wetenschappelijke adviezen waarop politieke besluiten in het kader van een deel van het GVB moeten worden gebaseerd.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik nu over iets mag spreken dat onder mijn eigen verantwoordelijkheid valt. De Commissie is verheugd over het verslag van het Parlement over het gemeenschappelijke visserijbeleid en wil de rapporteur, mevrouw Rosa Miguélez Ramos, en de Commissie visserij bedanken voor het uitstekende werk dat ze hebben geleverd.
Het verslag komt op het goede moment, nu de voorbereiding van de gemeenschappelijke uitnodiging met betrekking tot marien en maritiem onderzoek in volle gang is. Het verslag valt ook samen met het werkprogramma 2010 voor het zevende kaderprogramma en de presentatie van het Groenboek over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat een hoofdstuk over onderzoek bevat. De Commissie gaat in principe akkoord met de hoofdlijnen van het verslag.
We zijn blij met de steun die voor de Europese strategie voor marien en maritiem onderzoek is betuigd, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de vergroting van de capaciteit, aan nieuwe infrastructuur, nieuwe vaardigheden en onderwijsinitiatieven, aan bevordering van integratie tussen de gevestigde takken van marien en maritiem onderzoek, aan bevordering van synergie tussen de lidstaten en de Commissie en een nieuwe governance op onderzoeksgebied.
De Commissie erkent dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat er voldoende financiële middelen worden gereserveerd voor visserij en aquacultuur en er tegelijkertijd een goed evenwicht met de andere onderzoekssectoren wordt gewaarborgd, vooral in de landbouw, bosbouw en biotechnologie: Thema 2 – KBBE en Thema 6 – milieu. De jaarlijkse begroting voor het zevende kaderprogramma zal geleidelijk toenemen gedurende de laatste drie jaren van het programma en dat zal zowel de visserij- als de aquacultuursector zeker ten goede komen.
De Commissie zal zich blijven inspannen voor steun aan onderzoek overeenkomstig het verslag. Daartoe zal zij onderzoek op het gebied van visserij en aquacultuur in het zevende kaderprogramma meer zichtbaarheid geven. Op die manier zal het mogelijk zijn een goed evenwicht tussen beleidsondersteunend onderzoek en meer fundamenteel onderzoek te waarborgen, de sociale wetenschap binnen de werkprogramma’s te versterken, de verspreiding van resultaten te bevorderen en een betere coördinatie tussen nationale onderzoeksprogramma’s aan te moedigen.
Ten slotte zal de Commissie de integratie van onderzoek op het gebied van visserij en aquacultuur vergemakkelijken in het meer algemene kader van haar strategische onderzoeksagenda, de Europese onderzoeksruimte en de Europese strategie voor marien en maritiem onderzoek.
Gelet op de initiatieven die ik zojuist heb genoemd, ben ik van mening dat we nu een stevige basis hebben om onze visserij- en aquacultuursectoren door middel van innoverend onderzoek binnen het kaderprogramma te verbeteren. Deze zullen op hun beurt ook voordeel hebben van de verbeterde samenwerking tussen en coördinatie van de nationaal onderzoeksprogramma’s, door middel van de verschillende voorstellen op het gebied van de Europese onderzoeksruimte en binnen het kader van het gemeenschappelijke visserijbeleid.
Ik zou graag zelf nog iets willen toevoegen en u willen garanderen dat het niet ingewikkelder wordt dan het was, gewoonweg omdat dezelfde mensen eraan werken en de samenwerking met mijn collega, de heer Borg, werkelijk uitstekend is. Ik ben van mening dat onderzoek in de toekomst op deze manier behoort te worden uitgevoerd. We gaan sectoroverschrijdend te werk. Dat levert echt betere resultaten op, hetgeen bij een meer sectorale aanpak haast niet mogelijk was geweest. Ik wil u echt bedanken voor het geweldige werk dat u hebt verricht.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag 19 februari 2009 plaats.
31. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen