Index 
Debatten
PDF 1537k
Woensdag 1 april 2009 - Brussel Uitgave PB
1. Hervatting van de zitting
 2. Verklaring van de Voorzitter
 3. Welkomstwoord
 4. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 5. Samenstelling Parlement: zie notulen
 6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 7. Rectificaties (artikel 204 bis van het Reglement): zie notulen
 8. Schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen
 9. Ingekomen stukken: zie notulen
 10. Vergaderrooster voor 2010: zie notulen
 11. Regeling van de werkzaamheden: zie notulen
 12. Nieuwe overeenkomst EU-Rusland (debat)
 13. Start van de internationale onderhandelingen met het oog op de aanneming van een Internationaal Verdrag ter bescherming van het noordpoolgebied (debat)
 14. Gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (debat)
 15. EFRO, ESF en Cohesiefonds: bepalingen inzake financieel beheer - Nieuwe kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage uit het ESF - Subsidiabiliteit uit hoofde van het EFRO van investeringen in energie-efficiënte en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting (debat)
 16. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
 17. Schipbreuken met migranten voor de Libische kust (debat)
 18. Gemeenschappelijke visumcode (debat)
 19. Evaluatie van rij- en rusttijden (debat)
 20. Vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (debat)
 21. Onderwijs aan migrantenkinderen (korte presentatie)
 22. Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (korte presentatie)
 23. Gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden (korte presentatie)
 24. Problemen en perspectieven van het Europese burgerschap (korte presentatie)
 25. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 26. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: HANS-GERT PÖTTERING
Voorzitter

(De vergadering wordt om 15.00 uur geopend)

 
1. Hervatting van de zitting
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement, die op 26 maart 2009 werd onderbroken, te zijn hervat.

 

2. Verklaring van de Voorzitter
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, met droefheid en ontsteltenis moet ik u mededelen dat in het afgelopen weekend enkele boten met vluchtelingen aan boord op de Middellandse Zee voor de kust van Libië zijn gekapseisd en daarbij meer dan 300 mensen zijn verdronken. Aan boord bevonden zich mensen uit Noord-Afrika en landen ten zuiden van de Sahara. Een aantal vluchtelingen kon door de Egyptische en Libische kustwacht worden gered. Enkele doden zijn geborgen maar er worden nog honderden mensen vermist. Namens het Europees Parlement wil ik onze ontsteltenis en droefheid over deze tragische gebeurtenis tot uiting brengen.

De Europese Unie heeft al twee jaar te maken met toenemende immigratie via de Middellandse Zee. Naar verwacht zal de economische crisis de stroom Afrikanen die de armoede ontvluchten verder doen toenemen.

Door het grote aantal vluchtelingen dat bij pogingen om de Europese Unie binnen te komen op tragische wijze het leven laat, dreigt de Middellandse Zee te veranderen in een groot kerkhof onder open hemel. Wij allen moeten oplossingen vinden om een einde te maken aan deze tragedie.

Ik verzoek u een minuut stilte in acht te nemen ter nagedachtenis van de slachtoffers.

(Het Parlement neemt staande een minuut stilte in acht)

Dank u wel.

 

3. Welkomstwoord
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, het is mij een groot genoegen om professor Luc Montagnier, winnaar van de Nobelprijs voor geneeskunde 2008, welkom te mogen heten. Hij heeft op de officiële tribune plaatsgenomen. Hartelijk welkom!

(Applaus)

Tot mijn genoegen mag ik vandaag een delegatie welkom heten van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse staten (ECOWAS), die op de officiële tribune heeft plaatsgenomen. De delegatie bestaat uit vijftien leden van het ad-hoccomité van de ECOWAS dat zich bezighoudt met het vraagstuk van de rechtstreekse verkiezingen en de verruimde bevoegdheden. De delegatie is op studiereis en wil leren van de ervaringen die het Europees Parlement op dit gebied heeft opgedaan. Ik wens u een zeer vruchtbaar verblijf toe en hoop dat onze parlementen hun samenwerking verder zullen verdiepen. Hartelijk welkom!

(Applaus)

 

4. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
Video van de redevoeringen

5. Samenstelling Parlement: zie notulen
Video van de redevoeringen

6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
Video van de redevoeringen

7. Rectificaties (artikel 204 bis van het Reglement): zie notulen

8. Schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen

9. Ingekomen stukken: zie notulen

10. Vergaderrooster voor 2010: zie notulen

11. Regeling van de werkzaamheden: zie notulen
Video van de redevoeringen

12. Nieuwe overeenkomst EU-Rusland (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0140/2009) van Janusz Onyszkiewicz, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland [2008/2104(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Janusz Onyszkiewicz, rapporteur. (PL) Mijnheer de Voorzitter, in dit verslag wordt erop gewezen dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland van fundamenteel belang zijn voor de economische en politieke belangen van de Unie. De rapporteur legt de nadruk op de rol die Rusland op het internationale toneel kan en zou moeten spelen, met name in onze onmiddellijke omgeving, waar het land tot de economische en politieke stabiliteit van de regio kan bijdragen.

In het verslag wordt echter tevens de aandacht gevestigd op de buitensporige reactie van Rusland op de gewapende interventie van Georgische troepen in Zuid-Ossetië, alsmede op de grootschalige en onuitgelokte actie van het Russische leger in Abchazië. Verder wordt in het document de noodzaak onderstreept van een zinvolle dialoog over veiligheidskwesties, die op de eerbiediging van het internationaal recht en de territoriale integriteit van de landen gebaseerd zou moeten zijn. De rapporteur beklemtoont eveneens dat de gebeurtenissen in de Kaukasus en de erkenning van de onafhankelijkheid door Rusland van de twee enclaves, Zuid-Ossetië en Abchazië, twijfels doen rijzen over de vraag of Rusland daadwerkelijk bereid en in staat is om samen met de Europese Unie een gemeenschappelijke ruimte van veiligheid in Europa tot stand te brengen.

In het verslag wordt gesteld dat de besprekingen over de volledige nakoming door Rusland van de afspraken en overeenkomsten waarmee een einde werd gemaakt aan het conflict tussen Rusland en Georgië, moeten worden afgerond alvorens een via onderhandelingen bereikte overeenkomst kan worden goedgekeurd. Dit geldt eveneens voor het akkoord over de status van Abchazië en Zuid-Ossetië. Daarenboven eist de rapporteur tastbare garanties van Rusland dat het geen geweld zal gebruiken tegen zijn buurlanden.

Bovendien wordt er in de tekst op gewezen dat zowel de recente gebeurtenissen aangaande de schending door Rusland van de territoriale integriteit van Georgië als de rol van Rusland in de gascrisis een bedreiging vormen voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland.

Voorts wordt het in het verslag wenselijk geacht om de huidige overeenkomst te vervangen door een nieuwe en bredere overeenkomst die alle aspecten van onze samenwerking dekt en wettelijk bindend is. Bovendien zou een dergelijke overeenkomst moeten voorzien in duidelijke procedures voor geschillenoplossing.

Daarnaast wordt in het verslag nader ingegaan op het probleem van de energiezekerheid. In deze context wordt er tevens op aangedrongen om de essentiële bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het Transitprotocol op te nemen in een via onderhandelingen bereikte overeenkomst, ongeacht het feit dat dit verdrag wettelijk bindend is. Dat is ook het geval voor Rusland, hoewel dit land het bestaande verdrag op ieder ogenblik kan opzeggen.

In het verslag wordt de nadruk gevestigd op het enorme, verborgen potentieel van mogelijke wederzijdse economische afspraken op basis van een gelijkwaardig partnerschap tussen beide partijen. Dergelijke regelingen zouden tot een wederzijds gunstige onderlinge afhankelijkheid kunnen leiden. Volgens het verslag is het van vitaal belang dat zowel de EU-lidstaten als de Europese Unie als geheel met één stem spreken, met name wat de betrekkingen met Rusland betreft. Het is tevens bijzonder belangrijk dat de lidstaten, overeenkomstig de bepalingen van de diverse EU-verdragen, tijdig overleg plegen met andere lidstaten over eventuele bilaterale initiatieven met Rusland. Dit geldt in het bijzonder in gevallen die gevolgen kunnen hebben voor andere landen van de Europese Unie of voor de Europese Unie als geheel.

In het verslag wordt veel aandacht besteed aan de mensenrechten en de vrijheden in Rusland. Er wordt aan herinnerd dat Rusland als lid van de Raad van Europa verplicht is om te voldoen aan de beginselen waarop de Raad is gebaseerd. De rapporteur stelt dat de eerbiediging van deze beginselen van doorslaggevend belang is voor het welslagen van de onderhandelingen over samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland. Hij betreurt voorts dat Rusland zich verzet tegen de invoering van efficiënte maatregelen die tot doel hebben te verhinderen dat de talrijke gevallen van schending van de mensenrechten door de Russische autoriteiten, die door het Europees Hof van Justitie zijn veroordeeld, opnieuw plaatsvinden.

Er dient te worden gewezen op een van de vele aanbevelingen die in de tekst zijn opgenomen, namelijk dat de Europese Unie steun moet blijven verlenen aan het Russische verzoek om toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie. Het wordt van groot belang geacht dat Rusland alle verbintenissen nakomt die aan dit lidmaatschap verbonden zijn vooraleer het land formeel tot de WTO kan toetreden. Dit houdt in de eerste plaats in dat Rusland ophoudt reeds ingevoerde praktijken over boord te gooien. In deze context wordt herinnerd aan het belang van een efficiënte bescherming van intellectuele, industriële en commerciële eigendomsrechten.

Het verslag bevat aanbevelingen in verband met mensenrechten, mediavrijheid, een onafhankelijke rechterlijke macht en het geleidelijke beperken van het actieterrein van niet-gouvernementele organisaties in Rusland. Het verslag heeft ook betrekking op een waaier van economische kwesties, zoals het zeeverkeer in de Oostzee en langs de noordelijke kust van Rusland, het luchtverkeer over Siberië en de wederzijdse overeenkomsten over onbeperkte investeringsmogelijkheden.

 
  
MPphoto
 

  Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement bedanken voor de gelegenheid die het ons biedt om tijdens deze vergaderperiode te spreken over de betrekkingen met Rusland. Zoals u vast weet, heeft de Raad enige tijd geleden diepgaande besprekingen gevoerd over de betrekkingen met Rusland. We hebben toen de uitgangspunten en argumenten voor de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland vastgesteld. We vinden het belangrijk dat de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst nu weer op schema liggen. Rusland is tenslotte onze grootste buur, een van onze belangrijkste partners en een onmisbare speler op het internationale toneel. Het is duidelijk dat confrontatie geen van ons beide sterker maakt, nu de economische crisis ons allebei even hard treft.

Een constructieve, weldoordachte en voor beide partijen voordelige samenwerking en de nakoming van de internationale verbintenissen door Rusland zouden ons daarentegen wel sterker maken.

Een dialoog en een constructief engagement zijn bovendien belangrijke middelen om onze belangen te verdedigen en onze waarden tegenover Rusland te bevorderen.

Dit was in een notendop de belangrijkste drijfveer voor ons besluit om ondanks de gebeurtenissen van vorig jaar augustus in Georgië de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland te hervatten. De crisis en de gevolgen daarvan blijven echter ongetwijfeld onze betrekkingen overschaduwen en de onderhandelingen betekenen geenszins dat het gedrag van Rusland in Georgië, met inbegrip van de regio's Abchazië en Zuid-Ossetië, wordt gelegitimeerd. De EU heeft wat dit betreft rode strepen getrokken en onze steun voor de territoriale integriteit van Georgië is er daar zeker één van.

We verwachten van Rusland dat het zich verantwoordelijk blijft gedragen en zich houdt aan al zijn toezeggingen. Dit betekent in het bijzonder dat we tijdens het hele onderhandelingsproces speciaal zullen letten op de buurlanden die we gemeenschappelijk hebben met Rusland. De crisis in Georgië heeft laten zien hoe onopgeloste conflicten zelfs na vele jaren nog explosief kunnen zijn, en dat militair optreden geen oplossing is.

We moeten Rusland eraan herinneren dat het veel baat kan hebben bij een constructieve opstelling tegenover zijn buurlanden, en dat het veel te verliezen heeft als het blijft aankoersen op confrontatie. Rusland heeft immers al laten zien dat het weet hoe het zich moet gedragen tegenover buurlanden in Midden-Europa die nu deel uitmaken van zowel de EU als de NAVO.

We zullen erop blijven aandringen dat Rusland zich houdt aan zijn internationale verbintenissen en dat het de territoriale integriteit en soevereiniteit respecteert van Georgië en andere Oost-Europese landen in onze gedeelde nabuurschap. Tijdens de gesprekken in Genève zal zowel van Rusland als van Georgië volledige medewerking worden verwacht.

Ik ben niet van plan om de huidige stand van zaken rond de onderhandelingen met Rusland over de nieuwe overeenkomst in detail uiteen te zetten. De Commissie kan u als onderhandelaarster over de overeenkomst beslist beter bijpraten over het proces.

Ik moet er ook aan herinneren dat we pas aan het begin van het proces staan en dat het proces enige tijd kan duren. We mogen niet ontmoedigd raken als het aanvankelijk slechts langzaam vordert. Ik weet echter zeker dat we aan het einde van ons voorzitterschap meer duidelijkheid zullen hebben over wat beide partijen in de nieuwe overeenkomst willen zien staan.

We zijn de heer Onyszkiewicz dankbaar voor zijn verslag en de daarin gedane aanbevelingen. Over het algemeen delen we een groot aantal van uw zorgen en zijn we het eens met veel van de doelstellingen.

Ik wil nu enkele opmerkingen maken over het deel externe veiligheid van de nieuwe overeenkomst. Het voorzitterschap speelt op dat punt ook een rol in de onderhandelingen. Het is van het grootste belang dat de nieuwe overeenkomst een bepaling bevat die een effectieve dialoog en samenwerking met Rusland waarborgt. De overeenkomst moet worden gebaseerd op gemeenschappelijke waarden, naleving van de bestaande internationale verplichtingen, rechtstaat en eerbiediging van de democratie, mensenrechten en grondvrijheden. Dit is vooral belangrijk waar het gaat om onze gedeelde nabuurschap en zelfs essentieel als we een oplossing voor slepende conflicten willen.

Ook conflictpreventie is een belangrijke doelstelling. Deze moet zowel via een politieke dialoog als via gezamenlijke initiatieven worden nagestreefd.

Er is reeds enige beweging in de onderhandelingen met Rusland bij het gedeelte van de nieuwe overeenkomst betreffende de reikwijdte van de politieke dialoog en de externe veiligheid. Het venijn zit hem natuurlijk in de details. Het interessantste en moeilijkste deel van de onderhandelingen begint nu, nu we het over concrete tekstvoorstellen gaan hebben.

De onderhandelingen lopen nog, dus het zou niet gepast zijn om u hier details te verstrekken. Ik kan u echter wel verzekeren dat we streven naar wezenlijke bepalingen over de versterking van de dialoog op het internationale toneel, de strijd tegen terrorisme, wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie van kernwapens, mensenrechten, democratie en rechtstaat, crisisbeheersing en civiele bescherming.

Op de topconferentie EU/Rusland in Khanty-Mansiisk is overeengekomen dat ons gezamenlijke doel is een strategische overeenkomst te sluiten die een veelomvattend kader voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland voor de afzienbare toekomst biedt en het potentieel van onze betrekkingen helpt ontwikkelen. Dit blijft onze doelstelling, en dit voorzitterschap en de komende voorzitterschappen zullen blijven werken aan de realisering daarvan.

We zijn bereid om dit Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen en we zijn dankbaar voor uw inbreng tot nu toe, en in het bijzonder voor de tekst van uw resolutie.

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik de heer Onyszkiewicz hartelijk danken voor dit waardevolle verslag.

Wij hebben steeds opnieuw benadrukt dat wij grote waarde hechten aan de mening van het Parlement en ik ben uiteraard graag bereid u verder te informeren over het verloop van de onderhandelingen.

Mijnheer de Voorzitter, Rusland is en blijft voor ons een belangrijke partner. Onze gemeenschappelijke belangen zijn complex en overlappen elkaar. Deze gaan van economische contacten tot bijvoorbeeld onze gezamenlijke inspanningen als partners in het Midden-Oosten-Kwartet, of zoals gisteren in Afghanistan en Pakistan. Uiteraard bestaan er tussen ons, zoals wij allen weten, ernstige meningsverschillen, onder andere ten aanzien van de territoriale integriteit van Georgië. Steeds weer ontstaat er spanning als het gaat om de intensivering van onze rol in de gemeenschappelijke nabuurschap met Rusland. In dit verband wordt dikwijls ten onrechte beweerd dat wij afhankelijk zijn van onze grote buren. Voor wat betreft handel en energie is eerder sprake van een wederzijdse afhankelijkheid; met andere woorden, wij zijn een onmisbare partner voor de ander. Dit zijn derhalve tijden waarin onze betrekkingen met Rusland van groot belang zijn en waarin een uniforme, visionaire EU-strategie onontbeerlijk is.

Morgen zal president Obama voor het eerst president Medvedev ontmoeten om, zoals hij het uitdrukte, op de knop te drukken voor een reset van de betrekkingen tussen de VS en Rusland. Deze nieuwe benadering is zonder meer toe te juichen, maar we mogen niet weer bij nul beginnen. We hebben geen behoefte aan een reset van onze betrekkingen. Veeleer moeten we ze voortdurend bijstellen. Dat staat boven aan ons prioriteitenlijstje.

Zoals de Commissie in haar mededeling van 5 november constateert, vereisen de complexe en omvangrijke aard van onze betrekkingen, evenals de vele gebieden waarop wij van elkaar afhankelijk zijn, dat wij voortdurend maar wel nuchter en resultaatgericht werken aan onze betrekkingen met Rusland. De onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst zijn ongetwijfeld de beste manier om een gemeenschappelijk EU-standpunt te verdedigen dat onze belangen behartigt en tot doel heeft overeenstemming op de belangrijkste gebieden te bereiken. Terwijl ik nu tot u spreek, vindt in Moskou de vierde onderhandelingsronde plaats.

Wij zijn het inmiddels eens geworden over de algemene structuur van de overeenkomst die de rechtsgrondslag moet zijn voor alle aspecten van onze betrekkingen in de nabije toekomst. Tegelijkertijd hebben wij voor de onderhandelingen zelf echter geen kunstmatige termijnen gesteld; mijns inziens moeten wij zo veel tijd nemen als nodig is om een bevredigend resultaat te bereiken, want de huidige overeenkomst blijft immers tot die tijd van kracht. Het is dus niet nodig om hals over kop te werk te gaan. We hoeven ook niet op de nieuwe overeenkomst te wachten om actuele vraagstukken te kunnen behandelen. Tot dusver zijn de politieke, justitiële en veiligheidskwesties zodanig behandeld dat er begrip kon ontstaan voor elkaars standpunten, en we zijn nu begonnen met besprekingen over de economische vraagstukken.

Het mag ons echter niet verbazen dat beide partijen op verschillende gebieden een geheel eigen benadering hebben. Rusland heeft bijvoorbeeld grote ambities op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, terwijl het ten aanzien van economische kwesties minder ambitieus is. Uiteraard is het in ons belang, in het belang van de EU, dat onze economische en handelsbetrekkingen juridisch bindende en afdwingbare bepalingen behelzen waarmee kan worden gewaarborgd dat Rusland instemt met een op duidelijke regels gebaseerd systeem. Dat geldt met name voor het energievraagstuk waarbij wij streven naar aanvaarding van de beginselen van het Energiehandvest, waarvan transparantie, wederkerigheid en non-discriminatie de belangrijkste zijn.

De gascrisis aan het begin van het jaar heeft het vertrouwen in de betrouwbaarheid van onze energiebetrekkingen aangetast en dat moet weer worden hersteld. Daarom streven wij naast de onderhandelingen ernaar het vroegtijdig waarschuwingssysteem aanmerkelijk te versterken, dat bepalingen bevat voor monitoring en waarneming in geval van een crisis. Het doel hiervan is conflicten te voorkomen en oplossingen te vinden.

De overeenkomst waarover wij nu onderhandelen, moet uiteraard ook gebaseerd zijn op naleving van de mensenrechten en de democratie. Wij zijn van mening dat dit een essentieel onderdeel ervan moet zijn. Rusland en de EU zijn, zoals de heer Vondra opmerkte, tenslotte dezelfde verplichtingen aangegaan in de VN, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa. Onze overeenkomst moet de eerbiediging van deze gemeenschappelijke verplichtingen en belangen benadrukken. Uiteraard kan deze overeenkomst niet alle conflicten in Europa oplossen, maar ze kan wel een raamwerk zijn voor het oplossen van conflicten.

Naast deze onderhandelingen zullen wij ook onze inspanningen in bestaande forums voortzetten, voor Georgië in het overleg in Genève, in het 5+2-formaat voor Transnistrië en in het Minsk-proces voor Nagorno-Karabach, waarbij ik de gelegenheid tot intensievere medewerking van de EU werkelijk toejuich. Justitie en binnenlandse zaken zijn, zoals ik reeds opmerkte, voor beide partijen belangrijke aspecten van de onderhandelingen, in het bijzonder met het oog op de strijd tegen de georganiseerde misdaad evenals op de verbetering van de omstandigheden voor ‘bonafide’ reizigers. Afschaffing van de visumplicht - waar Rusland op heeft aangedrongen - zal uiteraard alleen mogelijk zijn in combinatie met verdere verbeteringen op andere gebieden. Een effectieve samenwerking in het algemeen zou bijvoorbeeld worden vergemakkelijkt als Rusland hogere normen ten aanzien van de bescherming van persoonlijke gegevens zou implementeren. Onderzoek, onderwijs en cultuur bieden eveneens vele mogelijkheden tot samenwerking in het belang van onze burgers en moeten in de nieuwe overeenkomst derhalve eveneens in overweging worden genomen.

Het verslag waarover wij vandaag debatteren, bevat uiteraard nog veel meer voorstellen waar ik nu in verband met de tijd niet nader op in kan gaan, maar die tijdens het debat ongetwijfeld aan bod zullen komen. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik de lijn die de heer Onyszkiewicz volgt in het onderhavige verslag en in de voorgestelde ontwerpresolutie uitdrukkelijk toejuich. Mocht er na het debat van vandaag nog behoefte aan nadere informatie bestaan, dan ben ik uiteraard graag bereid om bijvoorbeeld de Commissie buitenlandse zaken, wanneer zij dat maar wil, een uitvoerige briefing te geven, zoals ik vorig jaar heb gedaan.

Tot slot wil ik benadrukken dat ik veel waarde hecht aan een succesvol verloop van de onderhandelingen, en deze hebben dan ook mijn volledige ondersteuning. Een goede overeenkomst zal naar ik hoop een solide en betrouwbare basis voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland in de nabije toekomst vormen en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de veiligheid en stabiliteit van ons continent.

 
  
MPphoto
 

  Cristina Gutiérrez-Cortines, rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, het is iedereen in Europa, inclusief de Commissie industrie, onderzoek en energie, duidelijk dat energie een instrument van buitenlands beleid geworden is, dat energie een factor is die verandering kan bewerkstelligen, aanleiding kan geven tot conflicten en ons kan verenigen, en dat is nu precies waar we het hier vandaag over hebben.

Als wij kijken naar de traditie zien wij dat er altijd eenheid is geweest tussen Europa en Rusland. Onze gemeenschappelijke geschiedenis toont aan dat Wit-Rusland in zijn ontwikkeling onmiskenbaar invloeden uit het Westen heeft ondergaan. Zowel vanuit religieus oogpunt als wat betreft alle vormen van onderwijs en een groot deel van het gedachtegoed is de Russische traditie nauw verwant aan het Europese gedachtegoed, dat Rusland verrijkt heeft. Daar staat tegenover dat de Russische wetenschap, met haar grote wiskundigen uit Kazan, onze cultuur verrijkt heeft, en hetzelfde geldt voor de Russische literatuur.

We dienen de spanningen van het socialistische tijdperk te beschouwen als een interval dat gedenkwaardig maar niet blijvend is. Onze constante met Rusland is er altijd een van eenheid geweest, en daarom moeten we Rusland waarschuwen dat we ook op energiegebied, waarop Europa tekorten heeft, als vrienden met elkaar om moeten blijven gaan, zij het dan aan de hand van een aantal duidelijke spelregels, zoals die welke ridders altijd hadden en wij altijd gehad hebben, en die nu een geschreven vorm krijgen.

Wij kunnen niet in permanente onzekerheid leven en vrezen dat de energievoorziening aan onze burgers zal worden afgesneden. Rusland zal ook moeten inzien dat het energie niet mag gebruiken als een middel om aan te geven dat het de soevereiniteit van de aangrenzende lidstaten niet erkent. Het is een feit: deze volkeren zijn soeverein geworden en beoefenen de democratie volledig. Wij moeten over deze volkeren waken. Ook Rusland behoort over hen te waken, zoals het ook de plicht heeft om duidelijke spelregels te verschaffen voor de energiehandel en voor eenheid door middel van energie.

 
  
MPphoto
 

  Josef Zieleniec, namens de PPE-DE-Fractie. – (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Onyszkiewicz bedanken voor het opstellen van dit belangrijke, goedgeschreven en evenwichtige verslag. Als schaduwrapporteur van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten ben ik zeer verheugd dat het verslag ook onze belangrijkste prioriteiten met betrekking tot Rusland weerspiegelt: een pragmatische samenwerking op basis van een gezonde marktomgeving, de nadruk op mensenrechten, een functionerende rechtsstaat en democratie – allemaal fundamentele maatschappelijke waarden voor de EU – en ook de nadruk op eerbiediging van de soevereiniteit van alle buurstaten en van de eenheid van de EU.

De nieuwe overeenkomst waarover wordt onderhandeld, moet alle samenwerkingsaspecten omvatten, juridisch bindend zijn en de kwaliteit van onze betrekkingen met Rusland weerspiegelen. Wij moeten in de discussies weliswaar onze standpunten en waarden tot uiting doen komen, maar mogen daarbij niet vergeten welke rol Rusland vorig jaar heeft gespeeld in de oorlog in Georgië of tijdens de gascrisis in januari. We kunnen het ons niet veroorloven nieuwe invloedssferen in Europa te laten ontstaan. We kunnen de status-quo – beter gezegd het fait accompli – in de Kaukasus niet aanvaarden. Vandaar de eis dat Rusland ondubbelzinnig garandeert dat het geen geweld zal gebruiken tegen zijn buren en dat het conflicten in onze gemeenschappelijke nabuurschap samen met de EU zal oplossen. In onze visie is het volkomen natuurlijk om Rusland uit te nodigen de eerste directe, vertrouwenwekkende stap te zetten.

Veel collega´s benadrukken vandaag terecht dat de EU als eenheid moet optreden in haar betrekkingen met Rusland. We kunnen echter alleen geleidelijk aan tot een werkelijk eensgezind standpunt komen en daarom stel ik voor om binnen een door de Raad te bepalen bepaald kader een overlegmechanisme in het leven te roepen dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om elkaar te raadplegen ruim voorafgaand aan alle bilaterale kwesties waarbij Rusland betrokken is en waaruit gevolgen voortvloeien voor een lidstaat of voor de EU als geheel. Alleen op deze manier zullen we een werkelijk eensgezind standpunt tegenover Rusland kunnen innemen en alleen op deze manier zullen we maximaal profijt kunnen trekken van ons grootste voordeel ten opzichte van Rusland: onze eenheid.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Tabajdi, namens de PSE-Fractie. – (HU) De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement beschouwt Rusland als een cruciale, strategische partner. De Europese Unie en Rusland zijn van elkaar afhankelijk, zoals commissaris Ferrero-Waldner al zei.

Ik wil graag opmerken dat we wat betreft de aardgasvoorziening van elkaar afhankelijk zijn, omdat Rusland zijn aardgas aan niemand anders zou kunnen verkopen. Daar moeten we duidelijk over zijn. Het is van groot belang dat er een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst wordt uitgewerkt en gesloten. Dit verslag zou daaraan moeten bijdragen, maar doet het niet.

Het in de Commissie buitenlandse zaken goedgekeurde verslag-Onyszkiewicz, waarvan de toon soms uitgesproken bot is, kan het netwerk van betrekkingen tussen de EU en Rusland ernstig schaden. De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is het ermee eens dat het Parlement zijn terechte kritiek op Rusland moet uiten. Zij veroordeelt de schending van de mensenrechten met kracht en eist dat de democratische rechten en fundamentele waarden worden gerespecteerd.

We dringen er bij Rusland op aan het beginsel van onafhankelijke media, of het nu geschreven of elektronische media zijn, te respecteren. We vragen de Russische regering om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de aanvallen en moorden op journalisten worden onderzocht. De Russische wet inzake NGO's brengt het onafhankelijk optreden van deze organisaties in gevaar.

De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is bezorgd over de manier waarop de parlements- en presidentsverkiezingen onlangs in Rusland zijn gehouden. We hebben kritiek over de houding van Rusland in het aardgasgeschil tussen Rusland en Oekraïne en in het conflict tussen die twee landen. Tegelijkertijd zijn we er echter van overtuigd dat de aanbevelingen van het Parlement moeten bijdragen aan de verbetering van de betrekkingen tussen de EU en Rusland en aan de uitwerking van een nieuw strategisch partnerschap. Dit verslag doet dat echter niet en daarom hebben wij in de Commissie buitenlandse zaken tegen dit verslag gestemd.

De Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten en de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie keren zich tegen de gedachtegang van de Commissie. Ze keren zich tegen het nieuwe beleid van de Verenigde Staten. Ze denken misschien dat de regering Obama, met name via de uitspraken van vicepresident Joe Biden, blijk heeft gegeven van een andere stijl, maar de Europese Unie zal achterlopen op het Amerikaanse beleid, ofschoon dit niet in ons belang zou zijn. Onze zorg betreft dus niet de kritiek, maar de stijl.

Wij hoeven niemand de les te lezen, maar moeten gerechtvaardigde kritiek leveren. Het is niet aan de Europese Unie om het vingertje omhoog te houden en Rusland de les te lezen. Daarom kan de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement dit ontwerpverslag alleen aannemen als alle zes de amendementen die we hebben ingediend, door het Parlement worden aangenomen. Anders zal dit verslag slechts een averechtse uitwerking hebben en het strategisch partnerschap tussen de EU en Rusland geen dienst bewijzen. Het is echter in het belang van de Europese Unie dat er een succesvolle samenwerking tussen Rusland en de EU wordt ontwikkeld.

 
  
MPphoto
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, voor buitenlandse zaken zijn diplomatie en principes nodig, en dit verslag over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland biedt beide. Mijn fractie looft de inhoud van het verslag en feliciteert de heer Onyszkiewicz met zijn werk.

De geschiedenis leert ons dat niets de Russen zo nijdig maakt als wanneer we hun de rug toekeren. Het is dus in het belang van zowel Rusland als de Europese Unie dat wij met elkaar communiceren, samenwerken en handel drijven op vertrouwenwekkende manieren. Evenzo is het niet eerlijk om te doen alsof het gedrag van Rusland onberispelijk is. Dit is een land dat energieleveringen als wapen gebruikt, een land waarvan het arrogante gedrag in de Kaukasus en de Baltische staten zijn buurlanden irriteert, en een land dat het recht flexibel interpreteert om degenen die in de gunst van het Kremlin staan, van dienst te zijn, en degenen die het Kremlin niet aanstaan de duimschroeven aan te halen, zoals het nieuwe proces van vandaag tegen Michaïl Khodorkovski bevestigt.

De verkiezingen zijn, zoals wij weten, geen uitzondering. Meneer Tabajdi, fysiek geweld, intimidatie van mensenrechtenverdedigers en moord op onafhankelijke journalisten zijn de werkelijkheden van het Rusland van vandaag.

(Applaus)

We vinden het jammer dat enkele afgevaardigden de kritiek op de staat van dienst van Rusland op het gebied van de mensenrechten willen afzwakken. Ik ben verrast te moeten zien hoezeer sommigen erop aandringen de nieuwe overeenkomst te bestempelen als strategisch, eenvoudigweg omdat Moskou die overeenkomst wil. Ja, we moeten bruggen bouwen, maar we mogen dingen die verfoeilijk zijn, niet kritiekloos aanvaarden.

Er zijn drie redenen waarom sommigen geneigd zijn toe te geven aan de heer Poetin. Op de eerste plaats zijn er mensen die ooit met de Sovjets hebben gesympathiseerd en nog steeds een emotionele band hebben met het Kremlin hebben. Op de tweede plaats zijn er mensen die denken dat Rusland op de een of andere manier anders is dan andere landen en dat voor Rusland niet dezelfde normen kunnen gelden. En op de derde plaats zijn er mensen die denken dat Rusland gewoon te angstaanjagend is om tegen zich in het harnas te jagen. Geen van deze argumenten is steekhoudend. De harde linkervleugel van Europa heeft zich in het verleden moedwillig onwetend gehouden van de mensenrechtensituatie in het Sovjettijdperk. Zij maken niet alleen een morele fout, maar geven ook blijk van politieke warrigheid als ze excuses bedenken voor Rusland, nu het land opschuift naar autoritair rechts. Mensenrechten zijn bovendien universeel en ondeelbaar; anders hebben niets te betekenen. De Unie moet dus voldoende zelfvertrouwen hebben om onze waarden te verdedigen, zowel binnen onze eigen grenzen als daarbuiten.

Tot slot heeft de Europese Unie tegenwoordig een bevolking die drie en een half keer zo groot is als die van Rusland. Onze militaire uitgaven zijn tien keer zo hoog en onze economie is vijftien keer zo groot. We hebben geen reden om terug te deinzen voor het Kremlin, maar wel alle reden om onze waarden te verdedigen. We geven daarom steun aan een nieuwe overeenkomst, maar laat Europa die relatie wel eensgezind, sterk en met open ogen aangaan.

 
  
MPphoto
 

  Adam Bielan, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Kremlin gebruikt de energiebevoorrading als een politiek drukmiddel en past het beginsel van 'verdeel en heers' toe om Europa land per land te corrumperen, gaande van Cyprus tot Nederland. Deze aanpak blijkt buitengewoon succesvol te zijn. De uiterst passieve houding van de Europese Unie na de aanval van Rusland op het soevereine Georgië staat hiermee in schril contrast. De leiders van de Unie schitterden door afwezigheid. De heer Solana en commissaris Ferrero-Waldner waren nergens te bekennen. Intussen werd de Franse president Nicolas Sarkozy publiekelijk te kijk gezet, aangezien de Russen besloten om het vredesakkoord waarover hij had onderhandeld, volledig naast zich neer te leggen. We kunnen bijgevolg stellen dat de zwakke positie van Europa in de betrekkingen met Rusland het logische gevolg is van onze eigen naïviteit en kortzichtigheid.

Energiebedrijven uit Oostenrijk, Duitsland en Italië doen op bilaterale basis zaken met het Kremlin. Dit leidt rechtstreeks tot politieke druk van Moskou op afzonderlijke EU-lidstaten. Duitsland bouwt momenteel een gaspijpleiding op de bodem van de Oostzee om Polen links te kunnen laten liggen, terwijl Rusland de energiebevoorrading aan Litouwen, de Tsjechische Republiek en andere EU-landen al meermaals heeft onderbroken. Als het Nord Stream-project ten uitvoer wordt gelegd, is mijn land, Polen, wellicht hetzelfde lot beschoren. Het EU-beleid ten aanzien van Rusland dient gebaseerd te zijn op de beginselen van eenheid en solidariteit. Als we willen dat onze betrekkingen met Rusland efficiënt zijn, moeten wij met de andere EU-lidstaten die mogelijk bij een overeenkomst betrokken zullen zijn overleg plegen alvorens bilaterale overeenkomsten te sluiten met het Kremlin.

 
  
MPphoto
 

  Marie Anne Isler Béguin, namens de Verts/ALE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur eveneens bedanken voor het feit dat hij heeft ingestemd met onze amendementen en dat hij de kwestie van de mensenrechten bij de onderhandelingen met Rusland centraal heeft gesteld. Ik verzoek de Raad en de Commissie op dit punt niet te zwichten, en ik verzoek de rapporteur zijn steun te geven aan onze andere amendementen inzake de eerbiediging van de rechten van minderheden en van Tsjetsjenië, hetgeen in het verslag niet echt aan bod is gekomen.

Wij steunen ook de kritische houding tegenover Rusland, want ook al geeft Rusland momenteel positieve signalen af, met name als het gaat om zijn bereidheid internationale overeenkomsten te sluiten over de vermindering van nucleaire arsenalen, die in deze tijden van crisis ongetwijfeld te duur zijn, toch blijft dit land op andere punten nog steeds onverzettelijk, met name als het gaat om zijn nabuurschapsbeleid, waarbij het de Europese Unie verwijt zich binnen zijn invloedsfeer te begeven. Ik herinner eraan dat de heer Lavrov zich onlangs in Brussel kritisch heeft uitgelaten over het Oosters Partnerschap dat wij tijdens de Voorjaarstop hebben opgezet, net zoals de heer Poetin negatief heeft gereageerd op de gasovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne.

Zoals u weet – en zoals iedereen heeft opgemerkt – is de kwestie Georgië nog steeds actueler dan ooit. Deze kwestie blijft een twistpunt tussen de EU en Rusland, dat voortdurend gebruikmaakt van zijn vetorecht om de oprichting van internationale vredeshandhavingstroepen te blokkeren, en om onze waarnemers zelfs de toegang te ontzeggen tot de grondgebieden die het bezet houdt en controleert. Hiermee schendt Rusland de zes punten van de overeenkomst die de EU op 12 augustus met dit land heeft gesloten, terwijl het niets doet om het dagelijkse geweld bij de administratieve grens Abchazië-Ossetië te stoppen.

Bovendien laat niemand zich voor de gek houden door de energieafhankelijkheid van de Europese Unie ten opzichte van Rusland, zoals al is gezegd, of door de politieke prijs die wij moeten betalen.

Tot slot hoop ik, mijnheer de Voorzitter, dat, nu wij met een mondiale crisis te maken hebben die niemand ontziet, ook Rusland niet, zich onverwachte oplossingen zullen voordoen die Rusland ertoe zullen brengen om in te stemmen met een constructief partnerschap, en die ertoe zullen leiden dat de EU als eensgezinde partner meer gewicht in de schaal legt.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Remek, namens de GUE/NGL-Fractie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, we spreken over onze aanbevelingen aan de Raad voor de nieuwe overeenkomst met Rusland. De tekst van het verslag ziet er in mijn ogen echter niet uit als een aanbeveling voor diplomatieke onderhandelingen. In het grootste deel van het document wordt beschreven en benadrukt dat het noodzakelijk is te eisen, aan te dringen, te onderstrepen, uit te dagen, enzovoort. Dit is het lexicon van een dictaat en ik ben erg blij dat ik geen onderhandelaar ben die geacht wordt zich te laten leiden door zulke aanbevelingen. Tegelijkertijd erkennen wij echter dat de EU, afgezien van al het andere, een kwart van haar olie- en aardgastoevoer uit Rusland ontvangt. Soms heb ik de indruk dat we een veilige, stabiele aanvoer van essentiële grondstoffen proberen te verkrijgen door met een knuppel te zwaaien. Maar wat nemen wij, de EU, mee naar de onderhandelingstafel? Waar is ons standpunt ten aanzien van de mensenrechten - waarachter we ons verschuilen - bijvoorbeeld met betrekking tot Russisch sprekende minderheden op het grondgebied van EU-lidstaten? Waar is onze mening over de reünies en activiteiten van leden van voormalige SS-eenheden in EU-landen? Of is het zo dat we ons niet tegen hen verzetten maar hen juist steunen, in strijd met bijvoorbeeld de bevindingen van de VN? Hoe is het verder mogelijk dat de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) beide landen, Oekraïne en Rusland, verantwoordelijk houdt voor de problemen met de aardgaslevering aan de EU, maar in onze aanbevelingen alleen Rusland wordt aangesproken? Al met al is het alsof we proberen te voetballen op een veld met maar één doel. Dat is, zoals u zeker zult moeten toegeven, geen echte wedstrijd. Laten we dan ook geen wonderbaarlijke resultaten verwachten.

Persoonlijk vind ik het daarom een probleem om het document in zijn huidige vorm te steunen. Zelfs in de Commissie buitenlandse zaken was een derde van de leden niet gelukkig met het concept. Intussen heeft de Commissie internationale handel voor een veel realistischer aanpak in de betrekkingen met Rusland gekozen, rekening houdend met wat Europa werkelijk nodig heeft.

 
  
MPphoto
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, het lijdt geen twijfel dat Rusland vandaag volop deelt in de wereldwijde economische crisis. Nog vanmorgen hoorde ik op de radio een indringende reportage vanuit St. Petersburg over medicijnen die onbetaalbaar en dus onbereikbaar zijn voor de gemiddelde Russische burger. De jongste prognoses van de Wereldbank duiden op nog zwaarder weer voor de Russische economie. Wat te denken van de zwarte voorspelling dat eind dit jaar meer dan 20 miljoen Russen onder het bestaansminimum van 4 600 roebel (circa 185 dollar) kunnen vallen?

Inderdaad, Europa en Rusland staan beide voor de urgentie van krachtige crisisbestrijding. Gezamenlijke inspanningen om het mondiale economische klimaat te doen opklaren verdienen derhalve prioriteit. Voorwaarde daarvoor is echter wederzijds vertrouwen, en dat wil ik onderstrepen, want het externe beleid van het Kremlin staat dat jammer genoeg vierkant in de weg. Denk aan de crisis in Moldavië, die almaar doorgaat en nog ingewikkelder wordt met een slechte rol voor Smirnoff. Denk ook aan de verwikkelingen in Oekraïne weer vorige week. Kortom, het ontbreken van wederzijds vertrouwen staat gezamenlijke inspanningen in de weg.

Het Parlement geeft in dit verslag die eerlijke en heldere boodschap mee aan de Raad en de Commissie voor de onderhandelingen met Moskou en, naar ik van harte hoop, rendeert een rechte rug tegenover de Russen.

 
  
MPphoto
 

  Jana Bobošíková (NI). – (CS) Dames en heren, in de ontwerpaanbeveling van dit Parlement aan de Raad met betrekking tot de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland, waarover wij vandaag debatteren, staan misschien maar twee feiten waarmee we het eens kunnen zijn. Het eerste is dat Rusland van enorm belang is voor de stabiliteit en welvaart van Europa en de wereld, en het tweede is dat we een strategisch partnerschap met Rusland moeten sluiten op basis van democratische waarden. Voor het overige moet ik zeggen dat de tekst is geschreven in de taal van een overwinnaar uit de tijd van de Koude Oorlog, waarin alle basisregels van diplomatie en internationale betrekkingen met voeten worden getreden. Deze regels betreffen vooral zaken als compromisbereidheid, beleefdheid, evenwichtigheid en respect voor de andere partij aan de onderhandelingstafel. Ze gaan niet over dictatoriale eisen en harde veroordelingen. Het woordgebruik en de formulering van het verslag doen denken aan de brief van de verwaande sultan aan de Kozakken in Zaporozhsky, die hem vervolgens gepast van repliek dienden. De ongepaste russofobie in de tekst wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de objectieve verklaring van de Commissie industrie, onderzoek en energie, die als richtsnoer zou moeten dienen voor het formuleren van een nieuw document. Naar mijn mening is het huidige verslag schadelijk voor de EU en de Russische Federatie en daarmee voor de belangen van alle burgers in het Euro-Aziatische gebied.

Dames en heren, ik hoop dat tijdens de top van de EU en Rusland, die onder Tsjechische voorzitterschap zal worden georganiseerd door de Tsjechische president Václav Klaus, beslist niet zulke russofobe retoriek zal worden gehanteerd, vooral ook omdat de Tsjechische president het niet eens is met de gangbare EU-visie op het Russisch-Georgische conflict. Ik ben er stellig van overtuigd dat de Raad, in het belang van onze burgers, niet uit het oog mag verliezen dat Rusland een noodzakelijke, nuttige en gelijkwaardige partner in onze geopolitieke regio is en zal blijven. Zoals al eerder is gezegd, komt een kwart van de olie- en aardgaslevering aan de EU uit Rusland en gaat de helft van de Russische olie- en aardgasproductie naar de EU. Dit feit alleen al is voldoende reden om te proberen betrekkingen van goed nabuurschap te onderhouden tussen de EU en de Russische Federatie.

 
  
MPphoto
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). - Voorzitter, de afgelopen tweeënhalf jaar ben ik als voorzitter van de Delegatie voor de betrekkingen met Rusland heel intensief bezig geweest met Rusland en Europa. Ik heb me niet alleen bezig gehouden met incidenten, maar ik heb ook met een open blik gekeken naar de langetermijnstrategie. Ik snap dus echt niet wat Graham Watson, de voorzitter van de ALDE-Fractie, hier gezegd heeft. Want ik ben in al die debatten niet eenzijdig geweest, en mijn collega's evenmin. We hebben gediscussieerd over de vele problemen met Rusland.

Maar laten we niet vergeten dat we, als we een partnerschapsovereenkomst willen sluiten, dan ook partners willen zíjn. Dat betekent dus dat er van beide kanten ook met elkaar overlegd moet worden over moeilijke zaken. Een partnerschapsovereenkomst kan er inderdaad alleen maar komen als je elkaar vertrouwt en niet wanneer je van één kant alleen maar oog hebt voor de problemen. De Verenigde Staten hebben een andere strategie op dit moment. Moeten wij dan zo nodig, anders dan de Verenigde Staten die wel een opening bieden, terugvallen op koude sentimenten? Dat is niet verstandig.

Een partnerschapsovereenkomst, een strategisch partnerschap hebben we nodig, want we hebben maar één grote buur. Wij zijn afhankelijk van die buur voor onze energievoorziening en zij zijn van onze financiële middelen afhankelijk. Maar omdat we in Europa waarden te verdedigen hebben, praten we met hen ook over de gezamenlijke waarden en over de mensenrechten. Voor de nieuwe strategie die we echt nodig hebben met die grote buur is het geen goede start om alles alleen maar vanuit de negatieve kant te belichten. Ik dank daarom de commissaris voor het antwoord dat ze gegeven heeft, want het bevat positieve elementen om inderdaad tot iets te komen wat goed is voor vijfhonderd miljoen Europese burgers.

 
  
MPphoto
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). - Voorzitter, laat ik beginnen met mevrouw Oomen-Ruijten te complimenteren met wat ze zojuist zei. Ik ben het van harte eens met haar betoog en ik hoop dat het ook van invloed zal zijn op het stemgedrag van haar fractie morgen, als onze amendementen op dit verslag in stemming worden gebracht. Ik wens haar daarbij veel succes.

Mijn fractie heeft grote moeite met het voorliggende verslag van collega Onyszkiewicz, en daarom hebben we in de Commissie buitenlandse zaken tegen gestemd. Het is veelomvattend - dat is terecht - en de agenda van de betrekkingen tussen de EU en Rusland is inderdaad ook omvangrijk. De rapporteur, en daarvoor mijn complimenten, heeft wel geprobeerd al die terreinen in zijn verslag aan de orde te laten komen. Maar de toon is fout. Je kunt niet zeggen dat die betrekkingen van cruciaal belang zijn - zoals de rapporteur doet - en vervolgens alleen maar voorbeelden opnoemen van alles wat fout gaat en fout is in Rusland, zonder daarbij overigens oog te hebben voor de fouten die we zelf in het verleden, de afgelopen twintig jaar ten opzichte van de Russische Federatie gemaakt hebben.

Rusland is geen kandidaat-lidstaat, maar een strategische partner die wil samenwerken op gebieden van gemeenschappelijk belang. Daarbij moet je constructief en rationeel optreden. En ik ben het helemaal eens met minister Vondra dat dat de basis moet zijn van onze benadering. De criteria van Kopenhagen gaan hier niet op, al wordt die indruk weleens gewekt. Ik ben voor een pragmatische aanpak uitgaande van interdependentie. Zij hebben ons nodig en wij hen. Of dat nu is op het gebied van de handel, energiesamenwerking, klimaat, of nucleaire non-proliferatie, oplossingen kunnen we alleen samen vinden. Dat is het achterliggende strategische belang - wij hechten aan het woord strategisch in dit debat - van de onderhandelingen over een nieuw akkoord. Die moeten we te goeder trouw voeren, ook met respect voor de belangen van Rusland.

Onze rapporteur besteedt terecht veel aandacht aan de buurlanden die de Europese Unie met Rusland deelt. Ook hier geldt dat samenwerking meer oplevert dan confrontatie. Een gevecht om invloedssferen willen wij ten alle koste vermijden. In plaats daarvan zou de Europese Unie moeten inzetten op een reanimatie van een verzwakte OVSE, de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa. Dan kan in dat kader ook gekeken worden naar een betere aanpak van deze bevroren conflicten waar we in Europa nog steeds mee zitten, of het nu in Georgië is, in Azerbeidzjan of Moldavië.

Natuurlijk is niet alles koek en ei. Het verslag gaat daar terecht op in. Wij veroordelen en veroordeelden de Russische inval in Georgië. We maken ons zorgen over autoritaire tendensen in Rusland. De dialoog kan daarom niet alleen maar positief zijn, en als lid van de Raad van Europa kan Rusland het beter doen. Maar niettemin, met alle respect voor de rapporteur, waar is de reset in zijn verhaal? Doorgaan met polariseren, nu de Amerikaanse regering Rusland anders wil benaderen, is contraproductief. Onze problemen zijn globaal en voor de oplossing daarvan hebben we iedereen nodig.

 
  
MPphoto
 

  István Szent-Iványi (ALDE). (HU) President Medvedev heeft in zijn inaugurale rede verklaard dat het zijn belangrijkste taak is de vrijheid te beschermen en de rechtsstaat te herstellen. Helaas heeft hij deze belofte nog niet vervuld. Het is onze plicht hem aan deze belofte te herinneren en meer steun te geven aan de onafhankelijke media, het maatschappelijk middenveld en de slachtoffers van de schendingen van de mensenrechten.

We streven naar een pragmatisch partnerschap met Rusland, en een partnerschapsovereenkomst is in ons belang. Dit is echter alleen realistisch als Rusland van zijn kant constructief, verantwoordelijk en coöperatief gedrag laat zien.

In januari werd het vertrouwen in de betrouwbaarheid van Rusland als aardgasleverancier beschadigd. Het centrale element van de overeenkomst moet daarom het energiepartnerschap zijn. Het zou het vertrouwen ten goede komen als Rusland eindelijk het Europese Energiehandvest en het Transitprotocol zou ondertekenen. We verwachten van de Europese Unie dat ze gezamenlijk en vastberaden actie onderneemt in het belang van de lidstaten die in grote mate afhankelijk zijn van Russische energieleveringen.

 
  
MPphoto
 

  Inese Vaidere (UEN). (LV) Hartelijk dank, mijnheer Onyszkiewicz, voor uw zeer evenwichtige verslag. Rusland is een heel belangrijke partner voor de Europese Unie. Gezamenlijk optreden kan een positieve uitwerking hebben op het te boven komen van de economische en financiële crisis. Dit mag ons er echter niet toe brengen af te wijken van onze beginselen en waarden. We moeten eisen dat Rusland in eigen land de mensenrechten, de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging hersteld. We moeten erop aandringen dat het Russische programma voor steun aan landgenoten niet wordt misbruikt als instrument om de politieke invloed van Rusland in bepaalde EU-lidstaten te versterken. Voordat een nieuwe overeenkomst kan worden ondertekend, moet Rusland hebben voldaan aan zijn verplichtingen ten aanzien van de territoriale integriteit van Georgië. De brede overeenkomst dient een strategie voor energiezekerheid te bevatten, op basis van de ratificatie van het Energiehandvest. Ook moeten we een adequate beoordeling eisen van de gevolgen van de noordelijke gaspijpleiding voor het milieu. Dank u.

 
  
MPphoto
 

  Milan Horáček (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, fungerend voorzitter van de Raad, de heer Onyszkiewicz heeft duidelijke taal laten horen toen hij sprak over de betekenis van de mensenrechten voor de samenwerking met Rusland, waarvoor hartelijk dank. Het is mijns inziens bijzonder belangrijk om op niet mis te verstane wijze duidelijk te maken dat Europa economische betrekkingen, dat wil zeggen gasverbindingen, niet belangrijker acht dan de mensenrechten. Normale partnerschappen zijn gebaseerd op twee betrouwbare partijen die elkaar vertrouwen. Strategische partnerschappen lopen het risico slechts beperkt houdbaar en betrouwbaar te zijn, reden waarom de EU zich moet beschermen tegen onbetrouwbaarheid. Zolang Rusland de mensenrechten op zo stuitende wijze blijft schenden en er niet in slaagt om een minimaal niveau van democratie en rechtsstaat te realiseren, zoals onder ander de gevallen van Anna Politkovskaja of de heer Chodorkovski en de heer Lebedjev aantonen, kan er geen sprake zijn van een normaal, goed partnerschap.

 
  
  

VOORZITTER: RODI KRATSA-TSAGAROPOULOU
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Jiří Maštálka (GUE/NGL). (CS) Het verslag van de heer Onyszkiewicz is ongetwijfeld een van de belangrijkste documenten van het einde van ons verkiezingsmandaat. Ik moet onderstrepen dat ik zeer, zeer teleurgesteld ben over de inhoud van het verslag. Een van de minder belangrijke punten waarmee ik het eens kan zijn is dat goede betrekkingen met Rusland voor iedereen belangrijk zijn. Het uitgangspunt van het verslag is naar mijn mening onevenwichtig en ik geloof stellig dat het in zijn oorspronkelijke vorm de wederzijdse betrekkingen niet zal helpen verbeteren. Ik acht het een misvatting - om het beleefd te zeggen - dat het verslag raadplegingsbevoegdheden wil toevertrouwen aan de Hoge Vertegenwoordiger van de EU. Ik moet zeggen dat, als dat de heer Solana zou zijn, ik van mijn kant geen vertrouwen kan hebben in een man die tien jaar geleden de zinloze, zogenaamd humanitaire bombardementen op Joegoslavië ontketende en die, in strijd met het internationaal recht, de afscheiding van een deel van een soevereine staat organiseert. Ik zie ook een gebrek aan evenwicht in het feit dat Rusland wordt bekritiseerd om zijn programma voor steun aan in het buitenland wonende Russen, terwijl het verslag zwijgt over de positie van Russisch sprekende niet-staatsburgers in de EU. Naar mijn mening wordt in het verslag eveneens opzettelijk geen melding gemaakt van het vraagstuk inzake de zogenoemde ´Polenkaart´, dat in strijd is met het internationaal recht.

 
  
MPphoto
 

  Francisco José Millán Mon (PPE-DE). - (ES) Rusland is een bijzonder belangrijke internationale speler. Het is permanent lid van de Veiligheidsraad en de G8 en een belangrijke grootmacht. Om die simpele redenen zou de Europese Unie moeten streven naar betrekkingen met Rusland die gekenmerkt worden door dialoog en samenwerking. Bovendien zijn tal van lidstaten van Rusland afhankelijk op energiegebied en onderhouden zij intensieve handelsbetrekkingen met dit land.

Onze betrekkingen met Rusland dienen echter verder te gaan en ambitieuzer te zijn. Rusland is een Europees land, het maakt deel uit van de Raad van Europa, het is belangrijke verbintenissen aangegaan op het gebied van mensenrechten en democratische vrijheden, en het dient een reeks waarden en beginselen met ons te delen, waaronder de naleving van het internationale recht en de eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van de staten.

De gebeurtenissen van de afgelopen tijd hebben echter een zorgwekkende tendens in Rusland te zien gegeven, zoals het gebruik van energiebronnen als drukmiddel, waarbij zelfs de levering wordt afgesneden, of de crisis met Georgië van afgelopen zomer en de voorafgaande ontwikkelingen.

Dit alles heeft ertoe geleid dat het vertrouwen in Rusland als Europese partner is afgenomen. We moeten dat vertrouwen nu zien te herstellen. We willen met Rusland een constructieve overeenkomst sluiten, als echte Europese partners, maar dan moet het gedrag van Rusland wel veranderen.

In de Europese Unie hebben de lidstaten om tal van redenen, ook om historische redenen, verschillende opvattingen over de betrekkingen met Rusland, en daarom is het niet makkelijk om een gemeenschappelijk standpunt te bereiken. Dat is een van onze zwakke punten, een van onze problemen, maar naast die visie die je pragmatisch of realistisch zou kunnen noemen, is er in dit Parlement ook steeds meer steun te vinden voor het inzicht dat partners met wie wij nauwe betrekkingen willen aanknopen een gedrag dienen te hebben dat strookt met het internationale recht en met de fundamentele rechten en vrijheden, met name als het gaat om partners die bij de grote Europese familie behoren.

Dit Parlement was zeer verheugd over de toezegging die president Medvedev aan het begin van zijn mandaat deed in verband met de rechten van de mens en de rechtsstaat, maar woorden moeten gestaafd worden met daden.

Dames en heren afgevaardigden, persoonlijk wil ik graag geloven dat de Europese Unie in Rusland een permanente en structurele partner vindt die onze waarden deelt, maar op het ogenblik lijkt het me duidelijk dat die toekomst nog ver in het verschiet ligt.

 
  
MPphoto
 

  Hannes Swoboda (PSE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, om te beginnen wil ik de heer Vondra en commissaris Ferrero-Waldner hartelijk danken voor hun bijdragen die veel realistischer en ons inziens duidelijker waren dan het verslag van de heer Onyszkiewicz zoals dat er op dit moment uitziet. Ik vind dat ook bijzonder spijtig, aangezien ik de heer Onyszkiewicz persoonlijk zeer waardeer. Daarom begrijp ik ook niet helemaal waarom hier een verslag wordt gepresenteerd waarin deze gemeenschappelijke basis – kritiek enerzijds en de bereidheid tot samenwerking anderzijds – niet onder één noemer wordt gebracht, zoals de Raad en de Commissie hebben gedaan.

Ik wil daarom nogmaals onze punten van kritiek doornemen, waarmee ik onze kritiek ten aanzien van Rusland bedoel, zodat daar geen onduidelijkheden over bestaan.

Voor wat betreft de nabuurschap hebben wij geen begrip voor het gedrag van Rusland ten opzichte van Georgië en wij bekritiseren dit. De wereld weet echter al lang dat Rusland daarin niet de enige schuldige is. Alleen wil men dat hier in bepaalde kringen niet onder ogen zien. We moeten echter naar beide kanten kijken. Als ik van mevrouw Zoerabisjvili tot mevrouw Boerdzjanadze zie hoe de voormalige bondgenoten van president Saakasjvili van Georgië nu oppositie tegen hem voeren en als ik zie hoe ook daar de mensenrechten niet bepaald zorgvuldig worden gerespecteerd, dan vraag ik me af waarom er alleen op Rusland kritiek wordt uitgeoefend en niet op bijvoorbeeld Georgië. Voor wat betreft de energiecrisis waar Oekraïne bij betrokken is, weten wij toch allemaal heel goed, u net zo goed als wij, dat ook Oekraïne, en de interne situatie aldaar, medeschuldig is. Maar altijd wordt alleen Rusland bekritiseerd.

Hoewel de heer Horáček, die nu blijkbaar de regeringscrisis in de Tsjechische Republiek wil oplossen, nu opmerkt dat wij het energievraagstuk niet voor de mensenrechten mogen laten komen, is er niemand die dit ook daadwerkelijk doet. Zeg nu eens concreet: wilt u echt dat wij zeggen: “Wij willen jullie gas niet totdat jullie de mensenrechten eerbiedigen”? U moet open, eerlijk en onomwonden zeggen wat u wilt en niet slechts losse kreten in de discussie gooien.

Mijn derde punt betreft de mensenrechten. Wij zijn bitter teleurgesteld over de houding ten aanzien van de mensenrechten in Rusland; die is voor ons zonder meer onaanvaardbaar. Wij zullen nooit zwijgen als de mensenrechten ergens worden geschonden. Zoals ik reeds heb opgemerkt, moeten we schending van de mensenrechten onomwonden aan de kaak stellen, of dit nu gebeurt in Georgië, Rusland of in een van onze eigen lidstaten. Dat geldt ook voor de rechten van Russische staatsburgers of niet-staatsburgers, van wie sommigen in bepaalde EU-lidstaten helaas te kampen hebben met problemen. Dat spreekt voor zich, maar we moeten overal met dezelfde maat meten; met dezelfde maat en met dezelfde criteria.

Ten vierde vind ik het bijzonder spijtig dat Rusland – en zijn leiderschap – niet hetzelfde perspectief heeft ontwikkeld ten opzichte van zijn eigen geschiedenis, als vele van onze eigen landen hebben gedaan. Ik doel hierbij op het debat dat we reeds hebben gevoerd en op de stemming van morgen over de resolutie inzake geschiedenis. Het imago van Rusland zou enorm worden verbeterd als het zijn eigen geschiedenis kritischer zou benaderen, dat wil zeggen als Rusland het stalinisme niet als een belangrijke vaderlandse prestatie zou beschouwen maar als een misdaad waarmee de confrontatie moet aangaan. Uiteraard hebben wij daar ook duidelijke uitspraken over gedaan, maar wij mogen er geen misverstanden over laten bestaan, ongeacht het land en ongeacht het totalitaire regime, dat wij niet bereid zijn totalitaire regimes te accepteren en dat wij niet bereid zijn te accepteren dat men de confrontatie met zijn eigen geschiedenis uit de weg gaat.

Daarom is het wellicht nog steeds mogelijk dat ten minste een of twee van onze amendementen worden aangenomen, waarmee wij trachten het evenwicht te herstellen en juist deze tweeledige strategie te volgen: stevige kritiek op Rusland maar tevens bereidheid om een partnerschap met Rusland aan te gaan.

 
  
MPphoto
 

  Henrik Lax (ALDE). − (SV) Mevrouw de Voorzitter, de rapporteur zegt zeer terecht dat de Europese Unie met één stem moet spreken in belangrijke zaken met betrekking tot Rusland. Helaas lijken de Russische leiders de betrekkingen met derde landen nu als een spel met een nulsom te beschouwen. Simpel gezegd: als ik jou niet in je gezicht sla, sla jij mij in mijn gezicht. Een nauwere samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland is in feite een win-winsituatie, en wij moeten ervoor zorgen dat de Russische leiders dit inzien. Het risico bestaat dat de ernstige economische crisis in Rusland uitmondt in een negatievere houding van zijn leiders ten opzichte van een nauwe samenwerking met de Europese Unie. Het is daarom des te belangrijker voor de Europese Unie om met één stem te spreken. De keren dat de Europese Unie duidelijke taal sprak en zei waar het op stond, hielden de Russische leiders zich in. Het conflict in Georgië, de gascrisis tussen Rusland en Oekraïne begin dit jaar en de provocaties rondom het standbeeld van de bronzen soldaat in Estland wijzen er allemaal op dat een eensgezinde Europese Unie ervoor kan zorgen dat het Russische leiderschap zich herbezint.

 
  
MPphoto
 

  Hanna Foltyn-Kubicka (UEN). (PL) Mevrouw de Voorzitter, het verslag dat momenteel ter tafel ligt, bevat een relatief gedetailleerd overzicht van de recente gevallen van schending van de mensenrechten op het grondgebied van de Russische Federatie. Deze gevallen tonen duidelijk aan dat Rusland het niet zo nauw neemt met de normen die overal in de vrije wereld van toepassing zijn. Ik roep de Raad en de Commissie bijgevolg op om met onmiddellijke ingang van Rusland te verlangen dat het land zijn verbintenissen inzake de eerbiediging van de mensenrechten nakomt. Dit zou een noodzakelijke voorwaarde moeten zijn voor de voortzetting van de onderhandelingen over een overeenkomst.

Tijdens gezamenlijke bijeenkomsten met Russische vertegenwoordigers heb ik bepaalde leden van de Doema meer dan eens horen zeggen dat er nu wel genoeg tijd verspild is aan de mensenrechten en dat we ons beter over belangrijkere aangelegenheden zouden buigen, zoals de handel. We mogen niet akkoord gaan met een dergelijke benadering. Niets is belangrijker dan vrijheid, gezondheid en het menselijk leven. Deze waarden worden in Rusland vaak uit het oog verloren, terwijl de waarde van geld er zonder uitzondering wordt erkend.

 
  
MPphoto
 

  Tunne Kelam (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik feliciteer de heer Onyszkiewicz met zijn harde werk en zijn loffelijke resultaten.

Dit is overigens het laatste standpunt dat het vertrekkende Europees Parlement inneemt ten aanzien van de betrekkingen met Rusland, en de duidelijkste boodschap die dit Parlement heeft afgegeven is dat wij consequent zijn als het gaat om onze gemeenschappelijke Europese waarden.

Het is dan ook een goed moment om in herinnering te brengen dat de basis voor onze betrekkingen met Rusland het verslag van onze collega Malmström van enkele jaren geleden blijft. De voorstellen in dat verslag zijn nog steeds niet uitgevoerd.

Intussen verkeren wij min of meer in een toestand van vergetelheid. We herhalen steeds weer hoe belangrijk de betrekkingen met Rusland zijn, en dat zijn ze ook, maar we hoeven dat niet steeds weer te herhalen. We moeten meer vertrouwen hebben in onze eigen kracht, in onze eigen waarden en potentieel, zoals Graham Watson zei, en deze waarden ook in praktijk brengen.

We moeten ook concluderen dat de situatie in Rusland in kwalitatief opzicht achteruit is gegaan. Afgelopen augustus heeft Rusland een soeverein buurland bijna bezet. Het is niet genoeg om alleen maar kritiek te leveren of om de voortdurende schendingen van de mensenrechten in Rusland betreuren. De vraag is hoe we deze mensenrechten en waarden kunnen koppelen aan ons gedrag in de praktijk. Anders zijn we, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor het vergassen van de mensenrechten en democratische waarden in Rusland, in ruil voor gas uit de Russische pijplijnen.

 
  
MPphoto
 

  Ioan Mircea Paşcu (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, er zijn in dit Parlement duidelijk twee gedachtescholen met betrekking tot Rusland, en deze weerspiegelen de ambivalente houding van de lidstaten.

In wezen gaat het niet om Rusland, want velen zijn het erover eens dat deze grootmacht voor ons onvermijdelijk een strategisch partner is. Het gaat om de vraag hoe we moeten reageren op het gedrag van Rusland, dat niet altijd aan onze normen voldoet. Terwijl de ene gedachteschool voorstelt Rusland verantwoordelijk te houden voor elke afwijking van deze normen, en het verslag Onyszkiewicz valt duidelijk in deze categorie, is de andere school meegaander en laat zich hoofdzakelijk leiden door pragmatisme.

De vraag is dus welk van deze twee houdingen een beter beheer waarborgt van onze gemeenschappelijke aangelegenheden (economie, handel, energie, veiligheid, onderzoek en onderwijs) en onze belangen behartigt zonder dat we afstand doen van onze normen. Welk van beide houdingen heeft meer effect op het gedrag van Rusland? Ik sta persoonlijk sceptisch tegenover het vermogen van wie dan ook om het gedrag van Rusland in welke richting ook werkelijk te beïnvloeden. Toch pleit ik voor een Europees standpunt dat pragmatisme paart aan integriteit. Dit verslag gaat formeel weliswaar over Rusland, maar eigenlijk gaat het uiteindelijk ook over ons.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, het is algemeen bekend dat de inhoud van iedere overeenkomst met Rusland op lange termijn meer weg blijkt te hebben van een verlanglijstje dan van een pakket juridisch bindende maatregelen. Desalniettemin is het van wezenlijk belang dat wij ons onverminderd blijven inspannen om onze verstandhouding met Rusland zoveel mogelijk te verbeteren. Het spreekt vanzelf dat dit onmogelijk kan gebeuren op basis van de huidige voorwaarden, waarbij de bevolking van de Unie, die bijna vijfhonderd miljoen burgers telt en meer dan 20 procent van het wereldwijde bbp vertegenwoordigt, zich moet plooien naar de wensen van een veel zwakkere partner met een kleiner inwonertal. Ik stip deze kwestie aan omdat de belangen van de afzonderlijke lidstaten vaak onverenigbaar zijn met de interne solidariteit van Europa. Deze conflictsituaties worden door Rusland zonder blikken of blozen uitgebuit. Het lijdt geen twijfel dat we onze economische samenwerking met Rusland moeten verdiepen. We dienen echter tegelijkertijd van onze partner te verlangen dat hij aan dezelfde bindende normen voldoet als alle landen van de Europese Unie. We mogen in geen geval door de vingers zien dat de mensenrechten in Rusland met voeten worden getreden.

 
  
MPphoto
 

  György Schöpflin (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn felicitaties voor de rapporteur. Ik denk dat dit een uiterst belangrijk verslag is.

Het lijkt mij dat de strategische denkwijze van Rusland een van de belangrijkste problemen is waar de Europese Unie momenteel voor staat. Als we niet begrijpen hoe Rusland zijn eigen plaats in de wereld ziet, zullen we niet echt snappen wat het Kremlin zegt en doet. Er zit een logica achter het optreden van Rusland, maar dat is niet dezelfde logica als die van ons. De denkwijze van de EU draait om vreedzame oplossing van conflicten, terwijl Rusland er geen probleem mee heeft om geweld te gebruiken, zoals we vorig jaar in Georgië hebben gezien.

De echte sleutel is dus de manier waarop Rusland macht ziet. In de Europese traditie moeten democratische instellingen toezicht houden op de macht. In de ogen van Rusland moet de macht worden geconcentreerd, omdat Rusland gelooft dat de macht door een dergelijke concentratie effectiever zal zijn.

Dit is heel gevaarlijk voor staten die Rusland als zwak beschouwt. Ze worden automatisch het doelwit van een expansieve Russische macht. De recente geheimzinnige koop van een groot aandeel in de Hongaarse energiemaatschappij MOL door een Russische onderneming is dus meer dan alleen maar een handelstransactie; het laat zien hoe Rusland een onbezette ruimte inneemt.

Vanuit het machtsperspectief gezien zijn de Europese Unie en de Europese integratie onbegrijpelijke, betekenisloze processen voor Rusland. In Russische ogen is de overdracht van soevereiniteit een gruwel, niet een manier om de vrede te waarborgen. Voor Rusland - en het is van levensbelang dat we dit beseffen - is de Europese Unie dus het probleem. Het succes van de Unie is een raadsel en is bovenal een obstakel voor het maximaliseren van de macht van Rusland. Het toekomstige succes van de Europese Unie hangt daarom af van de vraag of we inzien hoe Rusland denkt over macht. Dat is heel anders dan Europa doet. En laten we ons daaromtrent geen illusies maken.

 
  
MPphoto
 

  Richard Howitt (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, vorige maand ben ik namens het Parlement naar de administratieve grens in Georgië geweest, die door de Zuid-Ossetische separatisten is vastgesteld na de Russische militaire invasie. Aan geen van beide zijden van de doorlaatpost was sprake van formele communicatie. Het leek wel een tafereel uit de Koude Oorlog. Een van de concrete stappen die de Russen kunnen zetten om achteruitgang te voorkomen, is eraan bij te dragen dat de zeer succesvolle Europese politiemissie volledige toegang krijgt tot beide zijden van de lijn en haar toezicht op de naleving van het staakt-het-vuren naar behoren kan uitvoeren. Het zou een kleine, maar concrete stap zijn om vertrouwen te wekken, en ik roep hen op dit te doen.

Ik deel ook de mening van velen in dit Parlement dat hoe groter de Europese solidariteit zal zijn, des te beter de betrekkingen tussen Europa en Rusland zullen zijn. Dit feit werd deze week nog eens onderstreept door de poging van Rusland om met EU-landen aparte, en geen gemeenschappelijke overeenkomsten te sluiten over de invoernormen voor fruit en groenten. Ik betreur in dit verband de toespraak die de voorzitter van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa hier vandaag heeft gehouden, waarin hij probeerde het standpunt van de Sociaal-democratische Fractie af te schilderen als zacht op het punt van de mensenrechten. Wij zullen wel degelijk stemmen vóór kritiek op Rusland omdat het de internationale verkiezingsnormen schendt, de vrijheid van meningsuiting ondermijnt, politieke gevangenen opsluit en mensenrechtenverdedigers intimideert en pest, maar in de genoemde toespraak wordt geprobeerd punten te scoren met betrekking tot Rusland, en dat is op zich al een voorbeeld van het gebrek aan solidariteit dat ons tegenhoudt.

Rusland wordt net als elk ander land getroffen door de economische crisis. Het lijdt onder de ineenstortende olieprijs, de roebel is eenderde in waarde gedaald en de effectenbeurs is met 75 procent gedaald. Vandaag speelt president Medvedev een volwaardige rol op de G20-Top in Londen. Ik denk dat dit het juiste moment is, nu Rusland onze samenwerking nodig heeft en misschien meer openstaat voor verandering, mits we in de Europese Unie de vastbeslotenheid en de eenheid hebben om die verandering echt na te streven.

 
  
MPphoto
 

  Giulietto Chiesa (PSE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, als je de tekst van dit document leest, bekruipt je het gevoel dat degene die dit geschreven heeft niet wil dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland beter worden, maar slechter. Als dat de bedoeling is van de EU, dan is dit een uitstekend document; zo niet, dan is het uitermate slecht. En ik ben van mening dat dit een uitermate slecht document is. Is het voorstelbaar dat we een toekomst van nieuwe spanningen tegemoet gaan met een land dat wij als onontbeerlijk erkennen voor onze eigen belang? De komende veertig jaar zullen we moeten vertrouwen op de traditionele energiebronnen waar Rusland rijk aan is. Hebben we een alternatief? Nee.

In de tweede plaats de houding en de toon van het verslag: Europa spreekt op deze bladzijden een imperialistische taal, niet de taal van iemand die zijn gesprekspartner respecteert. Dat druist in tegen ons eigen “goed nabuurschapsbeleid”. Ook als het een klein land betrof, zou het niet correct zijn die toon aan te slaan, laat staan als het gaat om een groot land dat terecht eist gerespecteerd te worden. Dit is in de eerste plaats een kwestie van realisme!

Het Europees Parlement maakt zich op om, naar ik vrees, een document aan te nemen dat geschreven is in de geest van de Koude Oorlog, in een geest die bij het verleden hoort en die nutteloos, schadelijk en contraproductief is. En dat juist op het moment dat de nieuwe president van de Verenigde Staten een nieuwe dialoog met Moskou tot stand wil brengen. Met een dergelijke aanpak kan Europa absoluut geen aanspraak maken op leiderschap, en ik hoop dat de Commissie deze aanbevelingen niet overneemt.

 
  
MPphoto
 

  Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). - (SL) In dit debat zijn al talrijke politieke problemen genoemd, maar ik wil wijzen op een uitdaging die niet in ons verslag staat. Ik bedoel de klimaatsveranderingen waarmee zich tot nu toe vooral wetenschappers hebben beziggehouden. Als we echter succesvol willen zijn, moeten we daaraan ook stevige en resolute politieke maatregelen koppelen.

Dat is een mondiale uitdaging, een uitdaging die om gedeelde verantwoordelijkheid vraagt. Daarom moeten we volgens mij elke gelegenheid aangrijpen om Rusland op te roepen zijn deel van de verantwoordelijkheid te dragen voor zowel de vermindering van als de aanpassing aan de klimaatsveranderingen. We moeten Rusland dringend vragen om een actievere rol te spelen in de internationale onderhandelingen. Wij bevinden ons immers aan de vooravond van de conferentie in Kopenhagen.

Geachte collega's, ik wil u er ook graag aan herinneren dat gepast optreden op het vlak van klimaatsveranderingen ook belangrijk is voor het waarborgen van de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 

  Monika Beňová (PSE). (SK) Ik zal het heel kort houden, want het meeste van wat ik had willen zeggen is al gezegd door mijn collega’s uit de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement.

Naar mijn mening is het verslag onevenwichtig en russofoob. Ik kom zelf uit een land dat vele jaren lang onder een regime heeft geleefd dat voor de meeste mensen niet gemakkelijk was, maar juist daarom begrijp ik niet waarom verstandige mannen en vrouwen in dit achtenswaardig Parlement nu een document willen aannemen waarmee we opnieuw met onze vinger naar mensen wijzen en hen van iets beschuldigen.

Ik had verondersteld dat dit Parlement in staat zou zijn de huidige toestand in de wereld te begrijpen. Ik verwerp absoluut het idee dat iemand hier aardgas en olie zou willen inruilen voor de bescherming van de mensenrechten. De Europese Sociaal-democraten willen de mensenrechten beschermen en zij hebben de mensenrechten ook altijd beschermd, maar aan de andere kant zien wij ook de onmiskenbare realiteit voor ons, voor de EU, voor de VS, voor Rusland en voor de hele wereld. We zullen deze realiteit alleen aan kunnen met een fundament van goede gezamenlijke overeenkomsten.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Wielowieyski (ALDE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, Rusland is ons grootste buurland. Het is een groot land dat gedurende de afgelopen eeuw imperialistische illusies had, maar dat ook een aantal verschrikkelijke ervaringen heeft meegemaakt.

Het vergt tijd en doorzettingsvermogen om een dergelijk trauma achter zich te laten, en wij moeten ook geduld opbrengen. Daarom zullen de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst moeilijk en pijnlijk zijn. Het verslag is veeleisend, maar rechtvaardig. Het tot stand brengen van coherentie tussen een effectief partnerschap met onze zes oosterse buurlanden en een goede wederzijdse samenwerking met Rusland vormt de grootste uitdaging voor de Europese politiek. Of er vooruitgang wordt geboekt, hangt af van het feit of er daadwerkelijk toenadering plaatsvindt tussen onze levenswijzen en of er begrip is voor de fundamentele waarden, die niet mogen worden verloochend.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). (PL) Mevrouw de Voorzitter, de belangrijkste hindernis die de contacten met Rusland in de weg staat is het feit dat dit land de gasleveringen gebruikt als een politiek chantagemiddel, de onafhankelijkheid van Georgië bedreigt, een genocide begaat in Tsjetsjenië en niet bereid is om een eerlijk proces te houden over de moorden op Anna Politkovskaya en Alexander Litvinenko. Jammer genoeg heeft Rusland geen enkele vooruitgang geboekt bij de bevordering van de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten. Dit voorspelt weinig goeds voor de toekomstige onderhandelingen en verdere samenwerking. Als we willen dat onze onderhandelingen succesvol zijn, moeten we eensgezind kiezen voor een gemeenschappelijk beleid van solidariteit. Dit is van essentieel belang ten aanzien van een zo belangrijk buurland van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 

  Gerard Batten (IND/DEM).(EN) Mevrouw de Voorzitter, hoe kan mevrouw Ferrero-Waldner Rusland een partner noemen en de heer Vondra garanties willen voor democratie en mensenrechten?

Rusland is een gangsterstaat waar lastige politieke tegenstanders, andersdenkenden en journalisten eenvoudigweg worden vermoord. De Russen hebben zelfs een wet die hun toestaat om in het buitenland ieder burger, of het nu een Russische staatsburger is of een buitenlander, te vermoorden die zij als een gevaar of een ergernis beschouwen. Zo'n moord is in 2006 in Londen uitgevoerd op Alexander Litvinenko, iemand uit mijn kiesdistrict. Dit was een daad van door de staat gesteund terrorisme. Zijn familie wacht er nog steeds op dat recht wordt gedaan en zijn moordenaars in Engeland voor het gerecht worden gebracht.

Persoonlijk wil ik niet dat de Europese Unie met wie dan ook op wel punt dan ook onderhandelt over een overeenkomst. Maar als het de Commissie ernst is, waarom heeft zij dan niet verzocht om de uitlevering van de verdachten als een teken van goede wil en als voorwaarde voor de opening van onderhandelingen?

 
  
MPphoto
 

  Alexandru Nazare (PPE-DE) . – (RO) Het potentieel voor een solide samenwerking met de Russische Federatie is recht evenredig met de uitdagingen en moeilijkheden die we het hoofd moeten bieden. Rusland heeft al sinds geruime tijd gekozen voor een vorm van dialoog en een handelwijze die de vooruitzichten op een pragmatische samenwerking op het tweede plan plaatsen en in de internationale betrekkingen een harde aanpak voorstaan, waarmee we in het geheel niet akkoord kunnen gaan.

Sinds het conflict in Georgië zijn we op een punt blijven staan waar de verschillen tussen onze standpunten ten aanzien van wezenlijke kwesties zichtbaar worden. De Russische Federatie is van mening dat de aanwezigheid van haar troepen in de landen in de regio aanvaardbaar is en dat haar troepen zelfs het recht hebben om in te grijpen wanneer Moskou dit noodzakelijk acht. De betrokkenheid van Rusland bij onopgeloste conflicten is zelfs voelbaar aan de grens van de EU, met alle gevolgen van dien voor ons allen als Europeanen.

Ik wil u nog eens herinneren aan hetgeen ik in mijn amendementen heb voorgesteld. Moldavië, dat de weg naar vooruitgang en keuzevrijheid voor zijn eigen toekomst is ingeslagen, heeft als sinds bijna twintig jaar met de aanwezigheid van Russische troepen in de separatistische regio Transnistrië te maken. De Russische Federatie moet haar troepen uit Transnistrië terugtrekken om de basis voor dit partnerschap te leggen.

 
  
MPphoto
 

  Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik dank u allemaal voor dit interessante debat. Ik denk dat dit heel hard nodig was, gelet op onze toekomstige betrekkingen met Rusland. In dit debat is een aantal belangrijke punten besproken en ik kan steun geven aan veel van wat hier is gezegd.

Ik denk dat het voor degenen die spraken over de noodzaak van engagement, duidelijk is dat een nieuwe overeenkomst van groot belang is voor de verdere ontwikkeling en intensivering van de samenwerking tussen de EU en Rusland. Het is ook duidelijk dat de nieuwe overeenkomst de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) verder moet verbeteren. Ook moet zij de realiteit in de huidige samenwerking met Rusland weerspiegelen. Onze betrekkingen gaan nu veel dieper en bestrijken een veel breder terrein dan tien jaar geleden.

Aan het adres degenen die spraken over energie moeten we duidelijk stellen dat de EU de samenwerking met Rusland wil versterken met de instrumenten die we al hebben, dat wil zeggen, met bijeenkomsten in het kader van de energiedialoog en de Permanente Partnerschapsraad voor energie. Tijdens dit voorzitterschap zal er een bijeenkomst van de Permanente Partnerschapsraad voor energie zijn. Het doel is het vertrouwen en de transparantie in de energiebetrekkingen tussen de EU en Rusland te bevorderen. We kunnen ons geen nieuwe onderbreking van de energielevering veroorloven. We moeten ook het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing versterken en dit doeltreffender maken.

Tegen degenen die spraken over mensenrechten wil ik zeggen dat volgens mij de toepassing van de rechtsstaat, een onafhankelijke rechtspraak en een volledige eerbiediging van de mensenrechten – inclusief vrije en onafhankelijke media – noodzakelijk zijn om de stabiliteit en welvaart in Rusland te bevorderen. De EU volgt de mensenrechtensituatie in Rusland met bezorgdheid. We brengen onze zorgen ter sprake tijdens de bijeenkomsten van de EU en Rusland, en we zullen dat blijven doen. De manier waarop bepaalde zaken zullen worden behandeld – zoals de hervatting van het Khodorkovski-proces – zal voor ons bijvoorbeeld een lakmoestest zijn voor de rechtsstaat in Rusland.

Tegen degenen die over het uitoefenen van invloed spraken wil ik zeggen dat ik het er helemaal mee eens ben dat we met één stem moeten spreken tegenover Rusland. We hebben dit soort van debat ook nodig om aan die gemeenschappelijke stem vorm te geven. Eenheid en solidariteit zijn essentieel en we zullen er hard aan werken om die te bereiken. Het is belangrijk dat de lidstaten elkaar zoveel mogelijk informeren en raadplegen over de bilaterale aangelegenheden met Rusland die repercussies zouden kunnen hebben voor andere lidstaten en voor de EU als geheel. De voorstellen van het Parlement op dit punt zijn de moeite van het overwegen waard, alhoewel ik niet helemaal zeker weet of de instelling van een formeel raadplegingsmechanisme de meest praktische manier is, gelet op de bestaande structuren van de Raad. Ik ben echter vast van mening dat er een of ander mechanisme of gemeenschappelijke aanpak nodig is, als aanvulling op het bestaande kader van de betrekkingen tussen de EU en Rusland.

Er is zeker enige ruimte voor verbetering in ons beleid inzake Rusland. Eenheid en solidariteit zijn in dit verband inderdaad sleutelwoorden. In de Raad vindt al een tamelijk intensief politiek overleg plaats wanneer blijk moet worden gegeven van solidariteit, maar dit is ook een kwestie van politieke wil. Ik ben het ermee eens dat we meer vertrouwen en begrip tussen de EU en Rusland nodig hebben. We moeten de argwaan uit het verleden te boven komen en voortbouwen op de echte, substantiële betrekkingen die zich in de loop van de jaren hebben ontwikkeld. Dit is echter zeker een tweerichtingsverkeer; voor een tango zijn er twee nodig.

De nieuwe overeenkomst is één manier om dit te doen. De andere manier is een betere dialoog. Het Parlement kan hier een belangrijke rol spelen. Ik sta daarom achter het voorstel om in de nieuwe overeenkomst de rol van de parlementaire samenwerkingscommissie te versterken. De parlementaire dimensie heeft, net zoals de contacten met het maatschappelijk middenveld, veel te bieden op het punt van communicatie en bevordering van de fundamentele democratische beginselen en waarden waarop de EU is gegrondvest. We kijken uit naar de voortzetting van de dialoog met u tijdens de onderhandelingen.

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, debatten over Rusland zijn nooit gemakkelijk. Rusland is aan de ene kant een belangrijke mondiale partner, maar aan de andere kant ook een grote buur. Die twee kanten gaan volgens mij niet altijd gemakkelijk samen.

Aan de ene kant zien wij Rusland, zoals ik zojuist al zei, als een echte partner in de wereld, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten, bij het zoeken naar een oplossing tussen Israël en Palestina en bij veel andere soortgelijke aangelegenheden, of met betrekking tot Afghanistan en Pakistan. Rusland speelde gisteren een belangrijke rol op de conferentie over Afghanistan in Den Haag, en het is ook een partner bij de kwestie van Iran, bij de vraagstukken inzake non-proliferatie, bij de grote mondiale vraagstukken van bijvoorbeeld klimaatverandering – die ook hier werd genoemd – of nu in de financiële en economische crisis, waardoor iedereen wordt getroffen: wij worden daardoor getroffen, maar ook Rusland en veel andere mondiale partners. Ik denk daarom dat we Rusland heel duidelijk als partner moeten zien, maar tegelijkertijd ook als een groot buurland, al zijn we het niet altijd met elkaar eens in de gemeenschappelijke nabuurschap. Wij hebben namelijk een gemeenschappelijke nabuurschap. Sommigen van u hebben er ook naar verwezen, naar Moldavië of naar Nagorno-Karabach of natuurlijk naar Georgië. We moeten ervoor zorgen dat we daar veel dichter bij elkaar komen, maar tegelijkertijd ook open spreken over de moeilijkheden en de verschillen die er zijn.

Een van deze aangelegenheden is het ‘Oostelijk Partnerschap’. We hebben het Oostelijk Partnerschap vorige week nog in dit Parlement besproken. Het hoofddoel van het Oostelijk Partnerschap, dat zes van onze buurlanden betreft, is de landen te helpen die met de Europese Unie sterker op één lijn willen komen op belangrijke gebieden als bestuursnormen, vrijere handel, enzovoort. Mijns inziens is het belangrijk dat deze landen onze partners zijn bij deze activiteiten. Tegelijkertijd hebben we, wat het multilaterale platform betreft, ook gezegd dat we in beginsel open staan voor derde landen als Rusland, zo nodig op ad-hocbasis. Rusland is zeker ook een volwaardig lid van de Zwarte Zeesynergie, waarin regionale aangelegenheden worden behandeld.

Er is dus een gelegenheid tot samenwerking bij het overwinnen van bepaalde bestaande problemen. Aan de andere kant is er de kwestie van het gas. We weten dat we onderling afhankelijk zijn wat gas betreft; dat heb ik eerder al duidelijk gezegd en ik herhaal het nu weer. We weten ook dat de gascrisis het vertrouwen in onze partners heeft geschaad. De crisis heeft het belang onderstreept van energiebepalingen in de komende overeenkomsten tussen respectievelijk de EU en Rusland en de EU en Oekraïne, en die bepalingen zullen er komen.

We moeten intensiever werken aan de totstandbrenging van een interne energiemarkt, maar we moeten ook zorgen voor meer efficiëntie en diversificatie van leveringen. In de nieuwe overeenkomst met Rusland moeten dus – zoals we altijd zeggen – juridisch bindende, wederkerige verplichtingen worden verankerd. Wij werken echter met Rusland niet alleen aan nieuwe overeenkomst maar, zoals gezegd, ook aan de verbetering op korte termijn van de efficiëntie van het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing. We moeten ook voorzieningen treffen voor monitoring en conflictpreventie en -oplossing, waarbij ook Wit-Rusland en Oekraïne moeten worden betrokken.

We weten dat Rusland voor ons een heel belangrijke energiepartner is, die 40 procent van het gas levert dat we invoeren, en 20 procent van het gas dat we gebruiken. Zoals gezegd, worden deze betrekkingen gekenmerkt door onderlinge afhankelijkheid. Aangezien wij zorgen voor meer dan tweederde van hun exportinkomsten – die een heel belangrijke bijdrage aan de economische ontwikkeling van Rusland leveren – is het essentieel dat de gebeurtenissen van afgelopen januari zich niet herhalen. We werken er daarom samen met Oekraïne en Rusland aan om zo'n herhaling te voorkomen.

We zijn het niet altijd met elkaar eens wat de mensenrechten betreft. Aan de ene kant hebben de EU en Rusland deels dezelfde gemeenschappelijke internationale verbintenissen, zoals ik al zei, uit hoofde van de instrumenten waar wij samen in de VN, de OESO en de Raad van Europa de handtekening onder hebben gezet. Deze verbintenissen weerspiegelen waarden en bevatten de verplichting om de besluiten van de organen die daarmee worden ingesteld, te respecteren. Dat geldt in het bijzonder voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Aan de andere kant is het ook evident dat de EU en Rusland bepaalde verplichtingen verschillend interpreteren.

De Europese Unie en Rusland hebben gekozen voor de weg van de dialoog over deze kwesties, en dit is de juiste weg. Dit betekent dat we ook moeten luisteren naar de zorgen die de Russische kant soms uit over bepaalde ontwikkelingen binnen de Europese Unie, zoals bijvoorbeeld de kwestie van de Russischtalige minderheden.

Zoals de fungerend voorzitter van de Raad echter ook heeft gezegd, zijn er duidelijke zorgen over het verzuim om de mensenrechten te eerbiedigen in de Russische Federatie. De aanhoudende aanvallen op mensenrechtenverdedigers, journalisten en anderen brengen Rusland in diskrediet.

We stellen deze zaken regelmatig aan de orde bij de hoge autoriteiten: ikzelf bij Sergei Lavrov, en voorzitter Barroso bij zijn gesprekspartners. Hetzelfde doen wij ook tijdens ons halfjaarlijkse mensenrechtenoverleg. Tevens is tijdens de gesprekken in de bilaterale ontmoeting tussen voorzitter Barroso en president Medvedev op 6 februari van gedachten gewisseld over mensenrechten.

President Medvedev heeft zelf voorgesteld deze gedachtewisselingen tijdens de top van 21 en 22 mei voort te zetten, en op dat voorstel gaan we in. De aanval op de mensenrechtenactivist Lev Ponomarev afgelopen nacht is het meest recente incident dat ons eraan herinnert hoe moeilijk de situatie in Rusland is voor verdedigers van de mensenrechten. De twee lijnen worden echter duidelijk weergegeven in het onderhandelingsmandaat dat de Raad de Commissie heeft gegeven. Beide lijnen zijn terug te vinden en dit is de inhoud van ons mandaat. Ik denk dus dat de juiste weg is gevolg te geven aan dit mandaat. Zoals ik heb gezegd, zijn we altijd bereid verslag uit te brengen over de follow-up van onze onderhandelingen, zoals we dat ook nu hebben gedaan.

 
  
MPphoto
 

  Janusz Onyszkiewicz, rapporteur. − (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik zou de tegenstanders van dit verslag eraan willen herinneren dat dit geen verslag over Rusland is. Deze tekst heeft tot doel de Commissie voor te stellen welke aangelegenheden tijdens bilaterale besprekingen en onderhandelingen aan bod zouden moeten komen en te benadrukken aan welke terreinen ze bijzondere aandacht zou moeten besteden. Daarom bevat dit verslag geen verwijzing naar de kwestie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) of naar het plan van president Medvedev. Dergelijke verwijzingen zouden inderdaad ongepast zijn geweest. Het gaat immers om heel andere kwesties. Dit zou in samenspraak met de Verenigde Staten behandeld moeten worden in het kader van de OVSE, maar niet in het kader van de bilaterale betrekkingen met Rusland. Daarenboven mag bij dit soort voorstellen bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met onze eigen kritiek en beoordeling van de toestand van de mensenrechten in de Europese Unie. Deze aangelegenheden moeten bijgevolg aan de orde worden gesteld tijdens de besprekingen met Rusland. De Russen zullen ons te gepaste tijde wel op onze tekortkomingen wijzen. Dit is de eerste stelling die ik wilde verdedigen.

Mijn tweede punt, dat algemener is, betreft de aard van de besprekingen als dusdanig. Ik zou erop willen wijzen dat het gebruik van termen als 'strategisch partnerschap' in dit verslag werd vermeden. Daar is een goede reden voor. In de aangenomen tekst over het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid staat in het deel over Rusland immers te lezen dat: (Spreker gaat verder met een citaat in het Engels).

(EN) ‘een strategisch partnerschap onmogelijk is wanneer de normen en waarden van democratie, eerbied voor de rechten van de mens en de rechtsstaat niet volledig worden onderschreven en geëerbiedigd; verzoekt de Raad [daarom] die normen en waarden centraal te stellen in de lopende onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst’.

(PL) Ons standpunt is dus volledig duidelijk. Ik ben van oordeel dat we niet uit het oog mogen verliezen wat het doel van dit verslag is en welk signaal we met deze tekst aan de Commissie willen geven. Tot slot zou ik mevrouw Bobošíková nog willen zeggen dat de sultan niet naar de Kozakken heeft geschreven, maar omgekeerd.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, donderdag 2 april 2009, plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Călin Cătălin Chiriţă (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Ik juich het verslag van Janusz Onyszkiewicz over de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland toe. Ik geloof dat de betrekkingen tussen de EU en Moskou op een pragmatische leest geschoeid dienen te zijn, waarbij vooroordelen dienen te worden vermeden.

Ten eerste is er een behoorlijke samenwerking op het gebied van de energievoorziening nodig, wat van wederzijds belang is. Om dit te bereiken is het voor ons echter essentieel dat de lidstaten van de EU onder elkaar solidair zijn, zodat ze tijdens de onderhandelingen in Moskou over de gasinvoer laten zien dat ze schouder aan schouder staan. Dit is de enige manier waarop we de Europese burgers een zekere gasvoorziening tegen betaalbare prijzen kunnen garanderen. Het is onze verantwoordelijkheid om het ontstaan van een nieuwe gascrisis te voorkomen.

Ten tweede moeten we met Moskou samenwerken om gezamenlijk problemen aan te pakken met betrekking tot onze gemeenschappelijke buurlanden en de betrekkingen met Moldavië, Oekraïne, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Deze aanpak moet op de normen van het internationaal recht zijn gebaseerd en daarbij moet de integriteit en soevereiniteit van de landen worden geëerbiedigd en moeten autoritaire trekken worden vermeden. We moeten vooruitgang boeken bij het oplossen van bevroren conflicten, zoals de conflicten in Transnistrië, Ossetië en Abchazië.

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Kaczmarek (PPE-DE), schriftelijk. (PL) Rusland is een belangrijke partner van de Europese Unie. De Unie verwacht van haar partners dat zij op een betrouwbare en eerlijke manier met haar samenwerken.

Onderlinge afhankelijkheid kan voor beide partijen van voordeel zijn, maar dat is niet altijd het geval. Soms is zelfs het tegenovergestelde waar en kan wederzijdse afhankelijkheid ook aan de basis liggen van onrust en conflicten. We moeten alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat economische samenwerking, veiligheid, energiezekerheid en de eerbiediging van de beginselen van de mensenrechten en de democratie een positieve en constructieve plaats krijgen in onze betrekkingen. Of dit daadwerkelijk zo zal zijn, hangt in grote mate af van onze Russische partner. Rusland heeft de mogelijkheid om voor de waarden en normen van het Westen te kiezen. Niemand zal Rusland dwingen om een bepaalde keuze te maken. Dat moet het land zelf doen. Eén kwestie is naar mijn mening echter zonneklaar: Europa zal zijn waarden niet aanpassen op verzoek van Rusland of van om het even welk ander land. We zijn consequent of zelfs koppig, maar niet omdat een andere handelwijze zou betekenen dat we onze waarden opgeven.

Indien Europa zijn fundamentele waarden overboord zou gooien, zou het ophouden Europa te zijn. Daarom zullen we de territoriale integriteit van Georgië bijvoorbeeld altijd erkennen. We handelen natuurlijk niet op deze manier omdat we een bijzondere voorliefde hebben voor het Georgische volk. Onze houding is gebaseerd op de loyaliteit aan de beginselen die aan onze wereld ten grondslag liggen. Het vernietigen van deze wereld zou neerkomen op zelfmoord. De Europese Unie zit zeker niet te wachten op een dergelijk scenario en dat geldt, vermoed ik, ook voor Rusland.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Het staat buiten kijf dat de recente gascrisis en het conflict in Georgië voor nieuwe spanningen in de betrekkingen met de Russische Federatie hebben gezorgd.

Rusland moet nalaten zijn slag uit dit soort situaties te slaan op een manier die niet in overeenstemming is met de internationale procedures, en moet afzien van het scheppen van nieuwe invloedssferen.

Tezelfdertijd moet de EU alle noodzakelijke inspanningen ondernemen om haar energieafhankelijkheid van Rusland zoveel mogelijk te beperken.

Het is echter ook zo dat Rusland één van de buurlanden van de EU is en een essentiële rol op het internationale toneel speelt. De betrekkingen tussen de EU en Rusland hebben een groot economisch potentieel, en de EU kan het zich niet veroorloven dit braak te laten liggen, vooral niet in het huidige mondiale klimaat.

Daarom moeten we in de dialoog en samenwerking met de Russische Federatie blijven investeren door een coherente strategie te ontwerpen op basis van gemeenschappelijke, tot wederzijds voordeel strekkende verplichtingen.

Deze samenwerking kan alleen succesvol zijn als de EU met één stem spreekt en op een dialoog vertrouwt die aan bepaalde voorwaarden gebonden, maar tegelijkertijd ook constructief is en gebaseerd op gemeenschappelijke waarden, de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de bestaande internationale normen.

 
  
MPphoto
 
 

  Katrin Saks (PSE), schriftelijk. (ET) De betrekkingen tussen de EU en Rusland hebben vorig jaar grote schade opgelopen. Nu, na de gebeurtenissen in Georgië en de Russische erkenning van de enclaves Abchazië en Zuid-Ossetië, is er een grotere discrepantie dan ooit tussen de bereidheid van Rusland om met de Europese Unie een gezamenlijke veiligheidszone op te bouwen en de standpunten van beide partijen ten aanzien van Kosovo en het gemeenschappelijk nabuurschap. Aanhoudende conflicten met gasleveranciers en de politisering van energiebronnen vergroten het vertrouwen niet.

Ik ben blij dat in het verslag van mijn collega Janusz Onyszkiewicz een beroep op Rusland wordt gedaan om internationaal overeengekomen verplichtingen te bevestigen, vooral als lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, en dat aan het adres van de Russische regering bezorgdheid wordt geuit over de mensenrechtensituatie en de marginalisering van het maatschappelijk middenveld in Rusland. In zijn verslag heeft het Parlement ook de aandacht gevestigd op de situatie van minderheden in de Russische Federatie en roept het Russische overheidsinstanties op het voortbestaan en de duurzame ontwikkeling te waarborgen van de culturen en talen van de inheemse volkeren die in de Russische Federatie wonen.

De betrekkingen van de Europese Unie met Rusland moeten zijn gebaseerd op partnerschap, niet op confrontatie. Onze betrekkingen met Rusland zijn echt van doorslaggevend belang vanuit het oogpunt van pragmatische samenwerking, en onze samenwerking is tot nu toe de internationale stabiliteit ten goede gekomen. Tegelijkertijd moet dat partnerschap zijn gebaseerd op de volgende waarden: democratie, markteconomie, bevordering van mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Wij mogen niet alleen kijken naar commerciële belangen; wij mogen onze ogen niet open hebben voor hetgeen verband houdt met die belangen, en nadrukkelijk sluiten voor andere zaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. – (EN) In de betrekkingen tussen de Russische Federatie en de Europese Unie hebben zich de afgelopen jaren diverse problemen voorgedaan. Na het conflict tussen Rusland en Georgië van vorig jaar augustus zou men misschien geneigd zijn te denken dat buren heel aardig zijn als men ze maar niet te vaak ziet. In dit geval ben ik blij dat het gezegde niet klopte en de vorige voorzitter van de Europese Raad, Nicolas Sarkozy, met succes heeft kunnen bemiddelen in de crisis.

Na de val van het IJzeren Gordijn heeft de Europese Unie een nauwe onderlinge afhankelijkheid met de Russische Federatie tot stand gebracht. Deze moet nu worden gebruikt om een gemeenschappelijke interpretatie van de begrippen ‘democratie’, ‘mensenrechten’ en ‘de rechtstaat’ te introduceren en tegelijkertijd betrouwbare economische betrekkingen te bevorderen. Veelvuldige twisten hebben ons in de afgelopen jaren verhinderd werkelijke vooruitgang te boeken met de verwezenlijking van dit doel. De dialoog tussen de twee entiteiten is zelfs tamelijk kil geworden en heeft de vorm gekregen van ‘pragmatische samenwerking’.

Ik sta helemaal achter de aanbeveling aan de Raad en de Commissie om te blijven aandringen op een overeenkomst die is gebaseerd op een gemeenschappelijke inzet voor de mensenrechten, zoals in het verslag wordt gesteld, want zonder gemeenschappelijke waarden hebben we straks waarschijnlijk weer een onverwachte crisis die noodmaatregelen vereist.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) De uitgebreide nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Rusland is mijns inziens bijzonder toe te juichen.

Rusland is de op twee na belangrijkste handelspartner van de EU, en ook wat betreft de energievoorziening van Europa is het van enorm strategisch belang. De overeenkomst met de Russische Federatie schept de basis voor een verbeterde samenwerking tussen beide partijen.

Gezien het belang van de EU voor Rusland en omgekeerd, mag deze overeenkomst echter niet slechts een gebaar van politieke wil blijven. Wij moeten ervoor zorgen dat deze ook daadwerkelijk ten uitvoer wordt gebracht. In de aanbeveling van het Parlement aan de Europese Raad wordt met name het belang benadrukt van de bescherming van de mensenrechten en de mediavrijheid in Rusland. Aangezien wij ernaar streven onze betrekkingen op het gebied van de economie, het veiligheidsbeleid en het onderwijsbeleid stap voor stap uit te breiden, is het van groot belang dat de Europese waarden door al onze partners worden gerespecteerd. Alleen dan kan het partnerschap tussen Rusland en de Europese Unie naar wederzijdse tevredenheid verder worden ontwikkeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Het bereiken van een nieuwe overeenkomst tussen de Europese Unie en Rusland is een van de belangrijkste uitdagingen die de diplomaten van de Unie moeten aangaan. Het is de taak van het Europees Parlement om een actieve bijdrage te leveren aan de aard en de inhoud van de overeenkomst. Het verslag bevat een gedetailleerde analyse van de belangrijkste aspecten van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland. Er wordt met name in detail ingegaan op de problemen in verband met de huidige verstandhouding tussen beide partijen.

Ik ben ervan overtuigd dat de goedkeuring van het verslag een belangrijke stap voorwaarts zal betekenen in de richting van een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Rusland. Over de essentiële elementen van een dergelijke overeenkomst moeten door de partijen van de toekomstige overeenkomst niet alleen gedetailleerde besprekingen, maar ook harde onderhandelingen worden gevoerd. In het verslag komt een groot aantal problemen aan bod waarvan de oplossing van buitengewoon belang is voor de afzonderlijke landen. Ik zou in dit verband opnieuw willen wijzen op de problemen in verband met het handelsverkeer tussen Polen en de Russische Federatie. Voor dergelijke moeilijkheden kan alleen een oplossing worden gevonden wanneer de Europese Unie een eensgezind standpunt inneemt.

Het verslag bevat een uitgebreide lijst van aangelegenheden die geregeld moeten worden. Het zal evenwel niet mogelijk zijn om over al deze punten op korte termijn een compromis te bereiken. Dit is ook gedeeltelijk te wijten aan culturele en sociale verschillen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. (PL) In Rusland worden de grondbeginselen van de democratie vaak met voeten getreden. Het is algemeen bekend dat de rechten van de mens er worden geschonden en dat de vrijheid van meningsuiting er wordt beperkt, met inbegrip van de vrijheid van mening. De Russische media, die onder de invloed van president Medvedev en premier Poetin staan, zijn bijgevolg niet in staat om hun voornaamste taak – het verspreiden van betrouwbare informatie – te vervullen.

We moeten evenwel in gedachten houden dat Rusland een van onze belangrijkste partners is. Rusland speelt een vooraanstaande rol op het internationale toneel. Het land is eveneens een van de voornaamste energieleveranciers en een belangrijke handelspartner.

Naar mijn mening moeten we Rusland luid en duidelijk zeggen waar het op staat. We zouden het land moeten bekritiseren niet alleen wegens zijn democratische tekortkomingen en het niet in acht nemen van de burgerlijke vrijheden, maar ook wegens het schenden van de territoriale integriteit en soevereiniteit van andere landen. We zouden Rusland moeten oproepen om de rechten van de nationale minderheden te eerbiedigen en zich te houden aan de internationale verdragen die het heeft ondertekend. Ik verwijs in dit verband naar het Handvest van de Verenigde Naties, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Verdrag inzake het Energiehandvest. We mogen hierbij echter niet vergeten dat dit partnerschap met Rusland van groot belang is voor de Europese Unie en voor Europa als geheel.

 

13. Start van de internationale onderhandelingen met het oog op de aanneming van een Internationaal Verdrag ter bescherming van het noordpoolgebied (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de start van de internationale onderhandelingen met het oog op de aanneming van een Internationaal Verdrag voor de bescherming van het noordpoolgebied.

 
  
MPphoto
 

  Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, zoals we allemaal weten en elke dag kunnen lezen, wordt het noordpoolgebied steeds belangrijker. Het verdient ook meer aandacht van de kant van de Europese Unie.

Dit is naar voren gebracht in de resolutie die het Parlement in oktober heeft aangenomen. Ik ben blij met de gelegenheid om vanavond te spreken over dit onderwerp, waarvan ik weet dat het u bijzonder interesseert.

Slechts drie lidstaten van de EU hebben grondgebied binnen het noordpoolgebied. De gevolgen van de klimaatverandering en van de menselijke activiteiten in het noordpoolgebied doen zich echter tot ver buiten het noordpoolgebied gevoelen. Wat in het noordpoolgebied gebeurt, heeft grote gevolgen voor de EU als geheel. Tot nu toe heeft de Unie de vraagstukken met een Arctische dimensie doorgaans aangepakt in het kader van het sectoraal beleid, zoals het maritiem beleid of de strijd tegen klimaatverandering. De samenwerking in het kader van de nieuwe noordelijke dimensie bestrijkt weliswaar het Europese noordpoolgebied, maar de Unie heeft voor het noordpoolgebied in zijn geheel nog geen breed beleid ontwikkeld dat alle relevante afzonderlijke beleidsterreinen samenbrengt.

Dit is nu aan het veranderen. In maart van het afgelopen jaar hebben Hoge Vertegenwoordiger Solana en commissaris Ferrero-Waldner de Europese Raad een gezamenlijk verslag over klimaatverandering en internationale veiligheid voorgelegd. In dit verslag wordt de nieuwe, strategische belangstelling voor het noordpoolgebied onderstreept. Daarin wordt de aandacht gevestigd op de verstrekkende gevolgen van de milieuveranderingen voor het noordpoolgebied en erkend dat deze veranderingen gevolgen kunnen hebben voor de internationale stabiliteit en de Europese veiligheidsbelangen.

In het verslag werd opgeroepen tot de ontwikkeling van een specifiek Europees beleid voor het noordpoolgebied uitgaande van de toenemende geostrategische betekenis van de regio en rekening houdend met zaken zoals de toegang tot natuurlijke rijkdommen en de mogelijke openstelling van nieuwe handelsroutes.

De Commissie heeft daarna in november van vorig jaar een mededeling gepresenteerd over de Europese Unie en het noordpoolgebied. In deze mededeling werd ingegaan op de verschillende strategische uitdagingen van de regio en werden concrete acties voorgesteld op drie hoofdterreinen: bescherming en behoud van het noordpoolgebied in samenwerking met de bevolking, duurzaam gebruik van hulpbronnen en versterking van het multilaterale bestuur van het noordpoolgebied. Dit laatste punt was het onderwerp van de resolutie van vorig jaar oktober.

In haar mededeling heeft de Commissie als een van haar beleidsdoelstellingen specifiek aangegeven dat de EU zich moet inzetten voor de verdere ontwikkeling van een op samenwerking gebaseerd Arctisch bestuur, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS), en heeft zij gepleit voor de volledige tenuitvoerlegging van alle bestaande verplichtingen, in plaats van de vaststelling van nieuwe rechtsinstrumenten. Dit is een van de hoofdelementen van de mededeling.

Afgelopen december heeft de Raad in zijn conclusies de mededeling toegejuicht en aangegeven deze te beschouwen als de grondslag voor een toekomstig Europees noordpoolbeleid.

De Raad was het eens met de Commissie dat de EU zich in samenwerking met de plaatselijke bevolking moet inzetten voor de instandhouding van het noordpoolgebied, en dat zij de problemen met betrekking tot het noordpoolgebied op een systematische en gecoördineerde manier moet aanpakken. Hij was van mening dat de doelstellingen van de EU alleen kunnen worden verwezenlijkt in nauwe samenwerking met alle partners onder de landen, gebieden en gemeenschappen van het noordpoolgebied, en met aandacht voor de intergouvernementele samenwerking in de regio.

De Raad heeft tevens het besluit van de Commissie toegejuicht om in de Arctische Raad de status van permanent waarnemer aan te vragen teneinde de Europese Gemeenschap te kunnen vertegenwoordigen. De Raad heeft specifiek het belang benadrukt van multilaterale samenwerking, in overeenstemming met de relevante internationale verdragen, en heeft daarbij met name gewezen op het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS).

De Raad heeft, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie, geen steun betuigd aan een specifiek plan voor een internationaal verdrag.

Op basis van dit standpunt gaat de Raad nu verder met de uitwerking van de details van de voorstellen voor optreden die in de mededeling van de Commissie zijn uiteengezet. Ik hoop dat hetgeen ik vandaag gezegd heb, duidelijk maakt dat de Raad dit vraagstuk heel serieus neemt.

We erkennen volledig de toenemende betekenis van het noordpoolgebied. We zijn het erover eens dat de Unie een uitgebreid en samenhangend beleid moet hebben. De Raad zal dit Parlement zeker volledig op de hoogte houden van de verdere ontwikkelingen en is dankbaar voor uw aanhoudende belangstelling voor dit onderwerp.

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil het Parlement bedanken voor zijn belangstelling voor het noordpoolgebied en ook zeggen hoezeer we uw resolutie over het beheer van het noordpoolgebied van vorig jaar oktober hebben gewaardeerd. Deze resolutie heeft een politieke impuls gegeven aan het werk dat de Commissie verricht heeft voor eerdergenoemde mededeling ‘De Europese Unie en het noordpoolgebied’, die vorig jaar november is goedgekeurd.

Waarom is deze zo belangrijk? Omdat we met u vinden dat het noordpoolgebied internationale aandacht verdient, meer dan ooit tevoren. Er zijn wetenschappelijke bewijzen dat de klimaatverandering zich in het noordpoolgebied veel sneller voltrekt dan in de rest van de wereld. Alleen al in de afgelopen zes jaar is de ijskap bij de Noordpool tot de helft van zijn dikte geslonken en is mogelijk al het omslagpunt gepasseerd. Dat is een duidelijke waarschuwing en we zouden dom zijn als we deze zouden negeren. De snelle transformatie van het noordpoolgebied heeft gevolgen voor de bevolking, het landschap en de wilde flora en fauna van het gebied – op het land en in de zee.

Het is nu dus tijd om te handelen. Dat is de reden waarom we de mededeling hebben goedgekeurd. Zij is de eerste stap op weg naar een Europees beleid voor het noordpoolgebied en legt de grondslag voor een veelomvattende aanpak. De mededeling concentreert zich op drie brede doelstellingen: bescherming en instandhouding van het noordpoolgebied in volledige samenwerking met de bevolking, bevordering van duurzaam gebruik van hulpbronnen, en versterking van multilateraal bestuur.

De voorstellen in de mededeling zijn het resultaat van een gedegen analyse van de Commissie. Daarvoor zijn de belangrijkste belanghebbenden bij het noordpoolgebied geraadpleegd, waaronder zowel EU- als niet-EU-landen in het noordpoolgebied. Dit was des te noodzakelijker omdat veel EU-activiteiten en belangrijke ontwikkelingen met een mondiale reikwijdte, zoals het geïntegreerde maritieme beleid of de klimaatverandering, van invloed zijn op het noordpoolgebied.

Op basis van deze gesprekken en in het licht van de ontwerpresolutie die vandaag wordt besproken, wil ik benadrukken dat het noordpoolgebied in een aantal belangrijke opzichten afwijkt van Antarctica. Anders dan Antarctica, dat een groot, onbewoond continent is dat wordt omringd door een oceaan, is het noordpoolgebied een maritieme ruimte die wordt omringd door bewoond land dat tot soevereine landen behoort.

Het idee om speciaal voor het noordpoolgebied een juridisch bindend regime in te stellen, is daardoor helaas moeilijk te realiseren, want geen van de vijf kuststaten aan de Noordelijke IJszee – Denemarken, Noorwegen, Canada, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika – is voorstander van zo'n regime. Ik vrees daarom dat zo'n voorstel in dit stadium niet alleen ineffectief maar zelfs schadelijk zou zijn voor de rol en de geloofwaardigheid van de EU in de algemene samenwerking in het noordpoolgebied. Wij zouden de belangen en de doelstellingen van de EU beter dienen door de multilaterale samenwerking te versterken en beter gebruik te maken van de bestaande rechtsinstrumenten dan door meer moeite te steken in zo'n regime,.

Via het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UNCLOS) en andere algemene verdragen is er al een uitgebreid internationaal rechtskader. Het UNCLOS is ook de basis voor het beslechten van geschillen, met inbegrip van geschillen over maritieme grenzen. We willen dat deze verdragen volledig ten uitvoer worden gelegd en, wat heel belangrijk is, worden aangepast aan het specifieke karakter van het noordpoolgebied. We stellen bijvoorbeeld voor een regelgevingskader vast te stellen voor duurzaam visbeheer in de gebieden en soorten die nog niet vallen onder het toepassingsgebied van andere instrumenten.

Op de tweede plaats zullen we nauw samenwerken met de Internationale Maritieme Organisatie bij de ontwikkeling en handhaving van solide internationale normen voor veiligere scheepvaart in het noordpoolgebied, waarbij de veiligheid voor de mens en duurzaamheid op milieugebied in acht dienen te worden genomen. Dit betekent ofwel uitbreiding van de bestaande regelgeving ofwel vaststelling van nieuwe regelgeving.

Op de derde plaats zullen we ook de internationaal erkende beginselen van de vrijheid van scheepvaart en het recht van onschuldige doorvaart verdedigen. De kuststaten moeten discriminerende praktijken met betrekking tot de zeevaartregels vermijden. Alle maatregelen moeten worden toegepast in overeenstemming met het internationaal zeerecht.

Op de vierde plaats is het niet realistisch een internationaal moratorium op de winning van hulpbronnen in het noordpoolgebied voor te stellen. Het grootste deel van de geschatte voorraden aan mineralen, olie en gas bevindt zich op het soevereine grondgebied van de staten in het noordpoolgebied of in hun exclusieve economische zones, en enkele van deze staten hebben vergaande plannen voor verdere exploratieactiviteiten. We staan er evenwel op dat de winning en het gebruik van hulpbronnen in het noordpoolgebied altijd moeten plaatsvinden volgens de hoogst mogelijke milieu- en duurzaamheidsnormen.

We delen de zorgen van het Parlement over de dringende noodzaak van optreden in dit gebied. Onze mededeling bevat een reeks coherente en specifieke voorstellen. Op basis daarvan kijken we uit naar verdere samenwerking met u bij de ontwikkeling van een Europees beleid voor het noordpoolgebied.

We mogen echter nooit ons gemeenschappelijke doel uit het oog verliezen. Laten we samen met de staten in het noordpoolgebied en de internationale gemeenschap de beste en meest doelmatige manier zoeken om het noordpoolgebied voor toekomstige generaties in stand te houden en te beschermen.

 
  
MPphoto
 

  Anders Wijkman, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik heb deelgenomen aan diverse bijeenkomsten in het noordpoolgebied waarop alle aandacht uitging naar klimaatverandering.

Gewoonlijk wordt de eerste dag van zo'n bijeenkomst gewijd aan de ernstige gevolgen van de mondiale opwarming voor de regio, voor haar wilde flora en fauna, voor de middelen van bestaan van de bevolking enzovoort. De tweede dag wordt vaak gewijd aan de kansen op het gebied van geologische exploitatie. Daar zit iets tegenstrijdigs in. Ik meen te mogen beweren dat een snelle exploitatie van de geologische hulpbronnen ernstige risico’s met zich meebrengt.

Ik ben het met de commissaris eens dat je geen exacte parallel kunt trekken tussen het noordpoolgebied en Antarctica. We hebben geen zorgvuldig, duurzaam milieukader voor het soort activiteiten dat nu door de landen in de regio wordt overwogen. Ik denk daarom dat deze resolutie een belangrijk signaal afgeeft: wees voorzichtig. Het feit dat alle fracties achter de ontwerpresolutie staan, is in mijn ogen een belangrijk teken.

We noemen drie alternatieve wegen vooruit. Een daarvan is een internationaal verdrag, met natuurlijk speciale bepalingen voor dit gebied, vergeleken met Antarctica. Een tweede weg is een moratorium, in afwachting van nieuw wetenschappelijk onderzoek en een beter begrip van het gebied en zijn kwetsbaarheid en gevoeligheid, maar ook in afwachting van de resultaten van veel energiealternatieven die zich nu gestaag ontwikkelen. Misschien hebben we die fossiele voorraden in de toekomst helemaal niet nodig.

Ofschoon de collega's in dit Parlement misschien marginaal van mening verschillen over de meest verantwoorde manier om verder te gaan, denk ik dat het heel belangrijk is dat we allemaal achter deze resolutie staan. Ik wil benadrukken dat we verder willen gaan dan alleen maar verbeterde multilaterale samenwerking en dialoog; we willen waarborgen dat de veiligheid van het milieu en de middelen van bestaan van de mensen worden beschermd.

 
  
  

VOORZITTER: LUIGI COCILOVO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Véronique De Keyser, namens de PSE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou u kort willen herinneren aan wat zich momenteel in het noordpoolgebied afspeelt, zodat iedereen begrijpt wat er in dit debat op het spel staat. Door de opwarming van de aarde wordt op de Noordpool de gretigheid van diverse partijen om zeggenschap te verkrijgen over de natuurlijke rijkdommen van het gebied aangewakkerd. Door het smelten van het ijs zal, zoals u heeft gezegd, het gemakkelijker worden om de enorme olie- en gasvoorraden te exploiteren en een bevaarbare waterweg tussen het Oosten en het Westen open te stellen, die vrachtschepen weliswaar in staat zal stellen duizenden kilometers af te snijden maar helaas rampzalig zal zijn voor het milieu.

Het feit dat de vijf aangrenzende landen – Canada, Denemarken, Rusland, de Verenigde Staten en Noorwegen – de soevereiniteit opeisen over het gebied, leidt tot merkbare spanningen. De Canadese minister van Buitenlandse Zaken verklaarde deze week dat Canada’s soevereiniteit over de wateren van de Noordpool al van jaren her dateert, goed gevestigd is en op een historische titel berust. Hij zei dat de Canadese regering tevens een scherper politiek toezicht op en een grotere militaire aanwezigheid in de Canadese Arctische wateren heeft toegezegd.

Deze woorden vormen een afspiegeling van de verklaring van het Kremlin dat het van plan is militaire troepen in het noordpoolgebied in te zetten om zijn belangen te verdedigen. Tot nu toe valt de regelgeving voor dit strategische gebied onder het VN-Verdrag inzake het recht van de zee dat op 10 december 1982 door 150 landen ondertekend is. In dit verdrag is bepaald dat kuststaten de controle uitoefenen over een gebied dat tot 200 mijl uit hun kust ligt en dat zij de rechten bezitten om de rijkdommen van de zeebodem te exploiteren. Dit gebied kan echter worden uitgebreid, als de staten kunnen aantonen dat het continentaal plat zich verder dan 200 mijl uitstrekt. Ze hebben tot mei 2009 de tijd – en dat komt al dichtbij – om een verzoek daartoe in te dienen bij de VN.

Rusland heeft al in 2001 het initiatief genomen, vandaar de huidige onrust. Volgens mijn fractie, en volgens de heer Rocard – die binnen de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement de aanzet tot dit debat heeft gegeven en die onlangs tot ambassadeur voor het noordpoolgebied is benoemd –, is het Verdrag inzake het recht van de zee niet toereikend voor het noordpoolgebied, gezien de implicaties op het gebied van energie, milieu en militaire veiligheid. De Noordpool behoort tot ons mondiale erfgoed en moet beschermd worden door een bindend handvest, waarbij de Europese Unie een stuwende kracht moet zijn. Wij willen een schone Noordpool en – bovenal – een Noordpool zonder troepen.

 
  
MPphoto
 

  Diana Wallis, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit debat vloeit duidelijk voort uit onze resolutie van oktober jongstleden over het bestuur van het noordpoolgebied. Onze fractie heeft er geen probleem mee om de wens van een verdrag inzake het noordpoolgebied te steunen, maar dan meer in het licht van het streven naar een nieuwe bestuurswijze. Een verdrag is misschien meer symbolisch van aard, maar waar we wel aan vasthouden is de noodzaak met de landen en in het bijzonder met de volkeren van het noordpoolgebied samen te werken en deze te respecteren. Het zijn, zoals u reeds gezegd hebt, de mensen die de Noordpool en de Zuidpool van elkaar onderscheiden.

Er zijn reeds internationale structuren – de regels van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), het internationale recht van de zee – maar er is behoefte aan iets dat meer op maat gemaakt en specifieker is. We zouden moeten voortbouwen op het werk van de Arctische Raad. Commissaris, u moet hier zo snel mogelijk aan gaan deelnemen en het politieke vermogen van deze raad helpen opbouwen. We moeten koste wat kost vermijden dat we terugvallen in een soevereiniteit oude stijl, in territoriale aanspraken en intergouvernementalisme. Een nieuwe bestuursstijl is nodig voor dit kwetsbare gebied van onze aardbol waarvan elke burger van de wereld voelt dat hij er belang bij en een belang in heeft.

We moeten onze geloofsbrieven voor onze betrokkenheid bij het noordpoolgebied ook hard maken, en wat dat betreft is onze staat van dienst als Europeanen niet om over naar huis te schrijven. Onze zeevaarders en handelaren hebben het milieu van het noordpoolgebied in de zeventiende en achttiende eeuw verwoest met de zogeheten “verkrachting van Spitsbergen”. Onze industrie-uitstoot heeft direct geleid tot een acute klimaatverandering in de regio en we dreigen nu, op dit zeer gevoelige moment, onze waarden en onze tradities aan de volkeren van het noordpoolgebied op te leggen. Wij moeten naar hen luisteren en met hen werken, omdat zij eerlijk gezegd een betere staat van dienst hebben wat de bescherming van hun milieu betreft dan wij. Onze fractie zal daarom het moratorium van vijftig jaar niet steunen.

 
  
MPphoto
 

  Godfrey Bloom, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik woon op een heerlijk eiland, een prachtig eiland, dat de afgelopen vijftien jaar door de Europese Unie stelselmatig is verwoest. Ik heb de afvalstoffenrichtlijn van de Europese Unie gezien, waardoor industrieel afval – lachend “compost” genoemd – over het land uitgegooid mocht worden. Ik heb gezien hoe honderdduizenden vissen in de Noordzee gedumpt werden. Vlakbij mijn eigen dorp heb ik gezien hoe de prachtige tarwe- en gerstvelden en het melkvee van vroeger werden ´omgeschakeld´ en veranderd in zaken als miscanthus en allerlei andere soorten biobrandstoffen. Daardoor is onze omgeving verwoest en zijn de kosten van voedsel omhoog gedreven.

De Europese Unie wil dat wij voldoen aan onze doelstellingen voor hernieuwbare energie. 35 000 windturbines zo groot als jumbojets, de grootste ontheiliging van mijn mooie eiland sinds de industriële revolutie. En nu wilt u bevoegdheid over een van de laatste wildernissen ter wereld, het noordpoolgebied. Welnu, mijnheer de Voorzitter, collega’s, ik zal u zeggen dat ik het met mevrouw Wallis eens ben. Uw staat van dienst is weerzinwekkend en het antwoord moet zijn: in hemelsnaam, bemoeit u zich met uw eigen zaken.

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE) . – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ja, de commissaris heeft gelijk. Het noordpoolgebied verschilt in vele opzichten behoorlijk van het zuidpoolgebied, en het is nog maar enkele maanden geleden, op 8 oktober 2008, dat ik in dit Parlement over juist dit onderwerp heb gesproken.

Het noordpoolgebied speelt, zoals ik toen gezegd heb, een steeds belangrijkere geostrategische rol in onze wereld. In deze regio hebben zich in het afgelopen decennium enkele ernstige problemen voorgedaan. Wij zien hoe toe nu toe gesloten zeewegen open gaan. Dit is een direct gevolg van de klimaatverandering en mag geen verrassing heten, aangezien het noordpoolgebied in een veel sneller tempo aan het opwarmen is dan verwacht, met een stijging van twee graden in de afgelopen honderd jaar, vergeleken met een gemiddelde van net 0,6 graden in de rest van de wereld.

Dit zeer kwetsbare ecosysteem komt onder toenemende druk te staan van landen die hongerig zijn naar hulpbronnen en die het potentieel ervan willen exploiteren zonder het fundamentele belang ervan, als stabiliserende kracht voor het wereldklimaat, te respecteren.

Ik ben het met mevrouw Wallis eens dat een oproep tot een moratorium van vijftig jaar op exploitatie niet praktisch en ook niet redelijk is, maar ik denk dat een beperkt moratorium op nieuwe exploitatie – in afwachting van nieuw wetenschappelijk onderzoek – iets is waar alle beschaafde landen mee zouden kunnen instemmen.

Afgezien hiervan telt de EU onder haar lidstaten niet minder dan drie Arctische landen, en heeft zij in dit gebied twee EER-buren, zodat zij numeriek meer dan de helft van de leden van de Arctische Raad voor haar rekening neemt. Dit is voor ons reden genoeg om op het wereldtoneel ons gewicht in de schaal te leggen, in de meest positieve zin van deze woorden.

Het noordpoolgebied is van cruciaal belang voor het wereldklimaat en alleen al daarom moeten wij een nieuwe bestuursstijl voor deze prachtige en, zoals de vorige spreker zei, een van de laatste wildernissen van onze wereld voorstaan.

 
  
MPphoto
 

  Martí Grau i Segú (PSE).(ES) Het noordpoolgebied is een van de meest kwetsbare gebieden van onze planeet. Onbeperkte exploitatie van zijn natuurlijke rijkdommen zou rampzalige gevolgen hebben, niet alleen voor de onmiddellijke omgeving en de lokale bevolking maar voor de wereld als geheel.

Door het smelten van grote gebieden zijn deze risico’s heel actueel geworden, en daarom hebben we nu een nieuwe wereldwijde regelgeving nodig om het noordpoolgebied te beschermen. Die regelgeving dient vergelijkbaar te zijn met de bestaande regelgeving voor Antarctica, ook al moet rekening worden gehouden met de in dit debat onderstreepte verschillen

Er moet een internationaal verdrag worden gesloten door alle betrokken partijen, waarvan de Europese Unie er ongetwijfeld een is. Dat verdrag moet tot doel hebben het unieke Arctische milieu te beschermen, de volledige duurzaamheid van alle menselijke activiteiten te waarborgen en de scheepvaart langs de nieuwe, toegankelijk geworden zeeroutes aan multilaterale regels te onderwerpen.

De Arctische Raad is in de jaren sinds zijn oprichting een toonbeeld van samenwerking geweest voor het beheer van gemeenschappelijke problemen. In deze tijd van moeilijkheden en onzekerheid moeten we deze geest van eensgezindheid stimuleren om te voorkomen dat de staten in dit gebied of andere internationale spelers om geostrategische redenen met elkaar gaan bekvechten en vergeten wat hun gemeenschappelijk doel moet zijn: het behoud van hun groots gemeenschappelijk erfgoed.

 
  
MPphoto
 

  Laima Andrikienė (PPE-DE) . – (EN) Mijnheer de Voorzitter, vandaag debatteren we over de bescherming van het noordpoolgebied, een zeer actueel onderwerp in niet alleen de Europese Unie.

Ten eerste heeft het noordpoolgebied waarschijnlijk enorme energiebronnen – wel 20 procent van alle nog niet ontdekte en technisch exploiteerbare voorkomens in de wereld – en daarom is de verleiding om deze hulpbronnen te exploiteren onweerstaanbaar. Ten tweede is het noordpoolmilieu uitzonderlijk kwetsbaar. De hele internationale gemeenschap zal waarschijnlijk de negatieve gevolgen ondervinden van vele van de veranderingen die er nu reeds plaatsvinden. Ten derde hangen er territoriale geschillen boven het noordpoolgebied. We lopen het risico dat we grote conflicten oproepen tussen landen die, ook met militaire middelen, willen beschermen wat landen in de regio als hun nationale belangen beschouwen.

Het wordt tijd dat het Europees Parlement zijn standpunt duidelijk maakt, aangezien het tot nu toe bijna geen deel heeft genomen aan dit debat, met uitzondering van onze resolutie die in oktober van het afgelopen jaar werd aangenomen en waarin werd opgeroepen tot een internationaal verdrag voor de bescherming van het noordpoolgebied. Het is belangrijk te vermelden dat de EU-lidstaten en de EER-landen meer dan 50 procent van de leden van de Arctische Raad uitmaken. Het noordpoolgebied zou een strategische prioriteit voor de Europese Unie moeten zijn, zoals het dat ook is voor de Verenigde Staten.

Ik steun ons ontwerpvoorstel volledig dat de Commissie en de Raad moeten samenwerken aan het instellen van een moratorium op de exploitatie van de geologische rijkdommen van het noordpoolgebied gedurende een periode van vijftig jaar, in afwachting van nieuw wetenschappelijk onderzoek. Wij, het Europees Parlement, zouden een beroep op de Commissie moeten doen om het initiatief te nemen tot onderhandelingen met de Russische autoriteiten over een aantal belangrijke kwesties die in onze ontwerpresolutie worden opgesomd. Het wordt tijd dat het noordpoolgebied op de agenda wordt gezet voor de komende top tussen de EU en Rusland.

 
  
MPphoto
 

  Christian Rovsing (PPE-DE). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, Groenland maakt deel uit van het Deense koninkrijk met een omvangrijke verantwoordelijkheid in het kader van zelfbestuur. Het noordpoolgebied is niet onbewoonbaar en is geen onbestuurde landmassa, zoals Antarctica. Integendeel, de Arctische landmassa’s maken deel uit van de Arctische landen en er wonen reeds vier miljoen mensen, waarvan een derde behoort tot de inheemse bevolking. Deze mensen en hun naties eisen terecht dat de natuurlijke hulpbronnen en de mogelijkheden van het gebied worden benut. Alleen de zee in het midden is internationaal en hier geldt de Conferentie van de Verenigde Naties over het recht van de zee (UNCLOS) als de relevante juridische grondslag. Deze benadering is onder andere bevestigd door de Arctische kuststaten in de Ilulissat-verklaring uit 2008. Naast UNCLOS zijn er een groot aantal andere relevante internationale en regionale instrumenten. Er is nauwelijks behoefte aan meer governance, hoogstens aan een aanpassing van de bestaande instrumenten. Denemarken heeft in de Arctische Raad voorgesteld om de bestaande overeenkomsten te bekijken met het oog op een actualisering. Dit zal en moet gebeuren in samenwerking met de Arctische staten en de Arctische bevolkingen.

 
  
MPphoto
 

  Charles Tannock (PPE-DE) . – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het Verdrag inzake Antarctica is een lichtend voorbeeld in de wereld van de manier waarop territoriale aanspraken door kuststaten opzij kunnen worden gezet in het belang van vreedzame samenwerking en wetenschappelijk onderzoek. Nu de wereld geconfronteerd is met het probleem van de opwarming van de aarde waardoor de twee kappen smelten en de zeespiegel stijgt en bevroren zeedoorgangen in het noordpoolgebied opnieuw opengaan voor de scheepvaart, is het belangrijk dat een vergelijkbare regeling wordt gevonden voor het bevroren, of moet ik zeggende dooiende, noorden van het noordpoolgebied. De soevereiniteitsaanspraken en het gevecht om de minerale rijkdommen van het noordpoolgebied, die op de voorgrond traden met het melodramatisch planten van de Russische vlag op de zeebedding, moeten worden verworpen.

De EU zou moeten proberen de vijf Arctische kuststaten (de Verenigde Staten, Canada, Rusland, Noorwegen en Denemarken) te overtuigen van de wijsheid van een dergelijke benadering.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Lebech (ALDE). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, als Deen heb ik mij niet noodzakelijk populair gemaakt door mee te werken aan het opstellen van deze ontwerpresolutie, samen met Diana Wallis van de ALDE-Fractie, maar ik ben van mening dat de resolutie in haar hoofdlijnen goed is. Het is goed dat de EU zich richt op het Arctische gebied. Het is ook goed voor de kleine landen Denemarken en Noorwegen dat de EU erbij betrokken is, zodat we ook echt iets in te brengen hebben tegenover de grote jongens in het gebied, dat wil zeggen de Verenigde Staten en Rusland.

Echter, wat betreft het moratorium dat nu in de resolutie is opgenomen, moet ik zeggen dat ik daar om twee redenen niet voor kan stemmen. De eerste reden is dat een moratorium totaal onrealistisch is, omdat Rusland en de Verenigde Staten het onder geen beding goed zullen keuren. Bovendien ben ik van mening dat er redenen zijn, zoals collega Rovsing ook al heeft gezegd, om rekening te houden met de mensen die in het gebied leven. De Groenlanders verwachten vanzelfsprekend, en hebben er ook vanzelfsprekend recht op, dat ze de natuurlijke hulpbronnen op hun grondgebied kunnen benutten, op dezelfde manier als alle andere landen dat op eigen grondgebied kunnen doen.

 
  
MPphoto
 

  Marie Anne Isler Béguin (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wilde er slechts op wijzen dat wij door de ijsberen op de ijsschotsen zijn gaan inzien hoe groot de invloed van de chemische verontreiniging in de hele wereld is. In hun vet is namelijk DDT gevonden, en wij weten heel goed dat deze stof op het pakijs niet wordt gebruikt.

Ik wil de Commissie in ieder geval bedanken voor het voorstel dat zij heeft gedaan na de discussie die wij hier in het Parlement hebben gevoerd, want vanwege de klimaatverandering moeten er echt dringend maatregelen worden genomen om de enige ruimte die nog niet door de mens is geplunderd te beschermen. Dat moeten we ons goed realiseren.

Natuurlijk is er ook sprake van politieke urgentie – en ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Keyser –, want uiteindelijk worden wij gedwongen om iets te doen voor het noordpoolgebied. Sommige eigenaren van een deel van dit continent hebben er namelijk hun zinnen op gezet. Wij weten heel goed dat Rusland, waar we pas nog over gesproken hebben, zijn grenzen wil vaststellen buiten zijn maritieme zone en ze wil doortrekken tot op het continentale plat. Daarom is dit een dringende kwestie voor ons, want net als Canada wil ook Rusland er zijn vlag planten en er militaire eenheden installeren.

Wat er misschien aan uw voorstel ontbreekt, is wat wij de vorige keer hadden gevraagd, en dat is een internationaal verdrag voor de bescherming van het noordpoolgebied, waarmee wij de bescherming van dit gebied eens en voor al kunnen veiligstellen.

 
  
MPphoto
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) In het noordpoolgebied voltrekt zich een ecologisch en humanitair drama. Met onze inspanningen zouden wij ervoor moeten zorgen dat er niet ook nog een politiek of ander drama volgt. De oproep om het noordpoolgebied op een verantwoorde wijze aan te pakken is een noodkreet en een kwestie van mondiaal bestuur. Ik ben met name voorstander van alle inspanningen die respect tonen voor de autochtone bevolking van dat gebied.

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, allereerst wil ik mevrouw Ferrero-Waldner danken, die werkelijk zeer intensief met het Europees Parlement heeft samengewerkt en die op dit gebied ongetwijfeld de hardst werkende commissaris is; dat waardeer ik werkelijk zeer. Zij was vorige week ook aanwezig tijdens onze bijeenkomst met de Europese Economische Ruimte: de noordelijke dimensie is in dit geval immers bijzonder belangrijk, en ook Diana Wallis heeft herhaaldelijk benadrukt dat Europa in dit verband een heel bijzondere verantwoordelijkheid draagt.

Mijns inziens zijn wij met name in een tijd van een financiële en energiecrisis verplicht om nog meer belangstelling te tonen voor dit gebied en ook tegemoet te komen aan de wensen en behoeften van de bevolking aldaar, omdat mens en natuur uiteindelijk niet tegenover elkaar staan, maar elkaar moeten aanvullen. Vanuit die optiek bekeken kunnen wij mijns inziens met name op het gebied van het energiebeleid naar mooie successen verwijzen en wellicht ook in de toekomst de samenwerking intensiveren.

 
  
MPphoto
 

  Alexandr Vondra, fungerend voorzitter van de Raad. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich dit tijdige debat toe. Door het zoeken naar hulpbronnen en de klimaatverandering is het noordpoolgebied aan de rand komen te staan van een diepgaande verandering. Niet alleen de regio zelf zal daar waarschijnlijk de gevolgen van ondervinden maar – zoals velen hier vandaag erkend hebben – ook de EU in haar geheel. Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen is het belangrijk dat de EU het noordpoolgebied op een veelomvattende en strategische manier benadert en kijkt naar een grote reeks kwesties zoals vervoer, biodiversiteit, klimaatverandering, maritieme zaken, energie en onderzoek, evenals naar de bescherming van de middelen van bestaan van de inheemse volkeren.

Ik ben van mening dat de Raad deze kwestie nu zeer serieus neemt. Hij steunt in grote lijnen de suggesties die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie. Dit zou de basis moeten vormen voor de ontwikkeling van een veelomvattend Arctisch beleid. Tegen degenen die over een nieuw verdrag spreken zou ik willen zeggen dat er op dit moment geen standpunt van de Raad is, omdat de Raad nu pas begonnen is met de bespreking van de voorstellen van de Commissie. Ik zou nog even de conclusies van de Raad van december in herinnering willen brengen. In de conclusies zeggen wij dat de doelstellingen van de EU alleen bereikt kunnen worden in nauwe samenwerking met de Arctische landen en de EU haar deelname moeten versterken in overeenstemming met de huidige internationale verdragen.

Zoals ik eerder aangegeven heb, worden de voorstellen van de Commissie nu nader bestudeerd. Zij zullen het naar mijn overtuiging gemakkelijker maken om overeenstemming te bereiken over een overkoepelend antwoord op de vele, uiteenlopende uitdagingen waarvoor we ons in het noordpoolgebied gesteld zien. Ik ben blij met de belangstelling van het Parlement en ik ben bereid om bij u terug te komen en verslag uit te brengen zodra de Raad een standpunt heeft ingenomen.

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals ik aan het begin van dit belangrijke debat heb onderstreept, moet de Europese Unie een grotere rol gaan spelen bij de bescherming van het milieu in het noordpoolgebied, de bevordering van een duurzame exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen en de versterking van het multilateraal bestuur van het noordpoolgebied. Wij maken ons sterk voor het behoud van het noordpoolgebied en tegelijkertijd willen wij een bijdrage leveren aan een op samenwerking gebaseerd systeem, dat duurzaamheid en vrije toegang onder gelijke voorwaarden zal garanderen. Om deze belangrijke inspanningen te doen welslagen moeten wij, zoals ik reeds heb gezegd, nauw samenwerken met alle Arctische staten en Arctische belanghebbenden.

Wat dat betreft stelt de Commissie voor te werken aan een volledige invulling en implementatie van de bestaande verplichtingen, in plaats van nieuwe juridische instrumenten voor te stellen voor meer veiligheid en stabiliteit. Een strikt milieubeheer en een duurzaam gebruik van hulpbronnen, evenals open toegang onder gelijke voorwaarden. Tegelijkertijd heeft de EU reeds onderstreept dat voor de zones die buiten de nationale jurisdictie vallen, de bepalingen inzake milieubescherming uit hoofde van dit verdrag tamelijk algemeen zouden blijven. Wij zullen echter binnen de Verenigde Naties blijven werken aan de verdere ontwikkeling van een aantal kaders en proberen deze aan te passen aan nieuwe omstandigheden of de specifieke kenmerken van het noordpoolgebied. Zo kan er in een nieuwe UNCLOS-uitvoeringsovereenkomst inzake mariene biodiversiteit, die buiten de nationale jurisdictie valt, rekening worden gehouden met de Noordpool. Wij hebben onze aanvraag ook aan de Noorse voorzitter van de Arctische Raad toegestuurd. Voor de goedkeuring van de aanvraag van de Commissie is een unaniem besluit van alle leden van de Arctische Raad nodig. Dit besluit wordt verwacht op 29 april – heel snel dus – en zou negatief beïnvloed kunnen worden door een initiatief waarin eventueel een voorstel wordt gedaan voor een Arctisch verdrag. We moeten hier dus voorzichtig mee zijn.

Tot slot wil ik zeggen dat de Arctische kuststaten een duidelijke voorkeur hebben voor het UNCLOS als grondslag. De Europese Unie moet hier rekening mee houden als zij een nog sterkere samenwerking wil opzetten ten behoeve van het noordpoolgebied, zijn bewoners en zijn flora en fauna. In deze context moeten we de bestaande samenwerkingskaders niet verzwakken, omdat dit onze doelstellingen en belangen niet echt zou dienen. Het zou bovendien niet stroken met de geest van uw eigen ontwerpresolutie.

Concluderend ben ik van mening dat de omstandigheden nog niet geëigend zijn voor een internationaal verdrag inzake het noordpoolgebied en dat we onze inspanningen beter kunnen concentreren op een effectieve toepassing van de bestaande wettelijke kaders, om zo de mogelijke mazen te dichten en de regels aan te passen aan de specifieke kenmerken van het noordpoolgebied. Dat lijkt veel gemakkelijker haalbaar.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Tot besluit van het debat zijn er zes ontwerpresoluties(1) ingediend, overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, donderdag 2 april 2009, plaats.

 
  

(1) Zie notulen.


14. Gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0149/2009) van Kathalijne Maria Buitenweg, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid [COM(2008)0426 - C6-0291/2008 - 2008/0140(CNS)].

 
  
MPphoto
 

  Kathalijne Maria Buitenweg, rapporteur. − Voorzitter, maandag heeft de dochter van een vriendin van mij een brief gekregen. Zij is afgewezen voor de universiteit. Niet omdat ze het intellectueel niet kan bolwerken, maar omdat ze een handicap heeft. Volgens de brief kan de universiteit haar niet de zorg bieden die ze nodig heeft. De middelbare school heeft ze goed doorlopen, dus die kon dat wel. Nu staat ze aan de kant.

Het verslag dat we vandaag bespreken, raakt het hart van onze samenleving. Willen we dat mensen tweederangsburgers zijn vanwege hun leeftijd, hun seksuele oriëntatie, religie of overtuiging of handicap, of kiezen we voor een samenleving waaraan iedereen volwaardig kan deelnemen? Niet alleen de betroffen mensen zelf wordt onrecht aangedaan als hun een huurhuis of een lening wordt geweigerd door wíe ze zijn, maar ook de samenleving in haar geheel doet zich tekort door mensen af te schrijven.

Ik heb met heel veel spanning uitgekeken naar vandaag. Er staat heel veel op het spel bij de stemming morgen. Al vanaf 1995 vraagt het Europees Parlement om Europese richtlijnen voor gelijke behandeling van mensen en in het Verdrag van Amsterdam hebben we daarvoor eindelijk een rechtsgrondslag gekregen. In 2000 zijn daar belangrijke richtlijnen uit voortgekomen: de richtlijn over de gelijke behandeling, ongeacht ras of etnische afstamming, waarvan de werkingsfeer zowel de arbeidsmarkt als het aanbieden van goederen en diensten omvat, en ook de richtlijn die discriminatie op basis van seksuele oriëntatie, leeftijd, handicap en religie of overtuiging moet tegengaan, maar die laatste richtlijn is beperkt gebleven tot de arbeidsmarkt.

Dat begon te wringen, omdat ook bij genderdiscriminatie discriminatie op wel meer terreinen verboden is. Als Parlement hebben we ons altijd verzet tegen deze hiërarchie van discriminatiegronden die is ontstaan. Want waarom mag iemand wel een lening worden geweigerd omdat hij homo is, maar mag dat niet omdat hij zwart is? De bescherming dient gelijkwaardig te zijn. We hebben samen gepleit voor deze horizontale richtlijn en er zijn verschillen tussen ons: over de toon en soms ook over de precieze invulling. Maar tot nu toe wilde een overgrote meerderheid van het Parlement dat de huidige scheve situatie gerepareerd wordt en het is deze boodschap die we morgen aan de Raad moeten geven. Ik hoop daarvoor op een zo groot mogelijke meerderheid.

Er zijn veel mensen die ik wil bedanken voor hun bijdrage aan het verslag. Allereerst de rapporteurs voor advies, en met name Liz Lynne van de Commissie sociale zaken. Veel van haar suggesties staan nu in de tekst vermeld. Maar ook de schaduwrapporteurs Patrick Gaubert, Emine Bozkurt, Sophia in 't Veld en Yvonne Kaufmann wil ik bedanken. In het Nederlands kennen we het gezegde "over je eigen schaduw heen springen", dat betekent dat je verder wil kijken dan het punt waarop je altijd gehamerd hebt, een goed punt voor schaduwrapporteurs. Ik vind dat dat ons gelukt is. Ik ben echt trots op het compromis dat in overgrote meerderheid door de Commissie LIBE is aangenomen. Het is er beter op geworden. Ik wil nog veel andere mensen bedanken die hieraan hebben bijgedragen, maar één in het bijzonder en dat is Michael Cashman. Michael, ik wil jou bedanken voor alle adviezen die je me hebt gegeven, voor het vele lobbywerk en ook voor de inspiratie en de vriendschap van de afgelopen jaren.

De inhoud nu: het verslag stelt dat discriminatie op de vier gronden verboden is. Op de arbeidsmarkt hadden we dat al geregeld, maar dat geldt nu ook bij het aanbieden van goederen en diensten, sociale bescherming - waaronder sociale zekerheid en gezondheidszorg - en onderwijs. Maar niet elk verschil wordt ook gezien als discriminatie. Verzekeringsmaatschappijen mogen bijvoorbeeld nog onderscheid maken naar leeftijd en handicap, mits ze dat objectief kunnen motiveren. Voor veel mensen met een handicap moeten er voorzieningen worden getroffen, maar er zijn wel grenzen aan de redelijkheid gesteld. Er mag dus worden afgeweken onder voorwaarde, maar de regel is gelijke behandeling, en dat is ook waar de stemming over gaat morgen. Vinden wij dat Europa alleen een markt is, of ook een bron van beschaving?

Ik moet zeggen dat amendement 81 in ieder geval aantoont waar de heer Weber en 41 anderen staan. U wilt hoe dan ook geen gelijkebehandelingswetgeving, want wát ik ook probeer met compromissen, u bent gewoon principieel tegen een antidiscriminatiewet. Daarom amendeert u het niet, maar haalt u het hele voorstel van tafel. Dan scheiden hier ook onze wegen, daar is geen middenweg voor. Laten we morgen dan maar zien welke kant de meerderheid van het Parlement op wil.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik waardeer de grote belangstelling voor dit voorstel, zoals blijkt uit de vele amendementen waartoe het heeft geleid. Hiermee wordt duidelijk dat de strijd tegen discriminatie in het dagelijks leven voor de meesten van ons een constante prioriteit is, zelfs tijdens een ernstige economische crisis. Ik ben ook blij met het uitstekende verslag dat is ingediend door mevrouw Buitenweg en goedgekeurd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, evenals met de opmerkelijke bijdrage van mevrouw Lynne en de Commissie sociale zaken en werkgelegenheid.

Het ontwerpverslag onderschrijft de ambitie en het streven van de ontwerprichtlijn die door de Commissie is ingediend. Naar mijn mening is de rapporteur erin geslaagd verschillende gezichtspunten met elkaar te verzoenen en een brede consensus te bereiken tussen de verschillende fracties. Ik wil ook de ondersteunende rol toejuichen die het Parlement heeft gespeeld bij het indienen van de ontwerprichtlijn.

Wat de voorgestelde amendementen betreft ben ik het met veel van de verbetersuggesties in het ontwerpverslag eens. Desondanks moet ik zeggen dat voor dit ontwerp unanieme instemming van de Raad vereist is en dat we daarom realistisch moeten blijven.

Ik weet dat het probleem van meervoudige discriminatie voor u fundamenteel is. Ik ben me er volledig van bewust dat mensen die het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie daar heel ernstige gevolgen van ondergaan. Toch denk ik tegelijkertijd dat, omdat deze richtlijn van toepassing is op maar vier mogelijke oorzaken van discriminatie, het probleem juridisch niet definitief kan worden opgelost.

In haar mededeling over non-discriminatie van juli 2008 heeft de Commissie toegezegd een discussie over deze kwestie op gang te zullen brengen onder de nieuw opgerichte groepen van regeringsdeskundigen. Deze discussie is begonnen. Het probleem van meervoudige discriminatie wordt dus niet veronachtzaamd.

Ik zou kunnen instemmen met een verwijzing naar meervoudige discriminatie op de gebieden waarop deze ontwerprichtlijn betrekking heeft. Ik ben het ermee eens dat we de verdeling van de bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten duidelijker moeten definiëren. De richtlijn zal de definitie als zodanig niet veranderen, maar ons doel is de grootst mogelijke mate van rechtszekerheid te bereiken.

Ik aanvaard ook dat rekening moet worden gehouden met de vrijheid van meningsuiting bij de beoordeling van zaken van vermeend slachtofferschap. We moeten ons echter realiseren dat voor slachtofferschap van discriminatie sterke bewijzen nodig zijn. De menselijke waardigheid moet in het geding zijn en er moet sprake zijn van een vijandige of vernederende omgeving.

Ik stem in met de opname van het begrip ‘discriminatie door associatie’ in de zin van het arrest in de zaak-Coleman, maar dit begrip moet alleen worden toegepast waar sprake is van directe discriminatie en slachtofferschap.

Wat financiële diensten betreft ben ik het ermee eens dat dienstverleners een zekere mate van transparantie moeten invoeren, maar ik heb enige twijfels over de formulering die in uw ontwerp is gekozen. Ik ben het er volledig mee eens dat de richtlijn niet moet gelden voor zuiver particuliere transacties. De standpunten van de Commissie en het Parlement zijn op dat gebied vrijwel gelijk. Wat de lichamelijk gehandicapten betreft kan ik steun geven aan een verwijzing naar de open definitie van een lichamelijke handicap die wordt gebruikt in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Ik ben het in essentie ook eens met sommige opmerkingen over het begrip lichamelijke handicap in de voorgestelde amendementen. Ik vind echter dat ik erop moet wijzen dat het woordgebruik in de verordening juridisch heel precies moet zijn. Ik stem in met sommige andere ideeën die zijn uitgesproken, maar naar mijn mening moeten we ervoor zorgen dat artikel 4 bondig en begrijpelijk is.

Dames en heren, ik kijk uit naar uw meningen en zal daarop in het debat reageren.

 
  
MPphoto
 

  Elizabeth Lynne, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de rapporteur van harte willen bedanken voor al het harde werk dat zij heeft verricht voor dit verslag en voor de nauwe samenwerking die we hierbij hebben gehad. Wij hebben zeer nauw samengewerkt, en niet alleen bij dit verslag. In de tien jaar dat ik in het Europees Parlement zit hebben wij ons namelijk beiden – zoals zij en anderen weten – jarenlang met deze kwestie beziggehouden. Ik herinner me dat wij tijden geleden samen de hoorzittingen over artikel 13 bijwoonden. Eindelijk is het dan zover dat we een debat kunnen voeren over een antidiscriminatierichtlijn, een kans ten langen leste om een wetgeving erdoor te drukken warmee de strijd kan worden aangebonden tegen discriminatie op alle gronden die nog niet gedekt waren: handicap, leeftijd, godsdienst of overtuiging en seksuele geaardheid. We hebben hier vele jaren op gewacht. Laten we nu maar hopen dat we die grote meerderheid krijgen.

Ik voer al vele jaren campagne wat handicap en leeftijd betreft, maar ik was er al een hele tijd geleden van overtuigd dat we niemand in de steek mochten laten. Ik vond dat we geen genoegen mochten nemen met een handicaprichtlijn en vervolgens een leeftijdsrichtlijn, omdat dan seksuele geaardheid en godsdienst er buiten gelaten zouden worden. Daarom vroeg ik in het initiatiefverslag van afgelopen jaar om één richtlijn die alle nog ongedekte gebieden zou beslaan. Ik ben zeer verheugd dat dit is gebeurd. Ik ben ook zeer tevreden dat wij zo’n grote meerderheid in het Parlement hebben gekregen voor dat initiatiefverslag. Ik weet van de Commissie en de Raad dat dit een van de redenen was waarom zij dachten dat het veilig was om dit voorstel te doen. Daarom moeten we morgen een zeer grote meerderheid voor dit verslag krijgen.

Ik zou ook u, commissaris Špidla, heel erg willen bedanken. Ik heb u bij andere gelegenheden bedankt, maar ik wil u ook in de plenaire vergadering bedanken, omdat ik eerlijk gezegd niet geloof dat dit voorstel zonder uw steun en hulp nu op tafel zou liggen. Dus commissaris, een oprecht woord van dank van velen onder ons, omdat u hier achteraan hebt gezeten. Ik weet dat uzelf een heleboel werk hieraan hebt verricht.

Wij hebben het voorstel door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken gekregen. Wij hebben die grote meerderheid nodig. Iedereen moet gelijk worden behandeld in de EU. Een rolstoelgebruiker of iemand met een blindegeleidehond behoort overal in de Europese Unie vrije toegang te hebben. Iemand met een andere seksuele geaardheid zou elke hotelkamer mogen gebruiken die hij wil en in elk hotel mogen verblijven wanneer hij op vakantie gaat. Alle ouderen behoren, ongeacht hun leeftijd, het recht te hebben op toegang tot gezondheidszorg. Mensen met een andere godsdienst mogen niet gediscrimineerd worden.

Ik doe een dringend beroep op al degenen onder u die overwegen hiertegen te stemmen: doet u dat alstublieft niet. Dit is het hart van de Europese Unie. Onze grondslag wordt gevormd door mensenrechten en antidiscriminatie. Stemt u er alstublieft vóór.

 
  
MPphoto
 

  Amalia Sartori, rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid.(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid hebben wij ons in de allereerste plaats beziggehouden met de noodzaak een gelijke behandeling te garanderen op gezondheidsgebied. Andere aspecten zijn uitstekend behandeld door andere commissies en vooral door de rapporteur en de commissaris, en wij hebben daarom besloten het onderwerp ‘gezondheid’ eruit te lichten.

In de eerste plaats hebben wij geconstateerd dat er nog altijd grote verschillen tussen de lidstaten bestaan als het gaat om de toegang tot gezondheidszorg. Toegang tot gezondheidszorg is een grondrecht dat is neergelegd in artikel 35 van het Handvest van de grondrechten, en het bieden van gelijke toegang voor iedereen tot een hoogwaardige gezondheidszorg is een kerntaak van de overheid in de lidstaten. Daarom is het belangrijk – al zijn we ons ervan bewust dat de Europese Unie en de lidstaten verschillende bevoegdheden hebben – dat de EU al het mogelijke doet in de zin van richtsnoeren, maar ook in de zin van richtlijnen, die wij gaandeweg opstellen en voorbereiden, in combinatie met resoluties en verordeningen. We moeten deze, waar mogelijk, doorgeven aan de lidstaten vanuit deze essentiële doelstelling.

Als Commissie volksgezondheid hebben wij met name de nadruk gelegd op de amendementen inzake het bevorderen van gezondheidseducatie, het blijven aanmoedigen van de bestrijding van geweld tegen vrouwen, het bestrijden van weigering van medische behandeling op grond van alleen het leeftijdscriterium, maar vooral – en daarmee kom ik weer terug bij dit onderwerp – het bevorderen van gelijke toegang tot hoogwaardige gezondheidsdiensten in alle lidstaten.

 
  
MPphoto
 

  Lissy Gröner, rapporteur voor advies van de Commissie cultuur en onderwijs. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, als rapporteur van de Commissie cultuur en onderwijs voor de nieuwe antidiscriminatierichtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid juich ik het voorstel van de Commissie van harte toe en ik wil met name de heer Špidla danken.

Uit Eurobarometer-enquêtes blijkt dat circa driekwart van de bevolking in de EU van mening is dat op dit gebied actie moet worden ondernomen. De Commissie cultuur en onderwijs heeft bij drie punten aangedrongen op wijzigingen en aanvullingen. Allereerst moet het genderaspect worden opgenomen. Wij zijn het eens met de bereikte compromissen. Wij willen de toegang tot de media en onderwijs veiligstellen en regels tegen meervoudige discriminatie vastleggen; in dat opzicht zijn diverse uitstekende compromissen bereikt.

De http://www.europarl.europa.eu/members/public/geoSearch/view.do?country=NL&partNumber=1&language=NL&id=28174" \o "BERMAN, Thijs" Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement heeft deze uitgebreide horizontale richtlijn gesteund. Als Duitse conservatieven en liberalen deze richtlijn nu in zijn geheel verwerpen, dan bekennen zij kleur. Ze willen homoseksuelen blijven discrimineren, ze willen propaganda bedrijven. We hoeven met de nieuwe richtlijn niet bang te zijn voor extremisten zoals Scientology-aanhangers: het blijft mogelijk om advertenties te weigeren of om te weigeren vergaderruimten te reserveren. De Commissie cultuur en onderwijs stemt unaniem vóór de horizontale richtlijn.

 
  
MPphoto
 

  Donata Gottardi, rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid.(IT) Mijnheer de voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil graag verslag doen van het positieve resultaat dat in de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid is behaald. Dat laatste is geen toeval, aangezien onze commissie gewend is zich grondig bezig te houden met de onderwerpen gelijke behandeling, gelijke kansen en het verbieden van discriminatie.

Wij hebben met ons advies een aantal krachtige signalen afgegeven waarmee naar ik hoop rekening zal worden gehouden wanneer de tekst wordt aangenomen. Deze richtlijn vormt niet het einde of de voltooiing van een reeks. Als dat wel zo was, had dat juist op het gebied van genderdiscriminatie een verzwakking kunnen betekenen. Deze richtlijn moet een gelegenheid zijn om het werk aan de antidiscriminatierichtlijnen weer nieuw leven in te blazen. Om te beginnen zouden twee nieuwe concepten moeten worden toegevoegd waarover we het allemaal eens zijn: meervoudige discriminatie, waarbij twee of meer risicofactoren aanwezig zijn, en associatieve discriminatie, waardoor de naasten van de direct betrokken persoon of degenen die een band met hem of haar hebben, worden getroffen. Beide zijn van cruciaal belang voor vrouwen, maar niet alleen voor hen. Deze richtlijn moet de aanzet geven tot verbetering van de nationale wetgeving, vooral in landen zoals het mijne, waar het tij gekeerd moet worden.

 
  
MPphoto
 

  Manfred Weber, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik durf nauwelijks nog het woord te nemen; gezien de algemene sfeer hier in het Parlement durf ik nauwelijks nog vragen te stellen. Uiteraard is iedereen tegen discriminatie, maar je durft de weg die we volgen niet meer ter discussie te stellen uit angst dat je dan meteen in een hoek wordt geduwd.

Dames en heren, we zijn het allemaal eens over het doel en ik zou het bijzonder op prijs stellen als we ophielden iets anders te beweren. Maar wij zijn het niet eens over de weg, en dat moet toch een legitiem onderwerp van discussie zijn, ook in de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten.

Allereerst wil ik de commissaris een vraag stellen. Aangezien de oude richtlijn, de bestaande antidiscriminatierichtlijn van de Europese Unie, in tien lidstaten nog steeds niet is geïmplementeerd, daar er tegen tien lidstaten een inbreukprocedure is ingesteld, moeten wij ons dan niet serieus afvragen waarom deze richtlijn wordt herzien op een moment waarop de bestaande richtlijn nog niet eens is geïmplementeerd? Is dat een serieuze vraag die we mogen stellen? Om die reden is terugverwijzing naar de commissie zonder meer een argument dat we hier ter tafel mogen brengen.

Bij de tweede vraag mogen we eveneens over de inhoud praten. We hebben bijvoorbeeld te maken met de vraag waarom de kerken, die innige partners met links waren wat betreft de bescherming van vluchtelingen, nu naar ons komen. De kerken, die vroeger jullie partners waren, komen nu naar ons en zeggen dat zij problemen hebben met bepaalde formuleringen. Als mensen van de media, uitgevers van kranten, naar ons toe komen en zeggen dat ze hun vraagtekens zetten bij bepaalde kwesties, dan moet daar serieus over worden gedebatteerd. Als we over gezinnen debatteren, dan zegt de commissaris dat hij de lidstaten niets wil voorschrijven, maar met deze richtlijn gaan we natuurlijk via de achterdeur harmoniseren. En zo kan ik doorgaan. Er zijn verschillende argumenten die kunnen worden aangevoerd en die onze fractie zorgen baren, ernstig zorgen. Deze zaken mogen worden aangekaart, ook als men zich vol overgave tegen discriminatie inzet.

Links is vandaag in het Parlement weer bijzonder zelfvoldaan, omdat het weer nieuwe wetgeving op diverse punten creëert. We mogen ons derhalve afvragen of de legislatieve aanpak uiteindelijk daadwerkelijk zoveel nieuwe voordelen heeft voor de mensen die wij willen beschermen. Er zijn ook nog andere fundamentele waarden die het verdienen in ogenschouw te worden gehouden. Als we bijvoorbeeld particuliere overeenkomsten opnemen, zoals de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement voorstelt – niet alleen commerciële maar ook particuliere overeenkomsten – dan mogen we onszelf toch wel afvragen of contractvrijheid niet ook een belangrijke fundamentele waarde is, die wij hier in het Parlement moeten beschermen.

De Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten is tegen discriminatie en zal daar te allen tijde tegen strijden, maar we moeten in het Parlement wel de mogelijkheid hebben om te discussiëren over de wijze waarop.

 
  
MPphoto
 

  Emine Bozkurt, namens de PSE-Fractie. – Morgen hebben we een unieke kans om een historische stap te zetten in de strijd tegen discriminatie door "nee" te zeggen tegen discriminatie. Op dit moment hebben we immers een nogal vreemde situatie. Er bestaan verschillen in bescherming tegen discriminatie. Het valt niet uit te leggen dat iemand die zwart en homo is, buiten de werkvloer wél beschermd is bij de wet tegen discriminatie op grond van zijn huidskleur, maar niet op grond van zijn seksuele geaardheid.

Morgen kunnen we laten zien dat wij als Europees Parlement niet langer discriminatie zullen toestaan op grond van leeftijd, handicap, seksuele geaardheid of godsdienstige overtuiging. Europa is er namelijk voor iedereen. Het kan niet zo zijn dat iemand die een auto of een woning wil huren, geweigerd wordt op grond van zijn religie. En mensen in een rolstoel moeten toch ook gewoon bij de toetsen van de pinautomaat kunnen of toegang hebben tot een trein of station. Het is niet uit te leggen dat iemand van 65+ voor duizenden euro's in het rood mag staan bij een bank, maar van dezelfde bank niet een bescheiden lening krijgt. Vandaag de dag worden we allemaal een dagje ouder. Denkt u zich eens in: het gaat om zaken die onszelf straks ook aangaan.

Deze meningsverschillen maakten de onderhandelingen weliswaar niet gemakkelijk, maar we kunnen trots zijn op het resultaat dat uit de Commissie LIBE is voortgekomen en waaraan overigens alle partijen zich toen hebben verbonden. Het voorstel is redelijk en realistisch. In het geval van mensen met een handicap zullen er wellicht aanpassingen nodig zijn om hun toegang te verschaffen tot bijvoorbeeld goederen en diensten, maar het betekent wel dat deze mensen weer actief kunnen participeren in de maatschappij. Deze aanpassingen zouden vervolgens niet onevenredig bezwarend mogen zijn, en er is ook terdege rekening gehouden met een goede implementeringstermijn. Aanpassingen hoeven niet per direct gerealiseerd te worden. We verwachten niet van lidstaten om per direct treinstations aan te passen. Wel vragen we de lidstaten in toekomstige ontwerpen van gebouwen en vervoermiddelen alvast na te denken over de toegankelijkheid voor mensen met een handicap.

En ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk dit verslag zal zijn voor de burgers van Europa, de mensen waar het namelijk om gaat. Vergeet u alstublieft niet dat volgens de Eurobarometer 87 procent van de Europeanen graag maatregelen ziet voor de discriminatiegronden voor deze richtlijn. Dat zijn ook úw kiezers, meneer Weber. Onze Sociaal-democratische Fractie is erg blij met de voorstellen tegen het probleem van meervoudige discriminatie die nu onderdeel uitmaken van dit verslag.

Kunt u zich voorstellen dat een zwarte vrouw in een rolstoel het gevoel kan hebben gediscrimineerd te worden? Heel weinig landen kennen het concept van meervoudige discriminatie. In de meeste gevallen zou deze vrouw bij aangifte moeten kiezen op welke grond zij gediscrimineerd is. Waarschijnlijker is dat zij niet slechts op één grond wordt gediscrimineerd, maar dat de verschillende gronden met elkaar samenhangen. Voor deze vrouw moet de mogelijkheid bestaan dit aan te klagen en haar recht te halen. We roepen het Parlement dan ook op deze belangrijke bepalingen te behouden.

Collega's, ik vraag u deze richtlijn te steunen. Hier ligt de mogelijkheid voor het Parlement om duidelijk en onomwonden te zeggen dat discriminatie niet langer getolereerd mag worden en dat het Europees Parlement de rechten van al haar burgers even belangrijk vindt. Laten we die stap zetten.

 
  
MPphoto
 

  Sophia in 't Veld, namens de ALDE-Fractie. – Voorzitter, allereerst ook mijn welgemeende complimenten en dank aan de rapporteur, die fantastisch werk heeft verricht. Mijn fractie is heel blij dat er bijna vijf jaar na de belofte van de heer Barroso eindelijk een voorstel voor een richtlijn op tafel ligt. Discriminatie is in strijd met de Europese Verdragen, met het Handvest van de grondrechten en met de Conventie voor de rechten van de mens. Maar verdragen en plechtige verklaringen zijn van weinig nut in de rechtbank. Europese burgers moeten een instrument hebben om hun rechten af te dwingen.

Dat is de raison d'être van de Europese Unie, meneer Weber, niet de melkquota of de aanbestedingsregels of de structuurfondsen, maar een Europese ruimte waar eenieder naar eigen inzicht en in vrijheid zijn eigen leven kan inrichten. Eén Europese ruimte, waar iedereen gelijk is voor de wet, gelijke kansen heeft in de samenleving en met respect wordt behandeld. Een richtlijn is daarvoor niet voldoende, maar wel een eerste voorwaarde. Deze richtlijn gaat over Europa als een gemeenschap van waarden, en waarden kunnen niet worden uitonderhandeld door 27 regeringen in de gebruikelijke uitruil van nationale belangen. Waarden bepalen wij samen als burgers, in een open debat en daarvoor is het Europees Parlement de aangewezen arena.

Ja, meneer Weber, sommige zaken liggen heel gevoelig, met name de gronden seksuele oriëntatie en godsdienst. Maar wij hebben een verantwoordelijkheid ten aanzien van alle burgers, alle Europese burgers, want Europa mag geen Animal Farm worden: "All Europeans are equal, but some Europeans are more equal than others". Vrijheid van godsdienst en van geweten zijn grondrechten waarvoor ik de barricades op zal gaan. In een vrij Europa moet eenieder vrijelijk de eigen levensovertuiging kunnen aanhangen. Dat is de hoeksteen van de democratie. Maar vrijheid van godsdienst mag niet worden misbruikt als vrijbrief voor discriminatie van anderen.

Gisteren publiceerde het Europees Bureau voor de grondrechten het tweede verslag over homohaat in Europa. Het is beschamend dat er in Europa anno 2009 nog miljoenen mensen moeten vrezen voor discriminatie, haat, geweld en zelfs moord, puur vanwege hun seksuele oriëntatie. Ik kan Manfred Weber geruststellen: huwelijksrecht is en blijft een nationale bevoegdheid en daar verandert deze richtlijn niets aan. Maar in het 21e-eeuwse Europa is een huwelijksverbod op grond van religie, ras of seksuele oriëntatie een anomalie. Veel mensen vinden het volkomen aanvaardbaar dat de overheid een huwelijk of partnerschap verbiedt tussen twee volwassenen van gelijk geslacht. Maar zouden we het aanvaardbaar vinden - zoals dat in de geschiedenis gebeurd is - als de overheid een huwelijk verbiedt tussen joden en niet-joden, tussen katholieken en protestanten, tussen blanken en zwarten? Dat is onaanvaardbaar.

Collega's, geef uw stem aan dit verslag in het belang van de burgers die wij allemaal vertegenwoordigen. Een compromis is voor niemand ideaal, ook voor ons niet. Maar laten we, zoals Kathalijne zegt, over onze eigen schaduw heen springen.

Ten slotte roep ik ook de Raad dringend op om de aanbevelingen van het Parlement te volgen. Elke lidstaat heeft wel zo zijn eigen issues, maar het Europees Parlement laat zien dat verschillen overbrugd kunnen worden en dat we het eens kunnen worden over rechten voor alle Europese burgers.

 
  
MPphoto
 

  Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Commissie houdt vol dat dit voorstel er niet op gericht is om het huwelijks- en adoptierecht in de lidstaten te wijzigen. De Commissie beweert dat ze de wettelijke status van de kerk en van religieuze onderwijs- en zorginstellingen niet wil aanpassen.

Het verslag van mevrouw Buitenweg haalt in ieder opzicht een streep door deze beperkingen. In amendement 50 worden de garanties voor het nationaal familie- en adoptierecht onder tafel geveegd. Amendementen 12, 29 en 51 zijn synoniem met een aanslag op de vrijheden van op godsdienst gebaseerde onderwijsinstellingen. In amendement 52 van het verslag wordt de garantie op vrijheid voor de religieuze gemeenschappen in de lidstaten ondermijnd. Het is overduidelijk dat Europees Links de Europese integratie tot één enkele kwestie wil herleiden. Het is er obsessief mee bezig om de laatste nieuwe homoseksuele eisen met alle macht erdoor te drukken. Deze handelwijze kan worden beschouwd als de ernstigste aanslag die ooit op de geloofwaardigheid van dit Parlement is gepleegd.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Raül Romeva i Rueda, namens de Verts/ALE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een fundamenteel gegeven benadrukken, en dat is dat het Europese project niet geloofwaardig kan zijn als het niet ook wordt opgevat als een ruimte waarin onder geen beding gediscrimineerd wordt. Dat is de basis van het onderhavige debat.

Daarom verbaast het me dat sommige collega’s, die in alle andere debatten zo Europees gezind zijn, volslagen anti-Europees worden als het gaat om rechten en vrijheden.

Het is onaanvaardbaar. Het kan niet zo zijn dat iemand in deze tijd in de Europese Unie gediscrimineerd wordt omdat hij iemand van zijn eigen geslacht liefheeft, of omdat hij op leeftijd is, of omdat hij een handicap heeft of, zoals hier ook gezegd is, omdat hij een geloof of godsdienst heeft die niet als de norm beschouwd wordt. Dat is niet het Europa waarin ik wil leven, en dat is beslist niet het Europa waarvoor ik me elke dag inzet, in en buiten dit Parlement.

Ik denk dan ook dat dit voorstel voor een richtlijn noodzakelijk was. Het idee erachter is goed, evenals de beginselen ervan. Het is niet het voorstel dat ikzelf zou hebben gedaan, noch dat wat velen onder u gedaan zouden hebben, maar het is een goed uitgangspunt. Het geeft de juiste richting aan, en daarom hoop ik dat een meerderheid van u morgen, net als ik, voor dit verslag, voor het verslag-Buitenweg zal stemmen. Hopelijk zult u echter vooral akkoord kunnen gaan met het opnemen – het opnieuw opnemen – van lid 2, artikel 7, waarin een essentieel element wordt gewaarborgd, namelijk dat alle verenigingen en organisaties die zich met deze kwesties bezighouden, ook als pleitbezorgers, als wettelijke vertegenwoordigers mogen optreden van gediscrimineerde personen, want we mogen niet vergeten dat het juist deze mensen zijn die deel uitmaken van de meest kwetsbare groepen. Daarom moeten wij er ook voor zorgen dat zij vertegenwoordigd worden en hun belangen naar behoren worden behartigd.

 
  
MPphoto
 

  Sylvia-Yvonne Kaufmann, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik de rapporteur, mevrouw Buitenweg, danken voor al haar werk. Dit onderwerp was vooral bij haar in goede handen.

Het Parlement roept al jaren om deze richtlijn en het is daarom inderdaad van essentieel belang dat deze nog voor het einde van deze zittingsperiode wordt aangenomen. Tegelijkertijd is het van wezenlijk belang dat de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel ter bescherming tegen discriminatie op grond van geslacht presenteert, zodat er eindelijk een einde komt aan de bestaande hiërarchie van vormen van discriminatie. Verder kan ik alleen maar uiterst verbaasd zijn over het feit dat de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten er in amendement 96 op aandringt om discriminatie op grond van geloof of overtuiging uit het toepassingsgebied van de richtlijn te schrappen. Wel, dames en heren van de PPE-DE-Fractie, moeten wij u er daadwerkelijk op attenderen dat de rechtsgrondslag voor deze richtlijn –artikel 13 van het EG-Verdrag – al sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in 1999, dat wil zeggen al tien jaar, geldend recht is? Mag ik u erop wijzen dat alle in artikel 13 genoemde gronden van discriminatie zonder enig onderscheid als gelijkwaardig worden beschouwd? En, dames en heren van de PPE-DE-Fractie, het kan u toch niet zijn ontgaan dat artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de EU eenieders geweten en godsdienst als gelijkwaardig behandelt.

Weet u, mijnheer Weber van de CSU, ik heb uw argumenten goed gehoord, maar ik moet u werkelijk zeggen dat ze God weet oeroud zijn. Uw amendement 81, waarin wordt voorgesteld de gehele richtlijn te verwerpen, gaat eerlijk gezegd gepaard met een welhaast cynische argumentatie, namelijk dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn blijkbaar – en ik citeer – “gepaard gaat met overmatig veel bureaucratie”. Weet u, mijnheer Weber, ik heb eenvoudigweg geen begrip voor deze pogingen om mensen hun rechten te ontzeggen, met name met deze argumentatie, en ik hoop dat uw amendement 81 morgen tijdens de stemming hier in het Parlement met grote meerderheid wordt verworpen. De EU moet in de strijd tegen discriminatie in onze maatschappij eindelijk een stap voorwaarts zetten.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, dit Huis komt op voor burgerlijke vrijheden. Een van die vrijheden is de vrijheid van onderwijs. Een belangrijke vrijheid is de keuze door ouders van een school voor hun kinderen. Christelijke scholen en instellingen in mijn land kiezen er bewust voor om een toelatingsbeleid te formuleren in overeenstemming met de identiteit van die school.

In Nederland bestaat de ruimte om een toelatingsbeleid te voeren in overeenstemming met de grondslag van de school. Er kunnen eisen gesteld worden die nodig zijn om doel en grondslag te verwezenlijken. Ouders kiezen een school die daarin principieel is en die de Bijbel serieus neemt. Dat is een uitwerking van de vrijheid van godsdienst en naar de overtuiging van ouders, in het belang van de opvoeding van hun kind.

De amendementen 29 en 51 beperken daarentegen de vrijheid van scholen om daarin principieel hun keuzes te maken, en daarnaast deel ik het standpunt van collega Weber en anderen. Dit voorstel is niet in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Los van de administratieve problemen lijkt mij dat al voldoende grond om het Commissievoorstel te verwerpen. Ik zal tegen het verslag van collega Buitenweg stemmen. Ik hoop dat ook andere fracties inzien dat er op deze wijze een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de vrijheden van onze burgers. Als we de keuzevrijheid van ouders belangrijk vinden, staan we een beperking daarvan niet toe.

 
  
MPphoto
 

  Frank Vanhecke (NI). - Voorzitter, het is altijd zo dat een verslag over een antidiscriminatierichtlijn in het Parlement het slechtste naar boven brengt. Het is trouwens bijzonder jammer dat dit slechtste, zoals dikwijls, verpakt zit in een hoop goede voorstellen en ideeën om bijvoorbeeld mensen met een handicap te helpen. Maar dat verandert niets aan de grond van de zaak.

In het amendement van collega Weber, amendement 81, wordt inderdaad al het essentiële gezegd: dit Commissievoorstel is niet goed. Het moet weg omdat het veel te veel administratieve rompslomp met zich meebrengt, maar vooral omdat het in essentie het subsidiariteitsbeginsel schendt. Jammer genoeg weten we allemaal dat dit amendement het niet zal halen, want dit Parlement laat geen enkele gelegenheid voorbijgaan om zich nog eens van zijn meest politiek correcte kant te laten zien en kiest altijd voor meer bureaucratie en voor meer beslissingen boven de hoofden van de Europese burgers.

Los daarvan, los van de schending van het subsidiariteitsbeginsel, bevat dit verslag ook tal van voorstellen die compleet indruisen tegen elementaire democratische beginselen en tegen principes van de rechtsstaat. Ik denk aan amendement 54: terwijl het hele verslag met veel poeha oproept om personen niet te discrimineren, pleit men hier voor discriminatie op basis van niet-politiek correcte overtuiging. Maar ja, uiteindelijk gaat het ook daarom in heel veel aspecten van dit verslag.

Verborgen in een opsomming van vrome principes en pseudo-goede bedoelingen schuilt een juridisering van de politieke correctheid. Het gaat dan niet om antidiscriminatiemaatregelen. Het gaat zeer dikwijls om echte muilkorfwetten om de vrije meningsuiting nog verder te ondergraven en een soort progressieve meningsterreur nog verder te versterken. De essentiële vraag is en blijft: in godsnaam, waar bemoeit Europa zich eigenlijk allemaal mee? Laat in godsnaam aan de lidstaten wat aan de lidstaten toehoort.

 
  
MPphoto
 

  Hubert Pirker (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, als de Europese Unie zo nu en dan overkomt als belust op regelgeving en dan terecht wordt bekritiseerd, dan ligt de oorzaak doodeenvoudig in dit soort verslagen waarover wij vandaag debatteren.

Hoezeer ik realistische maatregelen tegen iedere vorm van discriminatie ook ondersteun, toch moet ik de hier naar voren gebrachte punten bekritiseren, omdat ze eenvoudigweg niet gerechtvaardigd zijn en niet het gewenste effect sorteren.

Het is, zoals reeds is opgemerkt, onaanvaardbaar dat bijvoorbeeld religieuze scholen kunnen worden aangeklaagd als ze docenten met een andere of geen godsdienst afwijzen, of verzekeringsmaatschappijen, kunnen worden aangeklaagd als ze bij een risicobeoordeling onderscheid maken op grond van leeftijd of geslacht, of het risico ontstaat dat meteen alle woningen barrièrevrij moeten worden gebouwd. Ja, dames en heren, dat is de richting die we op gaan. We zullen gehandicapten niet langer daadwerkelijke ondersteuning bieden, maar alle woningen onbetaalbaar maken. In plaats van hulp aan gehandicapten onbetaalbare woningen voor iedereen – dat kan toch niet onze bedoeling zijn. Dan is er nog de kritiek op de omkering van de bewijslast. Laten wij zeggen dat ik als lid van het Parlement 25 sollicitanten krijg voor een functie als assistent. Als ik dan al bij een schijn van discriminatie of een gevoel van discriminatie kan worden aangeklaagd, dan kom ik helemaal niet meer aan werken toe. Dan moet ik al mijn tijd spenderen aan de worsteling met het bewijs dat ik moet leveren, alleen omdat iemand een dergelijk gevoel heeft en ik op geen enkele wijze heb gediscrimineerd.

Daar komt nog bij dat vele begrippen zeer vaag zijn. Over het geheel genomen is dit gegevensblad dat is gepubliceerd een voorloper van deze richtlijn. Daarmee is de discussie gestart over de vraag of we de begrippen ‘mevrouw’ en ‘jongedame’ nog mogen gebruiken en of we alle begrippen die eindigen op ‘-man’, zoals staatsman of sportman, moeten schrappen omdat dit allemaal discriminerend zou kunnen zijn.

Dames en heren, dat waarop hier wordt aangedrongen is deels onzin! Daarom zal ik tegen dit verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 

  Martine Roure (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik onze rapporteur willen bedanken, in het bijzonder voor het werk dat zij heeft verricht en voor het resultaat dat uiteindelijk is behaald.

Artikel 13 van het Verdrag is onze steunpilaar, en ik wil er graag de nadruk op leggen dat de lidstaten een hoger beschermingsniveau kunnen waarborgen. Het gaat uitsluitend om minimumnormen en – laten we daar duidelijk over zijn – het is niet mogelijk het huidige beschermingsniveau in afzonderlijke lidstaten te verlagen op basis van deze nieuwe ontwerprichtlijn. Dat komt – om nog duidelijker te zijn – omdat sommige lidstaten al een zeer hoog beschermingsniveau hebben; die gevallen bestaan ook.

Gevrijwaard blijven van discriminatie is een fundamenteel recht voor iedereen die in de Europese Unie leeft. Toch merken we nog maar al te vaak dat er sprake is van discriminatie op grond van iemands uiterlijk of simpelweg zijn of haar achternaam.

Wat mensen met een handicap betreft, moeten wij ervoor zorgen dat zij niet langer gediscrimineerd worden vanwege het gebruik van een rolstoel, want het gebeurt nog te vaak dat zij moeilijk toegang hebben tot veel plaatsen. Verbetering van de Europese wetgeving is een noodzakelijke voorwaarde om discriminatie te bestrijden – en ik herhaal het nog eens: dit is een absoluut een noodzakelijke voorwaarde. Wij hebben deze wetgeving nodig.

Onze kinderen worden vanaf hun vroegste jeugd gediscrimineerd. Ze raken hierdoor getraumatiseerd en dragen de last van deze discriminatie hun leven lang met zich mee. Ik wil uw aandacht in het bijzonder op meervoudige discriminatie vestigen. De Commissie had nagelaten dit in haar voorstel op te nemen. Daarom stellen wij een duidelijke definitie van deze vormen van discriminatie voor.

Het is beslist van essentieel belang dat wij de wetgeving versterken teneinde daadwerkelijk een gelijke behandeling te waarborgen, ongeacht de verschillen. In dit opzicht verzoeken wij de lidstaten maatregelen te nemen om gelijke behandeling en gelijke kansen te bevorderen, ongeacht religie, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

Tot besluit wil ik graag toevoegen dat wij hopen dat er in 2010 een Commissievoorstel komt waarin discriminatie op grond van geslacht op dezelfde voet wordt gesteld, want daarmee zou er een einde komen aan welke hiërarchie van rechten dan ook.

 
  
MPphoto
 

  Gérard Deprez (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, net als de vorige sprekers wil ik om te beginnen onze beide rapporteurs, mevrouw Buitenweg en mevrouw Lynne, bedanken voor hun uitstekende werk, dat zij – ik herinner eraan – in het kader van de versterkte samenwerking hebben verricht.

Hoewel ik persoonlijk veel voel voor de algehele lijn waar mevrouw Lynne voor pleit, wil ik hier mevrouw Buitenweg complimenteren met de intelligentie, openheid en verzoeningsgezindheid waarvan zij tijdens alle besprekingen in onze commissie blijk heeft gegeven om te kunnen komen tot een evenwichtig verslag dat door een grote meerderheid in het Parlement zou kunnen worden gesteund. Ik hoop dat zij hierin slaagt en dat de meest radicale elementen – die soms aan de ene en soms aan de andere kant zitten – er niet in zullen slagen de stemming te bederven.

Daarom – en staat u mij toe erop te wijzen dat ik niet bepaald bekend sta als een linkse fanatiekeling – moet ik zeggen dat ik verbaasd en verbijsterd ben over het amendement dat is ingediend door collega Weber – die ik overigens hoogacht – en enkele anderen. Mijnheer Weber, ik heb naar uw betoog geluisterd en volgens mij raken uw argumenten intellectueel gezien kant noch wal. Wat u te berde heeft gebracht zijn hersenspinsels, geen redenen.

Als men de motivering van uw amendement leest, kan men alleen maar verbijsterd zijn over de gebrekkigheid ervan: weigeren discriminatie te bestrijden uit vrees voor te veel administratieve rompslomp. En als u probeert om van dit voorstel een strijd tussen links en rechts te maken, dan vergist u zich. Discriminatie bestrijden is geen kwestie van links of rechts, het is een kwestie van humanisme en van eerbiediging van de grondrechten.

(Applaus)

Daarom hoop en denk ik dat u morgen het onderspit zult delven.

 
  
MPphoto
 

  Sebastiano (Nello) Musumeci (UEN).(IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, elk initiatief dat gericht is op het bestrijden van elke vorm van discriminatie verdient steun. Het feit dat volgens recente statistieken in het zo beschaafde Europa talloze burgers, zij het dan een minderheid, aangeven te zijn gediscrimineerd, kan niemand volkomen onverschillig laten. Het begrip op zich blijft echter zo breed en abstract dat nadere precisering wenselijk zou zijn.

Onverminderd de fundamentele mensenrechten, waarover geen enkele discussie mogelijk is, moeten we elke lidstaat het soevereine recht erkennen om bij het wet geven ook rekening te houden met eeuwenoude tradities, beschavingen en culturen. Bij dit soort maatregelen is vrijwel altijd sprake van de bescherming van de identiteit van een volk. Laat ik u een voorbeeld geven dat te maken heeft met seksuele geaardheid: ik vind – maar dit is mijn persoonlijke mening – dat de menselijke waardigheid moet worden gewaarborgd ongeacht iemands seksuele voorkeur. Homoseksualiteit is een keuze die valt binnen de persoonlijke levenssfeer en onder geen beding mag worden bestraft, maar evenmin mag worden beschermd. Vrijheid van meningsuiting: waar begint de bescherming tegen directe en indirecte discriminatie, en waar houdt ze op? Vrijheid van godsdienst: op de school van mijn kleindochter is dit jaar voor het eerst geen kerststal gemaakt. De directrice had het verboden omdat er kinderen in de klas waren met een andere religieuze achtergrond. Naar mijn mening is hier, in een poging één vorm van discriminatie te voorkomen, een andere gecreëerd, aangezien de kerststal niet zozeer een religieuze als wel een cultuuruiting is. Respect hebben voor de religie van andere mensen betekent niet, mijnheer de Voorzitter, dat we ons moeten schamen voor die van onszelf!

Dat is de reden waarom wij – en hiermee sluit ik af – vrezen dat dit voorstel voor een richtlijn een uitdrukking is van omgekeerd fundamentalisme en dat het middel wel eens erger zou kunnen zijn dan de kwaal.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, met deze richtlijn worden eindelijk de mazen van de antidiscriminatiewetgeving gedicht. Aldus kan de Europese Unie voldoen aan haar internationale verplichtingen inzake de bescherming van de mensenrechten evenals aan haar verplichtingen in het kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Beste collega’s van de Christen-democraten, uw argumenten tegen de richtlijn zijn populistisch en misleidend. Met welk recht ontzegt u mensen met een handicap de onbeperkte toegang tot onderwijs, of oudere mensen het recht op een gelijkwaardige behandeling bij verzekeringen en financiële diensten? Wat is uw beeld van de mensheid?

Onbeperkte participatie aan de samenleving behoort tot de mensenrechten. Daarom zullen wij vechten voor deze richtlijn en voor gelijke kansen. Het is mijns inziens uiterst mensonterend om van slachtoffers van discriminatie te verlangen dat ze bewijzen dat ze worden gediscrimineerd. Als u, dames en heren van de EVP, de omkering van de bewijslast wilt schrappen, brengt u voor bepaalde groepen het grondrecht op bescherming van hun menselijke waardigheid in gevaar en dat is voor ons onaanvaardbaar. Wij streven naar gelijkheid voor iedereen als het gaat om de bescherming tegen discriminatie en daar zullen wij groenen voor vechten. Wij laten niet toe dat mensenrechten de speelbal worden van populistische paniekzaaierij. Ik voorspel u dat u morgen zult verliezen. De meerderheid hier in het Parlement zal vóór het mensenrecht op bescherming tegen discriminatie stemmen. Daarvan ben ik overtuigd.

 
  
MPphoto
 

  Jim Allister (NI) . (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal om drie redenen tegen dit verslag en de voorgestelde richtlijn stemmen. Ten eerste ben ik het niet eens met de opvatting dat de EU, en niet de nationale regeringen, wetgeving moet maken over deze kwesties, omdat ik geloof dat de lidstaten het beste in staat zijn om te beslissen of de betreffende wetgeving moet worden aangescherpt. Als er ooit bij een kwestie sprake was van subsidiariteit, dan wel bij deze.

Mijn tweede reden is dat het nieuwe misdrijf ‘intimidatie’ het alarmerende vooruitzicht opent dat de rechten op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid, in het bijzonder van degenen die een christelijke boodschap uitdragen, feitelijk worden beknot.

Christenen die het evangelie verkondigen, in het bijzonder in openbare gelegenheden, aan mensen van andere geloofsovertuigingen die er misschien aanstoot aan nemen en beweren dat een aanslag op hun waardigheid wordt gepleegd, lopen het risico deze wet te overtreden. Zo kan ook het verdedigen en promoten van een Bijbelse benadering van het heteroseksuele huwelijk ertoe leiden dat proceszieke homorechtenactivisten intimidatie claimen.

De derde reden is dat de maatregelen in de richtlijn buitenproportioneel en onvoldoende uitgebalanceerd zijn. Zij dwingen bijvoorbeeld een christelijke drukker om drukwerk te accepteren waarmee zijn religieuze overtuigingen worden beledigd, terwijl hij vrij zou moeten zijn om zijn bedrijf naar eigen geweten te voeren.

Zonder de cruciale mechanismen voor een uitgebalanceerde richtlijn, zal er een instrument ontstaan dat juist discriminatie veroorzaakt. Daarom is dit voor mij een onnodige richtlijn, een richtlijn die grondrechten schendt, in het bijzonder de grondrechten van gelovige, gewetensvolle mensen. Bovendien is zij een toonbeeld van alles wat overdreven, bemoeizuchtig en verkeerd is in de EU.

 
  
MPphoto
 

  Nicolae Vlad Popa (PPE-DE). (RO) Het initiatief van de Commissie om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling ook tot andere gebieden van het sociale leven uit te breiden, door middel van een algemene richtlijn die discriminatie op grond van handicap, leeftijd, godsdienst of overtuiging buiten de werkplek verbiedt, is in beginsel noodzakelijk om de antidiscriminatiewetgeving te kunnen afronden. De invoering van het concept van meervoudige discriminatie en de speciale aandacht die aan de rechten van gehandicapten wordt besteedt, betekenen een belangrijke stap vooruit.

Dit voorstel voor een richtlijn blijft echter een netelige en controversiële kwestie. De wetgevingstekst moet voor een evenwicht zorgen tussen de bevoegdheden van de Europese Unie en die van de lidstaten en dus het toepassingsgebied duidelijk omlijnen. Aspecten van het familierecht, waaronder de burgerlijke stand, reproductieve rechten en adoptierechten mogen niet onder het toepassingsgebied van het voorstel voor een richtlijn vallen, iets wat op ondubbelzinnige wijze naar voren moet komen uit de wetstekst zelf. De instelling van het huwelijk mag in geen enkele andere zin dan de christelijke worden gebruikt. Voor andere partnerschappen kan een andere wettelijk erkende benaming worden gevonden.

Het subsidiariteitsbeginsel moet ook worden gerespecteerd met betrekking tot de aspecten die verband houden met de inhoud en organisatie van het nationale onderwijs, met inbegrip van bijzondere scholen. De Europese Volkspartij spreekt zich sinds jaar en dag uit voor de bevordering van diversiteit als belangrijk doel van de Europese Unie en voor de bestrijding van discriminatie. Helaas bevat de tekst bepalingen die vanuit religieus oogpunt niet aanvaardbaar zijn.

Paradoxaal genoeg zijn de linkse partijen in dit opzicht voor discriminatie. In feite wordt ik hier gewoonweg gediscrimineerd omdat ik waarachtig in God geloof.

 
  
MPphoto
 

  Michael Cashman (PSE) . (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit was een interessant debat, dat zelfs grappig zou zijn geweest, indien het niet zo intriest was geweest. De tegenstand die ik vanmiddag heb gehoord was, denk ik, grotendeels eerlijk bedoeld en oprecht, maar niet gebaseerd op feiten, en niet gebaseerd op de onderhavige tekst. Niets in dit verslag ondermijnt de subsidiariteit of de evenredigheid. Sterker nog, als dat wel het geval was, dan zou het door de Raad worden gecorrigeerd. Daarom doe ik zelfs nu nog een klemmend beroep op u om vóór te stemmen en de Raad in staat te stellen dat te doen wat hij moet doen om te zorgen voor een absoluut evenredige richtlijn die de subsidiariteit eerbiedigt.

Mijnheer Weber, Europa werd geboren uit de waarden van de Tweede Wereldoorlog, uit het vaste voornemen om nooit meer de andere kant op te kijken als een groep mensen of andere groepen tot mikpunt of zondebok worden gemaakt en naar concentratiekampen en werkkampen worden weggevoerd. Europa werd geboren uit het vaste voornemen om geen hiërarchie van de onderdrukking te laten ontstaan. Treurig genoeg wilt u echter geen Europa dat op deze waarden van fatsoen is gebaseerd; u wilt geen Europa dat gelooft en respecteert dat alle mensen gelijk worden geboren. Degenen die hier tégen zijn, moeten rekenschap afleggen tegenover hun eigen geweten, tegenover hun godsdienst en hun kiezers en de vraag beantwoorden waarom sommige mensen anders behandeld moeten worden, waarom ze niet gelijk behandeld mogen worden.

Ik heb geluk; ik sta hier als homoseksuele man – en ik heb weliswaar ervoor gekozen om homoseksueel te zijn, maar is het dan niet interessant ervoor te kiezen om heteroseksueel te zijn? – en vecht voor gelijkheid voor niet alleen homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transgenders, maar ook mensen die gediscrimineerd worden op grond van leeftijd, godsdienst en gender, op grond van alles wat als anders wordt opgevat en gebruikt kan worden om gelijke behandeling te weigeren. Ik geloof dat de lakmoesproef van een beschaafde samenleving niet is hoe we de meerderheid behandelen – die interessant genoeg is opgebouwd uit vele verschillende minderheden – maar hoe wij minderheden behandelen, zoals de mensen die op de bezoekerstribune naar ons luisteren zullen zeggen. Sommige lidstaten schieten daarbij helaas tekort.

Shakespeare heeft op nogal briljante wijze opgemerkt: “The evil that men do lives on, the good is oft interred with their bones.” (“Het kwaad dat mensen doen leeft na hen voort, het goede wordt vaak met hun gebeente begraven.”) Kijk eens naar uzelf! Stelt u zich eens voor dat u degene was die anders was – die een andere godsdienst had, een andere overtuiging, een andere leeftijd, een andere seksuele geaardheid. Zou het dan juist zijn u uw mensenrechten te ontnemen? Het antwoord moet “nee” zijn. Nu heeft het Parlement de kans om te doen wat juist, rechtvaardig en goed is.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – We zijn nu op een punt in het debat beland waarop de heer Špidla het woord zal moeten nemen. Hij kan beter uitleggen dan ik waarom hij dit moet doen. Ik geef hem nu het woord.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. – (CS) Over een paar minuten moet ik aanwezig zijn bij de onderhandelingen over de arbeidstijdrichtlijn. U zult het met mij eens zijn dat men aan een dergelijk onderwerp niet ontkomt.

Dames en heren, ik heb naar het debat over het verslag geluisterd, en ik moet zeggen dat ik met enige emotie heb geluisterd, omdat in het debat de wezenlijke elementen en de enorme diepte van dit probleem tot uiting zijn gekomen. De fundamentele vraag is wat met deze richtlijn wordt verdedigd: daarmee wordt de menselijke waardigheid verdedigd. We kunnen niet geloven dat discriminatie op grond van bijvoorbeeld een handicap de menselijke waardigheid minder zou krenken dan discriminatie op grond van leeftijd. We hebben het over de menselijke waardigheid en die is gelijk voor iedereen.

Ik moet zeggen dat deze richtlijn, zoals zij is voorgelegd aan de Commissie, is voortgesproten uit een diepgaand debat in het Parlement en uit talloze debatten op Commissieniveau. Daarom is dit een goed doordachte richtlijn, waaruit een solide en heldere benadering van waarden spreekt.

Er is in het debat ook gezegd dat non-discriminatie is gebaseerd op waarden waarvan we ons bewust zijn geworden en die we zijn gaan toepassen na de Tweede Wereldoorlog. Ongeacht of het waar is dat we ons na de Tweede Wereldoorlog meer bewust zijn geworden van het belang en het constituerende gewicht van bepaalde waarden, hebben deze waarden zeer diepe historische wortels. In de oudheid bestond het begrip ‘menselijke gelijkheid’ niet – dat begrip is voor het eerst geformuleerd in het christelijke geloof. Ik herinner mij een encycliek of misschien een pauselijke bul uit de negende eeuw met als titel Oriente ian sole, waarin duidelijk werd verklaard: “Is het niet waar dat de zon voor iedereen op dezelfde manier schijnt?” Sindsdien weerklinkt de echo van dit begrip in de hele geschiedenis.

Natuurlijk zijn er in het debat veel vragen gesteld van technische aard of van een schijnbaar lagere orde dan de vragen waarover we zojuist hebben gesproken. Toch wil ik er graag op ingaan. De eerste vraag ging over het ontstaan van zinloze, extra bureaucratische rompslomp. Ik denk dat dit verwijt om één simpele reden kan worden verworpen. Voor de richtlijn zijn geen nieuwe structuren of nieuwe bureaucratische organen vereist. De richtlijn breidt slechts de toepassing uit van wat al bestaat en levert dus op geen enkele wijze meer bureaucratie op.

Dan was er nog de open vraag over subsidiariteit. Deze vraag is bijzonder zorgvuldig bestudeerd omdat het hierbij om een fundamentele kwestie gaat. Artikel 13 van het Verdrag is duidelijk. Het verschaft een solide rechtsgrondslag en een richtlijn op deze rechtsgrondslag is niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.

Een ander fundamenteel beginsel van deze richtlijn is bijvoorbeeld de kwestie van de omkering van de bewijslast. Deze kwestie is al opgelost in eerdere richtlijnen, dus ook in dit geval is er geen sprake van een nieuwe ontdekking. Toch zou ik iets willen zeggen over de bewijslast. De bedoeling van deze richtlijn is individuele mensen meer mogelijkheden te bieden om zich te verweren – dat is het fundamentele doel. Dit zou echter niet mogelijk worden zonder omkering van de bewijslast – los van het feit dat in veel rechtsstelsels de bewijslast al is omgekeerd om veel minder belangrijke redenen of om redenen van vergelijkbaar belang. Een klassiek geval van omkering van de bewijslast doet zich voor bij het zogeheten vermoeden van vaderschap, maar er zijn nog veel meer voorbeelden.

Er is in het debat ook gezegd dat sommige formuleringen te open zijn. Dames en heren, de meeste grondwettelijke formuleringen zijn open en moeten worden uitgelegd in gegeven omstandigheden. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat in de Duitse grondwet de formulering “bezit schept verplichting” voorkomt. Dit is een typisch open formulering die in verschillende specifieke gevallen uiteraard nader wordt gedefinieerd.

Dames en heren, er zijn overdreven dingen gezegd over mogelijk hoge kosten, vooral in verband met lichamelijk gehandicapten. Ik kan u zeggen dat in de richtlijn geen vaste of concrete zaken worden voorgesteld maar dat er sprake is van redelijke aanpassingen. Ik wil nogmaals duidelijk maken dat als vanaf het begin gezorgd wordt voor redelijke aanpassingen, er meestal geen uitzonderlijk hoge kosten zullen ontstaan. Ik moet zeggen dat, als we hogere kosten aanvaardbaar achten met betrekking tot gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, omdat wij het menselijk leven beschermen, wij naar mijn mening ook eventuele hogere kosten voor de bescherming van de menselijke waardigheid – ofschoon ik niet denk dat ze substantieel hoger zullen zijn – in verhouding moeten zien tot het belang dat ermee wordt beschermd. Gelijkheid en menselijke waardigheid, dames en heren, zijn immers belangen die in het Verdrag geweven zijn en die wij uit alle macht moeten verdedigen.

Naar mijn mening is niets belangrijker voor de Europese Unie dan het beginsel van non-discriminatie. Hoewel ik een aanhanger van de interne markt ben en hoewel ik een aanhanger van vele andere aspecten van Europees beleid ben, geloof ik dat de begrippen ‘gelijke kansen’ en ‘non-discriminatie’ de meest fundamentele van allemaal zijn.

 
  
MPphoto
 

  Sarah Ludford (ALDE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is zonder meer terecht dat we een einde maken aan het ingewikkelde allegaartje van wetten, waarmee verschillende mensen in verschillende situaties tegen discriminatie beschermd worden, en kiezen voor één stelsel voor gelijkheid. De vrouw die geen lening van de bank krijgt, de persoon met een handicap die de toegang tot een gebouw geweigerd wordt, de homoseksuele man die geen woonruimte krijgt, een zwarte man die een club niet inkomt, en zo voort: al deze mensen zouden op grond van dezelfde beginselen beschermd moeten worden.

Ik zou slechts twee zaken willen noemen. Een betreft de bescherming tegen intimidatie. Terecht wordt in de tekst duidelijk gemaakt dat het gaat om een verbod op het creëren van een bedreigende sfeer voor iemand en niet op wat als beledigend voor een groep wordt ervaren. We moeten zeer uitdrukkelijk staan voor het behoud van de vrijheid van meningsuiting. Dit wordt ook op een nuttige manier benadrukt in een specifieke vermelding die door het Parlement is toegevoegd.

Betreffende scholen op religieuze basis: ik sta volledig achter het recht van ouders om hun kinderen onderwijs te laten genieten dat zich houdt aan de beginselen van een bepaald geloof, zo lang dat geloof zelf geen discriminerende en bevooroordeelde standpunten uitdraagt. Maar wij mogen niet toelaten dat er getto's ontstaan en uitsluitend kinderen van een bepaald geloof tot een school worden toegelaten terwijl andere kinderen worden uitgesloten. De tekst van de Commissie maakt discriminatie bij toelating mogelijk en ik ben er niet van overtuigd dat amendement 51 het probleem oplost. Ik zal waarschijnlijk tegen beide stemmen.

 
  
MPphoto
 

  Rihards Pīks (PPE-DE). (LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik geloof niet dat iemand in dit Parlement voor discriminatie is. Veeleer denk ik dat men in dit Parlement tegen discriminatie is. Dit document – dit voorstel voor een richtlijn van de Raad – bevat zonder twijfel veel goede voorstellen, maar ik denk dat vele van de hier opgenomen voorstellen zijn gebaseerd op een christelijk perspectief en het christelijke geloof. Ik zou willen zeggen dat met één richtlijn niet kan worden bereikt wat moet worden bereikt tijdens een langdurig opvoedingsproces, omdat het hierbij gaat om ethiek en mentaliteit. Ofschoon deze richtlijn, of dit voorstel voor een richtlijn, veel goede punten bevat, gaat zij op een aantal plaatsen te ver, namelijk daar waar het scheppen van mogelijkheden voor de ene groep mensen de mogelijkheden voor een andere groep beperkt. Ik zou zelfs verder willen gaan en durven stellen dat op een aantal punten mogelijkheden worden geschapen om in te grijpen in de privé-sfeer, hetgeen ingaat tegen onze fundamentele waarden. Bovendien komen de verkiezingen er nu aan en krijgen we steeds meer vragen en kritiek van onze kiezers. Ik denk dat hetzelfde in uw landen gebeurt. De meest gehoorde kritiek is dat er vanuit Brussel te veel regelgeving, te veel beperkingen, te veel bureaucratie komen. We moeten daarom vermijden dat we inbreuk maken op de subsidiariteit of buitensporige beperkingen in het leven roepen. Ik vind dat dit document moet worden heroverwogen.

 
  
MPphoto
 

  Inger Segelström (PSE). (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst mevrouw Buitenweg, mevrouw Bozkurt, de heer Cashman en anderen bedanken voor het uitstekende verslag. Ik en velen met mij zijn verbaasd en geschokt over de woordvoerder van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, Manfred Weber, die in amendement 81 voorstelt dat het Europees Parlement het voorstel voor een richtlijn afwijst omdat het subsidiariteitsbeginsel zou worden geschonden en een onevenredig omvangrijke bureaucratie zou worden veroorzaakt, zoals ik in de Zweedse vertaling lees. Commissaris Špidla heeft hierop gereageerd.

Ik ben er zeker van dat alle vrouwen met een handicap en alle andere groepen die erop hadden gerekend dat het Europees Parlement ook voor hen de mensenrechten van burgers waarborgt, zeer teleurgesteld zijn dat de leiding van de PPE-DE-Fractie mensenrechten met bureaucratie vergelijkt. Ik roep het hele Parlement dan ook op morgen tegen amendement 81 van de PPE-DE-Fractie te stemmen. Ik denk bovendien dat het belangrijk is dat vrouwen niet gediscrimineerd blijven worden door verzekeringsmaatschappijen, alleen maar omdat zij vrouwen en ouder zijn, en als groep gezonder zijn en langer leven dan mannen. Ik hoop ook dat het Parlement de moed heeft duidelijk te maken dat met belastinggeld gefinancierd onderwijs er voor iedereen is. Religie is zeker belangrijk voor veel Europeanen, wat ik respecteer, maar wij leven in een geseculariseerde samenleving.

Nee, mijnheer Weber, uw contractvrijheid op de markt is niet zo belangrijk als de fundamentele mensenrechten van burgers. Vraag het de burgers van de Europese Unie; zij zijn slimmer en moderner dan u in de PPE-DE-Fractie. Men verwacht veel van ons en ik hoop dat iedereen de moed heeft hier morgen voor te stemmen en niet tegen, zoals u bepleit.

 
  
MPphoto
 

  Jeanine Hennis-Plasschaert (ALDE). - Voorzitter, dank allereerst aan de rapporteur. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden, ze heeft uitstekend werk geleverd. Geen gemakkelijke klus. De tenen van sommige collega's blijken bijzonder lang te zijn.

Het uitgangspunt van deze richtlijn is kristalhelder. Gelijke behandeling voor daadwerkelijk iedereen: homo-hetero, vrouw-man, oud-jong, kleurtje-blank, handicap of niet, gelovig of humanist, en ga zo maar door. Zijn recht, meneer Weber, zijn recht is haar recht, onze rechten zijn hun rechten en jullie rechten zijn onze rechten. En dat, meneer Vanhecke, die het debat alweer heeft verlaten, heeft niets te maken met zogenoemde politieke correctheid.

Veel, heel veel inspanningen zijn er geleverd door de schaduwrapporteurs en door de rapporteur om tot dit compromis te komen, om tot een compromis te komen waar ook de PPE-DE mee zou kunnen instemmen. Voor niemand is de tekst helemaal perfect, en ik kan alleen maar hopen dat er tussen nu en de stemming van morgen een ruime meerderheid van de christen-democraten tot bezinning komt.

Ik ben voorstander van de vrijheid van godsdienst, maar met de hand op de bijbel jezelf boven een ander willen plaatsen en gelijke kansen afdoen als onzinnige bureaucratie, dat, meneer Weber, is een gotspe.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dames en heren, voor het laatste deel van dit debat zal de heer Barrot het stokje van de heer Špidla overnemen.

 
  
MPphoto
 

  Mario Mauro (PPE-DE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de kern van een antidiscriminatiestrategie komt hierop neer: de persoon komt altijd op de eerste plaats. We beschouwen iemand in de eerste plaats als persoon, voordat we hem of haar beschouwen als iemand die in enig opzicht anders is – gehandicapt, bijvoorbeeld, of homoseksueel – en dus houden we van de persoon en behoeden en beschermen we hem of haar; dat is de kern van de antidiscriminatiestrategie. Als dit waar is, is het dus eveneens waar dat ook iemand die een bepaalde godsdienst aanhangt allereerst een persoon is, want het feit dat hij of zij een persoon is, is belangrijker dan het feit dat hij of zij een bepaalde godsdienst aanhangt.

We moeten dan ook voorzichtig zijn, want met artikel 3 volgens de formulering die wordt voorgesteld in amendement 52 van het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken wordt een beginsel geïntroduceerd dat lijnrecht tegenover verklaring 11 ad artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie staat. Dit amendement 52 doet het concept teniet dat kerken en organisaties die gebaseerd zijn op religieuze of persoonlijke overtuigingen, de status behouden die zij onder nationaal recht hebben. Tegelijkertijd houden artikel 3 en de daarmee overeenkomende overweging 18, in de formulering zoals die in de amendementen 51 en 29 van het verslag wordt voorgesteld, mijns inziens een beperking in van de reikwijdte van de bevoegdheden van de lidstaten wat betreft de toegang tot onderwijsinstellingen die gebaseerd zijn op godsdienst of overtuiging.

Kortom, ik ben ervan overtuigd dat als wij de persoon van meet af aan en volledig willen beschermen, we ook die aspecten moeten beschermen die de persoon vanuit religieus oogpunt kenmerken. Verder denk ik dat degenen die willen dat de richtlijn wordt aangenomen een redelijk punt van overeenstemming kunnen vinden in de amendementen 92, 89 en 95, en daar zouden dus concrete aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor een dialoog op dat niveau.

 
  
MPphoto
 

  Claude Moraes (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, de voorzitter van onze commissie, de heer Deprez, sprak namens velen van ons in dit Parlement toen hij zei dat dit geen verslag was over deelbelangen of een verslag van links, maar een verslag van mevrouw Buitenweg, dat zeer doordacht, gevoelig en afgewogen is waar het om mensen gaat. De rapporteur heeft een verslag gemaakt dat bedrijven niet bindt of aan overregulering onderwerpt, zoals we hebben gezien in de lange reis die de twee vorige richtlijnen hebben afgelegd – de richtlijn inzake rassengelijkheid en de richtlijn inzake werkgelegenheid – die, mijnheer Weber, het bedrijfsleven niet hebben gebonden of buitensporige regels hebben opgelegd, noch in Duitsland noch in mijn land.

Zij heeft een richtlijn over grondrechten opgesteld die absoluut niet de bureaucratie waarover de heer Špidla het had, zal veroorzaken. Ik heb amendementen ingediend voor het versterken van reeds bestaande instanties voor gelijke behandeling. In het Verenigd Koninkrijk hebben we de Equality and Human Rights Commission, die recentelijk steun heeft gegeven aan de zaak van een Europees burger – Sharon Coleman, de moeder van een gehandicapt kind – die haar werkgever had aangeklaagd vanwege associatieve discriminatie op grond van een handicap, hetgeen een fundamentele rol speelt in het verslag van mevrouw Buitenweg. Het Europees Hof van Justitie heeft haar in het gelijk gesteld en, als gevolg van deze uitspraak, hebben we bepaalde rechten uitgebreid naar verzorgers in Groot-Brittannië, naar de mensen die personen met een handicap verzorgen.

Ik zou tegen de mensen in dit Parlement willen zeggen dat ook u oud zult worden, dat ook u een handicap kunt krijgen of dat ook u mogelijk voor iemand met een handicap zult gaan zorgen. Dat is de werkelijkheid voor tientallen miljoenen Europese burgers, en daar gaat dit verslag over. Het gaat niet over deelbelangen of zorgen over de vraag wie de scepter zal gaan zwaaien in een andere sector van de samenleving. Ik wil zeggen dat dit verslag links noch rechts is – het gaat over grondrechten. Zoals de heer Cashman zei in zijn toespraak, zullen de mensen daarbuiten, voor de Europese verkiezingen, kijken wat wij hebben gedaan om de grondrechten te beschermen zonder het bedrijfsleven en onze economie schade te berokkenen. Dat is wat dit verslag doet. Laten we het steunen. Het is praktisch en het is juist.

 
  
MPphoto
 

  Marco Cappato (ALDE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik wil graag mijn steun betuigen voor het werk dat mevrouw Buitenweg heeft verricht. Als ik het goed begrijp, zal dat wat in eerste instantie een compromis moest zijn, wellicht toch geen compromis zijn, maar dat doet er niet toe. Het is belangrijk dat we erin slagen om tot een beslissing te komen.

Op sommige punten staan mijn zorgen zelfs lijnrecht tegenover die van de heer Mauro. Godsdienstvrijheid? Jazeker, 100 procent. Vrijheid voor religieuze onderwijsinstellingen? Jazeker, 100 procent. Geen enkele godsdienst mag, onder geen beding, ooit als reden, excuus of dekmantel worden gebruikt voor welke vorm van discriminatie dan ook. Er mogen in de toekomst ook geen uitzonderingen worden getolereerd waarbij een kerk of religieuze instelling leraren of leerlingen die zich niet volgens een bepaald geloof gedragen, mag discrimineren, omdat het risico bestaat dat de ethische staat en de vele religies die aanspraak maken op dezelfde legitimiteit, hier inbreuk op kunnen plegen.

Op die manier komen we niet vooruit. Onze verdragen en de Europese Unie verlenen ten slotte helaas meer bescherming dan nodig is aan de nationale staten met hun lange lijsten van uitzonderingen op grondrechten en fundamentele vrijheden. Laten we niet nog meer uitzonderingen toevoegen aan de reeds bestaande lijst.

 
  
MPphoto
 

  Carlos Coelho (PPE-DE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, geachte afgevaardigden, net als mijn collega’s van de PPE-DE-Fractie heb ik in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken voor dit verslag gestemd. Dat is te danken aan het uitstekende werk van de schaduwrapporteur, de heer Gaubert, die gestreefd heeft naar een evenwichtig compromis. Ik feliciteer ook de rapporteur, mevrouw Buitenweg, met haar werk, en sluit me aan bij de oproep die zij tot ons allemaal heeft gericht om radicalisering van standpunten te vermijden en te streven naar de grootst mogelijke consensus.

Zoals altijd het geval is bij compromissen, zijn we bij een aantal punten erin geslaagd onze standpunten te laten zegevieren, terwijl we bij andere punten hebben moeten inleveren. Dit compromis moet rekening houden met de wetgeving, praktijk en verschillende culturele tradities in zevenentwintig lidstaten. De termijn van tien jaar voor de aanpassing van gebouwen, teneinde personen met een handicap toegang te verlenen tot goederen, diensten en hulpmiddelen, acht ik positief, evenals de mogelijkheid van alternatieve oplossingen bij aanhoudende onoverkomelijke problemen van structurele aard.

Ook ik sluit me aan bij de zorgen in verband met verzekeringsmaatschappijen. Zo is er bijvoorbeeld met die maatschappijen rekening gehouden, evenals met het medisch advies. Ik kan evenwel de schrapping van het subsidiariteitsbeginsel aangaande het familie-, huwelijks- en reproductierecht niet aanvaarden. Dat voorstel is goedgekeurd in de commissie, terwijl het hier exclusieve bevoegdheden van de lidstaten betreft. Hetzelfde geldt voor artikel 8, dat amendement 90 van de PPE-DE-Fractie beoogt te schrappen. Daar de bestaande tradities op het vlak van wetgeving tussen veel lidstaten uiteenlopen, is de omdraaiing van de bewijslijst immers onaanvaardbaar. Onoverkomelijke juridische problemen zouden er namelijk het gevolg van zijn.

Als deze belangrijke voorstellen uiteindelijk door de plenaire vergadering worden aangenomen, kan ik niet voor dit verslag stemmen. Ik kan echter nooit met een gerust geweten tegen een richtlijn stemmen die discriminatie verbiedt van personen ongeacht hun godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Het gaat er hier ook om – ik ben aan het afronden, mijnheer de Voorzitter – duidelijk te maken welk Europa wij willen helpen opbouwen. Ik ben zonder meer voor een Europa dat permanent alle vormen van discriminatie bestrijdt.

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, het onderhavige voorstel voor een richtlijn ziet het gelijkheidsbeginsel als een van de kenmerken van de Europese opbouw. Daarom moeten we dit ambitieus aanpakken en er voor zorgen dat alle burgers deelnemen aan de Europese Unie. Ook moet dit worden opgenomen in de beleidsvormen van de overheden en het optreden van de regeringen maar ook in de relaties tussen de mensen onderling.

We moeten deze weg voortzetten zodat alle burgers hun rechten zo goed mogelijk kunnen uitoefenen en genieten, zonder discriminatie op grond van hun geloof, leeftijd, seksuele geaardheid of handicap, en natuurlijk zonder meervoudige discriminatie.

Het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie dienen te worden nageleefd op het gebied van zowel het communautaire als het nationale beleid, zodat het gelijkheidsbeginsel in heel Europa kan worden verwezenlijkt en een adequaat niveau van bescherming kan worden bereikt tegen alle vormen van discriminatie overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag.

Dit initiatief moet ons voorzien van betere instrumenten om mogelijk discriminerende gedragingen te bestrijden, gedragingen die helaas vandaag de dag nog realiteit zijn, zoals het Europees Bureau voor de grondrechten gisteren in zijn verslag over homofobie heeft opgemerkt.

Dames en heren van de Partido Popular, draait u toch niet om de hete brij heen door met slappe excuses te komen; uw tegenstem geeft immers een duidelijk ideologisch standpunt weer. De bestrijding van discriminatie is van vitaal belang en weerspiegelt de essentie van de waarden van de Unie

Daarom hebben wij hier vandaag de verantwoordelijkheid en de plicht om een stap vooruit te zetten in dit Parlement, de gelijkheid in Europa te verdedigen en ons daarvoor te engageren. We mogen niet ons verlangen en onze verwachtingen laten varen en zo’n belangrijke kwestie opgeven, die gebaseerd is op onze hoop en onze dromen, onze Europese waarden. De Europese burgers, en vooral de meest kwetsbare onder hen, zouden het ons niet vergeven.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sógor (PPE-DE). (HU) Overeenkomstig de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geniet elke burger dezelfde rechten en vrijheden en dezelfde rechtsbescherming, ongeacht ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationaliteit of sociale afkomst, vermogen, geboorte of enig ander onderscheid.

Ik wil echter onderstrepen dat er vastberaden en doeltreffend moet worden opgetreden tegen elke vorm van discriminatie, want discriminatie komt in Europa nog steeds veel voor en is van invloed op diverse lagen van de samenleving. In veel gevallen volstaat het niet alle vormen van discriminatie te verbieden. Het invoeren van maatregelen voor positieve discriminatie is ook van essentieel belang, bijvoorbeeld voor mensen met een handicap. In veel landen – Italië, Frankrijk, Finland en Spanje, om er maar een paar te noemen – is aan minderheden autonomie verleend en zijn er maatregelen genomen om deze minderheden te beschermen.

Het behoort ook tot de verantwoordelijkheden van de Europese Unie en haar lidstaten om gelijke rechten en gelijke behandeling in een geïnstitutionaliseerde vorm te garanderen. We hebben onafhankelijke instanties nodig op Europees niveau, die toezicht kunnen houden en kunnen garanderen dat de landen niet alleen in theorie het beginsel van gelijke behandeling naleven, maar ook concrete stappen nemen om deze richtlijn op een doeltreffende manier te implementeren.

 
  
MPphoto
 

  Evangelia Tzampazi (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega´s, ik wilde u vragen of het volgens u een belediging van het Parlement is als ik tijdens mijn spreekbeurt hier achter in de zaak blijf zitten en niet opsta, zoals alle collega´s doen.

Het Europees Parlement heeft altijd steun gegeven aan de horizontale richtlijn inzake gelijke behandeling en moet dat blijven doen. Op die manier kan het de Europese burgers beschermen tegen elke vorm van discriminatie. Deze richtlijn moet een aanvulling zijn op het bestaande Europees rechtskader, met name wat betreft mensen met een handicap en de verplichting om efficiënte en discriminatievrije toegang te waarborgen.

Wij hebben hierin enkele belangrijke voorstellen opgenomen. Zo voorzien wij in bescherming tegen meervoudige discriminatie. Wij zeggen dat een efficiënte en discriminatievrije toegang moet worden gewaarborgd. Indien het niet mogelijk is toegang te bieden onder dezelfde voorwaarden als voor niet gehandicapten, dan moet een echte alternatieve oplossing worden geboden. Ook stellen wij strengere criteria vast aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of de maatregelen voor het verzekeren van efficiënte en discriminatievrije toegang een onevenredige grote last met zich zouden meebrengen. Er staan echter punten in het verslag waar niet iedereen voldaan over is, en daarom geven wij steun aan een aantal van de ingediende amendementen die de samenhang ervan verbeteren.

Hoe dan ook ben ik van mening dat wij steun moeten geven aan het verslag en een duidelijk signaal moeten geven aan de Raad. Wij moeten duidelijk maken dat wij eindelijk een efficiënte Europese wetgeving moeten verwerven waarmee een eind kan worden gemaakt aan discriminatie. Discriminatie ondermijnt immers het vertrouwen in de fundamentele Europese waarden van gelijkheid en rechtsstaat.

 
  
MPphoto
 

  Martin Kastler (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als journalist wil ik u wijzen op een wijziging in deze richtlijn die mij persoonlijk bijzonder stoort. Het is voor mij namelijk onbegrijpelijk dat wij, niettegenstaande het feit dat de richtlijn in tien van de zevenentwintig lidstaten nog is geïmplementeerd, nog een stap verder willen gaan en er een aanvullende richtlijn aan willen toevoegen. Daarover kunnen de meningen uiteenlopen, prima, maar wat mij als journalist werkelijk enorm stoort, is het feit dat de persvrijheid in onze lidstaten daardoor wordt aangetast. Laat u mij daarvoor twee voorbeelden noemen. Het amendement van de heer Weber, dat onze steun verdient, betekent dat het ook mogelijk wordt om de persvrijheid bijvoorbeeld te beperken als een uitgever een advertentie van neonazi’s of van antisemieten moet publiceren. Iets dergelijks is mijns inziens volkomen onjuist en stemt ook niet overeen met de grondbeginselen van de EU, en daarom verzet ik mij daar met hand en tand tegen. Dat mogen we niet laten gebeuren. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor antidiscriminatie. Dan zullen personen die we in de EU niet willen stimuleren maar tegen wie we juist moeten optreden, nog meer mogelijkheden krijgen, bijvoorbeeld op de onroerendgoedmarkt. In het land waar ik vandaan kom, zien we dat neonazi’s op nagenoeg wekelijkse basis proberen om onroerend goed te kopen. Als onroerend goed wordt gehuurd of gekocht, kunnen we niet verhinderen dat links- dan wel rechts-radicalen dit nemen. Zij zullen zich op dit nieuwe amendement beroepen, en daar maak ik ernstig bezwaar tegen en daar zal ik tegen stemmen. Ik ben derhalve voor terugverwijzing naar de commissie en indien dit niet mogelijk is ben ik ervoor om tegen te stemmen.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, door de jaren heen hebben Europa en de rest van de wereld strijd geleverd tegen discriminatie op alle niveaus. Onze ontwikkeling als fatsoenlijke menselijke wezens eist nu eenmaal dat wij dit doen, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

Zoals mevrouw Buitenweg reeds zei, heeft de Commissie meer dan vier jaar lang beloofd om met een algemeen en veelomvattend voorstel voor de rechten van alle mensen te komen. Deze belofte wordt nu eindelijk vervuld.

Ik ben er vast van overtuigd dat geen enkel persoon mag worden gediscrimineerd op grond van zijn of haar religie of overtuiging, handicap of leeftijd. Integendeel, als belijdend christen roep ik het Europees Parlement en iedereen op om niet alleen discriminatie een halt toe te roepen maar ook hulp te bieden aan hen die gediscrimineerd worden vanwege hun handicap.

Die hulp kunnen wij in verschillende vormen bieden. Elke lidstaat heeft zich onophoudelijk ingezet voor de verbetering van gelijke toegang voor hen die dit het meeste nodig hebben. Terwijl Europa verder integreert, is het van het grootste belang dat we onthouden dat we allen anders zijn, maar ook helemaal gelijk in alle opzichten.

 
  
MPphoto
 

  Marusya Lyubcheva (PSE).(BG) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het gaat hier om een uiterst belangrijke richtlijn die een oplossing biedt voor blijvend omstreden problemen op het gebied van non-discriminatie. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat de richtlijn het recht en de vrijheid van geloofsovertuiging en de toepassing van het beginsel van non-discriminatie op dit gebied opnieuw bevestigt.

Tegelijkertijd verwijst de richtlijn uitdrukkelijk naar Verklaring nr. 11 betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, waarin de Europese Unie heeft verklaard de status die kerken en religieuze gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben, te eerbiedigen en daaraan geen afbreuk te doen.

Ook wordt erkend dat de lidstaten het recht hebben specifieke regels op dit gebied op te stellen en toe te passen. Het spreekt vanzelf dat het Europese recht moet worden afgestemd op het recht van de lidstaten om op individuele gebieden regels te formuleren.

Dit is een ingewikkeld onderwerp. De verhoudingen moeten expliciet worden gemaakt, zodat er geen rechten worden geschonden, met inbegrip van de rechten van degenen die tot kerken behoren die wettelijke sancties krijgen opgelegd.

 
  
MPphoto
 

  Manfred Weber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de rapporteur, beste collega’s, nu ik in dit debat zo vaak geciteerd ben, wil ik nog even reageren.

Ik zei al dat degene die vragen stelt in dit debat de boosdoener is. Alle sprekers die hartstochtelijk tegen discriminatie gepleit hebben, hebben het principe beschreven. Ik zou u daarom willen vragen niet over het principe te spreken maar echt de strijd aan te binden tegen discriminatie. Wanneer we bijvoorbeeld op het vlak van milieu spreken over het verbod op CO2-uitstoot, verschillen we misschien van mening over de manier waarop we dit moeten bereiken maar zijn we het wel eens over het doel. Waarom mogen we op het vlak van discriminatie dan niet van mening verschillen over de manier waarop we deze discriminatie willen aanpakken? Wanneer uitgeverijen van kranten bij ons op kantoor zitten en hun bedenkingen meegeven, dan mogen wij die hier noemen.

Beste collega Cashman, u bewijst deze zaak en ook uw standpunt geen dienst door alle personen die hier vragen stellen in een hoek te drummen. Dat is toch gewoon wat wij hier doen!

 
  
MPphoto
 

  Richard Howitt (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe als schaduwrapporteur van de PSE-Fractie in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken mevrouw Buitenweg en ook mijn collega mevrouw Bozkurt te prijzen. Hartelijk dank voor uw samenwerking.

Namens de Handicap Intergroep wil ik zeggen hoezeer het mij verheugt dat er is geluisterd naar de 1,3 miljoen ondertekenaars van het verzoekschrift over uitbreiding van de antidiscriminatiewetgeving naar mensen met een handicap. Ik ben ook zeer verheugd dat wij als partijen het er onderling over eens waren dat er een horizontale richtlijn moest komen en dat er geen hiërarchie in discriminatie mocht bestaan – een belofte die in 2000 door het toenmalige Portugese voorzitterschap van de Europese Unie was gedaan, toen de richtlijn inzake rassengelijkheid werd aangenomen. Maar eerlijk gezegd heeft het te lang geduurd voor deze belofte is ingelost.

Ik veroordeel hiervoor de conservatieven, die deze zaak nog langer willen tegenhouden. In dit debat gaat het er niet alleen om dat we onze steun in het Parlement uitspreken, maar ook dat we de Raad oproepen voort te maken en hierover overeenstemming te bereiken. Ik zou onze Duitse vrienden willen verzoeken dit niet te blokkeren. Er zijn kwesties rondom privécontracten waarover u zich zorgen maakt, maar wat betreft overheidsplichten loopt u ver vooruit. Laten wij hoger inzetten en ervoor zorgen dat we het hierover eens worden. Ik ben zeer verheugd dat het toekomstig Zweeds voorzitterschap heeft toegezegd deze kwestie voor kerstmis in de EPSCO-Raad te zullen afronden. Ik hoop van harte dat dat voor u mogelijk zal zijn.

 
  
MPphoto
 

  Kathalijne Maria Buitenweg, rapporteur. − Voorzitter, voor een rapporteur is het toch wel ontzettend moeilijk om goed te werken als de grootste fractie een soort flipflopbeleid voert. In de Commissie LIBE was de PPE-DE-Fractie vóór dit verslag, omdat er namelijk een redelijk compromis lag. We hebben samengewerkt met de heer Patrick Gaubert, die inmiddels geloof ik onder de bank is verdwenen. Ik heb hem niet meer gezien. Maar in ieder geval hebben we samengewerkt over precies dezelfde tekst en daar bent u nu tégen! Het lijkt erop dat de coördinator, meneer Weber, vooral zijn Duitse nationale partijstandpunt oplegt aan de PPE-DE-Fractie.

Mijnheer Weber, u hebt mij zelf vorige week nog persoonlijk gezegd dat het niet om de inhoud gaat, maar om het politieke signaal. Is het waar of niet? Heeft u dat tegen mij gezegd? Nou, dan kunt u zich nu niet achter details gaan verschuilen, want dan had u gewoon amendementen kunnen indienen. Dat heeft u niet gedaan. U wilt gewoon volledige verwerping van het hele voorstel. U wilt het gewoon niet, dus doe dan niet alsof het einddoel hetzelfde is.

Ik heb een hoop dingen gehoord waarop een simpel antwoord te geven is. Bijvoorbeeld: "Waar bemoeit Europa zich mee?" vragen heel veel mensen. Maar er bestaan al heel veel richtlijnen die al lang een bescherming geven op de arbeidsmarkt, er is ook bescherming tegen discriminatie op heel veel andere gronden buiten de arbeidsmarkt, maar voor een aantal mensen, bijvoorbeeld in het geval van handicap, leeftijd, seksuele oriëntatie en religie, is de bescherming achtergebleven. Dus dit is niet een hele nieuwe uitvinding, dit is een reparatie van bestaande wetgeving. Het is niet een nieuwe bevoegdheid, het is ervoor zorgen dat mensen gewoon gelijk behandeld worden en niet dat we sommige categorieën belangrijker vinden dan andere.

Mijnheer Pirker had het over de arbeidsmarkt. Daar hebben we het überhaupt niet over. Dat was een andere richtlijn. Het gaat nu niet over leraren die aangenomen worden. Laten we wel bij de feiten blijven. De burden of proof is een heikel punt. Dat werd al door de commissaris gezegd. Het is ook niet iets nieuws. Het bestaat ook in de andere richtlijnen. Het is helemaal niet zo dat mensen je zomaar kunnen beschuldigen en dat je je dan maar moet verdedigen. Het gaat ook niet over strafrecht. Mensen moeten op andere gebieden eerst echt gegevens aangeven, feiten waarom zij denken dat ze gediscrimineerd zijn en dan moet u zeggen waarom u op welke gronden iemand wel of niet een huis heeft gegeven.

Wat betreft de media: het staat in de tekst, er is al een voorziening dat je gewoon advertenties kunt weigeren als het niet in lijn is met de identiteit van je tekst. Het staat allemaal in artikel 54. Wat betreft de kerken: zij hoeven niet ook helemaal te voldoen aan al deze eisen, maar wel op het moment dat zij maatschappelijke taken vervullen. In Nederland doen ze bijvoorbeeld een deel van het welzijnswerk. Het kan toch niet zo zijn dat zij alleen maar omdat ze behoren tot een kerk, uitgezonderd zijn wanneer zij maatschappelijke taken vervullen. Dat zijn de hele specifieke punten die erin genoemd zijn.

We hebben ons best gedaan. We hebben u de hele tijd gefaciliteerd. Uw amendementen staan ook hier in de tekst, en nu gaat u toch nog tegenstemmen wegens allerlei partijpolitieke standpunten. Ik moet zeggen: ik voel me echt geraakt, want ik heb mijn hand uitgestoken naar u. Heel veel van uw teksten staan erin en ik vind het schandalig dat jullie je handen hier nu van af trekken!

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag 2 april 2009 plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Casini (PPE-DE) , schriftelijk. – (IT) Menselijke waardigheid en gelijkheid zijn twee belangrijke waarden waar de huidige mensenrechtencultuur op is gebaseerd. Het komt echter vaak voor dat er grote woorden worden gebruikt om het tegendeel te verhullen. Gelijkheid houdt bijvoorbeeld in dat soortgelijke situaties op dezelfde manier worden aangepakt, maar ook dat verschillende situaties op een verschillende manier worden aangepakt. Mijn bedenkingen over het verslag in kwestie komen voort uit deze preliminaire overweging. Er kan geen twijfel bestaan over het feit dat de Europese Volkspartij de volledige waardigheid en gelijkheid van gehandicapten, ouderen, zieken, armen, vluchtelingen en immigranten erkent. Ik heb echter de indruk dat men aan deze reeds vertrokken trein extra wagons wil vastkoppelen om discriminatie op te kunnen leggen met betrekking tot gezinnen die gegrondvest zijn op een huwelijk tussen man en vrouw en met betrekking tot de vrijheid van godsdienst en met name religieuze scholen. Ik zal mijn strijd voor gelijkheid van de kleinsten, de armsten en de meest weerlozen nooit staken. Precies daarom doet het mij pijn dat het Europa van de mensenrechten middels zijn wetgeving en zijn praktijken de zwaarste vorm van discriminatie toepast en een onderscheid maakt tussen geboren en ongeboren baby's. Dit is niet het onderwerp van vandaag, maar het zou goed zijn dit in het Europese bewustzijn mee te nemen wanneer er over waardigheid en gelijkheid wordt nagedacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriela Creţu (PSE), schriftelijk.(RO) Toevallig staat het debat over deze richtlijn vandaag op de agenda, terwijl we er morgen, op Wereld Autisme Dag, erover stemmen. Dit is een gunstig voorteken.

We weten maar al te goed dat er in de praktijk grote verschillen bestaan tussen de nationale wetgevingen van de lidstaten inzake de rechten en belangen van personen die door autisme zijn getroffen. Deze verschillen zijn zelfs nog groter als we het dagelijks leven van de betrokkenen vergelijken.

Europese normen zullen nog een tijd op zich laten wachten, maar er moet nu al vooruitgang worden geboekt. Autisme moet als aparte handicap onder de geestelijke handicaps worden erkend en er moeten gerichte strategieën voor worden ontwikkeld.

Sommigen zullen dit wellicht te duur vinden, maar gelijke behandeling is ook voor deze mensen, net als voor degenen die aan andere handicaps lijden, een absolute noodzaak, willen we onszelf en de waarden van de Europese samenleving kunnen respecteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún (GUE/NGL), schriftelijk. – (GA) Uit deze richtlijn spreekt de zeer belangrijke erkenning dat discriminatie niet iets is dat alleen op het werk voorkomt. Het hoofddoel van de aanbeveling van de vaste commissie is de aanpak van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, alsmede de tenuitvoerlegging van het beginsel dat mensen buiten de werkomgeving gelijk moeten worden behandeld.

Door mijn contacten in Ierland met gehandicapten en met groepen die voor hun rechten opkomen weet ik dat deze wetgeving van harte zal worden toegejuicht. Mevrouw Buitenweg heeft helemaal gelijk wanneer zij in haar verslag schrijft: “Om mensen met een handicap gelijk te behandelen, is het niet voldoende om discriminatie te verbieden. Er is ook positieve actie vereist door van tevoren genomen maatregelen en in de vorm van het bieden van redelijke aanpassingen.”

Ik juich ook het ferme standpunt toe dat de rapporteur en de Commissie innemen ter voorkoming van discriminatie op grond van seksuele geaardheid. Dit soort discriminatie hoort niet thuis in een moderne samenleving en ik verwerp de pogingen van bepaalde fracties om de wetgeving in dit opzicht af te zwakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben socialist, en dat betekent dat ik geloof dat alle mensen gelijk zijn. Wij moeten strijden tegen discriminatie, overal waar deze zich voordoet en dus niet alleen op de werkplek. Er mag zeker geen hiërarchie worden aangebracht in de verschillende soorten van discriminatie. Iedereen is anders, iedereen is gelijk.

Het doel van deze richtlijn is het beginsel van gelijke behandeling van personen toe te passen, ongeacht hun religie of overtuiging, handicaps, leeftijd of seksuele geaardheid, buiten de arbeidsmarkt. Daarin wordt een kader geschetst voor het verbieden van discriminatie op deze gronden en binnen de Europese Unie een uniform minimumniveau vastgesteld voor de bescherming van mensen die dergelijke discriminatie hebben ondervonden.

Dit voorstel is een aanvulling op het bestaande rechtskader van de EG, volgens welke het verbod van discriminatie op grond van religie of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, alleen betrekking heeft op arbeid, beroep en beroepsopleidingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), schriftelijk. – (PL) Discriminatie is zowel in Europa als daarbuiten een ernstig probleem. Volgens een speciaal onderzoek dat in 2008 door Eurobarometer werd uitgevoerd, verklaart 15 procent van de Europeanen het voorbije jaar het slachtoffer te zijn geweest van discriminatie.

Het Europees Parlement heeft meer dan vier jaar op de voorgestelde richtlijn gewacht. Het voorstel is een poging om het beginsel van gelijke behandeling van personen in praktijk te brengen, ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Dit beginsel moet niet alleen van toepassing zijn op de toegang tot werkgelegenheid, maar ook op een aanbod van goederen, uitrusting en diensten, zoals financiële dienstverlening, huisvesting, onderwijs, vervoer en gezondheidszorg.

Daarenboven worden in de tekst minimale kadernormen vastgesteld die bescherming tegen discriminatie garanderen. Lidstaten mogen altijd een hogere mate van bescherming bieden, maar mogen hun huidige normen niet verlagen op grond van de nieuwe richtlijn. De richtlijn voorziet in een recht op schadeloosstelling voor slachtoffers. Ze stelt voorts dat de lidstaten niet alleen de wil moeten uiten, maar ook de plicht hebben om discriminatie te bestrijden.

Een groot aantal lidstaten van de Europese Unie heeft al wetgeving ingevoerd die in meer of mindere mate bescherming biedt tegen discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid buiten de arbeidsmarkt. De huidige ontwerprichtlijn zal het mogelijk maken om op dit gebied coherente Europese regelgeving in te voeren. Zo geven we een duidelijk signaal dat discriminatie in heel Europa ontoelaatbaar is. Niet gediscrimineerd worden is een grondrecht dat voor iedereen in de Unie zou moeten gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (PSE), schriftelijk. (HU) Gelijke kansen is de laatste tijd een steeds sterker thema geworden in de besluitvorming van de Gemeenschap. Het doel van de voorgestelde richtlijn voor gelijke behandeling is het beginsel van gelijke behandeling van personen toe te passen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

Bescherming tegen discriminatie is een grondrecht en dit grondrecht dient voor elke burger van de Europese Unie te gelden. Ik vind het van het allergrootste belang dat we elke vorm van discriminatie bestrijden. We hebben in dat opzicht een lange weg te gaan en het moge ook duidelijk zijn dat we slechts stapje voor stapje voortgang kunnen boeken. Dit houdt ten eerste in dat de wetgeving wordt voltooid en geconsolideerd, ten tweede dat de wetgeving met deze nieuwe, coherente en uniforme beginselen wordt omgezet in nationale wetgeving en tot slot dat deze in de praktijk wordt geïmplementeerd. Hoewel deze stappen afzonderlijk genomen veel werk en tijd vragen is ons doel binnen redelijke tijd concrete stappen voorwaarts te kunnen zetten en in een Europa te kunnen leven dat werkelijk vrij is van discriminatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), schriftelijk.(HU) Ik wil mijn collega, mevrouw Buitenweg, complimenteren met haar verslag, dat de weg opent naar voltooiing van de wetgeving voor de uitbanning van elke vorm van discriminatie. Artikel 13 van het EG-Verdrag heeft tot doel discriminatie te bestrijden, niet alleen op grond van geslacht en etnische afstamming, maar ook op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid.

Ondanks de aanneming van de richtlijnen 2000/43, 2000/78 en 2004/113 en de omzetting daarvan in nationale wetgeving, bestaat er tot op heden geen gemeenschappelijke regeling ter bescherming tegen discriminatie op de hierboven genoemde gronden, buiten het gebied van werk en beroep. De voorgestelde richtlijn beoogt deze lacune op te heffen en we hopen dat de richtlijn, naast een verbod op discriminatie, een juridisch middel kan zijn voor personen in alle zevenentwintig lidstaten die nadelen ondervinden tengevolge van discriminatie.

Een doeltreffende implementatie van de onderhavige richtlijn en een bijstelling van de tekortkomingen die zijn gesignaleerd bij de omzetting en toepassing van de eerdere richtlijnen, zouden een verdere voltooiing betekenen van de bescherming waarop burgers van de Europese Unie een beroep kunnen doen. Bovendien vergt aanneming van de voorgestelde richtlijn geen enkele aanpassing van de betreffende nationale wetgeving. Ik hoop daarom van harte dat de Raad in staat zal zijn ervoor te zorgen dat de volgens het Verdrag vereiste eenparigheid van stemmen wordt bereikt en dat elke lidstaat eraan zal bijdragen dat de Europese Unie een enorme stap voorwaarts kan zetten bij het verwezenlijken van onze fundamentele waarden en doelstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvana Koch-Mehrin en Alexander Graf Lambsdorff (ALDE), schriftelijk. – (DE) De rechtsgrondslag die gekozen is, artikel 13, lid 1 van het EG-Verdrag, is niet gepast. De FDP is namelijk van mening dat het subsidiariteitsbeginsel niet wordt nageleefd. Het is niet de bevoegdheid van de EU-wetgever om dergelijke maatregelen te treffen en aldus ver in te grijpen in de zelfbeschikking van de lidstaten.

Het bestrijden van discriminatie op elk gebied en het stimuleren van de deelname van personen met een handicap aan het openbare leven zijn belangrijke taken. De bedoelde uitbreiding van de antidiscriminatiebepalingen naar bijna alle gebieden van het leven strookt echter niet met de realiteit. De in de richtlijn opgenomen omkering van de bewijslast leidt er nu toe dat beschuldigingen zonder voldoende bewijzen volstaan om een procedure op te starten. De betrokkene zou daardoor gedwongen kunnen worden een schadevergoeding te betalen zonder gediscrimineerd te hebben, enkel en alleen omdat geen voldoende bewijs van onschuld kon worden voorgelegd. De algemeen gedefinieerde omkering van de bewijslast is dus twijfelachtig in het kader van een rechtsstaat. Hiermee wordt onzekerheid gecreëerd en de deur opengezet voor misbruik. Dat kan niet de bedoeling zijn van een vooruitstrevend antidiscriminatiebeleid.

Bovendien mogen we niet vergeten dat de Europese Commissie momenteel inbreukprocedures heeft lopen tegen vele lidstaten wegens het niet correct omzetten van de huidige richtlijnen betreffende het antidiscriminatiebeleid. Tot nu toe ontbreekt echter elk overzicht van de omgezette voorschriften, waardoor niet kan worden vastgesteld of het nodig is om nieuwe bepalingen op te stellen. Met name Duitsland is op bepaalde vlakken aanzienlijk verder gegaan dan de bepalingen uit Brussel. Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Sirpa Pietikäinen (PPE-DE), schriftelijk. (FI) De gelijkheidsrichtlijn zal, wanneer zij ten uitvoer wordt gelegd, een van de belangrijkste stappen zijn die in deze zittingsperiode worden gezet in de richting van een sociaal Europa en een Europa van de mensen. Als de wetgeving betrekking heeft op alle groepen mensen en discriminatiecriteria en op zowel actieve als passieve discriminatie, dan zal zij een enorme impact hebben op het leven van veel EU-burgers. Ik wil in dit verband de rapporteur bedanken voor haar uitstekende werk.

Zowel in Finland als in de rest van Europa wordt het dagelijks leven van een groot aantal mensen bemoeilijkt door een of andere vorm van discriminatie. Dit zou niet mogelijk moeten zijn in een moderne maatschappij waarin de mensenrechten en gelijke behandeling worden gerespecteerd: iedereen moet gelijke kansen hebben om aan de maatschappij deel te nemen. Non-discriminatie is het kenmerk van een geciviliseerde samenleving.

Het is vooral van belang dat de richtlijn alle discriminatiecriteria omvat. Hoewel er grote verschillen zijn tussen groepen en individuen die met discriminatie te maken hebben, moeten wij het probleem van discriminatie als verschijnsel consequent aanpakken zonder groepen te specificeren. Een gefragmenteerde aanpak zou verschillende discriminatiecriteria onvermijdelijk ongelijkwaardig maken en ook kloven creëren waar mensen die om veel verschillende redenen worden gediscrimineerd, in dreigen te vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Siiri Oviir (ALDE), schriftelijk. – (ET) De Europese Unie is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden. In artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat letterlijk: “Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.”

De erkenning van de uniciteit van alle individuen en van hun gelijke recht op de mogelijkheden die het leven biedt, is een van de kenmerken van de Europese eenheid in diversiteit, die een centraal element vormt in de culturele, politieke en sociale integratie van de Unie.

Hoewel de ontwikkeling in de EU tot nu toe op veel terreinen heel succesvol is geweest, is het verbazingwekkend dat we nog altijd geen gemeenschappelijke regels hebben voor de bestrijding van geweld tegen of misbruik van gehandicapten of met betrekking tot seksueel misbruik, en dat niet alle lidstaten deze fundamentele burgerrechten voldoende erkennen. We moeten erkennen dat het Europees rechtskader voor de bestrijding van discriminatie nog niet volmaakt is.

Ik juich de nieuwe richtlijn van harte toe. Deze schept in de EU een gemeenschappelijk kader voor optreden ter bestrijding van discriminatie. Voornoemd kader zal in de lidstaten waarschijnlijk leiden tot een bredere tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling dan alleen op de arbeidsmarkt.

Bestrijding van discriminatie betekent investeren in het bewustzijn van een samenleving waarvan de ontwikkeling plaatsvindt via integratie. Teneinde integratie te bewerkstelligen moet de samenleving echter investeren in onderwijs, bewustmaking en stimulering van positieve praktijken om een redelijk compromis te vinden tussen de voordelen en belangen van al haar burgers. Er zijn daarom nog veel inspanningen onzerzijds vereist om discriminatie in Europa uit de wereld te helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk.(RO) Het recht om niet gediscrimineerd te worden is een grondrecht dat in het kader van zijn toepasbaarheid op de Europese burgers nooit in twijfel werd getrokken. Gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid is een van de grondbeginselen van de Europese integratie.

Deze langverwachte richtlijn, met haar zeer ingewikkelde ontstaansgeschiedenis in de beraadslagingen van het Parlement, is gebaseerd op artikel 13 van het EG-Verdrag en regelt de bescherming tegen elke vorm van discriminatie, met de nadruk op gelijke behandeling. Gezien het feit dat veel mensen, EU-wijd ongeveer vijftien procent, beweren dat zij worden gediscrimineerd, kan er in het geheel geen twijfel over bestaan dat er behoefte is aan deze richtlijn.

Ik zou willen benadrukken dat het van belang is deze richtlijn te vergelijken met de antidiscriminatierichtlijnen die reeds van kracht zijn. Deze taak zal door de Commissie in samenwerking met de lidstaten worden uitgevoerd. Ik ben blij in dit verband te kunnen wijzen op de vooruitgang die Roemenië in de afgelopen jaren op dit gebied heeft geboekt, zoals het Europees Bureau voor de grondrechten te kennen heeft gegeven.

Last but not least geloof ik dat deze richtlijn een significant effect zal hebben, gezien de sociale beschermingsmaatregelen, de sociale uitkeringen en de eenvoudigere toegang tot goederen en diensten waarin zij voorziet.

 
  
  

VOORZITTER: MAREK SIWIEC
Ondervoorzitter

 

15. EFRO, ESF en Cohesiefonds: bepalingen inzake financieel beheer - Nieuwe kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage uit het ESF - Subsidiabiliteit uit hoofde van het EFRO van investeringen in energie-efficiënte en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- de aanbeveling (A6-0127/2009), namens de Commissie regionale ontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 houdende bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wat een aantal bepalingen met betrekking tot het financieel beheer betreft (17575/2008 – C6-0027/2009 – 2008/0233 (AVC)) (rapporteur: Iratxe García Pérez),

- het verslag (A6-0116/2009) van Karin Jöns, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1081/2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds met het oog op de uitbreiding van de soorten kosten die voor een bijdrage uit het ESF in aanmerking komen (COM(2008)0813 – C6-0454/2008 – 2008/0232 (COD)), en

- het verslag (A6-0134/2009) van Emmanouil Angelakas, namens de Commissie regionale ontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting (COM(2008)0838 – C6-0473/2008 – 2008/0245 (COD)).

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez, rapporteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik alle collega’s van de Commissie regionaal beleid bedanken, die hard hebben gewerkt om dit belangrijke akkoord te bereiken. Dit akkoord betreft de wijziging van een aantal verordeningen, waarmee een reeks veranderingen met onmiddellijke ingang kan worden ingevoerd.

De Europese Unie heeft te kampen met een economische crisis zonder weerga, die in de meeste lidstaten geleid heeft tot een recessie. In het kader van het Europees economisch herstelplan, waarin maatregelen voorkomen voor de stimulering van investeringen, heeft de Europese Commissie een reeks voorstellen goedgekeurd met als doel wijzigingen door te voeren in de verordeningen betreffende de structuurfondsen en het Cohesiefonds. Daarbij zijn twee duidelijke prioriteiten gesteld: enerzijds het versnellen van de uitgaven om te zorgen voor meer liquide middelen, en anderzijds het vereenvoudigen van de regels om een snellere uitvoering van projecten mogelijk te maken.

Dit pakket wijzigingen wordt beschouwd als een tijdelijke reactie op een kritieke situatie, ofschoon het ook inspeelt op het streven naar vereenvoudiging en meer flexibiliteit, waar het Europees Parlement herhaaldelijk om verzocht heeft.

Ik wil een korte opsomming geven van de voorgestelde wijzigingen om u duidelijk te maken hoe belangrijk deze zijn voor het verwezenlijken van onze doelstellingen:

- verhoging van de steun van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, waardoor ook meer financiële steun kan worden gegeven aan technische activiteiten in verband met de voorbereiding en uitvoering van projecten;

- vereenvoudiging van de subsidiabiliteit van de uitgaven;

- verhoging van de voorfinanciering voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds, waarbij het totaalbedrag aan aanvullende voorschotten 6,25 miljard euro zal belopen;

- versnelling van de uitgaven bij grote projecten, waarbij het huidige maximum van 35 procent voor voorschotten wordt gewijzigd en begunstigden van staatssteun voorschotten tot 100 procent kunnen ontvangen.

In het Parlement zijn wij ons ervan bewust dat deze maatregelen zo snel mogelijk moeten worden aangenomen om te beantwoorden aan de urgente behoefte aan liquide middelen die in de lidstaten bestaat. We twijfelen er ook niet aan dat deze maatregelen positieve gevolgen zullen hebben, ook in de regio’s en gemeenten van heel Europa.

In het debat van vorige week over de toekomst van het cohesiebeleid waren we het er unaniem over eens dat dit beleid enorme vorderingen in de economische en sociale ontwikkeling van een groot aantal van onze regio’s mogelijk heeft gemaakt.

In deze onzekere tijd is het belangrijker dan ooit dat we de beginselen van solidariteit en samenwerking tussen de regio´s verdedigen. Onze burgers moeten immers kunnen zien dat wij vanuit Europa in staat zijn om te helpen bij het ontsnappen uit de tunnel die voor miljoenen mensen uitloopt op werkelijk moeilijke omstandigheden. Nu hebben wij meer dan ooit sterke instrumenten nodig waarmee we deze problemen tot een oplossing kunnen brengen.

Met het doorvoeren van deze wijzigingen maken we het mogelijk investeringen in projecten aan te trekken en projecten sneller te laten uitvoeren. Bovendien zijn deze tegelijkertijd een belangrijke bron van werkgelegenheid.

Dankzij het Europees Sociaal Fonds kunnen verder initiatieven voor opleiding en herscholing worden ontwikkeld waarmee de meest kwetsbare groepen, die de grootste problemen ondervinden van de crisis, zoals vrouwen, mensen met een handicap, of langdurig werklozen, kunnen worden geholpen bij de herintreding op de arbeidsmarkt. Wij mogen namelijk niet vergeten dat ook in crisistijd zij de meest kwetsbare groepen blijven.

Net als in de toelichting op het verslag moet ik ook hier er nogmaals op wijzen dat dit Parlement graag sterker betrokken was geweest bij de dialoog over het formuleren van de voorstellen, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, ofschoon we begrijpen dat die voorstellen met spoed moesten worden behandeld.

Omdat wij ons bewust zijn van de huidige realiteit en omdat wij vorderingen willen maken bij de oplossing van de huidige situatie verlenen wij dan ook onze steun aan deze voorstellen voor bepalingen tot wijziging van de structuurfondsen.

 
  
MPphoto
 

  Karin Jöns, rapporteur. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, voor het eerst keuren we hier bijna zonder amendementen een voorstel van de Europese Commissie voor een verordening betreffende de structuurfondsen goed. Dat gebeurt niet vaak en eigenlijk blijkt daaruit hoe belangrijk de discussie en de huidige hervormingen zijn en hoe dringend het is om te handelen.

Ik ben opgelucht dat we zo eensgezind kunnen debatteren over dit voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds, en ik zou u allemaal willen bedanken voor het feit dat u gevolg hebt gegeven aan mijn aanbeveling om op de tekst over het Europees Sociaal Fonds geen amendementen in te dienen. Een zaak is namelijk duidelijk: de financiële en economische crisis vereist van ons allen dat we de verantwoordelijkheid nemen voor een optimale en vooral snelle scholing van onze werknemers. Ondertussen hebben steeds meer mensen te kampen met de gevolgen van de internationale financiële crisis op de arbeidsmarkt. Ze verwachten van ons antwoorden, ze verwachten bescherming, en ze hebben die antwoorden vooral nu nodig, niet pas over enkele maanden.

Daarom zal de hervorming van de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds, die we morgen goedkeuren, ook onmiddellijk van kracht worden. Op die manier zorgen we ervoor dat het Europees Sociaal Fonds veel minder bureaucratisch wordt. Het toekennen van middelen wordt vereenvoudigd en daardoor wordt de opneming van de middelen ook versneld. Er komt een einde aan de maandenlange aanvraagprocedures en de moeilijke modaliteiten voor de afrekening, waarbij zelfs bus- en tramkaartjes van deelnemers aan de maatregelen moesten worden gedeclareerd.

Soms vraag ik me af waarom eerst een zo dramatische crisis nodig was om tot deze stap te komen. Maar goed, te laat is het nooit, en met deze hervorming zorgen we er tenminste voor dat de middelen volledig gebruikt kunnen worden en hopelijk ook zo snel en zo goed mogelijk bij de sterkst getroffen burgers aankomen. We moeten deze mensen de kans geven zo snel mogelijk weer hun plaats op de arbeidsmarkt in te nemen. Ze mogen zeker niet wegglijden in een lange periode van werkloosheid, want dan is de weg naar schaarste en armoede niet ver af.

Wat is er nu veranderd? Of wat zal veranderen wanneer we morgen de tekst goedkeuren? Aanvragers van projecten zullen in de toekomst aan de hand van vaste bedragen kunnen afrekenen en ze zullen bovendien forfaitaire bedragen tot 50 000 euro per maatregel kunnen aanvragen. Personen die daarbij nog bedenkingen hebben, kan ik geruststellen. Controle op de juiste verstrekking van middelen blijft gegarandeerd. Vaste en forfaitaire bedragen worden enerzijds vastgelegd door de lidstaten zelf en anderzijds wordt natuurlijk van tevoren door de Commissie nagegaan of ze – en ik citeer – eerlijk, evenwichtig en controleerbaar zijn. Deze procedure lijkt in orde te zijn, want ook onze begrotingscontroleurs hadden hiertegen, verbazingwekkend genoeg, geen bezwaren.

De procedure wordt dus vereenvoudigd. Wat we echter niet veranderen zijn de inhoudelijke prioriteiten van het Europees Sociaal Fonds. Daartoe is nu geen reden, want de aanvragers van de projecten krijgen genoeg speelruimte om zelf op gepaste wijze te reageren op de behoeften van de arbeidsmarkt.

Tot slot wil ik nog opmerken dat wij de lidstaten ook dit jaar de beschikking geven over een verhoging van de voorschotten van 1,8 miljard voor maatregelen op het vlak van bijscholing en opleiding. Ik denk dat dit een duidelijk signaal van het Parlement is dat we in deze crisistijd snel handelen en onze solidariteit tonen.

Ik wil me nog verontschuldigen voor het feit dat ik het debat niet tot het einde kan bijwonen, maar ik word nu verwacht in het bemiddelingscomité over de richtlijn betreffende de arbeidstijd.

 
  
MPphoto
 

  Emmanouil Angelakas, rapporteur. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ook ik wil op mijn beurt de collega’s van de Commissie regionale ontwikkeling danken voor hun samenwerkingsgezindheid.

Wij weten allemaal dat de Europese Commissie, naar aanleiding van de enkele maanden geleden tot uitbarsting gekomen financiële crisis, op 26 november 2008 een mededeling heeft gedaan over het Europees programma voor economisch herstel van de lidstaten en hun regio’s. Haar uitgangspunt daarbij was de noodzaak de Europese economie te ondersteunen en de belangrijkste onderdelen van de strategie van Lissabon te versterken.

Met dit programma worden de lidstaten er onder meer toe aangespoord om de operationele programma’s in het kader van de structuurfondsen en in de energiesector te herzien en daarbij vooral de aandacht te richten op de verbetering van de energie-efficiënte van gebouwen. De bouwsector is namelijk een van de sectoren waarin talrijke banen worden gecreëerd.

Bijgevolg was het noodzakelijk de algemene verordening van 2006 - Verordening nr. 1083 inzake de structuurfondsen - te herzien. Daarom heb ik als rapporteur van het Europees Parlement een verslag geschreven over de herziening van de desbetreffende verordening en meer specifiek over de energie-efficiëntie van gebouwen.

Als rapporteur wil ik op het volgende wijzen. Volgens het EFRO komen in aanmerking voor subsidie alleen huisvestingsuitgaven, en met name uitgaven voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in de huisvestingssector van de in mei 2004 toegetreden lidstaten.

Ik achtte het noodzakelijk om in mijn verslag duidelijk te maken dat bij de herziening van de verordening alle zevenentwintig lidstaten in ogenschouw moeten worden genomen en daarbij vooral moet worden gekeken naar de verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de huisvestingssector. Mijns inziens is dit een zeer belangrijk voorstel. Daarbij wordt immers niet meer uitgegaan van de datum van toetreding maar van de economische situatie van een lidstaat of regio. Ik wil er hier op wijzen er zich huisvestingsproblemen voordoen in heel veel Europese steden en regio´s, die zich niet per se bevinden op het grondgebied van een nieuwe lidstaat.

Verder spreek ik mij uit voor een uitgavenlimiet voor dit soort investeringen ter hoogte van 4 procent van de totale EFRO-begroting, voor schrapping van de verwijzing naar huishoudens met een laag inkomen en voor de aanbeveling uit het oorspronkelijk voorstel van de Commissie op grond waarvan de lidstaten de mogelijkheid krijgen om naar eigen inzicht de subsidiabele woningcategorieën vast te stellen. Daarvan uitgaande achtte ik het van cruciaal belang dat de lidstaten werden belast met het vaststellen van de subsidiabele woningcategorieën. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om speciale criteria vast te stellen, zoals de financiële situatie van de eigenaars, de geografische ligging (eilanden, berggebieden, niet-berggebieden, enzovoort). Tot slot is het zeer belangrijk dat het forfaitaire bedrag wordt verhoogd tot 50 000 euro, omdat dit strookt met het hedendaagse kostenplaatje.

Met dit verslag wil ik de standpunten van het Europees Parlement naar voren brengen, en aldus eveneens het compromis vertegenwoordigen dat in het kader van de medebeslissing werd bereikt over de door ons in het oorspronkelijk voorstel aangebrachte wijzigingen.

De herziening van deze verordening oefent geen invloed uit op de subsidiabele huisvestingskosten en ondersteunt een aantal belangrijke bedrijfstakken, zoals de bouw en de fabricage van energiesystemen en hernieuwbare energiesystemen.

Meer algemeen strookt deze herziening met het subsidiariteitsbeginsel, daar steun wordt verleend aan de lidstaten, evenals met het evenredigheidsbeginsel, daar de verordening nu geldt voor alle lidstaten. Ook wordt steun gegeven aan de in artikel 158 van het EG-Verdrag uiteengezette doelstellingen van het cohesiebeleid. Daarmee ontstaan trouwens geen extra lasten voor het financieel kader 2007-2013, maar wordt de uitbetaling van voorschotten en de tussentijdse betalingen versneld.

Ik wil hier ook nog wijzen op het belangrijke feit dat er drie nieuwe vormen van subsidiabele kosten worden toegevoegd: indirecte kosten, forfaitaire bedragen en forfaitaire kosten.

Tot slot wil ik nog vermelden dat commissaris Barrot hier vandaag commissaris Hübner vertegenwoordigt. Zoals afgesproken zal hij een bindende verklaring van de Commissie afleggen over de evaluatie van de nieuwe maatregelen in 2010. Die verklaring zal alle drie verordeningen betreffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw García Pérez, mevrouw Jöns en de heer Angelakas graag bedanken. U heeft drie kwalitatief hoogstaande verslagen opgesteld over de voorstellen tot wijziging van de verordeningen betreffende de structuurfondsen en het Cohesiefonds, die de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement had voorgelegd in het kader van het Europees economisch herstelplan dat in november 2008 is goedgekeurd.

Uit deze drie verslagen – over de algemene verordening, de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds en de verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling – blijkt de betrokkenheid van het Parlement bij de pogingen om de Europese Unie uit te rusten met de middelen waarmee zij de gevolgen van de crisis voor de groei en de werkgelegenheid snel en op effectieve wijze kan bestrijden.

Het cohesiebeleid is een krachtige hefboom om de reële economie te stimuleren. Met 347 miljard euro aan middelen voor de periode 2007-2013 kan een stevige basis worden gelegd voor begrotingsstabiliteit en overheidsinvesteringen in de lidstaten en de regio's van de Europese Unie.

Dat is de reden dat het cohesiebeleid zo'n belangrijke rol speelt in het Europees economisch herstelplan. In dit herstelplan heeft de Commissie namelijk maatregelen aanbevolen die onder de vier prioritaire gebieden van de strategie van Lissabon vallen: burgers, bedrijven, infrastructuur en energie, en onderzoek en innovatie.

De Commissie heeft eveneens duidelijk gemaakt dat een weloverwogen combinatie van strategie en personele middelen een katalysator kan zijn voor essentiële investeringen, die de EU verder op weg moeten helpen naar een toekomstige duurzame welvaart. Wat het cohesiebeleid betreft, is de belangrijkste doelstelling van deze strategie om meer vaart te zetten achter zowel de uitvoering van de programma's als de investeringen in projecten waar de burgers en de economische activiteit baat bij hebben.

De rapporteurs hebben zojuist de bijzonderheden behandeld van de aan u voorgelegde wijzigingen van de verordeningen. Op enkele daarvan zal ik nader ingaan.

Ten eerste worden, om het beheer van de fondsen te verbeteren de lidstaten faciliteiten geboden, met name in de vorm van een verhoging van de voorfinancieringstranche met 2 tot 2,5 procent, waarmee in 2009 een totaalbedrag van 6,25 miljard euro is gemoeid. Het is van essentieel belang dat dit geld snel bij de begunstigden terechtkomt, zodat er ruimere financiële middelen beschikbaar zijn voor prioritaire projecten.

Op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie betekent de wijziging die in de EFRO-verordening wordt aangebracht, dat er maximaal 4 procent van de totale EFRO-toewijzing in woningen kan worden geïnvesteerd. Dit komt overeen met een totaal aan beschikbare middelen van 8 miljard euro voor alle lidstaten. Hiermee kan het cohesiebeleid een grotere bijdrage leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering.

Wat grote projecten betreft, wordt met de voorgestelde wijziging van de algemene verordening beoogd de regels voor het financieel beheer te versoepelen, waardoor de beheersautoriteit in uitgavendeclaraties aan de Commissie uitgaven kan opnemen die verband houden met grote projecten waarover de Commissie nog geen besluit heeft genomen.

De financiële en economische crisis heeft eveneens specifieke gevolgen voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom was het, in het kader van het herstelplan, van essentieel belang om het voor hen gemakkelijk te maken een beroep te doen op de financiële instrumentering voor de uitvoering van hun projecten, met name dankzij JEREMIE (Gezamenlijke Europese middelen voor kleine en middelgrote ondernemingen). De overige voorstellen tot wijziging van de algemene verordening gaan eveneens in deze richting: rechtstreekse contracten met de Europese Investeringsbank, meer financiële steun bij technische activiteiten voor grote projecten, en subsidiabiliteit van bijdragen in natura in geval van financiële instrumentering.

De Commissie wilde in haar voorstellen tevens de toekenningscriteria voor steun van het EFRO en het Europees Sociaal Fonds vereenvoudigen. Dankzij de met elkaar overeenstemmende amendementen van het Parlement en de Raad zullen de specifieke verordeningen betreffende het EFRO en het ESF op identieke wijze worden gewijzigd, zodat nieuwe soorten van subsidiabele uitgaven, die op basis van vaste bedragen worden berekend, aan de communautaire cofinanciering zullen worden toegevoegd.

Deze veranderingen zullen de procedure ter staving van de uitgaven vereenvoudigen. Ze zullen de werklast verminderen, evenals het aantal bewijsstukken dat moet worden ingediend, zonder afbreuk te doen aan de principes inzake gezond financieel beheer. Deze rationalisatie zal gebruikmaking van de middelen uit het EFRO en het ESF vergemakkelijken, zonder de prioriteiten van deze twee fondsen, die relevant blijven in deze tijden van crisis, te ondermijnen. Dit is dus meer dan alleen een adequaat antwoord op de crisis; het is een antwoord op de herhaalde verzoeken van het Europees Parlement en de Rekenkamer om de structuurfondsen te vereenvoudigen.

Mijnheer de Voorzitter, ik ben de drie rapporteurs dankbaar voor hun steun voor deze reeks maatregelen. Deze zullen ons in staat stellen de uitvoering van de projecten in het veld te versnellen. Deze wetgevingsmaatregelen zullen vergezeld gaan van aanbevelingen aan de lidstaten. Deze aanbevelingen waren het onderwerp van een mededeling van de Commissie die op 16 december 2008 is goedgekeurd. De Commissie heeft onderstreept dat de operationele programma's geheroriënteerd kunnen worden, zodat de steun kan worden gebruikt voor de prioriteiten die het gevolg zijn van de crisis.

Het Europees Parlement heeft eveneens aangegeven graag te willen inspelen op de urgentie van de situatie door ervoor te zorgen dat deze drie ontwerpverordeningen zo snel mogelijk worden aangenomen en dat de maatregelen op korte termijn in de lidstaten worden toegepast. Ik ben het Parlement er dankbaar voor dat het deze ambitie deelt, want dit betekent met name dat de voorschotten aan de lidstaten in mei kunnen worden betaald.

De Commissie heeft rekening gehouden met de oproep van het Parlement. Zij heeft ervoor gezorgd dat de maatregelen die in het kader van het herstelplan zijn goedgekeurd, streng zullen worden gecontroleerd, en dat er een verslag over de uitvoering van de maatregelen en de concrete resultaten ervan aan het Europees Parlement zal worden gepresenteerd.

Daarom zal de Commissie in de tweede helft van 2010 een verslag opstellen over de in het kader van het herstelplan goedgekeurde maatregelen op het gebied van het cohesiebeleid binnen de Unie. Dit verslag, dat – ik herhaal het nog eens – in de tweede helft van 2010 zal worden opgesteld, zal worden gebaseerd op de uitvoeringsjaarverslagen die door de lidstaten in juni 2010 worden opgesteld. Aan de lidstaten zal dan worden gevraagd om in deze verslagen de balans op te maken van de uitvoering van de in het kader van het herstelplan goedgekeurde maatregelen, en om daarbij aan te tonen welke resultaten er in de context van het cohesiebeleid zijn behaald.

Welnu, mijnheer de Voorzitter, de Commissie heeft een verklaring van deze strekking aangenomen, die ik voorleg aan het Europees Parlement. Ik dank alle afgevaardigden en in het bijzonder onze drie rapporteurs voor hun aandacht. Ik zie uit naar een vruchtbaar debat en sta tot uw beschikking om te luisteren naar uw commentaar op de voorstellen tot wijziging van de verordeningen die aan u zijn voorgelegd.

(FR)

Verklaring van de Commissie

Verslag-Angelakas

De Commissie verwelkomt de inspanningen die in een zeer kort tijdsbestek zijn verricht om de in het kader van het Europees economisch herstelplan voorgestelde wijzigingen van de verordeningen betreffende de structuurfondsen en het Cohesiefonds goed te keuren.

Dit resultaat is de uitkomst van een vruchtbare en effectieve samenwerking tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie, met de steun van het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité, ten gunste van de nationale en regionale economieën van de Europese Unie.

Dit wetgevingspakket draagt ertoe bij dat de uitvoering van de operationele programma's wordt vergemakkelijkt en dat er meer vaart wordt gezet achter de investeringen ten gunste van de Europese economie, in het bijzonder door middel van een aantal vereenvoudigingsmaatregelen.

De Commissie zal in de tweede helft van 2010 een verslag opstellen over de in het kader van het herstelplan goedgekeurde maatregelen op het gebied van het cohesiebeleid binnen de Unie. Dit verslag zal met name worden gebaseerd op de uitvoeringsjaarverslagen die door de lidstaten in juni 2010 worden opgesteld. Derhalve wordt de lidstaten verzocht om in deze verslagen de balans op te maken van de uitvoering van de in het kader van het herstelplan goedgekeurde maatregelen, en om daarbij aan te tonen welke resultaten er in de context van het cohesiebeleid zijn behaald.

 
  
MPphoto
 

  Nathalie Griesbeck, rapporteur voor advies van de begrotingscommissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik ben binnen de Begrotingscommissie permanent rapporteur voor de structuurfondsen en in die hoedanigheid heb ik twee goede gronden om tevreden te zijn over deze verslagen.

Om te beginnen worden we eraan herinnerd dat de structuurfondsen de belangrijkste begrotingspost van de Unie vertegenwoordigen. Ten tweede zien we nu, beste collega’s, hoe snel we kunnen werken als het erom gaat doortastende en concrete antwoorden op de economische crisis te formuleren, en dat terwijl we met een heel beperkte begroting moeten werken. Daarover zullen zeker opnieuw onderhandelingen met de lidstaten moeten worden gevoerd.

Ik wil u er in dat verband opnieuw op wijzen dat er een werkelijke wil moet bestaan om een Europese lening aan te gaan voor deze maatregelen. De faciliteiten voor het verbeteren van de kasstroom en het sneller aanspreken van de noodfondsen en –modaliteiten – iets waar we nu al heel lang om vragen – , zijn stappen in de goede richting en zullen in deze onzekere tijden bijdragen tot het herstel van onze economie.

Dat is het soort actie dat ons Europa moet ondernemen: we moeten de sectoren met een grote toegevoegde waarde stimuleren en daarbij meer dan ooit vooruit denken. We moeten een uitweg uit de crisis zoeken door behalve in de traditionele sectoren ook te investeren in die sectoren die garanties kunnen bieden tegen baanverlies van de burgers.

Ook al kan het Parlement snel en correct reageren, het is nu zaak – en dat is mijn boodschap aan u vanavond – dat de lidstaten zich organiseren om het hoofd te kunnen bieden aan deze toestand. We hebben namelijk vastgesteld dat er als gevolg van de administratieve inertie van de lidstaten zelf vertragingen zijn opgelopen. Soms slagen ze er niet in hun strategische doelstellingen goed te formuleren, soms zijn ze niet bereid projecten te cofinancieren. Met dat soort vertragingen zijn miljarden aan steun gemoeid.

In Europa zijn we dus allemaal gereed. Zoals we in mijn land zeggen: “een goede verstaander heeft maar een half woord nodig”. En dan richt ik me nu natuurlijk tot de lidstaten.

 
  
MPphoto
 

  Gabriela Creţu, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. – (RO) De financiële crisis noopt tot een veel voorzichtiger kredietbeleid, dat voor de banken noodzakelijk maar voor de economie zuur is. De nadelige gevolgen hiervan zijn voelbaar in de reële economie, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) en overheidsinstanties die projecten op stapel hadden staan om de sociale en regionale cohesie te verbeteren, banen te scheppen, plaatselijke hulpbronnen te gebruiken en de toegang tot of de terugkeer op de arbeidsmarkt te vereenvoudigen.

De begroting van de Gemeenschap die onder normale omstandigheden al van groot gewicht is, is op het moment een cruciaal financieringsmiddel om de lawine van nadelige gevolgen een halt toe te roepen. Daarom spreekt de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken zich uit voor de vereenvoudiging van de regels en een snellere toegang tot de structuurfondsen en het Europees Sociaal Fonds. Dit levert op tweeërlei wijze voordelen op voor de landen die niet zoveel ervaring hebben met de toegang tot deze fondsen.

We denken dat het noodzakelijk en toe te juichen is dat de Europese financiële instellingen betrokken worden bij financieringsregelingen, dat de structuur van de subsidiabele uitgaven wordt aangepast en dat de plafonds betreffende voorfinancieringen en voorafgaande kennisgevingen worden afgeschaft. De toegang tot de fondsen mag echter geen doel op zich zijn. Met deze wijzigingen is een bedrag van meer dan 6,3 miljard euro gemoeid. Dit is inderdaad een aanzienlijke som.

Voor ons als vertegenwoordigers van de burgers is het van belang dat de fondsen voor de doeleinden worden gebruikt waarvoor ze in het leven zijn geroepen. Vandaag tekenen we een blanco cheque, maar we verlangen wel de nodige transparantie met betrekking tot de wijze waarop dit geld wordt uitgegeven. We hopen ook een positief precedent te scheppen. In het verleden werden talrijke, vooral sociale initiatieven verworpen omdat de nodige rechtsgrondslag ervoor ontbrak. De wijziging van deze regel toont ten overvloede aan dat er, wanneer er een politieke wil is, ook een rechtsgrondslag is. Dit moeten we voor ogen houden.

 
  
MPphoto
 

  Jamila Madeira, rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. (PT) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, als antwoord op de mondiale financiële crisis geeft het herstelplan voor de Europese economie aan dat het cohesiebeleid een aanzienlijke bijdrage levert aan de openbare investeringen van de lidstaten en de regio’s voor het overwinnen van de huidige crisis. Meer specifiek worden maatregelen voorgesteld op de prioritaire terreinen van de strategie van Lissabon teneinde groei en werkgelegenheid tot stand te brengen. Al die in stelling gebrachte instrumenten proberen dit doel te bereiken en sneller resultaten te boeken.

In die zin hebben de uitbreiding van de werkingssfeer van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering en de stroomlijning van het Europees Sociaal Fonds een bijzondere verantwoordelijkheid voor het antwoord op de talrijke noodsituaties op sociaal en economisch gebied die steun vereisen. Evenals in het verleden ben ik er ook op dit moment zeker van dat de werking des te efficiënter zal zijn naarmate de activiteiten en het toepassingsgebied elkaar beter aanvullen. Daar er geen nieuwe kredieten of maatregelen in het veld beschikbaar zijn, is het erg belangrijk dat het volledig potentieel van het Europees Sociaal Fonds wordt gebruikt voor het aanpakken van de werkloosheid en de snelle stijging van de druk van de concurrentie op de Europese economie, die een gevolg zijn van de huidige financiële crisis en economische tegenwind.

Ik zou willen onderstrepen dat de Commissie regionale ontwikkeling er herhaalde malen op heeft gewezen dat vereenvoudiging een essentieel instrument is voor de verbetering van het beheer en de uitvoering van de structuurfondsen. Dat wordt nu door de Europese Commissie met dit voorstel nagestreefd. Er is ons om spoedbehandeling gevraagd van deze maatregelen en bij de goedkeuring van dit pakket verordeningen hebben we met dit verzoek rekening gehouden. Dit Parlement heeft zich immers nooit aan zijn politieke verantwoordelijkheid op dit vlak onttrokken. Hoewel er talrijke visies zijn op de bijzondere situatie van dit moment, hebben we er vooralsnog van afgezien nieuwe amendementen in te dienen, teneinde een snelle afwikkeling van dit proces te garanderen en de reële voordelen voor de burgers te realiseren die het voorstel beoogt. We wijzen er evenwel op dat het noodzakelijk is direct een begin te maken met het beoordelingsproces van dit fonds met het oog op een aanvullende herziening, die zo snel mogelijk tot stand moet komen.

 
  
MPphoto
 

  Iosif Matula, namens de PPE-DE-Fractie.(RO) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik graag het verslag van mevrouw García Pérez toejuichen.

De hervormingen zijn een belangrijk onderdeel van het cohesiebeleid en zijn erop gericht de nadelige gevolgen van de financiële crisis te verlichten. De nu mogelijk gemaakte flexibiliteit bij de verdeling van de Gemeenschapsmiddelen zal een onmiddellijke cashflow voor de nationale economieën opleveren, die hen in staat stelt investeringen te doen in de reële economie. Dat zal een onmiddellijk effect opleveren en we zullen hiervan in de komende maanden met zekerheid de eerste resultaten zien.

De Europese Commissie ondersteunt de economieën van de lidstaten op grond van vier belangrijke prioriteiten, waarvan de voorfinanciering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds en het verhogen van de steun door de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds de belangrijkste zijn. De voorfinanciering die met name de nieuwe lidstaten ontvangen, kan hen in 2009 helpen om de crisis te boven te komen en eveneens voor sociale en territoriale cohesie te zorgen.

Het verslag is ook van groot belang wat betreft de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van volkshuisvesting. De modernisering van verwarmingssystemen in woningen moet een belangrijke plaats op de prioriteitenagenda van de Europese Unie innemen, gezien de toegevoegde waarde die van deze maatregel uitgaat.

In een tijd waarin de verwarmingskosten continu toenemen, moeten de lidstaten ook projecten op het gebied van energie-efficiëntie opnemen in hun programma’s ter bestrijding van de financiële crisis. Ze bieden volgende belangrijke voordelen voor de economie en de bevolking: een geldinjectie ten behoeve van de economie, naast het scheppen van banen, vermindering van de verwarmingskosten, bescherming van het milieu door het terugdringen van de broeikasgasemissies, waarborging van sociale cohesie en ondersteuning van gezinnen met lage inkomens.

In Roemenië bestaat dringend behoefte aan investeringen in de modernisering van 1,4 miljoen woningen.

 
  
MPphoto
 

  Constanze Angela Krehl, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, we bespreken deze drie verslagen op een moment waarop wij zijn geconfronteerd met de grootste en moeilijkste economische en financiële crisis die de Europese Unie ooit gekend heeft. Het klopt natuurlijk dat het cohesiebeleid een bijdrage moet leveren tot het beperken van de gevolgen van deze economische crisis, maar ik wil hier het volgende nogmaals duidelijk stellen. De begroting voor het cohesiebeleid mag dan wel de grootste individuele begroting van de Europese Unie zijn, maar helaas is het ook zo dat de lidstaten nauwelijks 1 procent van hun nationale BBP afstaan aan de begroting van de Europese Unie. Dus zelfs wanneer we meer dan 6,25 miljard euro uitgeven om tussentijdse betalingen en betalingen van voorschotten te financieren, is dat nog maar een druppel op de hete plaat. Het is niet voldoende! Het zal de gevolgen beperken, het zal een hefboom creëren, maar verder blijven ook nationale inspanningen nodig. Misschien moeten we hieraan blijven denken wanneer we spreken over de financiële vooruitzichten.

Onze fractie heeft zeer intensief gesproken over deze drie verslagen en heeft nog enkele goede ideeën. Soms – en collega Jöns zei het al – vragen we ons af of de Commissie een economische crisis nodig had om tot minder bureaucratie te komen. We zullen geen amendementen indienen omdat we weten dat in de regio’s nu snel gehandeld moet worden, en ook omdat we weten dat we elders over aanpassingen van het structuurbeleid moeten spreken.

Daarom kunnen we het hele pakket dat de Commissie voorstelt, steunen. We hopen dat het nu zo snel mogelijk in de regio’s terechtkomt en dat het geld echt gebruikt kan worden om de financiële crisis te bestrijden.

 
  
MPphoto
 

  Jean Marie Beaupuy, namens de ALDE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, ik zal net als mijn collega’s van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie vóór deze verslagen stemmen, niet omdat ze ons op alle punten tevreden stellen – zoals mijn collega’s al hebben aangegeven hadden we graag een aantal amendementen ingediend – , maar eenvoudigweg omdat we snel moeten handelen. Mevrouw Krehl heeft dat net nog eens herhaald.

Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, staat u mij toe dat ik me afvraag of we het eigenlijk wel bij het rechte einde hebben. Het is hier aangenaam warm, en goed verlicht. Weet u dat er nu in Europa dertig miljoen woningen zijn met een lekkend dak en vochtige muren?

Met de 4 procent uit het EFRO kunnen we één miljoen van dit soort woningen weer op orde brengen. Als we die herstelwerkzaamheden uitvoeren, mijnheer de commissaris – en ik zal u zo meteen vragen dat te doen –, creëren we 250 000 banen voor het verbeteren van één miljoen woningen. We stoten dan 40 miljoen ton CO2 minder uit, terwijl we de energierekening van elk gezin met 450 euro per jaar omlaag brengen. Dat zijn de cijfers die ik u geef – ze zijn mij verschaft door een belangrijke Europese organisatie die bekend staat om haar gedegenheid.

Het is dus zaak dat we bij de beslissing die we nu gaan nemen – en dan hebben we het niet alleen over het herstel van de economie, maar ook over het welzijn van de burgers – voldoen aan één heel belangrijke voorwaarde, en die luidt dat de beslissingen die we hier vandaag in dit Parlement samen met de Commissie nemen de eerstvolgende weken en maanden al tastbare gevolgen moeten hebben.

Mijnheer de commissaris, we hebben u zojuist goed naar u geluisterd. U heeft gezegd – en wij geloven u – dat u vóór 30 juni van het volgende jaar aan alle lidstaten zult vragen een verslag bij de Commissie in te dienen. Wij, en dan bedoel ik alle leden van de Commissie regionale ontwikkeling, van eender welke fractie, zijn gaarne bereid een weddenschap aan te gaan. De operationele programma’s zijn overal net goedgekeurd, en we hebben begrepen dat de meeste bestuurlijke autoriteiten van die landen niet graag willen dat die programma’s worden bijgesteld.

Welnu, mijnheer de commissaris, u hoeft op 30 juni – over vijftien maanden – niet al te veel personeel vrij te maken om de door u verlangde verslagen in ontvangst te nemen en te onderzoeken. Want als we op de lidstaten, de bestuurlijke autoriteiten en de partners moeten wachten om actie te ondernemen, zal er niet veel gebeuren.

We hebben nu acht miljard te besteden – en we hebben dertig miljoen woningen die herstel behoeven. Wat moeten we doen?

Mijnheer de commissaris, ik zal u samen met mijn collega’s een voorstel doen: ik stel voor dat de Europese Commissie buiten haar bevoegdheden treedt en de regeringen en de bestuurlijke autoriteiten op een vastberaden – ik wilde bijna zeggen: gewelddadige – wijze tegemoet treedt om ze te vertellen dat ze in gebreke zijn gebleven en dat ze deze bepalingen zo snel mogelijk moeten uitvoeren. Europese afgevaardigden doen niets liever dan teksten goedkeuren, dat is ons werk, maar wat we ook graag zien is dat zulke teksten concrete uitvoering krijgen. We hebben de Commissie daarbij nodig, en ik hoop dat de Commissie naar ons luistert.

 
  
MPphoto
 

  Mieczysław Edmund Janowski, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, wij behandelen vandaag enkele verslagen over regionaal beleid die tot doel hebben nuttige veranderingen en vereenvoudigingen in te voeren. Het is alleen jammer dat de crisis ons gedwongen heeft om een snel en hopelijk efficiënt antwoord te bieden op de huidige toestand. Ik vind het positief dat er meer flexibiliteit kan worden ingevoerd, aangezien het onmogelijk is om de begroting van de Europese Unie te verhogen. Dat wil ik duidelijk benadrukken. Er is hier vandaag al sprake geweest van quota. Dit is slechts een druppel op een gloeiende plaat, aangezien de begroting van de Unie ongeveer 1 procent van het BBP van de lidstaten bedraagt. We kunnen dus alleen maar hopen dat dit druppeltje dit beleid nieuw leven zal inblazen. Dat is absoluut noodzakelijk!

Ik ben verheugd over de toegenomen flexibiliteit die mogelijk wordt dankzij de steun van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds. Ik ben ingenomen met het feit dat de vereenvoudiging van de subsidiabiliteit van de uitgaven met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Het is een goede zaak dat we de betalingen in tranches uitbreiden, dat we de besteding van de financiële middelen versnellen voor grote projecten die vooraf worden ingediend en dat het voortaan mogelijk wordt om bedragen uit te betalen voor de goedkeuring ervan. Ik wil nogmaals de hoop uitspreken dat al deze maatregelen het regionaal beleid een nieuwe impuls zullen geven.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, als groenen zien wij een verband tussen de financiële crisis en de klimaatscrisis, want de klimaatsverandering heeft voor de regio’s negatieve gevolgen op de lange termijn en dit brengt enorm hoge kosten met zich mee. De klimaatsverandering leidt tot een belasting van de economische, sociale en territoriale cohesie. Daarom moeten we nu optreden!

De isolatie van gebouwen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor woningen met behulp van het EFRO vormen een eerste stap. Maar waartoe dient deze vooruitgang wanneer de lidstaten tezelfdertijd via het EFRO mogen investeren in ruimtelijke ordening en overdreven grote afvalverbrandingsinstallaties, die schadelijk zijn voor het milieu en die een negatieve invloed hebben op de klimaatsverandering? Dat is halfslachtig en niet consequent.

Ook in uw bevlogen toespraak, mijnheer de commissaris, hebt u niet vermeld waarom de Commissie ons voorstel om het regionaal beleid duidelijker toe te spitsen op klimaat- en milieubescherming niet overneemt. Ontbreekt het de Commissie aan moed om een aanpassing van de klimaataspecten van de EFRO-verordening bij de lidstaten te bepleiten? Waarom is er geen actieplan voor het regionaal beleid? De bezwaren van DG REGIO tegen klimaatbescherming hebben er voor gezorgd dat onze amendementen in de Commissie geen meerderheid hebben gekregen. Maar we zullen ze nog een keer indienen en vragen om een hoofdelijke stemming. Dan zullen we zien of de kiezers er op kunnen vertrouwen dat ook u zich inzet voor de bescherming van het klimaat.

 
  
MPphoto
 

  Bairbre de Brún, namens de GUE/NGL-Fractie. – (GA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil vandaag het verslag van de heer Angelakas toejuichen. Daarmee geeft hij steun aan de voorstellen van de Europese Commissie om aan de lidstaten financiële middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling te verstrekken voor hernieuwbare energie in huizen.

We worstelen met een economische noodsituatie. De werknemers in de bouwsector zijn – bijvoorbeeld in mijn eigen land, Ierland – in ernstige problemen geraakt. Ik hoop dat we door dit besluit van de EU gedeeltelijke financiering kunnen verschaffen voor een renovatieprogramma voor ten behoeve van energie-efficiëntie. Van zo’n programma zal de bouwsector in Ierland (Noord en Zuid) profiteren, wat zal bijdragen tot het behoud van werkgelegenheid en het nakomen van onze verplichtingen met betrekking tot klimaatverandering en, zoals al eerder in dit debat is gezegd, ten aanzien van de bestrijding van brandstofarmoede (ondersteuning voor mensen die een te hoog percentage van hun inkomen aan brandstofkosten moeten besteden).

Naar mijn mening heeft de Commissie zich terecht geconcentreerd op huisvesting voor mensen met lage inkomens als doelgroep voor deze verandering van de criteria. Het zijn meestal deze mensen met lage inkomens die de klappen krijgen als onze economie verslechtert. Tegelijkertijd kunnen deze mensen hun huizen niet energie-efficiënt renoveren zonder financiële hulp. Met dit plan – mits op de juiste wijze toegepast – zouden daarom de ergste gevolgen van brandstofarmoede met extreem negatieve gevolgen voor zoveel mensen kunnen worden aangepakt.

Ik hoop dat de lokale, regionale en nationale overheden deze gelegenheid aangrijpen en niet zullen nalaten de middelen, waarover zij al beschikken, te gebruiken om het voorstel uit te voeren.

 
  
MPphoto
 

  Fernand Le Rachinel (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het regionaal beleid zal zich tussen 2007 en 2013 ontwikkelen tot de belangrijkste uitgavenpost van de Europese Unie: aan de structuurfondsen zijn 347 miljard euro toegewezen.

Zal die ontwikkeling ertoe bijdragen dat onze economieën beter beschermd zijn tegen de gevolgen van de mondiale economische crisis, zoals de Commissie beweert? Met alle respect, ik betwijfel dat.

Om te beginnen zal de uitbreiding van de regionale uitgaven negatieve consequenties hebben voor bepaalde lidstaten, inzonderheid Frankrijk. De verhoging van die uitgaven gaat immers ten koste van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en dus ook van de Franse landbouw, die tot enige jaren geleden de belangrijkste begunstigde van het GLB was.

Daar komt bij dat de bijdragen van de structuurfondsen aan de Franse regio’s gestaag afnemen. Het grootste deel gaat naar Oost-Europa, dat als gevolg van veertig jaar communisme geheel geruïneerd is.

Frankrijk, dat 16 procent van de Europese begroting bijdraagt, geeft dus steeds meer geld aan Brussel, terwijl het steeds minder ontvangt. En verder is het zo dat het regionale beleid de begunstigden van dat beleid helemaal niet beschermt tegen de economische crisis. Het regionale beleid is immers gebaseerd op de logica van de volkomen ongeremde vrijhandelsideologie van de strategie van Lissabon.

De door de Commissie voorgestelde wijzigingen in het beheer van de structuurfondsen zal onze lidstaten niet in staat stellen het hoofd te bieden aan deze crisis, die nu juist het gevolg is van de ondoordachte opening van de grenzen en de deregulering van de financiële markten.

Meer dan ooit moeten wij een nieuw Europa opbouwen, een Europa dat is gebaseerd op de drie volgende beginselen: economisch en sociaal patriottisme, Europees protectionisme en communautaire preferentie.

 
  
MPphoto
 

  Richard Howitt (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, de wereldwijde economische neergang treft al onze landen en al onze regio's. Het is juist dat wij vanavond noodmaatregelen overeenkomen om ervoor te zorgen dat de Europese fondsen de mensen in nood, in deze tijden van nood, eerder bereiken. Ik juich in het bijzonder de vermindering van het papierwerk toe die mogelijk wordt met de betalingen in de vorm van vaste en forfaitaire bedragen, waardoor kan worden geïnvesteerd in energie-efficiëntie van woningen, met het beschikbaar maken van zo'n zes miljard pond aan subsidies met ingang van dit jaar en met de vereenvoudiging van de leningverstrekking door de Europese Investeringsbank. Op het moment waarop een call-center van een woningbouwvereniging in Hertfordshire in mijn kiesdistrict banen ging afstoten, slaagden wij erin om binnen 24 uur door de EU gesubsidieerde ontslagsteun te verkrijgen. Daaruit blijkt weer eens dat Europa werkelijke hulp aan onze plaatselijke gemeenschappen kan leveren.

Met betrekking tot de wijzigingen die wij vandaag overeenkomen, is het ontwikkelingsbureau East of England ingenomen met het feit dat er meer door bedrijven geleide, compacte en op maat gesneden opleidingsvoorzieningen worden toegestaan. Naar zijn zeggen zal dit ons helpen om de toezegging van onze regio om 124 000 mensen te helpen met alleen al Europese sociale subsidies te eerbiedigen.

Tot slot was ik er erg trots op dat commissaris Hübner zelf naar Lowestoft in mijn kiesdistrict is gekomen voor de lancering van ons Europese regionale ontwikkelingprogramma van 100 miljoen pond, waarin de nadruk ligt op de verlening van steun aan het bedrijfsleven in onze gemeenschappen bij de aanpassing aan een lage CO2-groei. De economische crisis mag onze aandacht niet afleiden van onze langetermijnuitdaging betreffende klimaatverandering. Investering in technologie voor milieuvriendelijke bedrijfsvoering zou zelfs een speerpunt moeten zijn van onze inspanningen voor economisch herstel. East of England is van plan om stevig vast te houden aan deze doelstelling.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik ben ingenomen met dit voorstel, omdat het een directe en tastbare reactie van de EU is op de huidige economische crisis. Wij reageren door gebruik te maken van de beschikbare instrumenten, maar ik ben het roerend eens met mijn collega, de heer Beaupuy, die zei dat wij de boel op orde moeten krijgen en snel iets moeten doen voor de gezinnen en de gemeenschappen.

Ten tweede ben ik ingenomen met de vereenvoudiging van het voorstel en de flexibiliteit die daarin wordt gebracht. Daar was sowieso dringend behoefte aan. Telkens opnieuw hoor ik van groepen die subsidie aanvragen klachten over het papierwerk en de bureaucratie. Dit pakket zal niet al hun problemen oplossen, maar wel kunnen helpen.

Ten derde ben ik bijzonder tevreden over het feit dat bijdragen in natura nu worden erkend als subsidiabele uitgaven. In mijn verslag over de bijdrage van vrijwilligerswerk aan de economische en sociale samenhang, dat door dit Parlement werd aangenomen, heb ik daarvoor ook gepleit. Dat betekent dat bijdragen van vrijwilligers en anderen nu worden beschouwd als bijdragen aan de diverse projecten. Hoewel er een economische crisis nodig was om ons helemaal over de streep te trekken, ben ik er toch erg blij mee.

Met deze maatregel worden de bijdrage van vrijwilligers en vrijwilligerstijd op een praktische manier erkend en wordt tevens aangetoond dat ook dergelijke bijdragen onderdeel kunnen vormen van ons antwoord op de huidige crisis. Op die manier werken we als partners samen met de burgers. Van de satellietboekhoudingen die door verschillende lidstaten zijn gepubliceerd weten we dat de non-profitsector goed is voor vijf à zeven procent van het BBP. Wij onderkennen dit nu, zien er de waarde van in, en zeggen tegen onze burgers: jullie inspanningen, jullie tijd en jullie inzet zijn belangrijk, en wij werken samen met jullie.

 
  
MPphoto
 

  Guntars Krasts (UEN). (LV) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Ik steun de wijzigingen die de bevoegde commissie heeft voorgesteld voor het voorstel van de Europese Commissie inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting. Het voorstel van de Commissie regionale ontwikkeling zal de groei van de vraag en een snellere geldstroom naar maatregelen ter verhoging van energie-efficiëntie bevorderen. De lidstaten krijgen nu mogelijkheden om deze middelen zo te besteden dat ze maximaal effect sorteren op het verhogen van de energie-efficiëntie. De omvangrijkste resultaten zullen worden bereikt als deze middelen worden aangewend voor doeleinden die ruim baan geven aan consumenteninitiatieven ter verhoging van de energie-efficiëntie, en de meest bemoedigende maatregelen zullen die zijn welke de risico’s verminderen voor degenen die zelf overwegen te investeren in energie-efficiëntie. Ik moet echter wel zeggen dat de commissie enkele richtsnoeren zou moeten geven voor de activiteiten van de lidstaten ter zake. Zo’n aanpak zou niet alleen een sterker effect hebben op de stimulering van de economie, maar ook het begrip energiebesparing sneller ingang doen vinden in de lidstaten. De omvang van de beschikbare middelen betekent echter dat de lidstaten het aantal begunstigden zullen moeten beperken, en daarom zou het verstandig zijn gevolg te geven aan het voorstel van de Commissie en deze middelen in eerste instantie te bestemmen voor huishoudens met lagere inkomens. Dank u.

 
  
MPphoto
 

  Jan Olbrycht (PPE-DE). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, we voeren vandaag een debat over bijzonder belangrijke wijzigingen. Deze zijn niet alleen van belang omdat we daarmee een antwoord trachten te bieden op de moeilijkheden in verband met de financiële crisis, maar ook omdat ze een impact kunnen hebben op de ontwikkeling van het cohesiebeleid na 2013. Het spreekt vanzelf dat de invoering van zulke belangrijke wijzigingen niet uitsluitend als een tijdelijke maatregel kan worden opgevat.

We hebben voor het eerst met eigen ogen kunnen zien hoe de Europese Commissie, in overleg met het Parlement en de Raad, maatregelen heeft genomen waarover al geruime tijd gedebatteerd werd en moeilijk overeenstemming kon worden bereikt. We zijn met name getuige van een daadwerkelijke vereenvoudiging, van een daadwerkelijke versnelling en uiteraard van een strategiewijziging, omdat investeringen op het gebied van energiebesparende maatregelen worden opgenomen. Op deze manier dragen we een zeer positieve boodschap uit en maken wij duidelijk dat we in staat zijn om reeds in de programmeringsfase in te spelen op de situatie en niet dogmatisch vasthouden aan eerder vastgestelde beginselen.

Ik kan me soms niet van de indruk ontdoen dat het Europees Parlement als het kleine broertje van de Raad en de Commissie wordt beschouwd. Toch is dit Parlement vastberaden om met zijn optreden duidelijk te maken dat het bereid is om mee te werken aan een snelle reactie op de nieuwe uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd.

 
  
MPphoto
 

  Gábor Harangozó (PSE). (HU) Ik vind dat we vandaag eigenlijk iets te vieren hebben. Het Parlement pleit er al jaren voor dat we niet alleen nepmaatregelen op het vlak van huisvesting financieren maar ook echte maatregelen nemen.

Een groot deel van de bevolking van de EU woont in torenflats. Als we dergelijke woningbouwprojecten ontwikkelen, kunnen we de leefomstandigheden van de bewoners tastbaar verbeteren, het energieverbruik terugdringen, en bovendien banen creëren en behouden. Met de huidige wijzigingen kan 90 procent van de torenflats in mijn land gerenoveerd worden, en dit is hoe dan ook een enorme stap.

Aangezien de fondsen echter nog steeds uitsluitend bedoeld zijn voor dergelijke renovaties in stedelijke gebieden, is er niet helemaal reden tot juichen. De arme bevolking van de plattelandsgebieden, die deze financiële middelen het hardst nodig heeft, wordt weer eens aan haar lot overgelaten. Omdat we dit torenflatprogramma, dat voor ons allemaal belangrijk is, op geen enkele manier in gevaar willen brengen, hebben we echter toch besloten op dit moment geen amendementen in te dienen. We verwachten echter van de Commissie dat ze onze aanbeveling vóór het zomerreces in haar pakket opneemt.

De eerste en belangrijkste stap naar een effectieve en duurzame sociale integratie van de meest achtergestelde gebieden wordt gezet als wij voorgoed een einde maken aan elke vorm van uitsluiting en gettovorming. Het heeft eenvoudigweg geen enkele zin nederzettingen te renoveren die buitengesloten zijn. De oplossing is niet renovatie, maar wederopbouw, ondersteund door complexe programma's waarin sociale werkgelegenheid wordt gecreëerd.

Geachte collega's, we zullen pas echt iets te vieren hebben als mensen in plaats van in ontwortelde plattelandsgetto's in nieuw opgezette sociale coöperaties kunnen werken en bij thuiskomst tegen hun kinderen kunnen zeggen dat ze moeten studeren en hun best moeten doen omdat ze alles kunnen worden wat ze maar willen.

 
  
MPphoto
 

  Samuli Pohjamo (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, allereerst wil ik de rapporteurs bedanken voor hun uitstekend voorbereidend werk. De voorgestelde amendementen op de structuurfondsverordeningen versnellen het gebruik van fondsen en vereenvoudigen de regels, en moeten daarom worden gesteund. Op die manier kunnen wij waarborgen dat geld van de structuurfondsen kan worden gebruikt voor herstel en voor het bestrijden van de negatieve gevolgen van de recessie op de economie en de werkgelegenheid. Het is ook een goed begin van de hervorming van het structuur- en regionaal beleid van de Europese Unie, waarmee de procedures moeten worden vereenvoudigd en versneld en gezorgd moet worden voor veel meer flexibiliteit en resultaatgerichtheid.

Wij moeten ons echter niet alleen richten op minder bureaucratie met betrekking tot de communautaire regelgeving en op het bereiken van meer resultaten, maar ook waarborgen dat de lidstaten dezelfde kant op gaan. De regio’s en plaatselijke actoren moeten meer macht krijgen en de centrale overheid moet haar verstikkende bemoeienis verminderen.

 
  
  

VOORZITTER: MARTINE ROURE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, met het oog op de huidige crisis is het van vitaal belang dat we de economische activiteit stimuleren, banen trachten te redden en zorgen voor bescherming voor personen die hun werk verliezen. Het Commissievoorstel betreffende de uitbreiding van het toepassingsgebied van de kosten die voor financiering uit het Europees Sociaal Fonds in aanmerking komen, is bijgevolg een stap in de goede richting.

Het opnemen van financiering voor vaste bedragen alsook voor directe en gemengde kosten en het afzien van een plafond voor de betalingen dragen in grote mate bij tot een betere besteding van de financiële middelen uit het Europees Sociaal Fonds. De invoering van de betaling van vaste bedragen voor zowel directe als indirecte kosten tot maximaal 50 000 euro zal tot een vereenvoudiging van de administratieve procedures leiden. Op deze manier zullen de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van het ESF kunnen worden weggewerkt. Gezien het spoedeisende karakter van de invoering van deze maatregelen pleit ik ervoor om het voorstel zonder amendementen aan te nemen. Ik zou mevrouw Harkin nog van harte willen bedanken omdat ze de aandacht heeft gevestigd op de erkenning van de waarde van vrijwilligerswerk.

 
  
MPphoto
 

  Maria Petre (PPE-DE).(RO) Om te beginnen wil ik het idee van deze gecoördineerde maatregelen toejuichen. Ik zou ook een speciaal woord van dank aan de rapporteurs willen richten voor het door hen verrichte werk.

We zijn allemaal op de hoogte van de gevolgen die de crisis in elk van onze landen heeft. Deze variëren van een afname van de economische groei en de werkgelegenheid tot een toename van het begrotingstekort en de recessie. Het cohesiebeleid van de EU kan ook in dit kader een overtuigend en doeltreffend instrument zijn. Wij zijn ons terdege bewust van het feit dat Europa zwaar getroffen wordt door deze crisis, maar het is bemoedigend dat de EU snel heeft weten te reageren om oplossingen te vinden.

Het besluit om de regels aan te passen voor de bestaande fondsen die hun doeltreffendheid al hebben aangetoond, is de meest geschikte maatregel. De procedure voor de oprichting van een speciaal crisisfonds zou veel te veel tijd in beslag hebben genomen. De vereenvoudiging van de subsidiabiliteitscriteria, de verhoging van de voorfinancieringen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds en de bespoediging van de investeringen in grote projecten zijn maatregelen die naar ik hoop de lidstaten zullen helpen om uit de economische en financiële crisis te komen.

We zijn ons bewust van het feit dat Europa momenteel niet alleen een economische crisis doormaakt, maar ook een energiecrisis. De maatregel die het mogelijk maakt om het EFRO voor investeringen in energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in de volkshuisvesting te gebruiken, zal naar mijn mening een groot effect sorteren. Roemenië heeft net als de andere landen van Centraal- en Oost-Europa veel problemen met de flatgebouwen. De oude gebouwen zijn uiterst slecht geïsoleerd en een groot aantal bewoners is niet in staat om de isolatie van hun woningen uit eigen zak te betalen.

We hopen dat deze maatregel de Europese burgers zal helpen energie te besparen, zodat ze over meer geld kunnen beschikken en ook hun steentje kunnen bijdragen tot de vermindering van de aardopwarming. De huidige Roemeense regering heeft verklaard dat deze maatregel de hoogste prioriteit heeft en de voorzieningen die zijn getroffen duiden erop dat deze prioriteit inmiddels is gewaarborgd.

 
  
MPphoto
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE). – (EL) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega´s, het onderhavig pakket met wijzigingen van de verordeningen inzake de structuurfondsen is een belangrijke stap vooruit in de richting van vereenvoudiging en een onmiddellijke activering van de middelen, zowel op Europees als op nationaal en lokaal vlak.

Dit is een belangrijke stap voor de ondersteuning van de Europese economie in deze tijd van diepe crisis, waarvan de weerslag op de reële economie, ongeacht het niveau, zich elke dag sterker doet gevoelen. Het is een stap die tegemoet komt aan de steevaste eis van het Europees Parlement dat de procedures worden vereenvoudigd en meer soepelheid wordt gebracht in de toepassing van de regels inzake de structuurfondsen.

Wat is eigenlijk het antwoord van onze leiders op de huidige grote crisis? Waar is het Europees beleid? Als wij ervoor willen zorgen dat de noodzakelijke liquide middelen aankomen bij degenen voor wie ze bestemd zijn en dat de werken onmiddellijk worden opgestart en tijdig worden voltooid, moeten de lidstaten aantonen opgewassen te zijn tegen de omstandigheden. De middelen van het cohesiebeleid moeten onmiddellijk en tijdig ter beschikking worden gesteld van de echte rechthebbenden op regionaal en lokaal vlak. De activering van de operationele programma´s moet tot doel hebben werkgelegenheid, ondernemerschap en concurrentiekracht te waarborgen en het natuurlijk, cultureel en menselijk kapitaal van elke regio te benutten.

Alleen op die manier kan een onmiddellijke activering van de programma´s bijdragen aan de bescherming van de cohesie en het ontstaan van nieuwe kloven worden voorkomen.

Waarde collega´s, de huidige crisis moet voor ons een gelegenheid zijn om een eensgezind geluid, een Europese stem voor de oplossing van de huidige problemen te laten horen.

 
  
MPphoto
 

  Toomas Savi (ALDE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, de toetreding tot de EU gaf toegang tot de structuur- en cohesiefondsen van de Europese Unie, waaruit de Republiek Estland in de periode van 2004 tot 2006 ongeveer 800 miljoen euro heeft ontvangen, terwijl nog eens 3,4 miljard euro in het kader van de financiële vooruitzichten 2007-2013 zijn toegekend.

In weerwil van de ernstige economische crisis is de verwezenlijking van de doelstelling van de fondsen van de Europese Unie, namelijk nivellering van de ontwikkelingverschillen binnen de Unie, dichterbij gekomen.

Ik ben zeer ingenomen met het voorstel van de Commissie aan de Raad om een extra bedrag van 6,3 miljard euro toe te wijzen aan bestrijding van de nadelige gevolgen van de economische crisis, dat wil zeggen aan versnelde tenuitvoerlegging van de fondsen ten gunste van de echte economie.

Ik ben het echter eens met de rapporteur, mevrouw García Pérez, dat in alle lidstaten een eensluidende aanpak is geboden om te voorkomen dat de ongelijkheid binnen de Europese Unie toeneemt en dat het geld van de Europese belastingbetaler verkeerd gebruikt wordt.

 
  
MPphoto
 

  Rolf Berend (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, er zijn allerlei manieren om de onverwachte gevolgen van de financiële en economische crisis aan te pakken. Dit pakket van herzieningen, deze wetgevende maatregel in het kader van het Europese conjunctuurprogramma, is bedoeld als een goed – maar niet afdoende - antwoord op deze situatie, die wel weer overgaat maar toch buitengewoon kritiek is.

Er wordt onder andere geëist dat de procedures in de verordening inzake de structuurfondsen verder worden vereenvoudigd, en dat de bestaande bepalingen flexibeler worden toegepast, een eis die het Europees Parlement in de afgelopen jaren al meerdere malen heeft gesteld. Ik ben blij dat men van plan is om artikel 7 – subsidiabiliteit van de uitgaven – te wijzigen om de lidstaten en de regio’s van de EU in staat te stellen subsidies uit het structuurbeleid te investeren in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in de woningbouw, en het lijkt me ook een goede zaak dat niet alleen huishoudens met een laag inkomen voor deze maatregel in aanmerking komen. Dat is volgens mij een belangrijk punt. In het amendement hierover wordt daarom terecht voorgesteld om de regel “huishoudens met een laag inkomen” te schrappen, en in plaats daarvan voor dergelijke uitgaven een plafond in te voeren van vier procent van de totale EFRO-middelen voor iedere lidstaat. Dat is slechts één van de vele voorgestelde verbeteringen.

Kortom, wanneer dit hele pakket wordt doorgevoerd leidt dat ertoe dat het geld sneller kan worden uitgegeven en er dus ook meer liquiditeit ontstaat voor de uitvoering van de nodige voorbereidende maatregelen met geld uit de structuurfondsen van het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds. Door de regels te vereenvoudigen kunnen we de uitvoering van de programma’s versnellen.

Dit is volgens mij een doelmatige – maar nog niet afdoende – bijdrage aan de aanpak van de huidige crisis.

 
  
MPphoto
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, de Europese Unie heeft te kampen met een crisis zonder weerga waarvan de gevolgen momenteel nog niet te overzien zijn. De huidige situatie heeft niet alleen een vertraging van de groei veroorzaakt maar ook geleid tot een toename van de begrotingstekorten en een dramatische stijging van de werkloosheid. Het Europees cohesiebeleid, dat voor de periode 2007-2013 over een begroting van 347 miljard euro beschikt, lijkt een van de meest doeltreffende instrumenten om investeringen te stimuleren en aanvullende openbare financiering ter beschikking te stellen van de nationale economieën.

De Europese Commissie heeft al een reeks maatregelen aangenomen met het doel wijzigingen door te voeren in het bestaande pakket verordeningen betreffende de structuurfondsen. Deze aanpassingen hebben tot doel de uitgaven te versnellen, ervoor te zorgen dat er meer liquide middelen beschikbaar zijn voor de uitvoering van projecten en de regels te vereenvoudigen met het oog op een snellere tenuitvoerlegging van projecten in de regio's. De voornaamste actieterreinen betreffen het vergroten van de steun van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, evenals de vereenvoudiging van de subsidiabiliteit van de uitgaven. Er wordt tevens gepleit voor de uitbetaling van vaste bedragen en het versnellen van de uitgaven bij grote projecten.

Ik ben ingenomen met het snelle optreden van de Europese Commissie en met de door haar voorgestelde wetgevingswijzigingen. Er dient echter nog een belangrijke wijziging te worden doorgevoerd die tot op heden niet in overweging is genomen. Ik doel in dit verband op het opzetten van een beheers- en controlesysteem, teneinde het volledige economische systeem van de Europese Unie van echte liquide middelen te voorzien.

 
  
MPphoto
 

  Oldřich Vlasák (PPE-DE). (CS) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het voorstel van de Europese Commissie biedt alle lidstaten de mogelijkheid middelen uit de structuurfondsen te investeren in de renovatie en reparatie van flats en andere gebouwen. Dit is van bijzonder belang voor Tsjechië, omdat ongeveer 26 procent van de Tsjechische bevolking in verouderde flats woont. Als het voorstel morgen wordt aangenomen en in april ook formeel wordt goedgekeurd door de Raad, opent het de mogelijkheid om nog eens 16 miljard CZK te investeren in verwarmingssystemen voor flats en huizen, en niet alleen in Tsjechië. Ik juich het persoonlijk ook toe dat de eis wordt afgeschaft dat de fondsen alleen mogen worden gebruikt voor huishoudens met lage inkomens, een eis die ik problematisch acht omdat deze huishoudens per land verschillend worden gedefinieerd.

Naar mijn mening moeten de lidstaten in de gelegenheid worden gesteld te beslissen welke categorieën gebouwen in aanmerking komen voor financiering volgens hun eigen regels en moeten zij hun eigen criteria kunnen bepalen volgens hun eigen behoeften. We moeten betere en goedkopere huisvesting voor iedereen mogelijk maken, niet alleen voor bewoners van de sociale woningsector. Het is betreurenswaardig dat we de financiële crisis nodig hadden hebben gehad om meer investeringen in huisvesting mogelijk te maken en deze maatregelen in de hele EU door te voeren. Ik verwelkom het besluit echter van harte, omdat mensen hun geld tegenwoordig heel zorgvuldig moeten besteden en we hen op deze manier helpen te besparen op hun kosten van verwarming en heet water, dus op hun woonlasten. Volgens een schatting van de organisatie CECODHAS kunnen Europese huishoudens gemiddeld 450 EUR per jaar besparen op deze kosten en dat betekent tastbare hulp.

 
  
MPphoto
 

  James Nicholson (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteurs feliciteren met het uitstekende werk dat zij hebben gedaan met deze verslagen, die ik bij het Parlement aanbeveel. Ik denk dat deze steun van harte moet worden toegejuicht.

Als de lidstaten van deze gelegenheid gebruik maken om de 4 procent subsidie van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te besteden aan het stimuleren van investeringen in energie-efficiëntie in huisvesting, dan zal dit een positieve bijdrage leveren aan zowel onze economieën als het milieu. Het doet mij deugd dat de Commissie met een dergelijk voorstel komt, waarmee gelijktijdig wordt ingespeeld op problemen rond de economische crisis en het milieu.

Het verslag is vooral goed nieuws voor veel oude lidstaten, en het doet mij deugd dat oude lidstaten van de EU nu de gelegenheid krijgen een deel van de EFRO-subsidies aan te wenden voor ingrepen ter bevordering van de energie-efficiëntie in huisvesting. Ik ben blij te zien dat de subsidiabiliteitscriteria zijn verruimd en niet beperkt zijn tot alleen huishoudens met een laag inkomen.

Wij moeten ons er echter ook van bewust zijn dat een en ander geen verhoging van de subsidie inhoudt. Het is nu de taak van de nationale en regionale autoriteiten om gebruik te maken van deze kans en het betreffende percentage van de EFRO-fondsen in de richting van subsidies voor dergelijke projecten te leiden. Hiervoor kan het nodig zijn dat zij nieuwe prioriteiten voor delen van hun lopende programma's stellen. Ik denk dat dit het op de lange termijn waard zal zijn.

 
  
MPphoto
 

  Luca Romagnoli (NI).(IT) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega's, deze maatregelen van de Commissie lijken min of meer correct te zijn. De directe toewijzing van contracten aan de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds lijkt een goed idee te zijn, net als het vereenvoudigen van procedures en het bespoedigen van betalingen.

Er is echter met name één fundamentele aanbeveling: nationale en regionale transparantie met het oog op het gebruik van fondsen, waar het in sommige gevallen, naar mijn mening, wel eens aan ontbreekt. Controles moeten adequaat worden uitgevoerd, evenals de betalingen. In bepaalde streken in Italië, zoals in Lazio, worden de subsidies voor landbouwers maanden of soms zelfs jaren na overboeking vanuit de Europese Unie pas uitgekeerd, en ik heb verder geen tijd meer om andere voorbeelden te geven. Laten we daarom de crisis een handje helpen door niet alleen verschillende vormen van interventie in overweging te nemen, maar ook door de fondsen effectief, tijdig en nuttig te gebruiken.

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). (SK) De structuurfondsen helpen ons ook de nieuwe economische realiteit te aanvaarden. Ze stellen de lidstaten in staat EU-investeringen optimaal in te zetten als doeltreffende remedie tegen de huidige economische crisis.

Het Europees Parlement pleit bij monde van de Commissie regionale ontwikkeling voortdurend voor vereenvoudiging van de administratieve regels. Ik ben verheugd dat de Commissie daarvan eindelijk nota heeft genomen en dat zij met de Raad tot een gezamenlijk standpunt is gekomen.

Kostbare administratieve procedures, vertraagde betalingen en ingewikkelde subsidiabiliteitscontroles scheppen problemen voor de uiteindelijke ontvangers. Veel ambtenaren in mijn eigen land, Slowakije, verwijten Brussel regelmatig dat het zo’n enorme nadruk legt op bureaucratie en het tig keer controleren van rekeningen. Zij vergeten hoe belangrijk de juiste keuze van activiteit, projectinhoud en -kwaliteit, doelmatige uitvoering en projectvoordelen is.

De leden van de projectteams moeten zich concentreren op projecten van goede kwaliteit die voordeel opleveren in de vorm van een concurrerende omgeving, en mogen niet urenlang in administratiekantoren zitten en daar kostbare tijd en energie verspillen, om nog maar te zwijgen van de bergen papierwerk die voor de verantwoording nodig zijn. Het controleren van verwaarloosbare posten kost vaak veel meer dan de posten zelf waard zijn.

Ik ben het daarom eens met de uitbreiding van het gebruik van eenmalige sommen en standaardschalen in de regelgeving betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de invoering van drie nieuwe vormen van subsidiabele kosten: indirecte kosten tot maximaal 20 procent van de directe kosten, eenmalige bedragen tot 50 000 euro en overal gelijke standaardschalen voor afzonderlijke kosten.

Om deze reden beschouw ik de door de Europese Commissie genomen besluiten, die bedoeld zijn om de flexibiliteit bij de kredietopneming door de lidstaten uit de structuurfondsen te vergroten, als een positief antwoord op de huidige economische crisis.

Ik geloof dat vereenvoudiging van de regels en flexibele financiering de lidstaten zullen helpen goede projecten voor te bereiden die gericht zijn op sectoren waar zij een hoog rendement opleveren. We moeten investeringen richten op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting met de bedoeling nieuwe banen te scheppen en energie te besparen. Door schone technologieën te stimuleren kunnen we bijdragen tot het herstel van zowel de auto-industrie als de bouwsector.

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik steun het voorstel tot wijziging van de verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling teneinde aanvragen tot EFRO-subsidies voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting mogelijk te maken. Ik spreek ook mijn steun uit voor de wijziging van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie waarmee de beperking van de subsidiabiliteit tot huishoudens met een laag inkomen komt te vervallen, en de subsidiabiliteit in plaats daarvan wordt beperkt tot maatregelen die de sociale cohesie bevorderen, waarbij het aan het oordeel van de lidstaten wordt overgelaten om de precieze categorieën van subsidiabele huisvesting vast te stellen.

Ik wil echter, als u het goed vindt, een specifieke vraag aan de Commissie stellen. Wat bedoelen we met energie- efficiëntie (en dan hebben wij het over energie-efficiëntie in het kader van de EFRO-subsidies)? Zal er een geharmoniseerde methode zijn voor alle zevenentwintig lidstaten van de EU om energie-efficiëntie te berekenen, of zullen er verschillende berekeningen en verschillende factoren worden toegepast in verschillende lidstaten? Wanneer wij het bijvoorbeeld hebben over energie-efficiëntie en investeringen in energie-efficiëntie in huisvesting van particulieren, bedoelen we dan hetzelfde als wat is bedoeld in het kader van de richtlijn inzake energieprestaties van gebouwen, die momenteel wordt behandeld en waarbij een debat gaande is over de noodzaak van een geharmoniseerde - of een gelijke grondslag voor – berekening, ofwel over de feitelijke becijfering van energie-efficiëntie, teneinde er zeker van te zijn dat de investeringen worden gestoken in werkelijke energie-efficiëntie, het verbeteren daarvan of het verlagen van de CO2-emissies?

Dit is onderdeel van de discussie die wij vanmorgen hebben gehad tijdens een ontbijt voor kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan mijn collega, de heer Rübig, gastheer was. Ons is toen zeer duidelijk verteld dat sprake is van knelpunten bij het rond krijgen van investeringen in energie-efficiëntie van gebouwen: knelpunten in de financiering vanwege het effect van de kredietcrisis op leningen. Wij moeten kijken naar subsidies en verschillende belastingvoordelen. De administratie moet eenvoudig zijn, zodat we gewone huishoudens aanmoedigen gebruik te maken van deze fondsen, zowel EFRO-fondsen als subsidies van lidstaten. Nu we het er toch over hebben wil ik meedelen dat onze regering onlangs de subsidieregeling Home Energy Saving Retrofit heeft geïntroduceerd.

Maar bovenal hebben we eenvoudige administratie nodig. Wij hebben promotie nodig zodat investeringen niet alleen leiden tot vermindering van de invoer van fossiele brandstoffen en verlaging van koolstofdioxide-emissies, maar ook huishoudens de verlaging van energiekosten te gelde zullen maken.

 
  
MPphoto
 

  Ljudmila Novak (PPE-DE). - (SL) Ik steun ten volle de voorgestelde amendementen op de verordening waarmee de forfaitaire financiering wordt uitgebreid en het gebruik van een forfaitair betalingssysteem mogelijk wordt. Het is een gepaste maatregel die in deze economische omstandigheden de problemen van werklozen kan verlichten.

Alvorens die amendementen aan te nemen wil ik echter graag op het volgende wijzen: drie vierde van de burgers van de Europese Unie is van mening dat het Europees Parlement een belangrijke rol speelt bij de gemeenschappelijke vormgeving van het Europese beleid. Hetzelfde onderzoek heeft ook aangetoond dat het Europees Parlement onder de ondervraagden het meeste vertrouwen geniet: 51 procent vertrouwt het Europees Parlement, terwijl 47 procent de Commissie en 42 procent de Raad vertrouwt. Het vertrouwen in onze instelling ligt ook hoger dan dat in de Europese Centrale Bank.

Waarom som ik die statistische gegevens op? Omdat het Europees Parlement al in 2005 had vastgesteld dat er behoefte was aan een aanzienlijke vereenvoudiging van de structuurfondsen en vooral het Europees Sociaal Fonds. De Commissie is echter pas nu, in deze crisis, begonnen met de uitvoering van onze aanbevelingen om de voorwaarden waaronder bedrijven en burgers werken te verbeteren.

Ik ben tevreden over het feit dat onze bevindingen en aanbevelingen ten minste gedeeltelijk zullen worden gerealiseerd, maar ik ben tegelijk teleurgesteld over de aanpak van die problemen, waarbij enkel brandjes worden geblust. Ik hoop dat die ervaringen in de toekomst ertoe zullen bijdragen dat de Commissie sneller ingrijpt en dat vele substantiële en terechte opmerkingen en voorstellen van het Parlement vroeger zullen worden verwezenlijkt.

 
  
MPphoto
 

  Colm Burke (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik verwelkom deze nieuwe voorstellen. Wij beleven op dit moment crisistijden en zien enorm veel werkgelegenheid in de gehele EU verloren gaan.

Vandaag zijn de meest recente werkloosheidscijfers in Ierland bekendgemaakt. Het cijfer staat nu op 11 procent, tegenover 5,4 procent slechts een jaar geleden, dat wil zeggen meer dan het dubbele in absolute cijfers. Deze cijfers zijn schokkend en angstaanjagend. Nu wij echter geconfronteerd zijn met dit sombere vooruitzicht, moeten we ervoor zorgen dat we creatieve oplossingen vinden om de mensen die zonder werk zitten de juiste vaardigheden, perspectieven en hoop op een betere toekomst te geven.

Het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds kunnen hierbij een cruciale rol spelen. Door deze subsidies gericht in te schakelen kunnen we onze economieën met de juiste instrumenten toerusten om uit de recessie te komen. Het is ons aller taak – als leden van het Europees Parlement en als burgers – om dit onder de aandacht van het publiek te brengen dat op dit moment zo bevreesd is. Het is ons aller taak om deze boodschap over te brengen aan onze nationale regeringen en hun duidelijk te maken dat zij overeenkomstige fondsen beschikbaar moeten stellen en deze zo snel en efficiënt mogelijk moeten inzetten. Ik verwelkom ook de vermindering van het papierwerk. Het is een stap in de juiste richting.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE).(RO) 2010 is het jaar waarin we een tussentijdse evaluatie zullen uitvoeren van de wijze waarop de structuurfondsen worden gebruikt en ik ben van mening dat hierbij prioriteit moet worden gegeven aan energie-efficiëntie. Ik vind het jammer dat bepaalde amendementen op deze verslagen niet zijn goedgekeurd.

Als rapporteur voor de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen heb ik voorgesteld het percentage van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) dat voor de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen kan worden gebruikt, met maximaal vijftien procent te verhogen. Dit om meer flexibiliteit mogelijk te maken. Het is aan de lidstaten om te besluiten of zij middelen en hoeveel middelen zij hiervoor willen toewijzen.

Ik weet dat dit een urgente kwestie is. De vijftien oude lidstaten moeten in staat zijn om de structuurfondsen voor energie-efficiëntie te besteden. Ik meen dat hierdoor een uitwisseling van goede praktijken mogelijk wordt en de nieuwe lidstaten gesteund kunnen worden. Ik dring er bij de Commissie op aan om uiterlijk 30 juni 2010 een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen, zodat het plafond tot maximaal vijftien procent kan worden verhoogd of een drempel van minimaal tien procent kan worden vastgelegd voor het percentage EFRO-middelen dat kan worden uitgetrokken voor de energie-efficiëntie van gebouwen.

 
  
MPphoto
 

  Fiona Hall (ALDE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, telkens weer wordt in de discussie over energie-efficiëntie gezegd dat er veel meer had kunnen worden bereikt, en sneller, als er rechtstreekse subsidie beschikbaar zou zijn geweest. Daarom is het zo belangrijk dat het mogelijk is subsidies uit het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) aan energie-efficiëntie te besteden, niet alleen in de twaalf nieuwe maar ook de vijftien oude lidstaten van de EU.

De aanzienlijke vooruitgang ten spijt heeft de Britse minister voor volkshuisvesting toegegeven dat momenteel slechts 1 procent van het huidige huizenbestand energie-efficiënt genoeg is om brandstofarmoede te voorkomen. In mijn eigen regio, Noordoost-Engeland, is een op de tien huizen ingedeeld in de eerste categorie van gezondheidsrisico's, omdat ze zo koud en tochtig zijn.

Ik verwelkom dus deze wijziging en wil alle lidstaten en regio's oproepen optimaal te profiteren van de nieuwe flexibiliteit. Omdat het belangrijk is klimaatverandering, brandstofarmoede, werkloosheid en energiezekerheid aan te pakken wil ik, in navolging van mevrouw Ţicău, de Commissie oproepen om de huidige percentagegrenzen op termijn aanzienlijk te verhogen, hetgeen dinsdag ook door de Commissie industrie, onderzoek en energie is gedaan in haar stemming over de herziening.

 
  
MPphoto
 

  Catherine Stihler (PSE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de rapporteurs bedanken. Onderzoeken hoe de Europese Structuurfondsen effectiever kunnen worden gebruikt om degenen te helpen die door de economische wereldcrisis zijn getroffen, is een van de vele dingen die de lidstaten moeten doen om degenen die hun baan zijn kwijtgeraakt, zo snel mogelijk weer aan het werk te helpen.

Het is interessant dat wij dit onderwerp juist aan de vooravond van de G20 bespreken. De G20 bezit het potentieel om een begin te maken met het proces voor de opstelling van de wereldwijde financiële regels die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat een dergelijke economische calamiteit zich weer voordoet.

Werkgelegenheid en de sociale agenda moeten hoofdthema's worden voor de Europese verkiezingen. De 25 miljoen mensen in de EU die tegen het eind van het jaar zonder werk zullen zitten, moeten het middelpunt zijn van onze inspanningen in dit Parlement om de economie weer op gang te brengen en mensen weer aan het werk te helpen.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, ik wil om te beginnen mevrouw García Pérez, mevrouw Jöns en de heer Angelakas bedanken voor hun uitstekende verslag. Ik bedank ook de afgevaardigden voor hun opmerkingen.

In de meeste interventies hebben de sprekers steun betuigd voor de maatregelen die de Commissie voorstelt. Daarin hebben zij ook duidelijk gemaakt dat die maatregelen volgens hen zullen bijdragen tot het verzachten van de gevolgen van de crisis voor de Europese economie. Namens de Commissie wil ik u voor deze steun bedanken.

In uw interventies heeft u erop gewezen dat het Parlement de Europese Unie graag van voldoende middelen voor het bestrijden van de reële gevolgen van de crisis wil voorzien. U heeft erop gewezen dat snel moet worden opgetreden – en dat is ook onze bedoeling. Ik wil het Tsjechisch voorzitterschap graag bedanken voor zijn steun. Dit voorzitterschap heeft al het nodige ondernomen om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke verordeningen zo snel mogelijk kunnen worden aangenomen.

Volgens optimistische maar redelijke schattingen zullen de nieuwe verordeningen de eerstvolgende weken al in werking kunnen treden en dan snel gevolgen teweeg kunnen brengen voor de operationele programma’s. De voorschotten zullen dan begin mei reeds kunnen worden uitbetaald.

In ander interventies is erop gewezen dat we de implementatie van deze maatregelen nauwlettend moeten volgen, en dat we in 2010 een verslag moeten opstellen om te zien welke resultaten er behaald zijn. De Commissie heeft die verplichting op zich genomen en maakt daarvan ook melding in de verklaring die ze het Voorzitterschap heeft gegeven.

De Europese instellingen hebben dus nauwelijks vier maanden nodig gehad om dit wetgevingspakket op te stellen en goed te keuren. Dan wil ik nu graag nader ingaan op het onderwerp energie-efficiëntie, dat in een groot aantal interventies is genoemd.

Ik wil het Parlement er graag op wijzen dat er in juni, in het kader van een seminar voor de beheersautoriteiten van de lidstaten, een workshop zal worden georganiseerd. We vragen de lidstaten nu om aan te geven wat hun plannen zijn met betrekking tot de concrete invulling van de strategische verslagen die ze voor het einde van 2009 verwacht worden in te dienen.

In de huidige omstandigheden is het aan de lidstaten om de criteria en de maatregelen voor energie-efficiëntie vast te leggen. Dat volgt uit het subsidiariteitsbeginsel. Momenteel wordt echter ook een richtlijn inzake energie-efficiëntie besproken. Als die richtlijn eenmaal is aangenomen, zal ze natuurlijk moeten worden toegepast. Daarnaast sluit ik me graag aan bij alle afgevaardigden die hebben aangevoerd dat het verbeteren van de energie-efficiëntie van gebouwen extra voordelen zou opleveren, omdat je zo banen schept en tegelijk, door bij te dragen aan een oplossing voor de opwarming van de aarde, aan de toekomst werkt.

Deze crisis heeft aangezet tot een heel nauwe samenwerking tussen de drie instellingen, maar ik moet er toch op wijzen dat het steeds belangrijker wordt dat de Commissie en het Parlement een op sterk wederzijds vertrouwen gebaseerd partnerschap aangaan. De Commissie heeft geprobeerd een doeltreffend antwoord te formuleren op de uitdagingen waarmee de economische en financiële crisis ons geconfronteerd heeft, en daarbij tegelijkertijd gebruik willen maken van de interactieve discussie tussen de lidstaten en het Europees Parlement om zo tegemoet te kunnen komen aan de eisen die aan haar worden gesteld als het gaat om het vereenvoudigen van het beleid en de beleidsmodaliteiten.

Natuurlijk hadden er meer voorstellen kunnen worden opgenomen in het herstelplan. Niet alle voorstellen zijn opgenomen maar ze helpen de Commissie wel bij het nadenken over de wijze waarop we het herstelplan extra impact kunnen verlenen. Bovendien verschaffen ze de nationale overheden die met de uitwerking van de projecten belast zijn, extra faciliteiten. De Commissie heeft vorig jaar november een werkgroep opgericht die zich bezig moest gaan houden met vereenvoudiging. Dat werk heeft nu reeds een ontwerp opgeleverd voor de herziening van de uitvoeringsverordening van de Commissie. Er zullen vermoedelijk andere wijzigingsvoorstellen volgen, zowel voor de algemene verordening als voor de specifieke verordeningen voor elk fonds afzonderlijk.

Mevrouw de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, alle opmerkingen die in de loop van dit debat zijn gemaakt zullen hun nut bewijzen, en aanvullende opmerkingen zijn altijd welkom. Ik ben het Europees Parlement dankbaar voor zijn pogingen om zo snel mogelijk een antwoord te vinden op de ernstige problemen die deze crisis veroorzaakt.

Van de amendementen van mevrouw Schroedter op de ontwerpverordening inzake het EFRO hebben er drie betrekking op de overwegingen, en één op het beschikkend gedeelte. Als we de eerste categorie amendementen – de amendementen 8 tot en met 10 – zouden overnemen, zou weliswaar de omvang van de bedragen die met de door de Commissie ingediende voorstellen gemoeid zijn, niet worden gewijzigd, maar wel de procedure voor het aannemen van de verordening veel langer worden.

Wat het amendement op het beschikkende gedeelte betreft, verzet de Commissie zich niet tegen het beginsel. Op die wijze zouden we echter een beschikkend gedeelte krijgen dat niet aansluit bij de compromistekst van de Raad, en de Raad heeft nu juist voor die tekst gekozen omdat een andere tekst moeilijkheden zou opleveren bij de tenuitvoerlegging in de lidstaten.

Ik was u deze extra uitleg verschuldigd en heb u die uitleg nu aan het einde van mijn interventie verschaft. Ik bedank het Parlement opnieuw voor het feit dat het ons in staat heeft gesteld snel te handelen om zo de – door sommigen onder u raak geschetste – schadelijke gevolgen van de crisis te beperken.

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez, rapporteur. – (ES) Commissaris, ik wil u bedanken voor uw verklaringen naar aanleiding van het onderhavige debat. U zult wel begrijpen dat de vrijwel volledige unanimiteit in dit Parlement ten aanzien van het onderhavige voorstel niet uit de lucht is komen vallen.

Zoals mijn collega, mevrouw Creţu, al heeft opgemerkt, is dit feitelijk een teken van politieke wil, waaruit blijkt dat we ons steentje kunnen bijdragen aan het zoeken naar een oplossing voor de huidige crisis, die voor de bevolking van Europa werkelijk tot nijpende situaties en tekorten leidt.

Het was echter ook een exercitie in verantwoordelijkheid nemen, zoals u al gezegd heeft. Een exercitie in verantwoordelijkheid nemen, zeg ik, want wij waren ervan doordrongen dat het aan ons voorgelegde voorstel misschien voor verbetering vatbaar was. We hadden andere punten kunnen opnemen om een versnelling of vereenvoudiging van de procedures mogelijk te maken, maar het was ons duidelijk dat we, als we die maatregelen zo snel mogelijk wilden laten ingaan, wij de verslagen moesten laten zoals ze nu zijn.

Daarom wil ik de Commissie gewoon het volgende verzoek doen. Zoals u gezegd heeft, is er nu een herzieningsplan om de vereenvoudiging van de procedures verder uit te breiden. Ik hoop nu dat het Parlement een grotere rol krijgt toebedeeld in het debat over en bij het opzetten van de initiatieven voor de verbetering van die vereenvoudiging. Niet alleen dit Parlement eist hierbij betrokken te worden, ook de lokale overheden verwachten dat, want zij zijn het die rechtstreeks aan deze projecten deelnemen, en zij weten hoe noodzakelijk het is om de verschillende initiatieven van start te kunnen laten gaan.

 
  
MPphoto
 

  Emmanouil Angelakas, rapporteur. – (EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, hartelijk dank. Ik heb een aantal opmerkingen over hetgeen hier werd gezegd.

Ik ben heel blij dat u, mijnheer de commissaris, hebt aangekondigd een begin te zullen maken met de betaling van voorschotten, eventueel zelfs begin mei al. Ik denk dan ook dat na morgen en binnen een redelijk tijdsbestek van twee, drie of vier weken, deze wijzigingen gepubliceerd zullen worden in het Officieel Publicatieblad van de Europese Unie en, zoals u zei, van kracht zullen worden. Dat was mijn eerste opmerking.

Ten tweede wil ik, evenals de andere collega’s, zeggen dat u in de nieuwe legislatuur snel moet overgaan tot de wijziging en vereenvoudiging van de andere verordeningen. Het Europees Parlement wil actief bijdragen aan de bestudering, evaluatie en opstelling van deze verordeningen.

Ik moet u nog zeggen dat ook wij ideeën en voorstellen hadden, maar dat de meeste collega´s in de commissie en het Parlement het niet wenselijk achtten op die wijzingen aan te dringen omdat wij ons bewust waren van de urgentie.

Er werd gezegd dat het opnemingspercentage van de kredieten voor hernieuwbare energiebronnen voor huisvesting omhoog zal gaan, maar uit de ons ter beschikking staande gegevens blijkt dat de nieuwe lidstaten tot nu toe slechts 1 à 1,5 procent hebben besteed, hetgeen zou kunnen duiden op moeilijkheden. Volgens mij is 4 procent, het maximumpercentage dat de EFRO-begroting hiervoor uittrekt, tevredenstellend, maar ik hoop dat het uiteindelijke resultaat veel beter zal zijn.

Ik ben ook blij dat u verklaard hebt in de tweede helft van 2010 een evaluatie te zullen presenteren van de herstelplannen uitgaande van de door de lidstaten ingediende programma´s.

Tot slot wil ik nog onderstrepen, mijnheer de commissaris, dat het grootste¨probleem gevormd wordt door de ingewikkelde procedures waarmee de lidstaten en de regio´s geconfronteerd zijn bij de toepassing. Daarom is vereenvoudiging broodnodig. Ik denk dat ook u daaraan een steentje zult bijdragen en onder degenen die u daarbij helpen, zult u ook het Europees Parlement aantreffen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – De gecombineerde behandeling is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk.(LT) De huidige financiële crisis en economische recessie hebben een negatieve uitwerking op de overheidsbegrotingen. In de meeste lidstaten is de economische groei aanzienlijk afgenomen en in sommige is zelfs sprake van economische stagnatie. De werkloosheidsindicatoren zijn verslechterd. Wanneer zich een situatie als een economische recessie voordoet, is het heel belangrijk dat het Europees Sociaal Fonds op brede schaal wordt ingezet om de problemen van de werklozen en vooral de zwaarst getroffen werklozen op te lossen.

Het is heel belangrijk dat de vier hoofdgebieden waarop het Europees Sociaal Fonds wordt ingezet, dezelfde blijven:

- een grotere aanpasbaarheid van werknemers en ondernemingen;

- het scheppen van betere werkomstandigheden, het voorkomen van werkloosheid, langer werken en het bevorderen van een actievere participatie aan de arbeidsmarkt;

- het verbeteren van maatschappelijke integratie door steuntrekkers ertoe aan te zetten deel te nemen aan de arbeidsmarkt en discriminatie te bestrijden;

- het bevorderen van partnerschap bij de uitvoering van hervormingen op het gebied van werkgelegenheid en integratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Bodu (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Het uitgebreid economisch herstelplan van de EU, of preciezer gezegd: de herziening van de verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), biedt de lidstaten van de EU een aantal mogelijkheden, zeer zeker nu de wereldwijde economische crisis tot een achteruitgang van de nationale economieën leidt. De nieuwe maatregel die in het verslag over de herziening van de EFRO-verordening wordt voorgesteld met betrekking tot investeringen in energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting in alle lidstaten, is bevorderlijk voor zowel het scheppen van nieuwe banen als ook voor de verhoging van de energie-efficiëntie in de huisvesting. Het is van groot belang dat de doelstellingen van de energie- en klimaatstrategie van de Gemeenschap wordt verwezenlijkt, ongeacht de economische crisis of andere problemen. Met het oog daarop zijn de voorstellen voor de herziening van het EFRO een doeltreffende combinatie van maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de economische crisis (nieuwe banen, investeringsbevordering, enzovoorts) en maatregelen ter bescherming van het milieu (warmte-isolatie in woongebouwen en investeringen in hernieuwbare energie). Daarom ben ik van mening dat met het verslag over investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting de EU een belangrijke stap doet en ik ben ervan overtuigd dat de lidstaten de kans optimaal zullen benutten.

 
  
MPphoto
 
 

  Corina Creţu (PSE), schriftelijk.(RO) De pijnlijke sociale gevolgen van de crisis doen zich in alle lidstaten steeds sterker gevoelen. Vooral de werkgelegenheidssituatie in de lidstaten gaat hard achteruit. De secretaris-generaal van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling onderstreept dat het werkloosheidspercentage in de EU en de VS dit jaar naar verwachting de tien procent zou kunnen bereiken. Dit is een zorgwekkende stijging ten opzichte van het percentage dat in de EU in januari gemiddeld bij acht procent lag.

In Roemenië viel verleden jaar een stijging van de werkloosheid met één procent tot 5,3 procent te constateren, ook al ligt het officiële percentage onder het Europese gemiddelde. Naar verwachting zal dit percentage evenwel sneller toenemen, aangezien steeds meer bedrijven zich genoodzaakt zullen zien personeel te ontslaan en aangezien landgenoten die in het buitenland werken, naar huis zullen komen omdat zij hun baan hebben verloren.

Daar deze situatie dreigt uit te monden in een sterke toename van de sociale ongelijkheid, die mogelijk uit de hand zou kunnen lopen, wil ik benadrukken dat het noodzakelijk is om meer aandacht te besteden aan de problemen van de werklozen, die het sterkst worden getroffen door de huidige crisis en het kwetsbaarst zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Dragoş Florin David (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Ik ben verheugd over het voorstel van de Commissie om de verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te wijzigen zodat alle lidstaten en regio’s met steun uit de structuurfondsen kunnen investeren in maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting.

Volgens de huidige bepalingen kunnen met het EFRO alleen in de nieuwe lidstaten (EU-12) en onder bepaalde voorwaarden maatregelen in de huisvestingssector worden ondersteund. Dit geldt ook voor maatregelen met betrekking tot energie-efficiëntie.

Het is belangrijk dat de lidstaten in staat worden gesteld hun prioriteiten te verleggen en hun operationele programma’s bij te stellen, teneinde desgewenst maatregelen op dit gebied te kunnen financieren.

Er zij aan herinnerd dat tot dusver voor uitgaven ter verbetering van de energie-efficiëntie en voor het gebruik van hernieuwbare energie in bestaande huizen een plafond is vastgelegd van 4 procent van de totale, aan de lidstaten toegekende EFRO-middelen. Dit plafond moet worden verhoogd tot 15 procent, zodat de investeringen op dit terrein een zo groot mogelijk effect hebben ten bate van de burgers van de Europese Unie.

Tot slot ben ik de rapporteur, de heer Angelakas, dank verschuldigd voor zijn bijdrage aan dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE), schriftelijk.(BG) We zijn samen in deze crisis terecht gekomen en we moeten er samen ook weer uit zien te komen. Dat wil zeggen dat we moeten samenwerken, zowel in Europa als in de rest van de wereld. We moeten echter eerst ons werk afmaken in de Europese Unie, om precies te zijn in het Europees Parlement, waar de belangen van alle Europese burgers zijn vertegenwoordigd.

De voorstellen van de Europese Commissie die wij vandaag bestuderen, zijn erop gericht om de Europese economieën een nieuwe impuls te geven en uit de recessie te helpen. De wijziging van de verordening betreffende de structuurfondsen, die is voorgesteld om rekening te kunnen houden met het cohesiebeleid, biedt de kans een nieuwe impuls te geven aan investeringen en het vertrouwen in de economieën te herstellen.

Deze wijzigingen zijn bijzonder nuttig voor de landen die in geringe mate gebruik maken van Europese middelen. Het doel kan echter alleen bereikt worden als de nationale regeringen ook de algemene normen inzake goed bestuur en partnerschap toepassen. We moeten een einde maken aan inefficiënte werkmethoden en corrupte praktijken, die helaas nog steeds worden toegepast.

We moeten nu reageren, gezamenlijk. Als rapporteur van de PPE-DE-Fractie verzoek ik u steun te betuigen aan het voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van de verordeningen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wat een aantal bepalingen met betrekking tot het financieel beheer betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN), schriftelijk. – (PL) In het kader van dit debat over de Europese fondsen zou ik de aandacht willen vestigen op vier voorstellen van de Commissie, die tot doel hebben het gebruik van de financiële middelen uit de structuurfondsen door de begunstigden te versnellen.

1. Het verhogen van de steun van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) voor projecten die gecofinancierd worden uit de structuurfondsen.

2. Het vereenvoudigen van de procedures betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2006, zoals het erkennen van de bijdragen in natura van de begunstigden als subsidiabele uitgaven.

3. Het verhogen met 2 procent van de voorfinanciering uit de structuurfondsen, waardoor er in 2009 voor 6,25 miljard euro aan aanvullende voorschotten kan worden uitbetaald.

4. Het versnellen van de uitgaven bij grote projecten door de begunstigden onder meer de mogelijkheid te bieden om betaalaanvragen in te dienen voordat het project door de Europese Commissie is goedgekeurd.

Alle bovengenoemde wijzigingen leiden tot een toename van de liquide middelen voor de begunstigden. Ze verdienen onze volmondige steun en dienen zo spoedig mogelijk ten uitvoer te worden gelegd. Hetzelfde geldt voor de vereenvoudiging van de bepalingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Manole (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Uit onderzoek is gebleken dat Roemenië tot de landen met het hoogste energieverbruik in Centraal- en Oost-Europa behoort. De verbetering van het energiebeheer is een factor die van rechtstreekse invloed op de economische groei kan zijn en zou eveneens voor minder vervuiling en voor een besparing en productiever gebruik van hulpbronnen zorgen.

De bevolking van Roemenië moet daarom worden voorgelicht over de economische voordelen van energiebeheersmaatregelen. In dit verband dienen adviezen te worden verstrekt aan allen die zich met het oog op de invoering van de nieuwste energiebesparingsmethoden voor EFRO-subsidies interesseren.

Hierdoor zouden de Roemeense consumenten worden geholpen en hun energierekeningen worden verlaagd, terwijl in de hele energieketen een efficiënter energiegebruik zou worden bevorderd en de naleving van de huidige wetgeving inzake energie-efficiëntie zou worden gewaarborgd. Hierdoor zou een cruciale bijdrage worden geleverd tot de omschakeling van een op energieproductie gebaseerd energiebeleid naar een actief, op zuiniger energiegebruik gericht beleid, dat ten doel heeft hulpbronnen te besparen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexandru Nazare (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Ik ben blij dat we eindelijk concrete stappen nemen om de bureaucratie te verminderen die de toegang tot Europese fondsen in de weg staat. Het is echter jammer dat alleen in tijden van crisis voorstellen worden ingediend voor eenvoudigere en flexibelere regelgeving met betrekking tot Europese fondsen.

Ik zou op een belangrijk aspect van deze regelgeving willen wijzen: de verhoging van de drempel voor investeringen in energie-efficiëntie op het vlak van huisvesting. In landen waar een systematische stadsontwikkeling en geforceerde industrialisering hebben plaatsgevonden, hebben miljoenen burgers te kampen met energie-efficiëntieproblemen in hun woningen. Tot dusver is slechts een zeer klein deel van de beschikbare middelen gebruikt, maar ik denk dat we, nu pas twee jaar van de huidige financiële programmeringsperiode zijn verstreken, het feitelijke bestedingspercentage nog niet exact kunnen inschatten. Daarom was de verhoging van die drempel noodzakelijk, gezien het grote aantal begunstigden en de kansen die dit biedt om werkgelegenheid te scheppen. Toch blijft de regeling voor Roemenië problematisch zolang, conform het Commissievoorstel, voor dergelijke maatregelen alleen steden in aanmerking komen die als groeipolen zijn aangewezen. Ik hoop dat de Commissie zich ook aan haar toezegging zal houden om opnieuw te onderhandelen over bepaalde bestaande programmazwaartepunten, zodat de middelen kunnen worden toegewezen voor maatregelen die een groter potentieel bieden voor economische groei.

 
  
MPphoto
 
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Het in dit verslag behandeld voorstel voor een verordening is een voorbeeld voor de manier waarop men het Europees geld kan laten werken ten behoeve van de Europese burgers.

Zo kunnen belangrijke resultaten worden bereikt zonder meer te moeten uitgeven of maatregelen te moeten nemen die gevolgen hebben voor de Gemeenschapsbegroting. Met andere woorden, we hoeven daarvoor alleen de regels te veranderen.

Ik zou erop willen wijzen dat Roemenië, het land dat ik vertegenwoordig, door deze wijzigingen over twee keer zoveel Gemeenschapsmiddelen zal kunnen beschikken voor investeringen in de modernisering van verwarmingssystemen in woonhuizen dan tot nu toe.

Deze middelen zullen een aanvulling vormen op het uiterst ambitieuze programma van de Roemeense regering voor de modernisering van de verwarmingssystemen in woonhuizen.

Wat betekent dit allemaal? Ten eerste minder verspilling van energie, dus – ten tweede – minder energie-import en dus – ten slotte - lagere verwarmingskosten voor de burgers.

Ik hoop dat dit slechts het begin is en dat de Europese Unie nog meer investeringen in energie-efficiëntie zal stimuleren.

Vanaf het begin van mijn mandaat als lid van het Europees Parlement heb ik dit idee gesteund. Daarom zal ik morgen voor het verslag van mijnheer Angelakas stemmen en voor het door de Commissie geïnitieerde voorstel voor een verordening.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolae Vlad Popa (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Het verslag-Angelakas zorgt voor een welkome vereenvoudiging van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting.

De wijziging van artikel 7 van de EFRO-verordening, waardoor alle lidstaten in staat worden gesteld met steun uit de structuurfondsen te investeren in maatregelen met betrekking tot energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting, is een goede zet, niet alleen in verband met de huidige economische crisis.

Met de toetreding tot de EU zijn hernieuwbare energie en energie-efficiëntie ook in Roemenië bindende doelstellingen geworden. Bijgevolg wordt de wetgeving inzake de modernisering van verwarmingssystemen in woningen gewijzigd, opdat 50 procent van de vereiste middelen door de staat worden gefinancierd, terwijl de eigenaars slechts 20 en de gemeenten slechts 30 procent betalen. Laat mij ter illustratie een paar cijfers geven: eind 2008 waren de verwarmingssystemen van 1 900 flats gemoderniseerd. Voor 2009 zal het Roemeense ministerie van Regionale Ontwikkeling en Volkshuisvesting 130 miljoen euro uittrekken voor de modernisering van verwarmingssystemen, onder meer in kinderdagverblijven, scholen en bejaardentehuizen.

 
  
MPphoto
 
 

  Theodor Dumitru Stolojan (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Ik ben verheugd over het initiatief van de Commissie om een aantal financiële voorwaarden voor subsidies uit de structuur- en cohesiefondsen te wijzigen, zodat de lidstaten sneller over meer geld kunnen beschikken. Ik ben van mening dat deze door de Commissie uitgezette lijn moet worden voortgezet door ook de financiële middelen voor de faciliteiten JASPER, JEREMIE, JESSICA en JASMINE te verhogen, die op doeltreffende wijze hebben bijgedragen tot een snellere toegang tot de Europese fondsen.

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE), schriftelijk.(FR) De herziening van de drie verordeningen inzake het beheer van de structuurfondsen zal de regio’s van de Europese Unie meer flexibiliteit geven bij het beheer en de programmering van de middelen die ze in het kader van het Europees beleid voor economische en sociale cohesie ontvangen.

De financieringscapaciteit die de regio’s aangeboden krijgen blijft ongewijzigd, maar deze bepalingen zullen de regio’s wel in staat stellen hun prioriteiten opnieuw te bepalen, zodat ze de Europese steun kunnen concentreren op de projecten met het hoogste groei- en werkgelegenheidspotentieel.

De regio’s kunnen voortaan via het EFRO cofinanciering ontvangen voor investeringen in de energie-efficiëntie van alle categorieën woningen. Er kunnen dus programma’s worden opgezet voor de isolatie van woningen of de installatie van zonnepanelen.

De Europese economie vertraagt, en daarom ben ik heel blij met de nu geschapen mogelijkheid om de aan de regio’s beloofde steun sneller uit te keren. Ook de vereenvoudiging van de gebruiksregels is gunstig. Het is de bedoeling om op deze wijze snel liquide middelen vrij te maken voor een gezwinde implementatie van nieuwe projecten in de reële economie.

De staten-generaal van de Franse overzeese gebiedsdelen (DOM), die belast zijn met het vinden van nieuwe mogelijkheden voor de ontwikkeling van die gebiedsdelen, moeten de lokale autoriteiten van de ultraperifere regio’s aansporen om van deze mogelijkheden gebruik te maken en zo de impact van het communautaire beleid in die regio’s te optimaliseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE), schriftelijk. – (HU) Door de economische crisis hebben in de Europese Unie honderdduizenden mensen hun baan verloren, waarvan meer dan twintigduizend in Hongarije. In alle Europese landen is de werkloosheid met sprongen toegenomen. De economische crisis wordt steeds meer een werkgelegenheidscrisis en uit peilingen blijkt dat de Europese burger zich momenteel het meest zorgen maakt over het risico van werkloos worden. Het effectiefste middel van de Europese Unie in de bestrijding van werkloosheid is het Europees Sociaal Fonds. We gaan de regels daarvan nu aanzienlijk vereenvoudigen om de betalingen daaruit te versnellen.

De door de Europese Commissie voorgestelde wijzigingen dringen de bureaucratie terug bij de inzet van dit fonds en vereenvoudigen en versnellen de betalingen. Door het plafond van 50 000 euro, de eerder overeengekomen vaste of forfaitaire bedragen en de strikte controle achteraf wordt de kans op misbruik tot een minimum beperkt. Met deze maatregel geeft de Europese Commissie er blijk van dat ze, ondanks de beperkte financiële middelen, creatief is.

 

16. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang.

 
  
MPphoto
 

  Colm Burke (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, infrastructuurontwikkeling is essentieel voor ons economisch herstel. Was het vroeger de aanleg van wegen en spoorwegen die de economie in tijden van recessie stimuleerde en op het pad naar toekomstige welvaart hielp, tegenwoordig moeten we ons richten op onze infrastructuur voor informatie- en communicatietechnologie als aanjager van toekomstige groei.

In dit verband zou ik de aandacht willen vestigen op de ontstellende situatie in Ierland wat de zogenaamde digitale kloof betreft. Als gevolg van jarenlange verwaarlozing door de regering in tijden van grote groei zijn grote delen van het Ierse platteland blijven zitten met ondermaatse, langzame verbindingen en is er - en dit is het ergste – in 28 procent van de gevallen geen enkele toegang tot breedband. Hoe kunnen we onze plattelandsgemeenschappen welvaart en kansen bieden als we ze niet voorzien van de middelen om die doelen te bereiken? Hoe kunnen we aan onze jonge boeren vertellen dat zij voor de ontwikkeling van hun agrarische ondernemingen niet van ICT kunnen profiteren omdat wij ze niet van de nodige connectiviteit hebben voorzien?

Ik verwelkom de recente verklaringen van de Commissie waarin zij beschrijft hoe EU-fondsen kunnen worden aangewend om deze enorme uitdaging aan te pakken. Tot slot mogen we het doel van het dichten van de digitale kloof niet uit het oog verliezen, ook niet tijdens een economische crisis.

 
  
MPphoto
 

  Justas Paleckis (PSE).(LT) De crisis zou ons allen moeten dwingen ons gedrag en ons denken te veranderen. De Litouwse, Letse en Ierse parlementariërs hebben hun eigen salaris verlaagd, hetgeen betekent dat ook de salarissen van de leden van het Europees Parlement uit die landen zijn verlaagd. De inkomens van presidenten, ministers en andere dienaren van de staat worden gekort, en dat is terecht want solidariteit is nodig. De last van de crisis mag niet worden afgewenteld op de zwakste schouders. Na het compromis dat na meer dan tien jaar onderhandelingen kon worden bereikt over de salarissen van de leden van het Europees Parlement, zal het moeilijk zijn om deze rechtstreeks te verlagen. Ik wil mijn collega´s van het Europees Parlement echter wel oproepen om een deel van hun salaris te schenken aan een goed doel. Tijdens de crisis zouden we de aan de leden van het Europees Parlement toegekende vergoedingen moeten verlagen. Ik denk dat een meerderheid van de leden steun zou geven aan een vermindering van het aantal vertalingen in alle 23 officiële talen, waardoor we honderden miljoenen euro’s zouden kunnen besparen. En de reizen vanuit Brussel naar de plenaire zittingen in Straatsburg, die per jaar 200 miljoen euro kosten, lijken nu wel heel absurd. Ook zouden we, om te bezuinigen en het milieu te sparen, een einde moeten maken aan de verspilling van duizenden tonnen papier en moeten overgaan op het gebruik van elektronische documenten in onze vergaderingen.

 
  
MPphoto
 

  Marco Pannella (ALDE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, we hebben vandaag bij de aanvang van onze werkzaamheden één minuut stilte in acht genomen – waarvoor we de Voorzitter bedanken – als eerbetoon aan de slachtoffers van een systeem dat nu tragedies veroorzaakt op een nooit eerder vertoonde schaal. Het is een nimmer eindigend drama van arm tegen arm, op zoek naar voedsel en werk. We hebben nu net gehoord dat er 94 vrouwen en 7 kinderen zijn gevonden.

Mevrouw de Voorzitter, we zeggen nu al acht jaar dat dit het probleem is. Hoe is het mogelijk dat daar niets aan wordt gedaan? Hoe komt dat we de redenen niet kennen, ofschoon we vanuit de ruimte de bloemetjes op ons balkon kunnen zien? De redenen zijn onbekend, de gevolgen zijn misdadig …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Sylwester Chruszcz (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb met droefheid kennis genomen van het nieuws over de uitslag van de stemming die vorige week in Praag is gehouden over de motie van wantrouwen tegen premier Topolánek. De Tsjechische Republiek staat sinds 1 januari aan het roer van de Europese Unie. Naar mijn mening is het Tsjechische voorzitterschap tot dusver zeer geslaagd. Ik vertrouw erop dat dit ook tijdens de resterende drie maanden het geval zal zijn. Ik duim voor onze Tsjechische vrienden en voor alle plannen die het Tsjechische voorzitterschap nog tot een goed einde wil brengen. Voorbeelden hiervan zijn de bijzonder belangrijke kwestie van het Oosters nabuurschapsbeleid en de maatregelen met betrekking tot energiezekerheid in Europa.

 
  
MPphoto
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, onlangs is een arrest gepubliceerd van het Europees Hof van Justitie in een zaak tegen Griekenland. Met dat arrest wordt de pensioengerechtigde leeftijd van mannen en vrouwen in de overheid gelijkgesteld, met als resultaat dat de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen met 5 à 17 jaar wordt verhoogd.

Deze ontwikkeling, die de werknemers ten scherpste veroordelen, werd reeds in de jaren negentig in beweging gezet en draagt het stempel van de Europese Unie en de Griekse regeringen. Zij is een harde klap voor de werkende vrouwen en effent het pad voor de verhoging en gelijkstelling van de pensioengerechtigde leeftijd van mannen en vrouwen op het niveau van 65 jaar. Dit is ook de leeftijd die in de antipensioenwetten van de Nea Dimokratia en PASOK, waarmee de communautaire wetgeving tot uitvoering is gebracht, is voorzien voor degenen die voor het eerst na 1993 werden verzekerd.

Dit onaanvaardbare arrest ondermijnt het openbaar, sociaal karakter van de sociale verzekering in de openbare en particuliere sector. Daarin wordt de mening verkondigd dat het verzekerings- en pensioensysteem geen systeem is voor sociale verzekering maar voor beroepsverzekering. Dat betekent dat er geen enkele garantie is voor de pensioengerechtigde leeftijd, de pensioenen en meer algemeen de uitkeringen.

Voor de werknemers en werkneemsters is er maar een uitweg: ongehoorzaamheid en verzet tegen de besluiten van de Europese Unie en haar organen.

 
  
MPphoto
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM). (PL) Mevrouw de Voorzitter, volgens gegevens op de portaalsite www.eudebate2009.eu stelt slechts 52 procent van de Europeanen vertrouwen in het Europees Parlement als instelling. Dit komt neer op een daling met 3 procent ten opzichte van de resultaten van vorig jaar. Maar liefst 50 procent van de kiezers weet nog niet of ze aan de Europese Parlementsverkiezingen van dit jaar zullen deelnemen. Slechts 30 procent van de respondenten gaf te kennen daadwerkelijk van plan te zijn naar de stembusgang te gaan, terwijl 68 procent van de kiezers niet thuis zal geven, aangezien ze het gevoel hebben dat hun stem toch geen verschil maakt.

Ik zou bijgevolg een vraag willen stellen: heeft het Europees Parlement nog iets spectaculairs achter de hand om de burgers op het laatste moment nog ervan te overtuigen om toch te gaan stemmen? Zijn we op de een of andere manier van plan om de informatiekanalen voor Europa beter te benutten? In mijn land is het debat over Europa onbestaand. De Poolse premier neemt geen enkel initiatief om hier verandering in te brengen. Moeten alle anderen dan ook aan de zijlijn staan en werkeloos toekijken?

 
  
MPphoto
 

  Lívia Járóka (PPE-DE) . – (HU) Volgende week wordt wereldwijd de Internationale Roma-dag gevierd. Dit is een symbool voor de hoop van de Roma op erkenning en acceptatie. In de afgelopen tijd hebben enkele gruwelijke daden de emoties van de publieke opinie hoog doen oplopen, en de onzekerheden die de economische crisis met zich meebrengt verergeren de situatie alleen nog maar. Onze verantwoordelijkheid om een oplossing te vinden voor deze problemen van extreme armoede is dan ook exponentieel toegenomen.

Het is onacceptabel dat wie dan ook de situatie van de Roma aangrijpt voor partijpolitieke aanvallen en om hysterie te veroorzaken in plaats van doelgerichte actie te ondernemen. Een hele groep wordt tot zondebok gemaakt en gestigmatiseerd, waardoor het deze groep onmogelijk wordt gemaakt een beroep te leren. Dit is een ernstige schending van de belangen van zowel de Roma als de meerderheid. Als Roma wijs ik, na de eeuwenlange uitsluiting waar onze gemeenschappen onder geleden hebben, elke vorm van collectieve schuld af, of het nu gaat om stigmatisering van de Roma of van de meerderheid in de samenleving.

Hele gemeenschappen beschuldigen van een criminele leefwijze of van racisme is een ernstige vergissing, en de waardigheid van de EU-instellingen wordt ernstig aangetast als deze hun communicatie baseren op niet onderbouwde rapporten of valse beschuldigingen. Het is onacceptabel dat bepaalde politieke groepen zichzelf proberen te rechtvaardigen door een beroep te doen op het historische onrecht dat vervolgde groepen is aangedaan.

De problemen van de Roma-getto's kunnen enkel worden opgelost door een Europees actieplan dat gericht is op complexe re-integratie en de onmiddellijke ontwikkeling van de uitgesloten regio's.

 
  
MPphoto
 

  Vasilica Viorica Dăncilă (PSE).(RO) De inschattingen die deskundigen maken van de mogelijke problemen op de wereldwijde voedselmarkt en de voedselvoorziening voor de gehele wereldbevolking, zijn een van de redenen waarom opnieuw zou moeten worden nagedacht over de manier waarop landbouwgrond wordt gebruikt in Europa en met name in de nieuwe lidstaten, waaronder Roemenië.

In dit verband dient een realistische evaluatie te worden gemaakt van de mogelijkheden die Roemenië te bieden heeft aan mogelijke investeerders in de landbouwsector. In de huidige crisis is een enorme behoefte aan investeringen in de landbouw. Dat lijkt tenminste de conclusie te zijn van een in Boekarest gepubliceerde studie, waarin gewag wordt gemaakt van een significante toename van de investeringen in de land- en bosbouw in Roemenië. De auteurs van de studie verklaren dit met het feit dat deze economische sectoren het minst te lijden hebben onder de economische moeilijkheden waardoor de markt momenteel wordt gekenmerkt.

Aan de andere kant mogen we niet vergeten dat Roemenië ooit de korenschuur van Europa was, maar om deze plaats weer in te kunnen nemen is een beleid ter ondersteuning van de boeren nodig en moet tevens gebruik worden gemaakt van Gemeenschapsmiddelen, waarvan Roemenië als lidstaat kan profiteren.

 
  
MPphoto
 

  Marco Cappato (ALDE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, de Libische dictator Ghaddafi heeft het Internationaal Strafhof omschreven als een 'nieuwe vorm van wereldterrorisme'. Ik wil het Voorzitterschap van dit Parlement eraan herinneren dat dit Parlement een fundamentele rol heeft gespeeld in de inspanningen – waaraan ook wij als niet gewelddadige radicale partij hebben bijgedragen – voor de oprichting van het Internationaal Strafhof.

Ik vind dat we de woorden van de Libische dictator niet naast ons neer kunnen leggen zonder ze, als Parlement en als Europese instellingen, scherp te veroordelen. Onze strijd erop moet gericht zijn de nationale soevereiniteit, de soevereiniteit van de landen te onderwerpen aan de kracht van de internationaal rechtsregels ter bestrijding van genocide, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Het internationaal en supranationaal recht moet zich verzetten tegen absolute soevereiniteit. Hetzelfde is ons gevraagd door onze vrienden van de Tibetaanse regering in ballingschap, tijdens de hoorzitting van gisteren in de Commissie buitenlandse zaken, en door het Congres van nationaliteiten voor een federaal Iran tijdens de hoorzitting van vandaag: absolute soevereiniteit is de vijand van vrijheid en gerechtigheid.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, tijdens de laatste bijeenkomst van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling noemde commissaris Fischer Boel de hervorming van de suikersector een van de grootste successen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik zou het Parlement erop willen wijzen dat Polen, een land dat altijd grote hoeveelheden suiker heeft uitgevoerd, ten gevolge van deze hervorming nu ongeveer 20 procent van zijn suiker moet invoeren. In amper twee jaar tijd is de suikerprijs met 60 procent gestegen. In dit licht rijst de vraag of de commissaris en haar medewerkers zich ernstig hebben vergist, dan wel of dit een geplande strategie was om te bewerkstelligen dat de suikersector in bepaalde landen rendabeler zou worden. Ik zou duidelijk willen benadrukken dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de Poolse kiezers wordt ervaren als een uiterst onevenwichtig beleid dat de oude EU-lidstaten bevoordeelt.

 
  
MPphoto
 

  Petya Stavreva (PPE-DE).(BG) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, we leven in een snel voortschrijdende en zorgelijke tijd van veranderingen en nieuwe uitdagingen en in de laatste paar maanden in een wereldwijde economische crisis.

Gisteren heeft de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement een verslag aangenomen over het toewijzen van extra middelen aan landbouwers en plattelandsgebieden in de lidstaten om de gevolgen van de crisis op te vangen. De 1,02 miljard euro zal de landbouwsector in de Europese Unie in deze moeilijke tijd steunen. Ik denk dat de landbouwers en plattelandbewoners van de Gemeenschap deze belangrijke boodschap voor een verenigd Europa zullen begrijpen.

Investeringen in internetinfrastructuur, herstructurering van de zuivelsector, hernieuwbare energiebronnen en bescherming van biodiversiteit en watervoorraden zijn essentieel om een groot deel van de problemen in deze regio’s op te lossen. Daarbij moet de bewoners alternatieven worden geboden. De mogelijkheid om een deel van de middelen aan krediet- en garantiefondsen toe te wijzen zal de projectuitvoering in de praktijk vereenvoudigen.

Ik verwacht van de Raad en de Commissie dat zij hun steun zullen betuigen aan de inspanningen van het Europees Parlement om de miljoenen landbouwproducenten in de Gemeenschap de vereiste steun te verschaffen.

 
  
MPphoto
 

  Marusya Lyubcheva (PSE).(BG) Mevrouw de Voorzitter, in het huidige klimaat van economische crisis en verlies van banen in de lidstaten van de Europese Unie bestaat er een ernstig risico op toename van kinderarbeid. In een dergelijke crisis worden vrouwen en kinderen helaas het zwaarst getroffen. Ondanks de degelijke rechtsgrondslag op Europees niveau en goede oplossingen op nationaal niveau – onder meer in het land dat ik vertegenwoordig, Bulgarije – komt de praktijk in veel gevallen niet overeen met de wet. Migrantengroepen en de Roma-gemeenschap worden extra zwaar door het probleem getroffen. Op alle niveaus zijn preventieve maatregelen nodig, en tegelijkertijd moet in de hele Europese Unie strenger worden gecontroleerd of de wetgeving wordt nagekomen. Veel bedrijven maken ondanks de geldende wettelijke beperkingen gebruik van kinderarbeid. Er zijn in de lidstaten duizenden gevallen waarin arbeidswetgeving wordt geschonden. De Europese Commissie moet gerichte initiatieven ontwikkelen voor de strijd tegen uitbuiting van kinderarbeid en pleiten voor strengere controlemechanismen tijdens dit proces. Als we de belangen van kinderen willen beschermen in het kader van ons Europees beleid, is dit een absolute must.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, aangelegenheden als de genocide in Tsjetsjenië, het vermoorden van Tsjetsjeense burgers om hun organen voor transplantaties te gebruiken en de verkrachting van Tsjetsjeense vrouwen zijn in dit Parlement meermaals aan de orde gesteld. Vandaag is de materiële cultuur van Tsjetsjenië aan de beurt en wordt de Tsjetsjeense cultuur met voorbedachten rade vernietigd, een cultuur die enkele honderden jaren ouder is dan de Russische cultuur. Ik doel hierbij niet alleen op geschriften en dagelijkse gebruiksvoorwerpen die in een museum thuishoren, maar ook op de bijzondere Tsjetsjeense woontorens. Het gaat om speciale constructies die nergens anders in Europa voorkomen. In dit Parlement wordt dikwijls benadrukt dat onze cultuur wordt verrijkt door haar diversiteit. Vandaag gaat voor onze ogen een belangrijke tak van onze cultuur verloren en zien we hoe een van haar bronnen wordt verwoest.

 
  
MPphoto
 

  András Gyürk (PPE-DE). (HU) Na de aardgascrisis van januari heeft het gemeenschappelijk Europees energiebeleid onlangs weer een klap in het gezicht gekregen. Het Oostenrijkse bedrijf OMV heeft zijn aandeel in het Hongaarse bedrijf MOL aan een Russische oliemaatschappij verkocht, waarvan de eigenaar onbekend is en dat volgens nieuwsberichten op geen enkele manier beantwoordt aan EU-criteria met betrekking tot transparantie.

Tegelijkertijd is het nauwelijks voorstelbaar dat deze deal gesloten is zonder dat de betrokken regeringen daarvan op de hoogte waren. We kunnen dan ook zeggen dat deze onverwachte transactie duidelijk de ambivalentie van lidstaten laat zien en tegelijkertijd een nieuwe waarschuwing vormt. Het heeft geen enkele zin om binnen de Europese Unie de noodzaak van een gemeenschappelijk energiebeleid te bespreken als de acties van lidstaten met elkaar strijdig zijn.

Als de EU er niet in slaagt om met een stem te spreken over belangrijke aspecten van het energiebeleid, zal ze een willoos slachtoffer blijven van pogingen om verdeeldheid te zaaien. De kwetsbaarheid van de Europese consument zal daardoor alleen nog maar groter worden.

 
  
MPphoto
 

  Catherine Stihler (PSE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil het Parlement informeren dat er zaterdag in Zillhausen in Duitsland een bijzonder gedenkteken zal worden geplaatst ter herinnering aan zes Britse militairen die het leven hebben gelaten in de Tweede Wereldoorlog. Hun vliegtuig werd tussen 15 en 16 maart 1944 neergehaald. Zij behoorden tot het 97e squadron dat het RAF-vliegveld Bourn in Cambridgeshire als thuisbasis had. Hun namen zijn William Meyer, Bernard Starie, Reginald Pike, Thomas Shaw, James McLeish, Archibald Barrowman en Albert Roberts, en zij zullen allen zaterdag worden geëerd.

Zij hebben het ultieme offer gebracht zodat wij nu kunnen genieten van de vrijheden die wij tegenwoordig vaak vanzelfsprekend vinden en wij mogen hun nooit vergeten.

Ik wil hier ook uiting geven aan mijn erkentelijkheid jegens de burgemeester van Balingen, dr. Reitemann, en de plaatselijke gemeenteraad, die het mogelijk hebben gemaakt dat er een gedenkteken ter ere van deze jonge mannen wordt geplaatst. Ik wil ook Brett en Luella Langevad bedanken, die voor de plaatsing van het gedenkteken betalen, alsmede het 9e squadron van de RAF dat twee bemanningen heeft gezonden om de ceremonie op zaterdag bij te wonen.

Bij wijze van persoonlijke opmerking wil ik nog vermelden dat James McLeish mijn oudoom was, en er zullen ook leden van mijn familie aanwezig zijn bij de plechtigheid.

 
  
MPphoto
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE) . – (RO) Op 5 april vinden in de Republiek Moldavië verkiezingen plaats. Vanochtend heeft zich in Transnistrië een explosie voorgedaan aan de gaspijpleiding Ananiev-Tiraspol-Ismail. De oorzaak van dit incident, dat tot een onderbreking van de gastoevoer van Rusland naar de Balkan heeft geleid, is nog onbekend.

Ik hoop dat dit incident geen gevolgen zal hebben voor de uitslag van de verkiezingen. Tegelijkertijd geloof ik dat die uitslag verband houdt met twee belangrijke factoren. Het is absoluut van het hoogste belang dat inspanningen worden ondernomen om de bevroren conflicten in de regio, met name in Transnistrië, op te lossen. De Europese Unie moet ook specifieke, levensvatbare oplossingen zien te vinden voor de ontwikkeling van alternatieve energievoorzieningsroutes naar de Zwarte Zee. Helaas kan het Nabucco-project door de eind vorige week ondertekende overeenkomst tussen Gazprom en de nationale oliemaatschappij van Azerbeidzjan op de tocht komen te staan.

Daarom moet dringend aandacht worden besteed aan alle factoren die van invloed zijn op de consolidering van de energiezekerheid van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE).(RO) De Donau speelt een belangrijke rol in de economische en sociale cohesie en de culturele ontwikkeling van Europa. De Europese Donau-commissie werd op 30 maart 1856 opgericht als vervolg op de Conferentie van Parijs en betrok haar hoofdkwartier in Galaţi in Roemenië. De Donau-commissie was een van de eerste Europese instellingen en had ten doel een internationaal systeem op te zetten voor vrij scheepsverkeer op de Donau.

Het prioritaire TEN-V-project nr. 18, gevormd door de Donau en het Rijn-Main-kanaal, zorgt voor een verbinding tussen de Zwarte Zee en de Noordzee, waardoor de route tussen de zeehavens van Rotterdam en Constanţa met 4 000 kilometer wordt verkort. De Donau moet een hogere prioriteit krijgen in het beleid van de Gemeenschap. Ik stel voor om aan het begin van de volgende zittingsperiode van het Europees Parlement een intergroep voor de promotie van de Donau op te zetten.

In de komende jaren moeten we de handen ineenslaan en tot een gezamenlijke beleidsaanpak komen voor initiatieven die betrekking hebben op de Donau-regio.

 
  
MPphoto
 

  Anna Záborská (PPE-DE). (SK) Drie jaar geleden heeft het Europees Parlement de Sacharovprijs uitgereikt aan de vrouwen van politieke gevangenen die in maart 2003 in Cuba waren vastgezet. Deze ‘vrouwen in het wit’ vroegen onverschrokken om aandacht voor de schendingen van de mensenrechten in hun land.

De Europese Raad heeft herhaaldelijk conclusies aangenomen over de voortzetting van een open dialoog met de Cubaanse autoriteiten en tegelijkertijd aangedrongen op naleving van fundamentele mensenrechten en vrijheden. De Raad heeft echter ook besloten dat deze rechten telkens weer aan de orde moeten worden gesteld tijdens officiële bezoeken en dat daarbij, wanneer dat enigszins mogelijk is, ontmoetingen moeten worden georganiseerd met de democratische oppositie.

Ik moet u melden dat tijdens het bezoek van de heer Michel, commissaris voor ontwikkeling, zulke ontmoetingen niet hebben plaatsgevonden, ondanks het feit dat daarom was verzocht. Dit is des te onbegrijpelijker en schokkender omdat het bezoek van de Europese Commissie aan Cuba samenviel met de zesde verjaardag van de arrestatie van de tegenstanders van het Castro-regime. Het baart mij zorgen dat ook de ondervoorzitter van ons Parlement lid van de delegatie was.

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Liberadzki (PSE). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, in november vorig jaar hebben we op verzoek van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement een debat gevoerd over de situatie in de Poolse scheepsbouwindustrie. Ondanks onze uiteenlopende standpunten hebben we de Commissie en commissaris Kroes eensgezind opgeroepen om met oplossingen te komen, oplossingen die er eerder op gericht zijn om de scheepswerven nieuw leven in te blazen dan om ze te sluiten.

Vier maanden later staan de zaken er als volgt voor: de Poolse regering is veel te snel gezwicht voor de druk van de Commissie en heeft ingestemd met oplossingen die neerkomen op de verkoop van de verschillende bezittingen van de scheepswerf overeenkomstig het beginsel dat de hoogste bieder het gewenste deel kan verwerven. Intussen is de bouw van nieuwe schepen stopgezet en hebben de meeste werknemers hun baan verloren. Zij hebben bovendien slechts een symbolische compensatie gekregen. Eén ding is zeker: het concurrentievermogen van de Europese scheepsbouwindustrie is er in geen geval op vooruitgegaan.

 
  
MPphoto
 

  Maria Petre (PPE-DE).(RO) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, eind vorige week werd honderden Roemeense burgers de toegang tot het grondgebied van de Republiek Moldavië ontzegd, meestal zonder opgave van redenen en soms ook onder uiterst merkwaardige voorwendselen, zoals de bewering dat zij niet over de nodige documenten beschikten om aan te tonen dat zij niet met hiv besmet waren.

Dit is een ongekende schending van de rechten van vrij verkeer die in die mate nog niet eerder door andere Europese burgers is ervaren. Ik ben sterk voorstander van de toenadering van de Republiek Moldavië en haar burgers tot de Europese Unie, maar ik protesteer tegen deze ernstige schending en verzoek de Europese Commissie en de Raad om de autoriteiten in Chişinău om opheldering te vragen, zoals Roemenië dat reeds heeft gedaan via zijn minister van Buitenlandse Zaken. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). (SK) In mijn spreekbeurt wil ik het initiatief van de Commissie met betrekking tot de Europese Burgerraadpleging 2009 toejuichen. Dit project brengt burgers uit de 27 lidstaten van de EU in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement bij elkaar om te debatteren over antwoorden op de vraag wat de EU kan doen om vorm te geven aan onze economische en sociale toekomst in een geglobaliseerde wereld.

Een nationale raadpleging met Slowaakse burgers is gehouden op 28 en 29 maart. Op 10 en 11 mei 2009 vindt de Europese Burgertop plaats in Brussel, waar 150 deelnemers vanuit de 27 nationale raadplegingen een definitieve versie zullen opstellen van de Europese aanbevelingen die leden van het Europees Parlement in de komende verkiezingstijd kunnen gebruiken als basis voor nieuwe Europese wetgeving.

Ik ben er stellig van overtuigd dat we alleen door discussies met de burgers hun geloof in het unieke van het project Europa kunnen vernieuwen. Tegelijkertijd doe ik een beroep op de media om objectiever en actiever informatie te geven over het Europees Parlement, omdat dit een belangrijke invloed heeft op de opkomst van de kiezers.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sógor (PPE-DE). (HU) Er heeft vandaag een conferentie met een vreemde titel plaatsgevonden in het Europees Parlement, over de nederlaag van de zogenaamde Hongaarse Sovjetrepubliek. Dat land heeft nooit bestaan en die gebeurtenis heeft nooit plaatsgevonden.

Ik verwerp elke politieke poging om met nationalistische motieven de historische vragen die verbonden zijn aan de retrospectieve rechtvaardiging van de ambities van een staat om grondgebied te winnen, te onderwerpen aan de belangen van een staat.

Het is onacceptabel dat de invasie van Hongarije, de Roemeense militaire bezetting en de plundering van het land vanaf november 1918, op een evenement dat hier in Brussel, in het hart van Europa, onder auspiciën van leden van het Europees Parlement wordt gehouden, geïnterpreteerd wordt als een factor in de stabilisering van de regio.

Mede namens de Hongaarse gemeenschap in Roemenië protesteer ik krachtig tegen het cynische gedrag van onze Roemeense socialistische collega's en tegen hun misleidende PR-manoeuvre en poging de publieke opinie met nationalistische motieven te beïnvloeden.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). (SK) Op 18 en 19 maart 2009 heeft de commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp, Louis Michel, een bezoek gebracht aan Cuba. Dit bezoek vond plaats tijdens de zesde verjaardag van de gevangenneming van 75 oppositievertegenwoordigers. Tijdens zijn bezoek heeft commissaris Michel geen ontmoeting gehad met de Damas de Blanco of andere vertegenwoordigers van de oppositie.

Volgens inlichtingen van Europese diplomaten heeft commissaris Michel de gelegenheid niet aangegrepen om de mensenrechten of de verjaardag te berde te brengen. Op de radiozender van de Cubaanse oppositie zei de heer Michel dat de datum een officiële fout was en dat hij niet wist dat de Damas de Blanco hem wilden ontmoeten.

Ik moet zeggen dat ook ondervoorzitter Martinez van het Europees Parlement, officieel lid van de delegatie als vertegenwoordiger van het Parlement, de oppositie niet heeft ontmoet, hoewel hij wel een ontmoeting heeft gehad met de families van in de VS gearresteerde Cubaanse spionnen. Martinez heeft het Castro-regime zodoende de kans gegeven zijn bezoek en de door hem bezochte bijeenkomst te misbruiken om de media-aandacht af te leiden van de activiteiten van de Damas de Blanco rond de verjaardag van de arrestaties. Deze aandacht concentreerde zich nu op het bezoek en de ontmoeting van de commissaris.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dit agendapunt is afgesloten.

 

17. Schipbreuken met migranten voor de Libische kust (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de verklaring van de Commissie over de schipbreuken met migranten voor de Libische kust.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, de Europese Commissie is geschokt door het bericht dat er zondag op de Middellandse Zee bij de kust van Libië een naar Europa varend schip met migranten aan boord is vergaan. Volgens sommige bronnen waren er 257 opvarenden, van wie de meeste nu vermist zijn.

De Commissie wil haar medeleven betuigen met de slachtoffers van deze tragedie en tevens uiting geven aan haar woede over dit drama. Er zullen ongetwijfeld meerdere factoren meespelen, maar de belangrijkste verantwoordelijkheid berust toch wel bij de criminele organisaties die deze dodelijke transporten vanaf de kust van Libië uitvoeren en rijk worden ten koste van menselijk leed. De Commissie vindt het onaanvaardbaar dat deze praktijken steeds vaker voorkomen. Het lijkt er tenminste op dat dit afgelopen jaren het geval is geweest. We dringen er bij alle betrokken partijen op aan al het nodige te ondernemen om er een einde aan te maken.

Libië speelt hier een cruciale rol. Dit land moet bij de bestrijding van mensensmokkel op zijn grondgebied meer vastberadenheid tonen en doeltreffender optreden, om zo te verhinderen dat deze illegale transporten vanuit de Libische kust vertrekken. Het moet meer doen om in Libische wateren varende schepen die in moeilijkheden verkeren, te redden en te doorzoeken. Het moet internationale bescherming bieden aan de migranten die daarom verzoeken, wat Libië overigens verplicht is krachtens de uit 1969 daterende OAE-Overeenkomst betreffende de bescherming van vluchtelingen, een overeenkomst die door Libië is ondertekend.

De Europese Unie heeft de Libische autoriteiten de afgelopen jaren verscheidene malen gevraagd om hun verantwoordelijkheden te aanvaarden en in samenwerking met de Europese Unie en haar lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen. Ik moet daaraan toevoegen dat we Libië extra financiële steun hebben beloofd, aangezien het duidelijk is dat Libië behoefte heeft aan deze steun om de via zijn grondgebied bedreven smokkel van migranten en anderen efficiënter te bestrijden en de controle aan de zuidgrens te verscherpen. De Libische autoriteiten zullen voor de opvang van migranten een systeem moeten opzetten dat aansluit bij het internationaal recht.

De Europese Unie is inderdaad bereid mee te werken en bij te dragen aan het onderscheppen van schepen in de Middellandse Zee of deze, indien nodig, te redden. Volgende maand zullen Nautilus en Hermes, twee via Frontex georganiseerde en gefinancierde marineoperaties van start gaan. De Commissie nodigt alle lidstaten van de Europese Unie uit om mee te werken aan de implementatie van deze twee acties, die 24 miljoen euro zullen gaan kosten. De lidstaten moeten concrete solidariteit tonen ten aanzien van Italië en Malta, twee landen die meer dan alle andere aan de toestroom van migranten uit Libië zijn blootgesteld. Belangrijk is ook dat Libië zijn verantwoordelijkheid aanvaardt met betrekking tot de heropname van illegale migranten die zijn grondgebied zijn gepasseerd.

We hebben vastgesteld dat de Italiaanse autoriteiten menen dat er vanaf 15 mei samen met de Libische marine gemeenschappelijk patrouilles kunnen worden uitgevoerd in de Libische wateren, met de opdracht om illegale vaartuigen te onderscheppen of bij te staan. We zijn de Italiaanse autoriteiten dankbaar voor de steun die ze hebben verleend bij het ontwikkelen van de Libische marinecapaciteiten op dit gebied.

Dit zijn noodmaatregelen. De Commissie meent dat er ook prioritaire actie moet worden ondernomen met betrekking tot de humanitaire dimensie van deze problemen. Migranten die hun leven toevertrouwen aan gewetenloze smokkelaars zijn meestal mensen die op de vlucht zijn voor oorlog of vervolging. We hopen dat de gebeurtenissen van de afgelopen dagen ertoe zullen leiden dat men zich in de lidstaten bewust wordt van de ernst van dit probleem, zodat we samen met de lidstaten en met de steun van het Europees Parlement een Stockholm-programma kunnen opzetten, dat vooral gericht moet zijn op een wereldwijde aanpak van migratie. Zo’n benadering is nodig om een langetermijnstrategie voor het beheer van migratiestromen op te kunnen stellen die wat meer rekening houdt met de omstandigheden en de vereisten van de oorspronglanden.

Deze strategie moet ons verder in staat stellen om in onze dialoog met de Afrikaanse partners verder te gaan, en dan vooral in de context van het proces van Rabat, in het kader voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Afrikaanse Unie. We moeten gemeenschappelijke antwoorden op deze uitdagingen formuleren en gebruik maken van de mogelijkheden die legale migratie biedt. Legale migratie kan immers mogelijkheden bieden, zowel voor de Europese Unie als voor de landen van oorsprong. Deze strategie moet ook extra middelen mobiliseren door met de oorsprong- en transitlanden samen te werken en zo bij te dragen tot het versterken van het vermogen van deze landen om mensensmokkelorganisaties te ontmantelen en migranten een waardige behandeling te verzekeren, die hun rechten respecteert.

Tot slot moet deze strategie ons in staat stellen de opvang van legitieme asielzoekers op het grondgebied van de lidstaten doeltreffender te organiseren door in het kader van de samenwerking met derde landen de capaciteiten voor de bescherming van vluchtelingen verder te integreren.

Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik ben twee weken geleden op Lampedusa en Malta geweest. Ik heb dus een gelegenheid gehad om zelf vast te stellen welke drama’s deze mensen, die door gewetenloze smokkelaars worden aangemoedigd om de zee over te steken en zo hun leven te riskeren, moeten doorstaan. We moeten deze problemen – zeker na dit laatste incident – heel serieus nemen en ervoor zorgen dat alle lidstaten begrijpen hoe ernstig de situatie is. Ze moeten verder goed beseffen dat deze praktijken steeds frequenter worden. Mensen worden in erbarmelijke omstandigheden vervoerd en hun leven wordt zo in gevaar gebracht.

Daarom wil ik het Parlement bedanken voor het feit dat het de Commissie om deze verklaring heeft gevraagd. Ik heb me daarbij door de mij bekende informatie laten leiden. Ik herhaal hier dat ik me er de komende maanden persoonlijk voor zal inzetten om een herhaling van dit soort tragedies te voorkomen.

 
  
MPphoto
 

  Agustín Díaz de Mera García Consuegra, namens de PPE-DE-Fractie. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, vandaag delen wij allen in het verdriet en leedwezen om de dood in het Middellandse Zeegebied van al die immigranten, die hoopvol waren en wanhopig, en misschien ook om de tuin waren geleid. Zij zijn de onschuldige slachtoffers van een situatie die zij niet gekozen hebben, van omstandigheden die hun zijn opgelegd. Ik ken het probleem heel goed. De Middellandse Zeekusten en de Atlantische kust van de Canarische Eilanden zijn voor velen die niets bezitten, de onvermijdelijke weg naar een onbestaand paradijs geworden, een weg vol risico’s bij de overtocht en vol teleurstellingen en ontberingen bij aankomst.

De Europese Unie en de lidstaten moeten gevoeliger zijn voor al dit leed en deze tragedies zien te voorkomen. We doen veel, maar bereiken niets. De resultaten zijn wrang, zoals gebleken is aan de Libische kust, en we moeten daaruit opmaken hoe weinig doeltreffend ons beleid is.

Er bestaan geen magische recepten om volkomen afdoende oplossingen te vinden voor dit dramatische probleem, maar er bestaat wel zoiets als een consequent en resoluut beleid. We moeten een solide beleid handhaven of invoeren voor samenwerking met de landen van oorsprong en de doorgangslanden, waarbij samenwerking en partnerschap twee kanten van dezelfde munt moeten zijn. We moeten de voordelen van wettelijke, overeengekomen immigratie beter regelen en onder de aandacht brengen, ook ten tijde van crisis. Aan de hand van gedetailleerde overeenkomsten moeten we samenwerken met de landen van oorsprong en de doorgangslanden om de controles aan hun grenzen te waarborgen. We moeten handelaren hun netwerken uitjagen door middel van een intelligente aanpak en speciale eenheden, en er tegelijkertijd voor zorgen dat via het strafrecht de straffen in de landen van bestemming verhoogd worden. We moeten het fonds voor de buitengrenzen van meer middelen voorzien; een bedrag van 1,820 miljard euro voor zeven jaar is natuurlijk volkomen ontoereikend.

We moeten Frontex op doeltreffende wijze versterken en er voor zorgen dat de catalogus van technische middelen, Crate, geen intentieverklaring is maar een efficiënt instrument voor de gecoördineerde controle en bewaking van de kritieke knelpunten van illegale activiteiten.

Commissaris, Nautilus en Hermes en 24 miljoen euro betekenen meer verbintenissen en meer middelen. We moeten ophouden met te zeggen ‘we moeten”, en deze zware taak op ons nemen, al dan niet met algemene overeenstemming.

 
  
MPphoto
 

  Pasqualina Napoletano, namens de PSE-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega's, we hebben het hier over meer dan 500 vermisten: de grootste tragedie op zee sinds de Tweede Wereldoorlog. Dit zijn zeer indrukwekkende aantallen maar toch lijken Europa en zijn regeringen afgeleid te zijn. Sommige landen, waaronder Italië, dachten het gevaar te zijn ontlopen na de ondertekening van bilaterale overeenkomsten, zoals de recente overeenkomst met Libië. Dat is echter niet zo. In deze overeenkomst zijn zeer uiteenlopende vraagstukken ondergebracht, zoals de erkenning van tijdens het koloniale tijdperk begane misdaden en beloften tot investering, in ruil voor toezeggingen met betrekking tot de controle op migratiestromen. Het lijkt er echter op dat juist deze fata morgana van Italiaanse investeringen in Libië momenteel duizenden jonge mensen uit West-Afrika aantrekt. Er is niet veel voor nodig om te voorspellen dat als de beloofde 5 miljard dollar niet aankomt, het mensen zijn die zullen aankomen.

Wat te zeggen van de Franse belangen in Niger die verband houden met de bevoorrading van uranium? In naam daarvan wordt een oorlog aangewakkerd tussen de Tuareg waardoor mensensmokkelaars in de kaart wordt gespeeld. Bovendien vindt dit alles in het volle daglicht plaats en is gedocumenteerd door verslaggevers.

Dit wil zeggen dat sommige Europese regeringen met vuur spelen. Als dit niet snel verandert, als Europa niet met een positief beleid ter tafel komt dat beantwoordt aan onze waarden, zal het niet voldoende zijn om de informatie achter te houden, zoals we momenteel doen. Het Middellandse Zeegebied is in een massagraf aan het veranderen en is ver verwijderd van de retorische beelden waarmee het wordt beschreven. Laten we echter niet vergeten dat deze zee verbonden is met het lot van Europa zelf.

 
  
  

VOORZITTER: ALEJO VIDAL-QUADRAS ROCA
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Gérard Deprez, namens de ALDE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil namens mijn fractie graag eer bewijzen aan deze laatste slachtoffers van armoede, criminele uitbuiting en staatscynisme. Medeleven betuigen is echter niet genoeg. We moeten de waarheid in de ogen kijken.

En de waarheid, mijnheer de Voorzitter, is dat de zuidelijke grenzen van de Europese Unie niet langer in Europa liggen, – ze liggen nu op het Afrikaanse continent. Zodra de boten de Afrikaanse kust achter zich hebben gelaten, hebben de onfortuinlijke passagiers eigenlijk alleen maar één keuze, als ik het zo mag uitdrukken: de dood, als de omstandigheden tegenwerken, of als ze de Europese kust wel bereiken, de status van illegale immigrant, met alle daaraan verbonden armoede. En dan zullen de meesten hoe dan ook toch gedeporteerd worden.

Dit soort drama’s zal zich blijven voordoen zolang de Europese Unie niet de bevoegdheid en de wil heeft om te onderhandelen over partnerschapsovereenkomsten met de oorsprongs- en transitlanden. Die overeenkomsten moeten tenminste drie elementen bevatten: betrouwbare grenscontroles, maar ook, en vooral, een behoorlijk quotum voor legale immigratie en, tot slot, ruime aandacht voor ontwikkelingssamenwerking. Zonder zulke overeenkomsten, mijnheer de Voorzitter, zullen de graven op zee keer op keer gevuld worden. Onze zwakke en machteloze uitingen van medeleven doen daar niets aan af.

 
  
MPphoto
 

  Hélène Flautre, namens de Verts/ALE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, wie waren deze mensen? Hoeveel waren het er? Waar kwamen ze vandaan? Waren er kinderen bij, vrouwen, vluchtelingen? Heeft de kustwacht hun boot tegengehouden? Zijn ze vissers tegengekomen? Zoveel vragen zonder antwoord! Wat de balans in termen van mensenlevens is, weten we niet, maar we weten wel dat honderden mensen zijn omgekomen en zich gevoegd hebben bij de duizenden migranten die al eerder verdronken waren in de Middellandse Zee.

Laten we in ieder geval zo fatsoenlijk zijn – en dat zijn we vanavond – om de schuld niet aan het weer te geven. Honderden migranten hebben gekozen voor verbanning, en wel onder onmenselijke en hoogst gevaarlijke omstandigheden. Waarom doen ze dat? Omdat ze totaal verwoeste regio’s ontvluchten; omdat minder gevaarlijke trajecten voor hen niet open staan maar zij niettemin de hoop op leven niet willen opgeven.

Inderdaad: het zijn juist de mechanismen die immigratie moeten verhinderen die migranten ertoe bewegen om steeds gevaarlijker routes te kiezen en de uitzichtloosheid van hun landen te ontvluchten. Is het niet zo dat de aankondiging van gemeenschappelijke patrouilles door Italië en Libië het vertrek van de boten naar Europa hebben verhaast?

Inderdaad, de obsessie van Europa om de grenzen te versterken en zijn vastbeslotenheid om het migratiebeheer voor een belangrijk deel over te laten aan landen die de vrijheid met voeten treden, vormen een dodelijke cocktail. Het overdreven accent op wets- en ordehandhaving, patrouilles en hekken met prikkeldraad zijn nooit sterker dan het verlangen van deze mensen om te ontsnappen.

De vraag luidt dus of Europa bereid is de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor een dergelijke keuze. Neen, dat is het niet, en daarom vraag ik de Commissie en de lidstaten om

- ten eerste al het mogelijke te doen om de mensen die op zee verdwenen zijn, op te sporen en indien mogelijk te redden, en een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden van de schipbreuk;

- ten tweede ervoor te zorgen dat het internationale zeerecht – dat de verplichting bevat om hulp te bieden aan mensen in nood – wordt nageleefd nu de zeven Tunesische vissers nog steeds verwikkeld zijn in een proces;

- ten derde alle onderhandelingen over migratievraagstukken met landen die geen garanties bieden voor de naleving van de mensenrechten te schorsen;

- ten vierde het recht van eenieder om om het eender welk land te verlaten en in een ander land internationale bescherming te vragen, te respecten;

- ten vijfde een einde te maken aan het restrictieve visumbeleid, dat vaak arbitrair en oneerlijk is.

- tot slot elk beleid van de Europese Unie vanuit een ontwikkelingsperspectief te onderzoeken, en daarbij aandacht te schenken aan zaken als het roven van minerale hulpbronnen, het dumpen van landbouwproducten, vrijhandelsovereenkomsten, wapenhandel en de kritiekloze samenwerking met autocraten.

 
  
MPphoto
 

  Giusto Catania, namens de GUE/NGL-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, de gebeurtenis die onlangs heeft plaatsgevonden, is slechts de laatste in een lange reeks van schandelijke drama's die inmiddels reusachtige proporties hebben aangenomen. Het overlijden op zee van emigranten die onze kusten proberen te bereiken, is zonder enige twijfel de grootste schending van leven binnen het beschaafde Europa. Deze tragische gebeurtenissen brengen het vreselijke gelaat van ons fort Europa aan het licht. Wellicht moeten we ook eens gaan nadenken over onze verantwoordelijkheid voor de dood van deze mannen en vrouwen die alleen maar op zoek waren naar een beter leven, en honger en oorlog probeerden te ontvluchten.

Daarom zouden we eigenlijk het feit moeten analyseren dat de schipbreukelingen in de Middellandse Zee geen anomalie zijn van een mechanisme dat illegale immigratie in de hand werkt; ze zijn wel een voorspelbaar gevolg van het immigratiebeleid van de Europese Unie en zijn lidstaten. Het bloedbad in het Middellandse Zeegebied wordt veroorzaakt door het denkbeeld van onderdrukking, door het beleid om mensen terug de zee op te sturen, door het virtuele prikkeldraad langs onze kusten, door prohibitionistische praktijken die in het immigratiebeleid van de Europese Unie en zijn lidstaten, waaronder Italië en Malta, zijn opgenomen. Er is geen andere manier om Europa binnen te komen; er bestaan geen legale kanalen om de Europese arbeidsmarkt te betreden of om erkenning te verkrijgen voor het asielrecht, dat heilig is. Hoop is overgeleverd aan de stormachtige golven van de Middellandse Zee; rechten liggen in de handen van gewetenloze schippers, die de enige, of althans de meest toegankelijke manier zijn geworden om de Europese Unie binnen te komen. Dat is de werkelijke oorzaak van de doden buiten de kust van Libië enkele dagen geleden. Dat is de reden waarom de afgelopen 20 jaar tienduizenden migranten zijn overleden in een poging Europa te bereiken; mannen en vrouwen die zonder gezicht en zonder naam tot voer voor de vissen zijn verworden.

Ik heb voorzitter Pöttering gevraagd om de vergadering van vandaag met een minuut stilte te beginnen, als een teken van rouw ter erkenning van deze martelaars. Ik bedank hem voor het inwilligen van mijn verzoek. Ik vind dat we dit aan onze stand verplicht zijn, maar het is duidelijk niet genoeg. Het geeft blijk van onze verontwaardiging, maar we moeten proberen een beleid op te stellen in dit Parlement, een concreet beleid dat zegt: nooit, nooit meer mogen er doden in het Middellandse Zeegebied vallen.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het kort houden. Wij moeten actie ondernemen, en ik herhaal wat de heer Deprez heeft gezegd. Wij moeten deze kwestie in haar geheel aanpakken en partnerschapsovereenkomsten sluiten, omdat wij er niet in zullen slagen deze problemen op unilaterale wijze op te lossen. Ik geef grif toe, zoals ook u hebt onderstreept, dat wij als Europeanen verantwoordelijkheden hebben. Wij moeten tevens blijk geven van openheid ten aanzien van de kwestie van legale migratie. Bovendien moeten wij onze plicht nakomen mensen op te vangen die vluchten voor vervolging en oorlog.

Ik wil echter zeggen en het Parlement nadrukkelijk erop wijzen dat de verantwoordelijkheid ook ligt bij een aantal derde landen waarmee de onderhandelingen zeer moeizaam verlopen. Betekent dit dat wij moeten afzien van onderhandelingen? Nee! Wij moeten bijvoorbeeld zien te bereiken dat Libië eindelijk een asielsysteem krijgt. Wij moeten zien te bereiken dat Libië ons kan helpen enkele van de mensensmokkelaars een halt toe te roepen, die deze arme mensen dwingen onnodige risico’s te nemen. Ik zelf heb de Maltese autoriteiten horen zeggen dat Libië een aantal boten liet vertrekken onder deplorabele omstandigheden en dat de Maltese marine vervolgens gedwongen was op te stomen naar deze arme mensen, die door mensensmokkelaars werden uitgebuit, om hen te redden. Wij moeten derhalve verantwoordelijkheid nemen, maar tegelijkertijd blijk geven van een zekere mate van standvastigheid in onze onderhandelingen met een aantal staten die hun internationale verplichtingen niet nakomen.

Ik denk dat dit toereikend is om de handen ineen te slaan, zodat een herhaling van dergelijke dramatische gebeurtenissen wordt voorkomen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

 

18. Gemeenschappelijke visumcode (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0161/2008) van Henrik Lax, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode [COM(2006)0403 - C6-0254/2006 - 2006/0142(COD)].

 
  
MPphoto
 

  Henrik Lax, rapporteur. (SV) Mijnheer de Voorzitter, de gemeenschappelijke visumcode heeft als doel de visumprocedure in het hele Schengengebied te harmoniseren en te verduidelijken. Iedereen die een visum aanvraagt moet gelijk worden behandeld, ongeacht het Schengenconsulaat waartoe hij of zij zich wendt. Er moet worden gezorgd voor een goede administratieve praktijk, een menswaardige behandeling en een gemakkelijkere binnenkomst van bonafide reizigers.

Regels met betrekking tot de invoering van verplichte vingerafdrukafname van visumhouders en de mogelijkheid om de ontvangst en afhandeling van visumaanvragen te verplaatsen, waren eerder al aangenomen met een apart verslag, dat door barones Sarah Ludford was ingediend. Deze regels zijn in de gemeenschappelijke code opgenomen als integraal onderdeel hiervan.

(EN) Bedankt, Sarah, voor je goede medewerking.

(SV) Dit voorstel voor een verordening moet worden aangenomen via de medebeslissingsprocedure tussen het Parlement en de Raad. Na bijna drie jaar werken en intensieve onderhandelingen met de Raad ben ik blij dat ik als rapporteur nu een compromisvoorstel kan presenteren dat door de Raad is goedgekeurd en waarvan ik hoop dat het de goedkeuring van het Parlement kan krijgen.

Ik wil vooral de schaduwrapporteurs, mevrouw Klamt, de heer Cashman, mevrouw Ždanoka en mevrouw Kaufman bedanken voor hun zeer constructieve medewerking en krachtige steun in de onderhandelingen. Zonder de steun van een eensgezinde commissie zou het Parlement niet zo’n goed onderhandelingsresultaat hebben bereikt. Ik wil ook mijn dank uitspreken aan de Commissie, die een gedegen voorstel had gepresenteerd dat de moeite waard was om verder te ontwikkelen. Mijn dank gaat ook uit naar het Franse en het Tsjechische voorzitterschap, die beide blijk hebben gegeven van hun wil om de problemen te onderkennen die het Parlement wilde aanpakken en van hun vermogen om het Parlement halverwege tegemoet te komen.

Alle ingediende compromissen gaan uit van het voorstel van de Commissie en bevatten verbeteringen met betrekking tot de huidige situatie. Het bleek bovendien mogelijk te zijn de moeilijkste kwesties al voor kerstmis tijdens het Franse voorzitterschap op te lossen. Natuurlijk zou het hele voorbereidings- en onderhandelingsproces nooit zijn geslaagd zonder het uitstekende werk van mijn eigen kundige medewerkers en die van mijn collega’s, het secretariaat van de commissie en de ambtenaren van de fracties. Ik wil hen heel hartelijk danken.

De drie belangrijkste resultaten die wij hebben bereikt zijn de volgende. Ten eerste is het zo dat een meervoudig visum niet alleen kan maar ook moet worden uitgegeven wanneer aan bepaalde overeengekomen criteria wordt voldaan. Ten tweede hebben de lidstaten zich ertoe verplicht om een overeenkomst te sluiten net betrekking tot elkanders vertegenwoordiging, zodat geen enkele visumaanvrager onevenredig moeilijke reizen moet maken om een bevoegd Schengenconsulaat te bereiken. En ten derde wordt er een gemeenschappelijke website opgezet om een uniform beeld te creëren van het Schengengebied en om informatie te verschaffen over de regels die gelden voor het verstrekken van visa.

Dat de kosten voor een visum niet kon worden verlaagd van 60 naar 35 euro is teleurstellend. Deze teleurstelling wordt echter gecompenseerd door het feit dat bijvoorbeeld kinderen jonger dan zes jaar en personen jonger dan 25 jaar die organisaties vertegenwoordigen in seminars, sportactiviteiten of culturele evenementen hun visa kosteloos kunnen krijgen.

Ik wil tot slot zeggen dat met deze hervorming twee instrumenten worden geïntroduceerd die van grote betekenis zullen zijn voor een uniforme toepassing van de Schengenregels, namelijk het visuminformatiesysteem, dat een database is die alle Schengenlanden dekt en de consulaten real-time informatie geeft over wie een visum heeft aangevraagd, wie een visum heeft gekregen, wiens aanvraag voor een visum is afgewezen en welke visa zijn ingetrokken, en de geïnstitutionaliseerde lokale samenwerking tussen de Schengenconsulaten in verschillende landen.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie juicht de grote inspanningen toe die zijn geleverd door het Parlement en tot op zekere hoogte ook door de Raad. Dankzij deze inspanningen zullen wij misschien in eerste lezing een akkoord kunnen bereiken. Gezien de consensus die medio maart is bevestigd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en enkele dagen eerder door het Coreper, denk ik dat dit akkoord thans definitief is bereikt.

Hoewel de tekst niet perfect is en niet beantwoordt aan al onze oorspronkelijke ambities, ondersteunt de Commissie het compromis zonder enig voorbehoud. Wij moeten de inspanningen erkennen en prijzen die het Europees Parlement heeft geleverd om in eerste lezing en voor het einde van de lopende legislatuurperiode een akkoord te bereiken over dit voorstel.

Deze verordening maakt de regels die van toepassing zijn op de afgifte van visa duidelijker, niet alleen voor visumaanvragers, maar ook voor de lidstaten. Deze regels worden tevens op een sterker geharmoniseerde wijze toegepast.

De Commissie is verheugd dat, dankzij de steun van het Europees Parlement, de verplichting om afwijzingen te motiveren en afgewezen aanvragers een recht van beroep te verlenen, praktisch niet gewijzigd is ten opzichte van de tekst van het oorspronkelijke voorstel.

Met deze procedurele garanties kunnen wij voorkomen dat afwijzingen als willekeurig worden ervaren. Mocht dit akkoord in twijfel worden getrokken, dan zouden wij tot eenieders grote ontevredenheid met de onvolkomenheden moeten blijven leven, zoals de incoherentie van de bestaande regels.

Ik wil uiting geven aan mijn tevredenheid over het bereikte compromis. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de onvolkomenheden en incoherentie van de bestaande regels. Ik wil de heer Henrik Lax en het Parlement vanzelfsprekend hartelijk danken. Ik ben ervan overtuigd dat bonafide reizigers sterk zullen profiteren van deze nieuwe visumcode.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Klamt, namens de PPE-DE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte dames en heren, dankzij de goedkeuring van de visumcode gelden er van nu af aan voor het verlenen van een Schengenvisum, dat is dus een visum voor een verblijf van maximaal drie maanden, in de hele Schengenruimte precies dezelfde criteria. Dat was een stap die dringend nodig was in een Europese Unie met open grenzen. Tegelijkertijd wordt precies geregeld welke lidstaten verantwoordelijk zijn voor het behandelen van visumaanvragen. In principe moet de aanvrager zich richten tot de lidstaat waar de hoofdbestemming van zijn reis ligt. Mijn fractie vindt het een goede zaak dat de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van een inreisvisum een groot aantal burgers in staat zullen stellen om snel te reizen. Op die manier doen we echt iets voor al degenen die voor hun werk naar de EU moeten reizen, maar ook de toeristen uit de hele wereld – verreweg de grootste groep van reizigers – profiteren daarvan.

Op die manier hebben we er voor gezorgd dat visumaanvragen snel kunnen worden behandeld, en bovendien garandeert het onderzoek naar de veiligheidsaspecten dat er geen misbruik kan worden gemaakt van het systeem. Dankzij dit goede evenwicht tussen veiligheid en het faciliteren van reizen biedt het visuminformatiesysteem de lidstaten de mogelijkheid om direct toegang te krijgen tot alle gegevens die relevant zijn voor het afgeven van een visum. Dat maakt het makkelijker om aanvragen te behandelen, en tegelijkertijd wordt het afgeven van een visum in de toekomst veiliger door het gebruik van biometrische identificatoren, dat zijn dus een foto en een vingerafdruk. De rapporteur, Henrik Lax, en de Raad hebben een compromis gesloten dat rekening houdt met het oorspronkelijke standpunt van het Europees Parlement, en een grote meerderheid van de leden van mijn fractie staat hier achter.

Ik zou Henrik Lax nogmaals van harte willen bedanken voor zijn harde werk en voor de uitstekende samenwerking in de afgelopen drie jaar, het was namelijk een bijzonder ingewikkeld dossier. Dit plaatst het Europese visumbeleid op een nieuw fundament.

 
  
MPphoto
 

  Michael Cashman, namens de PSE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de heer Lax willen bedanken voor het uitzonderlijke werk dat hij heeft verricht. Het doet mij deugd namens de Sociaal-democratische Fractie te kunnen zeggen dat wij dit verslag volledig zullen steunen. Wij zijn ook blij dat we de meeste van onze doelstellingen hebben bereikt.

Ik ben ook verheugd te kunnen zeggen dat jij, Henrik, in onze samenwerking de verbeeldingskracht hebt weten te tonen die absoluut noodzakelijk is voor een goede wetgever, namelijk door jezelf te verplaatsen in de positie van een persoon die gebruik wil maken van de maatregel. Dat is de wijze waarop je deze zaak in zijn geheel benaderd hebt. Daarom heb jij je gericht op de "one-stop"-oplossing, het internet, meervoudige inreisvisa en de korting op visa voor personen jonger dan 25 – kon ik nog maar van dat recht gebruik maken – en heb je het benaderd vanuit de vraag hoe we deze regeling het best kunnen laten werken voor de burger. Dit is een prachtig voorbeeld voor de rest van het Parlement. Wij benaderen zaken vaak door amendementen in te dienen, waardoor de tekst verbeterd wordt en er sprake is van meer samenhang, maar is de burger daar ook bij gebaat? Dat laatste is juist altijd jouw benadering geweest.

Het doet mij deugd te kunnen zeggen dat er nu meervoudige inreisvisa zijn. Dan is er ook nog de hele kwestie van beroep. Ik heb samen met Jan– om iemand van het DG te noemen– aan dit zeer belangrijke principe gewerkt, dat erop neerkomt dat wanneer iemand een visum is geweigerd, of iemand de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, het beroep dat die persoon indient geen opschortende werking heeft, maar de instantie die de persoon heeft geweigerd wel verplicht is zich te verantwoorden.

Ik wil de rapporteur evenals de Commissie nogmaals bedanken voor het feit dat dit beginsel hier is vastgelegd. Ik heb verder niets te zeggen behalve dan dat ik mijn eigen personeel en uw personeel wil bedanken – en dan met name Renaud, die op de publieke tribune zit. Zonder ons personeel zouden we het werk waarin we uitblinken nooit kunnen doen. Het is een prachtige liefdesaffaire van drie jaar geweest en, zoals meestal bij korte liefdesaffaires, ben ik blij dat ze ten einde loopt.

 
  
MPphoto
 

  Sarah Ludford, namens de ALDE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn verordening over biometrische visa wordt opgenomen in deze nieuwe visumcode, en daarom heb ik het gevoel dat deze ook een beetje van mij is. De code zal in combinatie met het visuminformatiesysteem werken, waarvoor ik rapporteur was.

Het resultaat is dat visa niet alleen beter beveiligd maar ook gemakkelijker aan te vragen zijn, zoals al door anderen is gezegd. Dit was het doel van de heer Cashman voor de grenzencode. Ik vind dan ook dat de leden van het Europees Parlement wat betreft deze twee doelstellingen goed werk hebben geleverd.

Ik hoop dat de biometrische gegevens, die de koppeling tussen aanvrager en document betrouwbaarder maken, ervoor zullen zorgen dat er minder mensen ten onrechte worden geweigerd. De heer Lax heeft zich, zoals de heer Cashman al zei, zwaar ingespannen voor de verbetering van de dienstverlening aan aanvragers, en dus voor het imago van de EU. Negenennegentig komma negen procent van de mensen die naar de EU willen komen, wil dit met als oogmerk handel, reizen en toerisme, en wij willen ook dat ze hier komen, want dat is goed voor onze handel. Als ze echter slechte dienstverlening krijgen en slecht behandeld worden, zullen ze geen warme gevoelens over de EU koesteren.

De heer Lax heeft prima werk geleverd.

 
  
MPphoto
 

  Tatjana Ždanoka, namens de Verts/ALE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, wij zijn de heer Lax dankbaar voor de grote inspanningen die hij heeft gedaan om in dit ambitieuze project een compromis te bewerkstelligen.

De Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie is nog altijd van mening dat het door het Parlement ingediende amendement de beste oplossing zou zijn geweest. Er kunnen – en er zullen – bijvoorbeeld praktische problemen optreden wanneer het gaat om de hoofdbestemming, terwijl daarentegen in ons voorstel vrije keuze wordt geboden bij de aanvraag van visa.

De Raad heeft ingestemd met de verplichting van de lidstaten om enkel en alleen medewerking te verlenen. Helaas zal het visumtarief 60 euro bedragen in plaats van de 35 euro die het Parlement heeft voorgesteld. Hopelijk zal er een aantal ontheffingen en kortingen zijn voor kinderen, studenten en actieve jongeren.

Hoewel het niet mogelijk is gebleken om een compromis te bereiken over de standaardafgifte van meervoudige inreisvisa, hebben we nu tenminste een verplichting om dergelijke visa in bepaalde gevallen te verstrekken.

Het recht van beroep tegen een negatief besluit is ook een grote stap vooruit. Momenteel bestaat een dergelijk recht in vele lidstaten niet. Als mensenrechtenactivist in mijn vorig leven wil ik de heer Lax in het bijzonder voor deze bepaling bedanken.

Natuurlijk werpt de opneming van het verslag over biometrische gegevens in dit verslag in de ogen van mijn fractie een smet op het geheel. Wij zijn tegenstander van een dergelijke brede invoering van biometrische gegevens.

Toch zien wij een aantal verbeteringen in het visumbeleid, en daarom zullen wij dit verslag steunen.

 
  
MPphoto
 

  Sylvia-Yvonne Kaufmann, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur, onze collega Henrik Lax, hartelijk bedanken voor zijn werk. Hij heeft van het begin af aan heel nauw samengewerkt met alle schaduwrapporteurs, en door zijn betrokkenheid ongetwijfeld het onderste uit de kan gehaald bij de Raad.

De visumcode is nodig om uniformere regels vast te leggen voor de afgifte van Schengenvisa voor kort verblijf, maar vooral om in dit proces een betere dienstverlening te bieden, en op die manier het aanzien van de Europese Unie in derde landen te verbeteren. Na meer dan drie jaar te hebben gewerkt aan de visumcode en na ingewikkelde onderhandelingen met de Raad hebben we nu eindelijk een compromis kunnen sluiten. Helaas heeft een aantal van onze eisen het in de Raad niet gehaald, maar de visumcode bevat desondanks allerlei verbeteringen, bijvoorbeeld op het gebied van de samenwerking tussen de lidstaten. Het belangrijkste zijn echter de voordelen voor de aanvragers, want zij krijgen meer rechtszekerheid en transparantie.

Het is heel belangrijk dat er van nu af aan redenen moeten worden gegeven voor iedere weigering om een visum af te geven, en dat iedere aanvrager in beroep kan gaan tegen een dergelijk weigering. Het is echter wel jammer dat de leges voor een visum niet veranderd zijn; die bedragen nog steeds 60 euro. Hoewel van nu af aan een groter aantal personen van de leges wordt vrijgesteld zullen deze visumleges van 60 euro voor heel wat onderdanen van derde landen onbetaalbaar zijn, wat ertoe leidt dat deze burgers dus niet naar de Europese Unie kunnen reizen.

Tot slot zou ik de rapporteur en alle collega’s nogmaals willen bedanken voor de uitstekende samenwerking in de afgelopen jaren, en ik feliciteer de heer Lax met zijn verslag.

 
  
MPphoto
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE) . – (RO) De gemeenschappelijke visumcode bevat procedures en voorwaarden voor de afgifte van Schengenvisa voor de lidstaten en harmoniseert de bestaande bepalingen voor de besluitvorming over weigering, verlenging of nietigverklaring van visa.

Het is belangrijk dat lidstaten die niet over een consulaat in een derde land beschikken, kunnen worden vertegenwoordigd door een andere lidstaat die wel een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het desbetreffende derde land heeft. De code moet rekening houden met bilaterale overeenkomsten die door de Gemeenschap zijn ondertekend, met name met landen die betrokken zijn bij het Europees nabuurschaps- en partnerschapsbeleid, teneinde de behandeling van visumaanvragen te vergemakkelijken en vereenvoudigde procedures te kunnen toepassen.

Ik ben van mening dat het recht van de lidstaten om met commerciële bemiddelaars samen te werken er nauwelijks toe zal bijdragen dat de procedures voor de behandeling van visumaanvragen worden vereenvoudigd. De code zegt namelijk dat aanvragers bij het indienen van hun eerste aanvraag persoonlijk dienen te verschijnen, zodat hun biometrische gegevens kunnen worden geregistreerd. Bovendien kunnen visumaanvragers tijdens de behandeling van hun aanvraag worden opgeroepen voor een gesprek.

De visumcode voor de Schengenruimte heeft ten doel een uniform optreden van de Europese Unie naar buiten toe te waarborgen, visumaanvragers gelijk te behandelen en voor een reeks derde landen duidelijke vrijstellingscriteria en regels vast te stellen. In dit verband ben ik van mening dat de Europese Unie haar uiterste best moet doen om ervoor te zorgen dat haar lidstaten gelijk worden behandeld door derde landen die slechts voor bepaalde lidstaten om visumvrijstellingen verzoeken. We kunnen niet toelaten dat bij reizen naar bijvoorbeeld Australië of de Verenigde Staten een verschil wordt gemaakt tussen twee klassen van Europese burgers.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Marinescu antwoorden dat ik vanzelfsprekend alles in het werk zal stellen om bij derde landen wederkerigheid te bereiken en dat mijn recente reis naar Washington gedeeltelijk betrekking had op deze kwestie.

Voor het overige ben ik zeer blij, omdat ik denk dat de heer Lax zeer goed werk heeft verricht en dat hij is beloond met een brede goedkeuring. Ik wil hieraan toevoegen dat wij natuurlijk tevens een strategie hebben om het verkrijgen van visa met een aantal landen te vergemakkelijken. Bovendien vestig ik veel hoop op de ontwikkeling van deze strategie teneinde de verlening van visa, met name aan jongeren uit derde landen, zoveel mogelijk te vergemakkelijken, omdat ik vind dat wij er alle belang bij hebben het jongeren gemakkelijker te maken naar Europa te reizen.

Hartelijk dank voor deze goede benadering, die ons in staat heeft gesteld om deze tekst tot stand te brengen en zodoende het visumbeleid te voorzien van een nieuwe dimensie die zeer gewaardeerd zal worden.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag 2 april 2009 plaats.

 

19. Evaluatie van rij- en rusttijden (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is de verklaring van de Commissie over de evaluatie van rij- en rusttijden.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zal de verklaring van de Commissie over de evaluatie van rij- en rusttijden voorlezen.

Verordening (EG) nr. 561/2006 ter vervanging van de voorschriften inzake rij- en rusttijden, die sinds meer dan twintig jaar niet meer waren gewijzigd, is ongeveer twee jaar geleden, op 11 april 2007, in werking getreden.

Sinds de aanneming van deze verordening oefent de Commissie op actieve wijze controle uit op de toepassing hiervan, met name middels vergaderingen met de lidstaten, de industrie en de vakbonden, binnen het comité en in verschillende werkgroepen die zijn ingesteld door het comité.

De Commissie zal binnenkort het tweejaarlijkse verslag publiceren over de uitvoering van sociale regels. Een van de voorlopige conclusies luidt dat de inspanningen en investeringen van de lidstaten op het gebied van controle dienen te worden opgevoerd, teneinde de niveaus te bereiken die de Europese wetgeving vereist.

Tot de door de Commissie genomen initiatieven behoren de richtsnoeren die met instemming van de lidstaten worden gepubliceerd en die erop zijn gericht een geharmoniseerde toepassing te waarborgen van de voorschriften inzake rij- en rusttijden, bijvoorbeeld indien een chauffeur zijn rusttijd moet onderbreken vanwege een noodgeval.

De Commissie werkt tevens op actieve wijze aan de verbetering van de digitale tachograaf. In januari is een maatregelenpakket aangenomen ter verhoging van de veiligheid van dit systeem. De lidstaten moeten derhalve speciale apparatuur ontwikkelen voor de controle van die tachograaf.

Momenteel wordt in het kader van de comitologieprocedure gesproken over een tweede pakket maatregelen ter aanpassing van de technische specificaties van de tachograaf. Dankzij deze maatregelen wordt het voor chauffeurs gemakkelijker tachografen te gebruiken doordat de manuele invoer wordt vereenvoudigd.

De Commissie trekt uit deze opmerking over de toepassing van de verordening de conclusie dat de nieuwe wetgeving betreffende rij- en rusttijden de afgelopen twee jaar een succes is geweest. Daarom heeft de Commissie met instemming van de lidstaten de landen die partij zijn bij de AETR (overeenkomst inzake internationaal vervoer over de weg), zojuist overgehaald om deze nieuwe voorschriften vanaf 2010 over te nemen. Het spreekt echter vanzelf dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze sociale regels op een geharmoniseerde wijze worden toegepast in Europa.

Dit moest ik het Parlement namens de Commissie mededelen. Ik zal nu aandachtig luisteren naar de opmerkingen van de verschillende afgevaardigden.

 
  
MPphoto
 

  Corien Wortmann-Kool, namens de PPE-DE-Fractie. – Voorzitter, er was vandaag enige verwarring over deze verklaring van de Commissie, maar het is duidelijk dat de mondelinge vragen die de PPE-DE-Fractie had ingediend, de basis vormen van uw verklaring vandaag. Die mondelinge vragen komen voort uit de grote zorg die er ondanks de inspanningen van de Commissie is over de praktische uitwerking van deze regelgeving.

Als ik nog één minuut met mijn auto rijdt in het ene land omdat ik de auto moet verplaatsen, dan kan ik weken later nog in een ander land met torenhoge boetes worden geconfronteerd. Dat is zo maar een van de voorbeelden van problemen waar chauffeurs en transportbedrijven tegen oplopen. Zo kan het bijvoorbeeld enorme problemen geven als je net even een paar kilometer langer rijdt om een veilige parkeerplaats te bereiken (want alle parkeerplaatsen lopen over in Europa) en om ook een goede parkeerplaats voor de nacht te bereiken.

Ik ben blij dat u een aantal acties in gang hebt gezet en ook dat u met het rapport gaat komen. Ik wil u vragen in dat rapport niet alleen te kijken naar de invoering van de regels, maar ook te kijken naar de regelgeving zelf en over te gaan tot een brede evaluatie waarbij de sector de gelegenheid wordt gegeven om u in kennis te stellen van de zorgen waarover ik net sprak. Een brede evaluatie dus, zodat we kunnen kijken waar de verbeteringen kunnen worden doorgevoerd.

Het nadeel van die richtsnoeren is immers dat die tot nu toe, naar ik heb begrepen, geen rechtskracht hebben in de lidstaten. Als chauffeurs zich op die richtsnoeren beroepen, dan kunnen ze toch met lege handen komen te staan omdat ze niet rechtsgeldig zijn. Daar zit dus een probleem. Commissaris Barrot, ik ben blij dat u met uw kennis van zaken vandaag commissaris Tajani vervangt en ik hoop van harte dat u die brede evaluatie kan toezeggen.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău, namens de PSE-Fractie.(RO) De voor vervoersondernemers geldende Europese regelgeving inzake werk-, rij- en rusttijden doelt niet alleen op de sociale omstandigheden in de sector wegvervoer, maar vooral ook op de verkeersveiligheid.

Helaas is de Europese Unie er niet in geslaagd het aantal verkeersongelukken in voldoende mate terug te dringen. Inderdaad moeten de lidstaten de controles op het transitvervoer verbeteren. Als rapporteur voor de sociale voorwaarden heb ik het eerste verslag van de Commissie, dat eigenlijk twee keer per jaar moet worden opgesteld, bestudeerd. Helaas kwam het verslag te laat, maar ik heb er uit kunnen opmaken dat sommige lidstaten in de praktijk meer dan het voorgeschreven minimumaantal controles uitvoeren, terwijl andere lidstaten nog niet aan deze verplichtingen hebben voldaan.

Ik ben verheugd dat we er in het verslag van mijnheer Grosch over toegang tot de markt samen met de Raad van de Europese Unie in zijn geslaagd een compromistekst te formuleren. Met name hebben we geëist dat alle controles langs de weg worden uitgevoerd zonder discriminatie op grond van nationaliteit of land van vestiging van de wegvervoerder.

Commissaris, er bestaat absoluut behoefte aan veilige parkeerplaatsen. Er is een ontwerpverslag opgesteld over de aanleg van veilige parkeergelegenheden aan de grens tussen de Europese Unie en Rusland, maar deze parkeerplaatsen volstaan jammer genoeg niet. De lidstaten moeten meer investeren in veilige parkeerruimte, aangezien 40 procent van de roofovervallen op vervoerders helaas op parkeerplaatsen plaatsvindt.

We hebben eveneens een wijziging op de begroting ingediend opdat middelen kunnen worden uitgetrokken voor de aanleg van veilige parkeergelegenheden. Ik ben van mening dat de vereisten inzake rij- en rusttijden alleen kunnen worden nageleefd indien we daartoe de nodige voorwaarden scheppen voor vervoerders.

 
  
MPphoto
 

  Eva Lichtenberger, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijn collega van de conservatieve fractie heeft erop gewezen dat de sector zeer bezorgd is over het feit dat een chauffeur die ook maar een minuut te lang rijdt, daarvoor weken later eventueel moet boeten.

Ik kan mijn collega geruststellen – helaas, vanuit mijn standpunt bekeken. De controles in de lidstaten zijn namelijk heel laks, de meeste lidstaten voldoen niet of nauwelijks aan hun controleverplichting, en ten tweede staat de strafvervolging op dit vlak nog steeds in de kinderschoenen, hoewel de situatie rampzalig is. Wanneer op de Inntal-autobaan bijvoorbeeld een chauffeur wordt aangehouden die 38 uur non-stop heeft gewerkt kan niemand mij wijsmaken dat hij geen parkeerplaats heeft kunnen vinden. De ondernemers oefenen gewoon druk uit op de chauffeurs, en willen dat ze doorrijden tot ze omvallen. Dat is een gevaar voor alle andere weggebruikers. Ik hoef u niet in alle details te vertellen hoe ernstig ongelukken met vrachtwagens zijn.

Daarover maken de omwonenden zich natuurlijk ook zorgen, omdat sommige vrachtwagens misschien gevaarlijke goederen vervoeren, die dan schade kunnen veroorzaken. Een goede controle hierop is volgens mij dus van het groot belang, en zelfs van levensbelang!

Ten tweede ben ik van mening dat we door de invoering van de digitale tachograaf al zo’n lange voorgeschiedenis hebben bij de omzetting in de lidstaten dat het nu wel eens tijd wordt dat er eindelijk een betere controle mogelijk wordt gemaakt voor degenen die willen controleren, in het belang van de chauffeurs, de omwonenden, de verkeersveiligheid en de andere weggebruikers.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, eindelijk staat het functioneren van de rij- en rusttijdenverordening op de agenda van de plenaire vergadering. Sinds de verordening van kracht is, regent het klachten over de onduidelijke en onredelijke toepassing. Op dat punt moet actie ondernomen worden. De verordening moet snel worden herzien. Wat moet er beter? De wetgeving moet voorspelbaar worden.

Ik pleit niet voor het harmoniseren van alle sancties. Dat moet een bevoegdheid van de lidstaten blijven. Ik pleit wel voor een helder, voorspelbaar en redelijk systeem. Alleen zo komen we af van volstrekt irrationeel hoge boetes, onredelijke boetes en extreem lange afhandelingen van boetes. De huidige wetgeving laat kennelijk ruimte voor een discriminerende aanpak van voornamelijk buitenlandse vrachtwagenchauffeurs langs de Europese wegen en dat is onaanvaardbaar. Dit probleem is niets anders dan een ernstige verstoring van de interne markt.

Tot slot een kort voorbeeld van de onredelijkheid van de huidige rij- en rusttijdenverordening. Een chauffeur rijdt door Frankrijk en krijgt een boete van 750 euro omdat hij 15 minuten te kort heeft gerust. De afhandeling van de boete neemt daarnaast zes uur in beslag. Hierdoor kan de chauffeur die dag niet meer laden en lossen, met alle gevolgen van dien. De werkelijke schade van de boete voor de overtreding van 15 minuten wordt hiermee ongeveer 1.750 euro.

De Commissie moet de lidstaten die zich aan dergelijke verstoringen van de interne markt schuldig maken, veel steviger aanpakken. Vanuit Nederlands perspectief denk ik dan vooral in zuidelijke richting.

 
  
MPphoto
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE) . – (RO) Om een hoog veiligheidsniveau op de Europese wegen te kunnen waarborgen en weggebruikers te kunnen beschermen, is het van cruciaal belang dat chauffeurs zich aan de regels inzake rij- en rusttijden houden.

De Europese Commissie heeft in januari 2009 een maatregelenpakket aangenomen om manipulaties van de tachograaf te voorkomen en de lidstaten meer mogelijkheden aan de hand te doen om de naleving van de regelgeving inzake rij- en rusttijden te controleren. Deze maatregelen moeten worden toegejuicht in het licht van het grote aantal problemen dat zich gaandeweg heeft voorgedaan met de systemen voor het registreren van werktijden, die voornamelijk verband houden met digitale tachografen en met het feit dat de bestaande wettelijke voorschriften als onflexibel en moeilijk te handhaven zijn ervaren.

Een van de voornaamste aspecten waarmee de Commissie rekening dient te houden is naar mijn mening het belang dat moet worden toegekend aan de omzetting van Richtlijn 2006/22/EG in de nationale wetgeving van de lidstaten en de harmonisatie van de nationale voorschriften die zijn vastgesteld ingevolge artikel 19 van Verordening (EG) nr. 561/2006. Roemenië heeft in dezen aan zijn verplichtingen voldaan, maar er zijn nog steeds lidstaten die dit proces nog niet hebben afgesloten, waardoor problemen ontstaan bij de grensoverschrijdende vervolging van overtredingen en bij het innen van opgelegde boetes.

Met het oog op de zesmaandelijkse verslagen van de lidstaten gedurende deze laatste referentieperiode en de talrijke problemen die door de vervoersbedrijven worden gemeld, roep ik de Commissie op de mogelijkheid van een herziening van Verordening (EG) nr. 561/2006 te onderzoeken.

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Liberadzki (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, we debatteren vandaag over de rij- en rusttijden voor bestuurders in het wegvervoer in een periode van ernstige economische crisis. Er staan duizenden voertuigen stil omdat er niet voldoende werk is. Dat geldt eveneens voor de bestuurders. Daarenboven kan een groot aantal bedrijven nog nauwelijks het hoofd boven water houden. De heer Jarzembowski, mevrouw Wortmann-Kool en de andere afgevaardigden die deze vraag hebben ingediend, stellen terecht de volgende drie kwesties aan de orde: de complexiteit van het systeem, de vraag of het systeem al dan niet betrouwbaar is en het opleggen van de beperkingen die tot dusver van toepassing waren.

Er is geen wetenschappelijk bewijs dat aantoont dat een flexibelere tenuitvoerlegging, waardoor het in specifieke omstandigheden zelfs mogelijk zou zijn om de werktijden in een bepaalde week uit te breiden, een negatieve impact zou hebben op de verkeersveiligheid, zeker niet als het verkeer afneemt. Het is daarentegen meer dan waarschijnlijk dat de strikte toepassing van de beperkingen de toekomst van deze sector in gevaar zal brengen. Hetzelfde geldt voor de invoering van de nieuwe belemmeringen voor het wegvervoer die hiermee gepaard gaan. Ik zou met name willen verwijzen naar het Eurovignet en de internalisering van externe kosten. Dit onderwerp is in ieder geval belangrijk genoeg om er een debat aan te wijden. Verder zou ik graag horen wat het standpunt van de Commissie over deze kwestie is.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb aandachtig geluisterd naar hetgeen iedereen heeft gezegd.

Ik zou willen stellen dat we deze verordening aan het “inrijden” zijn – we spreken immers over transport – en dat deze vanzelfsprekend zeer belangrijk is, zowel voor de verkeersveiligheid als om maatschappelijke redenen. Ik wil degenen die de bezorgdheid van de betrokkenen uit de sector tot uiting hebben gebracht, een beetje geruststellen. De Commissie is zich bewust van de geleidelijke invoering van de verordening die is aangenomen door het Europees Parlement en de Raad. Zij onderhoudt contacten met de sociale partners en de experts in de lidstaten zodat de verordening geleidelijk kan worden geharmoniseerd, al naar gelang de behoefte aan interpretatie.

Het is juist dat de Commissie op 30 januari 2009 een richtlijn heeft goedgekeurd die de definities van inbreuken harmoniseert, en dat zij ten aanzien van boetes van plan is een verslag hierover te publiceren, zoals bepaald in artikel 10 van richtlijn 2006/22. Uit dat verslag zal blijken dat boetes verschillen van lidstaat tot lidstaat, maar dat er ook verschillen zijn in de wijze waarop inbreuken worden gecategoriseerd.

Tot zover het eerste punt.

Mevrouw Wortmann-Kool wees erop dat chauffeurs een veilige parkeerplaats moeten kunnen vinden en pleitte voor meer van dergelijke plaatsen. Ik zou haar willen zeggen dat de verordening het mogelijk maakt langer te rijden om een veilige parkeerplaats te vinden.

De heer Liberadzki heeft weliswaar zojuist gezegd dat we de sector niet te veel verplichtingen mogen opleggen, maar u weet ook dat ons doel is de sector te vrijwaren van veiligheidsrisico’s. Op die wijze beschermen wij chauffeurs een beetje tegen bepaalde risico’s die zij nemen. Mevrouw Lichtenberger heeft ons gewezen op het belang van deze bepalingen voor de verkeersveiligheid.

Mijnheer Marinescu, ik denk dat wij voortdurend proberen de uitvoering te evalueren, maar het is juist dat wij momenteel niet opnieuw kunnen discussiëren over wettelijke bepalingen. Uit deze verordeningen zullen op den duur nieuwe gewoonten voortvloeien, gewoonten die – hiervan ben ik overtuigd – de gehele sector ten goede zullen komen voor zover zij de arbeidsomstandigheden een beetje beter harmoniseren, doordat het privéleven van chauffeurs wordt gerespecteerd en wordt gezorgd voor betere veiligheid.

Hierbij zou ik het willen laten. Ik zal uw opmerkingen doorgeven aan mijn vriend, de heer Tajani, zodat hij ervoor kan zorgen dat deze evaluatie wordt voortgezet in de betreffende sector en in het licht van alle kanttekeningen die zijn gemaakt en met name, mijnheer de Voorzitter, in het licht van de pertinente opmerkingen die vanavond zijn gemaakt door de verschillende afgevaardigden.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

 
  
  

VOORZITTER: GÉRARD ONESTA
Ondervoorzitter

 

20. Vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (debat)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0048/2009) van Avril Doyle, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad [15079/2/2008 - C6-0005/2009 - 2007/0064(COD)].

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil om te beginnen mijn dank uitspreken aan alle schaduwrapporteurs en het Franse voorzitterschap voor het feit dat zij een vroeg akkoord in tweede lezing mogelijk hebben gemaakt.

Dit is een vrij technisch voorstel dat tot doel heeft de bestaande EU-regeling te actualiseren. Het hoofddoel hiervan is de volksgezondheid te beschermen door ervoor te zorgen dat mensen die levensmiddelen van dierlijke oorsprong consumeren niet overmatig worden blootgesteld aan residuen van farmacologisch werkzame stoffen die in diergeneesmiddelen en biociden aanwezig zijn. Dit wordt bereikt door het vaststellen van veiligheidsdrempels of “maximumwaarden voor residuen” (MRL’s) voor goedgekeurde stoffen en door een verbod te stellen op stoffen die onveilig zijn of waarvoor geen wetenschappelijk verantwoord “veiligheidsprofiel” kan worden vastgesteld.

MRL’s alleen bieden geen bescherming aan de consument. Consumenten worden wel rechtstreeks beschermd door een geschikte wachttijd voor de slacht vast te stellen en er middels controles op toe te zien dat daar de hand aan wordt gehouden. In de praktijk wordt bij het vaststellen van wachttijden een hoge veiligheidsmarge toegepast, die een afspiegeling vormt van de op dat moment beschikbare gegevens.

We hebben een akkoord bereikt over de hoofdpunten. Deze zijn: ten eerste een extrapolatie van voor een bepaalde soort vaststelde MRL’s naar andere soorten, ten tweede het overnemen door de EU van internationaal, binnen de Codex Alimentarius, vastgestelde MRL’s; en ten derde het opzetten van een MRL-kader voor voedselimporten uit derde landen.

We zijn erin geslaagd duidelijkheid te creëren over de te nemen maatregelen wanneer in levensmiddelen die hetzij in de EU of in derde landen zijn geproduceerd, niet-toegestane stoffen worden aangetroffen, alsook over de basis voor een regelmatige herziening van de actiedrempels (dat wil zeggen: de maximumwaarde die voor een niet-toegestane stof voor controledoeleinden is vastgesteld) in het licht van eventuele nieuwe gegevens.

Ook over het vaststellen van MRL’s voor bepaalde biociden, zoals ontsmettingsmiddelen die in de leefomgeving van dieren worden gebruikt, is overeenstemming bereikt, met name wat de financiële aspecten van de vergunningverlening en de dossiers betreft.

Het vaststellen van een MRL voor een farmacologisch werkzame stof vereist een kostbaar pakket van gegevens verkregen uit toxicologisch en stofwisselingsonderzoek. Voor sommige minder voorkomende voedselproducerende soorten, de zogeheten “kleinere diersoorten”, is het samenstellen van zo’n pakket te duur, aangezien voor geneesmiddelen voor deze soorten maar een kleine markt bestaat – zogeheten “beperkte toepassingen”. Het vaststellen van een MRL is de eerste stap die moet worden gezet alvorens bij de regelgevingsinstanties een vergunning kan worden aangevraagd voor een geneesmiddel voor een voedselproducerende soort dat een farmacologisch werkzame stof bevat.

Dus de kwestie van “beperkte toepassingen”/“kleinere diersoorten” (MUMS) is een probleem dat dringend moet worden opgelost, omdat daardoor dierenwelzijn en voedselveiligheid in het geding komen. Dierenartsen hebben een zorgplicht en zullen altijd proberen een ziek dier te behandelen. Onder de huidige wetgeving zijn ze gedwongen hun toevlucht te nemen tot niet toegelaten geneesmiddelen.

Het ontbreken van een MRL maakt het voor de autoriteiten ook onmogelijk om een verantwoorde wachttijd voor een geneesmiddel vast te stellen. Volgens de huidige MRL-verordening hoeven MRL’s niet voor afzonderlijke soorten te worden vastgesteld. Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (CVMP) van het Europees Geneesmiddelenbureau stelt MRL’s voor afzonderlijke soorten vast en volgt daarmee een behoedzame aanpak. In 1997, na vijf jaar ervaring, kwam het CVMP na een hernieuwde beoordeling van alle MRL’s tot de conclusie dat het niet nodig was om MRL’s voor afzonderlijke soorten vast te stellen, omdat de MRL’s voor een bepaalde stof bijna altijd voor alle soorten hetzelfde of bijna hetzelfde zijn. Hetzelfde jaar publiceerde het CVMP een richtsnoer voor het vaststellen van MRL’s voor kleinere soorten. Daarin werd “kleinere voedselproducerende soorten” gedefinieerd als “alle soorten behalve vee, varkens en pluimee”. Ook zalm werd daartoe gerekend.

In het richtsnoer werd het niet als een probleem gezien om de MRL’s voor grotere soorten te extrapoleren naar kleinere, mits ze van dezelfde familie waren, dus van herkauwer naar herkauwer, van vis naar vis, van kip naar ander pluimvee. In 2008, na acht jaar ervaring met deze benadering, publiceerde het CVMP een nieuwe richtsnoer, getiteld “The Risk Analysis approach for residues of veterinary medicinal products in food of animal origin”. Daarin wordt een benadering op basis van een risicoanalyse beschreven waarbij de MRL voor een bepaalde stof zoals die voor een of meer soorten is vastgesteld, naar andere soorten wordt geëxtrapoleerd. Meer in het bijzonder voorziet dit richtsnoer in de mogelijkheid om MRL’s die op de gegevens van drie grotere soorten zijn gebaseerd, te extrapoleren naar alle soorten, mits voor de drie grotere soorten dezelfde of bijna dezelfde MRL’s zijn vastgesteld.

De voorliggende tekst tot herziening van richtlijn verschaft gewoon een rechtsgrondslag voor de huidige praktijk, waarbij MRL’s in het belang van de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen en dierenwelzijn worden geëxtrapoleerd.

Twee amendementen hebben specifiek betrekking op het ontbreken van soortspecifieke geneesmiddelen voor paardachtigen (ik moet u op dit punt meedelen dat ik een belang hebben in deze kwestie) voor een scala van therapeutische behoeften en behoeften op het vlak van dierenwelzijn, waarbij het er niet alleen om gaat dat het absoluut noodzakelijk is dat een diergeneesmiddel wordt toegevoegd aan de in de diergeneesmiddelenrichtlijn bedoelde positieve lijst van stoffen voor paardachtigen, maar waarbij ook “medische baten” in het geding zijn. Onder duidelijk omschreven omstandigheden zou voor bepaalde producten die voor paardachtigen worden gebruikt, geen MRL zijn vereist, maar moet wel een wachttijd van zes maanden in acht worden genomen.

Wellicht dat de commissaris hierover een openbare verklaring gaat afgeven – dat vraag ik hem bij dezen via de voorzitter. Ik herinner me een discussie die we hierover enkele maanden geleden in verband met de herziening van de diergeneesmiddelenrichtlijn hebben gehad.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, de revisie van de wetgeving inzake grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong is voor de Europese Commissie een belangrijk initiatief. Het is bedoeld om de consument te beschermen tegen residuen van geneesmiddelen in levensmiddelen, en tegelijkertijd de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen in de Gemeenschap te verbeteren. Het is echter ook een belangrijk element in het programma van de Commissie voor de vereenvoudiging van de wetgeving.

De Raad en het Parlement hebben op 21 oktober jongstleden een overeenkomst gesloten die in het onderhavig gemeenschappelijk standpunt van zowel de Raad, als het Parlement en de Commissie haar beslag heeft gevonden. Ik ben heel blij dat de Commissie de amendementen van zowel het Europees Parlement als de Raad heeft kunnen overnemen, omdat ze de geest en de inhoud van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie niet aantasten.

Daarom heeft de Commissie in haar mededeling aan het Europees Parlement van 8 januari jongstleden haar volledige steun gegeven aan het gemeenschappelijk standpunt. De goedkeuring van dit gemeenschappelijk standpunt stelt ons nu in staat om dit dossier tot een goed einde te brengen, nog voor afloop van de zittingsperiode van het Parlement.

Degenen die iedere dag te maken hebben met levensmiddeleninspectie en diergeneesmiddelen kunnen op basis van dit gemeenschappelijk standpunt beter werk verrichten voor dierengezondheid en consumentenbescherming in de Gemeenschap. Die personen wachten al heel lang en heel ongeduldig op de herziening van de wetgeving inzake maximale residuen, en ik vind dat ze nu echt wel lang genoeg hebben gewacht. Nu kunnen we allemaal samen tevreden zijn dat we een oplossing hebben gevonden.

Ik ben me terdege bewust van het bijzondere belang van de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen. Daarom zal de Commissie, ondanks de vooruitgang die deze verordening inzake grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in dit verband al met zich meebrengt, in 2010 een evaluatie voorleggen van de problemen bij de toepassing van de richtlijn inzake diergeneesmiddelen, en indien zinvol nieuwe wettelijke bepalingen voorstellen.

Ik zou de rapporteur, mevrouw Doyle, met nadruk willen bedanken. Ze heeft werkelijk onvermoeibaar gewerkt, waardoor wij erin geslaagd zijn om het eens te worden over dit belangrijke dossier, Nogmaals mijn hartelijke dank, mevrouw Doyle, voor uw schitterende werk!

- (EN)

Verklaring van de Commissie

Verslag-Doyle

De Commissie is op de hoogte van de bezwaren van burgers, dierenartsen, lidstaten en de dierengezondheidsindustrie tegen de richtlijn die de vergunningverlening voor diergeneesmiddelen regelt. De Commissie is zich met name bewust van het belang van een oplossing voor de bestaande problemen in verband met de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen en de toepassing van geneesmiddelen voor soorten waarvoor geen vergunning is verleend, alsook van het belang van een vermindering van de administratieve rompslomp in gevallen waarin deze voor de sector onevenredig groot is en daardoor innovatie belemmert, terwijl tegelijkertijd een hoog niveau van consumentenveiligheid met betrekking tot levensmiddelen van dierlijke oorsprong moet worden gegarandeerd. De Commissie wijst op de positieve stappen die in dit verband zijn gezet, zoals de vereenvoudiging van de voorschriften voor wijzigingen met betrekking tot reeds goedgekeurde geneesmiddelen en de onderhavige herziening van de wetgeving inzake de maximumwaarde voor residuen in levensmiddelen.

Verder zal de Commissie voor het realiseren van de doelstellingen met betrekking tot consumentenveiligheid en dierengezondheid, het concurrentievermogen van de veterinaire sector, met inbegrip van KMO’s, en de vermindering van de administratieve rompslomp in 2010 een evaluatieverslag voorleggen over de problemen bij de toepassing van de diergeneesmiddelenrichtlijn. Afhankelijk van de resultaten van deze evaluatie zullen vervolgens nieuwe wetgevingsvoorstellen worden gedaan.

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, er is één amendement dat ik niet kan ondersteunen omdat we daardoor feitelijk in een wettelijke impasse terecht zouden komen. Wanneer je namelijk een geneesmiddel pas op dieren kunt testen nadat voor dat geneesmiddel een MRL is vastgesteld, dan is het onmogelijk een MLR en een wachttijd vast te stellen omdat daarvoor gegevens nodig zijn die juist via tests moeten worden verkregen.

Ik dank de commissaris voor zijn medewerking op dit terrein en wijs met nadruk op de dringende noodzaak van herziening van de diergeneesmiddelenrichtlijn. In zekere zin gebruiken we onderhavige herziening van de MRL-verordening een beetje als een provisorische maatregel voor een groot probleem waarvan we ons allemaal heel goed bewust zijn. De beschikbaarheid van een voldoende groot scala aan geneesmiddelen voor de behandeling van de grote verscheidenheid aan diersoorten in de Europese Gemeenschap is de laatste twee decennia een steeds grotere uitdaging geworden. Gedurende die periode hebben diverse belanghebbenden, waaronder regelgevers, industrie en dierenartsen, aanzienlijke inspanningen ondernomen om de problemen met betrekking tot de beschikbaarheid van geneesmiddelen op te lossen.

Desondanks is de situatie verder verslechterd. Het tekort aan goedgekeurde geneesmiddelen vormt een reëel gevaar voor de gezondheid en het welzijn van dieren en de veiligheid van consumenten. Ook eigenaren, boeren, dierenartsen en overheden worden voor aanzienlijke problemen gesteld wanneer dieren niet of met een niet-toegestaan of ongeschikt product worden behandeld. Daartoe behoort ook het risico van zoönotische ziekten voor eigenaren, consumenten en burgers in het algemeen.

Er zijn ook financiële, wettelijke en handelsimplicaties voor de verschillende belanghebbenden, terwijl het tekort aan geneesmiddelen ook negatieve gevolgen kan hebben voor plattelandseconomieën en de landbouw in het algemeen. Een voorbeeld – en een zeer belangrijk punt – is de bijensterfte en het effect daarvan op bestuiving. Bijen zijn een zeer belangrijke “beperkte toepassing”/“kleinere diersoort” (MUMS).

De huidige tekorten in de EU hebben niet alleen over de hele linie implicaties voor de gezondheid en het welzijn van dieren evenals voor de voedselveiligheid en volksgezondheid in de Gemeenschap, maar ze ondergraven ook het vermogen van de EU om de doelstellingen van de agenda van Lissabon te verwezenlijken en de vruchten te plukken van de enorme mogelijkheden die de Europese landbouw en de aquacultuur op volle zee bieden voor onderzoek en ontwikkeling op het terrein van diergeneesmiddelen.

Ik wil tot slot nogmaals alle collega’s en de commissaris danken voor hun medewerking aan dit verslag.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Péter Olajos (PPE-DE), schriftelijk. (HU) We horen vaak de klacht dat de EU alles probeert te reguleren, maar tegelijkertijd de echt belangrijke kwesties niet aanpakt.

Velen van ons denken dat dat voor dit verslag ook geldt. Dat zou echter een vergissing zijn. Want we hebben het hier over 'levensmiddelen' voor menselijke consumptie, die we veiliger willen maken in het belang van onze burgers.

De bestaande verordeningen zijn verouderd en daardoor hebben dierenartsen problemen met het op peil houden van hun geneesmiddelenvoorraad. Er is dan ook goede regelgeving nodig die is afgestemd op de specifieke kenmerken van deze bedrijfstak.

Steeds meer farmaceutische bedrijven hebben tegenwoordig een divisie voor producten voor dieren en daar worden flinke winsten gemaakt. De vraag neemt gestaag toe, want ook dieren worden ziek en nu voedsel steeds duurder wordt loont de preventie daarvan.

In de afgelopen tijd bereikt ons echter steeds vaker het nieuws dat bepaalde bedrijven zich buigen over de vraag hoe er meer uit dieren 'gehaald' kan worden. Snel groeiende kippen, varkens die binnen enkele maanden tot enorme omvang worden vetgemest. Dit gebeurt allemaal met (geneeskundige) producten die vaak schadelijk zijn voor mensen.

Om die reden moet elk middel dat aan dieren wordt gegeven, getest worden, in samenwerking met het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA), om te beoordelen of de residuen van dergelijke producten die in dieren achterblijven en later door mensen worden geconsumeerd, gevaar opleveren.

Het bedrijf dient voor die tests te betalen. We moeten ook de mogelijkheid van een versnelde procedure benadrukken, waardoor de tijd voor administratie kan worden teruggebracht. Ook is het van belang dat dierenartsen daardoor sneller de beschikking krijgen over geneesmiddelen.

Niets is belangrijker dan de volksgezondheid, en daarom moeten we door winstbejag ingegeven 'doping van dieren' een halt toeroepen.

 

21. Onderwijs aan migrantenkinderen (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0125/2009) van Hannu Takkula, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over het onderwijs aan migrantenkinderen [2008/2328(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula, rapporteur. (FI) Mijnheer de Voorzitter, het is de morele verplichting van de Europese Unie om iedereen – ook migrantenkinderen – het recht op goed onderwijs te waarborgen. Elk kind moet recht hebben op onderwijs dat in ieder geval op het basisniveau gratis en verplicht is. Kinderen moeten algemeen onderwijs kunnen genieten dat hun gelijke kansen biedt bij de ontwikkeling van hun vermogens, van hun individuele beoordelingsvermogen en hun morele en sociale verantwoordelijkheidsgevoel, zodat zij kunnen opgroeien tot evenwichtige en verantwoordelijke leden van de maatschappij.

Degenen die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs aan en het toezicht op kinderen moeten zich principieel laten leiden door wat het beste is voor het kind. Dit begint natuurlijk thuis en bij de ouders, maar de school en de samenleving moeten ook een ondersteunende rol spelen bij de opvoeding van kinderen en er voor zorgen dat de leerlingen hun persoonlijkheid beter kunnen ontwikkelen.

Ik maak mij zorgen over de onderzoeken naar migrantenkinderen die de laatste tijd zijn gepubliceerd. Daarin staat dat het voor hen op sommige plaatsen zeer moeilijk is om naar school te gaan en dat op sommige plaatsen is geprobeerd scholen op te richten voor alleen migrantenkinderen. Dit heeft natuurlijk tot gevolg gehad dat de gezinnen hun kinderen van de buurtschool haalden om ze niet op dezelfde school als de migrantenkinderen te laten zitten. Dit is een betreurenswaardige situatie die heeft geleid tot lage onderwijsniveaus en zwakke schoolprestaties onder migrantenkinderen. Een ander gevolg is dat het verloop onder het onderwijzend personeel zeer groot is op scholen met veel migrantenkinderen.

Dit is niet de ontwikkeling waarop wij hadden gehoopt. Wij moeten dan ook omstandigheden creëren die migrantenkinderen de mogelijkheid bieden om zich optimaal in de samenleving te integreren. Wij moeten er ook voor zorgen dat scholen toereikende middelen hebben, waarmee ik zowel kwantitatieve middelen met betrekking tot onderwijzend personeel als financiële middelen bedoel, en wij moeten de opleiding en bijscholing van onderwijzers verder ontwikkelen. Om op een geïntegreerde en duurzame manier voor migrantenkinderen te kunnen zorgen, hebben wij een alomvattende aanpak nodig. Wij hebben ook specifieke investeringen en aanvullende middelen nodig voor de opleiding van onderwijzers en voor het hele onderwijssysteem.

Ofschoon ik weet dat dit een kwestie is die onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, moeten wij als Europees Parlement en Europese Unie wel, door middel van een transparante coördinatie, de lidstaten ertoe aansporen te handelen. Ik ben er namelijk van overtuigd dat wij allemaal willen dat migrantenkinderen goed onderwijs krijgen en in de samenleving kunnen integreren. Op die manier kunnen wij de betreurenswaardige tendens richting sociale uitsluiting die wij vandaag de dag bij veel migrantenkinderen zien, voorkomen. Het is een feit dat sociale uitsluiting vaak leidt tot werkloosheid en zelfs criminaliteit en veel andere ongewenste gevolgen heeft.

Het is vanuit het oogpunt van het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie ook zorgelijk als iemand die in een lidstaat van de Europese Unie woont niet naar een ander land wil verhuizen of niet in het buitenland wil werken, omdat het daar onmogelijk is adequaat en goed onderwijs en hoogwaardige opleidingen voor de kinderen te verkrijgen. Daarom moeten wij hier onze aandacht op richten en waarborgen dat er voor elk kind en elke jongere hoogwaardig onderwijs is in elke lidstaat van de Europese Unie.

Kinderen en jongeren zijn onze toekomst, ons waardevolste bezit. Hun naam is “Vandaag” en niet “Morgen” en daarom hoop ik dat wij in de Europese Unie het gemeenschappelijke beginsel zullen koesteren dat elk kind recht heeft op een veilige toekomst met integratie en goed onderwijs.

 
  
MPphoto
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik sta achter dit initiatiefverslag, en ik zou allereerst ook namens mijn collega Ján Figel' de rapporteur, de heer Takkula, en de Commissie cultuur voor hun werk willen danken.

De Europese Commissie is net als u, geachte afgevaardigde, van mening dat het onderwijsstelsel in de meeste lidstaten door het groeiende aantal migrantenkinderen met grote uitdagingen wordt geconfronteerd.

Onderwijs is het sleutelprobleem in het integratieproces. Het verwerven van bekwaamheden is onontbeerlijk voor een goede toekomst voor onze burgers in een kennissamenleving, in een samenleving die al sterker gebaseerd is op concurrentie. Het is echter even belangrijk dat de school als sociaal experiment de grondslag legt voor wederzijds begrip en kennis over andermans gewoontes. Dat is van essentieel belang voor een betere samenleving.

Op dit moment zijn er in Europa echter grote problemen op school met migrantenkinderen. Ze worden vaak met een dubbele uitdaging geconfronteerd: enerzijds spreken ze de taal van het gastland niet goed genoeg en, anderzijds hebben ze een lage socio-economische status. Veel migrantenkinderen presteren op school slechter dan autochtone kinderen, gemiddeld verlaten ze de school vroeger en ze stromen minder vaak door naar het hoger onderwijs.

Daarom wijst de rapporteur er terecht op hoe belangrijk het is om voldoende aandacht te besteden aan het leren van de taal van het gastland, maar tegelijkertijd zeker ook de moedertaal en de eigen cultuur van het migrantenkind te bevorderen. Ook de participatie in het kleuteronderwijs is belangrijk voor een goede en vroegtijdige integratie in het onderwijsstelsel, en voor het compenseren van een economische en taalkundige achterstand. Onderwijzers moeten in ieder geval over de kwalificaties beschikken die in een multiculturele omgeving nodig zijn. In dat verband zou ook de mobiliteit een essentieel onderdeel van de opleiding en bijscholing van leraren moeten zijn.

Ik ben heel blij dat er zo’n grote meerderheid bestaat voor deze standpunten. Ik denk dat we het er ook wel over eens zijn dat het er nu op aan komt de daad bij het woord te voegen en de kansen van migrantenkinderen in het onderwijs daadwerkelijk te verbeteren. Daarom willen we de lidstaten steunen bij hun beleid voor kwalitatief hoogstaand onderwijs voor iedereen, en tegelijkertijd alles doen om de socio-economische segregatie van scholieren te verhinderen. We willen de lidstaten steunen in hun pogingen om de scholen in staat te stellen de veelvuldige uitdagingen het hoofd te bieden, zodat de multiculturele samenleving en de meertaligheid voor deze scholen geen probleem meer zijn maar juist een troef.

Wat er wordt onderwezen, en hoe het onderwijs wordt georganiseerd, is natuurlijk een zuiver nationale bevoegdheid, en de Commissie is ook niet van plan zich daarmee op welke manier dan ook te bemoeien. Ik moet echter wel zeggen dat een geslaagde integratie van migrantenkinderen een zaak voor heel Europa is. We kunnen veel van elkaar leren, en moeten dat ook doen. We zijn ervan overtuigd dat uw verslag een belangrijk instrument is om aan te tonen wat er werkelijk in de praktijk kan worden gedaan om de lidstaten in dit verband te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dit punt is afgehandeld.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) De thema’s onderwijs en migratie houden nauw met elkaar verband, omdat zowel de migratie binnen als de emigratie naar de Europese Unie de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen. In dit verband is er een aantal kwesties die we in de toekomst beter in de gaten moeten houden.

Ook ik ben van mening dat Richtlijn 77/486/EG is verouderd. Ik herinner eraan dat deze richtlijn stamt uit 1977 en de Europese Unie sindsdien voortdurend is veranderd. Om een voorbeeld te geven: mijn land, Roemenië, heeft zich meer dan twintig jaar na deze datum bij de EU aangesloten en deze richtlijn biedt geen oplossing voor onze problemen. De migratiegerelateerde problemen zijn de laatste jaren dramatisch toegenomen. Ik ben daarom net als de heer Takkula van mening dat deze richtlijn moet worden gewijzigd. Ik zou zelfs nog een stap verder willen gaan en willen voorstellen om voor het onderwijs aan migrantenkinderen een geheel nieuwe richtlijn te formuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Corina Creţu (PSE), schriftelijk.(RO) De toenemende migratie in de EU, ook binnen haar grenzen, heeft vanuit cultureel, economisch en sociaal oogpunt een aantal belangrijke gevolgen. In dit verband is het van essentieel belang om migranten gelijke kansen te garanderen en meer aandacht te besteden aan de discriminatie van migranten. Wat dit betreft spreekt de situatie van de Roma, wier problemen een bijzonder geval zijn met heel specifieke moeilijkheden, voor zich.

Ik wil tevens de aandacht vestigen op de gevolgen voor de mobiliteit van werknemers die voortvloeien uit de moeilijkheden die kinderen van migrerende werknemers ondervinden bij de integratie in het buitenlandse onderwijssysteem.

Met de bevordering van een zo spoedig mogelijke integratie van de kinderen kan derhalve in belangrijke mate worden voorkomen dat migranten in getto’s terechtkomen, vooral daar is vastgesteld dat het opleidingsniveau en de sociale en economische situatie van migrantenkinderen achterblijven bij die van de rest. Daarom moet op dit gebied voor nieuwe impulsen worden gezorgd. Hoe beter de voorwaarden voor een snelle integratie in het buitenlandse onderwijssysteem, des te meer kansen deze kinderen geboden worden op succes in hun opleiding en op de arbeidsmarkt.

Het leren van de taal van het gastland en de assimilatie in de lokale gemeenschap betekenen aan de andere kant echter niet dat zij hun eigen cultureel erfgoed moeten opgeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriela Creţu (PSE), schriftelijk.(RO) Een van de fundamentele beginselen van de Europese Unie is vrij verkeer. Daardoor worden de burgers in staat gesteld naar een ander land te reizen en daar te werken en te studeren. Het is belangrijk dat we de sociale integratie van interne migranten als verantwoordelijkheid van de gehele samenleving beschouwen. Onderwijs aan migrantenkinderen is een stap in deze richting.

Het onderwijs aan migrantenkinderen moet worden bekeken vanuit de vraag hoe het dagelijks functioneren van de Europese samenleving als cultureel verrijkende omgeving kan worden verbeterd. Met het oog hierop moet naar mijn mening een samenwerking worden opgebouwd tussen het gastland en het land van herkomst, waarbij het land van herkomst zich actief moet inzetten voor het behoud van zijn taal en cultuur.

Wij zijn ervoor de moedertaal van immigranten als tweede vreemde taal in te voeren in het onderwijsprogramma van het gastland wanneer daar grote immigrantengemeenschappen leven. Door leerkrachten uit de betreffende gemeenschappen aan te werven kunnen we ervoor zorgen dat deze kinderen in contact komen met de cultuur van hun herkomstland en de met immigratie opgedane ervaringen worden gedeeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Lucian Hămbăşan (PPE-DE), schriftelijk.(RO) Het Groenboek van de Commissie doet een aantal vragen rijzen over een van de grote problemen waarmee de lidstaten zich tegenwoordig geconfronteerd zien: het onderwijs aan migrantenkinderen. Roma en hun kinderen wonen in groten getale in andere lidstaten en het is belangrijk dat zij hun identiteit kunnen behouden en de kans krijgen zowel de taal van het land waar zij leven als ook hun moedertaal te leren. We moeten tolerantie en wederzijds begrip bevorderen en gezamenlijk oplossingen vinden om ervoor te zorgen dat migrantenkinderen onderwijs in hun moedertaal kunnen volgen. Deze kinderen moeten dezelfde rechten krijgen als andere. Het is bekend dat hun precaire economische situatie isolatie, voortijdig schoolverlaten en geweld tot gevolg kan hebben. Juist daarom moeten we de lidstaten helpen om oplossingen te vinden. Kinderen zijn het kostbaarste goed dat we hebben. Zij zijn de toekomst van onze samenleving, ongeacht hun achtergrond.

 

22. Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0186/2009) van Adina-Ioana Vălean, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden [2008/2184(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Adina-Ioana Vălean, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, van alle grondrechten die de burgers van de EU zijn toegekend, is het recht van vrij verkeer het grondrecht dat het meeste bijdraagt aan onze eenmaking.

Dit in de Verdragen neergelegde recht is geïmplementeerd met Richtlijn 2004/38/EG, waarin zowel de voorwaarden als de beperkingen zijn vastgelegd waaronder de burgers van de Unie en hun familieleden het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de EU kunnen uitoefenen.

Op 1 januari 2006 hadden meer dan acht miljoen EU-burgers hun recht van verblijf in een andere lidstaat uigeoefend en hadden ettelijke miljoenen meer dat recht gebruikt om ongehinderd door de Unie te reizen.

Als rapporteur van het Europees Parlement voor de evaluatie van de uitvoering van deze richtlijn moet ik zeggen dat de concrete toepassing van het recht van vrij verkeer ernstig wordt bemoeilijkt door de lidstaten die, in strijd met de Verdragen en de richtlijn, barrières oprichten.

Om te beginnen was de omzetting door de lidstaten op zijn zachtst gezegd pover. De Commissie wijst op een reeks problemen – die ook uit twee door het Parlement bestelde studies naar voren zijn gekomen –, waarbij het in sommige gevallen gaat om een schending van de grondrechten van EU-burgers. Deze problemen worden in mijn verslag uiteengezet.

Er zijn tal van ongerechtvaardigde administratieve lasten, met name voor familieleden die onderdaan van een derde land zijn. Ik noem bijvoorbeeld de toelatingseisen die worden gesteld en de onnodig lange procedures, de niet-erkenning van het recht van vrij verkeer voor bepaalde ingeschreven partners, waaronder partners in een homoseksuele relatie, de toepassing van uitzonderingen om redenen van openbare orde voor economische of veiligheidsdoelen die niet beantwoorden aan het evenredigheidsbeginsel, wat ertoe leidt dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van uitzettingsbevelen, en de discriminatie van bepaalde staatsburgers en etnische gemeenschappen met betrekking tot de rechten die hen volgens de richtlijn toekomen.

Verder ben ik het met degenen die alleen kijken naar misbruik en oneigenlijk gebruik van dit recht, in zoverre eens dat dit inderdaad een belangrijk probleem is, maar artikel 35 van de richtlijn geeft de lidstaten het instrument voor het bestrijden van misbruik en fraude in bijvoorbeeld de vorm van schijnhuwelijken. Maar dan moet dat artikel natuurlijk wel worden omgezet.

Ik wil niet onvermeld laten dat ik constructief hebben kunnen samenwerken met de nationale parlementen, de Europese Commissie en de rapporteur voor de Commissie juridische zaken, Monica Frassoni, die allemaal mijn zorgen over voornoemde omzettingsproblemen delen en net als ik van mening zijn dat alle partijen moeten helpen die problemen onmiddellijk op te lossen.

Mijn verslag bevat ook een aantal maatregelen voor het oplossen van die problemen. Een van de belangrijkste en eerste maatregelen die moet worden genomen, is het opstellen van veelomvattende omzettingsrichtsnoeren door de Commissie. Die richtsnoeren zouden duidelijkheid moeten verschaffen over de betekenis van begrippen als “voldoende middelen” en “openbare veiligheid”. Zodra dat is gebeurd, is het aan de lidstaten om die richtsnoeren uit te voeren, bij voorkeur vóór het einde van 2009.

Discriminerende overgangsregelingen die beperkingen opleggen aan het vrije verkeer van werknemers van lidstaten die na 2004 tot de EU zijn toegetreden, moeten eindelijk worden ingetrokken of herzien.

Er moeten meer middelen worden toegewezen aan lokale maatregelen voor de integratie van EU-burgers die in een andere lidstaat woonachtig zijn. Tot slot moet de Commissie niet aarzelen om tegen lidstaten die de richtlijn niet naleven, een inbreukprocedure in te stellen.

We moeten erkennen dat het hoog tijd wordt dat de lidstaten de richtlijn op de juiste wijze omzetten en toepassen, zodat deze en andere problemen snel worden opgelost. De lidstaten mogen niet proberen om onder hun verplichtingen met betrekking tot het vrij verkeer van burgers onderuit te komen door aan te dringen op een verwatering van de richtlijn. Het Europees Parlement verzet zich krachtig tegen een daartoe strekkende herziening en dankt de Commissie dat zij zich daar eveneens tegen verzet.

Het wordt tijd dat de lidstaten en de Raad ervoor zorgen dat Europa een plaats is waar niet alleen kapitaal, diensten en goederen zich vrij kunnen bewegen, maar ook burgers. Zonder vrij verkeer is er geen Europa.

Tot besluit kan ik u meedelen dat ik van een gewijzigd mondeling amendement een voetnoot in mijn verslag zal maken, zodat degenen die zich op nationalistische, racistische of xenofobe gronden tegen vrij verkeer verzetten, maar daar niet openlijk voor durven uitkomen, geen enkel excuus hebben om tegen mijn verslag te stemmen.

Bij de hoofdelijke stemming morgen zullen we zien wie wel en wie niet vóór Europa, Europees burgerschap, vrij verkeer en burgerrechten zonder discriminatie is.

 
  
MPphoto
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou de rapporteur van ganser harte willen bedanken voor haar opmerkelijke verslag, en ook voor de uitstekende en constructieve samenwerking op dit zeer moeilijke en gevoelige gebied.

Het vrij verkeer van personen is één van de meest fundamentele vrijheden in de Europese interne markt. Deze vrijheid ligt ten grondslag aan het functioneren van de interne markt, en dus ook aan het concurrentievermogen van de Europese economie. Het is glashelder dat tekortkomingen bij de uitvoering van het gemeenschapsrecht op dit gebied werkelijk een inbreuk zijn op de fundamentele principes waarop Europa is opgebouwd. Het gaat dus om een absoluut essentiële kwestie.

Daarom verwelkom ik het verslag, dat een aanvulling is op het verslag over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG dat de Commissie op 10 december 2008 had goedgekeurd. Ik ben blij dat vrijwel alle resultaten van het verslag van het Europees Parlement overeenstemmen met die van het verslag van de Commissie.

Ik geloof dat we nu een volledig beeld hebben van de omzetting en de concrete uitvoering van de richtlijn in de lidstaten, en ik denk dat de tijd nu rijp is om aan de slag te gaan. In het verslag wordt er – absoluut terecht – op gewezen dat de bevoegdheid voor de juiste omzetting en tenuitvoerlegging van de richtlijn bij de lidstaten ligt. Er wordt echter ook aan de Commissie gevraagd om op bepaalde vlakken initiatieven te nemen. Staat u mij daarom toe om toe te lichten wat in dit verband de prioriteiten van de Commissie zijn.

De Commissie hecht er veel waarde aan dat de richtlijn volledig en correct wordt uitgevoerd. Het is één van de prioriteiten in het 25ste jaarverslag van de Commissie over de controle op de tenuitvoerlegging van het gemeenschapsrecht in 2009.

De Commissie zal er ook naar blijven streven dat de richtlijn in de hele Unie perfect wordt omgezet en uitgevoerd. In de komende maanden zullen we bilaterale bijeenkomsten hebben met de lidstaten om te spreken over de gevallen van verkeerde omzetting en tenuitvoerlegging, wat buitengewoon vaak voorkomt. Wanneer er geen tevredenstellende vooruitgang kan worden geboekt zal de Commissie niet aarzelen om meteen inbreukprocedures tegen de betrokken lidstaten in te stellen.

De Commissie is van plan om zowel de lidstaten als de burgers zelf informatie en hulp te bieden, bijvoorbeeld door richtsnoeren te publiceren voor allerlei vraagstukken die bij de omzetting of tenuitvoerlegging van de richtlijn tot problemen hebben geleid, zoals de kwestie van uitzetting en de strijd tegen verschillende vormen van misbruik. In de richtsnoeren worden ook moeilijke onderwerpen behandeld, die ook in het verslag van het Parlement worden genoemd.

De Commissie zal de samenwerking met de lidstaten op technisch niveau, in de deskundigengroepen, voortzetten, teneinde vast te kunnen stellen waar de knelpunten liggen en hoe de richtlijn moet worden geïnterpreteerd.

Ik moet echter wel zeggen, geachte afgevaardigde, dat de Commissie niet kan instemmen met voorstel 23, waarin staat dat teams van deskundigen ter plaatse bezoeken moeten verrichten en er op basis van deze bezoeken een systeem van wederzijdse beoordeling moet worden ingevoerd. Ik moet u erop wijzen dat dergelijke wederzijdse toetsingen meestal op basis van de derde pijler plaatsvinden en niet van het gemeenschapsrecht. Dergelijke toetsingen zullen vanwege de juridische en administratieve tradities en oplossingen die de lidstaten voor de omzetting van de richtlijn hebben gekozen, waarschijnlijk een tamelijk beperkte toegevoegde waarde hebben. Zoals u weet kunnen de lidstaten namelijk vrij bepalen in welke vorm en met welke middelen ze richtlijnen omzetten.

De Commissie zal echter bijzondere aandacht blijven besteden aan het verstrekken van informatie over de richtlijn. Ze zal de burgers een geactualiseerde en vereenvoudigde leidraad ter beschikking stellen en voor het verstrekken van informatie gebruik maken van internet. Bovendien zal ze de lidstaten met nadruk verzoeken om de burgers met voorlichtingscampagnes op de hoogte te brengen van hun rechten en de lidstaten daarbij ook ondersteunen.

Het doet me genoegen u mee te kunnen delen dat Commissie bereid is om verreweg de meeste voorstellen uit het verslag van het Parlement over te nemen. Ik zou het Europees Parlement willen danken voor zijn steun en voor zijn voorstellen voor een correcte uitvoering van deze belangrijke richtlijn, waarbij veel op het spel staat, namelijk de correcte toepassing van één van de vier fundamentele vrijheden die aan de Europese integratie ten grondslag liggen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dit punt is afgehandeld.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Alin Lucian Antochi (PSE), schriftelijk.(RO) Ik geef mijn volledige steun aan het verslag van mevrouw Vălean over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG, temeer daar met de recente gebeurtenissen in sommige lidstaten de aandacht werd gevestigd op de flagrante schending van een van onze vier fundamentele vrijheden, namelijk het recht van de burgers op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten.

Bovendien heeft de ondoeltreffende of zelfs uitblijvende omzetting van deze richtlijn in het nationaal recht van de lidstaten geresulteerd in een reeks schendingen wegens administratieve formaliteiten en een restrictieve interpretatie van de wettelijke bepalingen inzake het concept van ‘verblijf zonder vergunning’. Deze schendingen zijn geculmineerd in de ongerechtvaardigde opsluiting en uitwijzing van Europese burgers. De oplossing moet echter niet worden gezocht in het sluiten van de grenzen maar in concrete maatregelen die de integratie van de burgers in de verscheidenheid van de Europese samenlevingen vergemakkelijken.

Ik ben van mening dat het verslag dat hier aan de orde is, in belangrijke mate tot de controle op de omzetting van de voorschriften van deze richtlijn zal kunnen bijdragen indien de lidstaten en de Commissie in dezen tot een succesvolle samenwerking kunnen komen.

Tegenwoordig wil iedere Europese burger in een Europese Unie leven waar de fundamentele waarden, zoals het vrij verkeer van personen, worden geëerbiedigd. We mogen echter niet vergeten dat eenieder een bijdrage moet leveren om dit doel te kunnen bereiken.

 

23. Gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0089/2009) van Frédérique Ries, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden [2008/2211(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Frédérique Ries, rapporteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, vooraleer ik tot de kern van de zaak overga, zou ik graag, als u het goedvindt, iets willen opmerken over de vorm. Ik ben niet de eerste en zal zeker ook niet de laatste zijn die zich uitspreekt tegen de toepassing van artikel 45 van het Reglement, waardoor er vanavond geen debat over deze kwestie - die nochtans zeer belangrijk is voor de Europese burgers - kan plaatsvinden.

Geen debat, geen sprekers namens de fracties, niets. Desondanks zou ik mevrouw Ayala, mevrouw Lucas, mijnheer Adamou, mevrouw Sinnott, mevrouw Ferreira en zelfs mijnheer van Nistelrooij willen bedanken, hoewel ze jammer genoeg niet hier zijn. Zij hebben geen halfrond, een bijna leeg halfrond even voor 23 uur. Ook niet slecht, 11 uur 's avonds, voor een onderwerp dat nochtans miljoenen Europese burgers interesseert en aanbelangt.

Laat ik tot de kern komen. Tien jaar lang heeft ons Europees Parlement zich niet met deze zaak beziggehouden. Het werd dus tijd, want tien jaar is bijna zoveel als een eeuw als het gaat om nieuwe technologieën: een boom in draadloze toestellen, mobiele telefoons, wifi, bluetooth, basisstations, hoogspanningsleidingen. Overal om ons heen zijn er golven die onmiskenbare voordelen met zich meebrengen en die ik op geen enkel moment in het verslag betwist, maar waarbij ik ook – het moet gezegd –ernstige vraagtekens zet als het gaat om de impact ervan op onze gezondheid.

Laten we duidelijk zijn: ik heb het verslag moeten opstellen in een heel gevoelige context waarin de polemiek over de gezondheidsrisico's van die golven met lage frequenties als maar toeneemt en de wetenschappelijke wereld niet bij machte is om tot een akkoord te komen.

Ik geef enkele voorbeelden van de ambitieuze voorstellen die, naar ik hoop, morgen zullen worden gesteund: bescherming van risicozones en kwetsbare bevolkingsgroepen zoals scholen, kinderdagverblijven, rusthuizen, herstellingsoorden en gezondheidsinstellingen natuurlijk.

Ook ethische overwegingen over dit thema zijn essentieel. We moeten zorgen voor procedures die onafhankelijk wetenschappelijke onderzoek en onafhankelijke wetenschappelijke expertise waarborgen. Bovendien moeten we oproepen tot een gedragswijziging ten opzichte van mobiele telefoons: gebruik van oortjes, beperking bij jongeren en kinderen en het aanleren van veiligere technieken, monitoring van bepaalde marketingcampagnes, gedeeld gebruik van basisstations en elektriciteitsmasten door operatoren en elektriciteitsmaatschappijen.

Eén punt vind ik toch spijtig, en het is belangrijk aangezien het om de eerste paragraaf van mijn verslag gaat waarin ik pleit voor een herziening van de emissielimieten. Ik werd jammer genoeg niet gesteund door mijn collega's van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, ofschoon – dat wil ik echt wel opmerken – dezelfde tekst tijdens onze plenaire vergadering van 2 september vorig jaar woord voor woord en bijna unaniem werd aangenomen in het kader van een ander verslag over het Europees actieplan milieu en gezondheid voor de periode 2004-2010.

De Commissie doet momenteel aan struisvogelpolitiek – mijn excuses voor die uitdrukking, mijnheer de Commissaris – en draagt aldus zeker niet bij tot de verduidelijking die de Europese burgers verwachten. Het is zelfs zo dat de meningen van de deskundigen blijven uiteenlopen. Er komen steeds meer processen met uitspraken die nu eens ten voordele van de operatoren dan weer ten voordele van verenigingen van bewoners uitvallen.

Ten slotte is er de status-quomethode die de Wereldgezondheidsorganisatie en de Commissie aanbevelen met een rendez-vousclausule in 2015 – bijna opnieuw een decennium later – om te kijken of een voortdurende blootstelling aan die cocktail van golven met lage frequenties niet kankerverwekkend zijn. Dat is echter niet de goede methode. Ze lijkt me erg zwak en ik hoop van harte dat de mogelijke gezondheidsproblemen ons in de toekomst niet zullen uitwijzen dat net die methode de oorzaak was.

Het voorzorgsbeginsel dat aan de basis ligt van ons voorstel is geen beginsel om niets te doen, maar een beginsel om in actie te komen en expertise te verschaffen teneinde de onzekerheid weg te nemen. Die dynamische en vooruitstrevende definitie voor het gevoelige thema van de elektromagnetische golven verdedigen we vandaag. Ik wil toch zeggen dat het alternatieve voorstel van de Fractie De Groenen/Europese Vrije Alliantie daarom op mijn goedkeuring kan rekenen. Het grijpt trouwens terug op mijn oorspronkelijke voorstel voor lagere emissielimieten, zoals negen lidstaten en een hele reeks regio's al doen, waaronder twee die me na aan het hart liggen – Wallonië en het Brusselse Gewest – met name drie volt per meter in de plaats van de 41 volt per meter die nu door de aanbeveling van 1999 zijn toegestaan.

Ik ben echter rapporteur van het Europees Parlement voor dit onderwerp en wil vooral alle vooruitgang in dit door de commissie goedgekeurde verslag behouden. Daarover wil ik u vragen om daar morgen vóór te stemmen.

Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, tot slot wil ik twee boodschappen meegeven. Het dossier over elektromagnetische golven en de impact ervan blijft open en ik ben ervan overtuigd dat het volgende Europees Parlement zich opnieuw over deze kwestie zal buigen. Europa moet de burgers geruststellen en zich weer meester maken van dit debat, dat nu enkel in de rechtbanken plaatsvindt.

 
  
MPphoto
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou het Europees Parlement en vooral u, mevrouw Ries, als rapporteur van dit initiatiefverslag over elektromagnetische velden, heel hartelijk willen bedanken.

Deze kwestie van de elektromagnetische velden is voor veel Europese burgers inderdaad zeer omstreden, maar voor velen is het toch heel belangrijk, ook voor ons.

Omdat dit onderwerp zo ingewikkeld is en zoveel heftige emoties oproept, is het bijzonder belangrijk dat we de feiten heel zorgvuldig op een rijtje zetten en ze ook objectief en met de gepaste zorgvuldigheid beoordelen.

Daarom volgt de Commissie dit onderwerp altijd met veel belangstelling, zoals de Raad haar ook in Aanbeveling 1999/519 had gevraagd.

De Commissie wint ook regelmatig informatie in bij de onafhankelijke wetenschappelijke comités, om up-to-date te zijn in verband met mogelijke gevaren die worden veroorzaakt door elektromagnetische velden. Het meest recente advies hierover van het zogenaamde SCENIHR – dat is het wetenschappelijk comité dat zich met deze kwestie bezighoudt – is net in januari van dit jaar goedgekeurd.

Ik wil hier graag aan toevoegen dat de Commissie de ontwikkelingen in de lidstaten en de meest recente gerechtelijke vonnissen in Frankrijk tegen ondernemingen die mobiele telefonie aanbieden met grote belangstelling volgt, en heel nauwkeurig bijhoudt hoe de blootstellingslimieten voor basisstations in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verlaagd.

Ik kan het Parlement verzekeren dat de Commissie zich heel zorgvuldig zal buigen over de eisen die het Parlement in zijn resolutie stelt.

Op een aantal punten wil ik nog even ingaan.

Ten eerste bestaat er in de EU al een kader waarin de blootstellingslimieten, de productienormen en een bepaald niveau van bescherming tegen bekende gevaren zijn vastgelegd.

Ten tweede kan het aan de hand van het tot nu toe verricht wetenschappelijk onderzoek niet worden gerechtvaardigd om deze blootstellingslimieten te veranderen.

De Commissie zal de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek op de voet blijven volgen om vast te stellen of deze blootstellingslimieten moeten worden aangepast.

Ten derde beschouwt de Commissie het als haar taak om met de belangengroepen een nog intensievere dialoog te voeren over de mogelijke gevolgen van elektromagnetische velden voor de gezondheid. Bovendien geeft de Commissie een bijzonder hoge prioriteit aan de samenwerking met de belangrijkste spelers op dit gebied, om op gepaste wijze te kunnen reageren op de zorgen van de burgers.

Ik wil nogmaals benadrukken dat we ook dit onderzoek absoluut willen bevorderen om een einde te kunnen maken aan de nog bestaande onzekerheid.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dit punt is afgehandeld.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) We moeten vaststellen dat er vandaag weinig betrouwbare en erkende wetenschappelijke gegevens bestaan over de gevolgen van magnetische velden op het menselijke lichaam. Toch maken die voorwerpen deel uit van ons dagelijkse leven (mobiele telefoon, draadloze technologieën). Tachtig procent van de burgers is van mening dat ze niet voldoende op de hoogte zijn van die mogelijke gevolgen; vijftig procent zegt bezorgd te zijn.

Tot op heden kon de wetenschappelijke wereld enkel verdeelde en soms tegengestelde meningen geven en de overheid heeft zich niet echt over dit probleem bekommerd. Ik steun daarom ten volle dit verslag dat de lidstaten verzoekt om regelmatig de drempelwaarden voor die velden te actualiseren en dat – in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel – aanbeveelt om in risicozones (scholen, gezondheidsinstellingen) geen basisstations te plaatsen.

Ik pleit er ook voor dat de Europese Commissie een wetenschappelijk onderzoek opstart om de gevolgen van blootstelling aan elektromagnetische velden beter te kunnen evalueren. De overheid, de industrie en de consumenten moeten nauwkeurige informatie krijgen om de risico's in te schatten en om, indien nodig, gepaste beschermingsmaatregelen te treffen. Het is eveneens van belang om aanbevelingen te doen die op goede praktijken zijn gebaseerd, om zo de gezondheid van de burgers beter te kunnen beschermen, of het nu gaat om gebruikers van toestellen of om mensen in de buurt van basisstations of hoogspanningsleidingen.

 

24. Problemen en perspectieven van het Europese burgerschap (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
MPphoto
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is een korte presentatie van het verslag (A6-0182/2009) van Urszula Gacek, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over problemen en perspectieven van het Europese burgerschap [2008/2234(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Urszula Gacek, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb het genoegen om u het verslag over problemen en perspectieven van het Europese burgerschap voor te leggen, dat de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) vorige maand eenparig heeft goedgekeurd.

Het Europese burgerschap komt niet in de plaats van het nationale burgerschap. Het is een bonus die EU-burgers unieke rechten geeft, met name het recht van vrij verkeer, het recht van consulaire bescherming en het recht om bij het Europees Parlement en de Europese Ombudsman verzoekschriften in te dienen. Bij het opstellen van dit verslag is ook gekeken naar het Commissieverslag met de titel “Vijfde verslag over het Unieburgerschap”, dat de periode van 1 mei 2004 tot 30 juni 2007 bestrijkt. Dit is een unieke periode. Vijf jaar geleden, op 1 mei 2004, kreeg de Europese Unie er tien nieuwe lidstaten bij. Het gevolg van die toetreding van vooral van landen uit Midden- en Oost-Europa was een ongekend grote migratie binnen de Unie. De nieuwe burgers van de Unie maakten dankbaar gebruik van hun nieuwe rechten, met name van het recht van vrij verkeer. Ze profiteerden van de mogelijkheid om in het buitenland te studeren en in de lidstaten die hun arbeidsmarkten voor hen openstelden, legaal te gaan werken.

De omvang van die migratie stelt zowel de centrale als de lokale autoriteiten van de gastlanden echter voor tal van uitdagingen. Vooral de lokale autoriteiten worden vaak geconfronteerd met de dagelijkse problemen van de nieuwe immigranten, omdat ze moeten zorgen voor huisvesting, gezondheidszorg en primair en secundair onderwijs.

Er is veel gedaan voor het bevorderen van integratie, alsook om nieuwkomers te helpen ten volle gebruik te maken van de rechten die hun net als de burgers van het gastland toekomen. Toch doen zich nog steeds gevallen van discriminatie voor. Die zijn soms het gevolg van mazen in de wet en soms van onvoldoende kennis van de toepassing ervan.

De Commissie LIBE heeft zich zeer constructief en praktisch opgesteld. De vertegenwoordigers van alle partijen waren het erover eens dat prioriteit moest worden gegeven aan het onder de aandacht brengen van de probleemgebieden en het verschaffen van de noodzakelijke middelen en steun aan de centrale en lokale overheden van de lidstaten voor het treffen van maatregelen op die gebieden. Onze hoofdzorg was dat de individuele burger niets in de weg mocht worden gelegd om zijn of haar rechten uit te oefenen.

Het tweede recht dat ik noemde, het recht van consulaire bescherming, wordt helaas nog steeds gebrekkig ten uitvoer gelegd. Dat werd op grimmige wijze onder onze aandacht gebracht toen onze collega’s ongewild betrokken raakten bij de terreuraanvallen in Mumbai. Als leden van het Parlement in zo’n extreme situatie al moeite hebben met het uitoefenen van hun recht op consulaire bescherming, dan is het voor de doorsneeburger in meer gewone omstandigheden al helemaal moeilijk.

Ervoor zorgen dat de burgers zich sterker bewust worden van hun rechten is een van de hoofdpunten die in het hele verslag aan de orde komen. In het verslag wordt een aantal maatregelen voorgesteld voor bewustmaking op dit terrein. Wanneer maar 31 procent van de burgers vindt dat ze goed geïnformeerd zijn over hun rechten, hebben we nog veel werk voor de boeg.

Ik vertrouw erop dat de Commissie rekening zal houden met de aanbevelingen van het Parlement en in haar zesde verslag over het Unieburgerschap verslag zal doen van de vorderingen die concreet zijn gemaakt. Tot slot wil ik de schaduwrapporteurs, de fractiemedewerkers en het secretariaat van de Commissie LIBE danken voor hun harde werk. Ik wil ook nog een speciaal woord van dank richten aan iedereen die heeft deelgenomen aan de openbare hoorzitting over het verslag, in het bijzonder de vertegenwoordigers van de NGO’s. Het is niet meer dan gepast dat bij het opstellen van een verslag over burgerschap ook de stem van de burger, bij monde van NGO’s, wordt gehoord.

 
  
MPphoto
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Gacek, ik geloof dat wij intussen de enigen zijn die nog overgebleven zijn. Namens de Commissie zou ik u hartelijk willen danken en feliciteren met dit bijzonder belangrijke en indrukwekkende verslag.

Dit verslag gaat over een bijzonder belangrijk onderwerp, het burgerschap van de Unie. Velen geloven dat dit een holle frase is, dat het helemaal niets betekent. Uw verslag maakt heel duidelijk dat dit niet waar is. Het Unieburgerschap brengt concrete rechten met zich mee, die in het Verdrag precies gedefinieerd zijn. Ik wil ze even noemen: vrijheid van verkeer en verblijf, actief en passief stemrecht bij gemeenteraads- en Europese verkiezingen, consulaire bescherming, het recht verzoekschriften te richten tot het Europees Parlement, het recht klachten voor te leggen aan de Europese ombudsman en het recht om zich schriftelijk tot de Europese instanties te richten.

De Commissie is van mening dat het de hoogste tijd is om een concreet politiek programma aan het Unieburgerschap te wijden. Daartoe wil de Commissie een uitvoerig raadplegingsproces doorvoeren om concrete informatie te verzamelen over de problemen die met het Unieburgerschap gepaard gaan. Dat zou tot nieuwe voorstellen kunnen leiden, die dan de basis zullen vormen voor het voor 2010 voorziene zesde verslag van de Commissie over het Unieburgerschap.

Los daarvan probeert de Commissie dit ook in de praktijk van alledag waar te maken, en we zullen ervoor blijven ijveren dat de burgers daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun burgerrechten, en wel iedere dag. U vraagt de Commissie in uw verslag om op allerlei gebieden initiatieven te nemen, mevrouw Gacek, maar op veel van die gebieden is de Commissie nu al actief om te garanderen dat deze rechten worden versterkt en uitgebreid. Ik noem slechts het actieplan van de Commissie voor consulaire bescherming, en wil daar nog aan toevoegen dat ik het volledig met u eens ben dat er op dit vlak iets moet gebeuren. Slechts een paar weken geleden hebben we in het Parlement tenslotte een bijzonder instructief debat over dit onderwerp gevoerd, waaruit is gebleken hoe groot de kloof tussen wens en werkelijkheid is, met name bij de consulaire rechten.

De Commissie heeft besloten dat de burgers via informatiecampagnes moeten worden voorgelicht over hun rechten, en we proberen te garanderen dat ze daadwerkelijk aanspraak kunnen maken op die rechten. Dit doen wij met name via de goedkeuring van het verslag van de Commissie over de toepassing door de lidstaten van de richtlijn inzake vrij verkeer.

De verkiezingen voor het Europees Parlement die binnenkort plaatsvinden zijn één van de prioriteiten van de interinstitutionele public relations. De Commissie steunt de campagne van het Parlement en vult die ook aan, om de burgers door de nodige informatiemaatregelen beter voor te lichten over deze verkiezingen, en ze aan te sporen om ook werkelijk gebruik te maken van hun stemrecht.

Ik wil er graag nog even op wijzen dat gelukkig niet alleen de Commissie er veel voor doet om het Unieburgerschap in het leven van alledag te integreren. Ook anderen – dit Parlement, alle zevenentwintig lidstaten, de regionale overheden, de nationale parlementen, plaatselijke overheden en alle gemeentes in de Europese Unie – spelen een heel belangrijke rol bij de concrete invulling van het Unieburgerschap.

Ik ben blij dat het verslag van mevrouw Gacek op tijd voor de Europese verkiezingen in 2009 verschenen is, en een aantal bijzonder belangrijke spelers hierbij betrekt die zich allemaal met het Unieburgerschap zouden moeten identificeren, om Europa tastbaar te maken voor zijn miljoenen burgers. Ik denk dat we het allemaal als een gezamenlijke taak beschouwen om ervoor te zorgen dat het Unieburgerschap niet wordt gezien als zomaar een symbool maar als een concreet recht, dat in het leven van alledag betekenis kan en moet krijgen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Dit punt is afgehandeld.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Slavi Binev (NI), schriftelijk.(BG) Transparantie en democratische verhoudingen tussen burgers en instellingen zijn grondbeginselen in Europa en grondrechten van de Europese burgers. Juist dit zijn de beginselen die moeten gelden voor de Parlementsverkiezingen. Het probleem van geronsel van stemmen in Bulgarije toont echter exact het tegenovergestelde.

Nadat de vorige lokale verkiezingen herhaaldelijk in gevaar zijn gebracht doordat onmiskenbaar stemmen waren geronseld door de GERB (Burgers voor de Europese ontwikkeling van Bulgarije), de DPS (Beweging voor Rechten en Vrijheden) en de BSP (Bulgaarse Socialistische Partij), hadden gewone burgers het gevoel dat ze geen kiesrecht hadden. Hierdoor zijn ze veel minder gemotiveerd om te gaan stemmen.

Ondanks de bestaande strafwetgeving en de talloze aanwijzingen voor schendingen van de wet is nog geen enkele van de in het verslag van de Commissie genoemde personen voor deze misdaden veroordeeld, omdat de bevoegde wetshandhavingsautoriteiten duidelijk niet bereid zijn het geronsel van stemmen te stoppen. In Bulgarije toont de rechterlijke macht nog steeds geen daadkracht en de alom bekende daders zijn weer bezig verkiezingscampagnes voor te bereiden, terwijl degenen die hun stem hebben verkocht op zoek zijn naar nieuwe kopers met het beste bod.

Ik wil benadrukken dat zolang deze wetsovertredingen in Bulgarije worden getolereerd en de staat geen actie onderneemt op dit gebied, eerlijke kiezers in wezen worden beroofd van hun fundamenteel mensenrecht, namelijk het recht om te kiezen! Dit is onaanvaardbaar voor de Europese burgers. Ik roep het Parlement dringend op in te grijpen en niet achterover te leunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Magda Kósáné Kovács (PSE), schriftelijk.(HU) Volgens het EG-Verdrag zijn alle burgers van de Unie gelijk. Helaas wordt dit beginsel in de praktijk echter niet altijd nageleefd. Redenen voor verschillen zijn het bestaan van extreme armoede, sociale uitsluiting of moedwillige uitsluiting, regio's die op verschillende gebieden zijn achtergesteld en die uitgesloten worden van de informatiemaatschappij en waar van de burgers zelfs niet verwacht kan worden dat ze enig Europees bewustzijn hebben. Ik ben verheugd dat in het verslag specifiek wordt ingegaan op de Roma. Deze minderheid van 10 à 12 miljoen mensen leeft in een situatie van segregatie en ervaart hun achterstelling op onderwijsgebied en hun uitzichtloze situatie op werkgelegenheidsgebied als een devaluatie van hun burgerschap.

Er zijn aanwijzingen dat deze opdeling van de samenleving ook van invloed zal zijn op de Europese Parlementsverkiezingen. Er is bij de meest achtergestelde groepen weinig bereidheid te gaan stemmen, aangezien het hun ontbreekt aan informatie en omdat zij zich nauwelijks van bewust zijn van het belang van het feit dat het Europees Parlement de enige van alle EU-instellingen is op de samenstelling waarvan zij invloed kunnen uitoefenen. Helaas is de desinteresse met name erg groot in de landen van Midden- en Oost-Europa. Ook daar moet de verklaring gezocht worden in het gebrek aan informatie, maar een andere factor die hieraan bijdraagt, is dat de vaart van de inhaalslag die na de grote uitbreidingsgolf begon, eruit is en dat dit tot teleurstelling heeft geleid.

We hopen dat het vrije verkeer van burgers, werknemers en serviceproviders de grenzen kan doorbreken in de hoofden en de zienswijze van de mensen. Als vrije verplaatsing binnen de grenzen van een groter huis betekent dat meer vrijheid ontstaat, en als dit een natuurlijke zaak wordt, kan de veelgelaagde en veelkleurige Europese Unie een groot aantal Europese burgers van grote diversiteit, maar met een sterke cohesie en grote tolerantie, in haar armen sluiten.

 

25. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
Video van de redevoeringen

26. Sluiting van de vergadering
Video van de redevoeringen
 

(De vergadering wordt om 23.20 uur gesloten)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid