Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/0183(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0091/2009

Ingediende teksten :

A6-0091/2009

Debatten :

PV 26/03/2009 - 2
CRE 26/03/2009 - 2

Stemmingen :

PV 26/03/2009 - 4.2
CRE 26/03/2009 - 4.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0188

Debatten
Donderdag 26 maart 2009 - Straatsburg Uitgave PB

2. Voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap (wijziging van de "integrale GMO"-verordening) (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0091/2009) van Czesław Adam Siekierski, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap (COM(2008)0563 – C6-0353/2008 – 2008/0183(CNS)).

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski, rapporteur. (PL) Mevrouw de Voorzitter, we discussiëren vandaag over een uiterst belangrijk onderwerp, namelijk het programma voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap. Het is belangrijk omdat het miljoenen mensen betreft die in armoede leven en op bijzondere hulp zijn aangewezen. Wij steunen het voorstel van de Europese Commissie om de begroting met tweederde te verhogen, van 305 miljoen euro tot bijna 500 miljoen euro per jaar, en het aantal producten uit te breiden die in het kader van dit programma worden uitgereikt.

Dit programma biedt uiteraard geen oplossing voor de problemen van ondervoeding en armoede onder de burgers van de Gemeenschap, maar het kan er wel toe bijdragen deze problemen te verlichten. Wij zijn tegen het voorstel voor een onmiddellijke invoering – ik herhaal: een onmiddellijke invoering – van medefinanciering uit de nationale begrotingen, omdat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat sommige landen in beperktere mate of helemaal niet meer aan het programma deelnemen. Het gaat daarbij met name om landen waar het inkomen per hoofd laag is en die kampen met begrotingsproblemen. Dit is des te belangrijker vanwege de huidige economische crisis. Ik denk dat de Raad er wel in zal slagen om ten aanzien van deze kwestie een compromis uit te werken.

Wij staan ook achter het voorstel dat levensmiddelen die bestemd zijn voor verstrekking in het kader van het programma, uit de Europese Unie moeten komen. Het moeten zoveel mogelijk voedingsmiddelen van lokale oorsprong zijn, wat betekent dat we de lokale voedselproducenten steunen door de vraag te versterken. We zullen er ook voor zorgen dat de uitgereikte voedingsmiddelen van goede kwaliteit zijn.

Er is heel wat te doen geweest over de rechtsgrondslag van het programma. Zoals bekend hebben de juridische diensten van de Raad het standpunt van de Commissie aangevochten. De commissaris kan in deze kwestie op de steun van het Parlement rekenen. Ik deel het standpunt van de Commissie dat er duidelijke prioriteiten moeten worden vastgesteld en een planning op lange termijn nodig is. De verlenging van het programma met drie jaar zal bijdragen tot een doeltreffender besteding van de beschikbare middelen.

Door dit verslag aan te nemen zou het Parlement een positief signaal naar de burgers doen uitgaan. De EU verleent hulp aan de armste landen van Afrika, en daar staan we natuurlijk achter, maar de Unie moet ook aan de eigen burgers denken. Het voedselprogramma voor de meest behoeftigen in de Europese Unie zorgt er, net als het schoolmelk- en schoolfruitprogramma, voor dat de houding ten opzichte van de EU en het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die in het verleden door zo velen zijn gehekeld, langzamerhand verandert. Onze burgers moeten weten dat het voedsel dat ze krijgen afkomstig is van EU-programma's en EU-middelen.

Met dit programma bevestigt de EU dat zij zich verantwoordelijk voelt voor haar meest behoeftige burgers. Tot deze groep behoren voornamelijk daklozen, probleemgezinnen, werklozen, alleenstaande ouders, migranten, asielzoekers en mensen op leeftijd of met een laag inkomen. Vaak zijn dit mensen met een handicap, of ook kinderen.

Hierbij moet er op worden gewezen dat de politieke omwentelingen in de landen die recent tot de EU zijn toegetreden hebben geleid tot aanzienlijke inkomensverschillen binnen de samenleving. In enkele van deze landen worden de verschillen in inkomen en levensstandaard zelfs alleen maar groter. Vooral gezinnen uit kleine steden en plattelandsbewoners hebben met armoede te kampen. Het aantal mensen dat niet kan voorzien in de basisbehoeften neemt toe.

Er is sprake van een zekere impasse binnen de Raad, waar iedereen zit te wachten op het standpunt van het Parlement, en ik ben ervan overtuigd dat de Tsjechische Republiek, die momenteel het voorzitterschap bekleedt, er door de goedkeuring van mijn verslag toe zou worden aangezet de discussie te heropenen en een compromis in de Raad te vinden. Laten we hopen dat de wetgevende werkzaamheden in mei of juni van dit jaar zullen worden afgerond. Ik zou de landen die niet aan het programma deelnemen, willen aanmoedigen dit alsnog te doen. Tot slot wil ik, namens de miljoenen inwoners die van het programma profiteren, de liefdadigheidsorganisaties die de levensmiddelen uitreiken, en ook namens mijzelf dank zeggen aan alle leden van het EP, en niet alleen aan diegenen die mijn verslag hebben gesteund.

 
  
MPphoto
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, voordat ik inhoudelijk op het voorstel inga, wil ik graag de rapporteur, de heer Siekierski, en de leden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling hartelijk danken voor hun werk aan dit verslag.

Om te beginnen wil ik graag het debat van vandaag in de juiste context plaatsen, want dit voorstel gaat niet over wetsartikelen, politieke macht of beloften, maar over mensen. Miljoenen Europeanen zijn getroffen door de moeilijke economische tijden en door de snelle stijging van de voedselprijzen sinds 2007. Voor meer mensen dan we denken is het gebrek aan goed voedsel een dagelijkse zorg. 43 miljoen Europeanen hebben niet genoeg geld om eens in de twee dagen een maaltijd met vlees, kip of vis te eten. Dat is een veelzeggend cijfer, denk ik.

Het programma voor de meest behoeftigen is bestemd voor de groepen mensen in onze maatschappij die voedselhulp nodig hebben: mensen die zich zorgen maken of ze hun kinderen de volgende dag kunnen voeden, mensen die niet nadenken over wat ze ’s avond zullen eten, maar zich afvragen of ze überhaupt iets te eten zullen hebben, mensen die nooit in restaurants komen, behalve het Resto du Cœur.

Met meer dan dertien miljoen behoeftigen die van het programma profiteren, met negentien deelnemende lidstaten en met de stabiele voorraad interventieproducten heeft dit programma duidelijk laten zien wat het waard is. Het Parlement zag dat al in 2006 in, toen het de Raad en de Commissie opriep het programma een permanente basis te geven voor de toekomst en de verstrekking van levensmiddelen te verbreden, zonder het te beperken tot de productie waar interventie voor geldt.

Ik ben verheugd dat het verslag van de heer Siekierski de aanpak van de Commissie onderschrijft en ermee instemt dat het vereist is het programma binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid te houden. Dit is bijzonder belangrijk in een tijd waarin sommigen beweren dat mensen voeden niets te maken heeft met ons landbouwbeleid.

Tot nu toe is het programma uitsluitend met de gemeenschapsbegroting gefinancierd. Ons voorstel omvat nu ook medefinanciering. Dat is een wezenlijke verandering, maar ik geloof dat dit een fundamentele verbetering van de regeling is. Medefinanciering zal het totaal van beschikbare middelen voor deze maatregelen beter in evenwicht brengen met de werkelijke behoeften, lidstaten aanmoedigen meer verantwoordelijkheid te nemen bij het beheer van het programma en is ook een manier om het cohesie-element te versterken, aangezien cohesielanden minder medefinanciering zullen hebben.

Tegelijkertijd ben ik het ermee eens dat we niet het risico moeten nemen dat lidstaten zich uit de regeling terugtrekken. Daarom hebben we een geleidelijke invoering van medefinancieringspercentages voorgesteld ter handhaving van het verschil tussen de cohesielidstaten en de niet-cohesielidstaten.

Ik ben het ermee eens dat we meer moeten doen om de voedselkwaliteit van de verstrekte voedingsmiddelen te garanderen. Zoals de rapporteur heeft beschreven, kan dit betekenen dat de voorkeur uitgaat naar verse, plaatselijke producten. Het is echter niet juist buitenlandse producten of producten van buiten de Europese Unie te weren, zoals u in uw verslag voorstelt. Dat zou bijkomende en ingewikkelde controles met zich meebrengen. Het zou kunnen worden opgevat als een signaal van protectionisme van de EU en zou zelfs vraagtekens kunnen oproepen bij onze WTO-partners. Niettemin zal de grote meerderheid van het verstrekte voedsel in werkelijkheid in de Europese Unie worden geproduceerd, hoofdzakelijk via interventievoorraden en hoogstwaarschijnlijk via de aanbestedingen die we nu aan het voorbereiden zijn, met name in de zuivelsector.

Aangezien liefdadigheidsinstellingen sterk betrokken zijn in de regeling, biedt ons voorstel de mogelijkheid de kosten van het vervoer en de administratieve kosten van de ngo’s te vergoeden. U stelt voor om ook opslagkosten te vergoeden. Ik sta geheel achter dit idee, maar ben het niet eens met uw suggestie om de vergoedingspercentages door de lidstaten vast te laten stellen. We moeten hetzelfde maximumpercentage toepassen voor alle deelnemende landen, niet in de laatste plaats om ervoor te zorgen dat het programma efficiënt blijft en dat voedselverstrekking centraal blijft staan.

Tot slot wil ik onderstrepen dat de Raad de uitslag van het debat en de stemming van vandaag afwacht voordat het zijn besprekingen vervolgt. Ik hoop dat de ministers de wachttijd op zinvolle wijze hebben ingevuld. En daarom moet het debat van vandaag een duidelijke boodschap overbrengen: laten we hen die in de rij staan voor een kop soep of op het volgende voedselpakket wachten niet vergeten. Dus wacht niet te lang! We moeten deze voedselhulpregeling een permanente basis geven voor de toekomst.

 
  
MPphoto
 

  Florencio Luque Aguilar, rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling.(ES) Mevrouw de Voorzitter, de economische crisis die Europa nu doormaakt zal tot gevolg hebben dat het aantal mensen dat onder de armoededrempel leeft de eerstvolgende jaren zal toenemen. Dat aantal ligt nu al op 80 miljoen, ofwel 16 procent van de wereldbevolking.

Bij een dergelijk crisisscenario is het van fundamenteel belang dat we de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen onder ons kunnen voortzetten. Nu is het zo dat de interventievoorraden geleidelijk aan zijn opgegeven, en daarmee verdwijnt ook een instrument dat tot op heden een heel nuttige rol heeft gespeeld bij de voedselverstrekking aan de armste bevolkingsgroepen. Diezelfde interventievoorraden garandeerden tegelijkertijd stabiele prijzen voor de Europese producenten.

Het zou een goede zaak zijn als het nieuwe hulpprogramma voor de armsten ook zou dienen als afzetmogelijkheid voor de landbouwproductie. Dat zou bovendien meehelpen om de ontvolking van plattelandsgebieden tegen te gaan.

In het voorstel van de Europese Commissie wordt niet verplicht gesteld dat al de voedingsmiddelen voor dit programma uit de Gemeenschap afkomstig zijn. De Commissie meent dat een dergelijke eis strijdig zou zijn met de normen van de Wereldhandelsorganisatie. Ik wil de Commissie er echter graag op wijzen dat een land als de Verenigde Staten maar liefst 67 procent van de landbouwbegroting reserveert voor voedselprogramma’s ten behoeve van de armste bevolkingsgroepen. Die programma’s zijn dus ook een vorm van preferentiële steun aan de eigen landbouwers en veetelers.

Het zojuist genoemde percentage steekt schril af tegen de kosten die met het nieuwe communautaire programma gemoeid zouden zijn: slechts 1 procent van de begroting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

 
  
MPphoto
 

  Agnes Schierhuber, namens de PPE-DE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte collega’s, ook ik wil graag de heer Siekierski hartelijk danken voor zijn verslag en daarbij opmerken dat hij werkelijk uitstekend werk heeft verricht.

Inmiddels bestaat in de Europese Unie al meer dan twee decennia een programma voor de verstrekking van voedingsmiddelen aan de meest behoeftigen. Zo konden bijvoorbeeld in 2006 ongeveer dertien miljoen mensen uit vijftien lidstaten door verschillende hulpmaatregelen worden ondersteund. Voor mij vormt dit programma een belangrijke bijdrage aan de instandhouding en bevordering van de solidariteit binnen onze Europese Gemeenschap, wat zowel de commissaris als de rapporteur ook hebben gezegd. Naar mijn mening is en blijft de EU niet slechts een economische gemeenschappelijke markt, maar vooral ook een gemeenschap van gedeelde waarden en solidariteit. Ook in de zin van een moderne ecosociale markteconomie met de drie zuilen economie, ecologie en sociale zaken – die alle drie even belangrijk zijn, zodat alle lidstaten aan dit programma kunnen deelnemen – steun ik de mening van de rapporteur dat de financiering voor 100 procent door de Europese Unie moet worden overgenomen, zoals tot nu toe steeds het geval is geweest.

Graag wil ik in het bijzonder benadrukken dat het weliswaar belangrijk is dat hiervoor hoofdzakelijk producten worden gebruikt die in de Gemeenschap zijn geproduceerd, maar dat de hulp niet daartoe beperkt mag blijven, indien er behoefte is aan producten van buiten de Gemeenschap.

Tot slot ben ik persoonlijk van mening dat we moeten vasthouden aan de idee dat het niet meer dan vanzelfsprekend is dat we de armsten onder de armen helpen voor zover dat in onze mogelijkheden ligt. Ik hoop van harte, zoals de commissaris ook heeft gezegd, dat een grote meerderheid vandaag instemt met dit verslag, zodat we de Raad ook echt een signaal geven.

 
  
MPphoto
 

  María Isabel Salinas García, namens de PSE-Fractie.(ES) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, beste collega’s, ik wil om te beginnen de rapporteur gelukwensen. We zijn het met betrekking tot dit programma op veel punten met hem eens. Verder mogen we iedereen die eraan meegewerkt heeft gelukwensen: in tijden van crisis is het van fundamenteel belang dat we een programma als het onderhavige – een programma dat beslist een positieve sociale impact heeft – voortzetten.

We volgen hier de raadplegingsprocedure, maar het is toch van belang dat het Europees Parlement in deze onzekere tijden vanuit Brussel en Straatsburg een signaal uitzendt om duidelijk te maken dat we ons niet uitsluitend bezig houden met het herstel van het financieel systeem, maar dat we ook terdege beseffen dat het sociaal beleid – inzonderheid de programma’s voor de meest behoeftigen – moet worden uitgebreid.

We moeten dit programma voor voedselverstrekking blijven zien als een onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid – op dat punt zijn we het met de Commissie eens – , en wel omdat de Europese landbouw een sterke sociale roeping heeft, omdat het een goed functionerend instrument is, en omdat het meer dan ooit van belang is dat het blijft functioneren.

Net als de rapporteur, is ook de sociaaldemocratische fractie tegen het idee om voor dit programma cofinanciering door de Europese Unie en de lidstaten voor te schrijven. Dat zou neerkomen op discriminatie tussen de lidstaten op grond van hun welvaart, met als mogelijk gevolg dat het programma in de allerarmste landen niet gerealiseerd zou kunnen worden.

We begrijpen niet dat de Commissie nu juist op dit moment, nu er aan deze hulp het meeste behoefte is, geld wil besparen op het meest sociale onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zeker niet als je bedenkt dat er elk jaar een begrotingsoverschot op de landbouwbegroting is.

Voor ons is het van fundamenteel belang dat dit programma geheel uit gemeenschapsfondsen wordt gefinancierd. Wij willen garanderen dat dit programma in elk land, en dan zeker de armste, wordt uitgevoerd. De 43 miljoen mensen die voor hulp uit hoofde van dit programma in aanmerking zouden kunnen komen verlangen dat wij meer doen; we mogen dus onder geen beding op deze begrotingspost beknibbelen. We zijn vóór soberheid – maar niet ten koste van de meest behoeftigen.

Om te garanderen dat de hulp bij de burgers van alle lidstaten terecht komt, moet het programma alle schakels van de voedselverstrekkingsketen bestrijken. Daarom heeft de sociaaldemocratische fractie – die mij heeft aangewezen als schaduwrapporteur – een amendement ingediend, waarin we voorstellen om al de met de verstrekking verband houdende kosten, van de transport- en opslagkosten tot de administratieve kosten, via gemeenschapsmiddelen te dekken.

We zijn het ook met de rapporteur eens dat de voedingsmiddelen bij voorkeur uit de gemeenschap afkomstig moeten zijn en van goede kwaliteit. Dat sluit aan bij het standpunt dat het Parlement heeft aangenomen met betrekking tot vergelijkbare programma’s, zoals het programma voor het verdelen van fruit op scholen, waarover we hier in dit Parlement onlangs hebben gesproken.

Dat was alles – hartelijk dank. Ik hoop dat de Commissie rekening zal houden met het standpunt van dit Parlement en – vooral – dat ze dit plan zo snel mogelijk in de Europese Unie zal realiseren.

 
  
MPphoto
 

  Willem Schuth, namens de ALDE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte mevrouw de commissaris, geachte collega’s, ten eerste wil ik duidelijk stellen dat de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen, juist in deze economisch moeilijke tijden, voor mij niet ter discussie staat in de aanstaande stemming over het verslag van de heer Siekierski. Daarom wil ik ook meteen aan het begin duidelijk maken dat het niet eenvoudig was een gezamenlijke lijn binnen onze fractie te vinden. Ik respecteer daarom ook de persoonlijke beslissing van iedere collega binnen onze fractie die daarvan wil afwijken en niet instemt met de door ons geplande verwerping van het verslag.

Waarom kan ik niet instemmen met het resultaat van de stemming in de commissie in deze vorm? Daarvoor bestaan een aantal redenen, die niets, maar dan ook niets, te maken hebben met de hulp voor de meest behoeftigen in de Europese Unie in deze economisch moeilijke tijden. Integendeel, de door mijn collega Niels Busk namens de ALDE-Fractie ingediende, maar helaas niet aangenomen amendementen hadden tot doel het bestaande systeem te voorzien van een fundament voor de toekomst. Het huidige systeem is een anachronisme uit de tijd van agrarische overproductie, die gelukkig tot het verleden behoort. Dankzij de succesvolle ontkoppeling van de rechtstreekse betalingen zijn de interventievoorraden in de afgelopen jaren continu kleiner geworden, zodat tegenwoordig tot 85 procent van de voedingsmiddelen op de vrije markt moeten worden aangekocht.

Echter, hierdoor is de aard van het programma wezenlijk veranderd en is de band met het landbouwbeleid verloren gegaan. Aangezien we in dat geval met een sociaal programma te maken hebben, moeten we daarvoor een bijbehorende rechtsgrondslag creëren. Op dit punt delen wij de inschatting van de Juridische dienst van de Raad, die in plaats van artikel 37 van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitsluitend artikel 308 als rechtsgrondslag voor mogelijk acht. Anders zou het duidelijk gaan om ingrijpen in de nationale bevoegdheden van de lidstaten. Gezien het feit dat onze amendementen niet zijn aangenomen, kan de enige oplossing alleen een nieuw voorstel van de Commissie zijn, waarbij de Commissie ook rekening moet blijven houden met het beginsel van de cofinanciering, aangezien alleen ter plaatse het nut van dergelijke programma’s adequaat kan worden beoordeeld.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mevrouw de Voorzitter, in de Europese Unie hebben we momenteel te maken met toenemende sociale ongelijkheden. Er zijn miljoenen mensen die in armoede leven, en dit aantal neemt met de dag toe. Dit ondanks het feit dat de socialisten in de Gemeenschap en in vele lidstaten sinds jaren aan de macht zijn, terwijl armoede en ongelijkheid zogenaamd tot hun aandachtsgebieden behoren. De EU zelf werd voorgesteld als regio van algemene welvaart. Vele mensen waren naïef genoeg om dit te geloven, maar nu wordt het tijd om de waarheid onder ogen te zien.

We moeten diegenen in Europa helpen die de problemen van armoede en uitsluiting niet op eigen kracht kunnen oplossen. Het gaat om vele betrokkenen in de oude lidstaten van de EU en om nog meer in de nieuwe. Naast de destructieve gevolgen van de economische crisis zien we inmiddels ook de resultaten van de kolonialistische manier waarop de oude EU-landen in het verleden met ondernemingen en banken in de nieuwe lidstaten zijn omgesprongen. Nog steeds worden arbeidsplaatsen vernietigd, zoals in de scheepsbouw, die in Polen inmiddels kapot is gegaan.

Het uitstekende verslag van mijnheer Siekierski gaat over het verstrekken van levensmiddelen aan de meest behoeftigen. Ik ben het helemaal met hem eens dat de hulp voor behoeftigen door de Gemeenschap als geheel moet worden gefinancierd en dat de levensmiddelen uitsluitend uit EU-landen moeten komen. De hulp moet ten goede komen aan weeshuizen, daklozencentra en hongerige schoolkinderen en dient hoofdzakelijk door de lokale overheden te worden verstrekt, omdat zij het beste weten wat en hoeveel er nodig is.

 
  
MPphoto
 

  Witold Tomczak, namens de IND/DEM-Fractie. (PL) Mevrouw de Voorzitter, het voedselhulpprogramma is in deze tijd van essentieel belang. Zoals de rapporteur heeft geschreven, waren in 2006 alleen al in de EU-25 43 miljoen mensen ondervoed en dreigden 79 miljoen mensen in armoede te geraken, wat neerkomt op meer dan 20 procent van de totale bevolking van de EU. Eén op de zes behoeftigen heeft hulp ontvangen uit het programma. We hebben dus te maken met een ernstig probleem, en het fenomeen van de armoede is met de recente uitbreidingen nog erger geworden.

De statistieken wijzen uit dat het programma het probleem van ondervoeding weliswaar verlicht, maar niet uit de wereld helpt. Het is een programma waarmee wel de symptomen worden behandeld, maar niet de oorzaken worden weggenomen. Is het niet paradoxaal dat juist de bewoners van het platteland bedreigd worden door armoede en ondervoeding? Zij die voedingsmiddelen zouden moeten produceren, zijn aangewezen op voedselhulp. Dit is echter niet hun schuld, maar het gevolg van een bepaalde politiek. Het is het gevolg van een ongezond landbouwbeleid waardoor kleine familiebedrijven bankroet gaan en steeds meer mensen voedselhulp nodig hebben.

Het duurzame ‘Europese landbouwmodel’ van 1997 is een propagandistische fabel. Kleine familiebedrijven zouden in dit model een centrale plaats innemen, maar in werkelijkheid was het tegendeel het geval. Juist deze boerderijen vallen buiten het model, hoewel ze 95 procent van alle boerderijen in de Europese Unie uitmaken. Is het niet paradoxaal dat we in de landbouw het meest besteden aan ondernemingen met de hoogste productiekosten? Aan grote veehouderijen die schadelijk zijn voor het milieu, terwijl boerderijen met lage productiekosten slechts symbolische steun krijgen? Door het handelsbeleid van de EU hebben we te maken met plotselinge prijsstijgingen, terwijl het mededingingsbeleid tot marktmonopolies en te hoge prijzen leidt. Het is de hoogste tijd dat dit beleid wordt gewijzigd. Vanwege dit beleid zijn levensmiddelen duur geworden en neemt het aantal arme en ondervoede burgers van de EU toe.

 
  
MPphoto
 

  Jean-Claude Martinez (NI). (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Fischer Boel, er is ten minste één punt waarop de Lissabon-strategie een groot succes is: de Europese Unie behoort tot de meest concurrerende zones ter wereld als het gaat om het creëren van armoede. Zo hebben we 80 miljoen armen weten te produceren en 43 miljoen Europeanen die honger lijden, waaronder ouderen die op deze manier wellicht eerder doodgaan en zo de last van de overheidsuitgaven verlichten, zodat we ons beter aan de criteria van Maastricht kunnen houden.

Alleen al in Frankrijk serveren de Restos du Cœur ieder jaar 80 miljoen gratis maaltijden. Voor het voeden van deze armen hadden we vanaf 1987 een programma voor de verstrekking van levensmiddelen met een jaarlijks budget van 300 miljoen euro. 300 miljoen gedeeld door 80 miljoen, gedeeld door 12: daarmee kunnen we aan elk van deze 80 miljoen armen maandelijks voor 25 cent aan voedsel verstrekken. Dit voedsel was afkomstig uit de interventievoorraden, maar sinds de hervorming van 1992, waarbij de boterbergen, melkplassen en uitpuilende koelcellen het moesten ontgelden, zijn deze voorraden uitgeput.

En voor 2010-2012 gaan we deze levensmiddelen kopen op de markt, waar ook niet-Europese producten worden aangeboden, uit naam van de WTO en de strijd tegen het protectionisme. Kortom: sinds 1962 voeden we onze veestapels met geïmporteerde perskoeken en vanaf 2010 voeden we ook onze armen met importvoedsel. Dit alles medegefinancierd uit naam van de universaliteit.

Maar wat het probleem is, mevrouw de Voorzitter, mevrouw Fischer Boel, dames en heren, wat het echte probleem is, is dat er na 22 jaar voedselprogramma nog altijd 80 miljoen armen zijn.

 
  
MPphoto
 

  Albert Deß (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, onze collega, de heer Siekierski, heeft uitvoerig werk verricht om dit verslag te kunnen presenteren en daarvoor wil ik hem uitdrukkelijk danken. Ik deel ook zijn inschatting dat vele mensen, juist nu in de economische crisis door armoede worden bedreigd. Het zou beschamend voor Europa zijn, als mensen hier in Europa honger moesten lijden.

Echter, ik moet bezwaar maken wanneer de indruk wordt gewekt dat voedingsmiddelen duurder zijn geworden. Dat kan waar zijn voor bepaalde landen, maar in elk geval niet voor Duitsland. Mede door verkeerde beslissingen op Europees niveau zijn bijvoorbeeld de melk- en boterprijzen zo laag als ze al lang niet meer zijn geweest, en zijn ze voor vele agrarische bedrijven zelfs op een bestaansbedreigend niveau beland.

Ik heb hier een statistiek met prijzen van levensmiddelen. Een industriearbeider moest in 1970 voor een kilo varkenskoteletten, een kilo rundvlees, een kilo donker meergranenbrood, tien eieren, 250 gram boter, een kilo aardappelen en een liter melk nog 243 minuten werken om dit levensmiddelenpakket te kunnen kopen, maar in 2008 hoefde hij hiervoor nog maar 82 minuten te werken. Dit betekent dat hij nog maar een derde van zijn tijd kwijt zou zijn om deze levensmiddelen te kunnen kopen.

Verder wordt in de toelichting gesteld dat alleen al in Duitsland negen miljoen mensen door armoede worden bedreigd, maar ook op dit punt moet iets worden rechtgezet. In Duitsland heeft iedere burger, ieder mens, recht op een minimumuitkering van de staat, wat betekent dat niemand van deze negen miljoen mensen honger hoeft te lijden.

Daarom is het belangrijk dat de gelden die voor voedselhulp beschikbaar worden gesteld ook daar in Europa worden gebruikt waar mensen daadwerkelijk door honger worden bedreigd. Het zou een schande voor Europa zijn, als we aan deze situatie geen einde zouden weten te maken.

 
  
MPphoto
 

  Luis Manuel Capoulas Santos (PSE). - (PT) Voorzitter, commissaris, geachte collega’s, eigenlijk zou ik het liefst deelnemen aan een debat waarin gesproken werd over het beëindigen van alle steunmaatregelen voor mensen die deze steun hard nodig hebben, omdat die maatregelen niet meer nodig zouden zijn.

Helaas is dat op dit moment nog niet het geval, noch in Europa noch in de rest van de wereld. In de Europese Unie zien veel gezinnen die getroffen zijn door werkloosheid of sociale uitsluiting, hun inkomen teruglopen tot een niveau dat onvoldoende is om in de meest basale behoeften te voldoen en daarom hebben zij recht op onze solidariteit.

Het initiatief van de Commissie waar we over debatteren verdient onze steun, des te meer omdat we nu, net als in het verleden, weer een goede manier moeten vinden om van onze overschotten af te komen. Dat is tegenwoordig niet het punt. Het zou zelfs gerechtvaardigd zijn de financiële middelen van dit programma te verhogen.

Ik ben ook blij dat de Commissie voorstelt deze steun uit de landbouwbegroting te halen. Er is geen groep die zich meer solidair betoont dan de boeren en de onderlinge hulp is nergens zo groot als binnen plattelandsgemeenschappen. Ik weet zeker dat de Europese boeren er enorm trots op zijn dat ze een deel van de landbouwbegroting kunnen delen met mensen die dat het hardst nodig hebben.

Mijn fractie zal daarom de voorstellen van de ALDE-Fractie afwijzen, die de rechtsgrondslag van deze verordening ter discussie stellen. Het voorstel van de Commissie kan en moet echter verbeterd worden.

Het verslag Siekierski en het amendement dat de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement in de plenaire vergadering zal voorleggen, vormen goede bijdragen ter verbetering van het verslag, vooral op het punt van de toevoeging van kosten voor opslag en van de volledige communautaire financiering van het programma.

Ik roep de plenaire vergadering daarom op om dit verslag aan te nemen, en de Commissie om de bijdragen van het Parlement over te nemen.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Het onderhavige verslag over de wijziging van de verordening van de Raad betreffende voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap is opgesteld door de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling.

Ik zou er op willen wijzen dat steun voor de meest behoeftige ingezetenen van de Gemeenschap in het licht van de huidige financiële en economische crisis echter een nieuwe dimensie krijgt – een dimensie van sociaal beleid.

De EU-voedselhulp is bijzonder belangrijk in crisistijd, omdat het aantal werklozen stijgt en het bestaansniveau daalt.

In februari jongstleden was in Litouwen het aantal werklozen zestien keer hoger dan het aantal beschikbare banen. Op het ogenblik leeft ongeveer 20 procent van het aantal inwoners van Litouwen in armoede.

In 2006 ontvingen dertien miljoen inwoners van de Europese Unie voedselhulp. Volgens voorspellingen zal in de nabije toekomst 16 procent van de EU-ingezetenen onder de armoedegrens leven, dat wil zeggen tachtig miljoen mensen.

De heer Siekierski stelt in zijn verslag voor om de huidige procedures voor het financieren van het voedselhulpprogramma van kracht te laten blijven, dat wil zeggen dat enkel fondsen uit de EU-begroting worden toegewezen, en het Commissievoorstel te verwerpen om de programma’s te financieren uit de begrotingen van de EU en de lidstaten.

Het Commissievoorstel sluit werkelijk niet aan op de economische realiteit.

Vele van de armere EU-landen zouden op het moment, nu ze de gevolgen van de crisis het hoofd proberen te bieden, grote moeilijkheden ondervinden om bij te dragen aan het financieren van het voedselhulpprogramma. Door de financiering uit de EU-begroting te halen, zoals sinds 1987 gebeurt, zouden we echter doeltreffende hulp kunnen bieden aan onze meer behoeftige medeburgers, en dit zou een blijk van oprechte solidariteit zijn.

 
  
MPphoto
 

  Giovanni Robusti (UEN). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega’s, eindelijk ziet men in dat het nieuwe landbouwbeleid leidt tot lege voedselmagazijnen. Sterker nog, al het geld is naar directe hulp gegaan en nu doen we een beroep op de begroting om de armsten te voeden.

Als we via modulatie iets meer zouden hebben afgeroomd van de goed verscholen personen die ieder jaar meer dan 300 000 euro aan directe hulp ontvangen, zou er nu meer geld zijn voor de meest behoeftigen. Als we besluiten hoeveel apart moet worden gehouden voor de allerarmsten alvorens met de productie te beginnen, zou dit veel minder kosten dan de producten op de markt te kopen. Bovendien zouden we hiermee bepaalde markten die zich in een crisis bevinden, zoals de markt voor melk, ondersteunen. Als het zou lukken producten te gebruiken die nu worden weggegooid, bijvoorbeeld omdat de houdbaarheidsdatum bijna verlopen is of omdat ze op de gewone markten niet verkocht worden, zouden we twee vliegen in een klap vangen.

Het mag niet zo zijn dat achter een nobele zaak een vette hulpmarkt ontstaat, waarbij de Europese belastingbetaler geld wordt afgetroggeld, tegen de wil van die arme sloebers die omkomen van de honger.

 
  
MPphoto
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, eten geven aan mensen die honger lijden is een aloud gebod. Het komt terecht naar voren als we het over landen buiten de EU hebben, maar dat er ook in Europa honger wordt geleden, geven we zelden toe. Knagende honger en ernstige ondervoeding, zelfs zonder echte honger, is zelfs in de meest welvarende lidstaten een realiteit.

Honger te midden van overvloed is en blijft een schandaal en in dit verslag proberen we hulpregelingen te verbeteren om dit probleem efficiënter aan te pakken. Als een verpauperde moeder had ik reden om dankbaar te zijn voor de gratis melk die in Ierland in de jaren zeventig aan gezinnen met jonge kinderen werden uitgedeeld, en voor de goedkope melk die mijn kinderen in de jaren tachtig op school kregen.

Ik zou echter graag een suggestie willen toevoegen, maar niet binnen het GLB. Als gevolg van enkele beleidsmaatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid worden duizenden tonnen eetbare vis dood overbood gegooid door vissersboten rond onze kusten. Het is tijd dat we stoppen met deze verspilling. We moeten deze teruggooi aanlanden en de vis aan mensen geven die er behoefte aan hebben, maar hoogwaardige eiwitten niet kunnen betalen. Gezonder en voedzamer voedsel bestaat bijna niet. Commissaris, kunt u de commissaris voor visserij aanspreken over de uitbreiding van deze regeling met vis?

 
  
MPphoto
 

  Luca Romagnoli (NI). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, waarde collega’s, ik geef mijn volledige steun aan het verslag van de heer Siekierski over een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen ten aanzien van de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen. Gezien de financiële crisis, die ook gevolgen heeft voor de Europese economie, is dit extra belangrijk.

Het Europees Parlement erkent de dringende noodzaak om de voedselbehoeftes van de meest behoeftigen te bevredigen en heeft daarom de Commissie en de Raad aangespoord het Europese voedselhulpprogramma een blijvend karakter te geven. Voor het overige, beste collega’s, hebben wij vorig jaar mei, door de goedkeuring van een resolutie over het verhogen van de prijzen in de EU en in ontwikkelingslanden, onderstreept dat het recht op voldoende, gevarieerde en toereikende voeding, voor een gezond en actief leven, een grondrecht is dat voor iedereen permanent gewaarborgd moet zijn.

Ik ben van mening dat de regeling voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen een zeer belangrijk onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet zijn, juist omdat het GLB maximumverkoopprijzen vaststelt en burgers met de laagste inkomens daarmee beschermt tegen prijsschommelingen.

Ik ben het echter niet eens met de percentages voor medefinanciering die in verschillende amendementen zijn voorgesteld, omdat zij tot gevolg zouden kunnen hebben dat bepaalde lidstaten hun deelname aan de regeling beperken. Ik verwerp dan ook de amendementen die gericht zijn op het wijzigen van de rechtsgrondslag. Ik wil benadrukken dat het belangrijk is dat de Europese Unie de voedselhulpprogramma’s volledig financiert. Ik ben dan ook vóór goedkeuring van de ontwerpwetgevingsresolutie.

 
  
MPphoto
 

  Struan Stevenson (PPE-DE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, u hebt een reeks uiteenlopende standpunten van het Parlement gehoord over dit onderwerp. Ik feliciteer uiteraard de heer Siekierski.

In een tijd waarin de economische recessie steeds dieper wordt en tientallen miljoenen mensen in armoede leven en honger lijden, moeten wij als Parlement manieren vinden om deze mensen te helpen en voedselhulp te bieden. Maar zoals de commissaris duidelijk heeft gesteld zijn er negentien lidstaten die aan dit project deelnemen. Dat wil zeggen dat er acht lidstaten zijn die niet deelnemen. Een van hen is het VK, dat niet deelneemt omdat het zijn eigen sociaal beleid gebruikt om de armen te helpen. Het VK is al jaren geleden uit de regeling gestapt.

Wat veel lidstaten en de Commissie zich afvragen is waarom we het GLB gebruiken om het sociaal beleid te financieren. Dat was geen enkel probleem toen we massale overschotten hadden – melkplassen, boterbergen, bergen rundvlees – en gedwongen waren dit voedsel aan de armen uit te delen, waarbij we deze voedselverstrekking met de GLB-begroting bekostigden. Maar nu de interventievoorraden flink zijn geslonken – en we horen nu dat we voedsel zelfs van buiten de EU moeten inkopen en de GLB-begroting moeten gebruiken om dit voedsel op te slaan en uit te delen – wordt dit ongetwijfeld iets wat beter aan het sociaal beleid van de lidstaten kan worden overgelaten.

We moeten ons realiseren dat er in sommige nieuwe lidstaten zoals Roemenië mensen in bittere armoede leven, en dat velen van hen overigens zelfvoorzienende landbouwers zijn. Zij zijn de mensen die het armst zijn. Desondanks laten we hen potentieel geld aan ons betalen – geld van de GLB-begroting waarmee ze geholpen zouden zijn – om deze voedselhulp te verstrekken, waar de oude lidstaten zoals Frankrijk, Italië en Spanje eigenlijk het meest van profiteren. Er worden dus geen gelijke voorwaarden toegepast bij deze voedselverstrekking, en ik denk dat we in de toekomst heel voorzichtig moeten zijn bij de verdere ontwikkeling hiervan.

 
  
MPphoto
 

  Jean-Paul Denanot (PSE). (FR) Mevrouw de Voorzitter, hoewel ik de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen volkomen relevant acht, denk ik dat het voorstel van de Commissie uiteindelijk niet de kern van het probleem raakt.

Ik hecht groot belang aan het vraagstuk van de medefinanciering en ik denk dat het veeleer de overwegend liberale benadering van de evaluaties van het GLB van de afgelopen jaren is, die op de helling moet. De hongeronlusten en de wilde schommelingen van de voedselprijzen wijzen voortdurend op de grenzen van de liberalisering van de landbouwmarkt. Deze liberalisering is steeds ten koste gegaan van kwetsbare bevolkingsgroepen, van kwetsbare producenten en van kwetsbare gebieden.

Ik pleit er dus voor dat de politiek zich weer laat gelden en zowel op Europees als op wereldniveau de teugels weer in handen neemt, en dat het strategische domein van de landbouw en de menselijke voedselvoorziening, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht, niet louter aan de wetten van de markt wordt overgeleverd.

Zeker, er is een urgente situatie, en het verslag-Siekierski is daar een reactie op, en daar ben ik blij om, maar ik hoop dat we, als we ons straks bezinnen op de toekomst van het GLB het volgende wel bedenken: waar het in de eerste plaats om draait is de structurele bestrijding van de honger en de armoede in al onze lidstaten en in de hele wereld. De plattelandsgebieden staan klaar om in de voedselbehoeften te voorzien met voldoende producten van goede kwaliteit, maar dan moeten we hun wel de financiële en menselijke middelen geven om deze zware verantwoordelijkheid op zich te nemen.

 
  
MPphoto
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, velen besteden 90 procent van hun inkomen aan levensmiddelen en huisvesting. In sociaal en humanitair opzicht is het van groot belang om de voedselprijzen zo laag mogelijk te houden. 79 miljoen mensen in de Europese Unie hadden in 2006 met armoede te kampen. Als gevolg van de crisis en door de toename van het aantal inwoners is de dimensie van het probleem nog veel groter geworden en zal het aantal mensen dat behoefte heeft aan directe hulp, met zekerheid boven de 25 miljoen komen te liggen.

Het hulpprogramma is een belangrijk onderdeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid omdat daardoor interventievoorraden ter beschikking worden gesteld, terwijl de vraag naar levensmiddelen op peil wordt gehouden. Ik ben voor de financiering van voedselhulp, met name uit EU-fondsen, maar aangevuld door bepaalde landen, al naargelang hun vermogens, en voor de vaststelling van duidelijke beginselen voor de hulpverlening, de verhoging van het hulpfonds met ten minste 200 miljoen euro in 2009, de uitbreiding van de lijst van voedingsproducten en het vastleggen van beginselen voor de voedselaankoop. Het hulpprogramma is van groot politiek belang, omdat het een bevestiging is voor het samenhangende optreden van de EU ten behoeve van haar burgers. Ik feliciteer mijnheer Siekierski met dit uitstekende verslag.

 
  
MPphoto
 

  Christa Klaß (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, mevrouw Fischer Boel, geachte collega’s, al 22 jaar draagt het programma voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap bij aan de uitvoering van zeer belangrijke doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Enerzijds is het programma bedoeld om de markten te stabiliseren via de verkleining van de interventievoorraden, maar tegelijkertijd ook om de armste bevolkingsgroepen in de Gemeenschap met levensmiddelen te ondersteunen. Alleen al in 2006 profiteerden dertien miljoen mensen uit vijftien lidstaten van hulpmaatregelen uit dit programma. Het gaat dus om waardevolle hulp, die behouden moet blijven.

Echter, er rijzen nu terechte bezwaren tegen het voorstel van de Commissie, dat van de oude beginselen afwijkt en beoogt niet alleen levensmiddelen uit de interventievoorraden, maar ook op de vrije markt aangekochte levensmiddelen voor het programma te gebruiken. Op dat moment gaat het definitief om het uitvoeren van sociaal beleid en niet om landbouwbeleid, mevrouw de commissaris. Ook het argument dat alleen door aanvullende aankopen de aangeboden levensmiddelen een uitgebalanceerd dieet kunnen vormen, schiet naar mijn mening zijn doel voorbij.

De rapporteur, de heer Siekierski, stelt nu voor de cofinanciering te schrappen, maar dit bevestigt alleen nog maar eens het aspect van de verantwoording op het gebied van sociaal beleid en om die reden pleit ik juist voor cofinanciering. Het is zonder meer duidelijk dat de Europese Unie zich moet inspannen voor het welzijn van de mensen. Honger en nood mogen niet voorkomen, zoals alle sprekers deze ochtend nog eens heel duidelijk hebben gesteld. Echter, daarbij is het van belang om te zorgen voor een duidelijke toewijzing van bevoegdheden. Het is niet zo dat het landbouwbeleid hulp en ondersteuning voor de behoeftigen en meest behoeftigen wil verhinderen, maar er ligt ook een grote kans om het programma beter te coördineren en organiseren, als we de taken en hulp op een rechtvaardige en correcte manier verdelen.

Het Europese landbouwbeleid staat vandaag de dag en in de toekomst voor grote uitdagingen. Inhoudelijke veranderingen moeten altijd in het grotere verband worden gezien. Daarom verzoek ik de Commissie en de Raad om objectief gezien passende beslissingen en coördinatie op het gebied van het sociale en landbouwbeleid.

 
  
MPphoto
 

  Rosa Miguélez Ramos (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, ik wil om te beginnen de heer Siekierski gelukwensen, omdat ik geloof dat dit een heel goed verslag is; het heeft in de Landbouwcommissie brede steun ontvangen.

Zoals reeds opgemerkt zijn de interventievoorraden van de Gemeenschap de afgelopen twintig jaar gebruikt om voedselhulp te verstrekken aan de meest behoeftigen. Het probleem, mijnheer Stevenson, is dat die voorraden als gevolg van de achtereenvolgende hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid enorm zijn geslonken.

Ik wil hier graag aangeven dat we wel een heel slecht signaal zouden uitzenden als we dit programma nu, op zo’n gevoelig moment, zouden schrappen of stappen zouden ondernemen om dat in de toekomst te doen. Veel Europeanen hebben op dit moment immers niet voldoende te eten. En het is duidelijk dat we, als de voorraden niet volstaan – en ik heb gezegd dat ze langzaamaan aan het verdwijnen zijn – onze toevlucht zullen moeten nemen tot de markt.

Volgens het verslag zouden zulke op de markt verworven voedingsproducten uit de Gemeenschap afkomstig moeten zijn, vers en van plaatselijke origine. Dat is in ieder geval positief. Ook een communautaire financiering van 100 procent lijkt me een goede zaak. Ik geloof namelijk dat de hulp in de huidige omstandigheden niet afhankelijk mag zijn van de capaciteiten van de afzonderlijke lidstaten. Anders kun je door de bomen het bos niet meer zien. Tot slot ben ik het eens met het idee om de duur van dit programma tot drie jaar uit te breiden.

Ik wil de Commissie er nu alleen nog op wijzen dat er nog steeds tijd is om interventie waar nodig – of mogelijk – toe te passen. Meer dan één subsector in de landbouw zou daar heel dankbaar voor zijn. Ik denk dan aan de melkproducenten in mijn regio, Galicië. Voor hen zou interventie hulp bieden bij het overleven van deze moeilijke periode, terwijl diezelfde interventie bovendien voedsel zou opleveren voor de meest behoeftigen.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, rond 80 miljoen mensen in de Europese Unie leven in armoede, wat neerkomt op 16 procent van de inwoners van de EU. Door de economische crisis dreigt deze groep nog groter te worden. In Warschau zie ik dagelijks mensen in de rij staan voor een kom soep. Daarom is het van groot belang om voor de continuïteit van het Gemeenschapsprogramma voor voedselverstrekking aan de meest behoeftigen te zorgen. Door rechtstreeks in de nodige producten te voorzien, kan een gevarieerde voeding worden gewaarborgd.

Evenwel wordt in het voorstel van de Commissie de voorwaarde van medefinanciering gesteld, wat in het geval van de armste lidstaten tot gevolg kan hebben dat zij zich uit het programma terugtrekken. Dit zou niet stroken met de doelstelling van het programma, vooral niet met de beoogde vermindering van de economische en sociale ongelijkheden tussen de verschillende regio’s, en zou indruisen tegen het solidariteitsbeginsel. Ik hoop dat de amendementen 17, 18 en 19 deze tekortkoming opheffen. Ik verzoek de Commissie een programma op te stellen dat de structurele oorzaken, en dus niet alleen maar de effecten, van armoede wegneemt. Ook vraag ik om toezicht waarbij wordt vastgesteld hoeveel hulp de armen bereikt en hoeveel door tussenpersonen wordt ingehouden. Ik feliciteer de rapporteur.

 
  
MPphoto
 

  Filip Kaczmarek (PPE-DE).(PL) Mevrouw de Voorzitter, de uitreiking van voedingsmiddelen aan de meest behoeftigen is een uiterst belangrijk onderdeel van het optreden van de EU. Daarom dank ik de commissaris voor zijn desbetreffende voorstel, en ik dank mijnheer Siekierski voor het verslag dat vandaag wordt behandeld.

De lidstaten hebben enorme vorderingen gemaakt met de verbetering van de levenskwaliteit voor hun inwoners. Toch blijft armoede een van de ernstigste problemen van het hedendaagse Europa. Naar schatting 43 miljoen EU-burgers dreigen ondervoed te raken – een schokkend cijfer. Door dit programma voor voedselverstrekking worden veel van deze Europese burgers geholpen. Ik weet dat niet iedereen goed te spreken is over het programma. Naar het schijnt hebben velen twijfels van juridische, economische of politieke aard, maar ik zou hen willen vragen welk alternatief er voor dit programma is, vooral in het licht van het feit dat het programma voor voedselverstrekking ook een gunstig effect heeft op de landbouwmarkt, die dankzij het programma stabieler is.

De EU is wereldleider op het vlak van hulpverlening aan de armsten in de wereld. Het is moeilijk voor te stellen dat de Gemeenschap ophoudt haar eigen burgers die met ernstige problemen te kampen hebben, te helpen, en derhalve hoop ik dat de Raad in deze kwestie tot een akkoord zal komen.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE). (HU) Graag feliciteer ik de Europese Commissie en rapporteur Siekierski met dit uitstekende initiatief dat blijk geeft van de sociale gevoeligheid van de Europese Unie en de Europese Commissie.

Ik heb twee vragen aan de Europese Commissie. De eerste heeft betrekking op de medefinanciering: ik ben het eens met het verslag, maar ik zou graag zien dat mevrouw Fischer Boel beseft dat ze ook van armere lidstaten met een beperktere begroting medefinanciering vraagt, terwijl juist daar deze voedselhulp het hardst nodig is.

Mijn andere vraag luidt: de transportkosten zouden niet op 4,5 procent moeten worden gesteld maar op grond van het subsidiariteitsbeginsel aan de lidstaten moeten worden overgelaten, want er kan ook een lager bedrag worden besteed aan transport.

Tot slot zou bij de etikettering van producten het logo van de Europese Unie behouden moeten blijven, want dat wordt verschaft door de Europese Unie. Ten slotte, aangezien ik waarschijnlijk niet meer zal spreken tijdens debatten, wil ik graag mevrouw Fischer Boel bedanken voor al haar werk van de afgelopen vijf jaar; ze heeft haar sporen nagelaten in de geschiedenis van de Europese landbouw.

 
  
MPphoto
 

  Maria Petre (PPE-DE). - (RO) Als Roemeens parlementslid steun ik samen met mijn collega’s de voorstellen die onze rapporteur heeft gedaan en wij zullen hiervoor een positieve stem uitbrengen.

Gezinnen in kleine steden en landelijke gebieden worden het meest getroffen door armoede. In de context van de huidige crisis zijn de uitbreiding van het voedselprogramma en de financiering hiervan uit de gemeenschapsbegroting volledig gerechtvaardigd.

We weten allemaal dat de maatregelen uit 2008 en het vastgestelde budget onvoldoende zijn geweest. De landbouw- en de sociale component kunnen rechtvaardigen dat het programma deel blijft uitmaken van het gemeenschappelijke landbouwbeleid.

In de nieuwe lidstaten, zoals Roemenië, dient het programmabeheer duidelijk te worden verbeterd. De opslag van de producten en de administratieve kosten dienen efficiënt te worden beheerd, zodanig dat hun aandeel in de marktprijs niet meer dan 20-25 procent zal belopen.

Ten slotte zou ik de heer Siekierski willen bedanken en hem willen feliciteren met de voorstellen die hij heeft gedaan.

 
  
MPphoto
 

  Francesco Ferrari (ALDE). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega’s, allereerst wil ik zeggen dat het voorstel, zowel van de rapporteur als van de Commissie, een belangrijk financieringspact is om de gevolgen van de enorme stijging van voedselprijzen van de Gemeenschap, die steeds meer mensen in moeilijkheden brengen en een steeds zwaardere wissel trekken op de voedselhulp, te beperken.

Dit nieuwe voorstel, dat ik steun, zal het programma efficiënter maken en ervoor zorgen dat het beter aansluit bij de actuele situatie, zowel vanuit het oogpunt van landbouwbeleid als vanuit sociaal oogpunt. Voorts ben ik van mening dat het initiatief binnen het kader van het GLB moet worden behouden, zoals de Commissie voorstelt.

Zoals al gezegd, voorziet het gemeenschappelijk landbouwbeleid op dit moment in voedselhulp voor mensen die in wanhopige omstandigheden leven. De maatregel die wij op het punt staan te nemen, heeft altijd brede steun gehad, zowel in 2006, met dertien miljoen mensen in vijftien landen, als in 2008, toen het zelfs negentien landen waren. Ik denk dat dit aspect ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN).(PL) Mijnheer de Voorzitter, in dit debat zou ik de aandacht willen vestigen op drie punten. Ten eerste wil ik u eraan herinneren dat het een van de hoofddoelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is om de voedselvoorziening voor de inwoners van de Europese Unie tegen een behoorlijke prijs te waarborgen, en voor mensen met lage inkomens of zonder inkomen betekent dat dus gratis voedsel.

Ten tweede laat het inkomen van de inwoners van de EU, en met name van die in de nieuwe lidstaten, veel te wensen over. In alle nieuwe landen ligt het aantal inwoners met een inkomen van minder dan 40 procent van het EU-gemiddelde bij wel 50 procent, zodat rond de helft van de mensen in deze landen een laag inkomen heeft. Dit zijn gegevens van voor de crisis. Als gevolg van de crisis zal de situatie in de komende jaren alleen maar erger worden.

Ik spreek mij daarom uit voor de voortzetting van het programma voor de verstrekking van gratis levensmiddelen aan de meest behoeftigen, waarvoor de EU in 2009 bijna 500 miljoen euro zal uittrekken, waarvan rond 100 miljoen euro voor mijn land, Polen, bestemd is. Ik hoop dat het Tsjechisch voorzitterschap in de Raad overeenstemming zal bereiken over de uiteindelijke vorm van het programma …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Ljudmila Novak (PPE-DE). - (SL) Terwijl we in Afrika en andere arme landen de armoede wilden uitbannen, kampen we nu thuis, in onze eigen achtertuin, met honger en armoede.

Ook in mijn vaderland, Slovenië, is er – spijtig genoeg – ondanks de goede levensstandaard meer behoefte aan solidaire hulp. De media berichten dat de voedselvoorraden van humanitaire organisaties bijna uitgeput zijn.

Aangezien er in de meeste landen van de Europese Unie nog altijd voedsel in overvloed is, zou het onmenselijk zijn dat onze burgers lijden of zelfs sterven door honger. Overleven heeft vast en zeker voorrang op elke andere investering, die ook op betere tijden kan wachten.

Als landen geen nieuwe bronnen voor de aanschaf van voorraden kunnen garanderen, is het waarschijnlijk gepast dat ze hun noodvoorraden aanspreken. Ik ondersteun het programma, tegelijk roep ik echter ook ieder van ons en onze burgers op om waakzaam te zijn voor het leed van onze medemensen.

 
  
MPphoto
 

  Donato Tommaso Veraldi (ALDE). - (IT) Voorzitter, waarde collega’s, ik wil collega Siekierski hartelijk bedanken voor zijn verslag over de communautaire ordening ten aanzien van de voedselverstrekking aan de meest behoeftigen. Het is een nuttig instrument om de markt te regelen en moet dan ook in het kader van het GLB worden gehandhaafd.

Hoewel het levensniveau van de Europese Unie tot de hoogste ter wereld behoort, zijn sommige burgers toch niet in staat zichzelf van voldoende voedsel te voorzien. Men schat dat 43 miljoen burgers in de EU risico lopen op voedselarmoede, een cijfer dat in de afgelopen jaren constant is gestegen.

De prijsstijging van een groot aantal voedselproducten die sinds enige tijd wordt waargenomen, maakt voedselhulp duurder, waardoor de hulp die in het Europese programma is voorzien nog dringender nodig is.

 
  
MPphoto
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil iedereen graag bedanken voor alle gemaakte opmerkingen. Ik merk dat het voorstel voor de meest behoeftigen over het algemeen heel positief wordt benaderd.

Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe in te gaan op enkele van de opmerkingen die vandaag zijn gemaakt? Allereerst denk ik dat we moeten onthouden dat armoede niet beperkt is tot bepaalde gebieden of regio’s binnen de lidstaten. Helaas is het een probleem dat alle lidstaten moeten inzien. Het is waar dat de omvang van het probleem en de middelen die beschikbaar zijn om het op te lossen niet in de hele Europese Gemeenschap hetzelfde zijn. Bij de toewijzing van de begroting aan de lidstaten en de gedifferentieerde percentages voor medefinanciering voor cohesie- en niet-cohesielanden is uiteraard al rekening gehouden met de financiële draagkracht van elk land. Dit betekent dat er uiteindelijk meer geld beschikbaar zal zijn voor de zogenaamde ‘nieuwe’ lidstaten dan nu het geval is.

Ten aanzien van de begroting wil ik alleen in herinnering roepen dat we de begroting voor het programma voor de meest behoeftigen met tweederde – tot 0,5 miljard – hebben verhoogd en ik denk dat dit, samen met het nieuwe medefinancieringssysteem, de problemen voor een deel zal oplossen. Ik denk dat we ook moeten onthouden dat dit een vrijwillige regeling is. Lidstaten die zelf een sociaal systeem toepassen op nationaal niveau hoeven van deze regeling uiteraard geen gebruik te maken. Het is niet onze bedoeling sociaal beleid dat al in de lidstaten wordt uitgevoerd en tot op zekere hoogte ook door ngo’s wordt beheerd, te vervangen. Onze bedoeling is om dit beleid te ondersteunen door het verstrekken van voedsel, wat ik nog steeds als centrale doelstelling van het landbouwbeleid beschouw.

Ik denk dat de veranderingen die wij hebben voorgesteld de juiste richting volgen. Ik denk dat de voorschriften aanvaardbaar en evenwichtig zijn. Het programma zal, als ook dit Parlement het in zijn stemming goedkeurt, in staat zijn de uitdagingen van de toekomst te overwinnen. Dit programma is moeilijk af te keuren of te verwerpen in de huidige situatie waarin de werkloosheid in heel Europa drastisch stijgt en daardoor ook het aantal mensen met een armoederisico ernstig toeneemt. Ik kijk dus alvast uit naar de stemming van dit uiterst verantwoordelijke Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski, rapporteur. (PL) Ik zou willen reageren op een aantal probleempunten die hier aan de orde zijn gesteld. Ten eerste heb ik weliswaar gezegd dat ik tegen medefinanciering ben, maar ik heb ook benadrukt dat we ons in een periode van economische crisis bevinden, waarin het aantal armen en werklozen stijgt. We zullen het programma in 2011 of 2012 evalueren en zullen er dan ook over nadenken of we het programma met medefinanciering zullen voortzetten. Laten we de tijd nemen en dit niet tijdens de crisis doen.

Ten tweede deel ik het standpunt van de commissaris dat het moeilijk is om ons uitsluitend te beperken tot de verstrekking van voedsel uit de EU, omdat dit de kosten zou verhogen en de administratieve kant van het programma zwaarder zou maken. Laten we ten derde het voorbeeld van de VS volgen, waar in het kader van de ‘Farm Bill’ grote bedragen zijn uitgetrokken voor de ondersteuning van de landbouw door de financiering van gratis voedselkaarten. Ten vierde moedig ik de niet-deelnemende landen aan om zich aan te sluiten bij het programma. Het programma staat voor hen open. Ten vijfde wordt de toegang tot middelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet door het programma beperkt, omdat we in het GLB nog middelen over hebben.

Tot slot zou ik nog eens naar het begin willen teruggaan. Zoals bekend werden de doelstellingen van het GLB ooit in het kader van de Verdragen van Rome geformuleerd. In die Verdragen staat dat de toegang van de samenleving tot betaalbare voedingsmiddelen gewaarborgd moet worden en dat de boeren van een behoorlijk inkomensniveau moeten worden verzekerd. We zouden kunnen zeggen dat het in de eerste plaats om productiedoelstellingen gaat die de vereiste omvang van de productie bepalen. In de tweede plaats gaat het om sociale doelstellingen, omdat er sprake is van behoorlijke prijzen – opdat de consumenten levensmiddelen kunnen betalen – zodat het Verdrag van Rome dus bepaalde sociale doelen vastlegt. En in de derde plaats gaat het ook om economische doelstellingen, in die zin dat een behoorlijk inkomen voor de boeren moet worden gewaarborgd.

Wanneer we het over betaalbare prijzen voor de arme, vaak werkloze, consument hebben, betekent dit dat levensmiddelen verkrijgbaar moeten zijn tegen een duidelijk lagere prijs of dat zij gewoon gratis moeten worden verstrekt, uiteraard in het kader van speciale programma’s en onder specifieke voorwaarden. Samenvattend kan worden gezegd dat het GLB ook bepaalde sociale beleidsaspecten behelst.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski (UEN), schriftelijk. (PL) In het verslag van mijnheer Siekierski over het verstrekken van voedingsmiddelen aan de meest behoeftigen worden kwesties aan de orde gesteld die onder de verordening van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordening inzake specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten vallen. Er is gebleken dat er in Europa ook uitgestrekte gebieden zijn die door armoede en behoeftigheid worden gekenmerkt. De betrokkenen, waaronder vele kinderen, zijn meestal mensen die op het platteland en in kleine steden wonen. Volgens de officiële statistieken leven rond 80 miljoen Europese burgers onder de armoedegrens. Er moet worden gevreesd dat dit alarmerende cijfer door de huidige crisis en de toenemende werkloosheid nog hoger zal worden.

Het feit dat het bedrag dat is toegewezen aan het programma voor voedselhulp aan de meest behoeftigen in de EU zal stijgen van 305 miljoen euro tot 500 miljoen euro, is op zich een positief signaal. Ik ben echter van mening dat wijzigingen in de systemen van de lidstaten noodzakelijk zijn om deze beschamende situatie ten minste duidelijk in te perken. De belangrijkste oorzaken voor deze verarming zijn werkloosheid en buitensporig hoge prijzen voor levensmiddelen (men vergelijke alleen de vergoeding die de boeren voor hun producten ontvangen met de prijzen in de winkel). Bovendien is ons socialezorgstelsel verre van volmaakt.

Tot slot zou ik in alle duidelijkheid willen benadrukken dat het van essentieel belang is dat de voedingsmiddelen die in het hulpprogramma worden gebruikt, van goede kwaliteit en idealiter vers en van lokale boerderijen afkomstig moeten zijn.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid