Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2039(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0233/2010

Ingediende teksten :

A7-0233/2010

Debatten :

PV 19/10/2010 - 6
CRE 19/10/2010 - 6

Stemmingen :

PV 20/10/2010 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0375

Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 19 oktober 2010 - Straatsburg Uitgave PB

6. Ontwikkelingsaspecten van de Internationale Dag voor de uitbanning van armoede – De rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa (debat)
Video van de redevoeringen
Notulen
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- de verklaringen van de Raad en de Commissie: Ontwikkelingsaspecten van de Internationale Dag voor de uitbanning van armoede, en

- het verslag van mevrouw Figueiredo, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa (2010/2039(INI)) (A7-0233/2010).

 
  
MPphoto
 

  Olivier Chastel, fungerend voorzitter van de Raad. (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, 2010 is het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en wij beseffen uiteraard dat de uitdaging van armoede niet beperkt blijft tot de grenzen van de Unie, en ook niet uitsluitend binnen deze grenzen kan worden opgelost.

Uit de recente opeenvolging van mondiale crises die zich in alle landen hebben voorgedaan en waaronder de armste landen het zwaarst hebben geleden, is duidelijk geworden hoezeer de landen in de huidige wereld niet meer op zichzelf staan. De bevordering van ontwikkelingssamenwerking maakt dan ook deel uit van de respons van Europa op de wereldwijde uitdagingen van vandaag. De komende vijf jaren zijn van cruciaal belang voor het Europese en dus mondiale beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Het is verankerd in artikel 208 van het Verdrag van Lissabon en we hebben het bekrachtigd in de Europese consensus over ontwikkeling: de centrale doelstelling van ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie is de uitroeiing van armoede, tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling, met name bij de inspanningen voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Niettemin zijn we gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwezenlijking van alle millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling. Alle betrokkenen moeten zich aan de gemaakte afspraken houden. De Europese Unie is ervan overtuigd dat ontwikkelingslanden zelf verantwoordelijk zijn voor hun ontwikkeling en deze kunnen sturen, en dat zij in de eerste plaats zelf de verantwoordelijkheid dragen voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Ik wil dan ook benadrukken dat voor deze doelstellingen mondiale strategieën ten uitvoer moeten worden gelegd, waaronder democratisch bestuur, bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat, economische groei ten gunste van armen, ontwikkeling van de particuliere sector, ontwikkeling van de handel, menselijke en maatschappelijke ontwikkeling en duurzaamheid van het milieu.

De Europese Unie spoort de partnerlanden ertoe aan hun eigen inspanningen snel te intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van armoede en ongelijkheid en het opzetten van partnerschappen met maatschappelijke organisaties, de particuliere sector en lokale overheden. De Europese Unie zal meer steun bieden voor hun inspanningen om nationale middelen in te zetten voor ontwikkeling, vooral ter verbetering van het beheer van overheidsfinanciën en de kracht en doeltreffendheid van hun fiscale en douanestelsels.

Op 22 september hebben de lidstaten van de VN zich met de goedkeuring van het slotdocument van de top over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zich opnieuw vastberaden getoond om samen te werken aan betere sociaaleconomische omstandigheden voor alle volkeren en alle zeilen bij te zetten voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen in 2015.

 
  
MPphoto
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil u om te beginnen bedanken voor deze mogelijkheid om te spreken over het probleem van de armoede en wat de Europese Unie op mondiaal niveau kan doen via haar beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. In het tweede deel van deze verklaring zal ik ook ingaan op het verslag van mevrouw Figueiredo.

Het uitroeien van de armoede is de meest dringende mondiale uitdaging van onze tijd. Het is een uitdaging die wij moeten aangaan, niet alleen om voor de hand liggende redenen als solidariteit en plicht, maar ook in het belang van de mondiale welvaart en stabiliteit, en dat is in ieders belang. In 2000 zijn de wereldleiders bijeen geweest bij de VN in New York en daar werden zij het eens over een internationale ontwikkelingsagenda voor de komende vijftien jaar, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Een van de doelstellingen in dat kader betrof de inspanningen van de wereld om extreme armoede met de helft terug te brengen. Waar staan we nu, vijf jaar voor 2015, de einddatum van de termijn van vijftien jaar?

Er is bemoedigende vooruitgang geboekt. In totaal zijn er tussen 2000 en 2005 120 miljoen mensen uit de armoede geraakt, wat neerkomt op een jaarlijkse daling van 2,4 procent. Er is echter geen tijd voor zelfgenoegzaamheid. Vandaag de dag leven nog steeds 1,4 miljard mensen in extreme armoede, en er zijn enorme verschillen tussen regio’s, landen en bevolkingsgroepen. Bovendien vormt de recente en huidige mondiale crisis – van enorme schommelingen in de voedsel- en brandstofprijzen tot economische instabiliteit en klimaatverandering – een bedreiging voor zowel de reeds behaalde successen als de verwachtingen voor de toekomst.

Twee weken geleden bevestigde de top over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) de mondiale ambitie om de armoede te bestrijden. De leden van het Europees Parlement, onder leiding van Gay Mitchell, hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan die top, en ik dank hen van harte voor hun deelname en steun. Ik wil ook het Parlement bedanken voor zijn steun bij het hele voorbereidingsproces, dat uitmondde in de aanneming van het verslag-Cashman. De voortdurende aandacht van dit Parlement voor de MDG heeft geleid tot een krachtige en doeltreffende stellingname van de EU in New York. Ik denk dat de leden van dit Parlement die aan de top deelnamen tevreden waren over de resultaten. Het ging er niet om schuldigen aan te wijzen. De bijeenkomst gaf eerder nieuwe energie, een nieuwe impuls en nieuwe hoop dat de doelen bereikt zouden worden. Het feit dat de top werd bijgewoond door ongeveer 110 staatshoofden en regeringsleiders, toonde aan dat de MDG nog steeds hoog op de politieke agenda staan. Door een krachtig gemeenschappelijk standpunt van onze 27 lidstaten te realiseren en te vertolken, droeg de Europese Unie in belangrijke mate bij aan het succes van deze belangrijke bijeenkomst.

De strijd tegen de armoede staat ook hoog op onze agenda in de Europese Unie. Het is onderdeel van ons Europees project. Het is een centraal doel van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie, zoals geformuleerd in het Verdrag van Lissabon, en het wordt ook van harte gesteund door de Europese burgers, en dat is even belangrijk.

Als de belangrijkste donor ter wereld heeft de Europese Unie in belangrijke mate bijgedragen aan de realisering van de MDG tot nu toe. Ik zal maar twee voorbeelden noemen. Alleen al door de hulp van de Europese Commissie konden sinds 2004 9 miljoen meer meisjes en jongens naar school. Daarnaast hebben we 31 miljoen huishoudens aangesloten op schoon drinkwater. Hier kunnen we mijns inziens trots op zijn, maar we moeten meer doen en we kunnen ook meer doen.

In juni hebben de Europese leiders meegeholpen de MDG effectiever te maken door in te stemmen met een ambitieus plan en een reeks acties. Dit plan voorziet erin dat wij prioriteit geven aan de acties voor de doelen waarvoor we de minste vooruitgang hebben geboekt, en in die regio’s en landen die het verst achterblijven, met inbegrip van gebieden waar conflicten woeden en die kwetsbaar zijn. Het plan bevestigt ook ons vaste voornemen om te voldoen aan de doelstelling van 0,7 procent van het BBP in 2050, ondanks de moeilijke economische en financiële situatie. Om dit te realiseren, moeten wij de voortgang in dit opzicht ieder jaar evalueren.

Mijn werk zal er ook in de allereerste plaats op gericht zijn om ervoor te zorgen dat de millenniumdoelstellingen – in het bijzonder het doel om de armoede uit te roeien – in 2015 zijn veranderd in millenniumresultaten.

Wij weten allemaal dat hulp alleen niet voldoende zal zijn om de MDG te realiseren. Als we de doelstellingen willen halen, is het bovenal ook belangrijk dat wij creatievere manieren vinden om onze hulp effectiever te maken, om meer duurzame en meer inclusieve groei te bevorderen, en om andere en extra financieringsbronnen voor ontwikkeling te genereren. Even belangrijk zijn de kwaliteit en de doeltreffendheid van de hulp, onder andere door meer transparantie en controle en door ervoor te zorgen dat niet specifiek op ontwikkelingshulp gericht beleid de MDG beter ondersteunt.

We moeten ontwikkelingshulp zien als katalysator, niet als remedie. Geen enkel land is ooit ingrijpend veranderd door hulp alleen. Duurzame vooruitgang hangt in de eerste plaats af van de ontwikkeling van de capaciteit van een land om inclusieve en duurzame groei te genereren. Ontwikkeling kan alleen komen vanuit de ontwikkelingslanden zelf, van binnenuit, niet van buitenaf. Het is dan ook dat ‘binnenuit’ waarop we onze ontwikkelingsinspanningen moeten richten. Uiteindelijk is dat ook wat het beginsel van “eigenaarschap” inhoudt.

Ik ben van plan in november met een groenboek te komen en een openbare raadpleging te houden om meningen te verzamelen over de vraag hoe we ons beleid en onze instrumenten zodanig kunnen verbeteren dat ze beter aansluiten bij de sleutelfactoren voor duurzame en inclusieve groei in partnerlanden, waardoor de onderliggende oorzaken van armoede worden aangepakt en aanzienlijke meerwaarde wordt toegevoegd aan onze ontwikkelingssamenwerking. Uw bijdrage aan dit debat zal daarbij mijns inziens zoals gewoonlijk van cruciaal belang zijn.

Ik wil mevrouw Figueiredo bedanken voor haar verslag over stelsels voor een minimuminkomen. Centraal in haar verslag staat het grondrecht van personen op financiële middelen die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden. Dit recht is verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het heeft de Commissie in het recente verleden aangezet tot verschillende initiatieven op het gebied van actieve inclusie, in het bijzonder de aanbeveling van de Commissie over actieve inclusie in 2008, die werd gesteund door het Parlement en de Raad. De aanbeveling bevat geïntegreerde actieve-inclusiestrategieën die gebaseerd zijn op drie pijlers, namelijk inclusieve arbeidsmarkten, toegang tot hoogwaardige diensten en passende inkomenssteun. De Commissie is dan ook ingenomen met dit verslag.

Tegelijkertijd respecteren wij ten volle de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot de structuur en het functioneren van socialezekerheidsstelsels in het algemeen en stelsels voor een minimuminkomen in het bijzonder. Een toereikend inkomen is een essentieel onderdeel bij de strijd tegen de armoede voor mensen die niet in staat zijn te werken. Het vormt een noodzakelijke aanvulling op inclusieve arbeidsmarkten om mensen die kunnen werken voor armoede te behoeden.

De verslag bevestigt terecht nog eens het grondbeginsel van de inkomenssteun, die niet alleen toereikend moet zijn maar mensen ook moet stimuleren. De lidstaten treffen momenteel budgettaire consolidatiemaatregelen om de houdbaarheid van de openbare financiën op de lange termijn te garanderen. De Commissie deelt de mening dat bij deze maatregelen rekening moet worden gehouden met de noodzaak de meest kwetsbare leden van de maatschappij te beschermen.

De Europese Commissie zal eind dit jaar een Europees platform tegen armoede presenteren, met daarin concrete maatregelen om de lidstaten te helpen de doelstelling om tot 2020 tenminste 20 miljoen Europese burgers uit de armoede te halen, te realiseren.

 
  
MPphoto
 

  Ilda Figueiredo, rapporteur. (PT) Mevrouw de Voorzitter, armoede en sociale uitsluiting zijn schendingen van de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten maar nu we al een goed eind gevorderd zijn in het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting lopen we het risico een triest record te vestigen van het aantal mensen dat in armoede leeft.

Er is sprake van een schandalige achteruitgang in dit rijke Europa waar de winsten van de financiële sector en de economische groepen blijven stijgen en wegvloeien naar belastingparadijzen. De golf van verontwaardiging van miljoenen werknemers, vrouwen en jongeren – die het slachtoffer zijn van kortingen op hun loon en van onzeker en slecht betaald werk – en van werklozen en gepensioneerden met schamele pensioenen, zwelt aan.

Volgens Eurostat werden eind 2008 zelfs na sociale overdrachten nog 85 miljoen mensen met armoede bedreigd. Die situatie kan er alleen maar veel slechter op geworden zijn door de verscherping van het communautaire neoliberale beleid en de zogenaamde bezuinigingsmaatregelen die in een aantal lidstaten worden genomen. Lonen worden gekort, openbare diensten als gezondheidszorg en onderwijs beperkt, sociale uitkeringen verminderd en belastingen op eerste levensbehoeften, waaronder levensmiddelen, verhoogd. Dat gebeurt nu in Portugal, terwijl dergelijke maatregelen eerder in Griekenland, Ierland en andere landen zijn genomen.

Het is onaanvaardbaar dat de Commissie en de Raad druk blijven uitoefenen op lidstaten op grond van de irrationele criteria van het Stabiliteits- en groeipact, waardoor er slechts oog is voor financiële en niet voor sociale kwesties. Alle overheidssteun is naar de banken en het financiële stelsel gegaan en de mensen zijn vergeten. Kwalijker nog is dat arbeiders en andere armlastige bevolkingsgroepen nu verplicht worden met spoed de overheidssteun te betalen die de regeringen aan de banken hebben gegeven met steun van de leiders van de Europese Unie en bijval van de financiële groepen.

Daarom moeten we het beleid veranderen om het hoofd te bieden aan armoede en sociale uitsluiting, zoals miljoenen demonstranten met hun strijd overal in Europa, ook hier in Straatsburg, eisen.

De doelstellingen en leidinggevende beginselen van het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting mogen niet beperkt blijven tot woorden die met de wind zijn meegevoerd. De toezegging van de Europese Unie om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties te realiseren mogen we niet vergeten.

Het beleid dient gericht te zijn op de erkenning van rechten en het delen van verantwoordelijkheden, cohesie te bevorderen en de participatie van mensen die met armoede bedreigd worden of in armoede leven te stimuleren. Het moet eveneens zorgen voor concrete maatregelen en de uitvoering ervan om op doeltreffende wijze armoede te voorkomen en uit te roeien en daklozen en immigranten te integreren zonder de gehandicapten te vergeten en de toekomst van jongeren en kinderen in gevaar te brengen.

Helaas beperkt de EU 2020-strategie zich tot het aangeven van de uitweg uit de armoede voor 20 miljoen mensen voor eind 2020. Dat is een stap achteruit in vergelijking met de oorspronkelijke doelstellingen van de zogenaamde Lissabonstrategie.

Armoede en sociale uitsluiting zijn een probleem met meerdere dimensies. Daarom moet het macro-economische beleid ook een sociaal element bevatten als integraal bestanddeel van de strategie om uit de crisis te geraken. Met het oog daarop moeten we de prioriteiten en het beleid bijstellen, waarbij ik met name denk aan het monetair beleid, met inbegrip van het Stabiliteits- en groeipact, het begrotings- en het fiscale beleid, het mededingingsbeleid en het internemarktbeleid. We dienen prioriteit te geven aan economische en sociale cohesie en verdediging van de mensenrechten. Dat veronderstelt op zijn minst een evenwicht tussen het economische, het werkgelegenheids-, het sociale en het milieubeleid en een rechtvaardige verdeling van rijkdom en inkomen.

In dat kader kan het minimuminkomen een doeltreffend instrument zijn om mensen zekerheid te garanderen en de gevolgen van uitsluiting en werkloosheid te verminderen. Met een dergelijke regeling kunnen we de toegang tot fatsoenlijk werk steunen en de strijd aangaan met onzekere banen en schamele lonen waardoor het percentage arme werknemers stijgt. Regelingen voor het minimuminkomen vervullen een belangrijke rol bij de inkomensverdeling en zijn een waarborg voor solidariteit en sociale rechtvaardigheid, met name in tijden van crisis. De regeling functioneert als een sociale stabilisator en heeft een anticyclisch effect door extra inkomen te genereren waarmee de vraag en de consumptie op de interne markt gestimuleerd worden en de recessie wordt bestreden.

Daarom moet een regeling voor het minimuminkomen waarmee minimaal 60 procent van het mediane inkomen in elke lidstaat is gegarandeerd een integraal bestanddeel zijn van een strategie die gericht is op sociale integratie. Die strategie moet gestoeld zijn op algemeen beleid maar ook op specifieke maatregelen voor de kwetsbaarste groepen in de samenleving. Daarbij denk ik aan huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en opleiding en sociale diensten. Daarmee kunnen we mensen helpen om uit de armoede te geraken, zorgen voor sociale insluiting en iedereen die daarvoor de mogelijkheid heeft laten toetreden tot de arbeidsmarkt. Dat moet op een waardige wijze gebeuren zonder in moderne slavernij te vervallen. Helaas zijn miljoenen werknemers, vooral vrouwen en jongeren, het slachtoffer van dit onzekere en slecht betaalde werk.

Dat is de uitdaging voor de Commissie: presenteer een initiatief en een actieplan voor het minimumloon met als doel kinderen, jongeren, volwassenen en bejaarden uit de armoede te halen en ze het pad van sociale vooruitgang op te sturen.

 
  
MPphoto
 

  Licia Ronzulli, namens de PPE-Fractie. (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de gegevens over de armoede in de wereld zijn alarmerend, deprimerend en meedogenloos. Steeds meer mensen leven onder de armoedegrens, net zoals de kloof tussen degenen die in misère leven en degenen die een hoge levensstandaard genieten, almaar groter wordt.

Volgens het laatste VN-rapport over de staat van de steden in de wereld leven vandaag de dag 827 miljoen mensen in sloppenwijken en zal dit aantal gemiddeld met zes miljoen per jaar toenemen. Zoals eerder al is benadrukt, heeft ook Europa hiermee te maken: vandaag de dag leven bijna tachtig miljoen Europese burgers in armoede – 16 procent van de bevolking van de Unie – waaronder ruim negentien miljoen kinderen.

2010 is uitgeroepen tot het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en tegen die achtergrond debatteren wij vandaag over dit verslag. Ik heb mij ervoor ingezet dat in de definitieve tekst een aantal aspecten werd geanalyseerd die ik van fundamenteel belang acht, en ik dank mevrouw Figueiredo daarvoor. De recente economische crisis heeft geleid tot een stijging van de werkloosheid. Helaas zijn vrouwen wederom het zwaarst getroffen. Armoedebestrijding begint bij beleid dat de werkgelegenheid stimuleert, met name de werkgelegenheid van vrouwen en jongeren.

Iedereen zou over genoeg geld moeten kunnen beschikken om zichzelf een waardige levensstandaard te kunnen verzekeren. Het is een feit dat het minimumloon een belangrijke rol kan spelen bij de armoedebestrijding, omdat iedereen daarmee de kans krijgt om actief deel te nemen aan het sociale, culturele en politieke leven. De lidstaten moeten echter zelf kunnen beslissen of zij een minimumloon instellen; hierover moet niet op het niveau van de Unie worden besloten.

Om werkelijke sociale integratie te bewerkstelligen en achteruitgang en armoede te bestrijden kunnen we niet volstaan met maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid, maar moeten we ambitieuzere doelstellingen nastreven. Laten wij ons daarom inzetten voor betere structurele hervormingen en laten wij werken aan een daadkrachtiger werkgelegenheidsbeleid waarmee de zwakste groepen in de samenleving ertoe worden gestimuleerd toe te treden tot de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 

  Thijs Berman, namens de S&D-Fractie. Voorzitter, collega Figueiredo heeft het uitstekend gezegd, en ik wil er alleen iets aan toevoegen. De EU is gebaseerd op het besef dat welvaart voor de grootst mogelijke groep een garantie is voor economische ontwikkeling voor alle Europeanen. Dankzij de open markt, maar ook dankzij structuursubsidies, dankzij de herverdeling van welvaart stijgt het levenspeil van de lidstaten in Oost- en Midden-Europa, en oudere lidstaten profiteren daarvan. Elke Europeaan heeft recht op een behoorlijk bestaan, elke wereldburger heeft dat ook.

Armoedebestrijding staat daarom in het Verdrag van Lissabon. De millenniumdoelen moeten gehaald worden, en precies zoals we dat bij nieuwe lidstaten doen, kan dat ook wereldwijd. Arme landen worden welvarender door het respect voor de rechtsstaat, waardoor bedrijven durven te investeren, omdat hun contracten veilig zijn. Wereldwijde herverdeling van welvaart leidt tot het afnemen van sociale spanningen, vermindert de kans op geweld en vluchtelingenstromen, vergroot onze afzetmogelijkheden.

Het is daarom onbegrijpelijk dat er lidstaten zijn en regeringen, zoals in Nederland, mijn eigen land, die nu aan de ontwikkelingsbegroting tornen en ook aan deze doelen willen tornen. In een verkeerd begrepen, kortzichtig eigenbelang. Armoedebestrijding moet de prioriteit van de EU blijven.

 
  
MPphoto
 

  Elizabeth Lynne, namens de ALDE-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, naar mijn mening is het verslag over het minimuminkomen dat wij in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken hebben goedgekeurd de beste aanpak en zal het ook heel brede steun krijgen. Daarom vraag ik u dringend de amendementen 1 en 2 te verwerpen.

Ik ben altijd een enthousiast voorstander geweest van een minimuminkomen in alle lidstaten, en dat heb ik ook in alle verslagen die ik ooit over sociale inclusie heb opgesteld, opgeschreven, maar ik geloof dat we dit het beste kunnen bereiken door de uitwisseling van beste praktijken. Als we dit via wetgeving proberen te bereiken, zullen we er mijns inziens niet in slagen om iedereen mee te krijgen, en zullen we dus niet bereiken wat we allemaal willen, namelijk een waardige levensstandaard voor iedereen, mensen uit de armoede halen en voorkomen dat mensen dakloos worden.

In het verslag van de Commissie werkgelegenheid zeggen we ook dat de meest doeltreffende weg uit de armoede is door ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot de arbeidsmarkt. Eén manier om dat te bereiken is te zorgen voor een daadwerkelijke uitvoering van de werkgelegenheidsrichtlijn in alle lidstaten. Bij de opstelling van beleid inzake armoede en sociale inclusie moeten we luisteren naar de mensen die het direct betreft, met andere woorden naar de mensen die zelf in armoede leven en geen dak boven hun hoofd hebben. Wij moeten ervoor zorgen dat de lidstaten hun doelstellingen voor het terugdringen van de armoede, zoals geformuleerd in de EU 2020-strategie, realiseren.

Ik wil er in dit debat ook op wijzen dat we het hebben over een minimuminkomen, met andere woorden over werkloosheidsuitkeringen, en niet over lonen.

 
  
MPphoto
 

  Karima Delli, namens de Verts/ALE-Fractie. (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, er zijn 80 miljoen armen in Europa, meer dan 5 miljoen daklozen, miljoenen mensen die in erbarmelijke omstandigheden zijn gehuisvest, een op de vijf kinderen leeft in armoede, en wat zien we aan de andere kant? Het aantal miljardairs vertoont een stijgende lijn.

Op 17 oktober was het de Werelddag van verzet tegen armoede en het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is bijna om. Welke balans kunnen wij daarvan opmaken? Welke concrete oplossingen heeft Europa aangedragen voor de belangrijkste slachtoffers van een crisis waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn? Welke hoop bieden wij aan onze generatie, deze Europese generatie die zwaar te lijden heeft onder werkloosheid, onzekerheid en uitsluiting, de jongeren die Europa wantrouwen, die veel van Europa en dus van u verwachten?

Wij hebben de plicht om in te spelen op hun dagelijkse zorgen en hun angst voor de toekomst. De strategie van Lissabon ter uitroeiing van armoede is op niets uitgelopen. We mogen niet meer aan de zijlijn blijven toekijken. Het is te laat voor mooie woorden en holle frasen. Het is nu tijd om durf en politieke moed aan de dag te leggen. Alle organisaties die werken met personen in armoede vragen dit al 20 jaar, zoals ATD Fourth World, het "European Anti-poverty Network" (EAPN), de "European Federation of National Organisations Working with the Homeless" (FEANTSA) en Emmaüs Europe!

Daarom verzoeken wij de Commissie om een kaderrichtlijn op te stellen tot vaststelling van een adequaat minimuminkomen. In deze kaderrichtlijn moet worden vastgelegd wanneer men in aanmerking komt voor een toereikend minimuminkomen en dit krijgt uitgekeerd, zodat ieder kind, iedere volwassene en iedere oudere die in armoede leeft, uit deze situatie kan komen en zo een onvervreemdbaar recht op een waardig leven wordt gewaarborgd.

Dames en heren, we hebben geen tijd meer te verliezen, we moeten nu tot actie overgaan. Samen moeten we een einde maken aan het onverdraaglijke schandaal van duurzame armoede! Armoede, een einde aan de armoede: dit moet niet slechts een slogan zijn. Het is een werkelijkheid en hopelijk kunnen we deze strijd gezamenlijk aangaan.

 
  
MPphoto
 

  Nirj Deva, namens de ECR-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik vind dit debat tamelijk ridicuul, bijna lachwekkend. Ik heb nu verschillende toespraken gehoord en wij hebben het gehad over de uitroeiing van armoede zonder ook maar één keer te vermelden hoe we meer rijkdom kunnen scheppen. Je kunt de armoede niet uitroeien zonder rijkdom te scheppen, anders doe je niets anders dan wat je hebt gewoon op een andere manier te verdelen, in plaats van nieuwe rijkdom te scheppen.

Internationaal gezien komt er 880 miljard euro uit de ontwikkelingslanden via allerlei vormen van corruptie en andere activiteiten die nergens in de boeken terug te vinden is, waarover geen belasting wordt betaald en die niet op rekeningen van fatsoenlijke banken wordt gestort. Dit is een grof schandaal in de financiële wereld rond het internationale ontwikkelingswerk. Met die 880 miljard euro moet rijkdom worden gecreëerd in de ontwikkelingslanden.

In Europa neemt de armoede toe door een overvloed aan regels tegen het scheppen van rijkdom, terwijl de problemen nu uit India en China komen. Hier moet verandering in komen.

 
  
MPphoto
 

  Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, in de vergadering van vandaag over het onderwerp armoede richten we ons bewust op het verband tussen wereldwijde armoede en armoede in de lidstaten van de Europese Unie. Honderdduizenden mensen hebben dit echter al voor ons gedaan. De afgelopen weken en maanden zijn ze steeds vaker de straat opgegaan om dit te eisen en de Global Action Day is bewust gehouden in de buurt van de conferentie van de Verenigde Naties over de millenniumdoelstellingen.

In tegenstelling tot deze mensen blijven wij als Europese instellingen echter vaag en inconsequent in al onze strategieën en we creëren randvoorwaarden die op hun beurt de strijd tegen armoede belemmeren. Het Verdrag van Lissabon en ook de EU 2020-strategie hebben de armoededoelstellingen de facto geëlimineerd. Diverse lidstaten van de Europese Unie gebruiken de oproep tot duurzaamheid van de overheidsfinanciën als rechtvaardiging voor de afbraak van sociale diensten en voor herschikkingen door te bezuinigen op de gezondheidszorg en de pensioenen, door te bezuinigen op instrumenten voor arbeidsmarktbeleid en diensten voor werklozen en voor kinderen en gezinnen. We doen dit zelf in onze EU-lidstaten, en in deze vergadering doen we alsof we er alleen maar campagne voor moeten voeren dat mensen in armoede niet langer worden uitgesloten. We doen dit zelf door onze beleidsmethoden.

Ik wil erop wijzen dat de EU 2020-strategie en de duurzaamheidsstrategie van de Europese Unie in tegenspraak zijn met elkaar en het zo onmogelijk maken om armoede in de wereld te bestrijden.

 
  
MPphoto
 

  Derek Roland Clark, namens EFD-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, de armoede, en in het bijzonder het aantal mensen dat door armoede wordt bedreigd, nam toe naarmate de EU groeide. Met iedere nieuwe lidstaat werd het probleem groter. Het ligt dus nogal voor de hand hoe we een verdere toename kunnen voorkomen.

Een van uw antwoorden is de invoering van een minimuminkomen. Ik ben voor een minimumloon, maar alleen als dat door iedere lidstaat voor zichzelf wordt vastgesteld. Een minimumloon voor de hele EU zou een sterk vertekend beeld geven van het probleem. Zo moeten bijvoorbeeld de kosten van verwarming in Scandinavië voor alle inkomensgroepen wel hoger zijn dan in Zuid-Europa.

Ik ben tegen een minimuminkomen omdat dat betekent dat overheidsgeld wordt gebruikt om lage lonen aan te vullen, dus hogere belastingen in een tijd van economische crisis. Hoe voorkom je dat sommige werkgevers minder betalen dan ze zouden kunnen omdat ze weten dat het loon wel zal worden aangevuld door het uitkeringsstelsel? Antwoord: meer regels en bureaucratie voor bedrijven, en dat drukt het zwaarst op de mkb’s, die tezamen emplooi geven aan de helft van de beroepsbevolking.

En natuurlijk zal een voor de hele EU geharmoniseerd minimuminkomen worden gevolgd door een geharmoniseerd belastingstelsel, waardoor alle burgers worden gereduceerd tot een grijze, vormloze massa, ontdaan van Europa’s allermooiste eigenschap, namelijk diversiteit.

 
  
MPphoto
 

  Franz Obermayr (NI).(DE) Mevrouw de Voorzitter, het is verontrustend dat duizenden mensen in de EU op de armoedegrens leven ondanks het feit dat ze een vaste baan hebben. In het licht daarvan zijn pogingen om een behoorlijk minimumloon vast te stellen zeer toe te juichen. Een minimumloon heeft echter alleen zin wanneer het gecombineerd wordt met aanvullende maatregelen. Een geïsoleerd debat zou kunnen leiden tot verzwakking van Europa als vestigingsplaats voor bedrijven en tot een toename van het aantal werklozen. Uiteindelijk kunnen kleine en middelgrote ondernemingen zich een wettelijk vastgesteld minimumloon niet veroorloven als de belastingdruk hetzelfde blijft, en natuurlijk brengen hogere lonen ook het risico met zich mee dat goederen en diensten duurder worden. Dat zou de inflatiespiraal weer in gang zetten.

De focus moet daarom gericht zijn op ontlasting van de arbeidsfactor. Arbeid moet weer lonend zijn voor EU-burgers. Een minimumloon is zeker een goed idee, maar het moet deel uitmaken van een zinvol totaalpakket met belastingverlichting voor werknemers en ook voor de kleine en middelgrote ondernemingen in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Morin-Chartier (PPE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, de uitroeiing van armoede is inderdaad een millenniumdoelstelling voor ontwikkeling, maar ook een Europese doelstelling in Europa.

Wij hebben in Europa wereldwijd gezien de hoogste gemiddelde levensstandaard, maar nergens anders ter wereld gaapt er een zo grote kloof tussen groepen als binnen onze Europese samenleving en tussen Europa en Afrika. Nergens ter wereld is het verschil in levensstandaard zo enorm. Het is dan ook onze taak om deze verschillen terug te brengen.

Te veel Europeanen zijn verstoken van het recht op een voedzame maaltijd eens in de twee dagen. Te veel kinderen leven in armoede en vervallen door gezondheidsproblemen en onderwijsachterstanden in duurzame armoede. Te veel vrouwen hebben te kampen met loonverschillen, hebben geen toegang tot werk, hebben werk zonder enige zekerheid, en ook daar is onderwijs de enige manier om hen weer een plaats te bieden in onze samenleving en uit de armoede te halen. Te veel ouderen, en weer vaak vrouwen, hebben in de loop van hun arbeidsleven achterstanden opgelopen wat fatsoenlijk werk en loon betreft.

Op het platteland leven te veel mensen in armoede. Veel van onze maatregelen ter bestrijding van armoede zijn bedoeld voor stedelijke gebieden. Ook in plattelandsgebieden moeten wij echter een bijdrage leveren aan de bestrijding van armoede.

Ik dring dan ook met klem aan op de bestrijding van armoede...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Frédéric Daerden (S&D). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, deze dag in het Parlement staat grotendeels in het teken van de bestrijding van armoede in de wereld. Dat is belangrijk, maar zoals mevrouw Figueiredo heeft gesteld, is armoede ook in Europa nog te zeer aanwezig. De strijd tegen armoede vormt één van de prioriteiten van de 2020-strategie. Het is weliswaar een goede zaak om doelstellingen vast te leggen, en deze hadden overigens ambitieuzer moeten zijn, maar nog beter is om hiervoor de benodigde middelen in te zetten. Een adequaat minimuminkomen voor iedereen is duidelijk een van deze middelen.

Het uitstekende verslag van onze collega is zinvol voor deze strijd en is een ware stap vooruit. Maar zonder wetgevingsinitiatief van de Commissie, die deze rol van het minimuminkomen overigens erkent, vrezen wij dat de lidstaten geen concrete invulling zullen geven aan onze wens om armoede uit te bannen. Daarom moet dit verslag worden aangevuld met een kaderrichtlijn waarin nationale praktijken worden meegenomen.

 
  
MPphoto
 

  Charles Goerens (ALDE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, in het kader van dit debat tekenen zich in mijn ogen drie constateringen af.

Ten eerste is de ongelijkheid binnen landen door de globalisering toegenomen, maar is zij tussen landen onderling afgenomen, zoals blijkt uit het succes van opkomende landen. Hierop is ook gewezen door een deskundige van het Internationaal Monetair Fonds tijdens de gezamenlijke conferentie van het IMF en de Internationale Arbeidsorganisatie in Oslo.

Er zijn weliswaar nog grote verschillen tussen landen, maar het zou onjuist zijn om de aanhoudende armoede enkel en alleen toe te schrijven aan de globalisering voor wat betreft de ongelijkheden binnen onze landen.

Mijn tweede constatering is dat Europa in een zeer specifieke situatie verkeert. De EU is namelijk de enige economische ruimte die de afgelopen drie decennia te maken heeft gehad met massawerkloosheid, zoals is uiteengezet door professor Fitoussi.

De 2020-strategie biedt weliswaar interessante perspectieven voor de bestrijding van de structurele werkloosheid, maar voor het bezweren van de huidige crisis moet de Europese Unie wegen zoeken waarmee de werkgelegenheid kan worden verbeterd.

Velen van ons zijn van oordeel dat de doelstelling van terugdringing van armoede wel eens een illusie kan blijken als de aandacht alleen uitgaat naar sanering van de overheidsfinanciën.

Mijn derde opmerking is dat onze aanpak van de armoedebestrijding niet alleen een internationale dimensie moet hebben maar ook naar buiten gericht moet zijn. Met duurzame ontwikkeling in het achterhoofd kunnen we niet meer het ene boven het andere stellen. De Malthusiaanse benadering, die tot strekking heeft dat wat wordt uitgegeven uit naam van solidariteit eenvoudigweg...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Jean Lambert (Verts/ALE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik denk dat wij allemaal doordrongen zijn van het belang van stelsels voor een minimuminkomen in de Europese Unie, hoewel nog niet alle lidstaten over zo’n stelsel beschikken. We weten ook dat de effectiviteit van deze stelsels sterk uiteenloopt, dat een heldere grondslag voor de uitkeringen vaak ontbreekt en dat de uitkeringen niet noodzakelijkerwijs gelijke tred houden met de stijgende kosten. In sommige lidstaten komen de stelsels zeer slecht van de grond, waardoor mensen niet krijgen waarop ze recht hebben, en sommige lidstaten hanteren bovendien een maximale duur voor de uitkeringen, wat nogal bizar lijkt voor iets dat is bedoeld als vangnet.

Ik ben stellig van mening dat er in de Europese Unie een gemeenschappelijk kader moet komen dat voorziet in duidelijke richtsnoeren voor de realisatie van deze stelsels en in een duidelijke methodologie om ermee te werken. We willen zeker niet zeggen dat alle lidstaten vergelijkbare bedragen moeten uitkeren, en als dit telkens weer wordt gezegd wordt daarmee een ernstige misvatting in stand gehouden. We moeten deze stelsels zo opzetten dat iedereen in de EU een waardig leven kan leiden.

 
  
MPphoto
 

  Tadeusz Cymański (ECR). - (PL) We houden dit debat over armoede tijdens het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Het is belangrijk dat onze inspanningen en ook die van de overheden en niet-gouvernementele organisaties een blijvend karakter hebben en niet alleen gebaseerd zijn op campagnes en propaganda. Van alle in het verslag voorgestelde maatregelen is het voorstel om het minimuminkomen te bepalen in verhouding tot het gemiddelde inkomen zeer belangrijk. Er bestaan verschillende oorzaken voor armoede. Vaak houdt het verband met een afwijkende levensstijl en sociale uitsluiting. Bijzonder frappant en erg beschamend is echter het feit dat armoede voorkomt onder werkende mensen, en zelfs onder mensen die geen of maar weinig kinderen hebben. Een dergelijke situatie is onaanvaardbaar en daarom moeten de Commissie en het Parlement buitengewoon effectieve, consequente en vastberaden stappen ondernemen. We schieten op verschillende continenten mensen te hulp en bieden humanitaire hulp bij natuurrampen, maar zouden eerst het goede voorbeeld moeten geven door onze solidariteit te tonen aan de Europese burgers die getroffen worden door armoede.

 
  
MPphoto
 

  Niki Tzavela (EFD).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik wilde wijzen op een vraagstuk waarvoor preventief beleid nodig is, als wij willen voorkomen dat er een nieuwe generatie van “nouveaux pauvres” in Europa ontstaat. Uit recent onderzoek is namelijk gebleken dat er een groot verschil bestaat tussen het loon van werknemers en het pensioen dat zij later krijgen. Met een dergelijk pensioen komt iemand onvermijdelijk in de groep van nouveaux pauvres terecht. Dit is de zogenaamde pensioenkloof. Op pan-Europese schaal moeten de werknemers jaarlijks twee miljard euro sparen als ze dit gat in hun pensioenvoorziening willen opvullen en zichzelf een waardig leven willen verzekeren als ze met pensioen gaan.

Met deze opmerkingen wilde ik uw aandacht vestigen op dit enorme probleem. Miljoenen Europese gepensioneerden – de nouveaux pauvres van Europa – zijn hier nu al mee geconfronteerd.

 
  
MPphoto
 

  Sari Essayah (PPE). − (FI) Mevrouw de Voorzitter, het verslag over het minimuminkomen is een goede weergave van het uitvoerige debat dat wij in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken hebben gevoerd over de bestrijding van armoede en uitsluiting. Het mag dan wel het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting zijn, toch nemen door de economische crisis werkloosheid en sociale tegenspoed nog steeds toe in veel lidstaten.

De Europese armoede kenmerkt zich vooral door kinderarmoede, toenemende jeugdwerkloosheid, de zwakkere positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, de uitsluiting van immigranten, de status van etnische minderheden zoals de Roma en de netelige positie van werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen. Armoedebestrijding is een van de belangrijkste doelen van de EU 2020-strategie en de wens bestaat om die te realiseren door middel van kwantitatieve doelstellingen die bindend zijn voor de lidstaten. Dat is ook nodig, want de armoedebestrijding in het afgelopen decennium heeft zo goed als geen resultaten opgeleverd.

De meerderheid in onze commissie besloot uiteindelijk voor te stellen dat de lidstaten een minimuminkomen moeten vaststellen van 60 procent van hun mediane inkomen. Een aantal leden eiste zelfs een kaderwet met betrekking tot het minimuminkomen. Ik ben geen voorstander van wijziging van de wetgeving, omdat er bij de vaststelling van een minimuminkomen geen rekening wordt gehouden met de verschillende structuren van de socialezekerheidsstelsels in de lidstaten. In sommige lidstaten maken verschillende getrapte, inkomensafhankelijke sociale diensten en met belastinggeld gefinancierde universele diensten ook deel uit van het socialezekerheidsstelsel. Het vraagstuk van het minimuminkomen moet daarom worden benaderd met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel in de lidstaten en er moeten oplossingen worden gezocht door middel van uitwisseling van de beste praktijken.

 
  
MPphoto
 

  Pervenche Berès (S&D). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Chastel, commissarissen, na 17 oktober, de Werelddag van verzet tegen armoede, in dit Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, weten we dat de Europese Unie in 2007, vóór de crisis, 17 procent armen telde. We weten niet wat het huidige percentage is, maar we weten allen dat het hoog is en we kunnen zo'n situatie niet accepteren.

Als we ons aan onze afspraken houden, als we geloven in de grondrechten die we hebben aangenomen, in artikel 1 van het Handvest, waarin is vastgelegd dat iedereen recht heeft op waardigheid, in het Verdrag van Lissabon waarin de bestrijding van sociale uitsluiting is verankerd als doelstelling van de Europese Unie, in de strategie voor 2020, waarvan de bestrijding van armoede een van de belangrijkste doelstellingen is, en we nooit de middelen definiëren waarmee een dergelijke strategie ten uitvoer moet worden gelegd, stevenen we af op een echec en zullen we desillusie creëren bij onze burgers.

We moeten een wetgevingsinitiatief ontplooien voor een minimuminkomen en de financiering organiseren...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  David Casa (PPE). (MT) Zoals reeds gezegd neemt het onderwerp armoede een belangrijke plaats in op onze agenda. We zijn allemaal bekend met de statistieken, de percentages en de retoriek over dit onderwerp; het feit dat zoveel burgers onder de armoedegrens leven is een ernstige zaak die zonder dralen moet worden aangepakt. Het is prachtig als men armoede kan bestrijden door meer werkgelegenheid te scheppen en de introductie te stimuleren van structuren die ons helpen ons doel te bereiken. Dit omvat onder meer een plan om Europese burgers te helpen de benodigde opleidingen te krijgen waarmee ze banen kunnen vinden die de moeite waard zijn. We moeten ook de nodige fondsen hebben om die landen te steunen die op dit vlak nog achter lopen, zodat ook zij deze doelen kunnen realiseren. Het is daarom duidelijk dat we zoveel mogelijk mensen moeten stimuleren de arbeidsmarkt te betreden, vrouwen in het bijzonder. Dit verslag bevat een grondige evaluatie van de situatie en ik wil op deze plek de rapporteur graag hartelijk bedanken voor en complimenteren met haar zeer nuttige werk. We moeten er echter wel voor waken niet in het wilde weg actie te gaan ondernemen, want de bepalingen in het Verdrag inzake het subsidiariteitsbeginsel moeten nog wel steeds geëerbiedigd worden. Een eenvormige aanpak voor heel Europa is geen praktische oplossing. Bovendien beschikken we nog niet over de benodigde rechtsgrondslag, zoals vereist door het Verdrag. De lidstaten moeten daarom deze vereisten zelf en ongehinderd naar eigen behoeften reguleren.

 
  
MPphoto
 

  Regina Bastos (PPE). - (PT) Mevrouw de Voorzitter, Europa maakt een veranderingsproces door als gevolg van de huidige economische, financiële en sociale crisis. De crises die al in een aantal lidstaten bestonden zijn verergerd en de sociale ongelijkheden toegenomen. Daardoor is het aantal burgers dat onder de armoedegrens leeft gegroeid.

Vandaag de dag zijn er in Europa meer armen. Er zijn meer vrouwen en mannen met een inkomen minder dan 60 procent van het gemiddelde inkomen van het land waar zij wonen. Voor dit ernstige probleem zijn concrete en doeltreffende maatregelen nodig. Tachtig miljoen Europeanen leven op of onder die armoedegrens. Hoewel de armoedegrens in de Europese Unie van land tot land varieert, staat het vast dat de armoede toeneemt in onze gemeenschap die als ontwikkelingsparadigma het meest geavanceerde sociale model van de wereld heeft.

In Portugal leeft ongeveer 20 procent van de bevolking in armoede of wordt ermee bedreigd en moet met minder dan 360 euro per maand rondkomen. De gegevens over armoede onder kinderen in mijn land zijn rampzalig. Portugal is één van de acht landen met de hoogste niveaus van kinderarmoede.

Wij juichen zowel het doel toe om uiterlijk in 2020 20 miljoen burgers uit de armoede te halen als de inspanningen om werkgelegenheid en sociale insluiting te bevorderen. Ik feliciteer de rapporteur met haar werk en wil benadrukken dat ofschoon een minimuminkomen wenselijk is, de lidstaten de bevoegdheid moeten hebben om de hoogte ervan vast te stellen.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sógor (PPE). (HU) In 1992 heeft de VN 17 oktober tot Werelddag van verzet tegen extreme armoede uitgeroepen. De internationale organisatie heeft in 2000 toegezegd in vijftien jaar het percentage van mensen die in extreme armoede leven tot de helft terug te brengen. We zijn nu op tweederde van deze termijn. De cijfers zijn alarmerend en we blijven achter bij de indicatoren, terwijl de behoefte groot is en de verwachtingen hoog gespannen zijn. 73 procent van de bevolking in de EU beschouwt de toenemende armoede in eigen land als het grootste probleem. 89 procent van de mensen wil onmiddellijke actie om dit probleem aan te pakken, en 74 procent verwacht van de EU dat zij een belangrijke rol speelt in het uitroeien van armoede. Aan de andere kant zijn de afgelopen twee jaar 6 miljoen EU-onderdanen hun baan kwijtgeraakt en neemt kinderarmoede hand over hand toe.

We kennen werkgelegenheid weliswaar als het meest effectieve instrument in de strijd tegen armoede en verwijzen daar ook vaak naar, maar economische belangen hebben het model van een sociaal Europa, zoals geformuleerd door Jean Monnet, naar de achtergrond gedrongen. Het doel van economische groei is het waarborgen van welzijn, maar zonder effectieve sociale maatregelen en een drastische verlaging van het huidige armoedeniveau is dit echter geen knip voor de neus waard. Het sociale beleid is natuurlijk in de eerste plaats de taak en de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar toch denk ik dat we met een intensiever gebruik van de open coördinatiemethode en de bevordering van het uitwisselen van goede praktijken gezamenlijk de antwoorden moeten vinden op de meest prangende vragen.

 
  
MPphoto
 

  Ivo Belet (PPE). - Voorzitter, commissaris, een op de zes inwoners in de Europese Unie wordt met armoede bedreigd. Het gaat vooral om jongeren onder de 17 jaar, maar ook veel ouderen zijn kwetsbaar. De armoede neemt toe, ook onder de Europeanen die wèl een job hebben. Daarom denk ik dat wij ook in Europees verband een initiatief moeten nemen, collega's.

Economische groei, betere opleiding, meer jobs. Uiteraard zijn we daar helemaal voor, maar het duidelijk dat dit niet volstaat en dat we een specifiek beleid tegen armoede nodig hebben. Het is trouwens - het is hier al gezegd - een van de vlaggenschepen, een van de prioriteiten van onze nieuwe 2020-strategie. Waarover gaat het concreet? Het gaat over waardig leven, recht op waardig leven, het gaat over eten, over een huis, kleren, elementaire zaken die anno 2010 blijkbaar niet verzekerd zijn in onze welvarende Europese Unie.

Daarom, beste collega's, Voorzitter, denk ik dat we ook in Europees verband actie moeten ondernemen voor dat minimuminkomen. Geen instrument - het is ook al gezegd door mevrouw Bastos - dat in de Europese Unie overal op een identieke manier moet worden ingevuld. Er moet voldoende ruimte zijn voor de lidstaten om een eigen specifieke oplossing te kiezen. Maar we moeten wel de druk blijven opvoeren om te vermijden dat kwetsbaren in de kou blijven staan.

Daarom vragen we uitdrukkelijk dat er in alle landen van de Europese Unie een stelsel komt voor een gegarandeerd minimuminkomen. Dat zou een belangrijk signaal zijn van hoop voor alle zwakkeren in Europa, die vandaag getroffen worden door armoede en door sociale uitsluiting.

 
  
MPphoto
 

  Milan Zver (PPE). - (SL) Ik ben tevreden dat we de kwestie van armoede en sociale uitsluiting nu ook op het niveau van de Europese instellingen proberen aan te pakken. Dat is erg belangrijk.

De resolutie die we zullen aannemen gaat juist in die richting. Deze beschrijft de situatie heel goed, maar is iets minder succesvol bij het vinden van een oplossing ervoor.

Een minimuminkomen is slechts één van de oplossingen die in uiteenlopende varianten in het sociale beleid van de lidstaten al bestaat. Ik vond echter in de resolutie ook een voorstel voor een universeel basisinkomen of een onvoorwaardelijk inkomen voor iedereen.

Vanuit het standpunt van sociale rechtvaardigheid kan dat echter al in twijfel worden getrokken. Het is geen goed idee wanneer iedereen een basisinkomen voor een normaal leven ontvangt, omdat er zo niet genoeg geld is voor degenen die werkelijk sociale bijstand nodig hebben.

Ik hoop dat we tijdens deze plenaire vergadering…

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Vasilica Viorica Dăncilă (S&D).(RO) De in het Verdrag van Lissabon vervatte doelstellingen – het scheppen van meer banen en uitbannen van de armoede in 2010 – zijn niet gehaald. Daarom moet Europa zijn inspanningen om die alsnog te bereiken voortzetten.

Ik vind dat de Europese Unie en de lidstaten bijzondere aandacht moeten schenken aan programma’s van levenslang leren. Deze bieden een middel om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en inzetbaarheid en toetreding tot de arbeidsmarkt te consolideren.

Aan de andere kant meen ik dat de Europese uitvoerende macht die gebieden moet analyseren waar een groeiend tekort heerst aan geschoold personeel, teneinde een bijdrage te leveren aan de bevordering van toekomstige maatregelen waarmee dit tekort kan worden verholpen.

Een mogelijke maatregel kan zijn het Erasmus-programma, dat op dit moment bedoeld is voor studenten, uit te breiden naar andere maatschappelijke- en beroepsgroepen, zoals jonge mensen zonder universitaire diploma´s of werklozen die deelnemen aan herscholingsprogramma’s.

 
  
MPphoto
 

  Antonyia Parvanova (ALDE) . – (BG) Gelet op het grondbeginsel van solidariteit van de Europese Unie en in de context van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting vraag ik om de invoering van een toereikend gegarandeerd minimuminkomen in alle lidstaten van de EU, dat mensen met onvoldoende inkomen zal steunen om hun economische en maatschappelijke integratie te consolideren en in een fatsoenlijk levensonderhoud te voorzien.

We zullen pas aanzienlijke en doeltreffende vooruitgang in de strijd tegen armoede kunnen boeken wanneer we concrete maatregelen nemen die gericht zijn op het invoeren van minimuminkomensregelingen. Hiermee kunnen we een passende levensstandaard garanderen voor alle Europese burgers, die ook sociale zekerheid en gelijke toegang tot door de staat geleverde maatschappelijke diensten inhoudt, zoals welzijnswerk, gezondheidszorg en onderwijs.

Tot slot wil ik graag benadrukken dat we onze burgers, in het bijzonder vrouwen en risicogroepen en ook etnische minderheden, alleen tegen sociale uitsluiting kunnen beschermen met behulp van een heel scala aan concrete politieke oplossingen die ervoor zorgen dat er financiële middelen beschikbaar komen voor maatschappelijke interventie en bescherming.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter (Verts/ALE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, ik zou de Commissie nogmaals willen verzoeken om ervoor te zorgen dat als zij een armoedeplatform opricht, zij het niet alleen bij woorden laat, maar de initiatieven van het Parlement meeneemt. Ten eerste is er een initiatief dat voorziet in een onderzoek naar de noodzaak van een kaderrichtlijn inzake minimumloon, zodat iedereen in deze Europese Unie een waardig leven kan leiden. Ten tweede is er een initiatief dat verdergaat dan alleen het gebruik van het bbp bij het voorbereiden van de structuurfondsen, maar bij de beoordeling ook rekening houdt met de Gini-coëfficiënt als maatstaf voor inkomensongelijkheid – als er sprake is van benadeling. Dat zijn zaken waarover u nu moet beslissen als we überhaupt een kans willen hebben om ze in te voeren. Ik zou de commissaris dan ook willen vragen om deze twee punten uit de plenaire vergadering op de agenda van de Commissie te zetten en ervoor te zorgen dat de Commissie hierop een antwoord formuleert voor het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Elie Hoarau (GUE/NGL). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, al jarenlang vieren we de Werelddag van verzet tegen armoede, maar we moeten toegeven dat die weinig concreets heeft opgeleverd. We zullen deze dag nog een groot aantal decennia lang moeten vieren als we vasthouden aan het huidige beleid. In dit opzicht mogen Europa en het Westen de verantwoordelijkheid niet van zich afschuiven.

Een strijd tegen armoede is een strijd voor eerlijke verdeling van rijkdom binnen de lidstaten en in internationaal verband. Ook respect voor het milieu valt daaronder, alsmede de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid van alle mensen. Als onze discussies van vandaag niet worden gevolgd door concrete actie gericht op wat we hier hebben gehoord, vrees ik dat onze verklaringen slechts intentieverklaringen blijven die niets bijdragen aan de bestrijding van de armoede in de wereld en in Europa.

 
  
MPphoto
 

  Angelika Werthmann (NI).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, armoede en sociale uitsluiting schenden de menselijke waardigheid, met andere woorden de fundamentele mensenrechten. Degenen die het meeste gevaar lopen, zijn alleenstaande ouders, kinderen en oudere mensen. Een aanzienlijk deel van de bevolking dat door armoede wordt bedreigd bestaat uit vrouwen, deels vanwege de gebruikelijke discriminatie, die nog steeds wijdverspreid is als het gaat om lonen en pensioenen, en deels vanwege hun vaak onzekere arbeidsomstandigheden.

We moeten actie ondernemen om investeringen in de arbeidsmarkt te bevorderen, en bijvoorbeeld werkgelegenheid creëren en gemeenschapsprogramma's als levenslang leren stimuleren. Ja, we moeten zorgen voor een minimumniveau van materiële zorg mits voorzien van uitgebreide controles en voorwaarden om ieder mogelijk misbruik van meet af aan te kunnen voorkomen. Ja, we moeten zorgen voor een minimuminkomen, mits dit er niet toe leidt dat er een nieuwe vorm van indirecte of omgekeerde discriminatie ontstaat.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik (PPE). - (SK) Ongeveer 85 miljoen mensen in de Europese Unie worden bedreigd met armoede en 17 procent van de 500 miljoen inwoners van de Europese Unie leefde in 2008 onder de armoedegrens.

Aangezien armoede en sociale uitsluiting een meerdimensionaal karakter hebben, is het noodzakelijk preventie systematisch te verweven met andere beleidspunten, zodat alle burgers van de Europese Unie een waardig bestaan kunnen leiden. De strijd tegen armoede vereist niet alleen het verlenen van actieve steun aan inkomenssystemen en sociale bescherming, maar ook het creëren van waardige en duurzame arbeidsplaatsen voor benadeelde groepen van werklozen. Ik wil benadrukken dat werkgelegenheid algemeen zou moeten worden beschouwd als de meest effectieve vorm van armoedebestrijding, en daarom zou het creëren van arbeidsplaatsen een duidelijke prioriteit moeten zijn van de Europese Unie en de lidstaten. Speciale aandacht zou moeten worden gewijd aan de toetreding van jongeren en ouderen tot de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 

  Proinsias De Rossa (S&D). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, afgelopen zondag heb ik in Ierland gesproken met een groep jongeren die vechten om het hoofd boven water te houden. Zij vroegen mij, als lid van dit Parlement, aan wiens kant ik stond. Stond ik aan hun kant, of aan de kant van de bankiers? Dat is wat ze mij op de man af vroegen. Deze jongeren hebben mij een reeks persoonlijke getuigenissen overhandigd, met het verzoek deze aan te bieden aan het Parlement. Ze zeiden dat ze niet inzien waarom ze nog zouden moeten stemmen, omdat dat toch geen verandering in hun situatie zal brengen. Ook vertelden ze me dat ze het zat zijn om als oud vuil te worden behandeld, en dat ze het gevoel hebben niet mee te tellen in de samenleving.

Ik vind dat we ons iets moeten aantrekken van de mening van deze jonge mensen. Zij zijn onze toekomst. Ik zie geen enkel bewijs dat de Commissie er daadwerkelijk op toeziet dat de lidstaten die worden gemaand tot financiële consolidatie, rekening houden met de noodzaak te voorkomen dat deze mensen – die het al heel moeilijk hebben – nog meer ellende wordt bezorgd en dat de mensen die nu op de rand van armoede balanceren over de rand worden geduwd. Het is ontzettend belangrijk dat we …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Ilda Figueiredo, rapporteur. (PT) Mevrouw de Voorzitter, ik wil alle collega’s, de Commissie, de Raad en het Belgische voorzitterschap bedanken voor de woorden die zij hier hebben gesproken. Ik zou nog willen ingaan op drie punten die ook door meerdere collega’s zijn onderstreept.

Op de eerste plaats volstaan mooie woorden en voornemens niet. Dit Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moet praktisch worden ingevuld. We moeten van beleid veranderen en de mens op de eerste plaats zetten. Rijkdom wordt door arbeiders gegenereerd die daarvoor wel een fatsoenlijk loon nodig hebben. Voor meer rijkdom hebben we echter meer werkgelegenheid nodig, meer banen met rechten en een rechtvaardig loon. Rijkdom en inkomen moeten ook op een andere manier worden verdeeld. In dat verband zijn regelingen voor een minimuminkomen een essentieel instrument in deze strijd. De verschillen in minimuminkomen tussen de lidstaten kunnen blijven bestaan maar wel met een gemeenschappelijk doel ...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, armoede is een drama – niet alleen voor de mensen die ermee te maken krijgen, maar ook voor de samenleving. Armoede werkt geweld, misdaad en conflicten in de hand. Ik ben het Europees Parlement erkentelijk voor het feit dat het de strijd tegen de armoede zo hoog op de agenda heeft gezet, en uit het debat van vandaag blijkt wel hoe vastberaden wij zijn om de armoede aan te pakken. De EU 2020-strategie, het verslag van mevrouw Figueiredo, de maatregelen die zijn genomen in de lidstaten – het zijn allemaal stappen in de goede richting.

Ik wil benadrukken dat wij, zolang er in de wereld armoede bestaat – 1,4 miljard mensen leven van minder dan een dollar per dag – niet mogen verwachten dat we dit probleem binnen de Europese Unie kunnen uitbannen. Het beleid voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling is dus ook voor ons van belang.

Ik geloof dat we op zoek zijn naar de juiste oplossing, en dat deze oplossing inclusieve economische groei is – in onze partnerlanden maar ook in de Europese Unie zelf. Ik besef dat inclusieve economische groei nogal eenvoudig klinkt, maar dat is exact wat we proberen te bereiken met de wijziging van ons ontwikkelingsbeleid. De EU 2020-strategie is hier ook op gericht.

 
  
MPphoto
 

  Olivier Chastel, fungerend voorzitter van de Raad. (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, in mijn eerste interventie heb ik mij opzettelijk beperkt tot het ontwikkelingsaspect van de bestrijding van armoede. Uiteraard zal ik kort iets zeggen met betrekking tot de Europese Unie. Het Belgische voorzitterschap heeft zich toegelegd op de ontwikkeling van instrumenten op het gebied van armoedebestrijding en sociale uitsluiting, in het bijzonder door de tenuitvoerlegging van belangrijke initiatieven in het kader van de EU 2020-strategie. Een van de doelstellingen van de strategie die de Raad op 7 juni 2010 heeft goedgekeurd, is de bevordering van sociale integratie, die met name is gericht op de terugdringing van armoede.

Hiermee wordt beoogd voor ten minste 20 miljoen mensen het risico van armoede of uitsluiting tegen 2020 weg te nemen op basis van drie indicatoren die zijn voorgesteld door het Comité voor sociale bescherming, te weten het armoederisico, materiële ontbering en de vraag of iemand in een werkloos huishouden leeft.

Met het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting wordt overigens getracht het publiek bewust te maken van deze problematiek en de boodschap uit te dragen dat armoede en uitsluiting sociale en economische ontwikkeling ondermijnen. Ook wordt ermee beoogd de visie te ontkrachten dat de bestrijding van armoede kosten voor de samenleving met zich meebrengt, en opnieuw het belang duidelijk te maken van de collectieve verantwoordelijkheid van niet alleen politieke besluitvormers, maar ook besluitvormers uit de overheids- en particuliere sector.

Het Belgische voorzitterschap heeft willen inspelen op dit Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. In dit verband zou ik graag enkele initiatieven en evenementen willen noemen die ter gelegenheid hiervan zijn georganiseerd. In september heeft een conferentie plaatsgevonden over armoede onder kinderen. Doel van deze conferentie was de Europese discussies over de goedkeuring van een aanbeveling over armoede onder kinderen te verbreden teneinde de vicieuze cirkel te doorbreken waarbij armoede van de ene generatie overgaat op de andere.

Als antwoord op de vraag van collega Daerden kan ik melden dat er vandaag een rondetafelconferentie plaatsvindt in Brussel. Thema van deze bijeenkomst is de tenuitvoerlegging van de aanbeveling inzake actieve integratie met haar drie pijlers: minimuminkomen, een inclusieve arbeidsmarkt en toegang tot hoogwaardige diensten.

Op 27 en 28 oktober vindt een andere conferentie plaats met als onderwerp de sociale economie. Op 9 en 10 december wordt er een conferentie gehouden over daklozen. Op 17 december vindt tijdens de Europese Raad de officiële sluitingsbijeenkomst plaats van het Europees Jaar voor de bestrijding van armoede, met de presentatie van goede praktijken en belangrijke gebeurtenissen uit het afgelopen jaar.

Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, dit zijn concrete initiatieven ter invulling van de ambitie van het Belgische voorzitterschap om sociale kwesties boven aan de Europese agenda te plaatsen.

 
  
MPphoto
 

  Anna Záborská (PPE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, graag wil ik een woord van welkom richten tot de jongerendelegatie van ATD Fourth World die plaats heeft genomen op de diplomatieke tribune. Ik complimenteer hen met alles wat zij ondernemen voor de bestrijding van extreme armoede en ik dank hen voor hun aanwezigheid hier tijdens deze vergadering.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag 20 oktober om 12.30 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 149)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. (PT) Armoede is een serieus probleem dat 85 miljoen van onze Europese medeburgers treft en daarom mag niemand er onverschillig tegenover staan. Het armoedeprobleem moeten we bovenaan op ons prioriteitenlijstje plaatsen. We moeten op dat probleem een collectief antwoord geven, waardoor we onze medeburgers die zich in een sociaal kwetsbare positie bevinden een minimum aan waardigheid garanderen.

Dit diep geworteld probleem treft onze jongeren, onze bejaarden en ook in toenemende mate onze werknemers. Zij zijn getroffen door het verlies van zes miljoen arbeidsplaatsen alleen al in de afgelopen twee jaar en door het onzekere en ontoereikende karakter van hun loon, zelfs als zij erin slagen hun baan te behouden.

We hebben ongetwijfeld een systematische aanpak nodig, waarmee de problemen die de oorzaak vormen van de armoede aangepakt en opgelost worden. We moeten echter met spoed ook directe antwoorden geven op de gevolgen van de armoede. Het garanderen van een minimuminkomen aan degenen die zich in onze samenleving in een kwetsbare positie bevinden en het geven van urgente antwoorden waardoor deze mensen uit die situatie kunnen geraken, is niet alleen een noodzaak maar vooral een eis die wij moeten steunen en die in het verslag zeer goed wordt verdedigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Elena Oana Antonescu (PPE), schriftelijk.(RO) In 2009 heeft Europa de economische crisis in al haar hevigheid gevoeld. De weerslag van deze periode had in de hele EU, wat armoede betreft, niet nadeliger kunnen zijn, vooral voor de 17 procent Europeanen die in 2008 onder de armoedegrens leefden. Helaas is dit percentage zeer waarschijnlijk gestegen.

Pas nu, in 2010, is er een sprankje hoop dat de algehele economische situatie zich zou kunnen verbeteren. Onze krachtigste inspanningen moeten zijn gericht op de Europeanen die het zwaarst zijn getroffen door de crisis, vooral omdat 2010 is uitgeroepen tot Europees Jaar voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

Gelet op de doelstelling om absolute armoede en armoede onder kinderen tot 2015 op te heffen en relatieve armoede aanzienlijk terug te dringen, wil ook ik de aandacht vestigen op het met spoed invoeren van drempels voor een nationaal minimuminkomen op EU-niveau. Die zullen bescherming bieden tegen het gevaar van armoede, en maatschappelijke insluiting waarborgen voor alle Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk.(LT) We vieren dit jaar naast de Werelddag van verzet tegen armoede ook het Europees jaar van de bestrijding van armoede, maar helaas leven momenteel in de Europese Unie al meer dan 85 miljoen mensen onder de armoedegrens. Alhoewel werkloosheid de belangrijkste oorzaak is van armoede, worstelen veel Europeanen, ook mensen met werk, dagelijks met armoede en hebben ze niet de kans om het leven ten volle te leven. Het is absurd dat het inkomen van werkende mensen soms onvoldoende is om hun gezinnen een waardig leven te verzekeren. Ik herinner u eraan dat economische groei niet heeft bijgedragen aan minder armoede en sociale uitsluiting en dat armoede in zware tijden alleen maar erger wordt. Een systeem van minimuminkomens stelt ons echter in staat de meest kwetsbare mensen te beschermen. Een gegarandeerd minimuminkomen is een belangrijk en doeltreffend instrument voor het bestrijden van armoede, een instrument dat goed is voor sociale integratie en toegang tot de arbeidsmarkt en dat mensen de mogelijkheid geeft een menswaardig leven te leiden. Ik wijs erop dat minimuminkomens zelfs in tijden van crisis niet moeten worden gezien als kostenverhogend, maar juist als een fundamenteel middel om de crisis te bestrijden. Vroege investeringen in de strijd tegen armoede leveren namelijk het meest op doordat ze op de lange termijn de sociale uitgaven verlagen. Om het doel van de EU 2020-strategie voor uitbanning van de dreiging van armoede en sociale uitsluiting voor ten minste 20 miljoen mensen in de Europese Unie te realiseren, moet de Commissie concrete maatregelen treffen en Europese wetgeving voorstellen ter waarborging van minimuminkomens overal in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Kinga Gál (PPE), schriftelijk. – (HU) Tijdens de economische wereldcrisis, in het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en drie dagen na Wereldvoedseldag is het bij uitstek belangrijk dat ook kinderarmoede op Europees niveau de nodige aandacht krijgt. Elke zes seconden sterft er op aarde een kind door honger. Er wonen miljoenen ondervoede kinderen in Europa. Het percentage kinderen dat in armoede en in veel gevallen in een meervoudig kansarme situatie leeft, is 19 procent, 3 procent meer dan het percentage van de hele wereldbevolking. De behoefte aan speciale aandacht wordt ook onderbouwd door cijfers en in de Europese strategie voor kinderrechten moet hier ook de juiste nadruk op worden gelegd. De wereldwijde economische crisis die we momenteel doormaken, drukt niet alleen als een last op ons, maar is ook een mogelijkheid, een mogelijkheid om creatief te denken, om een mentaliteitsverandering teweeg te brengen in het zakenleven en om een paradigmawijziging door te voeren in ons economisch, sociaal en ecologisch denken, waarvoor de mensen in onze samenlevingen steeds meer openstaan.

Met sociale solidariteit en lokale initiatieven kunnen we ertoe bijdragen dat kinderarmoede en ondervoeding worden teruggedrongen. Dankzij het initiatief ‘Elk kind moet genoeg te eten hebben!’ dat onlangs van start is gegaan in Hongarije, kunnen elke dag duizenden kinderen een warme maaltijd eten. Verder is het dankzij het initiatief van de franciscaanse monnik Csaba Böjte in Transsylvanië gelukt om bijna 2 000 kinderen in 18 wooninstellingen en 40 dagverblijven te voorzien van maaltijden en toezicht. In overeenstemming met het advies van de internationale organisatie Eurochild wil ik echter benadrukken dat de strijd tegen kinderarmoede niet alleen als economische uitdaging maar ook als kinderrechtenkwestie moet worden behandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Pascale Gruny (PPE), schriftelijk.(FR) Ten eerste: het feit dat armoedebestrijding een plaats heeft gekregen in de EU 2020-strategie, is voor mij een belangrijke stap voorwaarts. Door de economische crisis is het armoedeprobleem de afgelopen jaren verergerd. De Europese Unie moet de lidstaten kunnen aanmoedigen dit probleem het hoofd te bieden.

Ten tweede: het Europees Sociaal Fonds (ESF) is een essentieel Europees instrument bij de armoedebestrijding. Ik ben rapporteur voor het Europees Sociaal Fonds en voorstander van de inzet ervan om mensen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan, weer aan het werk te krijgen. Dit is altijd de taak van het ESF geweest sinds de oprichting krachtens het Verdrag van Rome, en werkgelegenheid moet de primaire doelstelling van het fonds blijven.

Ten derde: ik ben tegen een minimuminkomen zonder tegenprestatie, behalve voor mensen die echt niet kunnen werken. Wil men de armoede terugdringen, dan is werkgelegenheid een doorslaggevende factor. Het is de enige manier om iedereen zijn of haar waardigheid terug te geven.

Ten vierde: de regeringen van de lidstaten hebben de verantwoordelijkheid om zelf actief armoede te bestrijden. Europa is er om hen te ondersteunen en hun optreden aan te vullen, maar niet om hen te vervangen. Europa is geen remedie voor alle kwalen. Het zijn vóór alles de lidstaten zelf die hun verantwoordelijkheden moeten nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (S&D), schriftelijk. (EN) Wanneer we het hebben over armoede, vergeten we vaak de mensen die zwaar onderbetaald worden voor hun werk. In dit opzicht heeft armoede in Europa nog steeds een vrouwelijk gezicht. De achtergestelde positie van vrouwen is structureel. Ze werken minder, aangezien huishoudelijk werk niet als echt werk wordt beschouwd. Als ze actief zijn op de arbeidsmarkt verdienen ze minder door discriminatie en segregatie. Ik wijs u erop dat de loonkloof alles bij elkaar nog steeds meer dan zeventien procent is (wat inhoudt dat vrouwen zeventien procent meer moeten werken om hetzelfde bedrag te verdienen als mannen). En uiteindelijk krijgen vrouwen uiteraard ook een lagere pensioenuitkering als gevolg van de omstandigheden die ik net heb geschetst. Is dit niet vreselijk oneerlijk?

We kunnen deze vicieuze cirkel doorbreken door te erkennen dat onbetaald werk wel degelijk werk is, door vrouwen aan te moedigen de arbeidsmarkt op te gaan en economisch zelfstandig te worden, door de structurele oorzaken van de segregatie in de arbeidsmarkt aan te pakken, en door bij de hervorming van onze pensioenregelingen rekening te houden met de problemen van vrouwen. Vandaag kost dat ons mogelijk meer geld, maar op de lange termijn zullen meer gelijkheid en minder armoede ook bijdragen aan evenwichtige begrotingen. Als wij de armoede onder vrouwen aanpakken is dat goed voor ons allemaal – niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jaromír Kohlíček (GUE/NGL), schriftelijk. (CS) Het verheugt mij dat het debat over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede is geopend. In een jaar dat is uitgeroepen tot Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is een dergelijke activiteit uiteraard volledig op zijn plaats. De eerste vraag die bij mij rijst, betreft de representativiteit van de officiële cijfers voor werkloosheid, gemiddelde loon, het aantal mensen onder de armoedegrens alsook die grens zelf. Het gemiddelde loon is typisch een voorbeeld van een onwaarschijnlijke of zelfs ronduit leugenachtige indicator. Indien we de miljoenenlonen van een paar managers en de minimumlonen van alle arbeiders op één hoop gooien en daar een gemiddelde uithalen, krijgen we een niet bijster betrouwbaar beeld. Bij loonvergelijkingen dient dan ook een onderscheid te worden aangebracht tussen leidinggevend personeel enerzijds en uitvoerend personeel anderzijds. Bovendien is er op z'n best een zeer los verband tussen de inkomsten van de bevolking bijvoorbeeld gemeten als bbp per persoon en het minimumloon. De inkomsten van de bevolking in Portugal en de Tsjechische Republiek in termen van bbp zijn vrijwel gelijk, maar het minimumloon daarentegen verschilt bijna 50 procent. En als ik zie op welke uitermate twijfelachtige manier indicatoren als “armoedegrens” en “armoederisico” gehanteerd worden, valt mijn mond open van verbazing. Zo lees ik dat het armoederisico van de bevolking in Zweden 12 procent bedraagt, in de Tsjechische Republiek 9 procent en in Luxemburg daarentegen 13 procent. Ondanks dit alles heeft het verslag toch wel enige relevantie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ádám Kósa (PPE), schriftelijk.(HU) Bij alles wat we gehoord hebben over het minimuminkomen, moeten we één ding niet uit het oog verliezen: we moeten niet alleen over vandaag en morgen beslissen, maar ook over de periode daarna. Inactiviteit is veel destructiever dan velen van ons denken of weten. Dit maken mensen met een handicap echter dagelijks mee. Zij hebben geen stijging van hun inkomen met een percentage van een heel getal vóór de komma nodig terwijl ze werkloos zijn. Het is juist activiteit die koste wat het kost verhoogd en gestimuleerd moet worden. Daarnaast moeten gerontologisch en leefstijlonderzoek ondersteund worden. Het moet gemakkelijker worden gemaakt om innovatieve up-to-date investeringen te doen die de kwaliteit van het leven van alledag verhogen en aanpassingen en toegankelijkheid ondersteunen. We moeten afhankelijkheid niet wettelijk verankeren en versterken, waardoor het toch al grote aantal afhankelijken en behoeftigen alleen maar zou toenemen. Hierbij gaat het eveneens om een zichzelf in stand houdend stigma, dat onhoudbaar is.

Door de krimpende overheidsmiddelen (dalende belastinginkomsten) wordt het steeds moeilijker om de voor de sociale voorzieningen benodigde middelen te vinden. Degenen wier situatie steeds verder achteruitgaat, zijn de mensen met werkelijke behoeften, mensen die niet in staat zijn te werken en met ernstige handicaps kampen: we zien steeds meer voorbeelden van wijdverbreid misbruik, bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die het peil van de voorzieningen naar beneden halen. En wat de vergrijzing betreft: de afhankelijkheidsgraad neemt alsmaar toe, wat met zich meebrengt dat het niveau van de bestaande sociale voorzieningen ook zal dalen, omdat het aantal actieve burgers op den duur tekort zal schieten om de sociale uitkeringen en het minimuminkomen op een behoorlijk peil te houden. Het aantal actieve burgers in Europa zal het komende decennium al met miljoenen dalen. Dit lijkt de voorbode te zijn van een achteruitgang in de levens van de mensen die werkelijk behoeftig zijn, wat onacceptabel is.

 
  
MPphoto
 
 

  Elżbieta Katarzyna Łukacijewska (PPE), schriftelijk. (PL) Dames en heren, volgens de statistieken wordt 16 procent van de EU-burgers getroffen door armoede. Een van de hoofdredenen van de toename van het aantal armen in de EU-lidstaten is het gebrek aan adequate opleiding en bijscholing of omscholing om aan de vereisten van de arbeidsmarkt te voldoen. Armoede gaat eveneens gepaard met een enorme psychische belasting, met angst en stress en maakt het onmogelijk de juiste keuzes te maken. Deze factoren zorgen ervoor dat de mensen die armoede lijden vaak ook met nog een ander probleem kampen, namelijk sociale uitsluiting.

Kinderen uit arme gezinnen krijgen niet dezelfde kansen als kinderen uit rijkere gezinnen. Een jongere die in een dergelijk milieu opgroeit, heeft noch de mogelijkheden, noch de juiste rolmodellen om in de toekomst die vicieuze kring van armoede te doorbreken. 2010 werd uitgeroepen tot het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. We hebben bijgevolg de unieke kans om de hele internationale gemeenschap kennis te laten maken met de problemen van de mensen die in armoede leven en sociaal uitgesloten zijn, en concrete oplossingen voor te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Katarína Neveďalová (S&D), schriftelijk. (SK) In de Europese Unie staat dit jaar in het teken van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, maar we moeten ons afvragen wat de EU op dit vlak nu écht doet. Er leven op dit moment 80 miljoen mensen onder de armoedegrens in de EU, ofwel 17 procent van de EU-bevolking. De meest kwetsbaren binnen deze groep zijn al lang niet meer alleen ouderen, er zitten ook veel jongeren en jongvolwassenen tussen. Terwijl over de gehele EU gerekend het gemiddelde werkloosheidspercentage op 10 procent ligt, is dit cijfer tweemaal zo hoog voor jonge mensen – 21 procent, terwijl het in sommige landen, zoals Spanje, zelfs op 40 procent ligt. Armoede vormt dus vooral een bedreiging voor jonge mensen. Met het oog op de toekomst van de EU is het dan ook belangrijk om niet alleen te zorgen voor een minimumloon, maar ook, en vooral, voor kansen op werk voor deze groep. Iemand die zijn opleiding niet afmaakt, vindt slechts met grote moeite een baan. We kunnen het wel hebben over "een leven lang leren", maar ook dat heeft een direct doel – namelijk mensen opleiden voor een beroep. Ik doe dan ook een appel op de vertegenwoordigers van de EU. Neem maatregelen die de situatie van jonge mensen verbeteren, zodat we werken aan een gezonde samenleving in de toekomst. Deze mensen zijn de toekomst van de Europese Unie en de hele wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Michał Olejniczak (S&D), schriftelijk. (PL) Armoede en sociale uitsluiting maken inbreuk op de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten. Inkomenssteunprogramma’s moeten vóór alles mensen uit de armoede halen en hen in staat stellen een waardig leven te leiden. De meest recente statistieken geven een angstaanjagend beeld. Over de hele wereld leven momenteel 1,4 miljard mensen in armoede, waarvan zo’n 85 miljoen in de Europese Unie. Het Europees Parlement en de lidstaten moeten verdere maatregelen nemen om meer banen te scheppen, de kwaliteit daarvan en de lonen te verhogen en om billijke pensioenen, uitkeringen en gezinstoelagen te garanderen. Het is van het allerhoogste belang om iedereen toegang te bieden tot hoogwaardige publieke diensten. Een van de voorstellen van het Europees Parlement is om een minimuminkomen vast te stellen dat ten minste 60 procent van het mediane inkomen in een gegeven lidstaat bedraagt. In Polen ligt het minimuminkomen momenteel op ongeveer 42 procent van het gemiddelde inkomen. De verhoging van het minimumloon zou niet alleen volwassenen en ouderen uit de armoede helpen en hun het recht geven op waardige levensomstandigheden, maar ook alle kinderen de mogelijkheid bieden aan hun ontwikkeling te werken en onderwijs te volgen. Wat dit laatste punt aangaat is het uiterst belangrijk om vóór alles doeltreffende actie te ondernemen ter bestrijding van de factoren die bijdragen tot het voortijdig schoolverlaten door jongeren en ter verbetering van het niveau van beroepsonderwijs en –opleidingen. Naar mijn mening moeten we de basis leggen voor concrete maatregelen en politieke strategieën om jongeren een bredere toegang tot onderwijs te bieden, bijvoorbeeld via beurzen, leningen en subsidies.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk.(RO) De doelstelling van de EU 2020-strategie om het aantal Europeanen dat onder de armoedegrens leeft met 25 procent terug te brengen, wat gelijk staat aan meer dan 20 miljoen mensen, moet bijdragen aan de ontwikkeling van nationaal beleid dat burgers beschermt tegen het risico van armoede.

Vrouwen vormen een groot deel van de bevolking die door armoede wordt bedreigd als gevolg van werkloosheid (van 7.4 procent in 2008 naar 9 procent in 2009), zorgtaken die niet worden gedeeld, onzeker en slecht betaald werk, loondiscriminatie en lagere pensioenen. In Roemenië leeft 25 procent van de vrouwen in armoede (vergeleken met een gemiddeld Europees niveau van 17 procent), evenals 33 procent van de kinderen. Roemenië heeft het op een na hoogste percentage mensen die in armoede leven: 23 procent. Het minimumloon is nauwelijks 140 euro, terwijl het gemiddelde bruto loon niet hoger is dan 460 euro.

Ik roep de lidstaten op concrete maatregelen te nemen, die zijn gericht op het scheppen van fatsoenlijke, duurzame banen en die een behoorlijk inkomen en socialezekerheidstelsels bevorderen ter voorkoming en bestrijding van armoede, in het bijzonder extreme armoede, en ook om middellange- en langetermijnstrategieën uit te stippelen waarin rekening wordt gehouden met het genderaspect, en die in alle relevante beleidsgebieden worden geïntegreerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Joanna Senyszyn (S&D), schriftelijk. (PL) 2010 is het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Een van de zes Europeanen of 17 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens. In Polen zijn dat ongeveer 6,5 miljoen inwoners. Iedereen kan het slachtoffer worden van armoede. Het volstaat om je baan te verliezen of ernstig ziek te worden. De kring van armen wordt steeds vaker aangevuld met mensen die wel werken. Armoede treft meestal kinderen en ouderen, jonge werknemers, pas afgestudeerden, kinderrijke gezinnen en mensen die leningen afbetalen.

Het is de plicht van het Parlement om de oorzaken van armoede op doeltreffende wijze te voorkomen en te bestrijden. We streven naar een daling van het aantal armen met 20 miljoen tegen 2020. De volgende punten zouden een primaire plaats moeten innemen in de nationale strategieën ter bestrijding van armoede: de garantie van de juiste materiële steun aan armen, een gemakkelijkere toegang tot de arbeidsmarkt en de voorziening van opleidingsmogelijkheden, en de garantie van hoogkwalitatieve openbare diensten voor iedereen.

Even belangrijk zijn de sociale en ethische kwesties. Armoede is ook een gemoedsgesteldheid die gepaard gaat met verlies van waardigheid en vernedering. De wijziging van deze gesteldheid is een van de moeilijkste aspecten van armoedebestrijding. We hebben hiervoor doeltreffende psychologische zorg en snelle hulpverlening nodig. De nationale strategieën dienen te stroken met de initiatieven die ondersteund worden door het Europees Sociaal Fonds en de projecten van het Progress-programma van de EU. Moge het jaar 2010 een kans bieden op sociale dialoog en moge daarbij het Europees Sociaal Handvest door alle EU-landen worden geratificeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathleen Van Brempt (S&D), schriftelijk. Enkele dagen na de Werelddag van verzet tegen armoede en goed twee maanden voor het einde van het Europees Jaar tegen Armoede en Sociale Uitsluiting heeft het Europees Parlement de kans om duidelijk zijn stem te laten horen. Er is één keuze die wij hier moeten maken: wordt 2010 het jaar van mooie woorden en loze beloftes tegen armoede, of nemen we een concrete maatregel die miljoenen Europeanen vooruit helpt? Het Parlement kan voor het laatste kiezen door te eisen dat de Commissie met een voorstel voor een kaderrichtlijn komt waarin het beginsel van een gepast minimuminkomen in Europa wordt vastgelegd. Vandaag de dag bestaan er in de EU immers al te grote verschillen, waarbij sommige landen zelfs helemaal geen minimuminkomen hebben. Maar ook in de landen die het beter doen (zoals België), ligt het leefloon vaak nog onder de armoedegrens. Ik geloof dat iedereen gelijke kansen verdient. Wanneer je mensen onder de armoedegrens duwt, ontneem je hen die kansen en dat uit zich op verschillende niveaus (gezondheid, huisvesting, kans op werk, ...). Bovendien, als we echt werk willen maken van het halen van de EU-2020-doelstellingen, kunnen we het ons simpelweg niet veroorloven om mensen zomaar op te geven.

 
  
  

VOORZITTER: JERZY BUZEK
President

 
Juridische mededeling - Privacybeleid