De Voorzitter. - Aan de orde is de verklaring van de Commissie: Door de Commissie opgelegde boetes in antitrustzaken.
Michel Barnier, lid van de Commissie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, het is me als altijd een waar genoegen om hier dag en nacht in uw gezelschap te verkeren, en dit keer ben ik hier namens mijn collega en goede vriend, Joaquín Almunia, die is verhinderd vanwege het werkdiner tussen China en de Europese Unie dat op dit moment plaatsvindt. Uw Vergadering heeft de Commissie uitgenodigd haar beleid toe te lichten op het gebied van boetes ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten. Ik ben dan ook verheugd dat ik in zijn naam deze presentatie mag geven.
Het is, zoals u weet, de verantwoordelijkheid van de Commissie om concurrentieverstorende activiteiten te bestrijden en deze te bestraffen als ze schadelijk zijn voor bedrijven en consumenten binnen de interne markt.
Het belangrijkste instrument waarover we in dit kader beschikken is onze bevoegdheid geldboetes op te leggen aan ondernemingen die aan dergelijke kartels deelnemen, die dergelijke concurrentiebeperkende handelspraktijken toepassen of die misbruik maken van hun machtspositie. Deze boetes worden vastgesteld volgens onze richtlijnen voor het berekenen van boetes. De versie die momenteel van kracht is, is slechts vier jaar geleden aangenomen.
Wij kennen ook kortingen van boetes toe aan ondernemingen die meewerken aan onze onderzoeken, bijvoorbeeld als zij ons wijzen op het bestaan van een kartel, en aan bedrijven die ermee instemmen een overeenkomst met de Commissie te sluiten. Dit spaart alle partijen een hoop tijd en geld. De bedrijven kunnen in ieder geval niet worden gedwongen om meer te betalen dan 10 procent van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald, waarmee een plafond is bepaald voor de hoogte van de boetes die kunnen worden opgelegd.
Dames en heren, geachte afgevaardigden, de boetes zijn dus ons belangrijkste instrument. Het is echter wenselijk om de invoering van sancties voor individuen in de toekomst niet uit te sluiten, met name administratieve sancties. Er zijn meerdere lidstaten die dergelijke sancties al daadwerkelijk toepassen. Wij willen de juridische en politieke consequenties van een dergelijke ontwikkeling nauwkeurig onderzoeken.
Is het nodig een formeel rechtskader te creëren? Artikel 23 van Verordening nr. 1/2003 van de Raad vormt momenteel de juridische basis van de boetes die de Commissie oplegt, maar het bevat niet de richtlijnen voor de berekening van boetes. In dat artikel 23 staan de basisprincipes, waaronder het zojuist genoemde omzetplafond, terwijl in de richtlijnen de toepassing van die principes nader wordt uitgewerkt.
Het is in een groot aantal Europese rechtsstelsels vrij gebruikelijk om de beschikking te hebben over een waaier aan mogelijke, wettelijk vastgelegde sancties en administratieve richtlijnen inzake de berekening van de definitieve geldboete. Een dergelijk systeem bestaat in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en in Nederland ook voor de toepassing van mededingingsregels. Gezien die situatie zien we geen enkele reden om nieuwe wetgeving voor te stellen inzake de boetes die door de Europese Unie in antitrustzaken worden opgelegd.
Tweede vraag: moeten de richtlijnen worden herzien, voordat we het over de hoogte van de opgelegde boetes gaan hebben? Ik zou u daarbij graag een idee geven van wat kartels de Europese economie kosten. Volgens onze schattingen bedroeg de schade die werd veroorzaakt door de achttien kartels die tussen 2005 en 2007 werden ontmanteld, bijna acht miljard euro. Uit studies bleek eveneens dat de kartels een prijsstijging tot gevolg hadden van 10 tot 30 procent, een verleidelijk vooruitzicht dat moeilijk is te weerstaan zonder krachtige tenuitvoerlegging van het mededingingsrecht en dat is ons werk.
Onze boetes zijn vastgesteld op een niveau waarop illegaal gedrag dat zich eerder heeft voorgedaan, op een billijke manier wordt bestraft. De boetes zijn hoog, maar ze zijn een weerspiegeling van de veroorzaakte schade en de onwettige opbrengsten die de leden van het kartel zich hebben toegeëigend. Onze boetes moeten bedrijven ook op doeltreffende wijze ontmoedigen om zich in de toekomst met dergelijke concurrentieverstorende activiteiten in te laten. Daarom zien wij geen enkele reden, ik herhaal het nog maar eens, om de richtlijnen uit 2006 inzake de berekening van boetes te wijzigen.
De derde en laatste vraag: moeten de boetes tijdens de crisis worden verlaagd? U moet weten dat we grondig onderzoek doen naar de financiële situatie van bedrijven die soms aanvoeren dat ze niet in staat zijn de boete te betalen en dat we onze boetes voor een groot aantal van hen al drastisch hebben verlaagd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de zeer recente besluiten met betrekking tot badkamersanitair of spanstaal, waar we kortingen van 25 tot 75 procent hebben toegepast.
Het is, dames en heren, niet in ons belang om bedrijven van de markt uit te sluiten. Het tegendeel is waar. Vaak zijn de mededingingsregels juist nodig om nieuwe bedrijven de kans te geven tot de markt toe te treden en er, op een normale, rechtvaardige manier, hun activiteiten uit te oefenen.
Klaus-Heiner Lehne, namens de PPE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, om te beginnen wil ik de Commissie danken voor de reeds getoonde flexibiliteit. Commissaris Barnier heeft erop gewezen dat er binnen bepaalde branches, binnen de bouwsector, gezien het feit dat er een enorme economische achteruitgang in de sector is geweest, behoorlijk wat beweging is geweest in het vaststellen van boetes en het verlenen van – kwijtscheldingen kunnen we het niet noemen, maar – mogelijkheden tot gespreide betaling. Dat is mijns inziens een gepaste reactie van de kant van de Commissie met het oog op de uitzonderlijke economische situatie waarin talloze ondernemingen zich bevinden. Los van deze welkome flexibiliteit van de Commissie moeten we uiteraard toch de fundamentele vraag stellen of het systeem van straftoemeting zoals we dat op dit ogenblik hebben, nog wel overeenstemt met de grondbeginselen van een rechtsstaat.
Ik durf te beweren dat dit wellicht twijfelachtig is. Door het vaststellen van een dergelijk uitgebreid bepalend raamwerk zonder concrete criteria in het wetgevingsinstrument zelf vast te leggen, geeft Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad de Commissie zoveel vrijheid dat men welhaast de verdenking kan hebben dat de besluiten erachter niet per definitie gebaseerd zijn op wetgeving, maar in plaats daarvan zonder meer elementen van willekeur bevatten. Helaas heeft het Europees Gerecht van eerste aanleg tot dusver aan deze praktijk en deze wijze van toemeting meegewerkt en daar geen enkele kritiek op geuit.
Ik zou me echter kunnen voorstellen – we hebben nu te maken met een verandering in de situatie, aangezien we nu binnenkort zullen toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten nu door het Verdrag van Lissabon bindend is geworden – dat de rechtspraak met het oog hierop zal veranderen. Ik ben derhalve van mening dat we hier uiterst zorgvuldig over moeten nadenken en ik juich het toe dat de Commissie overweegt om de bepalingen volgens Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad op dit gebied met het oog op de criteria en andere soorten sancties te herzien, te specificeren, en strengere criteria op te stellen met betrekking tot de vast te stellen strafmaatregelen. Persoonlijk ben ik van mening dat dit noodzakelijk is om de tekortkomingen wat betreft de rechtsstaat te verhelpen die vele deskundigen op dit moment in Europa zien.
Antolín Sánchez Presedo, namens de S&D-Fractie. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, de kwestie van de boetes is een bijzonder belangrijke kwestie. Het gaat om de aanpak van concurrentieverstorende gedragingen, een aanpak die doeltreffend en afdoende moet zijn. Een zwakke, ontoereikende aanpak zal een uitnodiging en stimulans zijn voor het begaan van overtredingen. Daarom moeten de boetes degenen ontmoedigen die de regels overtreden, maar ze moeten ook functioneren als afschrikmiddel voor alle marktdeelnemers. Duidelijk moet zijn dat niet-geoorloofde concurrentie geen enkel voordeel of winst oplevert voor degenen die zich hiermee inlaten.
Het is waar dat de Commissie heel wat speelruimte heeft bij het opleggen van boetes. Die speelruimte betekent echter niet dat er naar willekeur gehandeld wordt, want er bestaan wel degelijk regels, grenzen en criteria, er bestaat een procedure met waarborgen en hoe dan ook bestaat er gerechtelijk toezicht.
Het Verdrag, Verordening (EG) nr. 1/2003, de richtlijnen van 2006, de mededeling over de clementieregeling- ook van het jaar 2006 – al die dingen samen vormen een kader dat vrij goed functioneert.
De regeling zou echter wel kunnen worden verbeterd. Gezien de ervaring met de toepassing van de regeling, de aanbevelingen van deskundigen en de problemen die terecht zijn aangekaart door instellingen en sommige marktdeelnemers, is het raadzaam bepaalde kwesties aan te pakken. Zo kunnen de transparantie en voorspelbaarheid worden verbeterd, en kan er ook worden nagedacht over de impact van de regeling op de kleine en middelgrote ondernemingen, de werkgelegenheid, en het duurzame karakter van ondernemingen. Voorts moet er gekeken worden naar de flexibiliteit met betrekking het bedrag en de betalingen, net als naar de aansluiting op clementieregelingen, en zelfs naar de vraag naar de wijze waarop de verschillen tussen de regelingen van de verschillende lidstaten moeten worden opgelost..
De regeling kan bovendien worden gecompleteerd door andere relevante instrumenten toe te voegen: bijvoorbeeld door de nadruk te leggen op de persoonlijke verantwoordelijkheid, door een ander soort oplossingen te overwegen – niet alleen om een einde te maken aan concurrentieverstorend gedrag maar ook om herhaling te voorkomen – en door privé-acties te starten voor schadeloosstelling van zowel individuen als groepen.
Al deze vraagstukken moeten strikt, stelselmatig en constructief worden aangepakt, zonder dat het functioneren van het concurrentiebeleid in twijfel wordt getrokken..
Sophia in 't Veld, namens de ALDE-Fractie. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben het eens met veel van wat door de vorige sprekers is gezegd. Ik verwelkom de verklaring van de commissaris, want, als ik zorgvuldig luister, staat de Commissie in feite open voor het verzoek van het Parlement, dat was opgenomen in het verslag van afgelopen jaar over het mededingingsbeleid, om een geavanceerdere toolkit voor het antitrustbeleid.
Het accent heeft heel erg gelegen op boetes en de hoogte van de boetes, maar we moeten oppassen dat dit geen ideologisch debat wordt. Dit gaat heel erg over het hebben van een toolkit die een effectief afschrikmiddel is voor concurrentieverstorende activiteiten. Zoals u terecht hebt opgemerkt, is de schade voor onze economie en ook voor de consumenten aanzienlijk. Ik denk dat boetes redelijk moeten zijn, maar als bedrijven klagen over boetes, is het enige dat ze hoeven te laten, kartels vormen. Dat is de beste garantie dat ze geen excessieve boetes opgelegd krijgen.
Vorig jaar hebben we gevraagd om voorstellen van de Commissie voor geavanceerdere instrumenten. We hebben u gevraagd om met voorstellen te komen die vraagstukken bestrijken zoals individuele verantwoordelijkheid (die u hebt genoemd), transparantie en verantwoordingsplicht van bedrijven, kortere procedures, het recht op verdediging en eerlijke rechtsbedeling, en mechanismen om de effectieve werking van clementieverzoeken te waarborgen, maar ook corporate compliance-programma's en de ontwikkeling van Europese normen. Ik zou graag willen weten of de Commissie van plan is om met zulke voorstellen te komen. We beseffen dat dit zeer ingewikkeld is, aangezien we te maken hebben met nationale bevoegdheden en Europese bevoegdheden. Maar ik denk dat we de gemeenschappelijke doelstelling van het creëren van een goed functionerende markt delen.
Jean-Paul Gauzès (PPE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ik herinner mij dat ik een aantal jaren geleden aan de toenmalige commissaris voor mededinging heb gevraagd of er ooit een evaluatie was uitgevoerd om te zien in hoeverre de opgelegde boetes een positief effect voor de consumenten hadden. En deze commissaris zei me toen, aan het begin van een commissievergadering: “Kijk, ik heb zo en zoveel miljoen euro aan boetes weten binnen te harken”. Het antwoord luidde dus dat men daar niet naar had gekeken. Het lijkt er dus op dat u sindsdien een onderzoek hebt verricht naar de omvang van de reële schade.
Ik wil uw aandacht echter vestigen op twee zaken. Om te beginnen dat de vaststelling van het bedrag is gebaseerd op de omzet van de groep. Het kan dus zijn dat de onderneming die de regels voor de mededinging heeft geschonden binnen die groep een betrekkelijk klein gewicht vertegenwoordigt. Niet dat ik het zo goedpraat, maar het lijkt me wel wat vreemd, zeker als er sprake is van entiteiten die juridisch gezien op zichzelf staan.
Het tweede punt, mijnheer de commissaris, heeft te maken met preventie. U heeft daar zelf op gewezen – niet uw collega. U heeft gezegd dat preventie beter is dan repressie, en hoe dan ook doeltreffender. De vraag die ik hier stel luidt dan ook of deze enorme boetes – die zodra ze bekend worden gemaakt altijd de voorpagina’s van de kranten halen – inderdaad een preventieve rol spelen. En ik vraag me af of het met het oog op preventie niet doeltreffender zou zijn om wat meer te letten op het aantal inspecties, in plaats van op de omvang van de boetes.
Zoals onlangs in Frankrijk is gebleken, kunnen er vonnissen worden gegeven waarmee bedragen zijn gemoeid die pas na vier- of vijfduizend jaar volledig zouden kunnen worden betaald. Ik geloof dus dat we ons niet moeten fixeren op die bedragen. We moeten kijken naar de gevolgen van deze boetes voor het betrokken bedrijf, zeker wanneer de economische situatie ongunstig is.
Het niet naleven van de mededingingsregels is verkeerd. Het is terecht dat er boetes worden uitgedeeld, maar die moeten wel proportioneel zijn. Daarom willen we graag weten of de Commissie bereid is de regels aanpassen. Ik geloof echter dat u op die vraag reeds ontkennend hebt geantwoord, en dat is beslist jammer.
Peter Skinner (S&D). − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik weet niets van bedrijven die vierhonderd jaar de tijd hebben om boetes af te betalen, maar dat klinkt behoorlijk draconisch. Desalniettemin, commissaris, besef ik dat u vanavond wellicht niet in een positie verkeert om geïmproviseerd beleid te maken. Daarom zal ik enkele vragen voorleggen aan commissaris Almunia over de kwesties waarover we vanavond debatteren.
Ik wil graag twee korte opmerkingen maken. Op de eerste plaats verzoek ik de Commissie om de effectbeoordelingen voor de richtsnoeren van 2006 te leveren. Ik begrijp dat de medewerkers van de heer Almunia al hebben aangegeven dat dit mogelijk is. Ik kijk naar deze effectbeoordelingen uit. Misschien hoef ik alleen maar even op de hoogte te worden gesteld van de actuele stand van zaken, maar ik zou gerustgesteld zijn als dat dit inderdaad mogelijk is.
Op de tweede plaats hebben we vanavond gehoord dat alle aandacht gaat naar boetes – en boetes die worden opgelegd aan bedrijven die de mededingingsregels schenden. Er is misschien sprake van een verhoging van de boetes, maar die lijken hen niet af te schrikken. Ze doen het nog steeds.
Misschien moeten we inventief zijn in wat we doen. In het geval van prijsafspraken, bijvoorbeeld, worden kleine ondernemingen verderop in de keten vaak getroffen door de gevolgen van bedrijven die dit gedaan hebben, en zij krijgen buiten hun schuld met deze specifieke boetes te maken.
Wat als de Commissie eens een moment zou nadenken over de sociale gevolgen? Wat als de Commissie eens zou nadenken over het hanteren van verschillende benaderingen? In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld staan de regelingen toe directeuren te diskwalificeren, in plaats van een boete op te leggen, wat de betrokken schuldigen echt aanpakt en het personeel en de bedrijven de mogelijkheid biedt om te overleven – misschien is dat wel een intelligente filosofie, een filosofie die we zouden kunnen overnemen als een model voor wat we zouden kunnen doen, of zelfs alleen maar bij wijze van proef.
Er zijn nog andere voorbeelden – zoals we uit diverse hoeken van de zaal, uit andere landen hebben gehoord – waarvan ik zeker weet dat wij hetzelfde zouden kunnen doen. Als we hier een beetje intelligent mee omgaan, kunnen we veel doen om te waarborgen dat het personeel van de bedrijven niet even hard wordt getroffen door de slechte praktijken van de directeuren die kiezen voor deze kartelfilosofie.
Catherine Stihler (S&D). − (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik zal kort zijn. Ik verwelkom datgene dat collega's vanavond hebben gezegd. De macht die wij hebben op het punt van boetes in antitrustzaken, is een echte macht om kartels open te breken, om concurrentieverstorende activiteiten te voorkomen en de consument op de eerste plaats te zetten.
Ik wil de Commissie drie vragen stellen, net als de heer Gauzès en anderen. Ten eerste, wat kunnen we beter doen op het punt van de preventie? Ten tweede, kijken we – zoals de heer Skinner heeft gezegd – naar beste praktijken in de verschillende lidstaten? Het voorstel van de heer Skinner over medeplichtigheid van het bestuur en wat we kunnen doen aan de directeuren, is essentieel. Ten derde, kunnen we een tijdschema krijgen voor de verwachte voorstellen?
Seán Kelly (PPE). − (EN) Mevrouw de Voorzitter, de artikelen 81, 101 en 102 hebben allemaal betrekking op deze kwesties, onder kartels, prijsafspraken, dumpprijzen, enzovoort. Het is zeker iets waarover we ons zorgen moeten maken, maar vaak is het moeilijk te bewijzen dat ze echt bestaan. Ik heb hier bijvoorbeeld een kop die zegt: “Antitrust: autoprijzen in 2009 slechts licht gedaald”, terwijl de prijzen van reparaties en onderhoud blijven stijgen, ondanks de crisis, ondanks een daling van de lonen en ondanks deflatie, in plaats van inflatie. Is dat een kartel?
In mijn eigen land daalt de prijs van runderen automatisch als er een regenbui valt. Ik denk dat het zeker nodig is om naar de richtsnoeren te kijken, zowel op het punt van het vaststellen van langlopende trends en op dat van de werkelijke sancties die u gaat toepassen. Ik denk dat de heer Skinner een heel interessant voorstel heeft gedaan, toen hij zei: “Laat de directeuren betalen.” Ik zou willen zeggen dat we ook een boete moeten hebben: doe beide. Er is zeker veel werk te doen, maar we gaan in de goede richting.
Michel Barnier, lid van de Commissie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, we hebben nu alle argumenten en verzoeken gehoord, en ik zal ze heel precies aan mijn collega, de heer Almunia, doorgeven. Die heeft u – via mij – laten weten dat hij geen aanleiding ziet om geheel nieuwe wetgeving inzake boetes op te stellen, aangezien de huidige Verordening (EG) nr. 1/2003, die ik reeds genoemd heb, in de nabije toekomst wel eens heel nuttig zou kunnen blijken te zijn.
Wat de richtsnoeren betreft: de Commissie kan u verzekeren dat we de toepassing daarvan voortdurend controleren. De Commissie stelt zich open op voor elk voorstel tot verbetering van die richtsnoeren. Wat hier door een aantal mensen is gezegd kan een zinvolle bijdrage in die richting zijn.
Mijnheer Lehne, mijnheer Gauzès, mijnheer Skinner: we hebben geen enkel bezwaar tegen een zekere mate van flexibiliteit als het gaat om onze werkwijzen bij de controle op de toepassing van verordeningen, als we op die manier rekening kunnen houden met de – nog steeds – moeilijke economische situatie. Maar moeten ons daarbij wel houden aan de richtsnoeren van de rechtspraak. En ik herhaal dat de heer Almunia het niet nodig vindt om de uit 2006 stammende richtsnoeren te herzien. Hij is tevreden over de doeltreffendheid van deze richtsnoeren. Bij de huidige crisis zijn ze voldoende flexibel gebleken; ze hebben ons in staat gesteld rekening te houden met de moeilijke financiële situatie waarin sommige bedrijven verkeren. Daar is door een aantal afgevaardigden terecht op gewezen.
De Commissie is gebonden aan de richtsnoeren voor de werkwijze die bij het vaststellen van de boetes moet worden gevolgd. Om ondernemingen rechtszekerheid te bieden kan de Commissie niet van deze richtsnoeren afwijken – niet zonder goede reden, althans. Als de Commissie dat wel doet, loopt ze het risico dat de rechter haar besluiten later zal vernietigen.
Wat andere sancties dan boetes betreft, mevrouw In 't Veld: we zouden eens moeten nakijken in welke mate we dit soort sancties in het bestaande juridisch kader zouden kunnen opnemen. Het is zo dat in een aantal lidstaten alternatieve sancties worden toegepast, maar ze worden maar in een gering aantal gevallen opgelegd: boetes blijven het voornaamste sanctiemiddel.
Bij dit debat moeten we ons door twee principes laten leiden. Om te beginnen mogen individuele sancties het huidige systeem voor de omgang met rechtsinbreuken niet ondermijnen, en dan heb ik het ook – en vooral – over de clementieregeling. Ten tweede is het zo dat het feit dat directeuren of werknemers van een onderneming individueel gestraft zijn – want dat ís mogelijk – de aansprakelijkheid van de onderneming bij schending van de mededingingsregels op geen enkele wijze vermindert.
De Commissie meent daarom dat het huidige niveau van de boetes en de uniforme toepassing van de Europese wetgeving op het gebied van mededinging goede instrumenten zijn om eventuele anticoncurrentiegedragingen op de interne markt af te schrikken.
En dan nog één punt, mijnheer Lehne. We beschikken over een administratief systeem om te garanderen dat de regels voor de mededinging naar behoren ten uitvoer worden gelegd. Belangrijker nog: dit systeem heeft vele voordelen. En we beschikken over jurisprudentie om dit systeem te ondersteunen.
Mijnheer Sánchez Presedo heeft transparantie genoemd, wat me niet verbaast, gelet op de debatten die we met hem over toezicht hebben gevoerd. Er is daar ruimte voor verbeteringen. Zoals ik zojuist heb aangegeven hebben we flexibele richtsnoeren. Ik wijs er verder op dat we dit jaar een systeem voor goede werkwijzen hebben geïntroduceerd.
Mevrouw In 't Veld en de mevrouw Stihler hebben het gehad over verfijndere programma’s en verfijndere instrumenten. We kunnen dat punt via de compliance-programma's aan de orde brengen. Dat lijkt me een goed idee. Wij geloven dat ondernemingen deze programma’s heel serieus nemen en dat kan dan weer bijdragen tot preventie. En preventie, mijnheer Gauzès, is nog altijd goedkoper dan schadevergoedingen of sancties.
De heer Skinner en de heer Kelly hebben opgemerkt dat ondernemingen soms schade ondervinden van de opgelegde straffen, en dat daardoor sociale problemen veroorzaakt kunnen worden. Wij volgen de ontwikkelingen in de lidstaten met grote belangstelling, zeker als het gaat om kleine of middelgrote ondernemingen. Daarom stellen we in ons Witboek voor om te evalueren hoe efficiënt vorderingen tot schadevergoeding zijn en wat voor gevolgen ze teweegbrengen. Dat is ook de reden waarom de Commissie binnenkort een openbare raadpleging over dit onderwerp zal organiseren.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
Schriftelijke verklaringen (artikel 149)
George Sabin Cutaş (S&D), schriftelijk. – (RO) De Europese Commissie legt steeds vaker en steeds hogere boetes op aan kartels en bedrijven die misbruik maken van hun marktpositie. In 2009 zijn er voor meer dan twee miljard euro aan boetes opgelegd. De snelle reacties van de Commissie zijn welkom. Toch moeten we ons afvragen of het huidige sanctiemechanisme voldoende compleet is. De Commissie speelt de dubbele rol van aanklager en rechter. Daarnaast is een van de negatieve effecten van de boetes het verlies van arbeidsplaatsen bij de gesanctioneerde bedrijven. Zo worden mensen die niets verkeerd hebben gedaan het slachtoffer. Zodoende ben ik van mening dat het nodig is om een aantal meer verfijnde maatregelen te ontwikkelen in geval van overtreding van de antikartelregels, waarbij een grotere procedurele transparantie moet worden nagestreefd door het benoemen van onafhankelijke rechters, en de mogelijkheid tot individuele straffen – van directeuren die verantwoordelijk zijn voor het illegale gedrag van hun bedrijf.