Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A7-0030/2011

Debatten :

PV 07/03/2011 - 26
CRE 07/03/2011 - 26

Stemmingen :

PV 08/03/2011 - 9.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0083

Debatten
Dinsdag 8 maart 2011 - Straatsburg Uitgave PB

10. Stemverklaringen
Video van de redevoeringen
PV
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

Verslag: Christel Schaldemose (A7-0033/2011)

 
  
MPphoto
 

  Francesco De Angelis (S&D).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik dank mevrouw Schaldemose voor haar verslag, dat ik in de eerste plaats prijs om de concrete maatregelen die worden voorgesteld met betrekking tot de versterking van de bewakingssystemen waarmee voor de Europese burgers wordt gecontroleerd of de producten die op de interne markt circuleren, veilig zijn.

Hoewel het een initiatiefverslag betreft, is de meerwaarde ervan dat daarin voor de juiste weg gekozen is: die van voltooiing van de interne markt en bescherming van de Europese consumenten. Om de veiligheid te kunnen garanderen, moeten er traceersystemen worden ingesteld die in alle stadia van de levenscyclus van een product betrouwbaar zijn. In het verslag worden op dit vlak doeltreffende voorstellen gedaan: de instelling van een databank met informatie over de veiligheid van consumentenproducten, de versterking van het RAPEX-systeem met betrekking tot gevaarlijke producten uit derde landen en een verruiming van de middelen zodat de toezichthoudende instanties zeer gevaarlijke producten van de markt kunnen halen.

Tot slot onderstreep ik dat het onze taak is om te garanderen dat de producten die op de interne markt circuleren veilig zijn voor de meest kwetsbare consumenten: kinderen, ouderen en personen met een handicap.

 
  
MPphoto
 

  Jarosław Kalinowski (PPE). (PL) Mevrouw de Voorzitter, er wordt veel gediscussieerd over de veiligheid van de consument in verband met voedingsmiddelen. Soms lijken we echter te vergeten dat gewone dagelijkse gebruiksvoorwerpen net zo gevaarlijk zijn voor de gezondheid en soms zelfs levensbedreigend kunnen zijn, vooral voor kleine kinderen. Permanent markttoezicht is het basisinstrument voor de controle op ingevoerde goederen. Daarnaast is goede wetgeving onmisbaar, vooral bij de controle op onlinehandel.

Goede samenwerking tussen consumentenorganisaties, landelijke autoriteiten, producenten en handelaren is uiteraard noodzakelijk. Laten we echter niet overijverig zijn en rustig nadenken over de definitie van een gevaarlijk product. We mogen niet over het hoofd zien dat een goed ontwerp van gebruiksvoorwerpen en de toepassing van veilige materialen op zich niet voldoende zijn. Het is net zo belangrijk om ze met gezond verstand te gebruiken en toezicht te houden op kinderen die er toegang toe hebben. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Lara Comi (PPE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, vandaag heeft het Parlement een verslag aangenomen over algemene productveiligheid dat een belangrijke stap is in de richting van een betere bescherming van de Europese consumenten.

In het verslag wordt het belang onderstreept van traceerbaarheid in alle stadia van de levenscyclus van een product en wordt de Commissie aangespoord tot het opmaken van evaluaties en beoordelingen omtrent het gebruik van nieuwe technologieën, in het belang van de veiligheid van de consumenten en op een kosteneffectieve manier. Door de Europese consumenten inzicht te geven in alle aspecten van een product wordt een groter bewustzijn gecreëerd en worden de consumenten beter beschermd. Ik denk dat de nieuwe technologieën kunnen bijdragen tot de bestrijding van namaak, vooral in de textielsector.

De doelstelling van dit verslag is om bescherming te bieden aan consumenten en aan Europese ondernemingen die hun activiteiten nog niet hebben uitbesteed. Dit verslag stelt ons in staat om een uitstekende oplossing te vinden voor de voortdurende strijd over niet-Europese oorsprongsbenamingen, omdat er sprake zal zijn van volledige traceerbaarheid.

 
  
  

Verslag: Michèle Rivasi (A7-0035/2011)

 
  
MPphoto
 

  Paolo Bartolozzi (PPE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de aanneming van het verslag van mevrouw Rivasi komt voort uit het feit dat de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 gericht is op het opstellen van een algemene gedragscode die zal gelden bij toekomstige wereldwijde noodsituaties op het gebied van gezondheid.

Het verslag, waar een lange en vruchtbare voorbereidingsfase aan vooraf is gegaan, is gestoeld op samenwerking, onafhankelijkheid en transparantie. In het verslag wordt opgeroepen tot intensievere en betere samenwerking tussen de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten en de Europese instellingen om te komen tot een geharmoniseerd en evenredig risicobeheer.

De doelstellingen van het verslag zijn een koersverandering met betrekking tot de griepaanpak van de lidstaten, met inbegrip van de vaccinvoorraden, de bekendmaking van de namen van alle deskundigen die door de Europese gezondheidsautoriteiten zijn geraadpleegd en het opbouwen van een effectieve vertrouwensrelatie met de media die belast zijn met de verspreiding van berichten die de volksgezondheid betreffen. Daarom hebben wij voorgestemd.

 
  
MPphoto
 

  Marisa Matias (GUE/NGL).(PT) Mevrouw de Voorzitter, we weten heel goed wat er gebeurd is met de A-griep en daar dienen we allemaal een les uit te trekken. Ik weet niet of u zich nog goed herinnert hoe het allemaal begonnen is, maar de waarheid is dat hele verhaal op een bepaalde manier is begonnen en dat de reactie vervolgens in geen enkele verhouding stond tot de omvang van het probleem.

Daarom is dit verslag dat we vandaag hebben aangenomen zo belangrijk. Wij moeten namelijk lering trekken uit wat er gebeurd is om herhaling te voorkomen. Wij hebben het recht om te weten wie de besluiten heeft genomen, hoe de hele zaak is gegaan en wie besloten heeft dat het zo moest gaan. We hebben ook het recht om te weten waarom enkele landen op een bepaalde manier hebben gereageerd en waarom die reactie niet transparant was en niet al onze twijfels heeft weggenomen. Wij hebben nog steeds twijfels of er geen zaken zijn gedaan. Er mag wat dat betreft geen enkel spoor van twijfel blijven bestaan.

Ik ben natuurlijk van mening dat alle bedreigingen voor de volksgezondheid dienen te worden aangepakt maar, mevrouw de Voorzitter, het maakt wel verschil uit hoe die bedreigingen worden aangepakt en wie voor de kosten opdraait.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Grzyb (PPE). (PL) Mevrouw de Voorzitter, een van de belangrijkste conclusies in het verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak waar we over gestemd hebben, is dat het ontbreekt aan een onafhankelijke beoordeling door de nationale en/of Europese gezondheidsinstanties. Dit leidt tot verkeerde besluiten op het gebied van de volksgezondheid. De uitspraak van het voormalig hoofd van het ECDC, Zsuzsanna Jakab, dat er nog nooit een vergunning is verleend voor een vaccin op grond van zo weinig gegevens, is alarmerend. Zij gaf dit antwoord toen haar werd gevraagd naar de veiligheid van de hulpstoffen in de vaccins tegen de H1N1-pandemie. Er is behoefte aan meer transparantie bij besluiten die de menselijke gezondheid aangaan. In Polen heeft de minister van Volksgezondheid besloten om geen vaccins aan te schaffen en geen vaccinatieprogramma te starten, in weerwil van de druk van de media en andere groepen. Men kan het niemand kwalijk nemen dat hij zich afvraagt hoeveel stress het de burgers heeft gekost die dagelijks zijn gebombardeerd met het advies om zich te laten vaccineren. Men kan het ook niemand kwalijk nemen dat hij zich afvraagt of het wel ethisch is om vooral winst voor ogen te hebben en voorbij te gaan aan de gezondheid van de burgers, terwijl en passant ook het vertrouwen wordt ondermijnd in de officiële aanbevelingen over vaccinaties die ons moeten beschermen tegen epidemieën. Dank u wel.

 
  
  

Verslag: Crescenzio Rivellini (A7-0023/2011)

 
  
MPphoto
 

  Antonello Antinoro (PPE). (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, tot nu toe zijn de door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) aangenomen aanbevelingen telkens voor bepaalde tijd omgezet in Gemeenschapsrecht, en wel via de jaarlijkse verordeningen inzake de vangstmogelijkheden, die betrekking hebben op de maatregelen inzake de instandhouding, het beheer, de exploitatie, het toezicht en de afzet met betrekking tot de visserij- en aquacultuurproducten uit de Middellandse Zee.

Het permanente karakter van deze aanbevelingen vergt echter een meer permanent rechtsinstrument voor omzetting in het Gemeenschapsrecht. Tegen deze achtergrond lijkt het dienstig deze aanbevelingen om te zetten via een enkel rechtsbesluit waarin later eventuele nieuwe aanbevelingen kunnen worden geïntegreerd. Dat hebben we vandaag gedaan, zodat de rechtszekerheid wordt bevorderd en een belangrijke stap richting vereenvoudiging wordt gezet.

De verdragsluitende partijen bij de GFCM hebben nu de plicht om de maatregelen met ingang van de vastgestelde datum volledig ten uitvoer te leggen, en in het licht daarvan was een tijdige omzetting nodig teneinde deze internationale maatregelen op communautair niveau rechtstreeks van toepassing te laten zijn op natuurlijke en rechtspersonen en teneinde de rechtszekerheid te waarborgen.

 
  
MPphoto
 

  Marek Józef Gróbarczyk (ECR). (PL) Mevrouw de Voorzitter, onze fractie heeft dit verslag gesteund, omdat het een essentiële bouwsteen is in de plannen voor het toekomstige gemeenschappelijk visserijbeleid. In het kader van de veranderingen die ons te wachten staan, is regionalisering van het grootste belang, net zoals de ontwikkeling van dit beleid op basis van diezelfde regionalisering.

Er wacht ons nog een debat over ongewenste bijvangst, een beschamende discussie over slechte wetgeving. Wetgeving moet gebaseerd zijn op dit soort maatregelen, dat wil zeggen op regionalisering. We moeten een gemeenschappelijk visserijbeleid ontwikkelen dat daarmee rekening houdt. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (ECR).(EN) Mevrouw de Voorzitter, als we naar de geschiedenis van onze gemeenschappelijke overeenkomsten kijken, naar het gemeenschappelijk visserijbeleid, naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dan is het resultaat vrij duidelijk te zien.

Hoewel het beleid op sommige gebieden heeft geleid tot een vergroting van de productie tegen kunstmatige prijzen, hebben we ook gezien dat onze visbestanden uitgeput raken en dat er problemen zijn met bijvangsten. Het is vrij duidelijk dat het systeem heeft gefaald. Het is tijd dat we erkennen dat de beste weg vooruit een systeem is dat gebaseerd is op eigendomsrechten en overdraagbare eigendomsrechten voor toekomstige generaties die belang hebben bij het veiligstellen van de hulpbronnen voor hun eigen generatie en de generaties van de toekomst.

Als we zouden kunnen leren wat een rechtsstaat inhoudt en eigendomsrechten zouden toepassen op het visserijbeleid, dan hadden we een duurzaam visserijbeleid, niet alleen in het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU, maar wereldwijd, en dan zouden we deze overeenkomsten niet nodig hebben.

 
  
MPphoto
 

  Daniel Hannan (ECR). (EN) Mevrouw de Voorzitter, elke dag worden er duizenden tonnen dode vis vanaf vissersboten in zee geworpen. Die dode vissen zinken, de schubben en botten hopen zich op op de zeebodem en ondergaan – om met Engelands nationale dichter te spreken – "een transformatie tot iets rijks en vreemds". De metafoor is hier volledig toepasselijk. De Europese Commissie is nu eindelijk wakker geworden, jaren nadat het probleem van de bijvangsten zich voor het eerst voordeed, en heeft geprobeerd er iets aan te doen.

Iedere oplossing die de Commissie voorstelt zou echter haar eigen perverse prikkels met zich meebrengen – je kunt een limiet stellen aan het aantal dagen dat een boot op zee mag blijven, je kunt de grootte van de mazen van het net beperken, je kunt schippers dwingen elk sprotje dat ze vangen aan land te brengen. Al die dingen zijn gebaseerd op het existentiële probleem van het gemeenschappelijk visserijbeleid, namelijk dat het een gemeenschappelijk beleid is: het definieert visgronden als een gemeenschappelijke hulpbron waartoe alle naties gelijke toegang hebben. Niemand is de eigenaar en daardoor wordt niemand gestimuleerd om de visgronden als een hernieuwbare hulpbron te behandelen.

We moeten nadoen wat op IJsland, Nieuw-Zeeland, de Falklandeilanden en andere plaatsen is gedaan, namelijk schippers aanzetten tot conserveren en hun eigendomsrechten geven. De enige manier om dat te doen is de nationale controle over de territoriale wateren herstellen.

 
  
  

VOORZITTER: STAVROS LAMBRINIDIS
Ondervoorzitter

 
  
  

Verslag: Anni Podimata (A7-0036/2011)

 
  
MPphoto
 

  Jens Rohde (ALDE).(DA) Mijnheer de Voorzitter, een grote meerderheid in het Parlement heeft opnieuw besloten dat wij in dit Parlement een belasting op financiële transacties moeten steunen. Van alle vormen van belastingheffing die we zouden kunnen aannemen, is de zogenaamde Tobin-belasting de domste. Het enige positieve dat over deze belasting gezegd kan worden, is dat er nooit iets van gekomen is. Als dit werkelijk de lang verwachte oplossing is, waarom is de invoering ervan dan niet al vele jaren een feit?

De eerste keer dat hierover gesproken werd, was al helemaal in het begin van de jaren zeventig. Echter, iedere keer wanneer er een crisis is, wordt dit paard weer van stal gehaald en na een tijdje stellen we uiteindelijk vast dat het toch geen goed idee is. Het is gewoonweg geen goed idee om alleen in Europa een belasting in te voeren, omdat we dan belastingparadijzen krijgen en het kapitaal naar andere plaatsen in Europa kan worden overgeheveld. Het is een belasting op handel in plaats van op winsten. De Tobin-belasting biedt nergens een oplossing voor en dat erkende de heer Tobin enkele jaren geleden zelf ook.

 
  
MPphoto
 

  Clemente Mastella (PPE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de huidige economische en financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat het mondiale financiële stelsel op het vlak van regelgeving en toezicht significante tekortkomingen vertoont.

In de EU werd de financiële crisis gevolgd door een zware crisis op het niveau van de overheidsfinanciën, waarvan de bovenmatige en in een aantal gevallen ongerechtvaardigde druk van de markten op staatobligaties een belangrijke factor was. Ook deze crisis had hoofdzakelijk met het kortetermijndenken en uitermate speculatieve transacties te maken, en onderstreepte nog eens het sterke verband tussen het tekortschietende kader voor regelgeving en toezicht enerzijds en de problemen bij het waarborgen van het duurzame karakter van de overheidsfinanciën anderzijds.

Over de economische kosten van de crisis bestaat nog geen volledige duidelijkheid. Wat wel duidelijk is, is dat de wereld en de EU een nieuwe crisis van een vergelijkbare omvang niet aankunnen en dus moeten voorkomen.

Een alomvattende en geïntegreerde reactie op de crisis zal moeten bestaan uit nieuwe, innovatieve financiële instrumenten die speculatie inperken en de financiële sector doen terugkeren naar zijn kerntaak. Er zijn dus zeer positieve veranderingen nodig.

 
  
MPphoto
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik ben voor de invoering van een mondiale heffing op transacties. De Commissie moet zo snel mogelijk een effectbeoordeling uitvoeren om te bekijken of een dergelijke heffing in eerste instantie op Europees niveau kan worden ingevoerd en na deze beoordeling moet de Europese Unie besluiten nemen.

In Londen wordt elk jaar voor 7 miljard euro aan belastinginkomsten geïnd door middel van een aanvullende beursbelasting. Het gaat hierbij niet helemaal om dezelfde heffing als de transactieheffing waar we het nu over hebben, maar de resultaten in Londen en hun gevolgen zijn bemoedigend. De Commissie moet dus snel een effectbeoordeling uitvoeren, waarna er op communautair niveau besluiten moeten worden genomen.

 
  
MPphoto
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de economische crisis waar Europa de laatste jaren mee kampt, heeft aan het licht gebracht dat het regelgevingskader ernstige tekortkomingen vertoont.

Er moeten nieuwe instrumenten komen die speculatie inperken en de financiële sector doen terugkeren naar zijn kerntaak. We moeten voorzien in de behoeften van de reële economie, langetermijninvesteringen steunen en zorg dragen voor een billijke verdeling van de lasten over de belangrijkste financiële actoren. Op die manier kunnen we nieuwe, aanvullende middelen genereren voor het aangaan van de mondiale en Europese uitdagingen, zoals de klimaatverandering en het bereiken van de doelstellingen in het kader van de EU 2020-strategie.

Ik hoop dat meer aandacht zal uitgaan naar de maatregelen met betrekking tot openbaar toezicht en transparantie, aangezien dit essentiële voorwaarden zijn voor de invoering van innoverende financieringsstelsels.

 
  
MPphoto
 

  Salvatore Caronna (S&D). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de aanneming van het verslag van mevrouw Podimata draagt sterk bij tot een evenwichtiger, vooruitstrevender en sterker Europees economisch en fiscaal beleid.

Het is voor iedereen duidelijk dat Europa, als de coördinerende autoriteit van de 27 lidstaten, zichzelf dringend moet voorzien van economische en financiële instrumenten waarmee het de economie kan beheersen en zich er niet langer aan over hoeft te leveren. Daarom heeft het voorstel voor een belasting op financiële transacties veel reacties, discussie en aandacht opgeleverd. Het feit dat een meerderheid van het Parlement voor deze maatregel heeft gestemd, is belangrijk en veelzeggend omdat wij de zaken voor het eerst niet op hun beloop hebben gelaten maar een stap in de goede richting hebben gezet.

Ik hoop dat de Commissie en de Raad voortgaan op de ingezette weg.

 
  
MPphoto
 

  Mario Pirillo (S&D). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de huidige economische crisis heeft aan het licht gebracht dat het toezicht op de financiële sector tekortschiet en dat er nieuwe instrumenten en belastingmaatregelen nodig zijn.

Het financiële stelsel is winst gaan genereren op basis van speculatieve transacties en het is absurd dat er geen enkele belasting wordt geheven op deze sector. Dat moet worden rechtgezet middels een belasting op financiële transacties, en daarom heb ik voorgestemd.

Op andere beleidsterreinen, zoals energie en milieu, heeft Europa laten zien een wereldleider te zijn die derde landen het goede voorbeeld geeft en stimuleert. Ik ben van mening dat dit ook moet gebeuren met betrekking tot het financiële stelsel. Ik hoop dat de Commissie snel reageert met een wetgevingsvoorstel dat aan de verwachtingen van de burgers voldoet, aangezien zij opdraaien voor de crisis.

 
  
MPphoto
 

  Lara Comi (PPE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het invoeren van een nieuwe belasting moet zeer zorgvuldig worden afgewogen. Aan de ene kant kan hiermee een stimuleringsregeling worden opgezet waarmee de risico's en de negatieve externe gevolgen kunnen worden beperkt; aan de andere kant leidt een dergelijke maatregel absoluut tot verstoringen die de Europese financiële markten mogelijk schaden.

Ik vind absoluut dat ook financiële transacties en inkomsten uit speculatie belast moeten worden, net zoals ik vind dat de voor- en nadelen goed tegen het licht moeten worden gehouden en dat een dergelijke belasting goed moet worden bestudeerd, zodat deze de beoogde effecten heeft zonder de welvaart te schaden.

Toch moet ik onderstrepen dat de Europese Unie, als zij op eigen houtje te werk gaat, logischerwijs aan concurrentiekracht zal inboeten en over geen enkel concreet instrument zal beschikken om de andere economische wereldspelers met zich mee te krijgen. Daarom ben ik vóór deze belasting, maar op voorwaarde dat deze wereldwijd en na overleg in G20-verband wordt ingevoerd.

 
  
MPphoto
 

  Giommaria Uggias (ALDE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, vandaag hebben wij met genoegen het verslag van mevrouw Podimata aangenomen. Voor ons, de leden van Italia dei valori in de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa, is dit een heuglijk moment omdat hiermee wordt getoond dat het Parlement zijn beginselverklaringen omzet in daden.

Al tijdens het debat over het verslag van mevrouw Berès over de financiële, economische en sociale crisis waren wij voorstander van een belasting op financiële transacties. Vandaag is hier gehoor aan gegeven, en wij zijn verheugd te kunnen melden dat wij voor hebben gestemd, omdat met deze belasting de financiële middelen worden weggehaald bij de financiële economie – en dus bij de financiële speculatie – en terechtkomen bij de reële economie. Met de belasting zal tevens worden ingespeeld op de millenniumdoelstellingen en zal een bijdrage worden geleverd aan grote Europese projecten op het gebied van infrastructuur, onderzoek, ecologische herstructurering en ons productiestelsel.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (ECR). (EN) Mijnheer de Voorzitter, als we terugkijken op deze financiële crisis, moeten we ervoor zorgen dat we er iets van leren. We moeten bijvoorbeeld leren dat ongeschikte regelgeving soms een probleem kan vormen, zoals is gebeurd met de Community Reinvestment Act in de Verenigde Staten. Deze moedigde banken aan geld te lenen aan klanten die niet kredietwaardig waren. Toen één op de tien van die klanten niet kon terugbetalen, veroorzaakte dat een hypotheekcrisis en sindsdien zitten we met de gevolgen.

We moeten begrijpen wat de gevolgen zijn van het te goedkoop drukken van geld en het laag houden van de rentetarieven, waardoor mensen investeren op basis van slechte beslissingen en niet inzien dat het geld zelf een waarde heeft. Zoals de Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises zei: als je die slechte beslissingen neemt en verkeerde investeringen creëert, verliest iedereen en barst de kredietcyclus op het moment dat de markt zichzelf corrigeert. Dat is precies wat we hebben gezien. We hebben ook geleerd dat we nooit meer mogen toestaan dat banken te groot worden om failliet te gaan.

Als we deze belasting invoeren om geld te verdienen, wat voor boodschap geven we dan aan de banken? De banken zullen tegen zichzelf zeggen dat ze op de oude voet door kunnen gaan, zonder de nodige voorzichtigheid, en dat de belastingbetaler hen wel zal redden als ze omvallen.

Het wordt tijd dat we leren van de financiële crisis.

 
  
  

Verslag: Edite Estrela (A7-0032/2011)

 
  
MPphoto
 

  Salvatore Iacolino (PPE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dat het recht op Europees burgerschap nog niet gewaarborgd is, blijkt wel uit de grote ongelijkheid tussen de lidstaten. In Bulgarije en Roemenië is het recht op gezondheid veel minder goed gewaarborgd dan in andere lidstaten, en in dat licht kan deze resolutie, met alle haken en ogen, een goed uitgangspunt vormen.

Vandaag vieren wij de Internationale dag van de vrouw en vrouwen krijgen zonder meer moeilijker toegang tot behandelingen en hulp dan mannen. Daarom moet er meer gedaan worden op het vlak van voorlichting, preventie, behandeling en opvang, en gezondere leefstijlen.

We moeten kiezen voor een gezonde leefstijl en nee zeggen tegen verslaving, obesitas, alcohol, roken en infectieziekten. Om dat mogelijk te maken, is een goed cohesiebeleid nodig waarin het recht op gezondheid als een waarlijk Europese doelstelling wordt gezien.

 
  
MPphoto
 

  Christa Klaß (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, onze belangrijkste zorg moet altijd uitgaan naar het behoud van gezondheid en pas in tweede instantie naar het herstel ervan. Onderwijs is de sleutel in alle lidstaten. Gezonde voeding en beweging, en een goed niveau van algemene vorming, zijn van bijzonder belang. Dit is in feite een taak voor de lidstaten. Europa moet de uitwisseling van ervaringen op het gebied van de gezondheidsleer op de verschillende terreinen stimuleren. Ik heb tegen dit verslag gestemd ondanks de vele goede ideeën die erin staan. Ik ben het volledig oneens met de paragrafen 25, 26 en 29. De belangrijke ethische en morele beslissingen van de lidstaten, bijvoorbeeld over voortplantingstechnieken en abortus, horen hier niet thuis. Om abortus in één adem te noemen met anticonceptie zonder zelfs maar het recht op leven te overwegen, weerspiegelt niet de wens van een christelijk Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannu Takkula (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, het is beslist waar dat de gezondheidsverschillen in de Europese Unie nogal groot zijn. De lidstaten verschillen erg van elkaar, net als hun tradities en praktijken. Het is duidelijk dat als we vooruit kijken en de verschillen in gezondheidszorg op communautair niveau willen verkleinen, we meer onderwijs, opleiding en voorlichting nodig hebben over welke zaken van invloed zijn op de gezondheid.

Natuurlijk heeft de sociaaleconomische positie veel aandacht gekregen in dit verslag, maar ik ben zelf van mening dat het belangrijk is de aandacht te richten op heel fundamentele zaken, zoals de toegang tot gezondheidsdiensten, beweging, voeding en dergelijke. Deze zaken moeten we benadrukken als we vooruit kijken en een beter en gezonder Europa willen opbouwen. Naar mijn mening is er behoefte aan een uitwisseling van beste praktijken.

Ik heb mij wat dit verslag betreft van stemming onthouden, omdat ik vind dat het veel irrelevante zaken bevat. Ik hoop dat we ons op een algemeen niveau kunnen richten op het kleiner maken van de verschillen in gezondheid in de Europese Unie.

 
  
  

Verslag: Eva Joly (A7-0027/2011)

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (ECR).(EN) Mijnheer de Voorzitter, een van mijn grootste zorgen is in de afgelopen jaren, wanneer we spraken over het idee van belasting op internationaal niveau, denk ik de aanval op landen zoals de Caymaneilanden geweest, terwijl deze niets anders hebben gedaan dan luisteren naar het advies dat we hun hebben gegeven met betrekking tot ontwikkelingszaken. Jarenlang hebben we de eilanden in het Caribisch gebied en andere ontwikkelingslanden verteld dat ze moesten diversifiëren om minder afhankelijk te zijn van suiker en bananen, dat ze hogerop moesten komen in de waardeketen en dat ze deskundigheid moesten krijgen op het gebied van diensten.

De Caymaneilanden hebben dat gedaan en nu bestaat hun economie voor 40 tot 50 procent uit financiële dienstverlening dankzij hun stelsel van belastingneutraliteit. Geen belastingontduiking, maar belastingneutraliteit. Ze belasten de fondsen die besluiten zich daar te vestigen niet dubbel of driedubbel. Maar wat doen de hypocriete imperialisten van de Europese Unie als de Caymaneilanden besluiten met hen te gaan concurreren op het gebied van belasting? Ze besluiten net zo te handelen als de imperialisten van vroeger en te proberen de Caymaneilanden aan te vallen omdat ze met de EU willen concurreren. Wat een schandelijk EU-imperialisme!

 
  
MPphoto
 
 

  Nirj Deva (ECR). – Mijnheer de Voorzitter, ik vond het heel moeilijk om het verdrag van mijn vriendin mevrouw Joly te steunen, omdat ze begon over een Europese en wereldwijde belasting.

880 miljard dollar aan fondsen verlaat de ontwikkelingslanden op verschillende legale en illegale manieren en wordt bij Europese en westerse banken in bewaring gegeven. In ruil daarvoor betalen wij 60 tot 70 miljard van het geld van de Europese belastingbetalers aan ontwikkelingslanden voor armoedeverlichting. Als dat geld – die 880 miljard dollar die wegstroomt uit ontwikkelingslanden en op onze banken wordt gezet – in die ontwikkelingslanden was gebleven om die landen te ontwikkelen, hoeveel beter zou het dan zijn dat ze sneller zouden groeien, kapitaal zouden kunnen opbouwen en eigendomsrechten en handelspraktijken zouden hebben?

 
  
  

Verslag: Georgios Papastamkos (A7-0030/2011)

 
  
MPphoto
 

  Clemente Mastella (PPE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, nu de EU zich buigt over de toekomst van haar gemeenschappelijk landbouwbeleid is consistentie tussen het landbouwbeleid en het buitenlands handelsbeleid van groot belang.

Landbouw en handel vormen twee elkaar overlappende beleidsagenda's. De dynamiek van deze twee economische activiteiten beïnvloedt en – nog belangrijker – wordt beïnvloed door het regelgevingskader op multilateraal, interregionaal, regionaal en bilateraal niveau. Deze regelgeving is niet statisch; er ontstaan hiërarchieën en er is sprake van een ontwikkeling in de loop van de onderhandelingen.

Onderling afwijkende regels, uiteenlopende handelsbelangen, commerciële spanningen en geschillen illustreren het complexe karakter van intern landbouwbeleid en internationale handel. Omdat landbouw geen eenvoudige economische activiteit is, maar landbouw- en voedselbeleid fundamentele doelstellingen hebben, zoals continuïteit van de voedselvoorziening en voedselveiligheid, bestaat de grootste uitdaging uit het doeltreffend verenigen van handels- en niet-handelsbelangen.

Het EU-handelsbeleid zal een doorslaggevende rol spelen bij de vraag of de landbouw volledig en op positieve wijze zal blijven bijdragen tot deze doelstellingen zonder de dynamiek van de EU-landbouwsector te ondermijnen.

 
  
MPphoto
 

  Jarosław Kalinowski (PPE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, voedselveiligheid is een prioriteit van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Voor echte voedselveiligheid moeten de juiste proporties in de internationale handel gewaarborgd zijn. Eerlijke concurrentie speelt hierin een sleutelrol. Europese landbouwers en voedselproducenten moeten voldoen aan opgeschroefde EU-normen en spenderen enorm veel geld om hun productieproces aan te passen aan de restrictieve normen en regels.

Anderzijds heeft de Europese Unie vrijwel geen controle over producenten en landbouwers uit derde landen, waaruit we enorme hoeveelheden voedingsmiddelen importeren. Ten eerste zijn dergelijke overeenkomsten onrechtvaardig voor onze eigen producenten. Ten tweede is dit beleid ook gevaarlijk voor de gezondheid van Europese consumenten, omdat de Europese Unie geen daadwerkelijke invloed heeft op de kwaliteit van deze producten. Dit moet onmiddellijk veranderen.

 
  
MPphoto
 

  James Nicholson (ECR).(EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik zeggen dat ik vóór dit verslag heb gestemd omdat ik van mening ben dat het de problemen waarmee de landbouwsector en de agrariërs van de Europese Unie te maken hebben heel duidelijk schetst, in het bijzonder als het gaat om het handelsbeleid.

Ik zal heel duidelijk zijn: de landbouwsector van de Europese Unie mag op geen enkele wijze worden opgeofferd om handelsafspraken zoals die met Mercosur veilig te kunnen stellen. Ik vrees echter dat dat precies de richting is die we opgaan. Blijkbaar bestaat het idee dat de Europese landbouwsector kan worden gebruikt als een gemakkelijke onderhandelingstroef. Als dat inderdaad het geval is, voorzie ik grote problemen in veel sectoren van de landbouw en met name in de veeteeltsector. Als het gaat om gelijkwaardige normen, zou niemand bedreigd moeten worden door wat we eisen, namelijk dat importen in de EU aan dezelfde normen voldoen die we aan onze eigen producenten stellen. We hebben uiteraard de verantwoordelijkheid tegenover onze consumenten om daarvoor te zorgen.

Ik ben ook erg ongelukkig met de houding van de Commissie ten aanzien van het Parlement in dit verband. Het is onaanvaardbaar dat zij blijft proberen ons erbuiten te houden. Ik wil dat er bij het vervolg van de onderhandelingen rekening wordt gehouden met het standpunt van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Grzyb (PPE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Papastamkos bevat bijzonder goede voorstellen. De Europese Unie voert diverse multilaterale en bilaterale handelsonderhandelingen met verschillende groeperingen en de Wereldhandelsorganisatie. De handel in landbouwproducten speelt hierin een sleutelrol, vooral met betrekking tot de toegang tot de markten van de Europese Unie.

De EU is netto-importeur van landbouwproducten. Na de laatste hervormingen van de suikermarkt zijn we binnen vier maanden veranderd van netto-exporteur in netto-importeur van suiker. 70 procent van de landbouwproducten die worden geëxporteerd uit ontwikkelingslanden wordt door ons geïmporteerd. We hebben een handelstekort met de Mercosur-landen. Zoals de heer Kalinowski al heeft gezegd, importeren wij op de EU-markten landbouwproducten die volgens andere normen zijn geproduceerd, terwijl de Europese landbouwers enorme kosten maken in verband met dierenwelzijn of milieubescherming.

We mogen de verworvenheden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat wordt gefinancierd uit de EU-begroting, niet teniet doen met besluiten die de doeltreffendheid van dat beleid verminderen. Synergie tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het handelsbeleid dat door de EU wordt gevoerd, is noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil ook enkele woorden kwijt over het verslag van de heer Papastamkos, dat zeer grondig is. Ik moet zeggen dat het een goed en uitvoerig beeld geeft van de wijze waarop het landbouwbeleid en het handelsbeleid van de Europese Unie met elkaar verstrengeld zijn en van de manier waarop het landbouwbeleid als beleidsinstrument wordt gebruikt in de Europese Unie.

Het is natuurlijk waar dat de landbouw een groot deel van onze begroting uitmaakt. Daarom komt het onderwerp landbouw altijd naar voren wanneer we het over communautair beleid hebben. Wat dit betreft is het goed te beseffen dat we aan de ethische normen moeten vasthouden, aangezien we ook veel voedsel in de Europese Unie importeren uit verschillende plaatsen, vooral uit derde landen. Zuiverheid is in dit opzicht heel belangrijk.

Het is ook belangrijk om te beseffen dat we goed moeten zorgen voor de landbouwproductie in de verschillende delen van ons eigen continent, met inbegrip van de perifere landen, zoals Finland, waar men beschikt over zeer veel expertise, zuivere producten, enzovoort. Wanneer we het over landbouwbeleid hebben en daarin ook in de toekomst blijven investeren, moeten we aan deze hoge ethische normen vasthouden.

 
  
MPphoto
 

  Janusz Wojciechowski (ECR). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vóór het verslag van de heer Papastamkos gestemd. Ik heb veel waardering voor het verslag en het verheugt mij dat het Europees Parlement zich duidelijk heeft uitgesproken voor de verdediging van de Europese voedselveiligheid die bedreigd wordt door buitensporige concessies in de internationale levensmiddelenhandel.

Binnen de Europese Unie is een sterke lobby actief van bedrijven die belang hebben bij verlaging van de voedselproductie in Europa en import van voedsel uit derde landen, omdat zij hier winst op maken. Dit werd bijvoorbeeld duidelijk bij de hervorming van de suikermarkt. De Europese Unie moet niet toegeven aan deze lobby, maar zich ertegen verzetten uit zorg voor de eigen voedselveiligheid. In tijden waarin de behoefte aan voedsel toeneemt, staat een beleid dat toegeeft aan die lobby, op de lange termijn gelijk aan zelfmoord.

 
  
MPphoto
 

  Inese Vaidere (PPE).(LV) Mijnheer de Voorzitter, eerlijke handel in agrarische producten is een van de belangrijkste drijvende krachten achter de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden. Deze is ook van cruciaal belang als bijdrage aan armoedevermindering en ter voorkoming van voedselcrises. Vele regio’s en landen in Europa zijn afhankelijk van de landbouw, in het bijzonder de nieuwste lidstaten, waar de landbouw aanzienlijk lagere rechtstreekse betalingen ontvangt dan in de oudere lidstaten. Daarbij komt dat deze regio’s ook moeten concurreren met Latijns-Amerikaanse producenten, die niet aan even strenge kwaliteitsnormen hoeven te voldoen en die profiteren van verlaagde douanetarieven. Dergelijke situaties leiden tot een duidelijke vermindering van het concurrentievermogen en de winsten van onze boeren. Om deze reden heb ik het verslag gesteund, omdat het oproept tot een herziening van het handelsbeleid van de Europese Unie, een regelmatige evaluatie, de toepassing van uniforme normen voor agrarische producten uit derde landen en de openstelling van de markt voor agrarische producten uit derde landen op voorwaarde dat onze boeren compensatie ontvangen voor de verliezen die ze lijden ten gevolge van het toegenomen volume aan geïmporteerde agrarische producten uit derde landen. Dank u.

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (ECR).(EN) Mijnheer de Voorzitter, als ik met mijn vrienden in veel van de armere delen van de wereld praat en hun vraag wat de beste manier is om hen te helpen de armoede in hun land te verlichten en aan te pakken, dan zeggen ze vaak dat steun niet het antwoord is. Wat hen zou helpen, is als wij de ondernemers in hun land zouden helpen lokaal welvaart te creëren en het voor hen mogelijk zouden maken met ons in de Europese Unie handel te drijven. We kunnen helpen door onze markten open te stellen.

Een van de grootste problemen met die verklaring is het feit dat we het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben. De Verenigde Staten hebben ook allerlei subsidies. Terwijl wij aandringen op open handel, zijn we hypocriet als we onze markten sluiten voor de uitstekende landbouwproducten van ontwikkelingslanden. Daar komt nog bij dat we gebruikmaken van zogenoemde sanitaire en fytosanitaire normen. Natuurlijk willen we allemaal veiliger voedsel, maar deze normen worden vaak gebruikt als een niet-tarifaire belemmering van importen uit ontwikkelingslanden.

Het wordt tijd dat we de consumenten gaan vertrouwen. Zolang het voedsel veilig is, moeten we de consumenten laten bepalen of ze voedsel willen dat in Europa is geteeld of voedsel dat ergens anders is geteeld. Laten we ophouden met het subsidiëren van onrendabele en niet-levensvatbare bedrijfstakken in Europa.

 
  
MPphoto
 

  Daniel Hannan (ECR). (EN) Mijnheer de Voorzitter, het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie is ongeëvenaard in zijn verspillendheid, zijn corruptie, zijn schimmige bureaucratie, zijn egoïsme, zijn hypocrisie en zijn immoraliteit.

Aan het eind van de jaren vijftig werd de Argentijnse ambassadeur in de EU aangewezen als woordvoerder van de ontwikkelingslanden. Hij zei dat ze het begrepen als Europa zijn landbouwers moest subsidiëren, dat ze het niet fijn vonden dat we hun producten buiten hielden, maar dat ze daar begrip voor hadden, maar hij vroeg ons hen dan niet dubbel zo hard te treffen door vervolgens onze overschotten op hun markten te dumpen. De EU luisterde toen niet en heeft daarna ook nooit geluisterd.

De laatste besprekingen over de wereldhandel kregen de optimistische titel ‘Alles behalve wapens’ mee. Dat veranderde natuurlijk al snel in alles behalve landbouw, want de EU is vastbesloten de beschermde en gesubsidieerde positie van deze ene nichesector in stand te houden.

Trek uw conclusies uit wat er is gebeurd. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid bestaat sinds 1960. Dit is wat de EU al het langst doet. Als we er niet meer van hebben kunnen maken dan dit – de ecologische ramp, de armoede, de inflatie die wordt veroorzaakt door hogere voedselprijzen – hoe komen we er dan bij om deze zelfde instellingen nog meer bevoegdheden te geven?

 
  
MPphoto
 
 

  Nirj Deva (ECR). (EN) Mijnheer de Voorzitter, normaliter ben ik het helemaal eens met wat mijn vriend de heer Kamall zegt, maar vandaag niet. Ik ben na lang nadenken tot de conclusie gekomen dat voedselveiligheid een zeer belangrijk aspect van onze wereldwijde bevolkingsgroei is. De Europese Unie moet kunnen vertrouwen op haar eigen voedselveiligheid. Dat betekent zelfvoorzienendheid. Geen overproductie, waarbij we dumpen in ontwikkelingslanden, of onderproductie, waarbij we hongerige mensen hun voedsel ontnemen.

We moeten dus streven naar zelfvoorzienendheid in Europa, zelfvoorzienendheid in Azië en zelfvoorzienendheid in Afrika en de Verenigde Staten. Als we zelfvoorzienendheid als doelstelling nemen voor onze programma’s, kan al het andere mee gaan spelen in de internationale handel. Voedsel is iets waarmee we niet kunnen spelen.

 
  
  

Verslag: Martin Häusling (A7-0026/2011)

 
  
MPphoto
 

  Christa Klaß (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vóór het verslag-Häusling gestemd. Proteïne is essentieel voor gezonde diervoeders. Europa moet in actie komen teneinde een betrouwbare proteïnevoorziening te garanderen. We moeten alle mogelijkheden erbij betrekken, van steun voor onderzoek en selectie tot voorlichting en opleiding van landbouwers over de toepassing van vruchtwisseling. Laten we het bewezen principe van een kringloopeconomie niet uit het oog verliezen. De Commissie moet het verbod op dierlijk eiwit in voeders voor niet-herkauwers heroverwegen, maar wel met respect voor het verbod op kannibalisme. Preciezer gezegd moet zij het mogelijke gebruik van dierlijk eiwit overwegen in diermeel voor varkens en gevogelte. Deze stoffen moeten worden bereid volgens de huidige strenge voorschriften ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. Waardevolle proteïnehoudende bronnen worden hier momenteel vernietigd, alleen omdat wij niet in staat zijn om de juiste omgang met deze producten te regelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski (ECR). (PL) Mijnheer de Voorzitter, het is betreurenswaardig dat het goede verslag van de heer Häusling door onverstandige amendementen de steun van de auteur zelf moet ontberen. Ook ik heb tegen het aannemen van het verslag gestemd. Ik zie geen reden om in het kader van dit verslag door middel van amendementen concessies op het gebied van GGO's te promoten. Europa moet helemaal geen GGO's promoten, maar de traditionele, natuurlijke landbouw verdedigen. Genetisch gemodificeerde gewassen bedreigen de Europese landbouw en de voedselveiligheid. Daarom ben ik het eens met de rapporteur en heb ik in deze kwestie zijn voorbeeld gevolgd. Dank u wel.

 
  
  

Verslag: Mariya Nedelcheva (A7-0029/2011)

 
  
MPphoto
 

  Francesco De Angelis (S&D). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst bedank ik de rapporteur, mevrouw Nedelcheva, voor haar bijdrage. De gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt is een onderwerp dat niet beperkt mag blijven tot retoriek.

Integendeel, de werkgelegenheid van vrouwen is voor Europa van strategisch belang, zowel vanuit cultureel als vanuit economisch oogpunt. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat wanneer de arbeidsparticipatie van vrouwen net zo hoog zou zijn als die van mannen, het bbp 30 procent hoger zou zijn. We moeten dan ook voorkomen dat de crisis leidt tot verslechtering en blijven werken aan actief beleid dat de werkgelegenheid voor vrouwen aangaat. Het moet daarbij gaan om gericht beleid waarmee wordt vastgesteld hoe vrouwen geraakt worden door de crisis en waarmee wordt nagedacht over anticyclische maatregelen.

Een van de verdiensten van het verslag is dat daarin de nadruk wordt gelegd op positief beleid ter bevordering van de werkgelegenheid voor vrouwen, op beroepsopleiding en vrouwelijk ondernemerschap. Tot slot wil ik kwijt dat er nog een probleem moet worden aangepakt: het ernstige probleem van geweld tegen vrouwen. Europa heeft een alomvattende richtlijn nodig met betrekking tot de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen.

 
  
MPphoto
 

  Jens Rohde (ALDE). (DA) Mijnheer de Voorzitter, wanneer we luisteren naar het debat over quota voor vrouwen in de besturen van beursgenoteerde ondernemingen, is het duidelijk dat hier in het Parlement keer op keer een loopgravenoorlog wordt uitgevochten en dat is in feite betreurenswaardig. Ik zal niet verhullen dat ik tegen in wetgeving vastgelegde quota ben, deels omdat ik van mening ben dat ze slecht zijn voor bedrijven, maar ook omdat ze slecht zijn voor de gekwalificeerde vrouwen, die automatisch binnen de besturen gemarginaliseerd zullen worden, dus daarom zeg ik nee tegen quota. We kunnen echter voor een pragmatische benadering kiezen en bespreken of we beursgenoteerde ondernemingen niet kunnen verplichten een gelijkheidsbeleid en een aantal eigen doelstellingen op te stellen, waarbij ze zelf bepalen wat deze doelstellingen zijn. Dat zou goed zijn voor vrouwen, die op die manier in de besturen komen, maar ook voor de bedrijven, omdat ze zelf eigenaar zijn van de doelstellingen die ze tot stand moeten brengen. Ik ben van mening dat we het met een beetje pragmatisme moeten proberen, ten voordele van zowel de bedrijven als de vrouwen.

 
  
MPphoto
 

  Debora Serracchiani (S&D). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb gestemd voor de verslagen over gelijkheid tussen mannen en vrouwen en over armoede bij vrouwen in Europa, en het verheugt mij dat wij juist op de honderdste Internationale dag van de vrouw over deze onderwerpen hebben gesproken.

Er zijn verdere stappen nodig om te komen tot een correcte omzetting van Richtlijn 2002/73/EG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Zo geeft het te denken dat vrouwen, hoewel hun opleidingsniveau de afgelopen jaren sterk is gestegen en er tegenwoordig meer vrouwen dan mannen afstuderen, nog steeds vooral actief zijn in van oudsher 'vrouwelijke' sectoren, nog steeds vaak een lager salaris krijgen en in alle sectoren minder verantwoordelijke posities bekleden.

Het gebrek aan toegang tot ondersteunende zorg voor van hen afhankelijke personen, zoals kinderen, gehandicapten en ouderen, en aan passende verlofregelingen en flexibele werkregelingen, belet vrouwen vaak om te werken.

Tot slot wil ik de aandacht vestigen op de vrouwen die overal ter wereld strijden voor de meest basale rechten. Ik zou willen zien dat het Parlement zich solidair toont met de Iraanse vrouwenorganisaties die de straat op gaan en de vrouwen oproepen om zonder hidjab te gaan protesteren.

 
  
MPphoto
 

  Anna Záborská (PPE). (SK) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag kort toelichten waarom ik niet heb ingestemd met de ontwerpresolutie waarin het jaar 2010 wordt beoordeeld vanuit het oogpunt van gendergelijkheid.

In de ontwerpresolutie wordt op veel gebieden de gelijkheid van mannen en vrouwen gepropageerd, terwijl tegelijkertijd abortus wordt goedgekeurd – de beëindiging van ongeboren leven. Deze tekst is in strijd met de resoluties van de Verenigde Naties, waarin staat dat abortus nooit mag worden gebruikt als anticonceptiemiddel.

Door deze resolutie aan te nemen pleegt de Europese Unie niet alleen inbreuk op de soevereiniteit van de nationale staten, maar negeert zij vooral het recht op leven dat is verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Ik vind het jammer dat een meerderheid van het Parlement voor deze tekst heeft gestemd. Het is een alarmerend signaal en ik roep nationale organisaties en verenigingen op om ertegen te protesteren bij hun vertegenwoordigers in dit Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik vind het heel belangrijk dat we in het Europees Parlement over gelijkheid van mannen en vrouwen spreken, en niet alleen vandaag, nu we een bijzondere dag vieren, maar altijd. Het is beslist belangrijk te beseffen dat we als mannen en vrouwen zijn geschapen. Dat is een rijkdom maar het betekent niet dat als je een man of een vrouw bent, je op de een of andere manier beter of slechter bent. We zijn immers ook gelijkwaardig geschapen. Daarom is het heel belangrijk ervoor te zorgen dat we nu eindelijk in de jaren tien van deze eeuw gelijkwaardig kunnen zijn in Europa, dat wil zeggen dat mannen en vrouwen ook op de arbeidsmarkt op gelijke wijze worden behandeld. Nu is de situatie immers zo dat vrouwen steeds slechter af zijn met betrekking tot hun salaris en dergelijke, en dat mag niet het geval zijn in een beschaafde samenleving. We moeten ervoor zorgen dat gelijkwaardigheid in de ware betekenis van het woord kan worden gerealiseerd.

Wat quota betreft is het zo dat die nodig zijn totdat we ons het idee eigen hebben gemaakt dat iedereen gelijkwaardig is. Geschiktheid is dan uiteindelijk de beslissende factor op de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 

  Izaskun Bilbao Barandica (ALDE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, vandaag hebben we weer een initiatief goedgekeurd, maar zoals de commissaris al zei moeten we van woorden overgaan op daden.

Ondanks allerlei maatregelen duurt de ongelijkheid voort. Volgens de laatste gegevens van universiteiten behalen vrouwen betere resultaten, maar we worden nog steeds gediscrimineerd. Dit geldt met name voor vrouwen met een handicap, vrouwen op leeftijd en immigrantenvrouwen, die dubbel gediscrimineerd worden.

Naast dit initiatief hebben we vandaag tal van verklaringen gehoord, maar wij zijn niet in staat om het goede voorbeeld te geven. Je hoeft maar te kijken naar de sekse van de voorzitter van de Commissie, of naar die van de leden van de Raad, van de roulerende voorzitterschappen, de permanente voorzitter van de Raad, het voorzitterschap van het Parlement en van de Rekenkamer, de bestuursleden van de Europese Centrale Bank – onder wie voor de eerste maal geen enkele vrouw is, de voorzitterschappen van de fracties van deze instelling, of naar het ontbreken van vrouwen in de delegaties van sommige landen.

In de beeldvorming blijft de Europese politiek een mannenzaak. We hebben nog een heel lange weg te gaan. Daarom heb ik dit initiatief ondersteund. Ik geloof in het gebruik van quota als methode om vooruitgang te boeken op deze moeilijke weg, en ik geloof vooral in het motto dat ik in het begin uitsprak: van woorden naar daden.

 
  
MPphoto
 

  Inese Vaidere (PPE).(LV) Mijnheer de Voorzitter, hoewel de vrouwenrechtensituatie verbeterd is, wil ik niettemin de aandacht vestigen op ten minste drie aspecten. Ten eerste zijn de verschillen in beloning nog steeds aanzienlijk en tijdens de crisis zelfs groter geworden omdat we ervoor gekozen hebben de banken te steunen in plaats van de scholen en de kinderopvang, waar hoofdzakelijk vrouwen werkzaam zijn. Ten tweede is er niet voldoende steun voor vrouwen, zwangere vrouwen en jonge moeders, met name in de nieuwe lidstaten. Ook is er discriminatie op de arbeidsmarkt. Ten derde is de deelname van vrouwen aan de politiek nog steeds veel geringer dan de ideale verhouding tussen mannen en vrouwen van 50 om 50 procent. Hetzelfde fenomeen zien we bij managementfuncties. Ik ben van mening dat we met het verslag dat voor ons ligt niet in staat zullen zijn om een nieuwe impuls te geven aan de inspanningen om deze problemen op te lossen.

 
  
MPphoto
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor het verslag gestemd en ook voor quota. Ik wil in dit verband commissaris Reding bedanken voor het feit dat zij heeft voorgesteld – of moet ik misschien zeggen een ultimatum heeft gesteld – om maatregelen te nemen als er niet meer vrouwen in het bestuur van beursgenoteerde ondernemingen komen. In feite voert de commissaris hiermee alleen maar de EU-verdragen en -richtlijnen uit, waarin staat dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn.

Ik weet dat quota tegenstrijdige gevoelens oproepen en dat zij geen daadwerkelijke democratie vertegenwoordigen, maar dat geldt ook voor de situatie waarin wij ons nu bevinden. In Finland werden tien tot vijftien jaar geleden quota ingevoerd op gemeentelijk niveau. Die stuitten op veel verzet. Men vond ze vernederend voor vrouwen en dacht dat er voor deze posten onvoldoende vrouwen waren. Die vrouwen waren er echter wel en de praktijk heeft aangetoond dat in ieder geval in Finland quota op gemeentelijk niveau zeer goed werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Hannan (ECR). (EN) Mijnheer de Voorzitter, dank u dat u deze zitting wilt voorzitten. Ik wil ook uw medewerkers en de tolken bedanken. De recente uitspraak dat verzekeraars niet mogen discrimineren op grond van geslacht om verschillen in rijvaardigheid of in levensverwachting in te calculeren schiet op zoveel niveaus tekort dat ik niet weet waar ik moet beginnen. Neem om te beginnen de kosten. Dit kost een miljard pond extra. De premies zullen stijgen en minder mensen zullen een verzekering afsluiten.

Neem ten tweede de gebrekkige jurisprudentie, de manier waarop het Europees Hof van Justitie uitspraak doet op grond van een precedent van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Neem ten derde het slechte vertrouwen. Toen de richtlijnen met betrekking tot gelijkheid en niet-discriminatie werden aangenomen, werd duidelijk begrepen dat statistisch gemotiveerd onderscheid nog steeds te rechtvaardigen zou zijn.

Neem ten vierde het gerechtelijke activisme, de manier waarop onze rechters hebben genegeerd wat de wet zegt ten gunste van wat zij vinden dat de wet zou moeten zeggen. Neem ten vijfde de aanval op de vrijheid van overeenkomst. Als u mij wilt verzekeren en ik akkoord ga met de voorwaarden die u mij biedt, is het niet aan de staat om tussenbeide te komen en onze transactie onwettig te verklaren.

Neem ten zesde het beslissende argument: wat heeft dit allemaal met de Europese Unie te maken? Ik weet zeker dat elk land zijn eigen regels voor gelijkheid van mannen en vrouwen kan bepalen in overeenstemming met zijn eigen deugdelijke democratische mechanismen en procedures. Mijnheer de Voorzitter, een rechtbank met een missie is gevaarlijk. Een hooggerechtshof met een missie is tiranniek.

 
  
  

Verslag: Rovana Plumb (A7-0031/2011)

 
  
MPphoto
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de armoede bij vrouwen is een probleem dat al lange tijd bestaat, historische oorzaken heeft en zeker niet het gevolg is van een economische crisis.

Ik heb dan ook vóór het verslag van mevrouw Plumb gestemd, omdat ik overtuigd ben van de noodzaak om zowel op Europees als op nationaal niveau sterk te blijven inzetten op verdere stappen in de richting van gelijkheid van vrouwen en mannen. Ik geloof dat de maatregelen die in dit verslag zijn opgenomen, een nuttige bijdrage vormen – die wellicht niet alomvattend is, maar wel een stap vooruit betekent – aan de uitvoeringsplannen voor het Europese pact voor de gelijkheid van man en vrouw van de Raad van Europa en het beleidskader voor gelijkheid van man en vrouw.

De lidstaten moeten specifieke programma's bevorderen om de actieve inclusie of de herintegratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen – dat is op dat gebied de beste maatregel. Deze programma's moeten niet alleen gecoördineerd worden op lokaal, nationaal en Europees niveau, maar moeten ook gepaard gaan met samenwerking met partners uit derde landen.

 
  
MPphoto
 

  Izaskun Bilbao Barandica (ALDE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de vrouw heeft altijd het onzichtbare werk gedaan: het huishouden, de emotionele steunverlening, alles wat je niet kunt kopen en waarvoor je niemand kunt inhuren. We hebben dat werk echter niet op waarde geschat.

Nu treden vrouwen toe tot de arbeidsmarkt. We lopen echter nog steeds het gevaar in armoede te belanden, een situatie die nijpender wordt in de context van de economische crisis. Ik heb dit initiatief gesteund omdat het onze plicht is armoede onder vrouwen uit te bannen. Dat kan gedaan worden door wetgevingsinstrumenten en maatregelen te versterken teneinde het salarisverschil tussen mannen en vrouwen te kunnen beperken.

We moeten een actief werkgelegenheidsbeleid voeren ten gunste van vrouwen en de sociale voorzieningenstelsels herzien, met speciale aandacht voor vrouwen op leeftijd en gehandicapte vrouwen.

Laten we de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt bevorderen omdat zij voor meer winst zorgen, en laten we het salarisverschil verminderen omdat dat zal leiden tot een stijging van het bruto binnenlands product met 13 procent, zoals uit diverse studies blijkt.

Het is een kwestie van rechtvaardigheid, maar het is vooral ook een kans voor het concurrentievermogen van Europa.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

Verslag: Francesco Enrico Speroni (A7-0047/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. − (PT) Volgens het Duitse wetboek van strafrecht en de Duitse belastingwetgeving is belastingontduiking alleen strafbaar indien de belastingbetaler van de belastingontduiking op de hoogte was en het voornemen had belastingontduiking te plegen. In dit geval was er overduidelijk geen sprake van het voornemen om belastingontduiking te plegen aangezien het bedrag in kwestie op volledig transparante wijze naar de rekening van het lid is overgemaakt nadat de firma Speakers Agency daarvoor van hem eerst een factuur had ontvangen. Bovendien wordt het abusievelijk niet opgeven van dit soort kleine bedragen in de regel afgewikkeld via een louter administratieve procedure.

Het feit dat op dit verzuim op deze wijze is gereageerd en dat de heer Brok niet rechtstreeks van de tegen hem naar voren gebrachte beschuldigingen in kennis is gesteld, is absoluut uitzonderlijk. Het feit dat het openbaar ministerie ook niet heeft aangegeven hoe hoog de belastingschuld – inclusief rente – precies is, vormt een nog sterker voedingsbodem voor het vermoeden van fumus persecutionis. Onder deze omstandigheden is het ongepast de immuniteit van het lid op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. − (PT) Ik ben het eens met de rapporteur dat het ongepast is om de immuniteit van de heer Brok op te heffen. Hij is een bekend politicus en tegen hem is strafvervolging ingesteld in verband met een bedrag en onder omstandigheden die in het geval van een gewone burger slechts tot administratieve procedures zouden hebben geleid. Het gaat hier om een geval van fumus persecutionis, aangezien de strafvervolging klaarblijkelijk alleen is ingesteld om schade toe te brengen aan de reputatie van het betrokken lid.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb tegen de opheffing van de immuniteit van de heer Elmar Brok gestemd omdat er strafrechtelijke vervolging tegen deze bekende politieke figuur is ingesteld naar aanleiding van een bedrag en in omstandigheden die bij elke gewone burger slechts tot een administratieve procedure zouden hebben geleid. Bovendien heeft het openbaar ministerie niet alleen geprobeerd om de heer Brok om verkeerde en kleinerende redenen niet in kennis te stellen van de tenlastelegging, maar er ook voor gezorgd dat deze zaak veel publiciteit in de media heeft gegenereerd, waardoor de betrokken afgevaardigde maximale schade is toegebracht. Dit is een geval van fumus persecutionis, in de zin dat de procedure uitsluitend lijkt te zijn gestart om de reputatie van de betrokken afgevaardigde te beschadigen, en daarom zou het in deze omstandigheden volledig ongepast zijn om de immuniteit van de afgevaardigde op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb mij onthouden van stemming over dit verslag. Hoewel ik enerzijds veel bewondering heb voor het werk dat de heer Brok heeft verricht, heb ik anderzijds ernstige twijfels over het gebruik van parlementaire immuniteit om een rechtszaak wegens belastingontduiking te vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. − (FR) Het betalen van belasting is een plicht waaraan geen enkele burger zich moet kunnen onttrekken. De heer Brok is hierop gewezen. Immuniteit is geen vrijgeleide voor strafbare feiten, maar heeft ten doel de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Het doet mij dan ook deugd dat hij zijn fout heeft hersteld.

Het verslag is desalniettemin in meer dan één opzicht onaangenaam. Mijnheer Speroni, 5 000 euro is niet niks en de heer Brok is alleen door zijn eigen toedoen in deze situatie verzeild geraakt. De beschuldigingen van vervolging wegens het abusievelijk niet opgeven van een klein bedrag vind ik dan ook volkomen ongepast. Ik zal tegenstemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. − (PT) De verdediging van het ongebonden mandaat van de leden van het Europees Parlement is een bevoegdheid van het Europees Parlement en die ongebondenheid mag niet in gevaar worden gebracht. Gezien de feiten waarvan de heer Brok wordt beschuldigd, is hij het doelwit van fumus persecutionis, anders gezegd: de stafvervolging is alleen ingesteld om schade toe te brengen aan de reputatie van het betrokken lid. Daarom ben ik tegen de opheffing van zijn immuniteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) Hoewel ik Elmar Brok persoonlijk niet mag vanwege zijn ongepaste gedrag en anti-Oekraïense retoriek, ben ik van mening dat er dwingende redenen moeten zijn voor het opheffen van de immuniteit. Het is bekend dat het verzoek tot opheffing van de immuniteit is gedaan in een brief van de openbaar aanklager van Bielefeld waarin deze beweerde dat de heer Brok in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over 2005 een vergoeding van 5 000 euro voor een toespraak die hij had gehouden in München op 28 oktober 2005, op het Europa Forum dat was georganiseerd door de HypoVereinsbank Groep, waarvoor 2 900 euro belasting verschuldigd was, niet had opgegeven. Het is ook bekend dat de heer Brok dit geld niet heeft betaald en is betrapt op deze fout. Immuniteit wordt tegenwoordig gebruikt als een soort knuppel om een rekening te vereffenen of als wisselgeld voor het manipuleren van leden van het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. − (PT) Het Duitse openbaar ministerie heeft een verzoek ingediend om de parlementaire immuniteit van de heer Brok op te heffen. Het verzoek houdt verband met het feit dat de heer Brok in zijn aangifte inkomstenbelasting geen opgave heeft gedaan van een honorarium voor een lezing in München waarvoor een bedrag van 2 900 euro aan belasting verschuldigd was, dat inmiddels is betaald. In het juridisch advies wordt erop gewezen dat deze zaak anders zou zijn behandeld als de zaak een gewone burger had betroffen. Er bestaat dan ook een sterk vermoeden van vervolging op politieke gronden. Gezien deze specifieke omstandigheden, en daar het hier een geval van fumus persecutionis betreft, heb ik voor het besluit gestemd om de immuniteit niet op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Met dit verslag heeft het EP besloten de immuniteit van Elmar Brok niet op te heffen.

 
  
  

Verslag: Christel Schaldemose (A7-0033/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. − (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd. Van een goed functionerende interne markt mag worden verwacht dat zij ook garant kan staan voor veilige producten en vertrouwen van de zijde van de consument. Als het veiliger maken van de interne markt centraal staat, is dat evenwel geen belemmering om die markt uit te breiden. De goedkeuring van een gemeenschappelijke aanpak voor het definiëren van productkenmerken heeft ook positieve effecten gehad voor de verbetering van de algemene productveiligheid op de interne markt. Er is echter nog ruimte voor verbetering, omdat er op dit gebied nog te veel ongelukken met tragische gevolgen plaatsvinden, met name met kinderen.

Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid (RAPV), waarin de algemene veiligheidseisen voor producten zijn vastgelegd, is ongeveer tien jaar geleden goedgekeurd en is duidelijk aan herziening toe. De richtlijn moet worden herzien om een einde te maken aan de situatie waarbij er twee verschillende reguleringen voor markttoezicht op geharmoniseerde producten bestaan die elkaar overlappen, naargelang het al dan niet consumentenproducten betreft. Het desbetreffende wetgevingskader bestaat daarom uit drie elementen: het nieuwe wetgevingskader, de RAPV en sectorspecifieke harmonisatierichtlijnen. Het is dan ook belangrijk deze complexe opzet te harmoniseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward (ALDE), schriftelijk. – (GA) De inwoners van de EU moeten vertrouwen kunnen hebben in de veiligheid van alle producten die op de EU-markt worden verkocht, en hoge gezondheids- en veiligheidsnormen moeten te allen tijde gelden.

Dit verslag komt op het juiste moment en is belangrijk. Ik verwelkom de inhoud van het verslag, in het bijzonder wat betreft de uitwisseling van onderzoeksgegevens op het gebied van productveiligheid, teneinde dubbel werk te voorkomen en zo tijd en middelen te besparen.

Europese consumenten moeten er zeker van zijn dat de producten die in de EU ingevoerd worden aan dezelfde normen voldoen als de producten die in de EU worden gemaakt en dat de uitbreiding van handel niet van invloed is op de productveiligheid. Ik steun het in het verslag opgenomen verzoek aan de Commissie om meer te doen binnen de International Consumer Product Safety Caucus teneinde te garanderen dat gevaarlijke materialen niet op de interne markt worden gebracht. Het is van cruciaal belang dat de interne markt in staat is een antwoord te vinden op de onlinemarkt en de invloed ervan op productveiligheid en markttoezicht.

Volgens meldingen is er een toename van het aantal producten dat online wordt gekocht van derde landen en die niet aan Europese normen voldoen, waardoor EU-consumenten aan risico’s worden blootgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb vóór dit belangrijke document gestemd. Het is nu al bijna tien jaar geleden dat de Europese Richtlijn inzake algemene productveiligheid 2001/95/EG (RAPV), waarin de algemene veiligheidseisen voor producten zijn vastgelegd, is aangenomen. Deze richtlijn is nog niet herzien, hoewel er het afgelopen decennium veel is veranderd in de wereld en in de EU. Met name producten voor kinderen moeten zorgvuldig worden gereguleerd. Elk jaar doen zich in de EU ongevallen voor omdat kinderen omgaan met onveilige producten, ongevallen die soms zelfs tot de dood van die kinderen leiden. Versterking van het markttoezicht moet een belangrijk kenmerk van de herziening van de richtlijn zijn, waarbij voor de traceerbaarheid van producten en fabrikanten moet worden gezorgd en normalisatiebeginselen moeten worden neergelegd en toegepast, waardoor een betere bescherming van onze consumenten gemakkelijker wordt en aan de consumenten duidelijker en preciezere informatie over gekochte producten kan worden verstrekt.

 
  
MPphoto
 
 

  Regina Bastos (PPE), schriftelijk. (PT) Met de herziening van Richtlijn 2001/95/EG wordt beoogd een hoog niveau voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de consument te bereiken door speciaal aandacht te schenken aan de meest kwetsbare consumenten, zoals kinderen en ouderen. Er wordt gestreefd naar actievere vormen van transparantie en toezicht voor de markten en naar instrumenten waarmee sneller gevaarlijk geachte producten uit de markt kunnen worden genomen. Voor een goed functionerende interne markt zijn veilige producten en geïnformeerde consumenten nodig die in staat zijn keuzen te maken. Om die redenen heb ik dit verslag gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergio Berlato (PPE), schriftelijk. − (IT) Productveiligheid en consumentenvertrouwen zijn onontbeerlijk om de interne markt goed te laten functioneren.

In ons streven naar vrij verkeer en een nog breder scala aan producten op de markt, mogen wij de veiligheid van de consument niet uit het oog verliezen. In een sterker geglobaliseerde wereld waarin meer en meer producten uit het buitenland – met name uit China – afkomstig zijn, is internationale samenwerking op het punt van productveiligheid een prioriteit.

In Richtlijn 2001/95/EG zijn de algemene veiligheidseisen voor producten vastgelegd. De lidstaten hebben de richtlijn echter niet op een samenhangende manier omgezet, wat heeft geleid tot een aantal problemen met betrekking tot de werkingssfeer en het reële gevaar van producten. Daarom vind ik dat de richtlijn dringend aan herziening toe is, zodat onveilige producten kunnen worden getraceerd en tegengehouden en de belangen van de EU-burgers volledig behartigd kunnen worden.

Tot slot ben ik het volledig eens met de concrete initiatieven ter verbetering van de traceerbaarheid van producten die de rapporteur voorstelt. Hiermee kunnen de autoriteiten, de bedrijven en de consumenten nagaan welke producten op de interne markt onveilig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. − (IT) De interne markt heeft meer dan ooit behoefte aan regelgeving ter harmonisering van de veiligheidscontroles op de in onze landen verhandelde producten.

Zulke regelgeving is dringend nodig, omdat we de consumenten moeten beschermen tegen de stroom van meestal uit landen als China afkomstige producten die vaak worden geproduceerd en verpakt zonder dat er ook maar een greintje aandacht wordt besteed aan de veiligheid van de eindgebruiker. We moeten toezien op de kwaliteit van producten die op onze markten terechtkomen en nagaan of deze voldoen aan onze veiligheidsvoorschriften ter bescherming van de consument. Daarnaast moeten we bovenal de nationale wetgevingen met één wetgevingsinstrument harmoniseren, omdat het markttoezicht soms sterk verschilt per land.

Als we de voorstellen die in het verslag worden gedaan, in de praktijk willen brengen, hebben we op korte termijn een tekst nodig waarmee de huidige knelpunten in de communautaire wetgeving worden opgelost. Nu overlappen meerdere richtlijnen elkaar, waarbij niet altijd het gehele toepassingsgebied en alle mogelijke scenario's op het gebied van de veiligheid van verhandelde producten worden afgedekt. We kunnen ook goede resultaten verwachten van de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten. Hier wordt in het verslag, in het definitieve overzicht van de voorstellen die in de tekst worden gedaan, sterk voor gepleit. Daarom stem ik voor het verslag van mevrouw Schaldemose.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. – (RO) Het aantal producten dat verkrijgbaar is op de interne markt is de afgelopen tien jaar gestaag gestegen en uiteindelijk verveelvoudigd. Dat is ruwweg sinds de richtlijn inzake algemene productveiligheid van kracht is geworden. In deze richtlijn zijn algemene voorschriften neergelegd om te voorkomen dat de veiligheid van personen in gevaar komt. Daarom komt de ontwerpresolutie om deze richtlijn te herzien geen moment te vroeg. Op dit moment hebben we een richtlijn die het nieuwe wetgevingskader dat in 2008 is aangenomen slechts ten dele overlapt. Het op één lijn brengen van de twee reguleringen zou ons een betere kans geven om het doel van een coherente interne markt voor zowel geharmoniseerde als niet-geharmoniseerde producten en tevens algehele bescherming van consumentenbelangen te verwezenlijken. Tegelijkertijd moeten deze reguleringen volledig transparant zijn, zodat ze toegankelijk zijn voor de betrokken producenten. Dientengevolge is het belangrijk dat we ons ontdoen van de twee overlappende lagen van uiteenlopende regels voor het markttoezicht op geharmoniseerde goederen, naargelang het al dan niet consumentenproducten betreft.

Markttoezicht is nauw verbonden met productveiligheid, omdat het een belangrijk element is van de inspanningen om ervoor te zorgen dat producten voldoen aan de in de relevante harmonisatiewetgeving van de EU neergelegde eisen en dat ze niet gevaarlijk zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór dit verslag gestemd waarmee wordt beoogd de richtlijn inzake algemene productveiligheid te herzien. Ik ben er stellig van overtuigd dat de interne markt alleen goed kan functioneren als zij garant staat voor veilige producten en vertrouwen van de zijde van de consument. Het is nu al bijna tien jaar geleden dat Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid, waarin de algemene veiligheidseisen voor producten zijn vastgelegd, is aangenomen, en zij is dan ook aan herziening toe, mede gelet op de nieuwe producten op de markt. De veiligheid en de bescherming van de consumenten zijn van oudsher prioriteiten in ons politieke optreden, en daarom moet de richtlijn worden herzien teneinde de algemene regels inzake productveiligheidseisen te kunnen actualiseren en de regelgeving aan te passen aan het NWK.

Ook ik vind dat er een aantal maatregelen moet worden genomen. Daarbij doel ik bijvoorbeeld op de noodzaak van verscherping van het markttoezicht, het nemen van maatregelen op het gebied van de traceerbaarheid van producten, onder meer aan de hand van moderne technologische instrumenten, de instelling van een databank met informatie over de veiligheid van consumentenproducten en het voorstel om meer aandacht te besteden aan producten die voor kinderen bestemd zijn. Als deze maatregelen snel worden getroffen, zullen de consumenten meer vertrouwen hebben bij het doen van aankopen op de interne markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. (PT) Ik steun het initiatief om de Europese maatregelen ter waarborging van de veiligheid van de producten die op de markt worden gebracht te verbeteren en te versterken, waarbij het welzijn en de bescherming van de consument centraal dienen te staan. Ik ben van mening dat de voorgestelde maatregelen op het lokale niveau (producenten en bedrijven), zoals traceerbaarheid, productveiligheid en transparantie van onlinehandel, belangrijke punten zijn die essentieel zijn om tekortkomingen in de Europese aanpak van dit thema, en derhalve ook in het functioneren van de interne markt, weg te werken. Tot slot wil ik nog wijzen op het belang van samenwerking tussen de lidstaten, waarmee het veiligheidsniveau uniform kan worden gemaakt en het markttoezicht verscherpt.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. − (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat ik het van fundamenteel belang acht te garanderen dat alle producten die op de Europese markt worden gebracht, veilig zijn en de consumenten een hoog beschermingsniveau bieden. Het is noodzakelijk dat de lidstaten, samen met de Europese Commissie, op gecoördineerde wijze sancties, met inbegrip van hoge boetes, invoeren voor de marktdeelnemers die opzettelijk gevaarlijke of niet-conforme producten op de interne markt brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) Om het vertrouwen van de consumenten veilig te stellen, is het van essentieel belang om nauwlettend toe te zien op de kwaliteit van de producten die op de markt gebracht worden; de communautaire voorschriften gaan dan ook in die richting, met enig succes. In die voorschriften moet volgens mij echter rekening worden gehouden met twee zaken die in feite twee zijden van dezelfde medaille zijn: (i) enerzijds mogen ze niet meer beperkingen opleggen aan Europese producenten dan aan hun internationale concurrenten, die niet aan dezelfde voorschriften hoeven te voldoen maar hun producten wel op dezelfde markt mogen verkopen, en (ii) anderzijds mogen ze niet zo streng zijn dat ze het economische mededingingsvermogen in gevaar brengen. Als zij rekening wil houden met die twee belemmeringen, moet de Commissie de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht dus herzien en moet zij daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan de meest kwetsbare consumenten, in het bijzonder kinderen. We weten allemaal dat bij een groot deel van de vele ongevallen die veroorzaakt worden doordat er onveilige producten op de markt gebracht worden, kinderen betrokken zijn, wat aangeeft dat er concrete maatregelen nodig zijn om er niet alleen voor te zorgen dat het eindproduct veilig is, maar ook dat het geschikt is voor de beoogde doelgroep.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) In dit verslag wordt ingegaan op de noodzaak om de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht, die ongeveer tien jaar geleden werd goedgekeurd, te herzien. In de loop van het afgelopen decennium is er op dit vlak heel wat vooruitgang geboekt in de Europese Unie en iedereen erkent dan ook dat het nodig en wenselijk is om het wetgevingskader dat instaat voor het garanderen van de veiligheid te verbeteren, wat ook consumenten en ondernemingen ten goede zal komen. Het is vooral noodzakelijk om de richtlijn in overeenstemming te brengen met het nieuwe wetgevingskader. Daarna moet er iets gedaan worden aan het feit dat de bepalingen uit de richtlijn inzake algemene productveiligheid (RAPV) en uit het nieuwe wetgevingskader (NWK) elkaar op bepaalde gebieden overlappen en andere gebieden niet bestrijken.

Ik ben het eens met het standpunt van de rapporteur dat de regels inzake productveiligheidseisen geactualiseerd moeten worden en in overeenstemming gebracht moeten worden met het nieuwe wetgevingskader ten einde optimale consumentenbescherming – door het aanbieden van kwaliteitsproducten – en volledige transparantie voor de betrokken producenten te kunnen waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) In dit verslag worden een aantal richtsnoeren voorgesteld voor de toekomstige herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht. Er wordt gewezen op de doelstelling om een betere veiligheid van producten te garanderen. Daarvoor is volgens het verslag meer toezicht nodig en moeten er voldoende middelen vrijgemaakt worden voor de markttoezichthouders, om zo onder meer de traceerbaarheid van producten in alle stadia van de logistieke keten te waarborgen. Er wordt ook ingegaan op de belangrijke kwestie betreffende het land van oorsprong van het product en van de verantwoordelijke producent. Zo wordt niet alleen het recht op informatie van de consument maar ook de industrie in de EU-landen beschermd. We hebben de gevolgen van de ontwikkeling en de uitdieping van de interne markt voor de economische en sociale divergentie in de EU bekritiseerd en aangeklaagd, maar de concrete voorstellen die in dit verslag worden gedaan – en die toegespitst zijn op de consumentenbelangen – dragen onze goedkeuring.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Ondanks onze tegenkanting tegen de ontwikkeling van de Europese interne markt, die het uitgangspunt vormt voor dit verslag, betekenen de concrete voorstellen die erin gedaan worden en de onderliggende kwestie die erin geanalyseerd wordt een verbetering van de voorwaarden voor en de veiligheid van consumenten.

Dit verslag is concreet bedoeld om richtsnoeren uit te werken voor de toekomstige herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht.

De rapporteur heeft bijzondere nadruk gelegd op het feit dat er meer toezicht nodig is om de productveiligheid te verbeteren. Zij wijst er ook op dat er voldoende middelen moeten worden toegekend aan de markttoezichthouders om de traceerbaarheid van producten in alle stadia van de logistieke keten te waarborgen, aangezien het van essentieel belang is om het land van oorsprong van het product en de verantwoordelijke producent te kunnen traceren, wat in het geval van ingevoerde producten ook de industrie in de Europese Unie beschermt.

Daarom hebben wij voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lorenzo Fontana (EFD), schriftelijk. − (IT) Gelet op het goede werk van mevrouw Schaldemose stem ik voor het verslag over de herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht. Ik steun dit verslag omdat daarin maatregelen worden getroffen op het vlak van de traceerbaarheid, die bijdragen aan het van de markt verwijderen van producten die mogelijk schadelijk zijn voor de consumenten, en omdat daarin de nadruk wordt gelegd op streng toezicht op producten uit derde landen, in het bijzonder uit China.

 
  
MPphoto
 
 

  Pat the Cope Gallagher (ALDE), schriftelijk. – (GA) Alle handelswaren en producten die op de EU-markt worden verkocht, moeten voldoen aan een hoge veiligheidsnorm teneinde consumenten in de Europese Unie te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE), schriftelijk. − (PL) Productveiligheid is een van de grootste zorgen van de consument, die wil dat de door hem aangeschafte goederen geen bedreiging vormen voor zijn gezondheid. De veiligheid van producten hangt natuurlijk vooral af van de producenten en importeurs die de producten op de markt brengen. Markttoezicht is van doorslaggevende betekenis bij de garantie dat alleen producten die voldoen aan de vereiste normen op de markt terechtkomen. Door het aannemen van het verslag geeft het Europees Parlement een sterk signaal af. Het roept op tot meer coherentie tussen de richtlijn inzake algemene productveiligheid en andere wetgevingsbesluiten. Zo ontstaan een beter functionerend stelsel van markttoezicht en begrijpelijke en heldere voorschriften voor ondernemers. Dit biedt consumenten de garantie dat het product dat zij in handen krijgen, voldoet aan de wettelijke eisen.

Het aantal RAPEX-kennisgevingen neemt echter in onrustbarende mate toe. De overweldigende meerderheid hiervan betreft producten van Chinese oorsprong. In het advies dat ik over dit verslag heb opgesteld in de Commissie internationale handel, roep ik onder andere op tot versterking van de samenwerking op het gebied van productveiligheid met onze voornaamste handelspartners en verdere verbetering van het functioneren van het RAPEX-China-systeem. Ik hoop dat versterking van de samenwerking met China zal leiden tot verbetering van de kwaliteit van producten die vanuit China op de EU-markten worden gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) De Europese Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid (RAPV), waarin de algemene veiligheidseisen voor producten op communautair niveau zijn vastgelegd, moet worden herzien en in overeenstemming worden gebracht met het in 2008 aangenomen nieuwe wettelijke kader, met name door integratie met de regelgeving voor het markttoezicht. Het wettelijk kader voor productveiligheid en markttoezicht bestaat uit drie lagen van wetgeving (de richtlijn, het wettelijk kader en de sectorspecifieke harmonisatierichtlijnen), wat tot onzekerheid en verwarring in de interne markt leidt. De mate van markttoezicht verschilt sterk per lidstaat. Bovendien trekt een aantal lidstaten niet de middelen uit die nodig zijn om een doelmatig markttoezicht te organiseren en beoordelen lidstaten producten die een risico met zich meebrengen verschillend. Daardoor kunnen er belemmeringen voor het vrije verkeer ontstaan, kan de concurrentie worden verstoord en kan de veiligheid van consumenten in de interne markt worden aangetast. Het huidige wettelijke kader voor het markttoezicht vertoont te weinig samenhang en moet daarom worden herzien en verder worden gecoördineerd. Toch heb ik niet voor dit document gestemd, omdat ik van mening ben dat door alleen naar de veiligheid van consumenten te kijken, we het vrije verkeer van een breed scala aan producten zouden inperken. De genomen maatregelen moeten toereikend zijn, maar moeten wel zowel de veiligheid van consumenten als het vrije verkeer van een variëteit aan producten in aanmerking nemen. Ook is duidelijk dat markttoezicht voor een aantal lidstaten een uitdagende activiteit is, omdat ze niet in staat zijn de nodige middelen voor een doelmatig markttoezicht vrij te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Edvard Kožušník (ECR), schriftelijk. − (CS) Ik steun het voorliggende verslag over de herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht. Ik waardeer het zeer dat er in deze laatste versie geen voorstellen meer staan voor de oprichting van nog meer agentschappen en dat aldus niet een nog groter beslag wordt gelegd op de begroting. Ik zou speciaal stil willen staan bij het accent dat in het verslag op de problematiek van standaardisering als regulerend instrument gelegd wordt. Dit is voor mij een treffend voorbeeld van slimme regelgeving, oftewel regelgeving die niet van bovenaf wordt opgelegd, maar afkomstig is van onderaf, van de betrokken partijen. Ik zou juist om die reden willen oproepen tot een grotere betrokkenheid van de toezichthoudende organen bij het totstandkomingsproces van veiligheidsnormen, want dit is bij uitstek een gelegenheid om hun kijk op de zaak op toereikende wijze bij het normalisatieproces te betrekken. Voor een grotere slagkracht op het gebied van de totstandbrenging van veiligheidsnormen voor producten is het van cruciaal belang dat met name oog wordt gehouden voor de stabiliteit van het Europese normalisatiestelsel, alsook dat de Europese normen worden vereenvoudigd en de duur van hun totstandkomingsproces wordt ingekort.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. − (IT) In de eerste plaats wil ik mevrouw Schaldemose bedanken voor haar werk. Het vandaag aangenomen verslag heeft betrekking op de belangrijke thema's van productveiligheid en consumentenbescherming. Dankzij de Europese inzet voor de bescherming van de consumenten tegen gevaarlijke producten en producten die gebreken vertonen, beschikken we al over goede normen, maar ik denk dat er nog ruimte is voor verbetering, met name met betrekking tot kwetsbare consumenten, zoals kinderen, ouderen en personen met een handicap. Met het oog daarop moet het markttoezicht worden verscherpt aan de hand van effectievere grenscontroles en de traceerbaarheid van producten in alle stadia van de logistieke keten. Tot slot wijs ik op de noodzaak van een herziening van het huidige regelgevingskader – te weten de richtlijn inzake algemene productveiligheid – aan de hand van de richtsnoeren die bij de stemming van vandaag zijn vastgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Er zijn nog steeds te veel onveilige producten verkrijgbaar op de markt. Ik verwelkom dit verslag, waarin staat dat RAPEX (het communautair systeem voor snelle uitwisseling van informatie over gevaarlijke consumentenproducten) voor verdere verbetering vatbaar is. De lidstaten moeten specifiek de doeltreffendheid en zichtbaarheid van douaneregels en -autoriteiten verbeteren om onveiligheid van producten aan te pakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. − (IT) In de afgelopen tien jaar is er op het gebied van productveiligheid op de interne markt, mede dankzij de gezamenlijke aanpak, onmiskenbaar vooruitgang geboekt. Toch moet er nog veel werk worden verricht. De bestaande Europese regelgeving inzake productveiligheid is dringend aan herziening toe. Het is nu al bijna tien jaar geleden dat Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid (de RAPV), is aangenomen, en zij is dan ook duidelijk aan herziening toe. De herziening van de RAPV is tevens noodzakelijk om deze in overeenstemming te brengen met het nieuwe wetgevingskader (NWK) voor producten uit 2008. Het markttoezicht, dat gekoppeld is aan de productveiligheid, moet worden verscherpt. Het belangrijkste knelpunt dat moet worden opgelost – de ware prioriteit van dit verslag – heeft betrekking op de producten die bestemd zijn voor of aantrekkingskracht uitoefenen op kinderen. Daarnaast is het wenselijk dat de Commissie een verordening inzake algemene productveiligheid en markttoezicht voorstelt. Daarin zouden in elk geval de volgende elementen moeten worden opgenomen: concrete maatregelen ter verbetering van de traceerbaarheid van producten, de verplichting voor fabrikanten om in de ontwerpfase van een product een uitgebreide risicoanalyse uit te voeren en strenge normen voor onlineverkoop.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) De consolidering van de interne markt is van essentieel belang voor de goede economische ontwikkeling van de EU. Zij kan echter alleen bereikt worden als de producten die op de markt gebracht worden, veilig zijn en er voldoende vertrouwen heerst bij de consumenten. In het streven naar vrij verkeer en een nog breder scala aan producten op de markt mag de veiligheid van de consument vooral niet uit het oog verloren worden. De laatste jaren is er heel wat vooruitgang geboekt op het vlak van productveiligheid. Het is echter noodzakelijk dat we die veiligheid blijven verbeteren, in het bijzonder voor producten die bedoeld zijn voor kinderen, aangezien zij sneller het slachtoffer worden van een gebrekkige naleving van de veiligheidsvoorschriften.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) Dit verslag, dat met eenparigheid van stemmen is aangenomen in de Commissie interne markt en consumentenbescherming, is een soort bijdrage van het Parlement aan de herziening van Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid. Wat belangrijk is, is dat het verslag het belang onderstreept van de herziening van de huidige Europese wetgeving om ervoor te zorgen dat onveilige producten kunnen worden opgespoord en tegengehouden. Deze en andere maatregelen zijn bedoeld om de inwoners van de EU te beschermen tegen het in de handel komen van gevaarlijke producten en daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Franz Obermayr (NI), schriftelijk. (DE) Ongeveer 60 procent van de producten die gemeld zijn in het RAPEX-systeem, is afkomstig uit China. Het leeuwendeel van de gevaarlijke producten komt dus uit een markt die de EU vrijwel onmogelijk kan controleren. Ik hoop dat het nieuwe systeem RAPEX-China dit zal verhelpen. De EU moet een sterke positie innemen teneinde consumenten en hun gezondheid te beschermen. Gevaarlijke producten moeten sneller en doelmatiger worden teruggeroepen en de traceerbaarheid ervan moet in alle stadia van de logistieke keten verbeteren. Dit verslag gaat in deze richting, daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) De enorme omvang van de interne markt maakt doelmatige, specifieke regelgeving op het gebied van de veiligheid van consumentenproducten nodig, en daarom denk ik dat de EU haar eigen regelgeving moet actualiseren om het markttoezicht te waarborgen. In het verslag van mevrouw Schaldemose, dat ik heb gesteund, wordt bevestigd dat de richtlijn uit 2001 moet worden herzien in verband met de problemen omtrent de omzetting door de lidstaten. Zij passen de richtlijn sinds 2004 niet langer toe, wat geleid heeft tot problemen met betrekking tot het producttoezicht, waardoor zij de certificering niet naar behoren hebben gewaarborgd. Ik ben het eens met de nadruk die in het verslag wordt gelegd op de bestrijding van namaak aan de hand van betere productidentificatie door gebruikmaking van nieuwe technologieën, wat in het belang is van de veiligheid van de consumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag heeft betrekking op de herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht. In ons streven naar vrij verkeer en een nog breder scala aan producten op de markt, mogen wij de veiligheid van de consument vooral niet uit het oog verliezen. Zowel de overheid als het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor verbetering van de productveiligheid. Hoewel er onmiskenbaar vooruitgang wordt geboekt, is er nog ruimte voor verbetering en deze moet dan ook worden aangegrepen, aangezien lacunes op dit gebied de veiligheid van de consument in gevaar zouden kunnen brengen of soms zelfs fataal kunnen zijn. Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik het helemaal eens ben met de voorstellen van de rapporteur om het belang van een herziening van de bestaande Europese wetgeving inzake productveiligheid te benadrukken opdat gevaarlijke producten opgespoord en van de markt gehaald kunnen worden, in het belang van de consument. Ik wil in het bijzonder wijzen op de wijzigingen aan de veiligheidsvoorschriften voor producten bestemd voor de meest kwetsbare consumenten op de interne markt, met name kinderen, ouderen en mensen met een handicap.

 
  
MPphoto
 
 

  Crescenzio Rivellini (PPE), schriftelijk. (IT) Ik feliciteer mevrouw Schaldemose met het uitstekende werk dat zij heeft verricht.

De consumenten moeten beter worden beschermd tegen producten die gebreken vertonen en mogelijk een gevaar vormen. Met dit verslag maken wij de Commissie duidelijk dat de richtlijn moet worden herzien omdat het markttoezicht versterkt moet worden en voor de gehele interne markt gelijk moet zijn.

Ik ben van mening dat het van groot belang is om de grenscontroles, met name in havens, te verbeteren om te voorkomen dat producten die gebreken vertonen op de interne markt belanden. Ik vraag de Commissie en de regeringen van de lidstaten strengere sancties in te stellen voor inbreuken op de veiligheidsvoorschriften bij de invoer uit derde landen.

De traceerbaarheid van producten in alle stadia van de logistieke keten is een ander belangrijk aspect waarmee de mogelijkheid om producten, ook tijdens de productiefase, van de markt te weren, wordt gewaarborgd. Daarom moeten de grenscontroleautoriteiten over voldoende middelen beschikken. Daarnaast vraag ik meer aandacht voor de toenemende onlineverkoop, met speciale aandacht voor de verkoop van producten die de consument directe schade kunnen toebrengen, zoals farmaceutische producten en levensmiddelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Rochefort (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik stem vóór het verslag over de herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht. Ik ben namelijk een voorstander van een verduidelijking van het huidige wetgevingskader inzake productveiligheid en markttoezicht, dat uit een drielagige structuur van wetgevingshandelingen bestaat. Om ervoor te zorgen dat de markttoezichthouders niet geconfronteerd worden met enige onzekerheid, zouden we een gemeenschappelijk Europees stelsel van markttoezicht moeten instellen dat van toepassing is op alle producten die op de interne markt worden aangeboden of de interne markt binnenkomen. We mogen bovendien niet vergeten dat het – om marktdeelnemers te weerhouden van illegale activiteiten – belangrijk is om actie te ondernemen, zowel in termen van sancties voor marktdeelnemers die opzettelijk gevaarlijke of niet-conforme producten op de interne markt brengen als van transparantie: alle gevallen waarin producten worden verboden, moeten bekend worden gemaakt. Dit verslag behandelt nog een andere cruciale kwestie, namelijk die van de productveiligheid vanuit mondiaal perspectief. In deze context moet de Europese Unie zich ten doel stellen de uitwisseling van informatie over gevaarlijke producten uit derde landen zoals China en India te verbeteren om zo de kwestie van productveiligheid en traceerbaarheid aan te pakken voordat producten op de Europese markt komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Een goed functionerende interne markt zou ook veilige producten en consumentenvertrouwen opleveren. We moeten streven naar vrij verkeer en een nog bredere variatie aan producten op de markt, maar we mogen ook de consumentenveiligheid niet uit het oog verliezen. Als we in het algemeen naar de productveiligheid kijken, zien we dat er de afgelopen tien jaar vooruitgang is geboekt in de EU. Regeringen en ondernemingen nemen de verantwoordelijkheid om te zorgen voor veiliger producten en als gevolg van wetgeving op EU-niveau is er een gemeenschappelijke aanpak als het gaat om productvereisten, waardoor de algemene veiligheid van producten op de interne markt is verbeterd. Hoewel er vooruitgang is geboekt, is er nog steeds ruimte voor verbetering op dit gebied. Deze moet worden benut, want de veiligheid van de consument kan in gevaar komen, soms met dodelijke gevolgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. − (IT) Met de aanneming van deze resolutie onderstreept het Europees Parlement dat het van groot belang is om de grenscontroles, met name in havens, te verbeteren om effectief te kunnen voorkomen dat producten die gebreken vertonen op de interne markt belanden.

In het aangenomen document wordt de Commissie en de lidstaten verzocht strengere sancties in te stellen voor inbreuken op de veiligheidsvoorschriften bij de invoer uit derde landen. Daarnaast moet er meer aandacht komen voor de almaar toenemende onlineverkoop, met speciale aandacht voor de verkoop van producten die de consument directe schade kunnen toebrengen, zoals farmaceutische producten en levensmiddelen.

De traceerbaarheid van producten in alle stadia van de logistieke keten is een ander belangrijk aspect waarmee de mogelijkheid om producten, ook tijdens de productiefase, van de markt te weren, wordt gewaarborgd. Daarom moeten de grenscontroleautoriteiten over voldoende middelen beschikken voor de uitvoering van controles.

Ik onderstreep het belang van de verplichting voor fabrikanten om al in de ontwerpfase van een product een risicoanalyse uit te voeren met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid, evenals het belang van de instelling van een openbare databank met informatie over productveiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Oreste Rossi (EFD), schriftelijk. − (IT) De herziening van de richtlijn is gericht op de uniformering en harmonisering van de verschillende, elkaar overlappende wetgevingen met betrekking tot het markttoezicht op consumptiegoederen.

In een geglobaliseerde wereld met vrij verkeer van goederen en personen wordt het steeds noodzakelijker om de op de markt beschikbare producten aan regulier toezicht te onderwerpen.

Speciale aandacht moet uitgaan naar producten uit derde landen, aangezien deze producten, gezien de lagere hygiëne- en gezondheidsnormen, de productieprocessen en het gebruik van bij ons verboden materialen, besmet kunnen zijn.

Meer in het bijzonder moet van kinderspeelgoed worden vastgesteld dat het niet giftig is, aangezien kinderen het speelgoed vaak in de mond stoppen en het merendeel van het speelgoed in China wordt vervaardigd, een land dat helaas bekend staat om de lage productiekosten en de gebrekkige kwaliteitscontroles. Een belangrijk element is de traceerbaarheid, die ons in staat stelt producten te weren die mogelijk een gevaar vormen voor de consumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd, waarin verdere verbeteringen worden voorgesteld in het communautaire systeem voor snelle uitwisseling van informatie over gevaarlijke consumentenproducten. Het verbeteren van de doeltreffendheid en zichtbaarheid van douaneregels zal helpen slechte productveiligheid aan te pakken en daar zullen de consumenten uiteindelijk van profiteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Róża Gräfin von Thun und Hohenstein (PPE), schriftelijk. − (EN) Een veilige interne markt is een prioriteit voor onze burgers en dit verslag belicht onvolkomenheden in de wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht en de manier waarop deze op EU-niveau en op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd. Het huidige gebrek aan rechtszekerheid, waarbij voor verschillende productcategorieën verschillende rechtsinstrumenten gelden en er op andere gebieden mazen in de wet bestaan, is een belemmering voor de marktveiligheid en voor het goed functioneren van de interne markt. De richtlijn inzake algemene productveiligheid en de regels voor het markttoezicht moeten worden vervangen door één enkele verordening, aangezien dat rechtsinstrument de hoogste mate van duidelijkheid en uniformiteit garandeert.

Daarom heb ik dat aangewezen als een van de voornaamste prioriteiten voor opname in het verslag van de heer Correia De Campos over een interne markt voor Europeanen, waarvoor ik schaduwrapporteur ben. Bovendien moet, gezien het feit dat steeds meer mensen online kopen, de wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht nu worden geactualiseerd om maatregelen op te nemen met betrekking tot onlineverkoop teneinde het consumentenvertrouwen op dit gebied te versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Niki Tzavela (EFD), schriftelijk. – (EL) Ik heb vóór de ontwerpresolutie van mevrouw Schaldemose gestemd omdat hierin een serieus en actueel thema wordt behandeld. Wij moeten hoe dan ook de bestaande mechanismen voor algemene productveiligheid verbeteren, want dan kunnen wij voor consumenten een hoger niveau van bescherming van hun gezondheid en veiligheid waarborgen.

Ik kom uit een land dat zich op een geografisch knooppunt bevindt en ben van mening dat het voorstel bijzonder opbouwend is. Veel uit derde landen ingevoerde producten voldoen namelijk niet aan de duidelijke kwaliteits- en veiligheidsvoorschriften van de communautaire wetgeving. Pas als deze producten worden onderworpen aan soortgelijke preventie- en toezichtmechanismen kunnen wij echt doeltreffend zijn en bijdragen aan de marktsanering, en pas dan zullen wij de consumenten echt van dienst zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. − (DE) Ik heb vóór het verslag over de herziening van de richtlijn inzake algemene productveiligheid en markttoezicht gestemd omdat ik in beginsel voorstander ben van het versterken van markttoezicht in het belang van een doelmatige consumentenbescherming. Ik geloof dat het belangrijk is om kinderen, ouderen en mensen met een beperking te beschermen, omdat de gemeenschap een speciale verantwoordelijkheid voor hen heeft. Na tien jaar was het wel tijd om de richtlijn grondig te herzien om er nieuwe verkoopkanalen, zoals onlinehandel, in op te nemen.

 
  
  

Verslag: Michèle Rivasi (A7-0035/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik het ermee eens ben dat bij de respons op een pandemie betere samenwerking nodig is en omdat ik van mening ben dat een herziening van de preventieplannen die werden opgesteld door de EU en haar lidstaten noodzakelijk is. De WHO moet haar definitie van pandemie dringend herzien, om niet alleen rekening te houden met het criterium van de geografische verspreiding, maar ook met de ernst ervan. Ik ben van mening dat dit soort situaties beter beheerd moet worden via een evaluatie van de aanbevolen vaccinatiestrategieën en dat dat enkel bereikt kan worden het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding zijn bevoegdheden als onafhankelijke instantie beter uitoefent en als het over de nodige middelen daartoe kan beschikken.

 
  
MPphoto
 
 

  Elena Oana Antonescu (PPE), schriftelijk. – (RO) Ik verwelkom dit initiatief ten behoeve van een grotere waakzaamheid en volledige transparantie met betrekking tot de beoordeling van geneesmiddelen die worden aanbevolen in geval van noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid en ten behoeve van het verbeteren van de vaccinatie- en communicatiestrategieën met het oog op de voorbereiding op en preventie van pandemieën. Ik denk dat de Europese Unie meer middelen moet uittrekken voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van preventiemaatregelen om een verhoging van de investeringen in een betere beoordeling van en voorbereiding op de gevolgen van een griepvirus te realiseren, zowel tussen pandemieën in als bij het uitbreken van een pandemie. Dat is de reden dat ik voor dit verslag heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) De Europese Unie was verplicht lessen te trekken uit het controversiële beheer, in 2009-2010, van de H1N1-griep in Europa en de noodzakelijke maatregelen te nemen om verdere onevenredige reacties te voorkomen. Om deze reden stem ik vóór deze tekst, die voorziet in meer samenwerking, meer onafhankelijkheid en meer transparantie teneinde eventuele toekomstige pandemieën effectief te kunnen bestrijden. Meer samenwerking, in de zin dat deze tekst voorziet in een herziening van de preventieplannen van de Europese Unie, een herziening van de rollen en verantwoordelijkheden van de belangrijkste spelers en de invoering van een procedure om de lidstaten in staat te stellen vrijwillig groepsaankopen van vaccins en antivirale geneesmiddelen te verrichten. Hiernaast roept deze tekst de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ertoe op het criterium van de ernst van een ziekte op te nemen in haar definitie van een pandemie. Meer onafhankelijkheid, in de zin dat deze tekst stipuleert dat het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) zijn bevoegdheden als onafhankelijk agentschap moet uitoefenen teneinde te beschikken over wetenschappelijke onderzoeken die onafhankelijk zijn van de farmaceutische bedrijven. Meer transparantie, tot slot, in de zin dat deze tekst oproept tot een beoordeling van de doeltreffendheid van de vaccinatiestrategieën. Deze tekst zal derhalve resulteren in consequentere communicatie tussen de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd. Volgens de eind april 2010 door het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) bekendgemaakte cijfers heeft de A(H1N1)-griep in Europa 2 900 doden geëist. Deze cijfers zijn laag in vergelijking met de officiële ramingen van het aantal sterfgevallen die louter het gevolg zijn van de seizoensgriep, dat door de Commissie wordt geschat op 40 000 in een matig jaar en 220 000 in een bijzonder hevig griepseizoen. Ook zijn de cijfers beduidend lager dan de meest optimistische prognoses van de gezondheidsdiensten in de EU-lidstaten. Naar aanleiding van de uitbraak van deze griep werd een alarm van het hoogste niveau afgegeven, dat in sommige lidstaten tot een reeks maatregelen heeft geleid die zeer duur waren (in Groot-Brittannië worden de kosten bijvoorbeeld geraamd op 1,3 miljard euro en in Frankrijk op 990 miljoen euro – tegenover 90 miljoen euro voor seizoensgriep) en in deze gevallen zonder verhouding met de feitelijke ernst van het virus. Ik deel de opvatting dat de Wereldgezondheidsorganisatie dringend haar definitie moet herzien en deze niet alleen op de verspreiding van een virus moet baseren, maar ook op de mogelijke ernst van een ziekte, teneinde een adequatere respons mogelijk te maken en de EU-burgers tegen echte gevaren te beschermen. Mijns inziens moeten de lidstaten en de verantwoordelijke instellingen en organisaties op dit gebied beter samenwerken en moeten de verantwoordelijkheden op een meer transparante wijze over de belangrijkste spelers worden verdeeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Regina Bastos (PPE), schriftelijk.(PT) De A(H1N1)-griep, veroorzaakt door het influenza A(H1N1)-virus, dook voor het eerst op in Mexico, eind maart 2009, en trof daarna verschillende landen. In mei 2009 erkende de WHO de ernst van de A(H1N1)-griep als “matig”, maar in juni van datzelfde jaar werd alarmniveau 6 afgekondigd voor de pandemie. Het feit dat de WHO het hoogste alarmniveau afkondigde, leidde in sommige lidstaten tot een reeks maatregelen die zeer duur waren (in Groot-Brittannië worden de kosten bijvoorbeeld geraamd op 1 300 miljoen euro en in Frankrijk op 990 miljoen euro – tegenover de 87 miljoen euro voor seizoensgriep). De reactie was buiten proportie. Elke lidstaat heeft voor eigen rekening beslissingen genomen, zonder veel samenhang en zelfs zonder solidariteit. Dit verslag, waar ik voor gestemd heb, komt tot de juiste conclusies en pleit voor meer coördinatie tussen de lidstaten en de Europese instellingen op het vlak van volksgezondheid en voor een verduidelijking en een herziening van de rollen en verantwoordelijkheden van de belangrijkste actoren en beheersstructuren, en van de bedreigingen voor de volksgezondheid op Europees niveau. Tot slot wordt in het verslag ook erkend dat onafhankelijk van de farmaceutische bedrijven uitgevoerde wetenschappelijke studies naar vaccins en antivirale geneesmiddelen nodig zijn, onder meer wat de monitoring van de vaccinatiegraad betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk.(PT) In het licht van de maatregelen die verschillende landen van de Europese Unie getroffen hebben om een mogelijke pandemie van het H1N1-virus te bestrijden, ben ik het ermee eens dat de reactie op dergelijke situaties verbeterd moet worden en gebaseerd moet zijn op de wetenschappelijke gegevens die in dit soort situaties voorhanden zijn. Ik ben dan ook voorstander van een herziening van de actie- en preventieplannen bij een pandemie. Die herzieningen moeten in de richting gaan van meer samenwerking en coördinatie tussen de volksgezondheidsinstanties van de lidstaten en de Europese instellingen. Een ander aspect dat volgens mij bijzonder belangrijk is, is de transparantie met betrekking tot de gebruikte geneesmiddelen en de wetenschappelijke verslagen die worden voorgelegd door de volksgezondheidsinstanties, om belangenconflicten te voorkomen en de veiligheid van de burgers en hun recht op informatie te garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. (PT) De Europese Unie was de regio die het best voorbereid was en over de grootste reactiecapaciteit beschikte om deze uitbraak het hoofd te bieden, hoewel de uiteenlopende mate van paraatheid in de lidstaten en het gebrek aan een echte samenwerking tussen die lidstaten hun optreden verzwakt heeft. De voorbereiding en de reactie op gezondheidsrisico’s in de EU valt onder de bevoegdheid van de lidstaten, en het is daarom van wezenlijk belang dat de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, de instellingen en internationale en regionale organisatie versterkt wordt, in het bijzonder in de beginfasen van een virale uitbraak, om de ernst van een dergelijke uitbraak te temperen, om belangrijke beslissingen te kunnen nemen en om de uitbraak op een samenhangende manier aan te pakken. De uiteenlopende aanbevelingen binnen de EU en de lidstaten met betrekking tot de prioritaire doelgroepen voor vaccinatie zijn een duidelijke afspiegeling van de onzekerheid en de verschillende standpunten die er heersten over de te volgen aanpak. Ook de aanzienlijke kosten hadden beperkt kunnen worden door een nauwere samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding. Ik schaar me achter de behoefte om een Europese gedragscode uit te werken voor wetenschappelijke deskundigen bij eender welke Europese instantie die verantwoordelijk is voor veiligheid, risicobeheer en prognoses, om meer gevallen van corruptie te vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) Het beheer van de – aangekondigde – H1N1-griepepidemie was een mislukking. Wij zouden derhalve lessen moeten trekken uit die crisis zodat we eventuele toekomstige pandemieën doeltreffender kunnen bestrijden. Het moge duidelijk zijn dat de lidstaten meer met elkaar en met de Europese instellingen moeten samenwerken met het oog op een doeltreffender reactie in geval van een pandemie. Ook moeten we ervoor zorgen dat de rol van de structuren op Europees niveau voor het beheer van de gevaren voor de gezondheid wordt verduidelijkt en dat de WHO haar definitie van de criteria voor het afkondigen van een wereldwijd pandemiealarm herziet. Tot slot lijkt het een goede zaak als er een systeem wordt opgezet waarbij de overheden van de lidstaten gezamenlijk vaccins aankopen. Last but not least: er moet sprake zijn van volledige transparantie met betrekking tot de deskundigen die als adviseur aan Europese volksgezondheidsinstanties zijn verbonden, om zo een einde te maken aan potentiële belangenconflicten.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Delvaux (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik verwelkom de stemming over dit verslag, waarvoor ik was benoemd tot schaduwrapporteur voor de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-Democraten). In het belang van de circa vijfhonderd miljoen burgers die wij vertegenwoordigen, moeten we lessen trekken uit deze crisis zodat we eventuele nieuwe pandemieën doeltreffender kunnen bestrijden. De gisteren aangenomen tekst is een uitstekend compromis in termen van gezondheidssamenwerking, onafhankelijkheid en transparantie.

Gezien de geconstateerde mislukking van echte samenwerking op gezondheidsgebied tussen de lidstaten moest er een constructieve en praktische aanpak komen die de volgende acties omvat:

intensievere samenwerking tussen de lidstaten en een betere coördinatie tussen de lidstaten en de Europese instellingen met het oog op een doeltreffender reactie in geval van een toekomstige pandemie;

een verduidelijking van de rollen van de structuren op Europees niveau voor het beheer van de gevaren voor de gezondheid;

de oproep aan het adres van de WHO om haar definitie van de criteria voor het afkondigen van een wereldwijd pandemiealarm te herzien;

de beoordeling van de in de lidstaten gevolgde vaccinatie- en communicatiestrategieën om het vertrouwen van de burgers terug te winnen;

de invoering van een systeem waarbij de overheden van de lidstaten, om prijsverschillen te voorkomen, gezamenlijk vaccins aankopen en

de openbaarmaking van de belangenverklaringen van alle deskundigen die als adviseur aan de Europese volksgezondheidsinstanties zijn verbonden, om ieder belangenconflict te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioan Enciu (S&D), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik denk dat er behoefte is aan een betere coördinatie op EU-niveau van de respons op epidemiologische risico’s. In het geval van de H1N1-influenza heeft het risicobeheer op mondiaal niveau gefaald, voornamelijk als gevolg van de tekortschietende correlatie tussen de alarmniveaus en de daadwerkelijke gevaren, met als gevolg een grote verspilling van middelen. In mijn ogen moet de Europese Unie een onafhankelijk systeem voor de beoordeling van het risico op een pandemie toepassen en het beheer van deze risico’s beter coördineren. Het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding moet naar behoren worden uitgerust om op dit gebied een zo actief mogelijke rol te spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor dit verslag over de aanpak van de H1N1-griepuitbraak gestemd, omdat er in dit verslag gewezen wordt op het belang van een versterkte samenwerking en van meer onafhankelijkheid en transparantie bij het beheer van toekomstige pandemieën, in het bijzonder via een betere toepassing van de bevoegdheden van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding als onafhankelijk agentschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. (PT) In 2009 werd de wereld verlamd door angst voor een virus dat veel potentieel had om uit te groeien tot een pandemie en mogelijk dodelijke gevolgen kon hebben: de A-griep. Gelukkig werd de ergste vrees over de morbiditeit en de mortaliteit van het H1N1-virus geen werkelijkheid. In Europa veroorzaakte het virus 2 900 doden, veel minder dan het aantal dodelijke slachtoffers van de seizoensgriep. Naar aanleiding van de waarschuwingen van de Wereldgezondheidsorganisatie en de heersende angst werden er echter uitzonderlijke maatregelen getroffen door de lidstaten, zoals massale vaccinaties, die een aanzienlijke uitgave vormden voor de gezondheidsstelsels. Het heeft weinig zin om te wijzen op de fouten in de aanpak van de A-griep, het is vooral van belang dat er conclusies uit getrokken worden. Een eerste conclusie is volgens mij dat we nog steeds beter te veel doen dan te weinig. Ten tweede moeten we hier lessen uit trekken voor het beheer van pandemieën in de toekomst, die agressiever zouden kunnen zijn, en moeten we nadenken over hoe en wanneer we moeten reageren en over welke maatregelen we moeten treffen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. (PT) Het H1N1-griepvirus heeft volgens de gegevens van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) gelukkig minder doden veroorzaakt dan oorspronkelijk verwacht werd, en wordt ondertussen beschouwd als een weinig ernstige ziekte in de EU. Aan het begin van de verspreiding van het virus, werd er her en der aan de alarmbel getrokken, waardoor verschillende lidstaten onnodig investeerden in vaccinatieprogramma’s die later overdreven bleken, toen bleek dat de mortaliteit in landen als Polen, waar geen uitzonderlijke maatregelen getroffen werden, op hetzelfde niveau bleef als in de landen die nationale vaccinatiecampagnes op touw hadden gezet, waarvan de kosten geraamd worden op vele miljoenen euro.

Volgens dit verslag was het beleid inzake de aanschaf van vaccins al vastgelegd in voorafgaande koopcontracten die al in 2007 met farmaceutische bedrijven zijn gesloten. Dat is een duidelijk voorbeeld van het gebrek aan transparantie in dit proces, dat te wijten was aan een onaanvaardbare afhankelijkheid van de lidstaten ten opzichte van de farmaceutische bedrijven. Ik ben het dus helemaal eens met de rapporteur en ik hoop dat zowel de Commissie als alle lidstaten gevolg zullen geven aan haar aanbevelingen, in het bijzonder die op het vlak van de betrouwbaarheid van de informatie die verstrekt wordt en het voorzorgsbeginsel – dat de patiënten ten goede moet komen, en niet de bedrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) In het licht van de door problemen geplaagde aanpak van de tot pandemie uitgeroepen uitbraak van de A(H1N1)-griep en in het licht van de bevestigde cijfers (2 900 sterfgevallen als resultaat van de H1N1-griep, terwijl de seizoensgriep in datzelfde jaar 40 000 slachtoffers maakte), wordt er in het verslag meer transparantie geëist, wat wij lovenswaardig vinden. Dat geldt zowel voor wat er gebeurd is – via een volledige opheldering van de getroffen maatregelen en de verantwoordelijkheden – als voor de aanpak van dergelijke situaties in de toekomst. Er moet in het bijzonder meer duidelijkheid komen over de aangekochte vaccins en antivirale middelen; de informatie over de vastgestelde gevallen en de ernst ervan; de verplichting voor het Europees Geneesmiddelenbureau om inzage te verschaffen in alle documenten die betrekking hebben op klinische proeven, onderzoeksprotocollen en de bijwerkingen van geneesmiddelen; en de belangenconflicten bij deskundigen die als adviseur aan Europese volksgezondheidsinstanties zijn verbonden. In het verslag wordt geëist dat de in de EU en de lidstaten ingestelde preventieplannen voor toekomstige grieppandemieën opnieuw worden bezien om ze doeltreffender en samenhangender te maken en om ze voldoende autonoom en flexibel te maken. Ook wordt erop aangedrongen dat de samenwerking tussen de lidstaten wordt verbeterd, zowel bij het bepalen van de ernst van de uitbraak van een virus als bij het nemen van beslissingen. Wij vinden dit over het algemeen een goed verslag en wij hebben daarom voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) In deze fase van de evaluatie van de aanpak van de uitbraak van de H1N1-griep is het belangrijk om lessen te trekken uit het verleden en om te erkennen dat landen over volksgezondheidsinstanties en voorlichtingsdiensten moeten beschikken die in staat zijn om op verschillende vlakken actie te ondernemen, in het bijzonder op de volgende gebieden:

- het uitwerken en evalueren van onafhankelijk van de farmaceutische industrie uitgevoerde wetenschappelijke studies naar de doeltreffendheid, de veiligheid en de risico-batenverhouding van vaccins en antivirale geneesmiddelen en naar de aanbevolen doelgroepen;

- de beoordeling van informatie over de geneesmiddelen die in noodsituaties op het gebied van gezondheid, met name in het geval van een echte pandemie, zijn aanbevolen;

- het versterken van de capaciteit om risico’s te beheren en erop te anticiperen, en onderzoek en ontwikkeling op dat gebied, alsook het treffen van preventieve maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid.

Het is ook nodig om de samenwerking tussen de verschillende nationale diensten onderling en tussen die diensten en de relevante internationale en regionale instellingen en organisaties te versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Lorenzo Fontana (EFD), schriftelijk. − (IT) Ik steun het verslag van mevrouw Rivasi over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU, omdat daarin de aandacht wordt gevestigd op de paniekerige manier waarop de EU de uitbraak heeft aangepakt. Ik ben voor een goede monitoring van kwesties die de gezondheid van de EU-burgers betreffen, maar tegen paniekzaaierij die gepaard gaat met torenhoge overheidsuitgaven voor de gezondheid. Daarom heb ik voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabetta Gardini (PPE), schriftelijk. − (IT) Met de door ons aangenomen ontwerpresolutie is de basis gelegd voor de noodzakelijke evaluatie van de aanpak van het H1N1-griepvirus in de Europese Unie.

U zult zich nog herinneren dat de lidstaten tijdens de uitbraak allemaal opteerden voor een eigen aanpak en niet kozen voor een gemeenschappelijke aanpak. De zeer verschillende reacties van de regeringen varieerden van grootschalige vaccinatie tot geen vaccinatie, zoals in het geval van Polen. We moeten hier lering uit trekken en de coördinatie tussen de nationale gezondheidsautoriteiten en de Europese instellingen verbeteren en de preventie- en vaccinatieplannen herzien, net als de criteria voor het doen uitgaan van een pandemiealarm.

Ik wil in herinnering brengen dat doelmatigere samenwerking de aanpak van dergelijke uitbraken goedkoper kan maken, onder meer wanneer de lidstaten gezamenlijk vaccins aankopen, en bovenal leidt tot betere bescherming van burgers, omdat virussen natuurlijk geen landsgrenzen kennen.

Tot slot hoop ik dat het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding de nodige steun krijgt, zodat het zijn taken als volstrekt onafhankelijk beoordelaar van en toezichthouder op gezondheidscrises kan blijven uitoefenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik stem vóór het verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU. Toch wil ik erop wijzen dat deze ‘aanpak’ in feite de zoveelste capitulatie was aan het ‘voorzorgsprincipe’, waarbij actie wordt ondernomen zonder dat er eerst goed is nagedacht. Het feit dat de directeur-generaal van de WHO verklaarde dat er een pandemie dreigde, maar er vervolgens zelf voor koos zich niet te laten vaccineren, is een duidelijke illustratie van de discrepantie tussen een persoonlijke mening over de ernst van die uitbraak en de openbare uitspraken van de verantwoordelijken. Sinds de kwestie van het besmette bloed heeft geen enkele volksgezondheidsofficial ook maar enige verantwoordelijkheid willen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) De H1N1-griep was bijzonder leerzaam. Ten eerste heeft deze ons geleerd hoe we geld moeten verspillen. De kosten van deze ‘varkensgriep’ (volgens de Rekenkamer negenhonderd miljoen euro!) zijn niet het gevolg van het aantal slachtoffers. De H1N1-griep heeft tienmaal minder slachtoffers gemaakt dan de gewone seizoensgriep. Niemand is echter geïnteresseerd in die tweeduizend jaarlijkse slachtoffers – meestentijds ouderen of zieken. Zij zijn veel minder exotisch.

Ten tweede heeft de H1N1-griep ons geleerd hoe een gebrek aan inzicht volledig te verhullen met alarmerende toespraken en wilde armgebaren. Tientallen miljoenen doses zijn onnodig besteld. In weerwil van het gezond verstand was er een massaal vaccinatieprogramma georganiseerd. De boodschap was zo overdreven en tegenstrijdig dat de mensen in Frankrijk de aan hen gegeven orders – terecht – hebben gewantrouwd en genegeerd.

Het vermoeden rees dat de politieke besluitvormers en degenen die hier in financieel opzicht van profiteerden, gemeenschappelijke belangen hadden. Tot slot heeft de H1N1-griep ons geleerd dat in Frankrijk niets een minister ertoe zou kunnen bewegen op te stappen, hoeveel fouten deze ook maakt en hoe nalatig of incompetent hij of zij ook is. De dagelijkse gebeurtenissen in de Franse regering bewijzen dat er in dit opzicht niets, maar dan ook niets is veranderd!

 
  
MPphoto
 
 

  Mathieu Grosch (PPE), schriftelijk. (DE) Er was een gebrek aan transparantie in de manier waarop wij in 2009 en 2010 zijn omgegaan met de H1N1-griep die door de Wereldgezondheidsorganisatie tot pandemie is benoemd. Hierop wordt ingegaan in het ‘Verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU’. Ik ben vooral blij met dit verslag omdat het voorziet in volledige transparantie ten aanzien van de geneesmiddelen die in het geval van dringend medisch ingrijpen en een pandemie worden gebruikt.

De lidstaten hebben ieder voor zich gehandeld bij het bestellen en ontwikkelen van vaccins. Hert is in dit verband belangrijk de strategie voor het inslaan van vaccins te evalueren en te streven naar een toekomstige gezamenlijke aanschaf door de lidstaten. Een betere coördinatie tussen de verantwoordelijke autoriteiten in de lidstaten en de Europese instellingen is ook van belang.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE), schriftelijk. – (FR) Dankzij de amendementen die mijn fractie (de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-Democraten)) heeft ingediend, omvat dit verslag constructieve voorstellen om ons te helpen lering te trekken uit de door het H1N1-virus veroorzaakte gezondheidscrisis, met name door de Europese coördinatie te verbeteren.

Het oorspronkelijke verslag bevatte namelijk een aantal onnauwkeurigheden en zou mensen ervan hebben kunnen weerhouden zich te laten vaccineren. Het vandaag aangenomen verslag is er echter op gericht het vertrouwen van onze medeburgers in het beheer van gezondheidscrises te herstellen. Gezondheidswerkers moeten nauwer worden betrokken bij de uitstippeling en uitvoering van een strategie voor preventie en bestrijding van een pandemie. Inentingscampagnes mogen niet langer worden omgeven door een dergelijke verwarring en achterdocht.

Het is van essentieel belang dat de communicatie wordt verbeterd, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat geruchten zonder wetenschappelijke basis zich gemakkelijk kunnen verspreiden in de nieuwe media en op het internet. De griep bleek gelukkig minder ernstig te zijn dan verwacht, maar het zou gevaarlijk zijn om de onvoorspelbaarheid en mogelijke ernst van eventuele toekomstige pandemieën te onderschatten.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat de Wereldgezondheidsorganisatie dringend haar definitie moet herzien om ook de ernst van een ziekte in haar definities van de fasen van een pandemie op te nemen, teneinde een adequatere respons mogelijk te maken. Bij de respons op een pandemie is betere samenwerking nodig. De preventieplannen moeten worden herzien. De rollen en verantwoordelijkheden van de belangrijkste spelers moeten worden verduidelijkt en indien nodig worden herzien, en de samenwerking tussen de lidstaten moet worden geïntensiveerd met het oog op een samenhangend risicobeheer bij een respons op een pandemie, in overeenstemming met de Internationale Gezondheidsregeling. Ook moet een betere coördinatie tussen de lidstaten en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) tot stand worden gebracht. Er moet een procedure worden ingevoerd om de lidstaten in staat te stellen vrijwillig groepsaankopen te verrichten. Fabrikanten moeten de volledige aansprakelijkheid voor de toegestane indicatiegebieden van hun geneesmiddelen dragen en de lidstaten moeten zich in alle contracten inzake de aankoop van vaccins volledig aan deze regel houden. De in de EU en de lidstaten ingestelde preventieplannen voor toekomstige grieppandemieën moeten opnieuw worden bezien om ze doeltreffender en coherenter te maken en om ze voldoende autonoom en flexibel te maken, opdat zij zo snel mogelijk en per geval kunnen worden afgestemd op het feitelijke risico, op basis van actuele relevante informatie. Ik ben het eens met de opvatting dat vaccinatiestrategieën moeten zijn gebaseerd op de doeltreffendheid van de vaccins, een positieve risico-batenverhouding voor een vaccin en een focus op risicogroepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik ben van mening dat in de ontwerpresolutie over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU goed wordt aangetoond welke fouten er zijn gemaakt en de basis wordt gelegd voor een nieuwe, doeltreffende aanpak van grieppandemieën. Zoals bekend was de aanpak van de H1N1-griepuitbraak overdreven en stond deze niet in verhouding tot de feitelijke ernst van het virus. Om die reden denk ik dat het nodig is om de Europese preventieplannen voor toekomstige grieppandemieën opnieuw te bezien om snel, coherent en doeltreffend te kunnen optreden. Een echte Europese strategische aanpak van het probleem kan in mijn ogen niet zonder betere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten. Het lijkt mij passend dat, zoals ook in de ontwerpresolutie wordt aangegeven, bij dit proces behalve de farmaceutische bedrijven ook onafhankelijke wetenschappelijke experts betrokken worden die geen enkel belang hebben bij de farmaceutische industrie.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. – (RO) Mij bewust zijnde van de ernst van de H1N1-griep en het belang van de gezondheid van onze burgers, denk ik dat dit een heel belangrijk verslag is, omdat in het verslag ook wordt gewezen op de juiste manier om deze situaties te beheren. De matige ernst van deze ziekte is al in 2009 bevestigd door de Wereldhandelsorganisatie, en de verschillende responsen van de lidstaten hebben geresulteerd in zeer hoge kosten, de verkoop van met spoed geproduceerde vaccins en een herziening van de definitie van een pandemie waarin niet alleen de geografische verspreiding, maar ook de ernst van de ziekte een criterium is. Dit alles duidt erop dat een andere aanpak een absolute must is. De Europese Unie heeft behoefte aan meer samenwerking, transparantie en onafhankelijkheid bij het vinden van oplossingen voor deze situaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Elżbieta Katarzyna Łukacijewska (PPE), schriftelijk. – (PL) Het onderwerp griep verschijnt ieder jaar weer op de agenda van het Europees Parlement en ook van veel nationale parlementen. Ik ben van mening dat het verslag van mevrouw Rivasi het probleem van de H1N1-griep bijzonder breed en vanuit verschillende invalshoeken benadert, namelijk samenwerking, onafhankelijkheid en transparantie. Dit is van groot belang bij het uitbreken van een nieuwe pandemie. Ik vind dat de Europese Unie snelle en actieve maatregelen moet nemen, daarom heb ik gestemd voor het aannemen van het verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat er niets in stond waar ik op tegen was. Gezien het beperkte effect van de H1N1-griep vraag ik me echter af waarom het Parlement heeft besloten er tijd en middelen aan te besteden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka (GUE/NGL), schriftelijk. (CS) Ik zou de rapporteur hartelijk willen bedanken voor het gedetailleerde en oprechte verslag met daarin vele alarmerende boodschappen. Tijdens de pandemie heeft de EU met haar gemeenschappelijke aanpak duidelijk laten zien dat zij daadwerkelijk in staat is problemen gezamenlijk aan te pakken. Desalniettemin zijn er toen ook grote tekortkomingen bloot komen te liggen, met name op het gebied van de preventie, objectieve statistische gegevens en voor wat betreft de aankoop van veilige en doeltreffende geneesmiddelen. De EU heeft in korte tijd tweemaal het hoofd moeten bieden aan een gevaarlijk virus, zonder echter genoeg lering te trekken uit de ervaringen. Ik ben ingenomen met de voorstellen ter aanscherping van het toezicht op de doeltreffendheid van geneesmiddelen, waarbij erop wordt aangedrongen om objectieve gegevens te verzamelen, alsook met de belangstelling voor de bescherming van alle EU-burgers ongeacht de verschillende gezondheidszorgstelsels. Het pleidooi voor voldoende financiële middelen voor onderzoek en ontwikkeling, alsook de regel dat farmaceutische bedrijven uitsluitend kunnen optreden als raadgevers en nooit de doorslag mogen geven, zijn voor mij een conditio sine qua non daartoe. Dat geldt tevens voor studies, het testen van vaccins en andere geneesmiddelen; deze moeten onafhankelijk van farmaceutische bedrijven worden uitgevoerd. Verder ondersteun ik de oproep tot strengere regels voor deskundigen en adviseurs die werk verrichten voor de Europese instellingen. Het grote publiek dient duidelijk en op transparante wijze te worden geïnformeerd, maar dan wel op zodanige wijze dat er geen onnodige paniek uitbreekt en het correcte en begrijpelijke informatie krijgt. Als quaestor hier in het Europees Parlement belast met de bescherming van de gezondheid van de Parlementsleden en de Parlementaire medewerkers, constateer ik dat onze maatregelen hier in het Europees Parlement doeltreffend zijn, maar zeker niet goedkoop.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. − (IT) Op basis van de statistische gegevens die in dit verslag zijn opgenomen, blijkt dat de bestrijding van de H1N1-griep niet in verhouding stond tot de feitelijke ernst van het virus en in een groot aantal lidstaten gepaard ging met peperdure vaccinatieprogramma’s. De rapporteur achtte het daarom nodig om een aantal relevantie kwesties aan de kaak te stellen, in de eerste plaats de dominante rol van de farmaceutische industrie. Daarom is het dringend nodig dat de studies naar antivirale geneesmiddelen onafhankelijk van de farmaceutische bedrijven worden uitgevoerd. De versnelde vergunningsprocedures vertonen gebreken, omdat er bij gebrek aan wetenschappelijke bewijzen nog steeds gebruik gemaakt wordt van de gegevens die de industrie verspreidt. Daarnaast moet er beter worden samengewerkt met als doel om de preventieplannen en de rollen van de belangrijkste spelers te herzien en om de lidstaten in staat te stellen vrijwillig groepsaankopen te verrichten. De WHO moet dringend haar definitie van pandemie herzien, om de ernst van een ziekte in haar definities op te nemen. In dit verband moet het vaccin doeltreffend zijn, moet de risico-batenverhouding ervan positief zijn en moet het bedoeld zijn voor risicogroepen. Bovendien moeten alle belangenconflicten worden voorkomen, daar deze onmiddellijk kunnen leiden tot de verdenking van ongepaste beïnvloeding.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) De verdienste van dit verslag is dat het gebrek aan transparantie van het Europees Geneesmiddelenbureau erin aan de kaak wordt gesteld, evenals de connecties tussen farmaceutische bedrijven en deskundigen in het onderzoek naar vaccins en antivirale geneesmiddelen. Het is dan ook jammer dat in dit verslag niet wordt verzocht om opschorting van de activiteiten van dit agentschap, totdat er een complete, effectieve hervorming is doorgevoerd. Met mijn stem wil ik de rapporteur aanmoedigen de volgende keer een stap verder te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. (PT) De aanpak van de H1N1-griep in de EU heeft heel wat moeilijkheden aan het licht gebracht, in het bijzonder bij het inschatten van de werkelijke ernst en omvang van de uitbraak en bij de reactie van de lidstaten, waarvan de omvang en de kosten buiten proportie waren in vergelijking met het aantal sterfgevallen die de gewone griep elk jaar veroorzaakt en de bedragen die de lidstaten uitgeven om die griep te bestrijden. De analyse van de aanpak van de H1N1-griep in Europa brengt een onderliggend probleem aan de oppervlakte: een gebrek aan onafhankelijke beoordelingen door de nationale en/of Europese volksgezondheidsinstanties, die bijgevolg niet in staat zijn om de maatregelen op het vlak van volksgezondheid zo goed mogelijk en in real-time aan te passen aan de werkelijke beschikbare klinische en epidemiologische statistieken. Het is dan ook nodig om toekomstige pandemieën anders aan te pakken om wijdverspreide paniek bij de bevolking en onnodige kosten te vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) Dit verslag evalueert de aanpak van de H1N1-griep in 2009-2010 in de EU en belicht elementen die moeten worden verbeterd, namelijk samenwerking, onafhankelijkheid en transparantie bij de aanpak van toekomstige pandemieën, door beter gebruik te maken van de bevoegdheid van het ECDC.

Eén beoordeling is echter niet genoeg en ik heb geen verdere ontwikkelingen gezien op het gebied van een snelle en efficiënte reactie op uitbraken van ziekten en ik heb geen woord gehoord over preventieve maatregelen. Zoals altijd is het verslag vaag en onspecifiek. Ik heb voorgestemd omdat er geen ander verslag is.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) De griep van het type A/H1N1 heeft in 2009 minder dodelijke slachtoffers geëist dan de seizoensgriep. Hoewel de WHO de H1N1-griep heeft geclassificeerd als een lichte aandoening, heeft zij tegelijkertijd een pandemiewaarschuwing van niveau 6 afgegeven, het hoogst mogelijke niveau. Teneinde aan hun verplichtingen naar de bevolking toe te voldoen, hebben de lidstaten van de EU miljarden gespendeerd aan de bestrijding van een griep die in potentie veel minder gevaarlijk is dan een gewone griep. De media hebben ook bijgedragen aan de paniek. Wanneer een pandemie is aangekondigd als gevaarlijk maar uiteindelijk een storm in een glas water blijkt te zijn, zullen toekomstige waarschuwingen verontrustend genoeg niet langer serieus worden genomen. Hieruit blijkt duidelijk dat de WHO haar criteria voor een pandemie moet herzien.

Natuurlijk zijn goede samenwerking en gezamenlijke aanschaf van voordeel in het geval van een pandemie, waardoor kortingen kunnen worden verkregen. Als echter de goedkeuring van nieuwe medicijnen erdoor wordt gejaagd om denkbeeldige pandemieën te bestrijden, staan we voor een enorm probleem. De rol van de media en de farmaceutische bedrijven bij de paniekzaaierij is hier niet aan de orde geweest. Ik heb me daarom van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor deze resolutie gestemd omdat het moeilijk is te voorspellen hoe ernstig een pandemie zal worden en hoe deze zich zal ontwikkelen en er bij een pandemie vaak veel maatregelen genomen die onevenredig blijken te zijn. Daarom moet veel aandacht worden besteed aan samenwerking, onafhankelijkheid en transparantie. Boven alles moeten de in de EU en de lidstaten ingestelde preventieplannen voor toekomstige influenzapandemieën op samenhangende wijze worden herzien, zodat ze flexibel zijn en elke keer dat het risico van een grieppandemie zich voordoet doelmatig kunnen worden aangepast. Bovendien moeten we samenwerking en de coördinatie van maatregelen op internationaal en regionaal niveau stimuleren met het oog op een goed risicobeheer en om snel op het risico van een pandemie te kunnen reageren. Ik ben van mening dat er meer financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor onderzoek en ontwikkeling. De investeringen moeten worden opgevoerd om de effecten van een griepvirus beter te kunnen beoordelen en beter op die effecten te anticiperen. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat de voorafgaande aankoopovereenkomst en het leveringsproces transparant zijn, zodat de corruptie op dit gebied kan worden teruggedrongen. We moeten de invloed van farmaceutische bedrijven beperken, niet alleen op het gebied van de distributie, maar ook op het gebied van het uitvoeren van studies naar vaccins en antivirale geneesmiddelen. Wetenschappers moeten publiekelijk verklaren dat ze geen financiële of andere belangen in de farmaceutische industrie hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. – (EL) Ik heb gestemd vóór het verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU. Vaak is het zo – en dit geldt ook voor Griekenland – dat de aandacht van de instellingen en de overheid verslapt zodra het vraagstuk minder publiciteit krijgt. Het debat over de griep is weliswaar voorbij maar het virus is er nog, en het lijkt zelfs dodelijker te zijn dan voorheen. In Griekenland bijvoorbeeld heeft de ziekte onlangs sterk de kop op gestoken en hebben meer dan honderd mensen hierdoor het leven verloren. De hoofdoorzaak lijkt een gebrek een voorlichting te zijn, daar de kwetsbare groepen, zoals mensen met chronische ziekten, die zich hadden moeten laten inenten, dit niet hebben gedaan omdat zij dachten dat het gevaar geweken was.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. (PT) Het verslag over de evaluatie van de aanpak van de H1N1-griepuitbraak in 2009-2010 in de EU benadrukt dat de ziekte in Europa, statistisch gezien, weinig ernstig was (op menselijk vlak is elke overledene natuurlijk een onvervangbaar verlies). Het Europees Centrum voor ziektebestrijding en -preventie maakt gewag van 2 900 doden in Europa in 2009 ten gevolge van besmetting met H1N1. Dat aantal ligt lager dan de officiële schattingen van de Europese Commissie over het aantal sterfgevallen ten gevolge van de seizoensgriep. Het aantal doden ligt ook aanzienlijk lager dan de meest optimistische voorspellingen van de gezondheidsdiensten in de lidstaten van de EU. De kosten die de lidstaten en de Europese instellingen gemaakt hebben nadat zij het hoogste alarmniveau, zoals voorgesteld door de WHO, aanvaard hadden, hebben geleid tot erg dure maatregelen die nauwelijks in verhouding stonden tot de ernst van de H1N1-griep. In het licht van de aanbeveling van de WHO denk ik echter niet dat er een andere aanpak gehanteerd had kunnen worden. Het blijft wel nodig om grondig na te denken over deze kwestie en ik ben het eens met de rapporteur, die stelt dat de EU behoefte heeft aan betere samenwerking tussen de lidstaten, aan meer onafhankelijkheid en aan meer transparantie, in het bijzonder bij de beoordeling van de risico-batenverhouding van dit soort maatregelen met een grote financiële impact.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. − (EN) Volgens het verslag is er betere samenwerking nodig bij het reageren op pandemieën en moeten de preventieplannen die zijn opgezet in de EU en haar lidstaten worden herzien. in het verslag wordt ook opgeroepen tot versterkte samenwerking tussen de lidstaten en betere coördinatie van de lidstaten met het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC). De WHO wordt verzocht de definitie van een pandemie te herzien op basis van de geografische spreiding en de ernst. Het ECDC wordt uitgenodigd zijn bevoegdheden als onafhankelijk agentschap uit te oefenen om de ernst van het infectierisico te beoordelen en bekend te maken in de EU en aanbevelingen te formuleren met betrekking tot de beste praktijk op gebieden als technieken voor crisisbeheer, vaccinatie en communicatiestrategieën. Bovendien wordt het verslag gevraagd om een beoordeling van de griepvaccinatiestrategieën die in de EU zijn aanbevolen en in de lidstaten gevolgd, met betrekking tot de doeltreffendheid van de vaccins, de risico-batenverhouding ervan en de verschillende doelgroepen die zijn aanbevolen, met het oog op een veilig en effectief gebruik, en om verslagen van de lidstaten over relevante informatie voor de Commissie (d.w.z. het aantal gekochte en daadwerkelijk gebruikte doses van het vaccin, het aantal H1N1-besmettingen en het aantal mensen dat als gevolg van deze besmettingen is overleden, enz.). De EU moet de samenwerking, onafhankelijkheid en transparantie bij het bestrijden van toekomstige pandemieën verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Crescenzio Rivellini (PPE), schriftelijk. – (IT) Ik wil mevrouw Rivasi complimenteren met haar uitstekende werk. Dit verslag vormt een belangrijke poging om de twijfels aan te kaarten die zijn ontstaan over de onevenredige reactie op de Mexicaanse griep in Europa en ook over de mogelijke invloed van farmaceutische bedrijven op de ondernomen acties.

Ik ben kritisch over de reactie van de EU in 2009-2010 op de ‘varkensgriep’, het H1N1-virus. Voor de toekomst stel ik voor gezamenlijk vaccins aan te schaffen om geld te besparen en meer effectieve regels op te stellen om belangenconflicten te voorkomen, bijvoorbeeld door belangenverklaringen van deskundigen die als adviseur aan de Europese volksgezondheidsinstanties zijn verbonden, openbaar te maken. In dit opzicht wil ik opmerken dat volgens de Europese wetgeving de verantwoordelijkheid voor vaccins bij de fabrikant ligt en niet bij de nationale regeringen.

Verder roep ik de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op om de definitie van “pandemie” te herzien, om ook rekening te houden met de ernst van de ziekte en niet alleen met de geografische verspreiding van het virus. Om de Unie te voorzien van eigen capaciteit om risico’s op een pandemie te voorkomen, moet het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) worden verzekerd van de steun die het nodig heeft om deze taak volkomen onafhankelijk uit te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Het EP heeft vandaag de buitenproportionele reactie op de uitbraak van de varkensgriep in Europa belicht. De lidstaten hebben miljarden euro’s uitgegeven aan vaccins, waarvoor ondanks het milde karakter van het virus haastig toestemming werd gegeven. We weten allemaal dat de begrotingen voor gezondheidszorg toch al overbelast zijn en er zijn veel belangrijkere gezondheidskwesties die moeten worden aangepakt dan het subsidiëren van grote farmaceutische concerns. De EP-leden hebben vandaag opgeroepen tot herziening van de mechanismen van de EU voor het reageren op gezondheidszaken. De paraatheidsplannen moeten voldoende autonoom en flexibel worden om ze zo snel mogelijk te kunnen aanpassen aan de daadwerkelijke risico’s. De evaluatie van geneesmiddelen moet volledig transparant zijn en alle belangenverklaringen moeten worden gepubliceerd om openbaar toezicht op mogelijke belangenconflicten mogelijk te maken. De EU heeft de WHO blind gevolgd bij de reactie op de uitbraak van de varkensgriep en daar moet duidelijk verandering in komen. Het EP heeft opgeroepen tot betekenisvolle risico-evaluatie door de EU en is van mening dat het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding voldoende middelen moet krijgen om al zijn taken te kunnen uitvoeren, niet in de laatste plaats het beoordelen van de ernst van het besmettingsrisico.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. – (IT) Ook al is de ernst van de H1N1-griep in Europa niet uitermate groot, het virus heeft tot op heden maar liefst 4 700 doden veroorzaakt.

In het verslag dat door het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) is gepubliceerd, wordt opgemerkt op dat de EU bij het beheer van het virus in staat is geweest zich snel aan de medische maatregelen aan te passen om de infectie aan banden te leggen. Dit is grotendeels te danken aan de preventiestrategieën die in de verschillende lidstaten zijn ingevoerd en die jaren geleden in samenspraak met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn gepland zonder dat ze ooit essentiële updates hebben ontvangen.

Om te voorkomen dat dergelijke situaties opnieuw plaatsvinden, in het licht van de harde kritieken op de wijze van de distributie van vaccins, moeten we onze toekomstige inspanningen voornamelijk in deze richting leveren en de vergunningsprocedures voor het in de handel brengen van geneesmiddelen optimaliseren die zijn bedoeld als respons op een gezondheidscrisis.

 
  
MPphoto
 
 

  Oreste Rossi (EFD), schriftelijk. – (IT) We steunen het initiatiefverslag, omdat we allemaal weten dat het overdreven alarm slaan dat gepaard gaat met de zogenaamde vogelgrieppandemie, de EU ongeveer tien keer zoveel geld heeft gekost als de normale griepcampagne.

Het feit dat het alarm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werd overgenomen zonder onafhankelijk op te treden door de kosten en risico’s te laten analyseren door de Europese agentschappen – het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) – heeft tot kostbare en onnodige vaccinatiecampagnes geleid en in het bijzonder de bevolking aangezet tot de aanschaf van onevenredige hoeveelheden steriel verbruiksmateriaal en ontsmettingsmiddelen. Het totaal aantal sterfgevallen – en dit is van belang voor de wetgever – kwam zelfs lager uit dan het aantal sterfgevallen tijdens een normale seizoensgriep.

Het is daarom van doorslaggevend belang dat de Commissie binnen zes maanden verslag uitbrengt aan het Parlement aan de hand van een gedetailleerde kosten-batenanalyse, waarin wordt aangegeven op welke manier ze van plan is te reageren op vergelijkbare situaties in de toekomst. De WHO dient de definitie van pandemie te herzien, om niet alleen rekening te houden met de geografische verspreiding, maar ook met de ernst van de infectie.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb dit verslag waarin de aanpak van H1N1-griep wordt geëvalueerd en wordt opgeroepen tot een mechanisme voor de gemeenschappelijke aanschaf van vaccins, gesteund. Het is belangrijk dat we leren van eerdere uitbraken, zodat we onszelf in de toekomst beter kunnen beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE), schriftelijk. (DE) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat we er in de commissie in geslaagd zijn om de insinuaties en de foute inschattingen enigszins te corrigeren. Dit verslag is kritisch, en laat zien hoe we in de EU in de toekomst een pandemie beter kunnen verhinderen op basis van meer gezamenlijke acties.

 
  
MPphoto
 
 

  Marina Yannakoudakis (ECR), schriftelijk. − (EN) Hoewel de ECR-Fractie voor het verbeteren van de communicatie en samenwerking tussen de lidstaten is als het gaat om gezondheidsbedreigingen zoals epidemieën, geeft het verslag over H1N1 de lidstaten slecht advies over de feiten rondom H1N1 en de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen in het geval van een nieuwe epidemie. Het verslag en de toelichting bevatten verschillende discutabele feiten die zouden kunnen leiden tot een verkeerd begrip van H1N1, de invloed ervan op de Europese samenlevingen en de draaiboeken van de regeringen. Wij zijn van mening dat de aanbevolen stappen die een lidstaat zou moeten nemen in het geval van een toekomstige epidemie (van het kopen van vaccins tot het melden van de feiten aan de EU-instanties) onverstandig zijn en mogelijke grote problemen die verband houden met H1N1 of toekomstige pandemieën niet zouden oplossen.

Het verslag legt ook de verantwoordelijkheid voor de vaccins bij de fabrikanten, wat de aanvoer van vaccins kan belemmeren en de lijnen van verantwoordelijkheid onduidelijk maakt. Bovendien probeert het dossier het mandaat van het ECDC en zijn werkrelatie met de lidstaten te verbreden, wat onwenselijk is aangezien het kan leiden tot een verhoging van het bedrag dat in de begroting voor dit centrum wordt gereserveerd. De ECR-Fractie heeft daarom tegen dit verslag gestemd.

 
  
  

Verslag: Inés Ayala Sender (A7-0048/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk.(PT) Ik steun het gunstige resultaat van de stemming in de commissie over de voordracht van Harald Wögerbauer voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer, op basis van de positieve beoordeling van zijn curriculum vitae en zijn schriftelijke antwoorden op de vragenlijst voor de kandidaat-leden van de Rekenkamer.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Grèze (Verts/ALE), schriftelijk. – (FR) Op de dag waarop Internationale Vrouwendag honderd jaar bestaat, heb ik tegen de benoeming van de heer Harald Wögerbauer gestemd, omdat er te weinig vrouwen bij de Europese Rekenkamer zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb ingestemd met dit voorstel, omdat de heer Harald Wögerbauer voldoet aan de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gestelde voorwaarden en er een positief advies is uitgebracht over de voordracht van de Raad voor de benoeming van de heer Harald Wögerbauer tot lid van de Rekenkamer.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb mij onthouden van stemming over de benoeming van Harald Wögerbauer als lid van de Rekenkamer. Dat heb ik gedaan vanwege verslagen van collega’s over zijn onduidelijke prestaties met betrekking tot zijn ervaring bij de Oostenrijkse rekenkamer.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk.(PT) De Rekenkamer is een toezichthoudende instelling die de wettigheid en de regelmatigheid van de inkomsten en de uitgaven van de Europese Unie moet onderzoeken en moet toezien op een goed financieel bestuur. Zij moet haar functies volledig onafhankelijk uitoefenen. In die geest moet de voordracht van haar leden gebeuren op basis van de criteria van bekwaamheid en onafhankelijkheid. Daarom werd de heer Harald Wögerbauer door de Raad voorgedragen als lid van de Rekenkamer. Hij heeft zijn curriculum vitae voorgelegd, antwoord gegeven op een schriftelijke vragenlijst en werd gehoord in de Commissie begrotingscontrole, en heeft daarbij afdoende argumenten aangedragen om zijn voordracht voor het Rekenhof te rechtvaardigen en om zich op een bekwame en onafhankelijke manier van zijn taken te kwijten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Tijdens de constitutionele hervormingen die nodig waren nadat het Verdrag van Lissabon in 2010 in werking was getreden, hebben de Oostenrijkse regeringspartijen voor een aantal EU-posten een procedure vastgelegd voor bepaalde benoemingen. Ik geloof dat er heel wat belangrijke posten ontbreken op de lijst in artikel 23c in de Oostenrijkse grondwet, waar wordt bepaald dat benoemingen op hoog niveau ten minste aan de bondspresident moeten worden meegedeeld, en dat de federale regering het erover eens moet worden met het nationale parlement. Het is de bedoeling dat Harald Wögerbauer, politiek directeur van de ÖVP-Parlamentsklub, lid van de Europese Rekenkamer wordt. Het lijkt erop dat de heer Wögerbauer voldoet aan de vereisten, maar deze benoeming toont aan dat de ÖVP het voor vrijwel alle benoemingen in de EU alleen voor het zeggen wil hebben. Dat staat haaks op de principes van de democratie, en op de eis die we keer op keer stellen: we willen meer transparantie bij benoemingen voor Europese functies. Daarom heb ik me van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor dit verslag over de voordracht van Harald Wögerbauer voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer gestemd. Alle voorgelegde gegevens, die mij ertoe hebben aangezet om voor dit verslag te stemmen, geven aan dat de criteria die in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vervuld, in het bijzonder de garantie van onafhankelijkheid, en ik ben dan ook bijzonder tevreden met de voordracht van Harald Wögerbauer voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer.

 
  
  

Verslag: Crescenzio Rivellini (A7-0023/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het nodig is om een aantal aanbevelingen die door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) zijn goedgekeurd en die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, in één enkele wetgevingshandeling te bundelen. Deze vereenvoudiging is nodig om te vermijden dat de Europese Gemeenschap jaarlijks een verordening vaststelt om de wetgeving aan te passen, zoals tot dusver het geval was.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit document gestemd. Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft als doel om een duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en een hoog niveau van bescherming van het ecosysteem te waarborgen. De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is in 1949 ingesteld bij een internationale overeenkomst en de Europese Gemeenschap is lid van de GFCM. De GFCM speelt een belangrijke rol bij de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van het visserijbeleid, het bevorderen van de ontwikkeling, het behoud en het rationele beheer van de levende aquatische hulpbronnen, het formuleren van instandhoudingsmaatregelen en het doen van aanbevelingen op dit gebied, en het bevorderen van samenwerkingsprojecten op het gebied van opleidingen. Omdat de aanbevelingen van de GFCM bindend zijn voor alle contractpartijen en de Gemeenschap een van die partijen is, moeten de bepalingen van de overeenkomst worden omgezet in communautaire wetgeving teneinde de samenhang en de tenuitvoerlegging van dit beleid te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk. – (IT) Ik heb vóór dit document gestemd, dat bedoeld is om een aantal maatregelen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) te bundelen tot één enkele EU-wetgevingshandeling. Tot dusver stelde de Europese Gemeenschap jaarlijks een verordening vast om de wetgeving aan te passen, terwijl met dit verslag een belangrijke stap op weg naar bureaucratische en administratieve vereenvoudiging wordt gezet, wat één van de doelstellingen van de Europese Unie is.

Het document heeft daarnaast het voordeel dat het meer duidelijkheid verschaft over zelfs strikt technische aspecten: het legt bijvoorbeeld duidelijke beperkingen op aan de visserij in de Golfe du Lion en stelt de minimummaaswijdte van netten vast voor de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, terwijl tegelijkertijd het gebruik van sleepdreggen en trawlnetten op diepten van meer dan 1 000 meter wordt verboden. Daarnaast steun ik amendement 27 waarin staat opgenomen dat er jaarlijks een lijst moet worden opgesteld van de vaartuigen met een totale lengte van meer dan 15 meter waaraan een vergunning is verleend om in het GFCM-gebied te vissen.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio Cancian (PPE), schriftelijk. – (IT) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat ik vind dat het een positieve stap is binnen een economische sector die cruciaal is voor Europa, met andere woorden de visserij. Ik ben van mening dat elke interventie door de EU altijd moet uitgaan van een analyse van de behoeften die ontstaan omdat plaatselijke ondernemingen afhankelijk zijn van deze activiteit, die dikwijls wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van kleine en middelgrote ondernemingen die van essentieel belang zijn voor de economie en de maatschappij.

Heel veel gebieden in het Middellandse Zeegebied vertonen deze kenmerken en daarom is het ontzettend belangrijk dat wetgevingsvoorstellen die worden opgesteld om de visserij in dit gebied te regelen, duidelijk zijn gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel, om ter voorkomen dat het hele systeem in een kwaad daglicht wordt gesteld. Ik ben er ook stellig van overtuigd dat het bovendien cruciaal is om speciale bescherming te bieden aan kleine en middelgrote ondernemingen die in de sector werkzaam zijn, ze bij de besluitvorming te betrekken en ze zo veel mogelijk steun te geven, omdat het echt zeer moeilijk is deze ondernemingen opnieuw op te zetten. Verordeningen die geen rekening houden met deze kenmerken kunnen onherstelbare schade berokkenen aan de kleinere markten, door een omzetting naar een andere sector te forceren die zeer lastig te verwezenlijken is.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik steun de ontwerpwetgevingsresolutie over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-verdragsgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee). Om te verhinderen dat de bevoegdheden van het Parlement worden ondermijnd, dient artikel 28 van dat voorstel te worden geschrapt. Daarin staat dat de bepalingen van de verordening moeten worden gewijzigd volgens de comitologieprocedure. Dat zou de betrokkenheid van het Parlement terugbrengen tot niet meer dan het ontvangen van informatie van de Commissie over de handelingen van de beheerscomités.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor het verslag over het GFCM-verdragsgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) gestemd, omdat het een aantal aanbevelingen van de GFCM die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, overneemt en in één enkel wetgevingsinstrument bundelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is gewoon bij haar jaarlijkse zittingen aanbevelingen goed te keuren. Dit voorstel voor een verordening is eenvoudigweg bedoeld om een aantal aanbevelingen van de GFCM die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, in één enkel wetgevingsinstrument te bundelen, waarin toekomstige aanbevelingen kunnen worden opgenomen via een wijzigingsbesluit. De inhoud van de GFCM en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zijn vaak al geheel of gedeeltelijk opgenomen in eerder goedgekeurde communautaire wetgeving – alleen hetgeen niet aansluit bij die aanbevelingen moet dan nog in Gemeenschapswetgeving worden omgezet. De verordening waarover nu gestemd is, heeft betrekking op alle commerciële visserij- en aquacultuuractiviteiten die met communautaire vaartuigen door onderdanen van EU-lidstaten in het gebied van de GFCM worden bedreven. De verordening is niet van toepassing op visserijoperaties die uitsluitend voor wetenschappelijke doeleinden en met toestemming en onder het gezag van de lidstaten worden uitgevoerd. In zulke gevallen volstaat het de Europese Commissie en de lidstaten in welker wateren de operaties zullen plaatsvinden vooraf op de hoogte te brengen. Ik geloof dat het voorstel van de Commissie gevolgen kan hebben voor de bevoegdheden die het Parlement in deze materie toekomen. Ik denk daarbij eerst en vooral aan artikel 28. Ik geloof dat dit artikel moet worden vervangen om te verzekeren dat de bevoegdheden van het Parlement worden gerespecteerd en dat we op een behoorlijke wijze worden betrokken bij eventuele wijzigingen van deze verordening.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad is bedoeld om een aantal aanbevelingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) in communautair recht om te zetten. Het omzetten van dit verdrag in één enkel wetgevingsinstrument is een belangrijke stap voorwaarts en zal een betere controle op de vangsten van vissoorten in de door de wetgeving bestreken wateren mogelijk maken. Het zal de samenwerking, de informatie-uitwisseling en de rapportage tussen de Europese Commissie, de lidstaten en het GFCM-secretariaat ook verbeteren. Aangezien we de procedures op deze manier eenvoudiger maken – door niet langer jaarlijkse verordeningen op te stellen – en deze aanbevelingen in de landen die bij de GFCM aangesloten zijn reeds worden toegepast, sta ik volledig achter dit voorstel, en ik hoop dat deze verordening naar behoren zal worden toegepast.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Wij erkennen het belang van multilaterale samenwerking als het gaat om het behoud en beheer van de biologische mariene hulpbronnen – waar het in dit verdrag over gaat. Dit voorstel voor een verordening bevat echter een bepaling die we onaanvaardbaar achten en die we daarom hebben proberen te corrigeren. We hebben voorgesteld om één alinea uit artikel 28 te schrappen. De meerderheid heeft ons voorstel echter verworpen, en daarom hebben wij tegen de eindversie van het voorstel gestemd. Volgens de gewraakte alinea zou de Commissie de mogelijkheid krijgen om, via gedelegeerde handelingen, bepalingen te wijzigen die gevolgen zouden kunnen hebben voor de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van een lidstaat. Het gebied in kwestie heet Eratosthenes Seamount, en behoort tot de Exclusieve Economische Zone van Cyprus. Het gaat dan ook nog eens over een gebied dat politiek gezien heel gevoelig ligt, aangezien een derde land, dat kandidaat voor toetreding is, er illegale aanspraken op maakt.

De zeebodem van dit gebied bevat natuurlijke hulmiddelen. Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee heeft de Republiek Cyprus het recht om die bodemschatten te exploiteren. De bevoegdheid van de EU moet hier beperkt blijven tot zaken die betrekking hebben op het gemeenschappelijk visserijbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Wij erkennen het belang van multilaterale samenwerking als het gaat om het behoud en beheer van de biologische mariene hulpbronnen, en dat is waar het in dit verdrag over gaat.

Dit voorstel voor een verordening bevat echter een bepaling die we onaanvaardbaar achten en die we daarom hebben proberen te corrigeren. We hebben voorgesteld om één alinea uit artikel 28 te schrappen. De meerderheid heeft ons voorstel echter verworpen, en daarom hebben wij tegen de eindversie van het voorstel gestemd.

De soevereiniteit van de Republiek Cyprus komt nu onder druk te staan, en dan gaat het ook nog eens over een gebied dat politiek gezien heel gevoelig ligt, aangezien een derde land, dat kandidaat voor toetreding tot de EU is, er illegale aanspraken op maakt. De zeebodem van dit gebied bevat natuurlijke hulmiddelen. Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee heeft de Republiek Cyprus het recht om die bodemschatten te exploiteren. De bevoegdheid van de EU moet hier beperkt blijven tot zaken die betrekking hebben op het gemeenschappelijk visserijbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb ingestemd met dit document, omdat de voornaamste taken van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) zijn: bevordering van de ontwikkeling, het behoud en het beheer van de levende rijkdommen van de zee; formulering en aanbeveling van behoudsmaatregelen; en bevordering van samenwerkingsprojecten op scholingsgebied. Het voorliggende voorstel voor een verordening is louter bedoeld om verschillende aanbevelingen die de GFCM heeft aangenomen en die in de landen die partij bij de overeenkomst zijn reeds van kracht zijn, in één communautaire wetgevingshandeling te bundelen. Dit zou een belangrijke stap op weg naar vereenvoudiging zijn, aangezien de Europese Commissie tot nu toe alleen jaarlijkse verordeningen heeft aangenomen om de bestaande regels aan te passen en te actualiseren. Het voorstel bevat een aantal slimme oplossingen. Zo geeft de voorgestelde verordening gedetailleerde voorschriften met betrekking tot het vistuig, zoals de minimummaaswijdte voor de Middellandse Zee (artikel 15) en de Zwarte Zee (artikel 16), en wordt het gebruik van sleepdreggen en trawlnetten op diepten van meer dan 1 000 meter verboden (artikel 17). Ook worden vraagstukken rond vaartuigen die illegale, ongemelde of ongereglementeerde (IOO)-visserijactiviteiten verrichten aangepakt.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor het verslag over het verdragsgebied van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) gestemd. Dit voorstel voor een verordening is simpelweg bedoeld om een aantal aanbevelingen van de GFCM die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, in één enkele wetgevingshandeling te bundelen, waarin toekomstige aanbevelingen kunnen worden opgenomen bij een wijzigingsbesluit. Daarmee wordt een belangrijke stap op weg naar vereenvoudiging gezet; tot dusver stelde de Europese Gemeenschap jaarlijks een verordening vast om de wetgeving aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. – (IT) Het lidmaatschap van de Europese Unie bij de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) wacht een enorme ommekeer met dit voorstel voor een verordening. Het blijkt namelijk uitermate interessant te zijn om de invoering van een aantal aanbevelingen van de GFCM te bundelen in één enkele EU-wetgevingshandeling. Een dergelijk besluit leidt tot een juridisch instrument dat zonder meer stabieler is dan het huidige instrument en maakt mogelijk dat toekomstige aanbevelingen alleen toegevoegd kunnen worden door een wijziging van de wet zelf. Hiermee wordt een enorme stap gezet richting verbetering van de rechtszekerheid en het draagt bij aan de vereenvoudiging van verordeningen. Niet alleen zijn de bepalingen over de minimummaaswijdte van visnetten relevant, maar met artikel 28 van deze voorgestelde verordening worden ook nog de bevoegdheden van het Parlement in twijfel getrokken. Dit artikel verklaart zelfs dat de bepalingen die in de verordening zijn opgenomen, gewijzigd kunnen worden volgens de comitologieprocedure, waarbij de Commissie wordt bijgestaan door comités van beheer die worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en zijn samengesteld uit afgevaardigden van lidstaten. Hiermee wordt het Parlement dus feitelijk zijn bevoegdheden ontnomen en het lijkt daarom wenselijk dat de Commissie middels gedelegeerde handelingen te werk gaat, met de mogelijkheid dat het Parlement of de Raad de gedelegeerde bevoegdheden intrekt.

 
  
MPphoto
 
 

  Barbara Matera (PPE), schriftelijk. – (IT) Ik ben het met de rapporteur eens over de noodzaak tot vereenvoudiging van de visserijvoorschriften door een verordening in te stellen die aanbevelingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee kan bundelen tot één enkele wetgevingshandeling.

Ik sta ook achter de doelstellingen en principes die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk visserijbeleid, maar ik denk dat alle kustlidstaten moeten zorgen voor het juiste evenwicht tussen bescherming en de sociaaleconomische waarde van ecosystemen. Anders gezegd, ik vind dat we moeten oproepen tot bescherming van de belangen van lokale gemeenschappen in overeenstemming met een algemeen beginsel.

Verordening (EG) nr. 1967/2006 bepaalt zorgvuldig welk vistuig is toegestaan bij het vissen in de wateren van het GFCM-gebied, in het Middellandse Zeegebied in ons specifieke geval. Ik roep dit Parlement op kennis te nemen van het feit dat, met de verordeningen zoals ze nu zijn, de doelstelling om onze natuurlijke habitats te beschermen soms ernstige gevolgen heeft voor sommige visserijgemeenschappen.

In dit verband wacht Italië tot de Commissie opdracht geeft een uitzondering te maken op het verbod te vissen op twee specifieke soorten die de belangrijkste producten vormen van een omvangrijke visserijsector. Daarom wil ik alle afgevaardigden van de 27 lidstaten en, via hen, de Commissie de noodzaak laten inzien om te overwegen deze instrumenten flexibeler te maken en zo de lokale visserijsector te bieden wat hij nodig heeft om te overleven.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is in 1949 bij een internationaal verdrag ingesteld. Haar bevoegdheidsgebied bestrijkt de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de daarmee in verbinding staande wateren. De voornaamste taken van de GFCM zijn: bevordering van de ontwikkeling, het behoud en het beheer van de levende rijkdommen van de zee, formulering en aanbeveling van behoudsmaatregelen, en bevordering van samenwerkingsprojecten op scholingsgebied. Dit voorstel voor een verordening is bedoeld om een aantal aanbevelingen van de GFCM die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, in één enkel wetgevingsinstrument te bundelen, waarin toekomstige aanbevelingen kunnen worden opgenomen bij een wijzigingsbesluit.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) Het verslag is bedoeld voor het omzetten van verschillende aanbevelingen die zijn aangenomen door de GFCM. Deze aanbevelingen hebben betrekking op technische maatregelen. Een daarvan is een bron van zorg voor de Commissie visserij, die artikel 28 (wijzigingsprocedure) van het voorstel een zeer dubieuze bepaling vindt, voor zover het de voorrechten van het Parlement en het huidige institutionele evenwicht kan bedreigen door de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie zodanig uit te breiden dat alle toekomstige wijzigingen van de verordening binnen de bevoegdheden van de Commissie zouden vallen. De Commissie visserij stelt daarom voor artikel 28 te schrappen. Het lijkt erop dat de Commissie zich nog niet helemaal vertrouwd heeft gemaakt met het Verdrag van Lissabon en dat sommige ambtenaren beslissingen hebben genomen die in feite door het Parlement genomen zouden moeten worden. Dat mag in geen geval worden toegestaan. Ik heb voorgestemd omdat ik denk dat deze schaamteloosheid van de Commissie gewoon te ver gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor deze resolutie gestemd omdat visserij in de Middellandse Zee meer dan alleen een economische activiteit is; visserij is onderdeel van de cultuur en een manier van leven. Hele regio’s zijn opgebouwd rond de visserij. Daarom moet bijzondere aandacht worden besteed aan de visserij in deze regio, omdat visserij in de Middellandse Zee meer specifieke aspecten heeft dan de visserij in andere gebieden, waardoor meer specifieke maatregelen nodig zijn. In mijn visie is het raadzaam om verschillende aanbevelingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) om te zetten in één communautair wetsbesluit, gezien het feit dat de genoemde aanbevelingen al van kracht zijn. Bovendien is het aan te raden om technische maatregelen te nemen, waarbij de beperkingen op de visserij in de Golfe du Lion worden versterkt en de voorschriften aangaande het gebruik van visnetten en het afgeven van visserijvergunningen worden aangescherpt.

Ik ben het ermee eens dat vissersvaartuigen die op goudmakreel mogen vissen aan strengere regelgeving moeten worden onderworpen en dat het deze schepen moet worden verboden om sleepdreggen en trawlnetten op diepten van meer dan 1 000 meter te gebruiken. Daarnaast zou het goed zijn om de controlemaatregelen te reguleren, om de mogelijkheid te bieden om inspecties uit te voeren bij de aanlanding en overlading door schepen uit derde landen en in gevallen dat een lidstaat een vaartuig uit een derde land geen toestemming verleent om zijn havens te gebruiken. Ik verwelkom de voorstellen om actief samen te werken en informatie uit te wisselen met de GFCM.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór het verslag van de heer Rivellini gestemd, omdat ik het volledig eens ben met de noodzaak om de regelgeving van de Unie te vereenvoudigen. Het verslag biedt de mogelijkheid om alle aanbevelingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee samen te voegen in één Europese wetgevingstekst, waardoor de burger gemakkelijker toegang heeft tot documentatie en de betrokken organen in de toekomst gemakkelijker eventuele wijzigingen kunnen aanbrengen. Ik ben van mening dat het vereenvoudigen van de regelgeving voor burgers en belanghebbenden een plicht is die wij als wetgevers snel en zorgvuldig moeten vervullen, teneinde ervoor te zorgen dat zij begrijpen welke kansen de Europese Unie hun biedt, maar vooral om een einde te maken aan de bureaucratische rompslomp, die zoveel extra kosten met zich meebrengt.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is in 1949 bij een internationaal verdrag ingesteld. Haar bevoegdheidsgebied bestrijkt de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de daarmee in verbinding staande wateren. De voornaamste taken van de GFCM zijn: bevordering van de ontwikkeling, het behoud en het beheer van de levende rijkdommen van de zee; formulering en aanbeveling van behoudsmaatregelen; bevordering van samenwerkingsprojecten op scholingsgebied. Het verordeningsvoorstel is simpelweg bedoeld om een aantal aanbevelingen van de GFCM die door de aangesloten landen reeds worden toegepast, in één enkele wetgevingshandeling te bundelen, waarin toekomstige aanbevelingen kunnen worden opgenomen bij een wijzigingsbesluit. De bepalingen van de verordening zijn de gebruikelijke zaken die dergelijke organisaties regelen. Titel II heeft betrekking op beperkingen van vistuig en -activiteiten (‘technische maatregelen’). Titel III bestaat uit ‘controlemaatregelen’ zoals rapportage-eisen, inspecties, enzovoort. Titel IV heeft betrekking op de eisen ten aanzien van samenwerking, informatieverstrekking en rapportage en bepaalt dat de Commissie en de lidstaten samenwerken en informatie uitwisselen met het secretariaat van de GFCM.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór deze ontwerpresolutie gestemd, omdat ik van mening ben dat de maatregelen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee op het vlak van regelgeving van essentieel belang is geweest voor het bereiken van een duurzame visstand in de Middellandse Zee.

De meest recente statistieken over de visbestanden van de Middellandse Zee geven aan dat meer dan 54 procent van de geanalyseerde vissoorten wordt overbevist. Het is dan ook van groot belang wetgevingsmaatregelen te nemen om het mariene milieu te beschermen, door het gebruik van visbestanden weer op een duurzaam niveau te brengen. Het is nu belangrijk dat de lidstaten volop gaan samenwerken, omdat ze de nieuwe regelgeving in de praktijk moeten brengen. Er zullen sancties worden opgelegd aan de landen die de nieuwe regels niet respecteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, dat probeert de bestaande regelingen met betrekking tot visserij binnen het verdragsgebied van de Middellandse Zee te vereenvoudigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Niki Tzavela (EFD), schriftelijk. – (EL) De Europese Gemeenschap en Griekenland zijn partij bij de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee. Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-verdragsgebied heeft tot doel bepaalde, door de GFCM aangenomen en reeds in de GFCM-landen toegepaste voorstellen om te zetten in communautaire wetgeving. Ik heb voor de resolutie gestemd omdat ik van mening ben dat de voorstellen voor controlemaatregelen het natuurlijk milieu beschermen en derhalve nuttig zijn voor de GFCM-partijen.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. (DE) Ik heb gestemd voor het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-verdragsgebied. We bundelen een aantal aanbevelingen in een enkele wetgevingshandeling. Dat is een stap op weg naar administratieve vereenvoudiging, en naar meer efficiëntie, wat we allemaal wensen. De voorgestelde technische aanpassingen stemmen overeen met de vereisten van een moderne en verantwoorde visserij.

 
  
  

Verslag: Anni Podimata (A7-0036/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik ben het geheel eens met dit verslag, dat erop gericht is een nieuwe belastingprocedure voor de financiële sector te introduceren. Dat is dringend noodzakelijk en kan ook gezien worden als een aanvulling op de instrumenten voor regulering en toezicht die onlangs zijn goedgekeurd. Ik wijs erop – en de verslagtekst stelt het ook zo – dat “de invoering van een belasting op financiële transacties op een zo breed mogelijke basis dient te geschieden”, zodat alle typen transacties belast kunnen worden. De belasting op financiële transacties (financial transaction tax, FTT) levert een aantal voordelen op, waaronder een eerlijkere en transparantere markt, en minder speculatie en belastingfraude. Bovendien zou een dergelijke belasting de kosten van de crisis aan de financiële actoren doorberekenen. De aldus gegenereerde extra inkomsten kunnen worden ingezet bij de bestrijding van armoede, het bevorderen van werkgelegenheid, het financieren van de welzijnsstaat, het verwezenlijken van de klimaat- en milieudoelen en andere uit de Europa 2020-strategie voortvloeiende doelstellingen. Ook ik geloof dat de Commissie een onderzoek moet uitvoeren naar een stelsel voor euro-obligaties en de mogelijkheden om zulke gemeenschappelijke Europese obligaties te gebruiken als maatregel voor het stimuleren van investeringen. Ik sluit me verder aan bij het beginsel dat de vervuiler betaalt. Tot slot mogen we de ontwikkelingssteun niet vergeten. Het is dus van belang dat we de toezegging om 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen (BNI) van elke lidstaat te reserveren voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) nakomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marta Andreasen (EFD), schriftelijk. − (EN) Ik heb tegen het verslag van mevrouw Podimata over innovatieve financiering gestemd, omdat het een belasting op financiële transacties wil invoeren die – hoewel wordt beweerd dat deze nodig is om de economie te beschermen tegen risicovolle handel en om een fonds te creëren dat kan worden gebruikt in het geval van een nieuwe crisis en dat zij alleen zal worden opgelegd aan de groothandel en de professionele industrie – onvermijdelijk zal worden doorberekend aan de consument en particuliere belastingbetaler, die het toch al zo moeilijk heeft in deze crisis. De belasting zal een vreselijk effect hebben op de City of London, de financiëledienstenbranche die de grootste bijdrage levert aan de Britse schatkist. Zij zal ervoor zorgen dat bedrijven het Verenigd Koninkrijk verlaten, wat een verlies van werkgelegenheid en belastinginkomsten tot gevolg heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) In de huidige context van bezuinigingen is de discussie over innoverende financiering niet alleen noodzakelijk, maar ook van vitaal belang. Persoonlijk ben ik met name voorstander van de invoering van een belasting op financiële transacties, in het ideale geval op mondiaal niveau, of als dat niet mogelijk is op Europees niveau. Het verheugt mij dat deze maatregel door een meerderheid van mijn collega’s is aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) De mondiale economische en financiële crisis heeft ernstige tekortkomingen in het regelgevings- en toezichtskader van het mondiale financiële stelsel blootgelegd. Inmiddels is duidelijk dat we nieuwe instrumenten nodig hebben die speculatie aan banden kunnen leggen en de financiële sector kunnen laten terugkeren naar zijn kerntaak, het garanderen van een eerlijke en evenredige verdeling van de lasten tussen de belangrijkste financiële spelers. We moeten een discussie over belasting van de financiële sector entameren, omdat deze sector, anders dan andere sectoren, grotendeels niet aan belastingheffing is onderworpen. Ook geldt er een btw-vrijstelling voor alle fundamentele financiële activiteiten. Ik ben het eens met de invoering van een belasting op financiële transacties, die kan helpen om de uitermate schadelijke handelspatronen in bepaalde financiële markten aan te pakken, de efficiëntie van de markt zelf te vergroten, de volatiliteit van de prijzen te verminderen en prikkels voor de financiële sector te creëren om langetermijninvesteringen te plegen met toegevoegde waarde voor de reële economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Baudis (PPE), schriftelijk. – (FR) Met deze stemming heeft het Parlement een nieuwe mijlpaal bereikt op weg naar mondiale financiële regulering. Wij hebben een krachtige boodschap afgegeven, die aansluit op de plannen van het Franse voorzitterschap van de G20. Op het moment dat de economie haar eerste tekenen van herstel vertoont, moeten wij er met elkaar aan werken om een weldoordacht, evenwichtig model van liberalisme te bevorderen. Europees links wilde met de eer gaan strijken voor het idee om financiële transacties te belasten, maar vergiste zich. Europeanen weten wanneer ze pragmatisch moeten zijn. De stemming van vandaag toont aan dat dit begrip alle politieke scheidingslijnen overstijgt.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (EFD), schriftelijk. − Het verslag-Podimata kan ik niet steunen. De lidstaten zijn bevoegd voor belastingbeleid. Het verslag doet geen recht aan deze situatie, maar wil vanuit de EU een aantal belastingen voorschrijven, waaronder een belasting op financiële transacties en een energiebelasting. Indien een belasting voor de financiële sector noodzakelijk is, moet de opbrengst daarvan naar de schatkist van de lidstaten vloeien. Zij hebben immers de banken moeten redden. Lidstaten doen er verstandig aan om met deze opbrengst de staatsschuld terug te brengen die tijdens de crisis is opgelopen. Het verslag gaat er daarentegen zonder meer van uit dat de opbrengst ten goede kan komen aan mondiale en EU-beleidsdoelstellingen. Dat zou dan klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking betreffen.

Het verslag bevat verder een pleidooi voor een solidariteitsheffing op vliegtickets ter bestrijding van volksgezondheidsproblemen en heffingen voor de vervoersector. Ik begrijp dat er nuttige beleidsdoelstellingen kunnen worden nagestreefd en dat meer inkomsten daarvoor wenselijk worden geacht. Aangezien het belastingmaatregelen betreft, moet dit echter vanuit de lidstaten worden geïnitieerd en niet top-down vanuit Europa worden gedicteerd. Ik ben bang dat een dergelijke insteek een vruchtbare samenwerking met de Raad in de weg staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ruim drie jaar na de crisis zijn de elementen om de financiële markten te reguleren nog tamelijk dun gezaaid. In dit opzicht zou een nieuwe belasting de mogelijkheid bieden om nieuwe financieringsbronnen vrij te maken en om de meest discutabele financiële praktijken te reguleren. Laten wij duidelijk zijn: op dit moment is het niet mogelijk om te zeggen dat hetgeen drie jaar geleden is gebeurd, zich in de toekomst niet opnieuw zal voordoen. Dat is om wanhopig van te worden. De uitdaging is dus om te weten of Europa de kritische massa heeft om concreet actie te ondernemen. Ik denk dat dit het geval is en dat hoe eerder er in deze kwestie actie wordt ondernomen, hoe beter!

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. – (RO) De aanneming van dit verslag in de plenaire vergadering geeft aan welke weg de Europese Unie kennelijk wenst in te slaan. Hoewel het idee om een belasting op financiële transacties in te voeren door het algemene publiek lijkt te worden gesteund, ook al heeft de G20 geen overeenstemming over het vaststellen van een dergelijke bijdrage op mondiaal niveau bereikt, voel ik me verplicht om op te merken dat dit op de middellange en lange termijn een averechts effect kan hebben. Het effect van een dergelijke belasting, als die alleen wordt opgelegd aan kapitaal in de EU, zal zeker zijn dat dit kapitaal naar ontwikkelde of opkomende landen buiten de EU zal vloeien. Het andere scenario, althans in de eerste fase, zal zijn dat deze belasting in de vorm van kosten wordt doorberekend aan kredietnemers of financiële diensten. In elke situatie zal het perverse effect zijn dat de EU dichter bij de gevaarlijke situatie komt dat ze concurrentiekracht verliest ten opzichte van andere landen als de VS, Japan of de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China). Dit zal de economische groei vertragen en problemen creëren, ook voor de reële economie, die afhankelijk is van de goedkoopst mogelijke financiering.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat ik het ermee eens ben dat de Europese Unie nieuwe instrumenten moet gaan zoeken voor innovatieve financiering. Met dergelijke instrumenten zou de EU de huidige problemen kunnen aanpakken, aangezien ze tegelijkertijd zowel regelgevend zijn als inkomsten kunnen genereren.

Men heeft in dit Huis al vaak onderstreept dat de economische crisis de tekortkomingen van het mondiale financiële stelsel op het vlak van regelgeving en toezicht heeft blootgelegd. We weten ook dat belastingbetalers momenteel degenen zijn die voor de kosten van de crisis opdraaien, niet alleen via directe belastingen, maar ook in de vorm van toenemende werkloosheid, dalende inkomens, minder toegang tot sociale diensten en een toename van de ongelijkheden. Voor alomvattende en geïntegreerde oplossingen voor de crisis hebben we nieuwe instrumenten nodig.

Ik ben het dan ook eens met de invoering van de al zo vaak besproken euro-obligaties, aangezien die voor een gezamenlijk beheer van de schuld zouden kunnen zorgen, door een deel van de staatsschuld samen te voegen. De rapporteur stelt tevens andere financieringsinstrumenten voor, die speculatie moeten bestrijden, zoals een coherente en efficiënte belastingheffing voor de energiesector en het opstellen van voorstellen voor een belasting op ontwikkeling, waarmee de middelen voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen kunnen worden vergroot.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE), schriftelijk. (CS) We hebben in de EU nog altijd te maken met de gevolgen van de financiële crisis die tussen 2009 en 2010 omsloeg in een begrotingscrisis die in hoofdzaak gekenmerkt word door een al te uitbundige uitgifte van staatsobligaties. Ikzelf zie dat in tegenstelling tot wat in het goedgekeurde verslag wordt gesteld echter niet als een gevolg van druk van de markten, als wel van het onverantwoordelijke begrotingsbeleid van talloze nationale regeringen die niet bereid waren hun pensioenstelsel, hun gezondheidszorg of de regels voor de arbeidsmarkt te hervormen. De markt verwijten dat deze gefaald heeft, is in mijn ogen niets meer en niets minder dan de eigen schuld niet onder ogen willen zien en een ontkenning van het feit dat men eenvoudigweg de moed ontbeerde om de broodnodige hervormingen uit te voeren. De regelgeving ten aanzien van de versterkte financiële regulering en toezicht op de financiële markten is reeds goedgekeurd en dus is nu de tijd gekomen om de volgende stap te zetten, namelijk de Europese economie weer aan de praat krijgen. Dat kan bijvoorbeeld middels financiering van gezamenlijke infrastructurele projecten of middels speciale belastingregimes voor ondernemingen opdat zij investeren in wetenschap en onderzoek. Ik raad de belasting op financiële transacties alsook uiteenlopende vormen van bankbelastingen ten zeerste af, omdat de financiële markten hiermee zouden worden afgeknepen en de mededinging zou worden verstoord. Ook de euro-obligaties lossen het probleem niet op; invoering ervan zou alleen maar leiden tot verschuiving van het onverantwoordelijke begrotingsbedrag naar het Europees niveau, ver weg van het publieke toezicht waar de verleiding tot onevenredig grote uitgaven nog vele malen groter is dan op het nationale niveau. Ook ben ik geen voorstander van de pan-Europese koolstofbelasting die met name de energiesector onevenredig treffen zou en daarmee uiteindelijk ten koste zou gaan van de energievoorzieningszekerheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Brzobohatá (S&D), schriftelijk. (CS) Financiële transacties vormen een grote bron van inkomsten voor de financiële sector en juist allerhande speculatieve operaties op de financiële markten waren voor een groot deel verantwoordelijk voor de wereldwijde financiële crisis. Het is absoluut geen goede zaak om de belastingbetaler in zijn eentje te laten opdraaien voor de uit de financiële crisis voortvloeiende lasten; het is van groot belang dat ook de financiële sector zijn deel ervan draagt, dat deze deelt in de kosten. Het verslag richt zich met name op de uiterst risicovolle en speculatieve transacties en zal daarom de financiële sector – met de toekomstige belasting op financiële transacties – aanzetten tot verantwoordelijker gedrag dat paradoxaal genoeg leiden zal tot een stabielere mondiale financiële sector. Ook het feit dat in het leeuwendeel van de lidstaten financiële diensten niet onderhevig zijn aan btw, is een goede reden voor de invoering van belasting op financiële transacties.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio Cancian (PPE), schriftelijk. (IT) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat ik van oordeel ben dat het een goede stap op weg is naar de toekomstige innovatieve financieringsinstrumenten die de basis zullen vormen voor het herstel van de Europese economie. Ik ben van mening dat het van essentieel belang is dat Europa ook op de markt middelen aanboort om de belangrijkste sectoren van onze economie te financieren, overeenkomstig de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, in het bijzonder de trans-Europese infrastructuren in de vervoers-, energie- en telecommunicatiesector, welke noodzakelijk zijn om uit de crisis te komen.

Het is van essentieel belang de Europese economie uit het slop te halen. De verantwoordelijkheid van de EU is niet om belastingen op te leggen of te verhogen, maar om de moed te hebben de markt aan te pakken. De oplossing ligt in het vinden van nieuwe financieringsmethoden waarmee projecten volledig kunnen worden gerealiseerd in zo min mogelijk tijd, door de creatie van ad-hocfondsen die gebaseerd zijn op de uitgifte van effecten op de markt die rechtstreeks zijn verbonden met verwezenlijking of de economische exploitatie van een bepaald werk, de zogenoemde projectobligaties.

Een eventuele belasting op financiële transacties zou alleen in Europa moeten worden overwogen als deze wereldwijd wordt ingevoerd. Ik ben van mening dat de Commissie de mogelijkheid om een dergelijke belasting op EU-niveau in te voeren moet onderzoeken en moet nagaan of zo’n belasting negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor het concurrentievermogen van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor deze resolutie van het Parlement gestemd, omdat ook ik het een goed idee vind om de omvang van de EU-begroting door middel van innovatieve financiële instrumenten te vergroten. Ik erken dat het stimuleren van financiering van de particuliere sector met overheidsmiddelen voordelen kan bieden. Ik geloof echter wel dat dergelijke maatregelen gepaard dienen te gaan met volledig transparante informatieverstrekking in combinatie met passende investeringsrichtlijnen, risicobeheer, blootstellingsgrenzen, controle- en toezichtprocedures, en op een democratisch verantwoorde wijze moeten worden genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (S&D), schriftelijk. – (FR) Het verheugt mij dat het Europees Parlement tijdens de stemming in de plenaire vergadering zijn steun heeft uitgesproken voor de invoering van een belasting op financiële transacties op Europees niveau. Dankzij een belasting op financiële transacties op Europees niveau kunnen financiële transacties die in hoge mate speculatief en vanuit maatschappelijk oogpunt onnodig zijn, worden bestraft, terwijl dit de Europese Unie tevens een jaarlijks inkomen van 200 miljard euro oplevert. Deze stemming druist in tegen het concurrentiepact. In plaats van de staten en de burgers te bestraffen, moeten de financiële markten worden belast. De Commissie en de Raad moeten hier dringend nota van nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik steun, met enige reserves, het verslag-Podimata over innoverende financiering. Ik deel de bezorgdheid van de rapporteur met betrekking tot de economische en financiële crisis die we nu doormaken en de ontoereikende investeringen die daarvan het gevolg zijn. Ik ben het er ook mee eens dat investering moet leiden tot meer innovatie en vooruitgang, en dat Europa zijn vermogen om intelligente investeringen te doen moet vergroten. Ik vrees echter wel dat het verslag over het geheel genomen te zeer neigt naar belastingverhogingen, terwijl we in een aantal landen (zoals Portugal) al veel te zware fiscale lasten hebben. In de eindversie van dit verslag wordt gepleit voor de invoering van een belasting op financiële transacties (over de gehele wereld of op zijn minst in Europa), waarbij overigens wel wordt toegegeven dat de impact van zo’n maatregel moet worden onderzocht (volgens het verslag a posteriori). Ik ben het eens met het pleidooi voor de invoering van euro-obligaties, omdat zwakkere landen daarmee gemakkelijker toegang zouden krijgen tot de markten. Ik sluit me ook aan bij de stelling dat een dergelijk stelsel van voordeel zou zijn “voor alle deelnemende lidstaten en voor de eurozone als geheel.”

 
  
MPphoto
 
 

  Frédéric Daerden (S&D), schriftelijk. – (FR) Sommige mensen staan niet achter een belasting op financiële transacties (financial transaction tax, FTT) op Europees niveau, omdat dit tot concurrentievervalsing op de financiële markten, ten koste van Europa, zou leiden. Ik geloof niet dat een belasting van slechts 0,01 procent op deze transacties ervoor zal zorgen dat investeerders zich terugtrekken uit de grootste financiële markt ter wereld.

Als wij het aan de G20 overlaten om dit initiatief op mondiaal niveau te nemen, dan kunnen we eeuwig blijven wachten. Het verheugt mij dan ook dat het amendement ten gunste van deze FTT op Europees niveau, dat door de Fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement was ingediend, is aangenomen. Deze belasting zou een inkomensbron van naar schatting 200 miljard euro per jaar opleveren, die de Unie in staat zou stellen haar begroting correct te financieren, op een moment dat de leden van de Raad al aankondigen dat zij van plan zijn hierin te gaan snijden, ondanks de toegevoegde waarde die Europese uitgaven met zich meebrengen.

De crisis, die veroorzaakt is door de spelers op de financiële markten, wordt door onze rechtse regeringen als argument gebruikt om op te roepen tot begrotingsingrepen, met name in de sociale uitgaven. Op die manier zouden de Europese burgers opdraaien voor fouten die zij niet hebben gemaakt. Deze FTT zou de sociale gerechtigheid weer terugbrengen in de Europese besluiten, omdat de overheidsfinanciën dan worden geconsolideerd op kosten van degenen die deze eerst en vooral verzwakt hebben. Daarom was dit het juiste moment om deze stap te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Ciriaco De Mita (PPE), schriftelijk. (IT) De financiële en economische crisis heeft het totale gebrek aan ethiek in die sector aan het licht gebracht. De ontoereikendheid van het idee van de nieuwe welvaartseconomie, waarbij het nastreven van individuele welvaart de sleutel vormt tot collectieve welvaart, die daarvan de som is, is goed duidelijk geworden. In deze logica wordt het individuele belang op geen enkele manier belemmerd door het collectieve belang, laat staan het algemene belang. De overheid dient echter de publieke zaak voorop te stellen en binnen dat kader ruim baan te geven aan individuele rechten en vrijheden. Dit dient zij te ondersteunen met een eerlijk en progressief belastingstelsel. Conform dit idee, dat op wereldwijd niveau moet worden verdedigd door de EU en alle landen van de G8 en de G20, moeten inkomsten uit financiële transacties net als andere inkomsten worden behandeld, door middel van een specifieke belastingheffing die niet alleen andere regels en nieuwe paradigma’s bevordert, maar tevens een grotere verantwoordelijkheid van de actoren in de sector. Ten slotte zou de invoering van euro-obligaties, bestemd voor het crisisfonds en voor infrastructuurprojecten, de handelingsmogelijkheden van de EU kunnen versterken, mits ze een aanvulling zijn op de communautaire begroting. Het verslag dat wij hebben goedgekeurd gaat volgens mij, zij het langzaam, in die richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) De huidige economische crisis heeft zwakke plekken in het toezicht op de financiële sector aan het licht gebracht. Daarom hebben wij nieuwe instrumenten en nieuw fiscaal beleid nodig. Zo heeft het financiële systeem grote winsten gegenereerd uit speculatieve transacties, terwijl het aan geen enkele belasting wordt onderworpen. Door te stemmen vóór een belasting op financiële transacties, waarvan de opbrengsten op nuttige wijze kunnen worden besteed aan ontwikkelingshulp, heeft het Europees Parlement aangegeven dat het een einde wil maken aan deze onrechtvaardigheid. Natuurlijk zou deze belasting op mondiaal niveau moeten worden toegepast, maar als dat niet gebeurt, zouden wij de EU willen verzoeken om haar verantwoordelijkheid te nemen door de belasting in Europa in te voeren. Op die manier zou Europa een voorbeeld stellen, zowel vanuit het oogpunt van innoverende financiering, als dat van solidariteit met ontwikkelingslanden. Het is nu aan de Europese Commissie om ons een wetgevingsvoorstel te presenteren dat aansluit op de verwachtingen die door een zeer grote meerderheid in dit Parlement zijn uitgesproken.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Delvaux (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik ben blij met deze stemming over de belasting op financiële transacties, omdat het Europees Parlement de Unie oproept deze belastingheffing in te voeren zonder een eventueel besluit in deze richting op mondiaal niveau af te wachten. De Europese Unie heeft de grootste financiële sector ter wereld en zou daarom de weg moeten wijzen.

Volgens verschillende onderzoeken zou de invoering van een belasting van circa 0,05 procent op transacties jaarlijks ongeveer 200 miljard euro opleveren, een bedrag dat kan worden gebruikt om het herstel en ontwikkelingssamenwerking te financieren en om het milieu te beschermen, terwijl financiële speculatie tegelijkertijd ontmoedigd wordt. Dit gezegd hebbende, blijf ik ook overtuigd van de noodzaak om een dergelijke belasting op mondiaal niveau in te voeren: de Unie moet haar partners aanmoedigen om regelgeving inzake financiële belastingen aan te nemen.

Want als deze belasting alleen wordt toegepast in de Europese Unie en niet op mondiaal niveau door Europa´s belangrijkste financiële concurrenten, dan zullen de financiën van de Unie daar veel schade van ondervinden. Ik hoop dat op dit punt onder het Franse voorzitterschap van de G20 een compromis zal worden bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Harlem Désir (S&D), schriftelijk. – (FR) Al meer dan tien jaar strijden de Europese socialisten in het Europees Parlement voor een belasting op financiële transacties. Aan deze belasting zouden veel voordelen zijn verbonden: niet alleen zou er een afschrikkende werking van uitgaan voor financiële speculatie, maar de opbrengsten ervan zouden ook kunnen worden gebruikt voor steun aan de ontwikkelingslanden en hun aanpassing aan klimaatverandering, evenals voor een bijdrage aan de begroting van de Europese Unie.

De situatie in de wereld is nu anders: de recessie heeft de noodzaak om de financiële markten te stabiliseren nog urgenter gemaakt, en de Europese Unie heeft behoefte aan nieuwe financiële middelen om uit deze recessie te komen, hetgeen moet worden gerealiseerd door herstel en niet door bezuinigingen.

Tegelijkertijd zwelt de stroming die vóór deze belasting is, aan: steeds meer regeringen zijn er voorstander van, en het Europees Parlement heeft al meerdere keren ten gunste van een belasting op financiële transacties gestemd. Deze nieuwe stemming vóór de belasting is een belangrijke stap: het Parlement zegt hiermee dat wij vanaf nu op Europees niveau moeten optreden, ook al is er geen overeenstemming op mondiaal niveau. Het verzoek van het Parlement is duidelijk, en de stemming liet een overgrote meerderheid zien: nu moeten wij onze woorden in daden omzetten en deze belasting op financiële transacties invoeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek (ALDE), schriftelijk. − (SV) In het verslag over innoverende financiering komen een aantal belangrijke aspecten aan bod. Helaas bevat het een voorstel om Europa unilateraal een belasting op financiële transacties te laten invoeren. Ik denk dat het Zweedse voorbeeld uit de jaren tachtig van een eenzijdige invoering van een soort belasting op financiële transacties, waardoor grote delen van de aandelen-, obligatie- en optiehandel naar Londen verhuisden, in aanmerking moet worden genomen opdat we dezelfde fout niet op Europees niveau zouden begaan. Volgens mij is het risico groot dat, als de EU op eigen houtje zo’n belasting invoert, dit geen stabiliserende gevolgen zal hebben voor de financiële markt. Het risico dat de aandelen-, obligatie- en optiehandel verhuist naar minder transparante en open markten buiten Europa, is groot. Dat leidt niet tot betere omstandigheden voor toezicht op de financiële markt. Daarom stemde ik tegen het amendement dat zo’n Europese Tobintaks voorstelde, maar hoewel dat voorstel werd goedgekeurd, koos ik er toch voor om bij de slotstemming voor het verslag te stemmen.

Die keuze werd ingegeven door het feit dat ik als onderhandelaar van de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa voor de Europa 2020-strategie anders de onderhandelingspositie van de fractie dreigde te ondermijnen met betrekking tot voor ons belangrijke kwesties, zoals het belang van de totstandbrenging van een echte interne markt, de mogelijkheid om infrastructuurprojecten te financieren met behulp van Europese projectobligaties en een mogelijke oplossing voor een Europese koolstofbelasting.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat ook ik geloof dat er nieuwe specifieke instrumenten moeten worden gecreëerd, waaronder een belasting op financiële transacties, die de mogelijkheid biedt de marktefficiëntie te verbeteren, de transparantie te vergroten, bovenmatige prijsvolatiliteit te reduceren en de financiële sector ertoe aan te zetten langetermijninvesteringen te plegen met toegevoegde waarde voor de reële economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Göran Färm, Olle Ludvigsson, Marita Ulvskog en Åsa Westlund (S&D), schriftelijk. − (SV) Wij, Zweedse sociaaldemocraten, zijn grote voorstanders van een belasting op financiële transacties op mondiaal niveau. De EU zou zich zeer actief moeten inzetten voor de totstandbrenging van zo’n stelsel. Als na verloop van tijd zou blijken dat een internationale overeenkomst politiek niet mogelijk is, zou het alternatief van de invoering van een tot de EU beperkte belasting op financiële transacties zorgvuldig moeten worden overwogen. Die overweging zou gebaseerd moeten zijn op een evenwichtige effectbeoordeling. Momenteel is de Commissie een analyse aan het voorbereiden, maar dat heeft haar vertegenwoordigers er niet van weerhouden om bij meerdere gelegenheden op de feiten vooruit te lopen door een duidelijk negatief standpunt te verwoorden met betrekking tot een belasting op EU-niveau. Wij vinden dat onaanvaardbaar. Om een duidelijk signaal te sturen aan de Commissie dat deze kwestie ernstig moet worden genomen en dit proces onbevooroordeeld moet verlopen, hebben we ervoor gekozen om voor het amendement te stemmen dat expliciet de invoering van een EU-belasting bepleit. Het is zeer belangrijk dat er met betrekking tot deze kwestie werk wordt gemaakt van objectieve en doortimmerde informatie om een besluit op te baseren.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag gaat over de noodzaak om nieuwe manieren te vinden voor het financieren van de openbare sector, zowel in Europa als in de rest van de wereld. De huidige economische en financiële crisis heeft de lidstaten immers gedwongen middelen te vinden om hun begrotingscrises te verzachten. Het belasten van de financiële sector en de uitstoot van CO2 zijn voorbeelden van zulke nieuwe financieringsinstrumenten.

De afgelopen periode heeft de financiële sector zich niet gehouden aan zijn opdracht om de ontwikkeling van de economie te financieren. Zogenaamd om de risico’s te dekken, zijn de marges verhoogd en dat levert enorme winsten op die intussen wel ernstige gevolgen hebben voor zowel de burgers als de openbare financiën. Aan de andere kant zou met een belasting op de uitstoot van de CO2 het principe volgens hetwelk “de vervuiler betaalt” eerlijker en consequenter in praktijk worden gebracht. Zo’n belasting draagt immers niet alleen bij tot het terugdringen van klimaatverandering, maar kan ook een rol spelen bij het financieren van projecten op dat gebied. Ik ben het ermee eens dat een belasting op financiële transacties overal ter wereld moet worden toegepast. Ik geloof wel dat de invoering ervan in Europa moet worden voorafgegaan door een effectbeoordeling. Tot slot ben ik het eens met het idee om euro-obligaties in te voeren. Obligaties zijn immers een gebruikelijk instrument voor schuldbeheer.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) In dit verslag wordt gesproken over innovatieve financiering. In werkelijkheid wordt nooit van het platgetreden paadje afgeweken en wordt geweigerd aan de eisen van zelfs de meest elementaire rechtvaardigheid tegemoet te komen. De financiële markt had al lang geleden behoorlijk geregeld en onder toezicht gesteld moeten zijn. Er had allang een einde aan speculatie moeten zijn gemaakt, of het nu gaat om grondstoffen (waaronder voedsel), onroerend goed, pensioenen of de overheidsschulden van staten – om maar eens een paar voorbeelden te noemen. De Europese Commissie blijft echter weigeren met dit soort voorstellen enige voortgang te boeken. We weten echter dat de door belastingontduiking veroorzaakte financiële schade in Europa volgens schattingen tussen de 200 en 250 miljard euro per jaar bedraagt, een bedrag dat op zich al volstaat om de overheidstekorten te verminderen zonder terug te hoeven vallen op de oude, vertrouwde oplossing: belasting op de arbeid. De Commissie weigert verder halsstarrig in de EU een belasting op de financiële transacties in te voeren en dringt zeker niet aan op de invoering van zo’n belasting over de gehele wereld.

Hetzelfde geldt voor het blijven voortbestaan van belastingparadijzen, wat toch een schandaal is. De hier genoemde maatregelen zouden geld kunnen opleveren om armoede en andere hardnekkige sociale en economische problemen op te lossen. Volgens recente schattingen zou zelfs een geringe belasting op de financiële transacties binnen de EU jaarlijks al een bedrag van 200 miljard euro genereren.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fidanza (PPE), schriftelijk. − (IT) Ik ben verheugd over de ontwerpresolutie over innovatieve financieringsinstrumenten, waarmee het Parlement heeft bijgedragen aan het debat over hoe nieuwe inkomsten kunnen worden gegenereerd, een eerlijk belastingsbeleid kan worden gewaarborgd en de mogelijkheden voor het terugvorderen van heffingen kunnen worden gemaximaliseerd. Ik ben vóór de invoering van een belasting op financiële transacties: de recente crisis – waarvoor een bepaald soort financiële speculatie verantwoordelijk was – toont aan dat uiteindelijk staten en burgers mogen opdraaien voor schade die door anderen is veroorzaakt.

Een belasting op financiële transacties zou de Europese schatkist jaarlijks zo’n 200 miljard euro kunnen opleveren en zou bijdragen aan een vermindering van speculatieve activiteiten, omdat ze duurder en dus minder aantrekkelijk worden. Ik ben echter van mening dat een dergelijke belasting niet alleen op Europees niveau, maar op wereldwijd niveau zou moeten worden ingevoerd, teneinde een concurrentienadeel voor Europa te voorkomen. We mogen immers niet vergeten dat Europa als grootste markt ter wereld zeer aantrekkelijk is. Ten slotte moeten we blij zijn dat het Parlement voorstander is van de euro-obligaties en projectobligaties om het economisch herstel te bevorderen, door de reële economie te stimuleren en infrastructuren aan te leggen die essentieel zijn voor de Europese economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Er is al heel lang behoefte aan een efficiënte regulering van en toezicht op de kapitaalmarkt, om te verhinderen dat er speculatie wordt bedreven met de meest uiteenlopende producten, van grondstoffen, onroerend goed, pensioenen en verzekeringen tot een heel spectrum aan afgeleide producten, waaronder zelfs staatsschulden.

De Europese Commissie is met voorstellen in deze richting echter niet verder gekomen, en dat terwijl we weten dat de door belastingontduiking veroorzaakte financiële schade in Europa op tussen de 200 en 250 miljard euro geschat wordt, een bedrag dat op zich al volstaat om de overheidstekorten te verminderen zonder terug te hoeven vallen op een verhoogde belasting op de arbeid.

Als we echter overal ter wereld (en dus ook in de Europese Unie) een belasting op de financiële transacties zouden hebben, en als we een einde zouden kunnen maken aan belastingparadijzen en afgeleide financiële producten, dan zouden we over nog meer middelen beschikken om allerlei economische en sociale problemen het hoofd te bieden.

Volgens recente schattingen zou zelfs een geringe belasting op de financiële transacties binnen de EU jaarlijks al een bedrag van 200 miljard euro genereren.

Tegen die achtergrond kunnen wij niet aanvaarden dat het innemen van een duidelijk standpunt over het introduceren van een belasting op financiële transacties steeds weer wordt uitgesteld met het excuus dat er meer onderzoek en meer beoordelingen nodig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Lorenzo Fontana (EFD), schriftelijk. − (IT) Als het financiële stelsel, het toneel van roekeloos handelen en speculatie, als een van de belangrijkste veroorzakers van de financiële crisis wordt beschouwd, dan is het niet meer dan terecht dat de verantwoordelijken ook bijdragen aan de oplossing ervan en de grootste economische bijdrage leveren. Ik ben echter van mening dat de manier waarop dat volgens dit verslag zou moeten het fragiele evenwicht op het vlak van concurrentie zal aantasten, omdat de grondslag eronder wordt weggehaald, aangezien deze oplossing op mondiaal niveau zou moeten worden toegepast. Om deze reden, en om geen gevaarlijk Europees belastingprecedent te scheppen, heb ik besloten het verslag van mevrouw Podimata niet te steunen en tegen te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór de amendementen en de gedeelten van de tekst gestemd die verband houden met belastingheffing op financiële transacties. Ik heb in feite vóór het principe gestemd dat wij de financiële instellingen moeten laten meebetalen aan de kosten van de recessie, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, en aan het versterken van onze overheidsfinanciën.

Het probleem met dit verslag, waar ik tegen heb gestemd, is echter dat er, bij wijze van innovatie, vooral mee wordt beoogd om nieuwe belastingen in te stellen, die indien mogelijk op Europees of mondiaal niveau worden beheerd, of waarbij in ieder geval internationale instanties beslissen wie er de begunstigden van zullen zijn en hoe het geld wordt gebruikt. Bovendien is er geen enkele garantie dat de belastingen op arbeid significant zouden worden verlaagd. Evenzo kan ik niet anders dan mij verzetten tegen een belasting op koolstof op alle niveaus, omdat het steevast de armste burgers zijn die daar de dupe van worden, zoals we hebben gezien met het onrechtvaardige en impopulaire plan van de heer Sarkozy.

Ik ben ook tegen de oprichting van een Europees agentschap dat belast wordt met de uitgifte van Europese obligaties teneinde overheidsschulden samen te voegen – dat is echt een bonus voor idioten die betaald wordt door mensen met meer gezond verstand. Tot slot vind ik het betreurenswaardig dat in het gedeelte dat gewijd is aan de financiering van ontwikkeling, weliswaar terecht de corruptie van regeringen en de belastingparadijzen aan de kaak worden gesteld, maar dat men angstvallig vermijdt om te protesteren tegen de schandalige praktijken van multinationals, en met name tegen de manier waarop zij verrekenprijzen gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (S&D), schriftelijk. − (EN) Het verslag over ‘innovatieve financiering’ geeft een sterke boodschap af aan de financiële instellingen, in het bijzonder aan de banken, dat het tijd is om de financiële sector verder te reguleren door de banken administratief verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk te maken voor hun nalatige handelen en ineffectieve risiscobeheersingspraktijken. Het is duidelijk geworden dat de financiële dienstenmarkt vaak niet in staat is zichzelf voldoende te reguleren en dat de kwaliteit van de consumentenbescherming en waarborgen in de financiële dienstensector tastbare en sterke verbetering behoeven, in het bijzonder als het gaat om toezicht en controle. De huidige situaties kunnen worden gebruikt als een gelegenheid om de financiële dienstensector te versterken en het vertrouwen van de burgers en consumenten in de sector te herstellen, want die krijgen nu de rekening voor de grote blunders van de grote financiële instellingen en de reddingsacties waarmee deze overeind gehouden zijn.

Dat gezegd hebbende, moet de Commissie eerst evalueren wat voor effect een belasting op financiële transacties zou hebben op de Europese economie, want toekomstige voorstellen mogen niet alleen worden gebaseerd op impulsbesluiten om de waan van het moment aan te pakken, maar moeten bestaan uit een pragmatische benadering die de tand des tijds kan doorstaan en het vertrouwen van de Europese burgers in de financiële markten zal herstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Estelle Grelier (S&D), schriftelijk. – (FR) De aanname van het verslag-Podimata was voor het Parlement de gelegenheid om zijn onverdeelde steun te geven aan de invoering van een belasting op financiële transacties op EU- niveau. Tot nu toe hebben de Europese rechtse fracties de voorstellen van de socialisten over dit onderwerp altijd laten stranden, zowel in de Parlementaire commissies als tijdens de plenaire vergaderingen. Het is goed nieuws dat een meerderheid van de Parlementsleden, en dus een deel van de rechtse fracties, zich vandaag bij dit ontwerpverslag heeft aangesloten waar de Fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement jarenlang voor heeft gepleit. Het laat duidelijk zien dat wij ons met z’n allen steeds meer bewust worden van de gegrondheid van dit project. Deze stemming markeert een nieuwe fase in het proces van de invoering van een financieel instrument dat het met name mogelijk maakt eigen aanvullende middelen aan de EU-begroting toe te voegen, maar ook om acties ten behoeve van ontwikkelingshulp op internationaal niveau te steunen. De strijd is echter nog niet gestreden. Het betreft op dit moment alleen een beleidstandpunt. Wij hebben naar de verklaringen van de Europese leiders van de overwegend rechtse regeringen geluisterd, maar nu moeten wij alert blijven als het gaat om de daadwerkelijke wil van deze leiders om de belasting in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE), schriftelijk. – (FR) Wij strijden al een aantal jaar voor de invoering van een belasting op financiële transacties. Ondanks de grote weerstand die er altijd tegen dit idee heeft bestaan, is de stemming voor deze resolutie met een grote meerderheid een belangrijke stap. Door de belasting op financiële transacties op mondiaal niveau aan te moedigen en door in ieder geval de invoering van een dergelijke belasting binnen de Europese Unie aan te bevelen, legt het Parlement de eerste steen van een nieuwe mondiale financiële orde. Hieraan moet worden toegevoegd dat een dergelijke belasting zorgt voor nieuwe financiële vooruitzichten, aangezien de invoering ervan zo’n 200 miljard euro per jaar zou kunnen genereren. Deze stemming is een grote overwinning en het is nu aan de internationale instanties om net zo dapper te zijn als de Parlementsleden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) De invoering van een belasting op financiële transacties is een zaak waar de socialisten en links Europa al lange tijd voor strijden. Het feit dat het verslag van mijn Griekse collega, mevrouw Podimata, met een grote meerderheid is aangenomen, getuigt van een politieke omwenteling binnen het Europees Parlement. Voor Europees links is dit een grote overwinning waar het trots op mag zijn. Hoewel de tekst geen directe wetgevende betekenis heeft, vormt deze wel een beslissende politieke vooruitgang. Vanaf nu kan Europees rechts binnen het Europees Parlement de invoering van een dergelijke belasting niet langer dwarsbomen. Het is een echte stap voorwaarts in de richting van begrotingsfederalisme; de enige weg die de Europese Unie kan volgen voor de verwezenlijking van haar doelstellingen van groei, werkgelegenheid en het te boven komen van de crisis.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb ingestemd met dit verslag, omdat een van de belangrijkste voordelen van innovatieve financiële instrumenten is dat ze een dubbel dividend kunnen opleveren, in de zin dat ze tegelijkertijd aan de verwezenlijking van belangrijke beleidsdoelstellingen kunnen bijdragen, zoals stabiliteit en transparantie van de financiële markten, en een significant inkomstenpotentieel kunnen hebben. Maar ook moet rekening worden gehouden met de effecten van deze instrumenten op de negatieve externe factoren die door de financiële sector worden veroorzaakt. Ik ben het eens met de bepaling en de oproep om innovatieve financieringsmaatregelen te gebruiken om de belastingopbrengsten uit deze sector te verhogen en bij te dragen aan het verschuiven van de belastingdruk van arbeid naar andere bronnen. Dit zou de mogelijkheid bieden om de marktefficiëntie te verbeteren, de transparantie te vergroten, speculatie terug te dringen, bovenmatige prijsvolatiliteit te reduceren, de financiële sector ertoe aan te zetten langetermijninvesteringen te plegen met toegevoegde waarde voor de reële economie, en bij te dragen aan de financiering van mondiale collectieve goederen en het verkleinen van de overheidstekorten. Ik steun het idee van het uitgeven van gemeenschappelijke Europese projectobligaties voor het financieren van Europa’s belangrijke behoeften op infrastructuurvlak en structurele projecten in het kader van de agenda EU-2020, de beoogde nieuwe strategieën van de EU, zoals de nieuwe strategie voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur, en andere grootschalige projecten. EU-projectobligaties zouden de vereiste investeringen garanderen en de voor grote investeringsprojecten benodigde steun aantrekken, zodat zij een belangrijk instrument zouden worden om met overheidssteun een maximale hefboomwerking te bereiken. Deze projecten moeten ook bijdragen aan de omvorming van onze economieën in een milieuvriendelijke richting, om zo de weg vrij te maken voor een koolstofloze economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Arturs Krišjānis Kariņš (PPE), schriftelijk. – (LV) Een nieuwe belasting op financiële transacties zal de begrotingsproblemen van de lidstaten van de Europese Unie niet oplossen. Om deze reden heb ik het verslag over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau niet gesteund. In tegenstelling tot wat sommigen denken, zullen het niet de banken zijn die een dergelijke belasting betalen, maar hun klanten, dezelfde belastingbetalers als altijd dus. In tijden van economisch herstel moeten we geen nieuwe belastingen invoeren, maar in plaats daarvan de overheidsuitgaven terugdringen. Een nieuwe belasting zou alleen dienen om het onvermogen van regeringen te verhullen om hun uitgaven te verminderen en zou niet het gewenste effect hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. − (IT) Het verslag waar dit Parlement vandaag over stemt, gaat over de invoering van innovatieve financiële instrumenten. Ik heb vóór het verslag gestemd, omdat de economische crisis van de afgelopen jaren het gebrek aan regelgeving heeft aangetoond, evenals de noodzaak om met nieuwe financiële instrumenten te komen tegen grootschalige financiële speculatie. Op die manier kan Europa op ondubbelzinnige wijze de noodzaak laten zien om te reageren op de behoeften van de reële economie, door investeringen voor de lange termijn te ondersteunen en nieuwe aanvullende middelen te genereren om de grootste mondiale en Europese problemen te lijf te gaan en daarmee de groei- en ontwikkelingsdoelstellingen van de 2020-strategie te verwezenlijken. De enorme toename van financiële transacties heeft de groeiende kloof laten zien tussen de financiële wereld en de reële economie. De invoering van een belasting op financiële transacties, de uitgifte van gemeenschappelijke euro-obligaties en het vooruitzicht op een koolstofbelasting zijn enkele voorbeelden van voorstellen die tot doel hebben nieuwe, noodzakelijke wegen in te slaan die nodig zijn voor onze economie, maar die geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de meest kwetsbare consumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (S&D), schriftelijk. – (PL) Met grote tevredenheid begroet ik het resultaat van de stemming over het verslag over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau. In dit verslag hebben twee sleutelonderwerpen een plaats gevonden, namelijk belasting op financiële transacties en euro-obligaties. Dit kunnen belangrijke financieringsbronnen worden die de financiële en economische capaciteit van de Europese Unie vergroten, waardoor grote en strategische belangrijke projecten kunnen worden uitgevoerd, inclusief transport- of energieprojecten. Het kan ook de mobilisering van particulier kapitaal faciliteren. De Fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement heeft al langere tijd om dergelijke maatregelen gevraagd. Ik ben tevreden dat een duidelijke meerderheid zich voor de invoering van deze innovatieve oplossingen heeft uitgesproken.

 
  
MPphoto
 
 

  Sabine Lösing en Sabine Wils (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) De Duitse socialistische partij Die Linke pleit al jaren voor het invoeren van een belasting op financiële transacties. Dit idee is vandaag door het Europees Parlement overgenomen. In het door het EP aangenomen initiatiefverslag-Podimata is zeker niet gestemd voor of tegen een belasting op financiële transacties. Het is niet duidelijk of en wanneer de Commissie hierover een voorstel voor zal leggen. We zijn nog ver verwijderd van een wetgevingsprocedure. Op dit moment verricht de Commissie alleen maar onderzoek naar de haalbaarheid hiervan. Dit onderzoek is gebaseerd op de voorwaarde dat de belasting op financiële transacties niet ten koste van onze concurrentiepositie mag gaan. Het is op dit moment volkomen onrealistisch om te verwachten dat er overal ter wereld een belasting op financiële transacties zou kunnen worden ingevoerd. Dit verslag ging niet alleen maar over de belasting op financiële transacties, maar ook over het soepel functioneren van het mededingingsbeleid in de EU, en over het invoeren van een CO2-belasting – te vergelijken met de belasting op de toegevoegde waarde – die zou moeten worden betaald voor ieder product dat op de interne markt wordt verkocht.

Wij zijn tegen deze CO2-belasting. Deze eis komt voort uit de visie op het milieubeleid van de conservatieven, die streven naar een energiemix uit kernenergie en hernieuwbare energie. Deze heffing zou niet gelden voor kernenergie. Wij eisen een heffing op energie-input, ook op kernenergie, via een gecombineerde belasting op primaire energie en op de emissie van CO2. Wij hebben niet voor dit verslag gestemd, omdat het een koppeling legt tussen een belasting op transacties, een goed idee, en maatregelen die de last voor de Europese burgers nog zwaarder zouden maken. Bij de slotstemming hebben we ons van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. – (RO) De afgelopen jaren heeft de mondiale economische en financiële crisis grote tekortkomingen in het regelgevings- en toezichtskader van het mondiale financiële systeem aan het licht gebracht. Het aantal financiële transacties is fors toegenomen en het volume aan financiële transacties houdt geen verband meer met de behoeften van de reële economie. Kortetermijnbeleggingen, die de overhand hebben, hebben tot buitensporige volatiliteit en risicovol gedrag geleid. Speculatieve kortetermijntransacties lagen ten grondslag aan de crisis en hebben het duidelijke verband tussen inefficiënte regulering en ondoelmatig toezicht en de houdbaarheid van de openbare financiën onderstreept. Ik heb voor dit verslag gestemd omdat de problemen die dit marktgedrag heeft veroorzaakt grote gevolgen hebben gehad voor onder meer de openbare financiën en de Europese burgers. In het verslag worden voorstellen gedaan met betrekking tot instrumenten om de speculatie terug te dringen, het garanderen van een eerlijke verdeling van de lasten tussen belangrijke financiële spelers en het aanboren van nieuwe aanvullende middelen om grote uitdagingen het hoofd te bieden.

De kosten van belastingontduiking en fraude voor de lidstaten worden momenteel geraamd op 250 miljard euro per jaar. Het nieuwe element is de belasting op financiële transacties, die de EU ongeveer 200 miljard euro per jaar zal opleveren en speculatie zal ontmoedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Door voor dit verslag te stemmen, reageren leden van het EP op de oproep van het publiek tot eerlijke belasting van de financiële sector. De financiële sector is grotendeels vrijgesteld van btw en wordt te weinig belast, terwijl de gewone burgers de kosten van de financiële crisis moeten betalen, waaronder een bijdrage van 9 500 euro aan overheidssteun van elke man, elke vrouw en elk kind in de EU. Met deze stem scharen de EP-leden zich achter de honderdduizenden campagnevoerders die zich actief inzetten voor een Robin Hood-belasting – een zeer kleine belasting op financiële transacties die miljarden kan opbrengen om prioriteiten in eigen land te verwezenlijken en onze beloften om armoede en klimaatverandering te bestrijden internationaal na te komen.

Wereldwijde overeenstemming zou de beste manier zijn om zo’n belasting in te voeren, maar het zegelrecht op aandelen in het Verenigd Koninkrijk laat zien dat het mogelijk is een succesvolle, goed ontworpen belasting op financiële transacties (FTT) in te voeren zonder het concurrentievermogen te ondermijnen. Een EU-brede gecoördineerde FTT zou de eerste stap zijn in de richting van een wereldwijde FTT. Het is tijd voor actie en de EU kan deze campagne voor eerlijkere belasting wereldwijd leiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Arlene McCarthy (S&D), schriftelijk. − (EN) De leden van de Britse Labourpartij in het Europees Parlement (EPLP) reageren op de oproep van het publiek tot eerlijke belasting van de financiële sector. De financiële sector is grotendeels vrijgesteld van btw en wordt te weinig belast, terwijl de gewone burgers de kosten van de financiële crisis moeten betalen, waaronder een bijdrage van 9 500 euro aan overheidssteun van elke man, elke vrouw en elk kind in de EU. Met deze stem scharen wij ons achter de honderdduizenden campagnevoerders die zich actief inzetten voor een Robin Hood-belasting – een zeer kleine belasting op financiële transacties die miljarden kan opbrengen om prioriteiten in eigen land te verwezenlijken en onze beloften om armoede en klimaatverandering internationaal te bestrijden na te komen. Wereldwijde overeenstemming zou de beste manier zijn om zo’n belasting in te voeren, maar het zegelrecht op aandelen in het Verenigd Koninkrijk laat zien dat het mogelijk is een succesvolle, goed ontworpen belasting op financiële transacties (FTT) in te voeren zonder het concurrentievermogen te ondermijnen. Een EU-brede gecoördineerde FTT zou de eerste stap zijn in de richting van een wereldwijde FTT. Het is tijd voor actie en de EU kan deze campagne voor eerlijkere belasting wereldwijd leiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Het idee van een belasting op financiële transacties wordt al jarenlang door de linkse fracties bepleit. Vandaag is consensus bereikt over dit idee. Deze toenadering tot onze opvattingen is welkom. Maar het enige doel van een belasting op financiële transacties moet zijn het algemeen belang van de burgers en niet de goede werking van de vrije handel of de handel in emissierechten, die door sommigen, net zoals in de tekst, de CO2-markt wordt genoemd. Ik stem tegen het op schandalige wijze inpikken van een goed idee.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik ben het grotendeels eens met de inhoud van dit verslag, maar kan niet vóór stemmen omdat het pleit voor de invoering van een belasting op de financiële transacties, ofwel over de gehele wereld ofwel in ieder geval in Europa (al geeft men toe dat er – achteraf – een beoordeling van de eventuele gevolgen moet worden uitgevoerd). De partij die ik vertegenwoordig heeft zich in Portugal altijd verzet tegen de invoering van een dergelijke belasting op de financiële transacties, omdat dit zeer negatieve gevolgen zou hebben voor de financiële markten. Portugal is volkomen uitgeput en kan geen nieuwe fiscale lasten meer opbrengen. Het zouden tenslotte de burgers zijn die deze belasting zouden gaan dragen, aangezien de financiële instellingen haar aan hun klanten zouden gaan doorberekenen. Als een dergelijke belasting uitsluitend in Europa zou worden ingevoerd, zou dat de overige markten een voordelige concurrentiepositie opleveren ten aanzien van de onze markten.

 
  
MPphoto
 
 

  Willy Meyer (GUE/NGL), schriftelijk. – (ES) Ik heb gestemd voor het verslag-Podimata over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau, omdat hiermee een idee wordt geïntroduceerd dat een van de pijlers is geweest van links in de wereld, namelijk de invoering van een belasting op financiële transacties. De tekst had zeker een stuk moediger kunnen zijn en de instelling van deze belasting niet afhankelijk hoeven maken van een vergelijkbare belasting op wereldschaal.

Mijn politieke groepering heeft altijd gepleit voor de noodzaak een belasting in te stellen op de kapitaalstroom in de wereld, zoals de zogeheten “Tobintaks”. Om die reden, en ofschoon het voorstel in dit verslag me ontoereikend lijkt, denk ik dat dit een stap in de goede richting is.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel (ALDE), schriftelijk. – (FR) De mondiale economische en financiële crisis van 2007 heeft ons laten zien dat het kader voor regelgeving en toezicht van het mondiale financiële stelsel ernstige tekortkomingen vertoont. Ik heb aan het begin gestaan van de strijd binnen het EP voor innovatieve financieringsinstrumenten door een werkgroep op te richten om de haalbaarheid van een belasting op internationale transacties te onderzoeken. Ik ben ervan overtuigd dat een dergelijke belasting niet alleen een betere regelgeving voor de financiële sector mogelijk maakt door inperking van de uitsluitend speculatieve transacties, maar ook de allerarmsten, met name de ontwikkelingslanden, waaronder de minst ontwikkelde landen, helpt bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en bij het nemen van de nodige maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering.

Een belasting op financiële transacties op het niveau van de EU zou bijna 200 miljard euro per jaar kunnen opleveren en op mondiaal niveau 650 miljard dollar. Als wij op EU-niveau op samenhangende wijze verder gaan door een belasting op internationale transacties toe te passen, houden we vast aan de sterke boodschap die wij in december 2010 hebben afgegeven toen wij onze resolutie over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor maatregelen en initiatieven op EU-niveau aannamen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) De aanneming van dit verslag zou het eerste sterke signaal van het Parlement zijn voor een belasting op financiële transacties in een tijd waarin de Commissie een dubbelzinnige aanpak hanteert, door enerzijds bereidheid te tonen om de financiële actoren te reguleren, maar hen anderzijds vrij te stellen van belasting. Het is nodig om te wijzen op de hypocriete woorden van sommige rechtse leiders, die oproepen tot een vorm van belasting van de financiële sector, maar alleen op wereldwijd niveau, terwijl we allemaal weten dat de kans dat die er komt heel klein is. De Commissie moet een precies en duidelijk signaal afgeven over het feit dat de belasting op transacties door iedereen betaald moet worden. De situatie waarin boeren belasting betalen maar financiers niet is niet acceptabel. Sociaal onrecht leidt tot kwaadwilligheid en toegeeflijkheid verandert overheidsinstellingen in een zandbak die wordt gemaakt door de banken. Ik heb voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Het invoeren van een belasting op financiële transacties, die met name gevolgen zou hebben voor hedgefondsen en vergelijkbare producten, waarvan het nut voor de reële economie zeer bescheiden is, is een stap in de juiste richting. Het is ongetwijfeld ook een goede zaak dat Europa het initiatief neemt. Wanneer we de Amerikanen hierbij zouden willen betrekken, kunnen we wachten tot sint-juttemis. We mogen een belasting op financiële transacties echter niet als aanleiding gebruiken om via een achterdeurtje een EU-belasting in te voeren. Helaas is dat precies wat wordt voorgesteld in het verslag van mevrouw Podimata. De bevoegdheid om belastingen te heffen moet het voorrecht van de lidstaten blijven, en wanneer Brussel niet rond kan komen, moet de tering gewoon naar de nering worden gezet. Brussel heeft toch al genoeg bevoegdheden die niet op het Europese niveau thuishoren, maar op het niveau van de lidstaten. Ik ben ook tegen de andere eisen in het verslag: het uitschrijven van euro-obligaties en het heffen van een CO2-belasting. Euro-obligaties zijn een product dat indruist tegen het economisch gezond verstand. Bovendien wordt van de landen die zuinig geweest zijn weer verwacht dat ze voor de anderen in de bres springen, en dat is niet terecht. De EU zou dan definitief een transferunie worden. Ook een CO2-belasting, met dubieuze doelstellingen, zou schadelijk zijn voor de Europese economie, werkgelegenheid vernietigen, en op die manier haaks staan op de belangen van de meeste burgers. Daarom ben ik tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Claudio Morganti (EFD), schriftelijk. − (IT) Ik heb besloten tegen dit verslag te stemmen. Het idee van een bijdrage vanuit het financiële stelsel, dat zoveel schuld heeft aan de crisis van de afgelopen twee jaar, lijkt terecht. Ik heb alleen nogal wat twijfels over de verschillende toepassingsvormen.

Ik moet zeggen dat ik verheugd ben over het voorstel inzake de invoering van euro-obligaties, aangezien die volgens mij een nuttig instrument kunnen zijn. Het grootste deel van het verslag gaat echter over de invoering van een belasting op financiële transacties en daar heb ik meer problemen mee. Ik denk dat het te riskant is om die belasting alleen op EU-niveau in te voeren, aangezien dat het concurrentievermogen van het hele financiële systeem van de EU zou kunnen aantasten en de betrokken partijen zich zonder veel problemen op andere plekken zouden kunnen richten.

Ook zou ik niet willen dat deze belasting het pad effent voor een mogelijke gecentraliseerd Europees belastingstelsel, waar ik resoluut tegen ben.

 
  
MPphoto
 
 

  Franz Obermayr (NI), schriftelijk. (DE) De financiële gevolgen van de economische crisis zijn tot nu toe hoofdzakelijk op de belastingbetaler afgewenteld. Daarom is het belangrijk, en ook terecht, dat de speculanten en de deelnemers op de financiële markten met behulp van andere instrumenten wordt gevraagd om ook een deel van de last te dragen. Een belasting op financiële transacties mag echter niet als voorwendsel worden gebruikt om Brussel het recht te geven om direct belastingen te heffen. Dat zou ten koste gaan van de fiscale soevereiniteit, en dus de algemene soevereiniteit, van de lidstaten. Het verslag bevat bepaalde tendensen in die richting, en daarom heb ik ertegen gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor deze resolutie over innovatieve financiering op mondiaal en Europees niveau gestemd. Europa, dat ‘s werelds grootste financiële markt herbergt, probeert geleidelijk te herstellen van de crisis, waarvan de gevolgen zich nog jarenlang zullen laten voelen. Daarom is het van cruciaal belang om vast te stellen welke innovatieve financieringsinstrumenten kunnen zorgen voor financiële stabiliteit en transparantie. Op dit moment zijn de meeste financiële diensten vrijgesteld van de btw. Daardoor lopen overheden belangrijke belastinginkomsten uit de financiële sector mis en neemt de belastingdruk voor werkenden toe. De belasting op financiële transacties is mijn inziens een doelmatige financieringsmaatregel die zou helpen om speculatie in te perken en overheidstekorten terug te dringen. Nadat we naar behoren een beoordeling van de mogelijke negatieve effecten op het mondiale concurrentievermogen van de EU hebben gemaakt, moeten we er alles aan doen om ervoor te zorgen dat een dergelijke belasting ook op mondiaal niveau wordt toegepast. Bovendien zou het raadzaam zijn, teneinde het bbp van alle landen te vergroten, om een belasting op bankactiva in te voeren, die evenredig moet zijn aan het systeembelang van de betrokken kredietinstelling en aan het risico van een activiteit. Ik ben het eens met het voorstel om Europese projectobligaties uit te geven, als gemeenschappelijk instrument voor schuldbeheer, omdat deze zullen helpen om meer investeringen in Europese infrastructuurprojecten aan te trekken. Bovendien moeten, om maximaal voordeel uit de toepassing van een CO2-belasting te trekken, verplichte minimumvereisten worden vastgesteld voor alle lidstaten, om te voorkomen dat er overweldigende lasten terechtkomen op de schouders van consumenten met een laag inkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papanikolaou (PPE), schriftelijk. – (EL) Ik heb vóór het initiatiefverslag van het Europees Parlement over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau gestemd. De financiële crisis en de schuldencrisis hebben aangetoond hoeveel gaten er momenteel zitten in de werking van de financiële sector en in de controle erop. Het voorstel tot invoering van een belasting op financiële transacties op wereldvlak is niet nieuw. Dit valt ook beslist niet in goede aarde in alle ontwikkelde landen, en zeker niet in de landen met lage belastingen. Als het onmogelijk mocht blijken te zijn om een mondiale overeenkomst hierover te bereiken, zou de invoering van een belasting op financiële transacties op EU-niveau – mits de concurrentiekracht daardoor niet wordt geschaad – bijdragen tot een betere werking van deze sector en tegelijkertijd aanzienlijke openbare middelen genereren. Dat is de strekking van amendement 2 en daarom heb ik vóór gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag heeft betrekking op innovatieve financieringsmaatregelen, in Europa en de rest van wereld. De financiële en economische crisis van 2007-2009 heeft duidelijk heeft gemaakt dat het mondiale financiële systeem op regelgevings- en toezichtsvlak ernstige tekortkomingen vertoont, en dit verslag beschrijft een aantal maatregelen om daar iets aan te doen. We zien een spectaculaire toename van het aantal financiële transacties en een opmerkelijke kloof tussen het volume van de financiële transacties en de achterliggende behoeften van de ‘reële economie’. Daarnaast nemen nieuwe handelspatronen, zoals korte termijninvesteringen en geautomatiseerde high-frequency trading, nu een centrale plaats in, resulterend in bovenmatige volatiliteit en uitermate risicovol gedrag. Regeringen zouden daar aandacht aan moeten besteden. Een en ander rechtvaardigt dat het Europees Parlement in het kader van zijn bevoegdheden een bijdrage levert en aangeeft welke maatregelen het geschikt acht om de nu bestaande situatie op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marit Paulsen, Olle Schmidt en Cecilia Wikström (ALDE), schriftelijk. − (SV) Het verslag over innovatieve financiering stelt een aantal belangrijke aspecten aan de orde, zoals het belang van de totstandbrenging van een echte interne markt, het belang van de mogelijkheid om belangrijke Europese infrastructuurprojecten te financieren met behulp van Europese projectobligaties, alsmede een mogelijke oplossing voor een Europese koolstofbelasting om de Europese productie te laten overstappen op duurzame productie. Het is ook belangrijk dat het verslag erop wijst dat de lidstaten van de EU de vastgelegde doelstellingen inzake ontwikkelingshulp moeten naleven.

Desondanks kozen wij ervoor om ons bij de slotstemming van stemming te onthouden omdat wij het geen goed idee vinden dat Europa op eigen houtje een belasting op financiële transacties invoert als andere landen niet hetzelfde doen. Volgens ons moet het Zweedse voorbeeld uit de jaren tachtig van een eenzijdige invoering van een soort belasting op financiële transacties, waardoor grote delen van de aandelen-, obligatie- en optiehandel naar Londen verhuisden, in aanmerking moet worden genomen opdat we dezelfde fout niet op Europees niveau zouden begaan.

Wij zijn van oordeel dat het risico groot is dat, als de EU op eigen houtje zo’n belasting invoert, dit geen stabiliserende gevolgen zal hebben voor de financiële markt. Het risico dat de aandelen-, obligatie- en optiehandel verhuist naar minder transparante en open markten buiten Europa, is groot. Dat leidt niet tot betere omstandigheden voor controle van de financiële markt en zou bovendien het door ons in het leven geroepen gemeenschappelijk Europees toezicht op de financiële markt ondermijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Miguel Portas (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Om de mondiale financiële crisis en de daaruit voortvloeiende recessie het hoofd te bieden, heeft een aantal regeringen, om de financiële ondernemingen te redden en de economie te stimuleren, de staatsschuld tot niet vol te houden hoogten laten oplopen. Op hetzelfde moment hebben de banken winsten binnengeharkt door te profiteren van het verschil tussen de rente over de leningen die ze bij de centrale banken zijn aangegaan (bijna nul) en de rente die ze aan hun klanten en de staat berekenen. Het is nu zaak dat financiële instellingen hun verantwoordelijkheden voor de door hen veroorzaakte crisis aanvaarden. Een belasting op financiële transacties is dan wel het minste.

Er zijn er die het aanvaarden van deze verantwoordelijkheid willen uitstellen, met de bewering dat een dergelijke belasting alleen over de gehele wereld tegelijk geïntroduceerd kan worden. Tot hen zeg ik: (1) dat de EU haar positie door het unilateraal instellen van zo’n belasting enorm zou versterken; (2) dat als een deel van het voor speculatieve transacties ingezette kapitaal de EU zou verlaten, de financiële markten daardoor alleen maar minder wisselvallig zouden worden, wat gunstig is; en (3) dat als een mondiale financiële regulering niet mogelijk of verstandig is, er goed doordachte regels moeten komen voor het circuleren van kapitaal. Dit verslag gaat in die richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyn Regner (S&D), schriftelijk. (DE) Ik heb voor dit verslag gestemd. Het is namelijk de hoogste tijd dat de EU het voortouw neemt, en op Europees niveau een belasting op financiële transacties invoert. Wanneer wij de eerste stap zetten, wordt het volgens mij waarschijnlijker dat we het eigenlijke doel bereiken, het invoeren van een mondiale belasting op financiële transacties. Mijn fractie had een amendement ingediend, waarin we eisen dat er zonder enige vertraging (bijvoorbeeld in de vorm van het uitvoeren van verder onderzoek) een belasting op financiële transacties in de EU wordt ingevoerd. Dat amendement is met een krappe meerderheid aangenomen. Nu doe ik een beroep op de bevoegde commissaris Šemeta om eindelijk in actie te komen.

De resolutie is met een ruime meerderheid aangenomen, met 529 stemmen voor, 127 stemmen tegen, bij 18 onthoudingen. Dat is een duidelijk signaal van het Europees Parlement, dat de Commissie niet mag negeren, of om ongeloofwaardige redenen anders interpreteren. Ik doe ook een beroep op voorzitter Barroso om iets te doen, gebruik te maken van het initiatiefrecht van de Commissie, en ons, de wetgevers, een wetsontwerp voor te leggen. Dit kan 200 miljard euro opbrengen – dat geld hebben we nodig, en het moet worden opgebracht door degenen die de crisis veroorzaakt hebben. De belastingbetalers doen al genoeg, nu moet eindelijk ook het bedrijfsleven een duit in het zakje doen om de ‘gaten’ te dichten die zijn ontstaan door de financiële crisis. Dat geld moet worden gebruikt om de begroting in evenwicht te brengen, maar ook om in de vorm van eigen inkomsten de begroting van de EU aan te vullen.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Het Europees Parlement heeft vandaag opnieuw opgeroepen tot de invoering van een belasting op financiële transacties op EU-niveau, als onderdeel van een verslag over innovatieve financiering dat is aangenomen door de leden van het EP. De Groenen roepen allang op tot invoering van een belasting op financiële transacties en zijn ingenomen met de stemming, waarover mijn fractiegenoot Philippe Lamberts het volgende zei: “Het EP is blijven aandringen op de invoeren van een belasting op financiële transacties op EU-niveau. Hoewel het uiteindelijke doel de introductie van een wereldwijde FTT moet zijn, heeft het voor de EU duidelijk voordelen om hierop zelf vooruit te lopen. De EP-leden hebben de Commissie vandaag met klem verzocht hiertoe maatregelen te nemen. De Groenen maken zich allang sterk voor de invoering van een belasting op financiële transacties, als een middel om schadelijke speculatie in te dammen en als een nieuwe bron van overheidsinkomsten. Naast een potentieel significante bron van inkomsten in een tijd waarin de nationale schatkisten onder druk staan, is een belasting op financiële transacties ook sociaal rechtvaardig. Een FTT zou ook duidelijk het systeemrisico aanpakken dat voortkomt uit hoogfrequente handel door riskante speculatie te ontmoedigen. Het is tijd dat de Commissie en de lidstaten ophouden met talmen.”

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. (IT) De recente economische crisis heeft de tekortkomingen in de mondiale financiële wereld op het vlak van regelgeving en toezicht blootgelegd.

Te vaak was het volume van financiële transacties veel groter dan de behoefte van de reële wereld. Dit had speculaties als gevolg, die ertoe hebben geleid dat het kapitaal dat ermee gemoeid was extreem volatiel is geworden en het risico op insolventie ontstond. Dit weegt nu in de eerste plaats op de schouders van de belastingbetaler, onder meer in de vorm van hoge werkloosheidscijfers, steeds lagere inkomens, beperktere toegang tot sociale diensten en grotere ongelijkheden.

Om crises in de toekomst te voorkomen, dient de Europese Unie onmiddellijk concrete veranderingen te bevorderen op het vlak van regelgeving en toezicht, door vorm te geven aan een gezonder en stabieler financieel stelsel. Het idee van een belasting op financiële transacties heeft belangrijke voordelen, met name na een crisis als de huidige, namelijk het stabiliseren van de markten, het bevorderen van langetermijninvesteringen en het zorgen voor traceerbaarheid, voor de controle van afzonderlijke operaties.

Speculatie inperken, langetermijninvesteringen steunen en zorgen voor meer groei op de lange termijn in het kader van de EU 2020-strategie: dit alles moet worden aangevuld met de invoering van een vergelijkbaar financieringsstelsel buiten de Europese, teneinde concurrentienadelen voor ons te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilja Savisaar-Toomast (ALDE), schriftelijk. – (ET) In de stemming van vandaag heeft het verslag over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau steun gekregen. Het enige wat niet werd gesteund was het voorstel om de Commissie te verzoeken de uitvoerbaarheid te onderzoeken van CO2-belasting in de Europese Unie, die, net als de btw, op de interne markt voor elk product wordt ingevoerd. Ik ben blij te constateren dat er wel steun was voor de hoofdpunten waarbij de Commissie wordt verzocht om de praktische uitvoerbaarheid van verscheidene andere nieuwe belastingen en de gevolgen daarvan te onderzoeken. Met de bankbelastingen, de belastingen op financiële activiteiten en financiële transacties heeft iedereen zijn eigen economische doel. Hun mogelijkheden om inkomsten te genereren verschillen van elkaar en daarom is het belangrijk dat er, voordat er aanvullende belastingen worden ingevoerd, een grondige analyse wordt uitgevoerd.

Er was steun voor het standpunt dat, als er een heffing op financiële transacties komt, die zo breed mogelijk moet worden ingevoerd. Tegelijkertijd waren er leden, met inbegrip van mijzelf, die vroegen om duidelijk te bepalen wie deze heffing uiteindelijk zal betalen, omdat dit gewoonlijk de consumenten zijn, die in dit geval eindbeleggers en particulieren zijn. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Edward Scicluna (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb het verslag van mevrouw Podimata, dat een aantal goede ideeën bevat met betrekking tot een wereldwijde belasting op financiële transacties, gesteund. De waarheid is dat een groot deel van de financiële sector, in het bijzonder de investeringsbanken, zich nog altijd niet heeft hervormd na de tekortkomingen die aan het licht zijn gekomen door de financiële crisis. Zelfs de gouverneur van de Bank of England, Mervyn King, heeft afgelopen week toegegeven dat de kosten van de bezuinigingsmaatregelen die zijn genomen in Groot-Brittannië en de rest van Europa werden gedragen door ‘mensen die er niets aan konden doen’ terwijl de financiële sector zijn mentaliteit van ‘business as usual’ weer had opgepakt.

Het is rechtvaardig dat de private sector mee moet betalen voor de gevolgen van de financiële crisis en mogelijkheden moet scheppen voor een toekomstige reddingsoperatie, aangezien er nog steeds veel banken zijn die worden gezien als ‘te groot om failliet te gaan’. Het is nu de verantwoordelijkheid van het IMF en de Europese Commissie om de voor- en nadelen van een wereldwijde belasting op financiële transacties te beoordelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (S&D), schriftelijk. − (EN) Tijdens de stemming van vandaag over het verslag van mevrouw Podimata over innovatieve financiering is er gestemd over een afzonderlijk amendement waarin de Commissie werd opgeroepen voorstellen in te dienen voor een belasting op financiële transacties (FTT) op EU-niveau bij gebrek aan initiatieven op het niveau van de G20.

Ik heb voor het amendement gestemd uit solidariteit met mijn fractie en omdat ik van mening ben dat duidelijke steun voor het concept van een FTT vanuit Europa verdere discussies in de G20 kan stimuleren.

Ik wil echter heel duidelijk zeggen dat de invoering van een FTT op EU-niveau, als deze niet ook wereldwijd ten uitvoer wordt gelegd, risico’s kan opleveren voor de concurrentiepositie van het Verenigd Koninkrijk als financieel centrum, wat een groot effect zou hebben op de burgers in Zuidoost-Engeland. Ik heb ernstige bedenkingen bij een FTT die alleen binnen de EU geldt en ik denk dat van elk voorstel het effect grondig moet worden beoordeeld om er zeker van te zijn dat de positieve effecten groter zijn dan de nadelen voor mijn kiezers. Voordat ik het resultaat van een dergelijke effectbeoordeling heb gezien, ben ik absoluut tegen voorstellen voor een allesomvattende FTT van 0,05 procent op alle financiële transacties, omdat dat willekeurig en slecht doordacht is.

 
  
MPphoto
 
 

  Søren Bo Søndergaard (GUE/NGL), schriftelijk. − (DA) Ik heb gestemd tegen het verslag, omdat het niet garandeert dat een belasting op financiële transacties gebruikt zal worden voor de dingen waarvoor een echte Tobintaks gebruikt moet worden, namelijk ontwikkelingslanden en investeringen in het klimaat. Het verslag is niet duidelijk over de vraag in hoeverre de belasting zal worden toegevoegd aan de begrotingen van de EU, wat de kans op meer problemen vergroot. Ten eerste ben ik principieel tegen het verhogen van de eigen middelen van de EU. Ten tweede verspelen we de kans op een echte Tobintaks, als de EU over de belasting mag beschikken, zie bijvoorbeeld het voorstel van de Commissie om de belasting te gebruiken om EU-projecten en gaten in de EU-begroting te financieren. Mijn stem mag niet worden beschouwd als een bezwaar tegen belasting op financiële transacties in de EU. Ik steun een echte Tobintaks volledig. Ook steun ik de positieve elementen in het verslag zoals de bestrijding van belastingontduiking, het beginsel dat de vervuiler betaalt en de oproep tot energie-efficiëntie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. − Ik heb vandaag opnieuw gestemd voor de invoering van een belasting op financiële transacties (FTT) en keurde ook goed dat, als men er mondiaal niet in slaagt een FTT te heffen, de EU alvast de eerste stap moet zetten. We moesten deze impuls aangrijpen en de hebzucht van de financiële en bankensector aan banden leggen. Een mondiale crisis vergt immers mondiale oplossingen en Europa kan als grootste financiële markt een voortrekkersrol vervullen. Een belasting op financiële transacties kan lidstaten voldoende inkomsten bezorgen om hun begroting in evenwicht te brengen en hun economie draaiende te houden.

Omdat het inkomstenpotentieel van een FTT van 0,05 procent in de EU bijna 200 miljard euro en mondiaal 650 miljard dollar bedraagt, kan deze belasting daarnaast een belangrijk deel van de oplossing vormen in de zoektocht naar nieuwe en duurzame inkomstenbronnen. Een FTT kan speculatie inperken en markten stabiliseren, prikkels creëren voor langetermijninvesteringen, kan -doordat elke transactie traceerbaar is – de transparantie vergroten en kan ervoor zorgen dat de financiële actoren hun deel van de kosten van de crisis voor hun rekening nemen. Het verslag vraagt verder om de mogelijkheden van het uitschrijven van euro-obligaties en het heffen van een CO2-belasting meer in detail te onderzoeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) In tegenstelling tot mijn Schotse conservatieve en liberale collega’s heb ik dit verslag, waarin verschillende mogelijke bronnen van financiering worden behandeld, waaronder een belasting op financiële transacties (FTT), gesteund. Dit verslag roept ook op tot een debat over het gebruik van de inkomsten die zouden kunnen worden verworven met een FTT.

 
  
MPphoto
 
 

  Michèle Striffler (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb mijn krachtige steun gegeven aan de invoering van een belasting op financiële transacties op mondiaal niveau tijdens de stemming over het verslag over innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau. De mogelijkheid om een dergelijke belasting uitsluitend op het niveau van de EU toe te passen dient echter eerst middels een haalbaarheidsonderzoek van de Europese Commissie te worden onderzocht. Er moet namelijk worden vastgesteld of deze belasting op Europees niveau kan worden ingevoerd zonder dat dit ongunstige effecten heeft voor het Europese concurrentievermogen op mondiaal niveau.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. – (PT) De mondiale economische en financiële crisis heeft aan het licht gebracht dat het kader voor regelgeving en toezicht van het mondiale financiële stelsel ernstige tekortkomingen vertoont. We moeten deze crisis bestrijden met nieuwe instrumenten die speculatie inperken en de financiële sector doen terugkeren naar zijn kerntaak, zorg dragen voor een billijke verdeling van de lasten, en nieuwe, aanvullende middelen genereren voor het aangaan van de belangrijkste mondiale en Europese uitdagingen, zoals klimaatverandering, de ontwikkelingsdoelstellingen en slimme, duurzame en inclusieve groei in het kader van de strategie EU-2020. In dit initiatiefverslag wordt gezocht naar nieuwe en innovatieve bronnen voor financiering. Het gaat ervan uit dat fiscale instrumenten die alleen op het genereren van inkomsten zijn gericht tekortschieten. Daarom wijst dit verslag op de volgende mogelijkheden voor innovatieve financiering: het belasten van de financiële sector, euro-obligaties en het belasten van de energiesector. Ik geloof dat innovatie van fundamenteel belang is, en dat we alternatieve financieringsmiddelen moeten zoeken die aansluiten bij het huidige tijdsgewricht en berekend zijn op de uitdagingen waar we ons nu voor gesteld zien. Het zou echter onverstandig zijn zulke middelen in te voeren zonder eerst de werkelijke impact ervan te beoordelen. Het genereren van meer inkomsten is heel belangrijk, maar het bevorderen van de regelende werking van de markt door het creëren van mechanismen die de transparantie, efficiëntie en stabiliteit ervan bevorderen is zeker net zo belangrijk. Daarom heb ik in het plenum voor dit document gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het verslag is een belediging aan het adres van de arbeiders- en volksklasse die zwaar te lijden heeft onder de barbaarse oorlog van het kapitaal en diens politiek personeel. Ik wil van meet af aan duidelijk maken dat nergens sprake is van een belasting op kapitaal: “benadrukt dat hogere en meer belastingen…. niet zullen volstaan en evenmin een duurzame oplossing bieden”. Om de werknemers echter om de tuin te leiden wordt de EU gevraagd een “belasting op financiële transacties” van 0,01 procent in te voeren. Men doet voorkomen alsof deze belasting een “billijke verdeling van de lasten” over het kapitaal en de werknemers zou zijn en de speculatie door het kapitaal zou beteugelen. Tegelijkertijd wordt echter de directe belasting voor de arme volksklassen verhoogd. Ook wordt de indirecte belasting – die een ware aanslag is op het inkomen van de arbeiders- en volksklasse – torenhoog opgedreven. De belasting op financiële transacties is geen belasting op de financiële sector, maar de zoveelste indirecte belasting. Het blijft echter niet bij deze nieuwe indirecte belasting: daarnaast wordt een hele reeks maatregelen voorgesteld voor zogenaamde ‘innovatieve financiering’, waarmee wederom een aanslag wordt gepleegd op het volksinkomen: koolstofbelasting, solidariteitsheffing op vliegtickets en zelfs een mondiale loterij om honger te bestrijden! De Communistische Partij van Griekenland heeft tegen dit verslag gestemd en onderstreept dat er geen volksvriendelijke uitweg uit de kapitalistische crisis zal zijn zolang de winsten van de monopolies niet vastberaden worden aangepakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Niki Tzavela (EFD), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd. Naar mijn mening is het verslag van mevrouw Podimata zeer evenwichtig en goed gemotiveerd en ik verwelkom de vier financiële instrumenten die in dit verslag worden geïntroduceerd. De vier maatregelen zijn allemaal innovatief en ik wil benadrukken dat het niet alleen gaat over een belasting op financiële transacties. We moeten voorzichtig kiezen welke instrumenten we invoeren: naar mijn mening moeten we sectoren die een verhogend effect hebben op de kosten van het levensonderhoud zoals de energiesector vrijstellen van belasting. Voor de slotfase van dit onderwerp moet de Commissie derhalve een evaluatie uitvoeren door middel van een effectbeoordeling van de efficiëntie en potentiële gevolgen van het gebruik van deze instrumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE), schriftelijk. (DE) Dit verslag bevat goede ideeën, zoals een belasting op financiële transacties. Bij een heffing van slechts 0,05  procent zou dat 200 miljard euro opleveren voor de begroting van de EU. Dat geld remt de speculatie af, maar maakt die niet onmogelijk, en we laten het op dit moment gewoon liggen. Ik ben heel nieuwsgierig wat de Raad van ministers met dit initiatief gaat doen. We hebben nog een lange weg voor de boeg.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Vaughan (S&D), schriftelijk. − (EN) Nu de burgers in de hele EU in toenemende mate de rekening moeten betalen voor de financiële crisis, bieden de maatregelen in dit verslag de mogelijkheid om miljarden euro’s te genereren en de druk op gezinnen in deze moeilijke financiële omstandigheden te verlichten.

Een kleine belasting op financiële transacties kan worden gebruikt om armoede te bestrijden in het Verenigd Koninkrijk en in de hele wereld en om de effecten van klimaatverandering te beperken. Voorstanders van deze zogenoemde Robin Hood-belasting, onder wie EP-leden van Labour, moeten nu hun succes uitbreiden en druk blijven uitoefenen op de wereldwijde financiële sector om deze regeling uit te breiden tot een wereldwijde belasting op financiële transacties.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor deze resolutie gestemd die als doel heeft innovatieve financiering te stimuleren door middel van een belasting op financiële transacties, het herstellend vermogen van de economie te vergroten, de overgang naar groene groei te bevorderen, en tegelijkertijd de hulp aan ontwikkelingslanden te behouden. De economische crisis heeft met grote kracht aangetoond dat de invoering van mondiale financiële governance onontbeerlijk is om ervoor te zorgen dat wij niet langer worden blootgesteld aan de grillen van het ongebreideld financieel kapitalisme. Dat is de wens van het Franse voorzitterschap van de G20 en wij moeten alles in het werk stellen om deze doelstelling te verwezenlijken. De financiële speculatie, die werd aangewakkerd door een gebrek aan regels en toezicht, heeft geleid tot het verlies van miljoenen banen, zwaar op de overheidsfinanciën gedrukt, en gezorgd voor een aanzienlijke verlaging van de levensstandaard van een grote meerderheid van de Europese burgers. Het is tijd dat wij afstappen van deze kortetermijneconomie waarin geld de hoofdrol speelt en onverantwoordelijkheid hoogtij viert en die ons naar de rand van de afgrond heeft geleid, zodat het financiële stelsel opnieuw in dienst wordt gesteld van de reële economie en van de burgers. De Europese Unie moet op dit gebied een voorbeeld stellen en door voor deze resolutie te stemmen geeft deze vergadering een sterk signaal aan onze partners af.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. (DE) Ik heb voor het verslag van mevrouw Podimata over een innoverende financiering op mondiaal en Europees niveau gestemd. Tot nu toe zijn de financiële gevolgen van de financiële en economische crisis die in 2007 is begonnen uitsluitend door de Europese belastingbetaler gedragen. In dit verslag wordt voor het eerst onderzoek verricht naar verschillende innovatieve instrumenten, om de financiële actoren mee te laten betalen. In dit verband sta ik achter het voorstel voor een belasting op financiële transacties op mondiaal niveau, voor zover dat mogelijk is. Een alternatief is dat we dit serieus in overweging nemen op het niveau van de EU.

Het grote voordeel van deze belasting is dat we niet alleen inkomsten verkrijgen uit een sector die tot nu toe vrijwel niet belast werd, maar tegelijkertijd ook een reguleringseffect bereiken. De financiële sector maakt vaak gebruik van speculaties, en we weten dat ze intussen los staat van de reële economie. Door belastingen te heffen op activiteiten van de financiële sector kunnen we weer impulsen geven voor investeringen op de langere termijn. Op die manier houden we rekening met wat er in de reële economie nodig is.

 
  
  

Verslag: Edite Estrela (A7-0032/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat het terugdringen van ongelijkheden op het gebied van gezondheid net zo belangrijk is als, en onlosmakelijk verbonden met het terugdringen van sociale ongelijkheden. Ongelijkheden op het gebied van gezondheid manifesteren zich al op zeer vroege leeftijd, blijven het gehele leven voortduren, en worden vaak op volgende generaties overgebracht. Daarom moeten de lidstaten het beginsel ‘gezondheid in alle beleidssectoren’ overnemen. Verder sta ik volledig achter ik de aanbevelingen van de rapporteur als zij pleit voor universele toegang tot gezondheidszorg, ook voor migranten zonder papieren, en toegang tot sociale bescherming voor zwangere vrouwen, zoals vastgelegd in hun nationale wetgeving

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Met het verslag van mevrouw Estrela kunnen wij een inventarisatie maken van de bestaande ongelijkheden op gezondheidsgebied in de EU en van de maatregelen die moeten worden genomen om deze te verkleinen. Het is derhalve een nuttig verslag waar ik voor heb gestemd, met name om de onaantastbare aard van het recht op abortus en de noodzaak van een gemakkelijke toegang tot anticonceptiemethoden nogmaals te bevestigen, hoewel deze rechten nog niet in alle lidstaten van de Europese Unie van kracht zijn. We gaan verder op de weg naar gelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Er bestaan grote ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen landen en regio’s in de Europese Unie. Vanwege de economische en financiële crisis hebben enkele lidstaten bezuinigingsmaatregelen genomen die hebben geleid tot een lager financieringspeil voor volksgezondheid, ziektepreventie en langetermijnzorg. Niet alle EU-burgers hebben toegang tot kwaliteitszorg. Dat geldt in het bijzonder voor de armere regio’s van de EU, waar patiënten geen toegang hebben tot kwaliteitszorg en -behandelingen. Er bestaan grote verschillen op het gebied van de vergoeding van geneesmiddelen en de behandeling van individuele complexe ziekten, zoals de ziekte van Alzheimer, met als gevolg dat patiënten van sommige lidstaten hun geneesmiddelen niet krijgen vergoed en niet de behandeling kunnen krijgen die ze nodig hebben. Ik ben van mening dat de Europese Commissie maatregelen moet nemen om de verschillende en ongelijke toegang van EU-burgers tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidsdiensten te verminderen en mechanismen moet instellen om deze ongelijkheden te monitoren. Ook moet de Commissie een initiatief presenteren om de lidstaten aan te moedigen om geïntegreerde nationale of regionale strategieën te ontwikkelen, dat als doel moet hebben om de ongelijkheden op gezondheidsgebied te verminderen en de lidstaten hierbij te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Regina Bastos (PPE), schriftelijk.(PT) Europese burgers leven vandaag de dag langer en gezonder. Ondanks het feit dat het gemiddelde gezondheidsniveau in de Europese Unie in de loop der jaren is verbeterd, bestaan er in Europa nog steeds ongelijkheden in de gezondheid tussen de lidstaten en binnen de lidstaten. Vanwege de economische, financiële en sociale crisis nemen deze ongelijkheden toe. Als schaduwrapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming heb ik gewezen op de noodzaak te komen tot oplossingen. Alle betrokken partijen dienen hiertoe bij te dragen: de Europese Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden en actoren in de sociale economie. Door de problemen waar de Europese Unie voor staat als gevolg van demografische veranderingen is het noodzakelijk een concreet plan op te zetten om een einde te maken aan de ongelijkheden in de gezondheid in plattelandsgebieden.

Het versterken van het mechanisme van erkenning van kwalificaties zal het vrije verkeer van werknemers in de EU vergemakkelijken. Campagnes ter bevordering van een gezonde levensstijl, preventie van ziekten en vroegtijdige screening voor specifieke groepen zijn tevens belangrijk voor een verkleining van ongelijkheid op gezondheidsgebied. Met het oog op bovenstaande ondersteun ik dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk. – (FR) Hoewel wij binnen de respectieve Europese gemeenschappen nog altijd de sociale gevolgen van de economische en financiële crisis voelen, was het belangrijk om vandaag voor het verslag van mevrouw Estrela te stemmen over de verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied. Dit verslag roept namelijk in herinnering dat ongelijkheden ook van invloed zijn op de gezondheidsvoorzieningen en dat het belangrijk is de fundamentele oorzaken van deze ongelijkheden aan te pakken opdat alle Europese burgers eindelijk hun sociale grondrechten kunnen uitoefenen. Burgers zijn niet gelijk, of het nu gaat om de levensverwachting, armoede of sociale uitsluiting, en zij worden niet allemaal aan gezondheidsrisico’s blootgesteld. Het verslag vermeldt tevens dat migranten zonder papieren vaak moeilijkheden ondervinden bij het krijgen van toegang tot gezondheidszorg in het land van ontvangst.

Wij verzoeken de lidstaten derhalve de toegang tot gezondheidszorg voor iedereen te verbeteren, ongeacht of het al dan niet de eigen burgers betreft, en wij roepen hen op hun nationale gezondheidsbeleid beter te coördineren. De toegang tot kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg is namelijk een van de belangrijkste grondrechten en dient derhalve een prioriteit te zijn voor zowel de Unie als voor de lidstaten, die op dit gebied bevoegd blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergio Berlato (PPE), schriftelijk. (IT) Binnen de Europese Unie zijn er aanzienlijke ongelijkheden op gezondheidsgebied. Ook de maatregelen om deze ongelijkheden het hoofd te bieden verschillen behoorlijk binnen de lidstaten. Aangezien ik van mening ben dat deze verschillen op gezondheidsgebied blijvende gevolgen kunnen hebben voor mensen, gedurende hun hele leven, vormen ze een probleem dat met vastberadenheid en met een innovatieve politieke visie moet worden aangepakt.

Dit verslag biedt interessante aanzetten voor de erkenning van het specifieke recht van burgers op gezondheid, met name door de aandacht te vestigen op zowel het opleiden van de bevolking als op de uitgebreidheid van de gezondheidsdiensten. De maatschappelijke gevolgen van de recente financiële en economische crisis zijn overduidelijk: sinds het begin van de crisis is het aantal werklozen met 5 miljoen gestegen; vele huishoudens zijn getroffen door de recessie en lopen nu meer risico op armoede of op buitensporige schuldenlasten. Mijns inziens is het van essentieel belang het terugdringen van deze ongelijkheden op alle besluitvormingsniveaus als prioriteit aan te merken. Ik verzoek de Commissie tevens om meer aandacht aan deze ongelijkheden te besteden in het kader van de Europa 2020-strategie en ervoor te zorgen dat bij toekomstige communautaire initiatieven ten volle rekening wordt gehouden met de doelstelling om ongelijkheden op gezondheidsgebied te verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ongelijkheden op gezondheidsgebied een probleem vormen dat dringend moet worden aangepakt. Die ongelijkheid begint al in de vroege levensjaren en beklijft niet alleen tot de ouderdomsjaren, maar zelfs tot volgende generaties. Ongelijkheid die tijdens de jeugd wordt ondervonden bij de toegang tot onderwijs, werk en gezondheidszorg, evenals ongelijkheid op basis van geslacht en culturele achtergrond, kunnen in het latere leven een sterke weerslag hebben op de gezondheidsstatus van mensen. Bovendien kunnen armoede en sociale uitsluiting een belangrijk effect op de gezondheid van mensen hebben. De redenen voor deze verschillen zijn in veel gevallen vermijdbaar en onrechtvaardig. Om ongelijkheden op gezondheidsgebied te verminderen moeten specifieke maatregelen worden genomen, met name ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Het is essentieel dat vermindering van ongelijkheden op gezondheidsgebied tot een prioriteit wordt verheven en dat er doelmatige effectbeoordelingen worden uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Sebastian Valentin Bodu (PPE), schriftelijk. – (RO) In diverse lidstaten heeft de crisis gezondheidsdiensten hard getroffen, zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde. Aan de aanbodzijde heeft de economische en financiële crisis geresulteerd in een daling van de middelen die aan volksgezondheid en gezondheidsdiensten worden besteed, ook op de lange termijn, als gevolg van bezuinigingen en lagere belastingopbrengsten. Aan de andere kant is de vraag naar gezondheidsdiensten juist gestegen, vanwege een combinatie van factoren die een verslechtering van de algemene volksgezondheid in de hand werken. Verschillende lidstaten hebben maatregelen ter verzachting van het effect van de economische crisis op de gezondheidszorg in hun herstelplannen opgenomen, in de vorm van investeringen in gezondheidsinfrastructuur, optimalisering van het gebruik van de beschikbare gezondheidszorgfinanciering en herstructurering en reorganisatie van het gezondheidszorgstelsel.

De maatregelen die de lidstaten hebben genomen om ongelijkheden aan te pakken lopen echter sterk uiteen. Toegang is waar het bij alle openbare diensten om gaat. Verzameling en bekendmaking van gegevens over effectieve strategieën, beleidsmaatregelen en acties kan helpen steun te winnen bij regeringen en verschillende sectoren.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik ben het met de bewering van rapporteur Edite Estrela eens dat er nog grote ongelijkheden bestaan op gezondheidsgebied, zowel tussen inwoners van verschillende EU-regio’s als tussen meer en minder begunstigden van de bevolking. Deze ongelijkheden beginnen gewoonlijk al bij de geboorte en duren voort tot oudere leeftijd, en hebben een levenslange invloed op de toegang tot onderwijs, werk, gezondheidszorg. Dit kan verergerd worden door verschillen in gender en afkomst. Het is van fundamenteel belang om de bestaande verschillen te verkleinen, die de door de EU gemaakte afspraken over solidariteit, sociale cohesie en economie, mensenrechten en gelijke kansen in gevaar brengen, en daarom is dit een van de prioriteiten van “Samen werken aan gezondheid: een EU-strategie 2008-2013”. Het is echter belangrijk om te erkennen dat het gezondheidsbeleid onder de bevoegdheden van de lidstaten valt, alsook het definiëren van de toegang van personen tot gezondheidzorg. In het verslag worden verschillende interessante maatregelen genoemd, maar er wordt geen uiteenzetting gegeven van de financiële gevolgen. Ik vind het tevens spijtig dat abortus is opgenomen, omdat die onder de nationale bevoegdheid en niet onder de Europese bevoegdheid valt.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) De beginselen van universaliteit, toegang tot zorg van goede kwaliteit, gelijkheid en solidariteit moeten binnen de zorgstelsels in de Europese Unie werkelijkheid worden. Daarom heeft het Europees Parlement het verslag-Estrela met een grote meerderheid aangenomen. De zorgstelsels van de 27 lidstaten laten nog steeds veel ongelijkheden zien. De Parlementsleden hebben dan ook opgeroepen de universele toegang tot betaalbare gezondheidszorg te verbeteren. De primaire gezondheidszorg moet goedkoper worden en de toegang tot geneesmiddelen beter betaalbaar. De ongelijkheden tussen verschillende sociale en leeftijdsgroepen moeten worden verminderd. De lidstaten moeten de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg optimaal gebruiken, inzetten op preventie en voorstellen doen voor gerichte programma’s voor de meest kwetsbare groepen. Dat is wat de Parlementsleden aan de Europese Commissie en de regeringen van de lidstaten vragen, teneinde in Europa een gezondheidsniveau te waarborgen dat het Europese sociale model dat wij willen waardig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Delvaux (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik vond het belangrijk voor het verslag van mevrouw Estrela te stemmen over de verkleining van de ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen de landen van de EU maar ook binnen deze landen zelf. En dit om de eenvoudige reden dat het verslag een zeer ruim overzicht geeft van de ongelijkheden die er op dit gebied binnen de EU blijven bestaan. Deze onrechtvaardige ongelijkheden zijn het gevolg van tal van factoren op het gebied van economie, milieu en leefwijze, maar ook van problemen betreffende de toegang tot gezondheidszorg, zowel vanwege economische redenen als door een “slechte verdeling van de medische hulpmiddelen” in sommige delen van de Unie. Ook al blijft het gezondheidsbeleid (voor een belangrijk deel) een nationale bevoegdheid, wij, Parlementsleden, moeten onze lidstaten aansporen hun inspanningen voor de bestrijding van de sociaaleconomische ongelijkheden en derhalve de verschillen op gezondheidsgebied voort te zetten.

De lidstaten moeten waarborgen dat de meest kwetsbare groepen (personen met een handicap, ouderen, migranten en vrouwen) gelijke toegang krijgen tot de gezondheidszorg. Tevens moet de nadruk worden gelegd op preventie en informatie op het gebied van gezondheid in samenwerking met het maatschappelijk middenveld.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk.(PT) Hoewel in het verslag bijzonder gepaste richtlijnen worden vermeld over het toenemend belang van gezondheidszorg aan ouderen en de noodzaak om meer kennis te vergaren over de ziektebeelden waarmee met name ouderen te maken hebben, staat er verder weinig nieuws in. In feite is het, doordat alles omtrent dit onderwerp wordt aangestipt, weinig meer dan een catalogus van intenties, waarin de rapporteur onder het voorwendsel van verkleinen van ongelijkheden op gezondheidsgebied heel verschillende thema’s aankaart die niet direct met toegang tot gezondheidszorg te maken hebben, zoals huiselijk geweld, het onderzoek binnen de farmaceutische sector, het beleid van de lidstaten met betrekking tot het vrijwillig afbreken van de zwangerschap en toegang tot bevruchtingsbehandelingen voor homoseksuelen. Ik ben van mening dat dit niet de context is waarbinnen deze onderwerpen dienen te worden behandeld. We weten dat abortus en medisch geassisteerde voortplantingstechnieken voor homoseksuele paren controversiële onderwerpen zijn binnen de lidstaten en alleen zijzelf kunnen vrij over deze onderwerpen een beslissing nemen. Mede vanwege deze reden kan ik niet voor dit verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk.(PT) De gezondheid en levensverwachting zijn nauw verweven met sociale omstandigheden. Het is zaak dat de verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied op alle niveaus van beleidsbepaling als essentiële prioriteit wordt opgevat, waarbij een benadering van “gezondheid op alle beleidsgebieden” wordt gevolgd, en

voor doelmatige effectbeoordelingen wordt gezorgd. Er bestaan nog steeds ongelijkheden: in 2007 bijvoorbeeld varieerde de levensverwachting bij geboorte voor mannen tussen de EU-lidstaten met 14,2 jaar, terwijl bij vrouwen dit cijfer lag op 8,3 jaar. Het is noodzakelijk om de universele toegang tot gezondheidstelsels te verbeteren en een voor iedereen financieel haalbare toegang tot gezondheidszorg te realiseren. Het is belangrijk om de toegang tot ziektepreventie, gezondheidsbevordering en primaire en gespecialiseerde gezondheidszorg te verbeteren, en de ongelijkheid tussen verschillende sociale groepen te verminderen.

Ik heb echter tegen dit verslag gestemd, omdat ik het niet eens ben met paragraaf 29, waarin staat, en ik citeer: “verzoekt de Europese Unie en de lidstaten met betrekking tot de toegang tot medisch geassisteerde voortplantingstechnieken de nodige maatregelen te nemen om discriminatie van vrouwen op grond van hun burgerlijke staat, leeftijd, seksuele geaardheid dan wel etnische of culturele achtergrond uit te bannen.”

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Het verslag behelst een aantal richtlijnen die wij als geldig en juist beschouwen. We dienen tegelijkertijd ook een aantal kanttekeningen te plaatsen.

Het zogeheten bezuinigingsbeleid, dat in essentie en inhoud anti-sociaal is, waarbij gesnoeid wordt in openbare investeringen en de sociale taken van de overheid – met name in de gezondheidszorg – met grote gevolgen op economisch en sociaal niveau, zorgt tevens voor een toename van de ongelijkheden op gezondheidsgebied.

Als vanwege de noodzaak het begrotingstekort terug te dringen de toegang tot openbare gezondheidsdiensten duurder wordt en prijzen van medicijnen stijgen – ook voor chronische ziekten – doordat steunmaatregelen van de overheid worden beperkt, en als subsidie voor het vervoer van patiënten naar locaties voor een medische behandeling of doktersconsult wordt afgeschaft in gebieden waar geen openbaar vervoer is, dan zullen de ongelijkheden op gezondheidsgebied alleen maar toenemen, zoals op dit moment in Portugal gebeurt. Feitelijk ondervinden mensen met lagere inkomens steeds meer moeilijkheden om toegang te krijgen tot gezondheidszorg.

Wat hier nodig is, zijn niet zozeer woorden, als wel een daadwerkelijke, inhoudelijke beleidswijziging. We moeten een einde maken aan het neoliberale beleid en zorgen voor effectieve gelijkheid van kansen, niet in de laatste plaats waar het gaat om de toegang tot gezondheidszorg.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Hoewel dit verslag een aantal belangrijke vraagstukken behandelt, dringt het niet door tot de kern van de problemen die momenteel worden veroorzaakt door de bezuinigingsmaatregelen en de antisociale beleidsacties waarmee de ongelijkheden op gezondheidsgebied alleen maar toenemen.

Woorden alleen volstaan niet! Er moet een einde komen aan de neoliberale beleidsmaatregelen en er moet absolute voorrang worden gegeven aan preventie en volkgezondheid teneinde effectief te waarborgen dat alle burgers gelijke toegang tot de gezondheidszorg hebben.

Het Stabiliteitspact dient overboord te worden gezet om te voorkomen dat, met het oog op het terugdringen van het begrotingstekort, de toegang tot openbare gezondheidsdiensten duurder wordt en prijzen van medicijnen stijgen – ook voor chronische ziekten – doordat steunmaatregelen van de overheid worden beperkt, en als subsidie voor het vervoer van patiënten naar locaties voor een medische behandeling of doktersconsult wordt afgeschaft in gebieden waar geen openbaar vervoer is.

Het is bekend dat het resultaat van dergelijke beleidsmaatregelen uitmondt in een toename van de ongelijkheid op gezondheidsgebied, zoals tegenwoordig het geval is in Portugal. Mensen met lagere inkomens ondervinden steeds meer moeilijkheden om toegang te krijgen tot gezondheidszorg. Daarom is er meer nodig dan alleen maar mooie woorden en dringt zich een radicale wijziging van het beleid op, zodat voorrang kan worden verleend aan de eerbiediging van de mensenrechten en de economische en sociale cohesie.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabetta Gardini (PPE), schriftelijk. (IT) Het moet gezegd dat dit verslag een aantal zeer interessante ideeën bevat voor de concrete erkenning van het recht op gezondheid (toegang tot zorg, scholing van de bevolking, uitgebreidheid van de diensten, etc.).

Wij hebben echter ook enkele reserves als gevolg van bepaalde tegenstrijdigheden in het document, die voor een breed debat hebben gezorgd. Ongelijkheid moet in reële zin worden gezien en niet door bepaalde personen (met name vrouwen) los te koppelen van hun relatie met hun partner, kinderen en de maatschappelijke context waarin ze leven, waarin seksualiteit en het recht op het krijgen van kinderen daadwerkelijk worden uitgeoefend. Daarnaast baart het uitroepen van ‘nieuwe rechten’, zoals het ‘recht op een veilige abortus’ mij zorgen, aangezien dergelijke verklaringen de rechten van anderen (zoals de verwachtingen van de vader of de levensverwachting van het ongeboren kind) kunnen beperken of zelfs teniet kunnen doen.

Zo kunnen we ook wijzen op enkele andere tekortkomingen, zoals het feit dat het document niets zegt over professionals: het zegt niets over hun rol en verantwoordelijkheden, ze worden behandeld als robots in plaats van als professionals met een bepaalde kennis en kunde en, bovenal, een geweten.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Dit verslag bevat schandalige voorstellen. Zo wordt er bijvoorbeeld naar gestreefd medisch personeel “in staat te stellen een interculturele aanpak te hanteren op basis van (...) de eerbiediging van de verscheidenheid” wanneer ze immigranten behandelen. Bovendien wordt beoogd dat er met betrekking tot de toegang tot medische geassisteerde voortplantingstechnieken de nodige maatregelen worden genomen om discriminatie van vrouwen op grond van leeftijd of seksuele geaardheid uit bannen, terwijl tegelijkertijd de toegang tot abortus voor alle vrouwen gemakkelijk moet worden gemaakt. Wat hier overheerst is een synthese van de cultuur van de dood en een omkering van waarden. En tot slot wil men dat alle lidstaten zorgen dat zij het equivalent van staatsgezondheidszorg opzetten, dat wil zeggen toegang tot gratis gezondheidszorg voor alle illegale immigranten.

Laten wij niet vergeten dat een dergelijke vorm van gezondheidszorg in Frankrijk – die oorspronkelijk was bedoeld om op te treden in noodgevallen of bij risico’s op epidemieën – toegankelijk is voor alle illegale immigranten voor alle soorten aandoeningen tegen minimale en oncontroleerbare voorwaarden. Dit systeem, zonder controle en zonder grenzen, staat palliatieve behandelingen toe, bevordert illegale immigratie, stimuleert medisch toerisme en alle mogelijke vormen van fraude tegen een steeds hogere prijs. In deze tijd waarin onze ziekenhuis- en gezondheidsstelsels zijn ingestort en steeds meer burgers zijn genoodzaakt af te zien behandelingen wegens gebrek aan financiële middelen, is dit een werkelijk schandalig voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor het verslag over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied gestemd, waarin de grote verschillen worden behandeld die bestaan in de gezondheidzorg in de EU-27. De rapporteur belicht het feit dat het verschil in gezondheid van de burgers in verschillende delen van de Unie in veel gevallen te wijten is aan de verschillen in kansen, toegang tot diensten en materiële middelen, sociale achtergrond, inkomen en opleiding en ook dat deze verschillen groter zijn geworden na de financiële crisis. Ik ben het eens met verschillende zaken die in dit verslag worden besproken – waaronder de suggestie dat de Commissie moet samenwerken met de lidstaten om optimale praktijken betreffende prijsstelling en vergoeding van geneesmiddelen te bevorderen, teneinde tot een optimale situatie te komen bij de betaalbaarheid van geneesmiddelen en tot een vermindering van ongelijkheden bij hun toegankelijkheid. Andere kwesties zijn dat de EU en de lidstaten geweld van mannen tegen vrouwen moeten erkennen als een volksgezondheidsprobleem en de oproep aan de lidstaten om hun gezondheidszorgstelsels aan te passen aan de behoeften van de meest kwetsbaren in de samenleving door methoden te ontwikkelen voor het vaststellen van de vergoedingen die beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in rekening brengen om toegang tot de zorg voor alle patiënten te garanderen. Ik ben het echter niet eens met de verwijzingen in het verslag die het bevorderen van abortus steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE), schriftelijk. – (FR) In het verslag moest absoluut rekening worden gehouden met de ongelijkheid op gezondheidsgebied op basis van leeftijd en dat is nu ook gebeurd.

Deze ongelijkheid op gezondheidgebied in verband met leeftijd vertaalt zich in een beperkte toegang tot goede gezondheidszorg en innovatieve behandelingen. Oudere patiënten zouden geneesmiddelen moeten kunnen gebruiken waarvan de doelmatigheid en de veiligheid is getest op personen uit dezelfde leeftijdscategorie. Deze categorie wordt nog te vaak uitgesloten van klinische proeven. De gemiddelde leeftijd van deelnemende patiënten aan klinische proeven voor behandelingen van verhoogde bloeddruk is 63 jaar, terwijl 44 procent van de patiënten ouder dan 70 jaar is wanneer dit probleem voor de eerste keer wordt gediagnosticeerd.

De Unie en de lidstaten moeten niet langer afwachten en anticiperen op de sociale en economische gevolgen van de vergrijzing van de Europese bevolking door rekening te houden met deze demografische ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) De bestrijding van ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen landen en gebieden van de EU, die door de economische crisis nog eens zijn verergerd, is dankzij de aanname van het verslag-Estrela eindelijk een prioriteit geworden. Als rapporteur van advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid heb ik voor dit verslag gestemd, dat gericht is op de verbetering van de toegang tot gezondheidszorg voor iedereen, met name voor de meest kwetsbare groepen, evenals op de ondersteuning van medisch en farmaceutisch onderzoek. Tevens beveelt het de lidstaten aan te stoppen met de bezuinigingen op het budget voor gezondheidszorg. Bovendien wordt in dit verslag rekening gehouden met de genderdimensie die een rol speelt in de ongelijkheid op gezondheidsgebied en wordt de toegang voor vrouwen tot voortplantingstechnieken verbeterd. Deze grote sprongen voorwaarts markeren slechts het begin van de bestrijding van gezondheidsachterstanden in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat, ondanks verbeteringen in de gezondheidszorg, de discrepantie in gezondheidsresultaten tussen de top en de bodem van de sociale ladder groot blijft, en op sommige terreinen zelfs nog groter wordt. Ongelijkheid die tijdens de jeugd wordt ondervonden bij de toegang tot onderwijs, werk en gezondheidszorg, en ongelijkheid op basis van geslacht en ras kunnen in het latere leven een sterke weerslag hebben op de gezondheidsstatus van mensen. De combinatie van armoede met andere kwetsbaarheidsfactoren zoals jeugd of ouderdom, invaliditeit of minderheidsachtergrond maken de gezondheidsrisico’s nog groter, en omgekeerd kan slechte gezondheid leiden tot armoede en/of sociale uitsluiting. Het verband tussen sociale determinanten en ongelijkheden op gezondheidsgebied wordt steeds meer onderkend. Dat betekent dat sociale problemen in ruime kring worden gezien als verband houdende met gezondheidsproblemen die een integrale aanpak vergen. De sociale gevolgen van de huidige economische en financiële crisis hebben zich inmiddels gemanifesteerd. Er zijn bijna 5 miljoen meer werklozen dan aan het begin van de crisis. Veel huishoudens hebben hun inkomens zien teruglopen, een aanzienlijk aantal wordt bedreigd door armoede en te hoge schulden, en sommigen hebben hun huis verloren. Werknemers met kortlopende arbeidscontracten werden als eersten door de neergang getroffen. Migranten en jonge en oudere werknemers, die doorgaans al in een wankele positie verkeren, werden in het bijzonder getroffen, maar ook in categorieën die tot dusver redelijk waren beschermd werden mensen werkloos. Een innovatieve beleidsvisie is nodig om ongelijkheden op gezondheidsgebied aan te pakken, met name voor mensen in de lagere sociaaleconomische groepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE), schriftelijk. – (FI) Tot nu toe is er te weinig aandacht besteed aan het verkleinen van de gezondheidsverschillen in Europa. Dit is een probleem dat moet worden opgelost. Er zijn uiteenlopende redenen voor de verschillen in gezondheid tussen bevolkingsgroepen. De verschillen hangen bijvoorbeeld af van leefomstandigheden, onderwijs en opleiding, beroep alsmede ziektepreventie en diensten die de gezondheid bevorderen. Het is goed dat men steeds meer het verband begrijpt tussen sociale problemen en gezondheidsproblemen. Ook die sociale problemen moeten op een alomvattende manier worden opgelost.

Het is mogelijk de factoren die tot gezondheidsverschillen leiden aan te pakken door middel van sociaal beleid. Bijvoorbeeld alcoholgebruik kan worden aangepakt door nationaal beleid (zoals prijs- en belastingbeleid), regionaal beleid (meer controle) en lokaal beleid (zoals het ontwikkelen van vrijetijdsactiviteiten voor jongeren).

Op Europees niveau moeten de lidstaten onderling informatie uitwisselen over de beste praktijken op het gebied van gezondheid. Het is belangrijk dat we op elk niveau van besluitvorming aandacht besteden aan het verkleinen van de verschillen in gezondheid. Vooral langdurige samenwerking tussen alle actoren is nodig om de gezondheidsverschillen te verkleinen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarosław Kalinowski (PPE), schriftelijk. – (PL) We zijn allemaal doordrongen van het belang van gezondheid. Helaas waarderen we dit vaak pas op de juiste manier zodra wijzelf of een van onze naasten ziek wordt. Toegang tot gezondheidszorg is slechts een van de vele factoren die beslissend zijn voor de gezondheidstoestand van burgers in een bepaald land of gebied. Andere factoren die de gezondheidstoestand van burgers even sterk beïnvloeden zijn: de beroepssituatie en de hieruit direct voortvloeiende materiële situatie, toegang tot onderwijs, geavanceerde leeftijd of handicap, lidmaatschap van een sociale minderheid en vele andere. Sociale ongelijkheid en een archaïsche klassenmaatschappij leiden eveneens tot disproportionele verschillen in de gezondheidstoestand van Europeanen. De Europese Unie moet onvoorwaardelijk prioriteit geven aan het garanderen van gelijke toegang tot gezondheidszorg voor alle bewoners van ons continent en aan de nivellering van maatschappelijke ongelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. − (IT) De gezondheid en het welzijn van de Europese burgers vormen een prioriteit die dit Parlement moet waarborgen en beschermen. Maar voor ons is het bevorderen van een gelijke waarborging van dat recht in alle Europese landen nog belangrijker.

Vaak leiden sociaaleconomische, culturele en structurele ongelijkheden tot een situatie waarin niet iedereen gelijke toegang heeft tot medische behandelingen en zorg. Het gevolg is dat de zwakste groepen, zoals migranten, ouderen, kinderen en gehandicapten soms zelfs met hun leven betalen voor het feit dat hun het recht op gezondheid wordt ontzegd. Dit mag niet gebeuren, noch op Europees, noch op nationaal, noch op regionaal niveau. Slachtoffers van een tekortschietende gezondheidszorg, iets wat helaas een wijdverbreid verschijnsel is, zijn net zomin schuldig als mensen die geen gelijke toegang hebben tot gezondheidsinstellingen.

Ik heb vóór de ontwerpresolutie gestemd, omdat deze de bestrijding van ongelijkheden tussen de verschillende lidstaten op het vlak van gezondheidsnormen bevordert, evenals een efficiënter gezondheidsbeleid dat zich niet alleen op de gebruikers ervan richt, maar op iedereen, met inbegrip van medici en zorgpersoneel, waarvoor betere arbeidsomstandigheden zouden kunnen gelden om iedereen zo goed mogelijke zorg te kunnen verlenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elżbieta Katarzyna Łukacijewska (PPE), schriftelijk. – (PL) Ik wil erop wijzen dat ik tegen het verslag van mevrouw Estrela over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied heb gestemd, vanwege de tekst van paragraaf 25. Hierin staat onder meer dat de Europese Unie en de lidstaten vrouwen het recht op een veilige abortus moeten garanderen.

Ik wil verder opmerken dat bovengenoemd document veel belangrijke gezondheidsproblemen aan de orde stelt en interessant materiaal bevat voor nadere uitwerking. De verwijzing naar abortus heeft er echter toe geleid dat ik niet voor het aannemen van het verslag kon stemmen. Ik benadruk altijd dat abortus geen vrijbrief is om niet meer na te denken over de consequenties van het aangaan van seksuele relaties, het menselijk leven verdient beter.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. − (IT) Ongelijkheid op het vlak van gezondheidszorg is een probleem dat op Europees niveau moet worden bestreden. De oorzaken hebben vaak te maken met verschillen in kansen, toegang tot diensten en materiële middelen, maar ook met verschillende levenskeuzes die mensen maken. We hebben een innovatieve politieke visie nodig om deze problemen op te lossen.

De economische en financiële crisis van de afgelopen jaren heeft geleid tot een verlaging van de financiële middelen voor gezondheidsdiensten en langdurige zorg, gevolgd door bezuinigingen en lagere belastinginkomsten, terwijl de vraag naar gezondheidsdiensten en langdurige zorg is toegenomen. Talloze lidstaten hebben in hun herstelplannen maatregelen opgenomen als investeringen in de medische infrastructuur, reorganisaties en aanvullende financiering voor de gezondheidszorg.

De maatregelen om ongelijkheid op gezondheidsgebied te bestrijden verschillen echter aanzienlijk van land tot land. Het verzamelen en delen van gegevens op het gebied van strategieën, beleidsmaatregelen en doeltreffende maatregelen zou kunnen helpen om steun te krijgen van de regeringen.

Het is van essentieel belang dat het terugdringen van de ongelijkheid op gezondheidsgebied als belangrijke prioriteit wordt beschouwd, door een aanpak na te streven die gezondheid in alle beleidsterreinen integreert en te zorgen voor doeltreffende effectbeoordelingen die rekening houden met behaalde resultaten inzake gelijkheid op gezondheidsgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd en ik verwelkom de nadruk die erin wordt gelegd op ongelijkheid in gezondheid bij de lagere sociaaleconomische groepen. Ik ben blij met de aandacht die wordt besteed aan het belang van factoren op het gebied van huisvesting en werkgelegenheid als het gaat om gezondheid. Ik vind het ook goed dat in het verslag aandacht wordt gevraagd voor het toenemende risico van overgewicht, roken en drinken in de lagere sociaaleconomische groepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka (GUE/NGL), schriftelijk. (CS) Ik zou de rapporteur willen complementeren met haar uitstekende werk en haar willen bedanken voor het aannemen van mijn amendementen. Het vraagstuk van de gelijke toegang tot gezondheid is een van de pijlers van ons gemeenschappelijk beleid, zowel nu als vooral ook in de toekomst. Noch het verschil in economische ontwikkeling, noch de huidige crisis mogen een belemmering vormen voor de gelijke toegang tot gezondheidszorg voor de burgers in de EU, ongeacht de grote onderlinge verschillen tussen de gezondheidszorgstelsels. Ik sluit mij volledig aan bij het pleidooi in het verslag voor betere voorlichting van de patiënten en kwalitatief juridisch advies – ook voor immigranten, illegale immigranten niet uitgezonderd. De gezondheid van de individuele burgers dient te worden gegarandeerd middels territoriaal en financieel toegankelijke medische zorg in de breedste zin van het woord, dus meer dan geneesmiddelen alleen. Dat dient het fundamentele uitgangspunt te zijn. Om vooruitgang te kunnen boeken, dient met name gewerkt te worden aan de coördinatie van het onderwijs en de beroepsopleidingen voor medewerkers in de gezondheidszorg, alsook aan minimale normen ten aanzien van de kwaliteit en de veiligheid van geneeskundige zorg. De rapporteur wijst geheel terecht op het grote belang van preventie in verband met roken, obesitas en andere aandoeningen die het actieve leven bekorten. Ik sluit mij aan bij de nadrukkelijke oproep aan de Commissie om dusdanige druk op de lidstaten uit te oefenen dat patiënten met ziekten als Alzheimer, suikerziekte en multiple sclerose de behandeling daarvan vergoed krijgen. In een aantal lidstaten is dat nu namelijk niet het geval. Zowel oudere mensen alsook jongere mensen lijden aan deze ziekten die leiden tot maatschappelijke uitsluiting.

 
  
MPphoto
 
 

  Marisa Matias (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Dit verslag zet de ongelijkheden op gezondheidsgebied tussen de burgers van de Europese Unie in de kijker. Ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, jong en oud, die verband houden met een brede waaier van factoren: economische en sociale factoren, opleidingsniveau, beroepssituatie en levensomstandigheden. Er wordt gewezen op de noodzaak de universele toegang tot zorgstelsels en betaalbare gezondheidszorg voor iedereen te behouden en te verbeteren, onder meer ook voor kwetsbare bevolkingsgroepen zoals immigranten zonder papieren. Tevens wordt onderstreept dat de economische en financiële crisis alsmede de bezuinigingsmaatregelen van de lidstaten ernstige gevolgen hebben gehad voor de gezondheidssector en de ongelijkheid nog zullen doen toenemen. Dit verslag verzoekt de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijk stelsel van indicatoren uit te werken voor het in kaart brengen van de ongelijkheid op gezondheidsgebied en·het beginsel dat gezondheid in alle beleidssectoren moet worden geïntegreerd toe te passen. Het legt tevens de nadruk op het belang van preventieve actie en een “lokale aanpak op het gebied van gezondheidszorg”. Gelet op het voorgaande, en ter ondersteuning van de in het verslag vervatte suggesties, heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Een basisbeginsel van de openbare veiligheid is de toegang tot gezondheidszorg te waarborgen voor iedereen, zowel burgers als niet-burgers, met of zonder papieren. Wij kunnen de gezondheid van individuele personen beter beschermen door de gezondheid van iedereen te beschermen. Ik verwelkom dit verslag dat er uitdrukkelijk aan herinnert dat dit argument voor gezondheidszorg onontbeerlijk is voor het algemeen welzijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) Het verslag dat hier vandaag in stemming wordt gebracht, behandelt een aantal belangrijke kwesties, voornamelijk met het oog op de bescherming van gelijke toegang tot gezondheidszorg voor iedereen, een situatie die in de Europese Unie helaas nog niet is bereikt, met name onder minder begunstigde bevolkingsgroepen zoals kinderen, ouderen en in sommige gevallen ook vrouwen. Mijns inziens wordt er echter ook aandacht besteed aan een hoop zaken die niets met gezondheid te maken hebben. Wat me het meest verbaast, is de manier waarop het beleid van de lidstaten op het gebied van vrijwillige zwangerschapsonderbreking en toegang tot vruchtbaarheidsbehandelingen voor homoseksuelen wordt behandeld. Volgens mij is op deze kwesties het subsidiariteitsbeginsel van toepassing en moeten zij op minder slinkse wijze behandeld worden. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Willy Meyer (GUE/NGL), schriftelijk. – (ES) Ik heb gestemd voor het verslag-Estrela over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebeid in de Europese Unie.

Toegang tot de gezondheidszorg voor alle burgers, of dat nu EU-burgers of migranten met of zonder papieren zijn, is een van de fundamentele mensenrechten. Het zijn juist de mensen met het grootste risico te worden uitgesloten die moeten kunnen zien dat dit grondrecht wordt gewaarborgd. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) Ongelijkheid die tijdens de jeugd wordt ondervonden bij de toegang tot onderwijs, werk en gezondheidszorg, en ongelijkheid op basis van geslacht en ras hebben in het latere leven daadwerkelijk een sterke weerslag op de gezondheidsstatus van mensen. Het moet benadrukt worden dat niemand dit probleem serieus wil aanpakken. Daarom komt het verslag van Edite Estrela op het juiste moment. Als we kunnen zorgen voor gelijkwaardige medische zorg voor alle lagen van de bevolking, zal de maatschappij in economische, financiële en politieke zin efficiënter worden. Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) De volksgezondheid is nog steeds het hoogste goed voor de mens, en alle regeringen moeten daar beslist de hoogste prioriteit aan geven. Er bestaan op dit vlak binnen de EU echter nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten. Dat blijkt heel duidelijk uit de gemiddelde levensverwachting – bij mannen ligt de laagste waarde in de EU-27 5,6 jaar lager dan de hoogste, bij vrouwen is het verschil zelfs 6,6 jaar. Dat houdt verband met het aantal slecht opgeleide personen, de stijgende armoede en de hoge werkloosheid. Daarom mag het ons niet verbazen dat de golf van ontslagen vanwege de economische crisis de volksgezondheid niet bepaald heeft verbeterd. In veel lidstaten is het aanzienlijk moeilijker om van medische diensten gebruik te maken wanneer je geen inkomen meer hebt. Ik heb echter niet voor dit verslag gestemd, omdat het niet duidelijk genoeg ingaat op maatregelen om het probleem op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Het streven om ongelijkheden op gezondheidsgebied in de Europese Unie terug te dringen, met het oog op een samenhangende sociale en economische ontwikkeling, is prijzenswaardig en daarom heb ik voor het verslag van mevrouw Estrela gestemd. De voorstellen om het gezondheidszorgniveau in Europa te verbeteren door middel van gezondheidseducatie, toegang tot behandelingen, kennis van gegevens en het gebruik van mechanismen voor het meten, controleren, beoordelen en het delen van informatie leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van beleidsmaatregelen waarmee ongelijkheden op gezondheidsgebied effectief worden verminderd. Ik vind het echter even belangrijk dat hierbij het subsidiariteitsbeginsel wordt gerespecteerd, evenals bepaalde specifieke nationale gewoonten en opvattingen die mijns inziens moeten worden verdedigd en beschermd.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de Europese Unie voorziet in tal van maatregelen die ik waardevol en belangrijk vind. Toch heb ik mij in de eindstemming van stemming onthouden omdat ik niet akkoord kan gaan met het voorstel om de Europese Unie en de lidstaten ertoe te verplichten de volledig vrije toegang van vrouwen tot abortus te waarborgen. Er moet geïnvesteerd worden in gezinsplanning en voorbehoedsmiddelen en abortus mag slechts een laatste toevlucht zijn in uitzonderlijke situaties. Voorts geloof ik niet dat medisch geassisteerde voortplantingstechnieken vrij toegankelijk moeten zijn. Op deze kwestie moet het subsidiariteitsbeginsel worden toegepast en zij mag in geen geval worden gebruikt als een instrument om discriminatie van vrouwen op grond van hun burgerlijke staat, leeftijd, seksuele geaardheid dan wel etnische of culturele achtergrond uit te bannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. – (RO) Het verschil in levensverwachting in de EU loopt uiteen tussen de lidstaten en bedraagt gemiddeld 14,2 jaar voor mannen en 8,3 jaar voor vrouwen (in Roemenië 11,86 jaar voor mannen en 7,38 jaar voor vrouwen). Zelfs binnen landen hebben groepen met verschillende opleidings- of maatschappelijke niveaus een verschillende levensverwachting. Een stijging van de werkloosheid en de bezuinigingsmaatregelen kunnen de al bestaande ongelijkheden op gezondheidsgebied in de EU nog verder vergroten. Ik heb mijn steun gegeven aan deze ontwerpresolutie, waarin wordt opgeroepen om de monitoring van ziekten en de preventiemaatregelen tegen ziekten te verbeteren en meer aandacht aan kwetsbare groepen te besteden.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Aangezien de meeste relevante kwesties al werden behandeld in het ontwerpverslag, was het niet nodig om veel amendementen in te dienen. Wij, de Groenen/Vrije Europese Alliantie, zijn weliswaar medeondertekenaars van een aantal amendementen, samen met de rapporteur en de schaduwrapporteurs, maar wij waren de enigen die hebben geprobeerd kritiek op te nemen op het huidige model van de ontwikkeling van geneesmiddelen op basis van octrooien, die leidt tot hoge prijzen voor medische innovatie en gebrek aan toegang tot betaalbare essentiële geneesmiddelen. We hebben opgeroepen tot nieuwe modellen van medische innovatie en tot het aanpakken van het gebrek aan toegang tot betaalbare essentiële geneesmiddelen. We hebben opgeroepen tot nieuwe modellen voor onderzoek op medisch gebied (innovatieprijsvragen, sociale licentieregelingen, octrooipools, publiek-private partnerschappen en het hanteren van sociale criteria bij de toewijzing van Europese onderzoekssubsidies), maar deze amendementen zijn niet aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. – (IT) De Eurostat-gegevens over 2010 laten er geen twijfel over bestaan: er zijn nog steeds grote verschillen tussen de 27 lidstaten op het gebied van de kwaliteit van de gezondheidszorg.

Parameters als de levensverwachting in de verschillende lidstaten lopen van regio tot regio nog enorm uiteen, waaruit blijkt dat de kwaliteitsnormen in de gezondheidszorg binnen de EU nog te heterogeen zijn. Toegang tot basis- en voortgezet onderwijs, stabiele en bevredigende werkgelegenheid, geslacht, culturele achtergrond en goede medische zorg vormen de belangrijkste factoren die bepalend zijn voor de levenskwaliteit van de burger.

Om die reden dient in het verslag vooral prioriteit te worden gegeven aan de rechten van de zwakste bevolkingsgroepen, met name vrouwen en hun specifieke behoeften.

 
  
MPphoto
 
 

  Oreste Rossi (EFD), schriftelijk. – (IT) Hoewel we het eens zijn met het uitgangspunt van het verslag, namelijk dat het gemiddelde gezondheidsniveau in de Europese Unie nog steeds een stijgende lijn vertoont ook al bestaan er nog aanzienlijke verschillen op gezondheidsgebied als gevolg van de verschillende systemen in de lidstaten, gaat het te ver met betrekking tot de rechten van migranten. Deze worden tot de zwakste bevolkingsgroepen zoals gehandicapten, ouderen en kinderen gerekend, terwijl buiten beschouwing wordt gelaten dat velen van hen illegaal in Europa verblijven.

We moeten migranten dan ook niet op dezelfde manier bejegenen als gehandicapten, die een kwetsbare groep vormen die bijzondere aandacht en op hun behoeften afgestemde zorg nodig heeft. Het verslag verdeelt de maatschappij in klassen – rijken, armen, etnische minderheden, mannen, vrouwen, kinderen – met een achterhaalde methodologie in plaats van over burgers met rechten te spreken en pretendeert die vermeende verschillen op gezondheidsgebied te beperken middels passende wetgeving.

De tekst is er door de aangenomen amendementen zelfs nog slechter op geworden, doordat er verschillende onderwerpen aan toe zijn gevoegd, zoals klimaatverandering, geweld tegen vrouwen, geassisteerde voortplanting en toegang tot het gezondheidszorgstelsel voor illegalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Christel Schaldemose (S&D), schriftelijk. − (DA) Namens de vier Deense sociaaldemocraten in het Europees Parlement (Dan Jørgensen, Christel Schaldemose, Britta Thomsen en Ole Christensen). Wij hebben gestemd voor het verslag over de verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU. Het verslag bevat vele belangrijke voorstellen voor de verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied. Echter, in het verslag wordt ook voorgesteld dat migranten zonder papieren recht moeten hebben op toegang tot gezondheidszorg in de lidstaten en dat deze toegang gewaarborgd moet worden. Dit standpunt delen wij niet. Wij zijn echter van mening dat het een mensenrecht is om dringende verzorging te krijgen ongeacht iemands status in de samenleving.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd om de aanpak van de rapporteur te steunen, die beginselen heeft vastgesteld die echt belangrijk zouden moeten zijn als het gaat om de gezondheid van vrouwen. Veel vrouwen in de Europese samenleving hebben geen essentiële rechten op gezondheidsprogramma’s en geen toegang tot faciliteiten als gevolg van hun sociale en economische positie in onze maatschappij, in het bijzonder vrouwen die behoren tot etnische minderheden en migrantenvrouwen die misschien geen papieren hebben. Hoewel het belangrijk is om voorzorgsmaatregelen te nemen tegen ‘gezondheidstoerisme’, zoals het zo ongelukkig wordt genoemd, is het ook essentieel om onze plicht op het gebied van fundamentele mensenrechten in gedachten te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, dat ingaat op verschillende ongelijkheden op het gebied van gezondheid in de lidstaten en de lidstaten aanmoedigt gezondheidszorg als een prioriteit te blijven zien tijdens de financiële crisis en het herstel daarvan. Het is van essentieel belang dat deze ongelijkheden niet toenemen als de regeringen manieren zoeken om geld te besparen.

 
  
MPphoto
 
 

  Michèle Striffler (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag gestemd over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU, aangezien ik van mening ben dat er vandaag de dag tussen de lidstaten grote verschillen bestaan op gezondheidsgebied. Zo moeten bijvoorbeeld alle lidstaten ervoor zorgen dat vrouwen gemakkelijk toegang krijgen tot anticonceptiemethoden en het recht hebben om op een veilige manier een abortus te laten uitvoeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Niki Tzavela (EFD), schriftelijk. − (EN) Ik heb tegen dit verslag gestemd, omdat ik van mening ben dat het het onderwerp van ongelijkheid op het gebied van gezondheid niet heeft aangepakt en een totaal andere benadering heeft gekozen. Hoewel er veel delen van het verslag zijn waarmee ik het niet eens ben, wil ik mij concentreren op de vrijheden die worden gegeven aan migranten ‘zonder papieren’, zoals ze in het verslag worden genoemd, wat in wezen een ander woord is voor illegale immigranten. Het verslag stimuleert het verlenen van allerlei burgerlijke vrijheden en vrijheden op gezondheidsgebied aan personen die veel landen van de EU illegaal zijn binnengekomen.

Dit verslag zal veel nadelen opleveren voor lidstaten die dagelijks te maken hebben met het probleem van immigratie, zoals Griekenland en Italië. Het geeft illegale immigranten niet alleen het recht gelijke toegang tot de gezondheidszorg te eisen, maar het zal ook een reden vormen waarom nog meer zogenoemde ‘asielzoekers’ naar Europa willen komen, om te profiteren van gratis gezondheidszorg, die in de meeste derdewereldlanden niet bestaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE), schriftelijk. (DE) Ik heb tegen dit verslag gestemd, omdat het via een achterdeurtje pleit voor abortus. De mens is een schepsel van God, en mag zich niet opwerpen als rechter over leven en dood. Daarover is geen enkel compromis mogelijk. Ik bevind me met dit standpunt niet in de meerderheid, maar ik verander niet van gedachten, en offer geen levens op het altaar van de tijdgeest. Ik ben een even vurig tegenstander van pre-implantatiediagnostiek.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. (DE) Het verslag van mevrouw Estrela gaat over de verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU. Ik ben heel blij met dit verslag. In deze tijden van financiële en economische crisis houden we ons weliswaar hoofdzakelijk bezig met economische en juridische vraagstukken, maar dat mag er niet toe leiden dat we minder aandacht besteden aan onderwerpen als gezondheid, onderwijs en sociale zekerheid. Ook doelstellingen van hogere orde van de Gemeenschap, zoals de EU-2020 strategie, kunnen we alleen maar bereiken wanneer daar degelijke stelsels voor de sociale zekerheid en voor gelijke kansen achter staan. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
  

Verslag: Eva Joly (A7-0027/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik onderschrijf dit verslag, met inachtneming van de amendementen van de Fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten in het Europees Parlement. Wij hebben de plicht om onze ervaring op het gebied van goed bestuur over te dragen, zodat de ontwikkelingslanden hun eigen belastingstelsels kunnen opzetten. Alleen op die manier is het mogelijk om een rechtvaardiger, billijker en duurzamer belastingstelsel in het leven te roepen, belastingontduiking tegen te gaan en bijgevolg ook bij te dragen tot een beter internationaal belastingklimaat. Dit verslag is tevens belangrijk omdat het pleit voor de dringende afschaffing van belastingparadijzen, een essentiële maatregel op het gebied van transparantie die ervoor moet zorgen dat de broodnodige automatische uitwisseling van informatie op belastinggebied daadwerkelijk plaatsvindt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Hoewel belastingen een betrouwbare en duurzame bron van financiering kunnen zijn als er sprake is van een progressief belastingstelsel, een doeltreffende en efficiënte belastingadministratie en een transparant en verantwoord gebruik van overheidsinkomsten, slagen veel ontwikkelingslanden er niet in het minimum belastingniveau te bereiken dat nodig is om overheidsdiensten te financieren. De Europese Unie moet derhalve met deze landen samenwerken om goed bestuur in belastingaangelegenheden te bevorderen. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd dat de invoering van een stabiel en doeltreffender maar ook eerlijker systeem voor belastingheffing mogelijk maakt ter bestrijding van de armoede in deze landen. Tevens wordt het creëren van een transparant, coöperatief en eerlijk internationaal belastingmilieu door dit verslag mogelijk gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Ontwikkelingslanden hebben te maken met problemen met de invoering van belastingstelsels (de invoering, inning en administratie van belastingen). De bestrijding van belastingparadijzen is een van de prioriteiten die is vastgelegd in de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, aangezien de instellingen en politieke stelsels van ontwikkelingslanden hierdoor worden verzwakt. De hoeveelheid kapitaal die jaarlijks illegaal via off-shore centra en belastingparadijzen kan worden weggesluisd, wordt becijferd op 1 biljoen dollar en dit is ongeveer tien keer zo veel als het bedrag dat naar ontwikkelingslanden gaat ten behoeve van armoedebestrijding en economische ontwikkeling. Ik ben het eens met de voorstellen in het verslag dat donoren bij het toewijzen van financiële ondersteuning ook de inspanningen van ontwikkelingslanden moeten steunen om hun bestuur op het gebied van belasting te verbeteren en te waarborgen dat hulp op transparante en verantwoordelijke wijze wordt gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Vito Bonsignore (PPE), schriftelijk.(IT) Dit verslag legt in overeenstemming met het standpunt van de Commissie de nadruk op de versterking van de synergieën tussen het belasting- en het ontwikkelingsbeleid. Hiertoe heeft de Commissie namelijk twee studies gepubliceerd en een jaar geleden is in de plenaire vergadering een resolutie over hetzelfde onderwerp aangenomen. Ik heb voor het verslag gestemd omdat ik voorstander ben van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO’s) en het beheer van het belastingstelsel, de toezegging om de belastingstelsels van ontwikkelingslanden te ondersteunen en de internationale dialoog en samenwerking op fiscaal gebied.

We dienen echter wel te wijzen op de aandachtspunten die er nog zijn met betrekking tot de douaneontvangsten, de huidige tekortkomingen van de OESO en de uitholling van de belastingontvangsten. Het lijkt mij nuttig dat de Europese Unie zich inzet om inefficiënties tegen te gaan, zoals de bestrijding van belastingparadijzen, manipulatie van handelsprijzen, de zogenaamde “vloek van natuurlijke hulpbronnen”, verbreding van de belastingbasis en betere coördinatie tussen donoren.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) De toenemende globalisering van de markten en de stijgende mobiliteit van de belastingbetalers hebben ervoor gezorgd dat belastingheffing heden ten dage een lastige zaak is. En het is nog moeilijker en ingewikkelder om de situatie in de ontwikkelingslanden bij te sturen, onder meer vanwege interne factoren zoals het bestaan van een grote informele sector, het overwicht van de landbouw en het beperkte gebruik van nieuwe technologieën. Ik verwelkom het initiatief van de Commissie om met deze landen samen te werken met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden via een verslag dat de voornaamste problemen en oplossingen aanwijst en ten doel heeft synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid te verbeteren om ze doeltreffender te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. – (PT) Doelmatige, progressieve en rechtvaardige belastingstelsels zijn van essentiële betekenis voor de vooruitgang van de ontwikkelingslanden, aangezien zij bijdragen tot de financiering van de beschikbaarstelling van collectieve voorzieningen, de duurzaamheid van de instellingen van deze landen, een verminderde afhankelijkheid van buitenlandse hulp en de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen. In dit verband ben ik van mening dat de Europese Unie haar aandacht moet richten op enerzijds maatregelen ter bestrijding van belastingparadijzen en belastingontduiking (die het politieke en economische bestuur in de ontwikkelingslanden ondermijnen door economische criminaliteit aantrekkelijker te maken en de ongelijke verdeling van belastinginkomsten te vergroten) en anderzijds de totstandbrenging van een proces van samenwerking en dialoog met de belastingautoriteiten van deze landen.

Het is tevens belangrijk om de belastingbasis in deze landen te verbreden. Er zij op gewezen dat de belastingstelsels in ontwikkelingslanden gebaseerd zijn op indirecte belastingheffingen (waarbij het leeuwendeel van de inkomsten afkomstig is van de belastingheffing op goederen en diensten), wat leidt tot beperkte belastinginkomsten en inefficiëntie. Daarom moeten de inspanningen gericht zijn op de ontwikkeling van directe belastingheffingen. Niet minder belangrijk is de oproep tot meer samenhang tussen het ontwikkelings- en het handelsbeleid van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) De ontwikkelingslanden hebben hun douane-inkomsten zien dalen als gevolg van de liberalisering van de handel. Deze inkomstenverliezen kunnen worden gecompenseerd door goed bestuur en een eerlijkere en doeltreffendere belastingheffing. Het zou daarom goed zijn in deze landen betere technische en juridische ondersteuning te ontwikkelen voor de invoering van een rechtvaardig, progressief en transparant belastingstelsel, waarin onder meer voor multinationals en winningsindustrieën geen discretionaire belastingvrijstellingen en -voorkeuren bestaan. Een andere manier om deze landen verder te helpen is een einde te maken aan belastingparadijzen die schadelijk zijn voor hun ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een eerlijker belastingstelsel en meer rechtszekerheid gunstig zijn voor particuliere buitenlandse investeringen en derhalve op termijn voor economische groei. Al deze bepalingen moeten echter niet leiden tot een verlaging van de overheidssteun voor ontwikkelingshulp. Wij moeten op dit punt dan ook waakzaam blijven, daar de lidstaten altijd geneigd zijn het deel van hun bbp voor ontwikkelingshulp te verlagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Delvaux (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het benadrukt dat belastingconcurrentie en -fraude in de zuidelijke landen moeten worden aangepakt. Het verslag stelt bovendien dat de automatische uitwisseling van informatie op fiscaal gebied als algemene regel zou moeten worden ingevoerd; benadrukt het belang van financiële rapportage ‘per land’ voor multinationals; roept op tot de bestrijding van belastingparadijzen op een wijze die verder gaat dan het ontoereikende optreden van de OESO; en benadrukt de noodzaak meer samenhang aan te brengen in het beleid van de Europese Unie ten behoeve van ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) Aan dit verslag ligt een document van de Commissie ten grondslag waarin de link tussen de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en goed bestuur in belastingaangelegenheden wordt erkend. Doel van dit verslag is synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid te verbeteren om ze doeltreffender te maken en te dien einde problemen aan te wijzen waar ontwikkelingslanden mee te maken hebben bij de inzet van ontvangsten door middel van belastingheffing. Het verslag stelt ook een aantal manieren voor die ervoor moeten zorgen dat de Europese Unie beter gebruik kan maken van de bestaande middelen en instrumenten. Tevens wordt het belang onderstreept van de ondersteuning van effectieve en duurzame belangstelsels, met name door de bestrijding van fraude en belastingontduiking, teneinde bij te dragen tot een transparant en eerlijk internationaal belastingmilieu, in het bijzonder door steun te verlenen voor maatregelen tegen belastingparadijzen. Immers, goed economisch bestuur is essentieel om deze landen in staat te stellen een punt te zetten achter hun afhankelijkheid van buitenlandse hulp en bij te dragen aan de ontwikkeling van de openbare en particuliere sector en de economische groei.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag gaat over belastingheffing en ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Om de doelstellingen van de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 2000 te kunnen halen, moeten deze landen goed bestuur in belastingaangelegenheden bevorderen door alle buitenlandse hulp optimaal te benutten. In 2009 publiceerde de Europese Commissie, die er belang bij heeft om met deze landen samen te werken, een document over “Belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden” teneinde synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid te verbeteren om ze eerlijker, transparanter en doeltreffender te maken. In februari 2010 heeft het Parlement een resolutie over hetzelfde onderwerp aangenomen.

De Europese Unie is van oordeel dat eerlijkere en coherentere belastingstelsels zullen bijdragen tot armoedevermindering en compensatie van het verlies van bepaalde inkomsten. Daarom onderschrijf ik dit verslag, waarin wordt gepleit voor afschaffing van belastingparadijzen – regelrechte “massavernietigingswapens” voor ontwikkelingslanden –, bestrijding van economische criminaliteit, maatregelen om belastingontduiking en oneerlijke mededinging tegen te gaan en ontwikkeling door goed bestuur.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) In het verslag worden een aantal kwesties genoemd die relevant en bijzonder actueel zijn, namelijk: “de bestrijding van belastingparadijzen en corruptie als topprioriteit op de agenda te plaatsen”; “de problemen waarop ontwikkelingslanden stuiten bij het vergaren van binnenlandse inkomsten ..., daar er, om investeringen aan te trekken, veelvuldig vrijstellingen worden verleend aan grote binnen- en buitenlandse ondernemingen”; “belasting op financiële transacties” op internationaal niveau, met “een eerste stap op EU-niveau”; “landen met een laag inkomen moeten over de capaciteit beschikken om doeltreffend te onderhandelen met multinationale ondernemingen ... om controle op het kapitaalverkeer uit te kunnen oefenen” en hun volledige soevereiniteit te behouden. De tekst is echter niet vrij van contradicties. Zo wijst hij wel de problemen aan die zullen voortvloeien uit de economische partnerschapsovereenkomsten, vooral met betrekking tot de verlaging van de belastinginkomsten, maar worden die overeenkomsten niet duidelijk verworpen.

Er wordt bovendien ook geen kritisch standpunt ingenomen ten aanzien van de verantwoordelijkheden van de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldhandelsorganisatie met betrekking tot de bevordering van beleidsmaatregelen die de vernietiging van productie-infrastructuur en overheidsdiensten in de hand werken, werkloosheid scheppen en de interne markten van landen ondermijnen, waardoor de belastinginkomsten, de begroting, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van deze landen nog meer in het gedrang komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Ik ontken niet dat samenwerking in belastingaangelegenheden belangrijk kan zijn, maar we mogen niet voorbijgaan aan het feit dat het belastingbeleid een essentieel instrument is van het economisch en sociaal beleid en wordt vastgesteld onder invloed van duidelijke politieke criteria en waardeoordelen.

Daarom is het niet aan de Europese Unie om zogenaamd “goed bestuur in belastingaangelegenheden” te exporteren. De soevereiniteit, de keuzes en de opties van de ontwikkelingslanden moeten ten volle worden geëerbiedigd, met de nodige inachtneming van hun specifieke situatie en omstandigheden.

En ondertussen houden de zogeheten “economische partnerschapsovereenkomsten” die wij nillens willens aan de ontwikkelingslanden hebben opgelegd een ernstige beperking in van hun belastingstelsels vanwege de aanzienlijke verlaging van de belastinginkomsten en andere belangrijke nadelen.

Bovendien heeft het voortbestaan van de belastingparadijzen tot gevolg dat de ontwikkelingslanden jaar na jaar met een enorm inkomstenverlies kampen.

Daarom moet de Europese Unie haar beleid wijzigen en deze contradicties uit de wereld helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. (LT) Ik heb voor dit document gestemd omdat hierin positieve aspecten worden bepaald, zoals een duidelijk begrip van belastingen, die van wezenlijk belang zijn als basis voor een verantwoordelijk en flexibel democratisch stelsel. Een ander aspect is het feit dat de EU voorstander is van het beginsel van eigen verantwoordelijkheid voor ontwikkelingsstrategieën, en erkent dat de ontwikkelingslanden in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn om hun ontvangstensystemen te verbeteren volgens hun eigen economische en politieke omstandigheden en opties. De Commissie stelt voor de instrumenten van de EU in te zetten voor het bieden van meer steun bij het opzetten van de belastingstelsels in de ontwikkelingslanden en de tenuitvoerlegging van de beginselen van goed bestuur op belastinggebied, d.w.z. door meer aandacht te doen uitgaan naar een effectieve integratie van de beginselen van goed bestuur op belastinggebied in de programmering, tenuitvoerlegging en controle van landen- en regionale strategiedocumenten. De Commissie is voorstander van een norm voor financiële rapportage per land voor multinationals, als instrument om internationale belastingontduiking op het spoor te komen. Tevens moet worden benadrukt dat de Commissie een mededeling zal publiceren over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven, waarin zal worden gehandeld over het opzetten van een systeem voor verplichte aangifte van informatie inzake goed bestuur in de jaarlijkse verslaggeving. De Commissie wil het proces van internationale dialoog en samenwerking op belastinggebied versnellen, met name door een grotere deelname van ontwikkelingslanden aan relevante internationale fora. De Commissie dringt ook aan op het afsluiten en uitvoeren van overeenkomsten inzake de uitwisseling van fiscale gegevens, onder meer door multilaterale mechanismen, en noemt daarbij als voorbeeld de EU-richtlijn betreffende belastingheffing op ontvangsten uit spaargelden, die gebaseerd is op de automatische uitwisseling van informatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarosław Kalinowski (PPE), schriftelijk. – (PL) Een goed belastingstelsel vormt de basis voor duurzame economische groei en monetaire stabiliteit. In ontwikkelingslanden, waar dergelijke stelsels niet bestaan of slecht functioneren, doen zich ernstige economische en politieke problemen voor.

Internationale wettelijke normen die het juist functioneren van de belastingstelsels ondersteunen, zouden positieve invloed kunnen uitoefenen op de economische situatie in die landen. We mogen echter niet vergeten, dat we anderen nooit een belastingbeleid mogen opleggen. Ieder land moet zelf beslissen over zijn belastingstelsels, rekening houdend met de actuele sociale, politieke en economische omstandigheden. Goed belastingbeleid moeten we daarom steunen en niet opdringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Köstinger (PPE), schriftelijk. (DE) Het is ons doel om de belastingstelsels duurzamer, rechtvaardiger en transparanter te maken. We willen op die manier ook de opbouw van democratische systemen ondersteunen. De mondialisering maakt het moeilijker om belastingen te heffen op internationaal mobiel kapitaal. Daarom moeten we ontwikkelingslanden helpen om de nodige politieke armslag te verkrijgen om de speculatie te verhinderen, en de financiële stabiliteit te garanderen. Ik sta achter gezamenlijke initiatieven om belastingparadijzen aan te pakken, en achter alle pogingen om de internationale dialoog tussen de landen te versterken. Wanneer deze landen op een verantwoorde manier omgaan met hun belastingstelsel, moet dat op de lange termijn gunstige gevolgen hebben voor hun ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik verwelkom dit verslag, dat zich concentreert op de noodzaak het vermogen tot goed bestuur op belastinggebied ten bate van de ontwikkeling op te voeren en waarin het Parlement uitdrukking geeft aan het besef dat er een regelgevend kader nodig is ter ondersteuning van de internationale samenwerking op belastinggebied, transparantie, ontwikkeling van de publieke en de particuliere sector en economische groei; benadrukt dat de verhouding tussen belastingopbrengsten en BBP in ontwikkelingslanden tussen 10 en 20 procent ligt, terwijl dat in de ontwikkelde landen tussen 25 en 40 procent is; betreurt dat de donoren tot nu toe zeer weinig hebben gedaan op het gebied van steun op belastinggebied; in dit verband het voorstel van de Commissie verwelkomt om meer steun te bieden om ontwikkelingslanden te helpen bij belastinghervormingen en het versterken van de belastingautoriteiten door middel van het EOF voor ACS-landen, het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, alsmede steun voor nationale toezichthoudende instanties, parlementen en niet-statelijke actoren; erop wijst dat meer nadruk gelegd moet worden op inspanningen op het gebied van capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden om hen te helpen effectiever gebruik te maken van de uitwisseling van informatie en op doeltreffende wijze belastingontduiking tegen te gaan met behulp van hun eigen binnenlandse wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk.(IT) De Commissie verricht prima werk bij het promoten van beginselen en criteria voor de ontwikkeling van goed bestuur in belastingaangelegenheden in het kader van samenwerking met ontwikkelingslanden. Van essentieel belang zijn de criteria transparantie, uitwisseling van informatie en eerlijke belastingconcurrentie. De Commissie wil dit proces ten uitvoer brengen door de synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid te versterken, teneinde de problemen aan te wijzen waar ontwikkelingslanden mee te maken hebben bij de inzet van ontvangsten door middel van belastingheffing. Anderzijds zijn er echter nog verschillende problemen die de Commissie negeert maar waarop wel snel gereageerd dient te worden. Wij achten een efficiënte bestrijding van belastingparadijzen noodzakelijk om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken zonder verdere acties op enigerlei wijze in de weg te staan, vooral door aandacht aan belastingverdragen te schenken. Om dit te realiseren is het wenselijk dat de meeste internationale organisaties een specifiek mandaat wordt verleend om belastingparadijzen te bestrijden. Ten slotte is het noodzakelijk de belastingbasis te verbreden via aanpassing van de belastinghervorming aan de ontwikkeling van de directe belastingen om de problemen bij de belastinginning als gevolg van het regressieve btw-systeem op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Het is noodzakelijk offshorebedrijven en andere vormen van belastingontduiking te bestrijden. De hedge funds hebben van een meerderheid van dit Parlement vrijwel volledige bewegingsvrijheid gekregen. Wat is in zo’n geval de betekenis van deze louter verklarende beperkingen in deze tekst? De economische partnerschapsovereenkomsten die met behulp van walgelijke onderdrukkingstechnieken tot stand zijn gekomen, zijn verwoestend voor de ACS-landen die niet de mogelijkheid krijgen zich op lange termijn te herstellen. Daarover wordt in dit verslag met geen woord gesproken. Het is nog erger; de tekst beveelt aan elke vorm van nationalisatie of renationalisering te voorkomen. Ik stem tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) Het is een feit dat slecht bestuur in belastingaangelegenheden nadelig is voor een goede economische prestatie van de lidstaten. De Commissie erkent thans dat er een verband bestaat tussen de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en goed bestuur in belastingaangelegenheden. Daarom is het noodzakelijk dat belastingontduiking wordt bestreden en dat concrete stappen worden gezet om dergelijke maatregelen te harmoniseren in de gehele Europese Unie, aangezien bekend is dat het ene land al doeltreffender is dan het andere bij de bestrijding van fraude en belastingontduiking.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) We moeten ontwikkelingslanden helpen hun beleid uit te werken en mechanismen in te stellen om belastingontduiking te voorkomen; dit vereist meer transparantie. We moeten ook onze ervaring op het gebied van economisch bestuur overdragen op individuele landen om hen te helpen hun eigen belastingstelsels op te zetten. Het terugdringen van de corruptie in ontwikkelingslanden en het verhogen van hun inkomsten zal leiden tot stabiliteit en evenwicht. Dat zal de spanning wegnemen en de hoeveelheid financiële steun van de EU aan ontwikkelingslanden minimaliseren. Dit is een belangrijk verslag dat op het juiste moment komt en daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Ik ben van mening dat het van het grootste belang is dat we een efficiënt belastingstelsel voor de ontwikkelingslanden uitwerken. In dit verslag staan hierover allerlei heel bruikbare ideeën. De EU wil deze landen ondersteunen bij het toepassen van de nieuwe belastingstelsels, en daarbij moeten we er met name op letten dat de economische partnerschapsovereenkomsten tussen de EU en de ontwikkelingslanden dit streefdoel bevestigen, en niet doorkruisen. Ook het investeringsbeleid van de EU moet leiden tot een gunstig economisch klimaat voor investeerders uit binnen- en buitenland. Al deze maatregelen moeten ertoe leiden dat de leefomstandigheden van de hele bevolking aanzienlijk beter worden, die op dit moment helemaal niet profiteert van de inkomsten uit de verkoop van grondstoffen, en daarom vaak gedwongen is om te emigreren. Dit verslag gaat op veel aspecten heel uitvoerig in, en daarom heb ik er voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Franz Obermayr (NI), schriftelijk. (DE) We moeten concrete maatregelen nemen om sterker de nadruk te leggen op een verantwoord belastingbeleid, bijvoorbeeld door de transparantie, de uitwisseling van informatie en een eerlijke belastingconcurrentie te bevorderen. We moeten beter profiteren van de synergieën tussen het belastingbeleid en het ontwikkelingsbeleid. In dit verslag proberen we dat, en daarom heb ik er voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. (LT) Gezien het feit dat ontwikkelingslanden aanzienlijke inkomsten uit handelsheffingen hebben verloren, is het zeer belangrijk om effectieve samenwerking in op het gebied van zowel belastingen als ontwikkeling te waarborgen. Voor elk land is het belangrijk om een efficiënt en effectief belastingstelsel in te voeren, evenals een beleid om dit stelsel door te voeren, aangezien het de ruggengraat van hun overheidsfinanciën vormt en een manier biedt om investeringen aan te trekken. Daarom moeten we ontwikkelingslanden op dit gebied enkele discretionaire bevoegdheden bieden. Samenwerking moet worden gebaseerd op wederzijdse bijstand, zonder dat dit voor een van beide partijen leidt tot extra obstakels of last. Ik ben het met het voorstel eens dat we de kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de mobilisering van de financiële middelen van ontwikkelingslanden moeten helpen waarborgen. De hulp die aan ontwikkelingslanden wordt toegekend, moet gericht en effectief zijn, en mag alleen worden geboden als deze van wezenlijk belang is. Bovendien moeten landen zelf niet het recht krijgen om de bepalen of dit vereist is.

Ik denk niet dat het raadzaam is om de EU met nog een extra last op te zadelen door ontwikkelingslanden te compenseren voor het teruglopen van douane-inkomsten. Naar mijn mening moeten we een belasting op financiële transacties invoeren, waardoor speculatie zou worden beperkt en de markt effectiever zou functioneren. Bovendien moeten we ons tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat deze belasting niet alleen in de EU, maar ook wereldwijd wordt toegepast.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk.(IT) Beste collega’s, ik heb gestemd voor het verslag van collega Joly over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingzaken, omdat het mijns inziens in overeenstemming met de Europa 2020-strategie van essentieel belang is dat een wereldwijde governance gerealiseerd wordt om een internationale dialoog en samenwerking op belastinggebied te ondersteunen. Ik ben het eens met het verslag waarin wordt gesteld dat de synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid versterkt moeten worden door middel van uitwisseling van gegevens op fiscaal gebied en multilaterale mechanismen naar het voorbeeld van de EU-richtlijn inzake belastingheffing op inkomsten uit spaargelden teneinde belastingfraude en -ontwijking te bestrijden. Door samenwerking met ontwikkelingslanden op fiscaal gebied kan voorkomen worden dat deze landen belastingparadijzen voor multinationals worden en er een concurrentiedistorsie ontstaat die een negatieve invloed op de ontwikkeling van economische processen heeft gezien de wereldwijde onderlinge verbondenheid van het economisch systeem.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor het verslag over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden gestemd, omdat ik met de rapporteur van oordeel ben dat dit initiatief belangrijk is voor de ontwikkeling van een doelmatig belastingstelsel in de ontwikkelingslanden. Immers, het belastingstelsel moet de ruggengraat worden van de overheidsfinanciën van deze landen. Het nieuwe investeringsbeleid van de Europese Unie in de ontwikkelingslanden moet bijdragen tot een klimaat dat gunstiger is voor particuliere investeringen uit binnen- en buitenland en het moet de voorwaarden helpen scheppen voor doelmatiger internationale hulp. Teneinde de groei aan te wakkeren moet het investeringsbeleid van de Europese Unie gericht zijn op de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, onder meer door de verstrekking van microkredieten, doelmatigheid van overheidsdiensten, privaatpublieke samenwerkingsverbanden en overdracht van kennis. Het werkdocument over “Belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden” dat de Europese Commissie in april 2009 heeft gepubliceerd, bevat aanwijzingen en methoden die ten doel hebben synergieën tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid te verbeteren om ze doeltreffender te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Miguel Portas (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het benadrukt dat de bestrijding van loonverschillen tussen mannen en vrouwen een prioriteit is en pleit voor toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen. Bovendien roept het de Commissie, de Raad en de lidstaten op om op het gebied van gendergelijkheid de voorkeur te geven aan bindende voorstellen boven niet-bindende strategieën en bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen vrouwen: gehandicapte vrouwen, oudere vrouwen, vrouwelijke migranten, lesbische, biseksuele en transseksuele vrouwen, vrouwen die behoren tot een etnische minderheid, vrouwen met weinig of geen opleiding, met personen ten laste en alleenstaande moeders. Het verslag erkent ook dat vrouwen zeggenschap moeten hebben over hun seksuele en reproductieve rechten, met name door gemakkelijke toegang tot contraceptie en abortus. Tevens veroordeelt het alle geweld tegen vrouwen. Helaas is dit verslag op 8 maart 2011 noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Het Parlement heeft vandaag het belang benadrukt van het aanpakken van het verlies aan belastinginkomsten in ontwikkelingslanden, in het bijzonder door harder op te treden tegen belastingparadijzen. Om hiervoor geloofwaardig te zijn, moet de EU uiteraard eerst haar eigen belastingparadijzen de kop indrukken en verder gaan dan het OESO-raamwerk. Het verslag roept ook op tot aanneming van een internationaal verdrag op het gebied van belastingzaken, met inbegrip van sancties voor zowel niet-coöperatieve jurisdicties als voor financiële instellingen die met belastingparadijzen werken. Leden van het EP hebben ook onderstreept dat er meer transparantie nodig is van multinationale ondernemingen over hun naleving van de belastingwetgeving in ontwikkelingslanden, in het bijzonder als het gaat om de winningsindustrieën, door verslaglegging per land te waarborgen. Belastinghulp van de EU zou de ontwikkeling van progressieve belastingstelsels in ontwikkelingslanden moeten stimuleren, in het bijzonder door een billijk deel van de winst van ondernemingen veilig te stellen. Goed fiscaal bestuur is cruciaal voor ontwikkeling en de EU moet de ontwikkelingslanden hierbij steunen, vooral tegen de achtergrond van de afname van de handelsbelastingen die het gevolg is van de wereldwijde liberalisering van de handel. Ik ben blij met de steun van de EP-leden voor dit verslag, dat hiervoor duidelijke voorstellen formuleert.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk.(IT) Ik heb voor de tekst van dit verslag gestemd omdat ik het eens ben met de zienswijze dat een grotere synergie tussen het belasting- en ontwikkelingsbeleid de ontwikkelingslanden kan helpen.

Volgens de laatste verslagen van de Commissie over belastingen en ontwikkeling kan belastingheffing, mits goed opgezet, een financieringsbron voor het ontwikkelingsbeleid vormen. Veel ontwikkelingslanden slagen er niet in om zelfs maar het minimumniveau aan belastinginkomsten te bereiken dat nodig is om fundamentele publieke diensten te financieren.

Samenwerking om het eigen belastingsysteem te versterken en bestrijding van belastingparadijzen, die tot illegale kapitaaluitstroom leiden, moeten deze processen ondersteunen en de invoering van voorschriften voor een financiële rapportage per land kunnen bevorderen ten behoeve van de strijd tegen armoede.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE), schriftelijk. − (PL) Basisvoorwaarde voor het effectief functioneren van een staat is een goed belastingbeleid. Ontwikkelingslanden die willen participeren in de wereldeconomie moeten hun belastingstelsels integreren en hervormen. In democratische landen spelen belastingen een economische, politieke en maatschappelijke rol. Zij vormen niet alleen het hoofdinkomen van de staat, maar maken ook het bereiken van de allerhoogste maatschappelijke doelstellingen mogelijk. Basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijk werk of oudedagsvoorzieningen worden ermee gefinancierd.

Belastingopbrengsten kunnen in ontwikkelingslanden op duurzame wijze de ontwikkeling financieren en het welzijn van de burgers verbeteren. Desondanks volstaan zij op dit moment vaak niet eens om de kosten te dekken van elementaire overheidsdiensten en armoedebestrijding. Belastbaar kapitaal is door de globalisering steeds mobieler en handelsbarrières verdwijnen, waardoor de belastingopbrengsten lager worden. Dit is niet alleen voor de armste landen een uitdaging. Ondanks de evidente voordelen, zorgt de toenemende liberalisering van het handelsverkeer voor een afname van de inkomsten uit douanerechten. Het is van het grootste belang om buitenlandse belastingen te vervangen door binnenlandse heffingen. Terwijl in rijke landen de inkomstenbelasting een van de belangrijkste vormen van belastingheffing is, speelt deze in ontwikkelingslanden een marginale rol. Een meerderheid van de bevolking is – informeel – werkzaam in de landbouw en heeft onregelmatige inkomsten. Effectieve heffing van inkomstenbelasting is daarom bijzonder moeilijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb mijn steun verleend aan dit verslag, dat zich richt op het belang van belasting in relatie tot de verwezenlijking van het ontwikkelingsbeleid en manieren voorstelt waarop de EU effectiever gebruik kan maken van de bestaande fondsen en instrumenten om dit te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Michèle Striffler (PPE), schriftelijk. – (FR) De aanname van het verslag over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden is zeer belangrijk als het gaat om de doelmatigheid van de ontwikkelingshulp die de landen van de Europese Unie en de Europese Commissie aan de ontwikkelingslanden verstrekken. De waarborging van de naleving van de beginselen van goed bestuur op belastinggebied (transparantie, uitwisseling van informatie en eerlijke belastingconcurrentie) en de bestrijding van belastingparadijzen die de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden afremmen, zijn absoluut noodzakelijk en deze zaken zullen dan ook een prioriteit van mijn mandaat zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Niki Tzavela (EFD), schriftelijk. – (EL) Ik heb vóór deze resolutie gestemd omdat ik van mening ben dat een hervorming en modernisering van de belastingstelsels van de ontwikkelingslanden de beste manier is om de strijd aan te binden met illegale kapitaalexport en belastingontduiking. Dit kapitaal belandt gewoonlijk in belastingparadijzen en heeft een rechtstreekse weerslag op de economie van de betrokken landen, zeer zeker in een tijd van economische crisis. Betere belastingstelsels zouden de groei van de ontwikkelingslanden positief kunnen beïnvloeden, een kader kunnen creëren voor goed economisch bestuur en transparantie en tevens meer vertrouwen onder de burgers kunnen wekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. (DE) Ik heb voor het verslag van mevrouw Joly gestemd. Een gezonde democratie is alleen maar mogelijk op basis van een goed functionerend belastingstelsel. In dit verslag eisen we dat we de ontwikkelingslanden ondersteunen bij het opbouwen van dergelijke structuren, om de eigen verantwoordelijkheid van deze landen op de lange termijn te bevorderen. Alleen met ontwikkelingshulp kunnen we de millenniumdoelstellingen namelijk niet bereiken. In het verslag gaan we ook kort in op het probleem van de zogenaamde ‘aasgierfondsen’, die volgens mij volledig zouden moeten worden verboden, want de ontwikkelingshulp die de ene staat aan de andere geeft mag geen speelbal zijn voor mondiale financiële actoren.

 
  
  

Verslag: Georgios Papastamkos (A7-0030/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik onderschrijf dit verslag en onderstreep met name het belang van de aanbevelingen uit het verslag-Papastamkos, waarin wordt gesteld dat niet-handelsgerelateerde belangen beter geïntegreerd moeten worden in de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. Tevens wordt duidelijk gepleit voor consistentie tussen het landbouwbeleid en het externe handelsbeleid van de Europese Unie. In dit verband is het essentieel te waarborgen dat EU-producenten gelijke voorwaarden genieten op de wereldmarkt, waar oneerlijke mededinging in geen geval mag worden aangemoedigd. Als hierover niet wordt onderhandeld, zullen de Europese landbouwers blijven kampen met oneerlijke concurrentie en zullen zij verlies lijden en gediscrimineerd worden in vergelijking met hun concurrenten van buiten de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Elena Oana Antonescu (PPE), schriftelijk. – (RO) Ik steun de essentiële rol van de landbouw voor de werkgelegenheid en de instandhouding van het Europese agrovoedingsmodel, dat een strategische component van de Europese economie is. Gegeven het feit dat de Europese Unie ’s werelds grootste importeur van landbouwproducten is, moeten de productiemethoden die worden gebruikt in derde landen die naar de EU exporteren de Europese consument dezelfde garanties op het gebied van gezondheid, voedselveiligheid, duurzame ontwikkeling en sociale minimumnormen bieden als de productiemethoden die de Europese producenten gebruiken. Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik van mening ben dat het landbouw- en voedselbeleid aan enkele basisdoelstellingen moet voldoen, zoals voedselzekerheid en -veiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Ashworth (ECR), schriftelijk. − (EN) De Britse conservatieve afvaardiging is een groot voorstander van het beginsel van vrije handel. Vrije handel zorgt voor welvaart en vrije handel levert een essentiële bijdrage aan het herstel van de Europese economieën. Wij zijn van mening dat dit verslag te veel nadruk legt op het beschermen van de landbouwmarkten van de EU tegen concurrentie van buitenaf en niet genoeg op het exporteren van productienormen. De landbouwers in de EU moeten voldoen aan strenge eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn, waarvoor ze deels worden gecompenseerd door middel van het subsidiestelsel. Producten die vanuit derde landen in de EU worden geïmporteerd, voldoen echter heel vaak niet aan diezelfde strenge normen. De grenzen van de EU sluiten voor landbouwproducten uit derde landen is niet de oplossing.

De EU moet zich actief inzetten om haar strenge normen op het gebied van dierenwelzijn en milieu te exporteren naar de rest van de wereld, in het bijzonder door meer open internationale markten, in plaats van zich te richten op defensieve, protectionistische oplossingen. Daarom heeft de Britse conservatieve afvaardiging tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Door de hele tekst heen verzoekt het Europees Parlement de Raad en de Europese Commissie uitdrukkelijk om bij internationale handelsbesprekingen meer rekening te houden met de landbouwbelangen, met name bij de onderhandelingen met Latijns-Amerika, een grote regio met veeteelt en graanproductie die nog altijd niet aan de Europese kwaliteitsnormen voldoet. Dit is voor mij een zeer belangrijke tekst waar ik dan ook voor heb gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. (LT) De landbouwsector van de EU heeft een duidelijke toegevoegde waarde voor de Europese economie en vervult een strategische rol in de inspanningen om het hoofd te bieden aan de uitdagingen op economisch, sociaal en milieugebied waarmee de EU wordt geconfronteerd. Daarom mogen het externe handelsbeleid en overeenkomsten met buitenlandse importeurs geen belemmering vormen voor het vermogen van de EU om een krachtige en levendige sector te handhaven. De Commissie moet een duidelijk standpunt innemen in de Wereldhandelsorganisatie en in de onderhandelingen met andere partijen specifieke effectbeoordelingen uitvoeren met betrekking tot de import van bepaalden producten op de EU-markt. We moeten staan op naleving van het principe dat de productiemethoden van derde landen voor de uitvoer naar de EU dezelfde waarborgen moeten bieden aan de Europese consumenten waar het gaat om volksgezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzame ontwikkeling en sociale minimumnormen als welke verplicht zijn voor EU-producenten. Alleen op deze manier kan ervoor worden gezorgd dat EU-producenten op voet van gelijkheid kunnen concurreren met derde landen en dat de belangen van onze boeren worden beschermd.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk.(IT) Ik heb het verslag van collega Papastamkos met mijn stem gesteund. De internationale handel speelt een beslissende rol binnen de EU, in het bijzonder met betrekking tot de situatie waarin de Europese landbouwers benadeeld worden door invoer uit derde landen en doordat het beginsel van wederkerigheid niet wordt toegepast, hetgeen buitenlandse landbouwers een ongerechtvaardigd voordeel oplevert. Niet-Europese landbouwers hoeven vaak niet te voldoen aan strenge en dure regels, met name op sanitair en fytosanitair gebied, waar hun Europese collega’s zich wel aan moeten houden om op de Europese markt actief te kunnen zijn. Ik zal ervoor blijven strijden dat in Europa een sterke samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het externe handelsbeleid van de EU blijft bestaan, waardoor voor het Europese landbouwmodel gelijke mededingingsvoorwaarden voor de producenten van de lidstaten op de wereldmarkt gewaarborgd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE), schriftelijk. (CS) Er bestaat een sterke samenhang tussen de landbouwproductie in de EU en de internationale handel. Dat blijkt mede uit het feit dat de EU de grootste importeur is van landbouwproducten en tegelijkertijd de grootste exporteur van verwerkte voedingsmiddelen. Ik ben er tegen die achtergrond van overtuigd dat zo soepel mogelijke handelsstromen bijdragen tot een grotere flexibiliteit bij de producenten en verlaging van de kosten van de goederenhandel. Dat is dan zowel positief voor de inkomsten van producenten, als voor de uitgaven van de consument. Ik kan het dan ook niet eens zijn met de constatering in de goedgekeurde resolutie dat de liberalisering van de handel het tot nu toe niet mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de dreiging van honger in de wereld. Dat is ook helemaal niet de taak van de handel en kán ook helemaal niet zijn taak zijn. Mijn complimenten aan de Commissie voor het feit dat zij in het kader van de WTO-onderhandelingen over de landbouw alsook in het kader van dergelijke onderhandelingen op bilateraal en biregionaal niveau, consequent elementen aanbiedt die een uitvloeisel vormen van de reeds langlopende hervormingen en dat ze daarbij de GLB-parameters te allen tijde als uiterste limiet aanhoudt. Wat dat betreft is de goedgekeurde resolutie helaas behoorlijk eenzijdig; de handelwijze van de Commissie in de handelspolitieke onderhandelingen tot nog toe wordt daarin in twijfel getrokken. Mogelijke verdere flexibiliteit in de aankomende onderhandelingen zie ik als een grote kans. Ten aanzien van de kritiek op een aantal maatregelen als de verlaging van de douanerechten op ingevoerde bananen of de hervorming van het suikerregime, wil ik nog meegeven dat deze in de allereerste plaats een uitvloeisel waren van de conclusies van de geschillenbeslechting in het kader van de WTO. En vervolgens waren die dan weer van invloed op de aard van de daaropvolgende maatregelen door de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik onderschrijf dat de consistentie tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het externe handelsbeleid moet worden aangescherpt om het Europese landbouwmodel in stand te houden en zodoende gelijke voorwaarden voor EU-producenten op de wereldmarkt te waarborgen. Het doeltreffend verenigen van handelsbelangen en niet-handelsgerelateerde belangen en de convergentie van de regelgeving zijn essentiële punten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Ciriaco De Mita (PPE), schriftelijk.(IT) De landbouw vormt een strategische sector voor de Europese Unie. De landbouw is niet zozeer van belang ten aanzien van werkgelegenheid en bruto binnenlands product, wat het gevolg is van de karakteristieke kenmerken van onze gebieden en onze voedingstradities; zijn belang is meer gelegen in het feit dat wij zelf in veel onmisbare ingrediënten voor onze traditionele en andere landbouwproducten kunnen voorzien. Bovendien is de landbouwsector van essentieel belang voor de instandhouding en bescherming van het milieu en voor een duurzame ontwikkeling van onze gebieden. Uiteraard moeten handelsovereenkomsten gesloten worden, maar de Europese Unie dient hierbij meer aandacht te schenken aan de bescherming van traditionele en gecertificeerde kwaliteitsproducten, opdat deze op de internationale markt behouden kunnen blijven en fraude op de buitenlandse markten met producten die pretenderen uit onze gebieden afkomstig te zijn, wordt voorkomen. Het goedgekeurde verslag lijkt in hoofdlijnen in de gewenste richting te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Marielle De Sarnez (ALDE), schriftelijk. – (FR) De Europese landbouwsector mag tijdens handelsbesprekingen met derde landen niet langer worden misbruikt. Dat is het onderwerp van dit verslag dat wij zojuist hebben aangenomen en dat wijst op een aantal beginselen en oproept om niet-handelsgerelateerde aspecten beter mee te nemen bij onderhandelingen. Er wordt terecht aan EU-veehouders gevraagd de milieu- en de sanitaire normen op het gebied van productiehygiëne na te leven, ondanks het feit dat een aantal van hun concurrenten de Europese markt betreden met producten die niet altijd aan deze normen voldoen. Onze boeren hebben inderdaad te vaak te lijden onder oneerlijke concurrentie en derhalve onder concurrentieverstoring met bepaalde derde landen. De Commissie dient rekening te houden met de waarschuwingen van het Parlement en de boeren, met name met betrekking tot de onderhandelingen met de Mercosur die de Europese veeteelt en de groenten- en fruittelers in de ultraperifere gebieden in gevaar brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Philippe de Villiers (EFD), schriftelijk. – (FR) Het verslag over de verhoudingen tussen de EU-landbouw en de internationale handel toont het catastrofale machtsverlies aan dat de Europese landbouw heeft geleden en probeert de Europese instellingen te waarschuwen die verantwoordelijk zijn voor dit verlies.

Het is momenteel moeilijk om Europa te voeden; het GLB is door toedoen van de Commissie de oorzaak geworden van de vernieling van de landbouwsector. Alle beperkingen wegen iedere dag een beetje zwaarder op de schouders van de boeren.

De macht van de Europese landbouwsector van weleer evenals zijn exportcapaciteit zijn drastisch verminderd op het moment dat Europa zich openstelde voor buitenlandse landbouwproducten, waarvan de productiemethoden niet aan de normen voldoen die de Europeanen wel aan zichzelf opleggen.

De toekomst van de landbouw staat op het spel en deze kunnen we absoluut niet meer alleen aan de Unie en haar instellingen overlaten. De lidstaten moeten in staat zijn hun boeren te helpen in het belang van ons allemaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor het verslag over de EU-landbouw en internationale handel gestemd omdat wordt onderstreept hoe belangrijk het is om in de ontwikkelingsagenda van Doha ook niet-handelsgerelateerde belangen op te nemen, zoals sociale waarden, milieuoverwegingen, de gezondheid van mens en dier en dierenwelzijn, teneinde te voldoen aan de hoogste milieu- en sociale normen en te voorkomen dat de Europese landbouwers in het kader van de wereldwijde landbouwproductie aan concurrentiekracht inboeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) Landbouw heeft sociale functies die de grenzen van de voedselproductie overschrijden, waaronder vestiging van de bevolking en ordening van het grondgebied, milieubescherming en instandhouding van culturele tradities. Ik ben van oordeel dat deze functies de volledige bescherming en steun van de lidstaten en de Europese instellingen verdienen. Ondanks het feit dat ik in principe voorstander ben van een grotere openheid van de markten ben ik van mening dat de eis van wederkerigheid in de landbouwsector bijzonder strikt moet worden nageleefd en dat de voedselvoorziening van de Europese consumenten gewaarborgd dient te zijn. De Europese Unie mag niet vergeten dat zij het evenwicht tussen de conflicterende waarden in stand moet houden en met name tijdens de huidige economische en financiële crisis rekening moet houden met de gevolgen van de handelsovereenkomsten die zij ondertekent voor het voortbestaan van de Europese boeren en hun bedrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) De landbouw is een van de sectoren die het ergst getroffen is door het vrij verkeer van personen en goederen. Ondanks de voortdurende aanpassingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – dat wordt beschouwd als een symbool van de Europese integratie – blijft de situatie in de sector bijzonder hachelijk, aangezien hij moet voldoen aan strenge normen op het gebied van milieubescherming en productveiligheid en sterk te lijden heeft van de huidige financiële crisis. Het gaat om een sector die overlapt met andere terreinen zoals handel, milieu, industrie, vervoer, enzovoort. Dat maakt het des te moeilijker om te voorzien in een regelgevingskader waarin alle deelnemers zich kunnen vinden. Ofschoon reeds vooruitgang is geboekt, bijvoorbeeld met de SPS-overeenkomst (sanitaire en fytosanitaire maatregelen) en de TBT-overeenkomst (technische handelsbelemmeringen ), is er nog veel werk aan de winkel.

Ik steun dit verslag omdat wordt erkend dat de agrifoodsector in de Europese Unie een essentiële rol speelt. Het gaat om een bijzonder gevoelige sector die een agressieve concurrentie niet zal kunnen weerstaan. Het is noodzakelijk om hiermee rekening te houden bij de ondertekening van nieuwe overeenkomsten. Ik hoop echter dat het nieuwe economische kader voor het GLB de coördinatie tussen de productiviteit en de internationale markt zal bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Dit verslag staat bol van de contradicties. Het wijst op de negatieve gevolgen van de liberalisering van de handel, maar het tekent geen protest aan tegen het verloop van de beleidsmaatregelen die aan de voornaamste landbouwproblemen van de EU-landen – en de ontwikkelingslanden – ten grondslag liggen. Het draagt geen suggesties aan om de huidige koers te wijzigen. Het uit terecht kritiek op de benadering van de Commissie, die de landbouwbelangen opoffert aan de belangen van de industrie en de dienstensector en concessies doet op landbouwgebied in ruil voor een betere markttoegang – op andere terreinen – in derde landen. Het bevat voorbeelden van rampzalige gevolgen van dit beleid, met de suikermarkt op kop. Het erkent dat een verdergaande liberalisering van de wereldhandel in landbouwproducten, gestimuleerd door de WTO-overeenkomsten, het tot nu toe niet mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de dreiging van honger in de wereld. Toch spreekt het verslag geen veroordeling uit en tekent het geen verzet aan tegen de toenemende liberalisering en deregulering van de wereldhandel die door de Europese Unie in de hand wordt gewerkt, in het kader van zowel de Wereldhandelsorganisatie als de ontelbare bilaterale overeenkomsten.

Integendeel, het verdedigt deze aanpak. Wij oefenen al lange tijd kritiek uit op het falen van de neoliberale beleidsmaatregelen. Het verslag doet dat ook, maar dan op bijzonder omfloerste en bij momenten dubbelzinnige wijze, op een manier die dit desastreuze beleid alleen maar kracht bijzet. Wij vinden dat onaanvaardbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het is meermaals gebleken dat de liberalisering van de wereldhandel rampzalige gevolgen heeft voor de landbouwsector. Dit verslag vestigt de aandacht op een aantal gevallen en verdoezelt niet dat de landbouw is gebruikt als pasmunt om tijdens de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie andere belangen te behartigen, namelijk die van de grote groepen uit de dienstensector en de internationale handel en bepaalde speerpuntindustrieën.

Daarom pleiten wij voor andere oplossingen, aangezien het verslag niet coherent is.

Wij willen dat de internationale handel geënt is op complementariteit veeleer dan op concurrentie, met inachtneming van landen, producenten en producten. Wij willen een landbouw die de voedselsoevereiniteit en de voedselvoorziening van elk land waarborgt en een eind maakt aan de gevaarlijke anarchie van een productie die bestemd is voor een geliberaliseerde markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Lorenzo Fontana (EFD), schriftelijk. – (IT) Ik wil collega Papastamkos feliciteren met het verslag en de uitstekende samenwerking die ik graag steun. Ik wil het grote belang van de internationale handel binnen de EU benadrukken en bij allen onder de aandacht brengen dat de Europese landbouwers door de invoer van producten uit derde landen benadeeld worden. Het beginsel van wederkerigheid wordt namelijk niet toegepast en het komt vaak voor dat ingevoerde landbouwproducten niet aan de regels voldoen waar Europese landbouwers zich wel aan moeten houden, met name op sanitair en fytosanitair gebied. Deze problematiek heeft niet alleen gevolgen voor de gezondheid van producten maar ook voor de kwaliteit ervan. Daarom moet er een samenhang zijn tussen het GLB en het externe handelsbeleid van de EU, die een garantie moet bieden voor het behoud van het Europees landbouwmodel en voor gelijke mededingingsvoorwaarden voor de producenten van de EU op de wereldmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Pat the Cope Gallagher (ALDE), schriftelijk. – (GA) Ik steun de belangrijkste aanbevelingen in dit verslag. Een zeer belangrijk punt in het verslag is dat de Europese Commissie vaak concessies op handelsgebied doet om een betere markttoegang te verkrijgen in derde landen voor industrieproducten en diensten.

Daarnaast wordt in het verslag verklaard dat de normen op het gebied van volksgezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzame ontwikkeling en sociale minimumnormen die gelden voor EU-producenten, ook moeten worden toegepast op de productiemethoden die worden toegepast voor goederen die uit derde landen worden ingevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE), schriftelijk. – (FR) Natuurlijk heb ik voor deze resolutie gestemd, want met mijn stem (met name voor bepaalde amendementen) wilde ik het belang onderstrepen dat ik aan een aantal beginselen hecht. Ik wilde namelijk benadrukken dat het bij de talloze handelsbesprekingen die momenteel met de verschillende EU-partners worden gevoerd, van groot belang is dat er evenwichtige overeenkomsten worden gesloten op basis van het beginsel van wederkerigheid. In die zin moeten ingevoerde producten uit derde landen voldoen aan sanitaire en sociale normen, alsmede normen op het gebied van consumenten- en milieubescherming en dierenwelzijn die vergelijkbaar zijn met die in de EU. Bovendien worden er nog te vaak concessies gedaan op het gebied van landbouw om te zorgen voor een betere markttoegang voor industrieproducten en diensten in derde landen. Deze gang van zaken is niet langer aanvaardbaar en ik vond het dan ook belangrijk om met mijn stem nogmaals te bevestigen dat de Europese landbouw niet als een instrument mag worden gebruikt ten dienste van het handelsbeleid van de EU. Tot slot hecht ik zeer veel belang aan het punt betreffende de verdediging van de EU-regeling inzake het toestaan en op de markt brengen van genetische gemanipuleerde organismen (ggo’s). Nu de WTO deze regeling steeds vaker probeert aan te vallen, is het des te belangrijker dat de Europese Commissie haar krachtig verdedigt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mathieu Grosch (PPE), schriftelijk. (DE) Het lijdt geen twijfel dat er een relatie bestaat tussen het internationale handelsbeleid, het ontwikkelingsbeleid en het landbouwbeleid. De Europese landbouw heeft steeds meer moeite om zijn producten af te zetten op de wereldmarkt, omdat de prijzen daar lager zijn, net als de productiekosten. Dit is een trend op de lange termijn, en dat blijft een handicap zolang we geen programma’s vastleggen om de landbouw te ondersteunen. Daarom sta ik achter dit initiatiefverslag, dat onder andere compensatie voor de landbouwers voorziet wanneer het verder openstellen van de interne markt voor ingevoerde producten voor hen tot financiële nadelen zou leiden.

De overeenkomsten die de EU heeft gesloten met derde landen zijn op zich geen probleem, maar bij elkaar opgeteld wordt het daardoor moeilijk om de strenge normen in de EU te handhaven. Daarom eisen we in dit initiatiefverslag onder andere dat er een grotere coherentie komt tussen het GLB en het externe handelsbeleid van de EU. In dat verband ben ik van mening dat we de Commissie moeten verzoeken om voor de handelsovereenkomsten een effectbeoordeling uit te voeren, en de resultaten voor het begin van de onderhandelingen te publiceren.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit document gestemd omdat, nu de EU zich buigt over de toekomst van haar gemeenschappelijk landbouwbeleid, consistentie tussen het landbouwbeleid en het beleid op het gebied van de buitenlandse handel van groot belang is. Coherentie tussen het GLB en het externe handelsbeleid van de EU waarborgt het behoud van het Europese landbouwmodel, en zorgt voor gelijke voorwaarden voor EU-producenten op de wereldmarkt. Continuïteit van de voedselvoorziening en veiligheid en kwaliteit van levensmiddelen tegen een betaalbare prijs voor EU-burgers zouden voor ons het belangrijkst moeten zijn. Er is een wereldwijde toename van de vraag naar voedsel tegen de achtergrond van hogere productiekosten, grote volatiliteit op de landbouwmarkten, minder land, minder water en afnemende energiebronnen. Een sterk GLB is tevens van fundamenteel belang voor het behoud, de ecologische duurzaamheid en de economische ontwikkeling van de plattelandsgebieden in de EU, die te maken hebben met braaklegging van landbouwgrond en ontvolking van het platteland. De Europese landbouwsector heeft een duidelijke toegevoegde waarde en speelt een belangrijke rol in de EU 2020-strategie, die tot doel heeft de sociaaleconomische en ecologische uitdagingen aan te gaan waarmee de EU zowel intern als in haar rol als belangrijke mondiale speler geconfronteerd wordt. Het EU-handelsbeleid zal een doorslaggevende rol spelen bij de vraag of de landbouw volledig en op positieve zal blijven bijdragen tot deze doelstellingen. Het handelsbeleid mag de dynamiek van de EU-landbouwsector niet ondermijnen. In tegendeel, het handelsbeleid en het landbouwbeleid kunnen en moeten elkaar juist ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Jahr (PPE), schriftelijk. (DE) De mondiale landbouw en met name het Europees landbouwbeleid zijn van groot belang voor het voedselbeleid en het ontwikkelingsbeleid. Daarom is het belangrijk dat we de internationale handel in landbouwproducten bevorderen. Dat mag echter niet ten koste van het Europees landbouwbeleid gaan, het moet in nauwe coördinatie met dat beleid plaatsvinden. In dat verband is het van het grootste belang dat de strenge Europese normen ook gelden voor ingevoerde producten.

Wanneer we die eis niet stellen, zou dat de strenge normen voor de kwaliteit en de zekerheid in de Europese landbouw in gevaar brengen, en dat zou nadelige gevolgen hebben voor de Europese producenten en consumenten. We willen een vrije handel in goederen, en zijn daar ook op aangewezen, maar dat kunnen we nooit bereiken wanneer er geen faire voorwaarden voor de mededinging gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sandra Kalniete (PPE) , schriftelijk. – (LV) Europese boeren spelen een belangrijke rol in de voedselvoorziening voor meer dan 500 miljoen mensen in Europa en voor de zekerheid van de voedselvoorziening wereldwijd. Helaas is de houding ten opzichte van boeren niet altijd eerlijk geweest. Ik geef mijn volmondige steun aan eerlijke handelsovereenkomsten met andere landen of groepen landen, maar wanneer we dergelijke overeenkomsten sluiten, moeten we voorkomen dat we een ongunstige concurrentiepositie voor onze boeren creëren. De feitelijke verliezers van deze oneerlijke concurrentie zijn de burgers van de Europese Unie, voor wie we dagelijkse toegang tot hoogwaardig voedsel van hoge kwaliteit tegen redelijke prijzen moeten garanderen. Dit zien we maar al te vaak als geheel vanzelfsprekend, terwijl we er niet aan denken dat het onze boeren zijn die deze zekerheid bieden en deze boeren vaak een aanzienlijk lager inkomen hebben dan het gemiddelde inkomen in hun land. We hoeven ook niets bovennatuurlijks te doen. We moeten eenvoudigweg voorschrijven dat agrarische producten die in de Europese Unie worden ingevoerd aan dezelfde milieu-, sociale, dierenwelzijns- en veiligheidsnormen voldoen die Europese boeren verplicht zijn na te leven. Dat zou eerlijk zijn en zou zorgen voor dezelfde concurrentievoorwaarden voor boeren die hun producten in de Europese Unie willen verkopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Köstinger (PPE), schriftelijk. (DE) Het Europees Parlement verzoekt de Europese Commissie in dit verslag om de belangen van de Europese landbouw en van de consumenten met meer nadruk te vertegenwoordigen tijdens onderhandelingen over internationale handelsovereenkomsten. In de EU hebben we de hoogste kwaliteitsnormen en de strengste sociale normen voor landbouwproducten, en onze burgers eten de beste levensmiddelen. Die normen die gelden voor de Europese landbouw mogen we niet zomaar opzij schuiven door allerlei economische overeenkomsten te sluiten. Ik ben absoluut van mening dat we de invoer van landbouwproducten alleen maar mogen opvoeren wanneer gegarandeerd is dat de concurrentiepositie van de Europese landbouw daardoor niet wordt aangetast. Ook bij de onderhandelingen tijdens de Doha-ronde mogen we op het gebied van de landbouw niet nog meer concessies doen. Ik sta volledig achter deze duidelijke eisen in dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. − (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, met de stemming van vandaag geven we een sterk signaal af naar de Commissie: de Europese Unie kan niet door blijven gaan met het doen van concessies om toegang te krijgen tot markten van derde landen ten kosten van de landbouwsector! Nu de Europese Unie zich buigt over het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid, is het vinden van een mechanisme waarmee de consistentie tussen het GLB en het externe handelsbeleid kan worden gewaarborgd, van groot belang. De Europese landbouwsector garandeert namelijk veel gemeenschappelijke voordelen, zoals onder andere voedselveiligheid en voedselkwaliteit.

Derhalve gaat de bescherming van de belangen van de EU-landbouwers vóór alles en ben ik in dat opzicht blij dat er in het document enkele paragrafen zijn ingevoegd die de wederkerigheid garanderen voor de EU-producenten door middel van het verzoek om voor de exporteurs van vlees naar Europa dezelfde eisen toe te passen als voor de EU-producenten, om zo de veiligheid van de consument en een eerlijke handelsconcurrentie te garanderen. Op dit punt van de onderhandelingen over de overeenkomsten met Mercosur en Marokko, denk ik dat het essentieel is om de Commissie duidelijk te laten weten dat wij ons zorgen maken en dat de belangen van de Europese en Italiaanse landbouwers beschermd moeten worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Constance Le Grip (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag van de heer Papastamkos over de EU-landbouw en de internationale handel gestemd. Ik wil daarmee vooral aangeven dat ik me aansluit bij de stelling van het Parlement dat de handelsstrategie van de Europese Commissie een aantal gevaren inhoudt voor de landbouw in de Europese Unie.

Er worden op dit moment tussen de Unie en een aantal van haar Partners (Mercosur, Canada, de Oekraïne, enzovoorts) onderhandelingen gevoerd over vrijhandelsovereenkomsten. Het is onze taak de Europese Commissie eraan te herinneren dat vrijhandelsovereenkomsten – en we moeten hier niet naïef, maar realistisch zijn – niet alleen het beginsel van vrijhandel, maar ook dat van wederkerigheid moeten respecteren, of het nu gaat om sociale normen, gezondheidsvoorschriften of regels ter bescherming van de consumenten, dieren of het milieu. Van belang is ook dat zulke overeenkomsten bepaalde Europese sectoren niet schaden. En dan denk ik in de eerste plaats aan de landbouw, die bij onderhandelingen maar al te vaak wordt ‘opgeofferd’ ten gunste van industriële producten of diensten.

De Europese Unie moet daar rekening mee houden en consistentie betrachten tussen haar landbouwbeleid (dat momenteel herzien wordt) en haar handelsbeleid, om te verzekeren dat we een sterke landbouwsector behouden, en daarmee in een context van grote schommelingen op de markten een veilige voedselvoorziening voor onze burgers kunnen garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit verslag van de heer Papastamkos gestemd, omdat het een heel realistisch beeld schetst van de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en derde landen als het gaat om de landbouwsector.

Ons handelstekort met de Mercosurlanden in deze sector is alarmerend. De kloof tussen onze uitvoer naar, en onze invoer uit deze vijf landen is in minder dan één decennium verdubbeld. De omvang van onze invoer bedraagt nu 19 miljard euro, terwijl die van onze uitvoer maar 1 miljard euro bedraagt.

Het komt maar al te vaak voor dat de Europese Commissie onaanvaardbare concessies doet met betrekking tot landbouwproducten en zo het voortbestaan van Europese landbouwbedrijven in gevaar brengt, steeds met het argument dat we de markten van derde landen toegankelijker moeten maken voor onze industriële producten en diensten.

Onze landbouwsector mag niet worden opgeofferd in naam van het EU-beleid voor de buitenlandse handel. Het is tenslotte de landbouwsector die een veilige voedselvoorziening aan de burgers garandeert, zeker op momenten met sterke marktschommelingen. Om verstoring van de mededinging te voorkomen moeten de Mercosurlanden dezelfde normen op het gebied van gezondheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn en duurzame ontwikkeling toepassen als die welke opgelegd worden aan onze landbouwers (die daarbij óók nog eens te maken hebben met zwaardere sociale lasten).

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb tegen dit verslag gestemd, dat een zeer protectionistische boodschap afgeeft met betrekking tot de houding van het Parlement ten aanzien van handel. Letterlijk genomen zou dit verslag het voor de EU onmogelijk maken om vrijhandelsovereenkomsten met enige inhoud af te sluiten of zelfs maar de ontwikkelingsronde van Doha af te ronden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marisa Matias (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het verslag onderstreept dat de Europese Unie de plicht heeft de mondiale voedselvoorziening te helpen garanderen. Dat is lovenswaardig. Desalniettemin, en ondanks het feit dat in het verslag een aantal rampzalige gevolgen van de liberalisering van de markt voor de landbouw worden genoemd, liggen de voorgestelde oplossingen opnieuw in de lijn van de versterking van de vrijhandel en de opoffering van het landbouwbeleid aan de belangen van de Wereldhandelsorganisatie. Het verslag bevat een uitdrukkelijke dreiging aan het adres van Argentinië, dat in strijd met zijn WTO-verplichtingen de invoer van levensmiddelen beperkt die concurreren met binnenlandse producten. Tegelijkertijd wordt echter aangedrongen op meer beperkingen voor de invoer in de Europese Unie en wordt verzocht om de landbouwbelangen van de Europese Unie actief te promoten. Bovendien bevat het verslag geen nauwkeurige informatie met betrekking tot Brazilië. Daarom, en gelet op het feit dat voorrang wordt gegeven aan liberalisering en concurrentie op de landbouwmarkt, heb ik tegengestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag-Papastamkos gestemd, omdat het een sterke boodschap uitdraagt met betrekking tot het gewicht dat de Europese landbouw in internationale onderhandelingen dient te vertegenwoordigen. Bij onderhandelingen over internationale overeenkomsten wordt de landbouwsector vaak schade toegebracht, en dat op een moment waarop Europa zijn landbouwproductie moet opvoeren om de voedselvoorziening veilig te stellen. We willen daarom dat de Europese Commissie, alvorens onderhandelingen te beginnen, uitgebreide impactbeoordelingen van handelsovereenkomsten uitvoert, zodat we al in een vroeg stadium een idee kunnen krijgen van de gevolgen van zulke overeenkomsten voor de Europese landbouw. Verder moeten we erop aandringen dat producten die naar Europa worden ingevoerd voldoen aan de in de EU geldende eisen met betrekking gezondheid, milieu en dierenwelzijn. Om te verzekeren dat de Europese wetgeving op dit gebied wordt nageleefd dienen er door de lidstaten bij de grenzen controles te worden uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Iosif Matula (PPE), schriftelijk. – (RO) In het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU moeten we rekening houden met de balans tussen interne productie en importen. We zullen onze inspanningen moet richten op een grotere harmonie tussen marktliberalisatie en bescherming van de interne economische sector. Voedselzekerheid in de lidstaten wordt bereikt door een stabiele landbouwsector in stand te houden, die, tegen een achtergrond van toegenomen marktvolatiliteit, niet in gevaar mag worden gebracht door het externe handelsbeleid. Kleine boeren leveren een belangrijke bijdrage tot de voedselzekerheid van de regio’s waar ze actief zijn. Naar mijn mening moeten handelsovereenkomsten met derde landen over de invoer van landbouwproducten compensatie voor boeren in geval van eventuele verliezen omvatten. Tegelijkertijd steun ik een landbouwbeleid dat voor een zo groot mogelijke toegang van EU-landbouwproducten tot de markten van derde landen zorgt. Het doel van het bevorderen van producten met een regionaal EU-label is om ze buiten de EU bekendheid te geven, waardoor de consumptie ervan zal stijgen. Volgens recente studies groeit de wereldbevolking veel sneller dan de mondiale graanproductie. De EU heeft veel regio’s die over de vereiste capaciteit beschikken om hun graanproductiepotentieel efficiënter te benutten en een doelmatige bijdrage te leveren aan het verkleinen van deze verschillen te leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Dit verslag heeft wel wat goede kanten: het heeft oog voor de positie van de burgers in overzeese gebiedsdelen en het pleit voor voedselveiligheid. Ik realiseer mij dat. Het verslag pleit er echter om ook voor “de landbouwbelangen van de EU actief te promoten” en dringt aan op vrijhandelszones en handelsovereenkomsten tussen de EU en Chiquita en Dole. Erger nog: het dreigt Argentinië met sancties omdat dit land beslissingen heeft genomen die ik mijn eigen land zou aanbevelen. Ik stem dus tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) Landbouwproducten vormen een essentieel onderdeel van de wereldhandel en moeten dan ook als zodanig worden behandeld. Gelet hierop lijdt het geen twijfel dat de voortdurende stijging van de voedselprijzen ten gevolge van de toename van de grondstofprijzen de Europese Unie steeds meer zorgen baart. Anderzijds dient de landbouwsector ook te voorzien in de voedselbehoeften van een groeiend aantal mensen, ondanks het feit dat hij wordt geconfronteerd met steeds schaarsere natuurlijke rijkdommen en dure productiefactoren, en ook met milieuoverwegingen en regels voor de instandhouding van de natuurlijke rijkdommen, met name in de ontwikkelingslanden, wat concurrentieverstoring in de hand kan werken. Met het oog op de behoeften die in de toekomst zullen ontstaan, is het duidelijk dat de landbouw een strategische of zelfs cruciale sector zal worden voor de economische ontwikkeling van de Europese Unie en van de wereld in zijn geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Alajos Mészáros (PPE), schriftelijk. – (HU) Aangezien landbouw niet uitsluitend een economische activiteit is en het landbouw- en voedselbeleid fundamentele doelstellingen moet dienen als voedselvoorziening en voedselzekerheid, is de belangrijkste uitdaging de effectieve coördinatie van commerciële en niet-commerciële overwegingen. De EU is de belangrijkste importeur van agrarische producten uit ontwikkelingslanden, en importeert meer dan de VS, Japan, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland samen. Als we deze landen een steeds grotere markttoegang bieden, kan dit niet alleen een schadelijk effect hebben voor Europese landbouwproducenten, maar ook voor de meest noodlijdende ontwikkelingslanden. Juist om die reden moet de EU bij handelsbesprekingen een evenwichtigere benadering toepassen bij de diverse sectoren, en zowel haar defensieve als offensieve agrarische belangen naar voren brengen. De landbouwsector van de EU vervult een vooraanstaande rol in de Europa 2020-strategie wat betreft diverse sociaaleconomische uitdagingen. Het handelsbeleid van de EU speelt een belangrijke en beslissende rol in het feit dat de landbouw ook in de toekomst positief kan bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen. Ik ben het ermee eens dat het handelsbeleid de dynamiek van de Europese landbouwsector niet mag ondermijnen, en daarom heb ik dit verslag gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Willy Meyer (GUE/NGL), schriftelijk. – (ES) Ik heb niet gestemd voor dit verslag over landbouw en internationale handel omdat het draait om het essentiële element van het handelsbeleid van de Europese Unie: de vrijhandelsovereenkomsten.

Het is waar dat het een aantal positieve punten bevat, zoals de uitzonderingspositie die wordt verleend aan de ultraperifere regio’s, die een speciale behandeling verdienen om hun soevereiniteit op voedselgebied veilig te kunnen stellen. Desondanks ondersteunt dit verslag de actieve bevordering van landbouwbelangen van de Europese Unie zonder rekening te houden met de ongelijke verhoudingen met haar handelspartners, en zet het in op de vrijhandelszones zonder acht te slaan op de negatieve impact voor de bevolking. Bovendien wordt Argentinië in het verslag expliciet met sancties bedreigd omdat het protectionistische maatregelen genomen heeft. Om al deze redenen heb ik mij van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Het is een feit dat de levensmiddelenprijzen de laatste tijd voortdurend stijgen, en er wordt gezegd dat de grilligheid van het weer, de stijgende brandstofprijzen en de speculatie met landbouwproducten ertoe zullen leiden dat de prijs van bepaalde landbouwproducten zullen exploderen. De winkelprijzen staan echter in geen reële verhouding tot wat de kleine landbouwers krijgen voor hun harde werk. Een Europese producent kan trouwens sowieso moeilijk op tegen de prijzen op de wereldmarkt, omdat onze normen op het gebied van bescherming van dier en milieu en onze sociale en kwaliteitsnormen zo streng zijn, en we kunnen of willen niet controleren of bij de productie van ingevoerde levensmiddelen ook de hand is gehouden aan die normen. We willen verhinderen dat het platteland leegloopt en de boeren hun bedrijf opgeven; dit heeft de autarkie van de lidstaten van de EU al ernstig aangetast. Daarom is het de hoogste tijd dat we de landbouwsubsidies eindelijk niet meer aan de landbouwconcerns geven, maar aan degenen die dat geld werkelijk nodig hebben om te overleven, en dat zijn de kleine landbouwers.

Wanneer dat niet mogelijk is, vanwege het centralisme in de EU, dan moeten we het landbouwbeleid gewoon renationaliseren. In het verslag kiezen we niet duidelijk partij voor de kleine en middelgrote landbouwers, die voor hun geploeter vaak niet meer dan een paar zakcenten krijgen. Daarom heb ik me van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Vital Moreira (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik heb tegen de resolutie van het Europees Parlement over landbouw en internationale handel gestemd, omdat ik van oordeel ben dat het handelsbeleid van de Unie daarin volledig ondergeschikt wordt gemaakt aan het landbouwbeleid, terwijl toch bekend is dat alleen het handelsbeleid kan waarborgen dat onze industrie, onze diensten en ook onze landbouw toegang krijgen tot externe markten. Deze toegang is cruciaal voor de economische groei en het scheppen van werkgelegenheid in de Unie. Als wij in de toekomst blijven vasthouden aan de politieke koers die in deze resolutie wordt bepleit, zal het nagenoeg onmogelijk worden om handelsovereenkomsten te sluiten met landen en regio’s die over een aanzienlijke landbouwsector beschikken, zoals Brazilië of India. Het gemeenschappelijk handelsbeleid – dat in het belang is van de gehele Unie en alle lidstaten – mag niet volledig in het teken staan van de belangen van de landbouwsector, die overigens slechts betrekking heeft op een beperkt aantal lidstaten. Ik vind het tevens betreurenswaardig dat deze resolutie beschuldigingen aan het adres van Brazilië bevat die volkomen ongegrond zijn, zoals van Braziliaanse zijde trouwens reeds uitvoerig is aangetoond.

 
  
MPphoto
 
 

  Cristiana Muscardini (PPE), schriftelijk. (IT) Mijnheer de Voorzitter, er is een nauwe samenhang tussen de toekomst van het GLB en het externe handelsbeleid van de Unie. Het zijn twee realiteiten die niet los van elkaar kunnen worden gezien en waaraan de Unie bijzondere aandacht moet schenken.

We kunnen de handelsdiscussies niet scheiden van hun effect op de landbouwproductie van de lidstaten. Ik ben daarom voor een geliberaliseerde markt waarin ook rekening wordt gehouden met de eisen van de economische partners en handelspartners van de Europese Unie. Tegelijkertijd denk ik echter dat het goed is als het landbouwbeleid wordt opgenomen in de onderhandelingen over de overeenkomsten om de kwaliteit van de producten te controleren die in of uit onze markten worden geïmporteerd en geëxporteerd en om de EU-producenten en onze voedselvoorraden te beschermen.

Ik sta daarom achter het verslag-Papastamkos, alhoewel er een onbalans is ontstaan op een aantal vlakken van de handelsthematiek, vanwege de verdeling van de bevoegdheden tussen de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van dit Parlement. Zij zouden eigenlijk in synergie met elkaar moeten samenwerken om een onderhandelingsevenwicht te bereiken dat toepasbaar is op de verschillende handelsverdragen binnen de EU-landbouwsector.

 
  
MPphoto
 
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor de paragrafen 49, 53 en 54 gestemd, om de volgende redenen. Met betrekking tot paragraaf 49 is het absurd dat de onderhandelingen met Mercosur worden gevoerd op basis van een twaalf jaar oud mandaat. Met betrekking tot de paragrafen 53 en 54 wil ik u eraan herinneren dat Europese boeren moeten voldoen aan de hoogste normen op het gebied van kwaliteit, voedselveiligheid, milieubescherming en dierenwelzijn. Diezelfde normen moeten voor al onze handelspartners gelden, niet alleen ten behoeve van de Europese boeren, maar ook ten behoeve van de consumenten, die moeten worden beschermd.

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Michał Olejniczak (S&D), schriftelijk.(PL) Vandaag heeft het Europees Parlement tijdens de plenaire vergadering in Straatsburg een resolutie aangenomen over de EU-landbouw en internationale handel. In de afgelopen jaren zijn veel verschijnselen waargenomen die duiden op een verslechterende conditie van de EU-landbouw, zo is onder andere een significante daling geregistreerd van het aandeel van de EU in de wereldwijde export van landbouwproducten en neemt ook het landbouwhandelstekort toe. De talrijke concessies die de EU heeft gedaan, zijn onbeantwoord gebleven.

Gezien het bovenstaande is het noodzakelijk dat het EU-landbouwbeleid en het gemeenschappelijk handelsbeleid gezamenlijke en op elkaar afgestemde richtingen kiezen op het gebied van landbouw, handel en ontwikkeling. De aangenomen resolutie geeft een belangrijk signaal af ter verdediging van de levensmiddelensector in de EU. Het veroordeelt de te grote geneigdheid tot het sluiten van compromissen van de Europese Commissie en benadrukt dat de openstelling voor nieuwe markten geen negatieve invloed mag hebben op de boeren in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. (LT) Ik heb gestemd voor deze resolutie over EU-landbouw en internationale handel. De EU is de grootste importeur van landbouwproducten ter wereld, maar het aandeel van de EU in de wereldwijde uitvoer van landbouwproducten loopt terug als gevolg van de groei van andere belangrijke handelspartners voor landbouwproducten en de prijzen op de wereldmarkt, die laag zijn terwijl de Unie hoge productiekosten heeft. De EU is ‘s werelds grootste importeur van landbouwproducten uit ontwikkelingslanden en daarom is het noodzakelijk dat de belangen van EU-landbouwers worden beschermd en dat er een mechanisme wordt geboden om hen te compenseren voor hun verliezen. EU-landbouwers moeten worden beschermd tegen oneerlijke concurrentie en daarom moeten dezelfde normen die gelden in de landbouwsector van de EU, ook gelden voor producten die worden uitgevoerd uit derde landen. Deze voorwaarden moeten worden opgenomen in bilaterale handelsovereenkomsten. Bovendien moet er alomvattende steun zijn om in derde landen markttoegang te krijgen voor EU-producten. Ik denk dat het voorstel van de Commissie om Pakistan een tariefcontingent tegen nultarief te verlenen voor de uitvoer naar de EU van 100 000 ton ethanol per jaar voor een periode van drie jaar geen rechtstreekse en onmiddellijke steun zal bieden en nadelig zal zijn voor de hernieuwbare-energiesector van de EU. Aangezien de Oekraïense graanproductie bijzonder competitief is en Oekraïne nu al de belangrijkste begunstigde is van verlaagde tarieven, moet de Commissie voorzichtiger zijn bij het doen van concessies tijdens de onderhandelingen met Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Pallone (PPE), schriftelijk. − (IT) Het verslag over de landbouw en de internationale handel concentreert zich op de handelsovereenkomsten voor landbouwproducten tussen de EU en derde landen. De Europese Commissie, die meerdere malen kritiek heeft ontvangen ten aanzien van het landbouwbeleid, wordt in dit verslag door het Europees Parlement veroordeeld vanwege het feit dat er te vaak conclusies worden getrokken die onhoudbaar zijn voor het Europese landbouwbeleid. Ik heb voor het verslag gestemd omdat ik de politieke rol van het Parlement, dat niet door de Commissie wordt geraadpleegd wanneer handelsrelaties met derde landen worden besproken, als absoluut noodzakelijk beschouw. Ik ben het eens met het verzoek aan de Commissie om de overeenkomst met Mercosur op te schorten totdat een nieuwe overeenkomst is opgesteld met de betreffende landen, teneinde de veiligheid en kwaliteit van producten voor de Europese consumenten, alsmede ‘waar voor je geld’ op buitenlandse markten te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het duidelijk opkomt voor de belangen van de Europese landbouwers in het kader van de internationale handel. Ik ben van oordeel dat het externe handelsbeleid geen belemmering mag vormen voor het vermogen van de EU om een krachtige landbouwsector te handhaven en de continuïteit van de voedselvoorziening te waarborgen tegen de achtergrond van de toegenomen volatiliteit van de markten. De Commissie offert de landbouwbelangen echter veel te vaak op in ruil voor een betere markttoegang in derde landen voor industrieproducten en diensten. Bovendien is het tevens belangrijk voor ogen te houden dat de Europese landbouwsector verplicht is aan de hoogste normen te voldoen waar het gaat om kwaliteit, producthygiëne, duurzame productiemethodes, bescherming tegen plantenziekten, gezondheid en welzijn van dieren, traceerbaarheid, controle op residuen van pesticiden, diergeneeskunde en additieven. Deze aspecten verhogen de productiekosten en moeten tijdens de multilaterale en de bilaterale onderhandelingen in aanmerking worden genomen. Over het algemeen ben ik van oordeel dat geen beslissingen mogen worden genomen om de Europese markt voor de invoer van landbouwproducenten verder open te stellen zonder eerst effectbeoordelingen te laten uitvoeren en te waarborgen dat de Europese landbouwers voor het geleden verlies gecompenseerd zullen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. – (RO) Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een symbool van de Europese integratie en is het resultaat van een van de meest geavanceerde supranationale besluitvormingsprocessen in de EU. De interne druk om het gemeenschappelijk landbouwbeleid marktgerichter te maken en meer nadruk te leggen op andere Europees beleid komt tot uiting in het externe handelsbeleid van de EU, dat gericht is op het openstellen van de landbouwmarkt in ruil voor een betere toegang voor Europese industrieproducten en diensten tot markten van derde landen. Daarbij spelen de instandhouding van het Europese landbouwmodel en een gelijk speelveld voor EU-producenten in de wereldmarkt een belangrijke rol. De multifunctionele rol van de Europese landbouwsector kan als katalysator voor een nieuw paradigma werken: voedselzekerheid, -veiligheid en -kwaliteit tegen een betaalbare prijs voor EU-burgers.

De mondiale vraag naar voedsel stijgt tegen een achtergrond van hogere productiekosten, grote volatiliteit op de landbouwmarkten, minder land, minder water en afnemende energiebronnen. Een sterk gemeenschappelijk landbouwbeleid is ook van fundamenteel belang voor de instandhouding, de milieuduurzaamheid en de economische ontwikkeling van rurale gebieden in de EU, die worden bedreigd door het uit productie nemen van grond en ontvolking.

 
  
MPphoto
 
 

  Crescenzio Rivellini (PPE), schriftelijk. − (IT) Vandaag is in de plenaire vergadering voor het verslag over landbouw en internationale handel gestemd.

Het verslag van de heer Papastamkos onderstreept dat het externe handelsbeleid geen belemmering mag vormen voor het vermogen van de EU om de voedselveiligheid te waarborgen tegen de achtergrond van de toegenomen volatiliteit van de markten, of om een krachtige Europese landbouwsector te handhaven.

Het verslag veroordeelt de aanpak van de Commissie om concessies op landbouwgebied te doen in ruil voor een betere markttoegang in derde landen voor industrieproducten en diensten. Het verslag handelt over diverse thema’s, waaronder de effectbeoordeling, de financiële compensatie, de WTO/Doha, maar met name de problematische bilaterale handelsovereenkomsten, zoals die met Marokko, Pakistan, Oekraïne en die met Mercosur in het bijzonder. Het wordt onaanvaardbaar geacht dat de Europese Commissie de onderhandelingen heeft hervat zonder de effectbeoordeling publiek te hebben gemaakt en zonder een echt politiek debat met de Raad en het Europees Parlement aan te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Gezien de impasse in de multilaterale handelsbesprekingen heeft de EU gestreefd naar het sluiten van bilaterale en interregionale handelsovereenkomsten, als aanvulling op het multilaterale raamwerk. Net als in het geval van Marokko, is er op dit moment een sterke concurrentie tussen de VS en de EU wat betreft de vraag wie het eerst belangrijke nieuwe markten kan betreden – en onder welke voorwaarden. Mijn collega José Bové heeft duidelijk vraagtekens gezet bij de aanpak van de bilaterale overeenkomsten in het geval van Marokko in zijn verslag in de Commissie internationale handel, wat kan leiden tot verwerping van de overeenkomst zoals die door de Commissie wordt voorgesteld. Wij hebben voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. (IT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik denk dat het de positie van het landbouwbeleid versterkt, dat een hoeksteen vormt voor de Europese economische en sociale samenhang, en ook met het oog op de uitdagingen die de EU 2020-strategie met zich mee zal brengen.

Tot nu toe is de Europese Unie de grootste importeur van landbouwproducten ter wereld, met name van producten uit ontwikkelingslanden. In de laatste tien jaar is de invoer in de EU bijna verdubbeld en hij beslaat nu 20 procent van de wereldwijde invoer.

Ten overstaan van deze feiten is het noodzakelijk om een Europees handelsbeleid in te stellen dat krachtig is en waarmee artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt geïmplementeerd, dat bepaalt dat Europa moet samenwerken bij het ten uitvoer leggen van groeibeleid in de ontwikkelingslanden. De grootste prioriteit is nu ervoor te zorgen dat het Europese handelsbeleid en landbouwbeleid samen gaan werken in een globale context, wat de toegang tot de markten van ontwikkelingslanden zal vergemakkelijken, terwijl hierdoor tegelijkertijd de economische ontwikkeling in deze landen wordt bevorderd.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (S&D), schriftelijk. – (RO) Ik wil benadrukken hoe belangrijk dit verslag is, vooral in verband met de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik denk dat er samenhang moet bestaan tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het handelsbeleid. Helaas is het een groot aantal keren gebeurd dat een handelsovereenkomst met een derde land grote schade aan de Europese landbouwsector en de boeren heeft toegebracht. Ik hoop echter dat deze situatie zich in de toekomst niet meer zal voordoen. Ook wil ik erop wijzen dat onze boeren aan zeer hoge normen op het gebied van kwaliteit, milieubescherming en dierenwelzijn moeten voldoen. We moeten ervoor zorgen dat producenten uit derde landen die naar de EU exporteren aan diezelfde eisen voldoen om eerlijke concurrentie te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilja Savisaar-Toomast (ALDE), schriftelijk. – (ET) In de stemming van vandaag was er steun voor het verslag over landbouw en internationale handel, dat ook in grote mate gaat over de import van genetisch gemodificeerd voedsel en veevoer. In ben erg blij dat ook het punt werd gesteund waarin de Commissie wordt verzocht om op doeltreffende wijze de communautaire regelgeving inzake het goedkeuren en op de markt brengen van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) te beschermen tegen de eisen die in de WTO worden gesteld. In wezen betekent dit dat het gebruik van ggo’s strikt gereguleerd blijft en dat zal de voedselveiligheid en de situatie van onze boeren verbeteren. Er was ook steun voor een aantal punten met betrekking tot de invoer van verschillende groepen landbouwproducten alsmede kwaliteitseisen voor deze producten.

Naast zaken met betrekking tot ggo’s werden ook algemene kwesties van voedselveiligheid besproken. Bijvoorbeeld Brazilië heeft tot nu toe niet altijd kunnen voldoen aan de communautaire producenten- en consumentennormen voor voedselveiligheid, de identificatie en traceerbaarheid van dieren, dierenwelzijn en de monitoring van ziekten. Een andere bron van zorg is het massale gebruik van pesticiden in Brazilië die in Europa zijn verboden en de import naar Europa van producten die daarvan het resultaat zijn. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Simpson (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik heb, namens de leden van de Britse Labourpartij in het Europees Parlement (EPLP), het verslag over EU-landbouw en internationale handel niet gesteund. Hoewel in het verslag een aantal waardevolle punten worden aangestipt over het beschermen van de belangen van onze agrarische sector, bijvoorbeeld de noodzaak van het beschermen van geografische aanduidingen binnen bilaterale en multilaterale overeenkomsten, ben ik van mening dat het verslag delen bevat die te protectionistisch zijn en onrealistische voorwaarden stellen aan de huidige en toekomstige EU-onderhandelingen over handelsovereenkomsten.

Daarnaast strookt de handhaving van protectionistische maatregelen binnen de EU als middel om de landbouwproducenten in de EU te beschermen tegen concurrentie van buitenaf niet met het standpunt van de EPLP over hervorming van het GLB. We hebben ons altijd sterk gemaakt voor het wegnemen van de handelsbarrières om een efficiëntere en meer concurrerende landbouwsector te bevorderen, om de consumenten meer waar voor hun geld te geven en om toegang tot de markt mogelijk te maken voor landen die op economisch gebied minder ontwikkeld zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Michèle Striffler (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór de paragrafen 53 en 54 van dit verslag over de EU-landbouw en internationale handel gestemd, omdat ik geloof dat de afgevaardigden van het Europees Parlement de plicht hebben om Europese landbouwers en consumenten te beschermen tegen de massale invoer van landbouwproducten van lage kwaliteit (inzonderheid die uit bepaalde Latijns-Amerikaanse landen) en al de daaruit voortvloeiende gevaren. We mogen de kwaliteit van onze landbouwproducten niet opofferen op grond van uitsluitend economische overwegingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik ben blij dat het verslag van onze collega Papastamkos is goedgekeurd. Dat verslag legt de criteria vast die onderhandelaars voor de Europese Unie zouden moeten volgen. Het wijst er ook op dat er bij de onderhandelingen meer rekening moet worden gehouden met niet-economische waarden.

Zo kunnen we niet langer aanvaarden dat onze landbouwers, die aan zeer strikte milieu- en gezondheidseisen moeten voldoen (vooral als het gaat om producthygiëne, duurzame productiemethodes en het welzijn van dieren), opgeofferd worden op het altaar van de internationale handel, en zo het slachtoffer worden van oneerlijke concurrentie en schaamteloze verstoringen van de mededinging door derde landen, die producten op de Europese markt brengen die niet voldoen aan de productievereisten die de Unie oplegt, en dat ongestraft kunnen (blijven) doen. Ik roep de Commissie en het Europees Parlement op om heel waakzaam te zijn, vooral als het gaat om de overeenkomsten met Mercosur, die voor de Europese veeteelt beslist een gevaar inhouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Teixeira (PPE), schriftelijk. – (PT) Het evenwicht tussen landbouw, ontwikkeling en gemeenschappelijk handelsbeleid is voor de Europese Unie van cruciaal belang. De Europese landbouwsector verdient bijzondere aandacht. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het oudste gemeenschappelijk beleid en wij moeten ervoor zorgen dat het niet aan kracht inboet. Er zij onderstreept dat deze sector tal van functies vervult en in verband moet worden gebracht met andere sociale en politieke doelstellingen, waaronder de Europa 2020-strategie. De Europese landbouw staat echter niet los van de Europese externe betrekkingen, met name op het gebied van de internationale handel en de ontwikkelingssteun. Het belang van de internationale betrekkingen, met name op basis van overeenkomsten zoals die tussen de Europese Unie en Mercosur, komt tot uiting op politiek en economisch niveau en in de strategische partnerschappen. Het is dan ook essentieel te zorgen voor consistente normen, inzonderheid op landbouwgebied. Daarom heb ik tegen de paragrafen 53 en 54 van dit verslag gestemd. Bovendien stellen vrijhandelsovereenkomsten de sector voor nieuwe uitdagingen en andere realiteiten. In dit verband zij gewezen op de situatie van de ultraperifere regio’s. Hun zwakke economieën zijn voornamelijk gebaseerd op landbouwproducten die gelijken op die van hun Latijns-Amerikaanse partners. Ik ben afkomstig uit een van deze ultraperifere regio’s en wens hier als EP-lid te onderstrepen dat rekening dient te worden gehouden met de eigen kenmerken van deze regio’s en dat tijdens toekomstige onderhandelingen alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat hun ontwikkeling op de helling komt te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (S&D), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor het verslag over de EU-landbouw en internationale handel gestemd omdat er enige samenhang moet worden aangebracht tussen het landbouwbeleid, het handelsbeleid en het ontwikkelingsbeleid van de EU. De landbouw in de EU heeft een essentiële rol op het gebied van de arbeidsvoorziening en de vitaliteit in plattelandsgebieden, en het Europese agrovoedingsmodel is een strategische component van de Europese economie. De mondiale vraag naar voedsel is gestegen als gevolg van de klimaatverandering, hogere productiekosten en een vermindering van de beschikbare landbouwgrond en van drinkwaterbronnen. Ik wil het belang van de handel in landbouwproducten voor de economische ontwikkeling en het uitbannen van armoede onderstrepen. Ik roep de EU op om maatregelen aan te nemen om de landen die het hardst door de voedselcrisis worden getroffen te steunen. Het aandeel van de EU in de mondiale landbouwexporten neemt af. In dit verband denk ik dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur van zeer groot belang is. Daarom moet het Europees Parlement nauw bij de onderhandelingen worden betrokken. We willen dat landbouwproducten die in de EU worden ingevoerd de Europese consument dezelfde garanties op het gebied van gezondheid, voedselveiligheid, duurzame ontwikkeling en sociale minimumnormen biedt als de producten van Europese producenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik wilde mijn stem gebruiken om mijn standpunt (en rotsvaste overtuiging) opnieuw tot uitdrukking te brengen, en die luidt dat we ons landbouwmodel niet mogen opofferen op het altaar van uitsluitend economische overwegingen. Het is de bedoeling dat de handel tussen de tussen de EU en haar partners wordt geopend en geliberaliseerd, maar dat mag niet tot gevolg hebben dat we hier een herziening gaan doorvoeren van de eisen die wij ter bescherming van de consument aan de voedselkwaliteit en -veiligheid stellen. Daarom wil ik graag duidelijk maken dat we in onze landbouwovereenkomsten met derde landen moeten aandringen op wederkerigheid, zowel voor de handelsbepalingen zelf als voor de sociale normen en de gezondheidsvereisten. We mogen dus geen extra concessies doen zonder garanties. Ik geloof ook dat we altijd op onze hoede moeten blijven bij het zeker stellen van de belangen van onze landbouwers. Als Europa erin geslaagd is een nauwe band te scheppen tussen zijn landbouw en zijn grondgebied, en als het ons hier gelukt is een landbouwproductie van zeer goede kwaliteit voort te brengen, dan is dat allemaal dankzij de inspanningen van de landbouwers. Het is dus onze plicht om te verzekeren dat er in de handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en haar partners sprake is van eerlijke mededinging. Daarom dring ik aan op de invoering van beschermende mechanismen voor de landbouwers in Europa, om ze te helpen het hoofd te bieden aan eventuele verstoringen van de mededinging.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Werthmann (NI), schriftelijk. (DE) Ik heb voor het verslag van de heer Papastamkos over de EU-landbouw en de internationale handel gestemd. Juist omdat ik uit Oostenrijk kom, ken ik de problemen van onze landbouwers maar al te goed, uit eerste hand. De Europese landbouw is een van de pijlers van de Unie, van onze gezamenlijke cultuur en van ons dagelijks leven. De rapporteur verzoekt de Commissie om de Europese landbouwbelangen offensief en actief te behartigen. De EU is de grootste importeur van landbouwproducten ter wereld. We moeten er absoluut voor zorgen dat de ingevoerde producten voldoen aan dezelfde strenge eisen die gelden voor producten uit de EU.

 
  
  

Verslag: Martin Häusling (A7-0026/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik hecht mijn goedkeuring aan dit verslag omdat de Commissie er mijns inziens voor moet zorgen dat haar wetgevingsvoorstellen voor de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) passende en betrouwbare maatregelen en instrumenten omvatten die de landbouwers helpen om de vruchtwisselingsystemen te verbeteren. Het terugdringen van het proteïnetekort in de Europese Unie moet een essentieel onderdeel van de hervorming van het GLB zijn, ten bate van de Europese landbouwers en de interne markt. Dergelijke maatregelen zijn buitengewoon nuttig, aangezien thans op slechts 3 procent van het totale akkerbouwland eiwithoudende gewassen worden verbouwd en de Europese Unie veertig miljoen ton eiwithoudende gewassen invoert, een hoeveelheid die goed is voor 80 procent van de interne consumptie.

 
  
MPphoto
 
 

  Elena Oana Antonescu (PPE), schriftelijk. – (RO) De invoer van eiwithoudende gewassen vertegenwoordigt het equivalent van twintig miljoen hectaren akkerbouwgrond buiten de EU, of meer dan 10 procent van de akkerbouwgrond van de Europese Unie, maar deze gewassen zijn niet onderworpen aan dezelfde gezondheids- en milieuvoorschriften als Europese gewassen. De tekorten aan ingevoerde eiwithoudende gewassen brengen extra kosten mee voor de veeteelt- en de diervoedersector in de EU en brengen de economische levensvatbaarheid van de interne vleesproductie in gevaar. Evenwichtsherstel tussen vraag en aanbod van granen, eiwithoudende gewassen en oliehoudende zaden in de EU zou grote economische voordelen kunnen opleveren voor de landbouwers en de levensmiddelen- en diervoederindustrie en zou een gevarieerd aanbod van gezonde en hoogwaardige levensmiddelen ten goede komen. Bovendien moet worden opgemerkt dat, met betrekking tot de klimaatverandering, de productie van eiwithoudende gewassen kan bijdragen tot een aanzienlijke verlaging van de broeikasgasemissies dankzij de assimilatie en vastlegging van stikstof in de bodem, waardoor er ook minder synthetische stikstofhoudende meststoffen hoeven te worden gebruikt. Deze gewassen helpen ook om de bodemverzuring te verminderen, de bodemstructuur te verbeteren, het gebruik van herbiciden terug te dringen en meer biodiversiteit te bevorderen, wat goed is voor de bestuiving. Ik heb voor dit verslag gestemd omdat ik voorstander ben van een beter evenwicht tussen de productie van dierlijk en plantwaardig eiwit en van het gebruik van inheemse eiwithoudende gewassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) 70 procent van de eiwit- en oliehoudende gewassen die momenteel in de Europese Unie worden geconsumeerd wordt geïmporteerd, vooral uit Brazilië, Argentinië en de Verenigde Staten. Aangezien deze producenten niet aan dezelfde regels op het gebied van milieu, gezondheid en genetisch gemodificeerde organismen zijn onderworpen als hun Europese producenten, heeft de Europese Unie besloten haar beleid ten aanzien van eiwithoudende gewassen te herzien en de interne productie op dit gebied te vergroten. Voor de Europese consumenten betekent dat gezonder en gevarieerder voedsel. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zigmantas Balčytis (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor deze belangrijke resolutie gestemd. De afgelopen tien jaar is de productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie afgenomen, terwijl onze markt grotendeels afhankelijk is geworden van de invoer hiervan. Deze situatie is veroorzaakt door eerder gesloten internationale handelsovereenkomsten, in het kader waarvan de EU haar graanareaal mocht beschermen in ruil voor belastingvrije invoer van eiwithoudende gewassen en oliehoudende zaden in de EU. Hierdoor werden voorwaarden geschept om de benodigde productie goedkoop in te voeren en het concurrentievermogen van de landbouw, met name de veeteeltsector, te waarborgen. Binnen de EU zelf verloren landbouwers en verwerkingsbedrijven echter hun belangstelling voor deze sector. Het aantal onderzoeksprogramma's op het gebied van plantaardige eiwitten liep terug, de ontwikkeling van ziektebestendige en hoogrenderende variëteiten werd gestaakt en in heel Europa gaat praktische ervaring met de productie van eiwithoudende gewassen verloren. De huidige marktsituatie met voortdurend schommelende prijzen en een hoge prijs voor eiwithoudend voeder heeft mogelijk een negatieve invloed op de veeteeltsector in de EU, die grotendeels afhankelijk is van invoer. Daarom moet de Commissie per direct maatregelen overwegen die de productie en opslag van eiwithoudende gewassen in de EU bevorderen en steun bieden aan landbouwers die dergelijke gewassen verbouwen. Dit zou moeten worden weerspiegeld in de hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Op deze manier zou deze sector zich kunnen herstellen, zouden inkomsten van landbouwers worden gewaarborgd en zou een bijdrage worden geleverd aan duurzame landbouw in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. (IT) De afhankelijkheid van een aantal Europese sectoren van markten buiten de EU vormt een probleem dat niet alleen grondstoffen, maar ook voedsel betreft.

In het bijzonder wordt in het verslag van de heer Häusling benadrukt dat Europa elk jaar meer dan 40 miljoen ton eiwithoudende gewassen invoert, hoofdzakelijk sojabonen en maïsglutenvoer, die in totaal 80 procent van de EU-consumptie van eiwithoudende gewassen beslaan.

Met het oog op deze stand van zaken kan ik de wensen van de heer Häusling alleen maar ondersteunen. Hij hoopt dat het toekomstige GLB zal inhouden dat Europa een landbouwbeleid zal aanmoedigen dat gericht is op de afbraak van deze afhankelijkheid van invoer, hetgeen een evident positief effect zal hebben op de kwaliteitscontrole en de duurzaamheid van de toevoerketen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) De laatste tien jaar is de teelt van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie fors achteruitgegaan. Daarom moeten we dringend maatregelen nemen om het risico van afhankelijkheid van de internationale markten en hun prijsvolatiliteit te bestrijden. Ik verleen dan ook mijn steun aan de genoemde hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de invoering van nieuwe bepalingen die niet alleen de landbouwers helpen om de vruchtwisselingsystemen te verbeteren, maar tevens bijdragen aan de totstandbrenging van wetenschappelijke dienstverlening en onderzoek ter ondersteuning van eiwithoudende zaadgewassen. Tevens zij gewezen op het belang van een gedecentraliseerde aanpak ten aanzien van onderzoeksprogramma’s, zodat rekening kan worden gehouden met de plaatselijke kennis van landbouwers en met duurzame landbouwsystemen. Daarom steun ik het voorstel dat de Commissie zou kunnen overwegen om weer een eenheid landbouwonderzoek in te stellen bij het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) Overeenkomstig de gegevens uit dit verslag is de productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie de laatste tien jaar met 30 procent gedaald. De rapporteur verklaart evenwel het volgende: “Op slechts 3 procent van het totale akkerbouwland van de Unie worden momenteel eiwithoudende gewassen verbouwd. Ondanks de overheidssteun is de productie van drooggeoogste peulvruchten weer ingezakt en besloeg zij in 2008 ruw geschat nog slechts een miljoen ha. Jaarlijks wordt meer dan veertig miljoen ton eiwithoudende gewassen ingevoerd; dat is 80 procent van de totale consumptie in de Europese Unie”. Deze cijfers zouden moeten volstaan om de aandacht van de politieke leiders te trekken en een wijziging van het beleid te rechtvaardigen. Op een moment dat de voedselprijzen hoger liggen dan ooit en de voedselzekerheid in gevaar brengen, mag de Europese Unie tijdens de huidige herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet voorbijgaan aan het probleem van de productie van eiwithoudende gewassen. Het is belangrijk dat zij hiervoor een oplossing tracht te vinden. Dat betekent dat resoluut moet worden gekozen voor het bevorderen van de productie van deze gewassen. Op die manier zal de invoer afnemen en zal de landbouw de bescherming van het milieu in de hand werken, aangezien eiwithoudende gewassen kunnen bijdragen tot een aanzienlijke verlaging van de broeikasgasemissies.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) Uit recentelijk gepubliceerde gegevens van de Europese Commissie blijkt dat de productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie fors is gedaald, met bijna 30 procent. Dit bewijst dat er iets is misgegaan met het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Deze situatie verplicht de Europese Unie ertoe om ruim veertig miljoen ton eiwithoudende gewassen in te voeren en gaat terug op in het verleden gesloten overeenkomsten, waaronder de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en het Blair House-akkoord, in het kader waarvan oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen belastingvrij mogen worden ingevoerd in de Europese Unie. De recente klimaatverandering heeft deze kwestie op de agenda geplaatst en tot een belangrijk element van de op handen zijnde hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gemaakt. Aan de verbouwing van eiwithoudende gewassen, in combinatie met meer uitgebreide vruchtwisselingsystemen, zijn grote voordelen verbonden, niet alleen op milieugebied, maar ook met het oog op het beperken van de kosten, omdat deze gewassen de bodem verrijken via de vastlegging van stikstof.

Ik stem voor dit verslag, dat ten doel heeft het proteïnetekort in de Europese Unie terug te dringen, en ik hoop dat deze aanbevelingen, waaronder het verlenen van steun aan landbouwers die opteren voor eiwithoudende gewassen en vruchtwisseling, in aanmerking zullen worden genomen bij de opstelling van het nieuwe GLB.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het proteïnetekort in Europa en het gebrek aan evenwicht tussen de plantaardige en dierlijke proteïneproductie vormen een steeds groter probleem dat gevolgen heeft voor de menselijke consumptiegewoonten, de voedselkwaliteit, de voedselzekerheid en de crisis in de veeteeltsector. De rapporteur komt met veelzeggende en verontrustende cijfers die ons ertoe verplichten om aandacht aan dit probleem te besteden en maatregelen te nemen om het oplossen. Het gebrek aan evenwicht is terug te voeren op het vigerende landbouw- en handelsbeleid, en om de huidige situatie te verhelpen moeten beide beleidsterreinen diepgaand worden gewijzigd, iets waar het verslag aan voorbijgaat. De aanpak van het huidige tekort en gebrek aan evenwicht dient gebaseerd te zijn op het verlenen van steun voor de toename en diversificatie van eiwithoudende gewassen en het toepassen van een beleid dat gericht is op een geleidelijke vervanging van de invoer. De rapporteur erkent deze noodzaak en komt met onzes inziens belangrijke en goede maatregelen, zoals het scheppen van marktvoorwaarden die gunstig zijn voor de lokale productie, afzet en consumptie en het opzetten van modellen voor korte leveringsketens voor producten die vrij zijn van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s).

Tegelijkertijd wordt echter de deur geopend naar oplossingen die ons zorgen baren en die wij onmogelijk kunnen accepteren, zoals het opheffen van de nultolerantie voor de aanwezigheid van GGO’s in ingevoerde diervoeders, waardoor de strikte naleving van het voorzorgsbeginsel op de helling komt te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Dit verslag heeft ten doel een antwoord te bieden op het probleem van het proteïnetekort in Europa en op het gebrek aan evenwicht tussen de plantaardige en dierlijke proteïneproductie. Zoals bekend wordt dit probleem alleen maar erger, met alle gevolgen vandien voor de wijziging van de menselijke consumptiegewoonten, de voedselkwaliteit, de voedselzekerheid en de crisis in de veeteeltsector.

Het gebrek aan evenwicht is terug te voeren op het vigerende landbouw- en handelsbeleid, en om de huidige situatie te verhelpen moeten beide beleidsterreinen diepgaand worden gewijzigd, iets waar het verslag helaas aan voorbijgaat.

Wij zijn van oordeel dat de aanpak van het huidige tekort en gebrek aan evenwicht gebaseerd dient te zijn op het verlenen van steun voor de toename en diversificatie van eiwithoudende gewassen en het toepassen van een beleid dat gericht is op een geleidelijke vervanging van de invoer. Hoewel de rapporteur deze noodzaak erkent en met onzes inziens belangrijke en goede maatregelen komt, opent hij de deur naar oplossingen die ons zorgen baren en die wij onmogelijk kunnen accepteren, zoals het opheffen van de nultolerantie voor de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in ingevoerde diervoeders, waardoor de strikte naleving van het voorzorgsbeginsel op de helling komt te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Lorenzo Fontana (EFD), schriftelijk. (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de invoer van eiwitten uit derde landen is een groot probleem, aangezien er voor geïmporteerde groenten geen gelijkwaardige kwaliteit wordt gewaarborgd. Deze eiwithoudende gewassen worden hoofdzakelijk in de veehouderij gebruikt, wat een risico vormt voor het prijssysteem, aangezien de volatiliteit van deze prijzen op de internationale markten exponentieel is gegroeid. Derhalve steun ik de heer Häusling in zijn mening om de afhankelijkheid van de EU van de invoer verder te terug te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Häusling (Verts/ALE), schriftelijk. (DE) Met haar verslag “Over het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?” heeft de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling enkele zeer goede oplossingen gepresenteerd om het eiwittekort in de EU aan te pakken, zoals bijvoorbeeld de herziening van het Blair House-akkoord met de VS, dat de belastingvrije invoer van eiwithoudende gewassen uit de Verenigde Staten toestaat. Andere oplossingen hebben betrekking op het gebruik van eiwithoudende gewassen in de vruchtwisselingssystemen of de bevordering van onderzoek en advies, alsmede op uitbreiding van de zaadontwikkeling en de infrastructuren voor de eiwitproductie. Jammer genoeg heeft een meerderheid van de leden van drie fracties, de Fractie van de Europese Volkspartij (Christendemocraten), de Fractie Europese Conservatieven en Hervormers en de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa, amendementen ingediend die in tegenspraak zijn met dit duidelijke standpunt van het Parlement. Zij eisen een versoepeling van de invoer van eiwithoudende gewassen, met name van soja, inclusief in de EU niet toegestane genetisch gemanipuleerde organismen (GGO’s). Helaas zijn deze amendementen tijdens een stemming in de plenaire vergadering van het Europees Parlement met een krappe meerderheid aangenomen. Ik ben er echter van overtuigd dat het verzoek om een verhoging van de invoer van genetisch gemodificeerde soja haaks staat op onze eigenlijke doelstelling, versterking van de zelfvoorziening in de EU. Dit standpunt strookt niet met de wensen van een duidelijke meerderheid van de mensen in Europa, die het gebruik van GGO’s in de landbouw afwijzen. Ik betreur dit stemgedrag en heb in mijn hoedanigheid van rapporteur besloten dit verslag terug te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit document gestemd omdat de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid adequate en betrouwbare nieuwe maatregelen en instrumenten moet behelzen waarmee boeren worden gesteund bij het verbeteren van vruchtwisselingsystemen om het huidige eiwittekort en prijsschommelingen aanzienlijk terug te dringen. Het eiwittekort in de EU neemt geleidelijk toe en de EU produceert slechts 30 procent van de eiwithoudende gewassen die worden gebruikt voor diervoeder. Eiwithoudende gewassen beslaan momenteel slechts 3 procent van de landbouwgrond in de EU, en daarom is de EU gedwongen om 70 procent van deze gewassen te importeren voor diervoeder. Het uitgebreide gebruik van eiwithoudende gewassen in vruchtwisselingen biedt grote voordelen op het gebied van milieu, landbouw en klimaatmatiging. Wat betreft klimaatverandering kunnen peulvruchten de broeikasemissies aanzienlijk beperken door de assimilatie en vastlegging van stikstof in de bodem, als gevolg waarvan het gebruik van stikstofhoudende mest kan worden beperkt. Door een hoger percentage eiwithoudende gewassen in het vruchtwisselingsysteem worden de vruchtbaarheid en de structuur van de bodem, de opslag van voedingsmiddelen en de gezondheid van de gewassen die dit oplevert verbeterd. Vaste gras-klavermengsels voor diervoeder en mengsels van granen en eiwitten bedekken de bodem beter en beperken op die manier het wegvloeien van voedingsmiddelen in het grondwater en rivieren en bieden betere omstandigheden voor bijen en andere bestuivende insecten. Uitgebreide vruchtwisseling beperkt de behoefte aan gewasbeschermende interventies en kan bijdragen tot het behoud van de verscheidenheid aan wilde en gecultiveerde soorten en rassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Jahr (PPE), schriftelijk. (DE) De eiwitproductie in de Europese Unie is in de afgelopen jaren dramatisch gedaald. Dit heeft tot gevolg dat wij nu in verontrustende mate afhankelijk zijn van invoer. Daarom wil ik de rapporteur bedanken dat de Commissie thans wordt verzocht op de middellange en lange termijn maatregelen te nemen om dit probleem aan te pakken. Zolang de Europese Unie echter niet in staat is om in voldoende mate in haar eigen behoefte te voorzien, dienen we ook na te denken over wijzigingen met betrekking tot onze invoerbepalingen. Een technische oplossing voor het vaststellen van minieme sporen van genetisch gemodificeerde organismen in ingevoerde eiwitproducten zou ervoor kunnen zorgen dat er voldoende soja op de Europese markt is.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarosław Kalinowski (PPE), schriftelijk. (PL) Momenteel werkt het beleid voor eiwithoudende gewassen in Europa in het nadeel van boeren en producenten omdat zij gedwongen worden hiervoor prijzen te betalen die afhankelijk zijn van de grillen van de wereldmarkt. Het is ook ongunstig voor consumenten die vlees en melk kopen die afkomstig zijn van met deze gewassen gevoerde dieren. Oppervlakte- en klimaatomstandigheden maken het mogelijk om de teeltstructuur van eiwithoudende gewassen in de EU te veranderen. Met het oog op biodiversiteit en het tegengaan van klimaatsveranderingen is dit zelfs een gewenste ontwikkeling. Veevoeder dat uit derde landen wordt ingevoerd hoeft minder strenge controles te ondergaan dan Europees veevoeder. We kunnen daarom niet honderd procent zeker zijn van hun kwaliteit of van de herkomst van de grondstoffen waaruit het is samengesteld. Om deze situatie te veranderen zijn onmiddellijke maatregelen geboden, anders blijken onze garanties voor veilige en gezonde Europese voedingsmiddelen van de hoogste kwaliteit slechts loze woorden. Een volgende oplossing voor het proteïnetekort in de EU is de versoepeling van de voorschriften die het voederen van vleesbeendermeel aan dieren verbieden. Bij pluimvee en varkens is bij deze manier van voederen namelijk geen gevaar van ziekteoverdracht vastgesteld, terwijl het verbod in eerste instantie toch was ingesteld in verband met de ziekte BSE. De toepassing van vleesbeendermeel in de veehouderij verlaagt de productiekosten. Bij een dalend rendement van de vleesproductie is dit van groot belang. Hierdoor kan ook de import van eiwithoudend veevoeder uit Amerika verminderd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sandra Kalniete (PPE), schriftelijk. – (LV) Uit vele onderzoeken blijkt dat het proteïnetekort in de Europese Unie in de afgelopen tien jaar aanzienlijk is gestegen. Om deze reden is de Europese Unie in toenemende mate afhankelijk geworden van geïmporteerde proteïne. Veel sectoren lopen het risico dat ze, ten gevolge van de prijsvolatiliteit op de internationale markt niet in staat zullen zijn om tegen redelijke prijzen eiwithoudende gewassen te verkrijgen. Helaas zijn bij het sluiten van overeenkomsten met andere landen enkele jaren geleden ongunstige concurrentievoorwaarden geschapen voor de teelt van eiwithoudende gewassen in de EU. Nu ervaren we de consequenties van deze ondoordachte besluiten en daarom is het belangrijk om te begrijpen wat er is gebeurd, zodat we kunnen bepalen welke richting we moeten uitgaan om het proteïnetekort op te lossen. We zijn momenteel actief bezig met een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). In dit verband richten we ons op steun voor actieve boeren, bescherming van het milieu en de ontwikkeling van plattelandsgebieden. Met betrekking tot de hervorming van het GLB mogen we echter ook andere kwesties niet uit het oog verliezen. In deze resolutie wordt benadrukt dat een groter gebruik van eiwithoudende gewassen zorgt voor een aanmerkelijke verbetering van het agrarische milieu en bijdraagt aan de mitigatie van klimaatverandering. Ik vind deze argumenten voldoende overtuigend, ook als oplossing voor proteïnetekorten in het kader van de hervorming van het GLB.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Köstinger (PPE), schriftelijk. (DE) De EU is in de veehouderijsector sterk afhankelijk van de invoer van diervoeders omdat zij de benodigde diervoeders niet zelf produceert. 70 procent van de eiwithoudende gewassen die nodig zijn voor diervoeding wordt ingevoerd uit Brazilië, Argentinië en de VS. In het verslag over dit proteïnetekort wordt dit probleem duidelijk ter sprake gebracht en wordt gevraagd om strenge normen ten aanzien van diervoeders. Ingevoerde producten moeten tevens voldoen aan kwaliteits-, milieu- en sociale normen. Bovendien moeten grondstoffen die geschikt zijn voor de productie van diervoeders efficiënter worden gebruikt. Het is van belang dat onze grote afhankelijkheid van derde landen wordt verminderd omdat hierdoor prijsschommelingen ontstaan en de productieomstandigheden nauwelijks inzichtelijk zijn. Dit lukt uitsluitend indien we de productie van eiwithoudende gewassen in de EU weer zelf ter hand nemen, zoals in dit verslag wordt voorgesteld. Ik ben echter faliekant tegen het verbouwen van genetisch gemanipuleerde gewassen op Europese akkers.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni La Via (PPE), schriftelijk. (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, verklaren dat de eiwithoudende gewassen momenteel slechts 3 procent van het akkerland in de EU in beslag nemen en slechts voorzien in 30 procent van de vraag naar plantaardige eiwitten die als veevoer worden gebruikt, is een realiteit beschrijven die voor de meeste mensen lastig te begrijpen is.

De afname in het aanbod van plantaardige eiwitten is paradoxaal nu de productie van plantaardige eiwitten een reeks positieve effecten blijkt te genereren die nodig zijn voor het landbouwecosysteem, gunstig zijn voor de kwaliteit van de dierlijke producten en belangrijk zijn voor het evenwicht van de marktprijzen. Het debat hierover, waar in de commissie al een begin mee is gemaakt, is fundamenteel voor het herdefiniëren van de rol die de teelt van plantaardige eiwitten zal spelen in de context van de toekomstige uitdagingen voor de Europese landbouw. Ik verwijs naar de strijd tegen de klimaatverandering en voor het correcte gebruik van natuurlijke hulpbronnen, waaraan in deze fase, waarin het kader van het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt opgesteld, de nodige aandacht wordt gegeven.

Ik heb mijn steun gegeven aan dit verslag, dat ik als symbool beschouw van een nieuwe fase, die direct van start moet gaan, om het tekort aan plantaardige eiwitten terug te brengen. Ik beschouw het opstellen van een kaderprogramma voor gedecentraliseerd landbouwonderzoek van primair belang om de samenwerking te verbeteren, goede praktijken te delen en het verbeteringsproces van de teelt van aan lokale omstandigheden aangepaste eiwithoudende gewassen te versnellen en daarmee de toevoerketen in de verschillende lidstaten te innoveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Constantin Luhan (PPE), schriftelijk. – (RO) De teelt van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie is het afgelopen decennium achteruitgegaan. Momenteel wordt slechts 3 procent van het akkerbouwland van de EU gebruikt voor de productie van eiwithoudende gewassen en die productie levert slechts 30 procent van de eiwithoudende gewassen die in de EU als diervoeder worden geconsumeerd. Ik steun de opvatting van de rapporteur dat deze situatie moet veranderen, omdat dit goed zal zijn voor de menselijke gezondheid, het milieu en de biodiversiteit. De Europese Commissie moet een verslag opstellen over de mogelijkheden en opties om de eigen EU-productie van eiwithoudende gewassen op te voeren door middel van nieuwe beleidsinstrumenten. Ook de invoering van een mechanisme voor toezicht op de herkomst van in de Europese Unie geïmporteerde eiwithoudende gewassen is nuttig.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik verwelkom dit verslag, waarin aandacht wordt gevraagd voor het proteïnetekort in de EU en de noodzaak om dat tekort aan te vullen, maar ik ben tegen maatregelen die zouden betekenen dat de subsidies aan landbouwers worden verhoogd om de eiwitproductie van de EU te waarborgen. Ik ben van mening dat het stimuleren van de interne teelt van eiwithoudende gewassen dient te gebeuren in overeenstemming met een hervormd gemeenschappelijk landbouwbeleid dat ervoor zorgt dat de EU zich ontwikkelt in de richting van duurzame landbouw en meer marktgerichtheid en, heel belangrijk, minder handelsverstorende subsidies.

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka (GUE/NGL), schriftelijk. (CS) De sterke neergang in de teelt van proteïnerijke gewassen en de vervanging van de lokale productie door grootschalige goedkope invoer kunnen op de lange duur negatieve gevolgen krijgen, zeker als het gaat om de teloorgang van kennis en ervaring ten aanzien van de teeltwijzen. Ook dreigt hierdoor het onderzoek naar de teelt van deze gewassen onder de eigen lokale omstandigheden sterk achteruit te gaan. Verder is het van belang dat de veelzijdigheid van deze productie qua aanbod op peil wordt gehouden. Zoals reeds in een groot aantal verslagen en voorstellen dat hier in het Parlement de revue is gepasseerd is benadrukt, dient ook de kwaliteit van de productie op peil te worden gehouden. Met betrekking tot de eerder genoemde producten dienen er, als onlosmakelijk onderdeel van de controle op de lokaal toegepaste landbouwmethodes en –middelen, monsters te worden genomen om deze vervolgens te analyseren. Ook moet de kwaliteit van deze producten uiterst nauwkeurig en grondig worden gecontroleerd, onder gebruikmaking van moderne laboratoriummethodes en een eenduidige oorsprongsaanduiding van de ingevoerde producten. De meeste EU-landen hebben zo hun eigen typische gewassen in deze categorie. In de Tsjechische Republiek zijn dat erwten. Deze worden daar al sinds jaar en dag verbouwd, maar laten de laatste jaren een dalende trend zien. De Tsjechische Republiek staat door de bank genomen positief tegenover onderhavig verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Clemente Mastella (PPE), schriftelijk. (IT) De productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie vertoont een steeds grotere afname, waardoor een alarmerende situatie ontstaat. Het eiwittekort veroorzaakt niet alleen een onbalans in de landbouwproductie, maar ook op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van landbouwtechnieken. De landbouwers hebben namelijk langzamerhand hun interesse voor eiwithoudende gewassen verloren, wat ertoe heeft geleid dat de praktische ervaring met deze gewassen op Europees niveau verloren is gegaan. Het is daarom noodzakelijk om de urgentie van de situatie, zoals aangegeven in het verslag, op te volgen en om een echt geïntegreerd Europees beleid te formuleren. Alleen met een meer evenwichtige toevoer en consumptie van eiwithoudende gewassen binnen de EU kunnen we het hoofd bieden aan nieuwe uitdagingen, zoals de klimaatverandering of het verlies aan agrarische biodiversiteit. Wij hopen daarom dat de Europese Commissie de mogelijkheden gaat onderzoeken om het huidige probleem van het eiwittekort op te lossen via een radicale hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waardoor we die nieuwe uitdagingen kunnen aangaan. Het zou een geschikte oplossing kunnen zijn om een extra beloning in te stellen voor een verplichte teeltrotatie van minimaal vier verschillende gewassen, waarvan ten minste één eiwithoudend gewas. Tenslotte zal er een eenheid voor landbouwonderzoek moeten worden ingesteld bij het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling van de Commissie, om consumenten en cateringbedrijven te motiveren om meer milieubewuste voedselkeuzes te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor dit initiatiefverslag over het proteïnetekort in de EU gestemd. Europa is voor eiwithoudende gewassen, die voornamelijk als veevoeder worden gebruikt, in zeer sterke mate afhankelijk van de invoer. Die afhankelijkheid maakt Europa erg gevoelig voor prijsschommelingen op de internationale markten. Om de daarmee samenhangende risico’s terug te dringen stellen we voor dat er bij de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nieuwe maatregelen worden vastgelegd om landbouwers te helpen bij het verbeteren van gewasrotatiesystemen en te investeren in onderzoek naar zaden van eiwithoudende gewassen. Landbouwers zouden extra training in gewasrotatie en het verbouwen van gemengde gewassen moeten krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Mélenchon (GUE/NGL), schriftelijk. – (FR) Het verslag-Haüsling wás erg goed. Vergroting van de proteïne-onafhanklijkheid van de Unie, bevordering van kortere toevoerlijnen en steun aan landbouwers om ze te helpen de uitstoot van broeikasgassen te verminderen – dat zijn allemaal maatregelen die ik steun.

De lobbies voor genetisch gemodificeerde gewassen (GGO’s) en hun vertegenwoordigers zijn er echter in geslaagd dit verslag om te buigen in een pleidooi voor het toelaten van besmet voedsel in Europa. In het verslag wordt ook gepleit voor een herintroductie van diermeel, met alle daaruit voortvloeiende risico’s. Het is hoog tijd om de productie van eiwithoudende gewassen naar andere gebieden te verplaatsen. Dit verslag, zoals het er nu uitziet, zal ons daartoe niet in staat stellen. Ik zal tegen dit verslag stemmen als het gebruik van GGO’s en diermeel door dit Parlement wordt goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Nuno Melo (PPE), schriftelijk. – (PT) Het is essentieel om de productie van eiwithoudende gewassen – planten met een hoog eiwitgehalte – op te voeren teneinde de afhankelijkheid van ingevoerde soja te reduceren, de voedselzekerheid te waarborgen en het milieu te beschermen. Er zijn wetenschappelijke studies voorhanden waaruit blijkt dat eiwithoudende gewassen voordelen hebben voor het milieu, met name door het terugdringen van de broeikasgasemissie en het verbeteren van de biodiversiteit en de bodemkwaliteit. Het is bijzonder verontrustend dat eiwithoudende gewassen slechts 3 procent van de Europese landbouwproductie vertegenwoordigen. En het is onaanvaardbaar dat wij 80 procent van onze totale consumptie invoeren. Het is dan ook van groot belang dat er maatregelen worden genomen om deze situatie te verhelpen in het kader van de steunregeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013.

 
  
MPphoto
 
 

  Willy Meyer (GUE/NGL), schriftelijk. – (ES) Het verslag-Häusling over het proteïnetekort in de Europese Unie en de zoektocht naar oplossingen hebben enkele positieve elementen opgeleverd, zoals steun aan landbouwers die bijdraagt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Toch heb ik tegen dit verslag gestemd, omdat in de tekst openlijk wordt gepleit voor genetisch gemodificeerde organismen en hierdoor de deuren volledig worden opgengezet voor de invoer van besmet voedsel en meel van dierlijke herkomst op Europees grondgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Mirsky (S&D), schriftelijk. − (EN) In het verslag wordt de Commissie verzocht om bij de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toereikende en betrouwbare maatregelen en instrumenten in het beleid op te nemen om boeren te steunen bij het verbeteren van de vruchtwisseling. Er wordt gevraagd om een wetgevingsvoorstel dat het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten uit slachtafval voor de productie van voeders voor eenmagige dieren (varkens en pluimvee) toestaat. Maar wat verandert er als deze toestemming wordt verleend? Het is onmogelijk om het verbod te controleren. Waarom zouden we tijd besteden aan een verslag dat onnodig en niet eenvoudig te begrijpen is, alleen maar om een ‘vinkje’ achter een rapporteur te kunnen zetten? Ik heb mij onthouden van stemming omdat ik niet stem voor onduidelijke, ‘in elkaar gedraaide’ initiatieven.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Eiwithoudende gewassen zijn een belangrijk onderdeel van de diervoederindustrie en vormen derhalve een cruciale economische factor. De teelt van eiwithoudende gewassen is echter een onderwerp dat weinig positieve belangstelling heeft gewekt in Europa. In de afgelopen tien jaar is de teelt van deze gewassen met wel 30 procent gedaald – de enige uitzondering wordt gevormd door soja; daarvoor bedraagt de daling slechts 12 procent. Slechts 3 procent van het akkerbouwland in de EU wordt gebruikt voor de productie van eiwithoudende gewassen. Dit levert, zoals blijkt uit studies, niet alleen aanzienlijke economische nadelen op, aangezien het leidt tot een aandeel van de invoer van 80 procent, maar ook nadelen op het gebied van de akkerbouw. Door het verbouwen van eiwithoudende gewassen komt namelijk stikstof in de grond, waardoor deze vruchtbaarder wordt. Ook de onderzoekssector lijdt onder de geringe vraag naar zaden van eiwithoudende gewassen. Hier is al een neerwaartse spiraal ingezet. Ik heb tegen dit verslag gestemd omdat ik vrees dat het verbouwen van traditioneel zaad hierdoor wordt belemmerd.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (ECR), schriftelijk. − (EN) De algemene insteek van dit verslag is dat we in plaats van het importeren van proteïne uit derde landen beter onze landbouwers kunnen stimuleren om hier in Europa eiwithoudende gewassen te produceren. Dit standpunt gaat voorbij aan het feit dat Europa als gevolg van natuurlijke beperkingen eenvoudigweg niet in staat is de hoeveelheden soja en maïs die nodig zijn om in de behoeften van onze landbouwers te voorzien tegen een haalbare prijs te produceren. Betaalbare importen van proteïne uit derde landen als de VS zijn cruciaal als we voor voedselzekerheid willen zorgen en voorwaarden willen scheppen waarbinnen boeren een fatsoenlijk inkomen kunnen verdienen met landbouw. Bovendien wordt in het verslag gesteld dat we de mogelijkheid voor het gebruik van dierlijke eiwitten als bestanddeel van diervoeders moeten onderzoeken. Ik denk, na onze ervaringen met BSE, dat we niet voor die aanpak moeten kiezen, en ik denk ook dat dat niet nodig is als er een toereikende aanvoer van soja en maïs beschikbaar is voor de landbouwers. Om die redenen heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE), schriftelijk. – (RO) Ik heb mijn steun gegeven aan dit verslag, waarin een aantal belangrijke problemen met betrekking tot het functioneren van de Europese landbouw aan de orde worden gesteld. Ik vind echter dat we ons meer op oplossingen moeten richten. In dat verband moeten we meer openstaan voor het gebruik van de meest recente, geavanceerde wetenschappelijke oplossingen uit de biotechnologische sector.

 
  
MPphoto
 
 

  Franz Obermayr (NI), schriftelijk. (DE) Dit verslag ondersteunt het gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen en van beendermeel. In het algemeen zouden dierlijke proteïnen slechts in diervoeder mogen worden toegestaan indien alle wetenschappelijke bewijzen en controles die negatieve effecten voorkomen (men denke aan het BSE-schandaal) beschikbaar zijn. Ik heb derhalve tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolandas Paksas (EFD), schriftelijk. – (LT) Het eiwittekort in de EU is een relevante en belangrijke kwestie. Aangezien dit probleem diepgeworteld is in de EU en de eiwittekorten voortdurend toenemen, moeten we alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat dit probleem zo snel mogelijk wordt aangepakt en dat de productie van lokale eiwithoudende gewassen stijgt. Ik denk dat deze resolutie een belangrijke stap op weg naar de oplossing van dit probleem is. Een toename van de teelt van eiwithoudende gewassen matigt niet alleen het effect van de klimaatverandering, maar heeft ook een positief effect op het inkomen van boeren. Verder is de versterking van de veeteeltsector in de EU een belangrijke factor, aangezien dat dit de afhankelijkheid van de import van eiwithoudende gewassen binnen de sector zou verminderen en het concurrentievermogen zou doen toenemen. Ik ben van mening dat de Commissie onmiddellijk in actie moet komen om te zorgen dat zelfs gewassen met een geringe hoeveelheid genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) niet op de EU-markt mogen verschijnen. Zelfs een laag niveau van GGO’s in eiwithoudende gewassen voor voeding en diervoeder naar de EU wordt geïmporteerd mogen we niet toestaan. Ik ben het eens met de voorstellen dat onderzoek naar het kweken en leveren van zaden voor eiwithoudende gewassen moet worden gesteund, evenals met de voorstellen voor een kader voor plattelandsontwikkelingsmaatregelen met het oog op de invoering van betere, gedecentraliseerde faciliteiten voor de productie van diervoeders. Ik vind dat vruchtwisseling in de EU actief moet worden gestimuleerd door middel van financiële steun aan boeren, waarmee het huidige eiwittekort en prijsschommelingen kunnen worden beperkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE), schriftelijk. – (PT) Ik heb voor het verslag-Häusling (A7-0026/2011) gestemd, omdat in de tekst wordt aangedrongen op het gebruik van in de Europese Unie geproduceerde eiwitten in diervoeding, een probleem dat gedurende lange tijd mede ten grondslag heeft gelegen aan het zwakke concurrentievermogen van de Europese landbouw. De laatste tien jaar heeft het tekort in de productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie verontrustende proporties aangenomen en deze trend blijft zich doorzetten. De productie van de belangrijkste drooggeoogste peulvruchten is met gemiddeld 30 procent gedaald, en die van sojabonen met 12 procent. Deze tendens leidt tot verdere toename van de nu al alarmerende afhankelijkheid van de Unie van ingevoerde eiwithoudende gewassen, die hoofdzakelijk worden gebruikt voor diervoeders; deze situatie levert met name risico’s op voor de Europese veeteelt, aangezien de prijsvolatiliteit op de internationale markten aanzienlijk is toegenomen. De Commissie moet dringend zorgen voor een onbelemmerde voorziening van de EU-markt met soja door een technische oplossing te vinden voor de aanwezigheid van geringe hoeveelheden genetisch gemodificeerde gewassen in voor diervoeding bestemde eiwithoudende gewassen en voor in de EU geïmporteerde diervoeders. Een tekort aan ingevoerde soja brengt extra kosten mee voor de veeteelt- en de diervoedersector in de Europese Unie en brengt de economische levensvatbaarheid van de interne vleesproductie in gevaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (S&D), schriftelijk. – (RO) Op slechts 3 procent van het totale akkerbouwland (uitgezonderd groenten en fruit) van de Unie worden momenteel eiwithoudende gewassen verbouwd. In 2008 werd ruwweg nog maar een miljoen hectare gebruikt voor de productie van drooggeoogste peulvruchten. Jaarlijks wordt meer dan veertig miljoen ton eiwithoudende gewassen – hoofdzakelijk sojabonen en maïsglutenvoer – ingevoerd; dat is 80 procent van de totale consumptie in de EU. Buiten de Unie wordt voor de productie van voor de EU bestemde eiwithoudende gewassen twintig miljoen hectare akkerbouwgrond gebruikt, 10 procent van de totale akkerbouwgrond van de EU. Wat betreft de toezeggingen van de EU dat zij actief zal bijdragen aan de wereldwijde voedselzekerheid en aan de strijd tegen de klimaatverandering, zou het landbouw- en plattelandsontwikkelingsbeleid niet alleen moeten toewerken naar een beter evenwicht tussen de productie van dierlijk en plantwaardig eiwit om de broeikasgasemissie terug te dringen en het weglekken van nutriënten in waterlopen te voorkomen, maar er ook voor moeten zorgen dat consumenten, overheid en cateringdiensten worden aangezet tot evenwichtigere, milieuvriendelijkere en nieuwe keuzes op het gebied van levensmiddelen.

De Commissie zou wetgevingsmaatregelen moeten nemen om verspilling in de hele levensmiddelenketen tegen te gaan, ook met betrekking tot slacht- en keukenafval, waarvan het gebruik en de verwijdering nog steeds niet behoorlijk geregeld zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyn Regner (S&D), schriftelijk. (DE) Ik heb gisteren tegen het verslag over het proteïnetekort in de EU gestemd omdat ik van mening ben dat we dit probleem niet kunnen oplossen door de invoer in de EU van genetisch gemanipuleerde producten toe te staan. Wij moeten reeds 80 procent van onze behoefte aan eiwithoudende gewassen invoeren. De oorspronkelijke intentie van dit verslag – de aanzet geven tot maatregelen ter verhoging van de interne productie van eiwithoudende gewassen om de daling van de eiwitproductie in de EU tegen te gaan – is verdraaid.

De genetische-manipulatielobby is er blijkbaar in geslaagd een positieve houding te creëren tegenover de invoer van producten die genetisch gemanipuleerd eiwit bevatten, hetgeen in het verslag wordt weerspiegeld door amendementen die helaas door een meerderheid in de plenaire vergadering zijn aangenomen. Zelfs de rapporteur was gedwongen tegen zijn verslag te stemmen. Als lid van de Sociaaldemocratische Partij van Oostenrijk pleit ik samen met mijn partijgenoten in het Europees Parlement voor een zerotolerancebeleid ten opzichte van genetisch gemanipuleerde organismen.

 
  
MPphoto
 
 

  Crescenzio Rivellini (PPE), schriftelijk. (IT) Vandaag is in de plenaire vergadering het verslag over het proteïnetekort in de EU van de heer Martin Häusling goedgekeurd.

De EU is in sterke mate afhankelijk van de invoer van eiwithoudende gewassen, die hoofdzakelijk worden gebruikt als diervoeder, wat vooral voor de Europese veeteeltsector grote risico’s met zich meebrengt. Het oorspronkelijke verslag is door een reeks compromisamendementen aanzienlijk verbeterd.

In het aangenomen verslag wordt de Commissie verzocht om in haar beleid voor eiwithoudende gewassen te kiezen voor een middellange- en langetermijnvisie en om in de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nieuwe bepalingen in te voeren die landbouwers helpen om de vruchtwisselsystemen te verbeteren teneinde het tekort aan plantaardige eiwitten en de prijsschommelingen te reduceren. Het verslag vraagt ook om onderzoek naar zaden en hun bijdrage aan het bestrijden van ziekten.

Ook wordt de Commissie gevraagd om te zorgen voor een onbelemmerde voorziening van de EU-markt met soja door een technische oplossing te vinden voor de aanwezigheid van geringe hoeveelheden genetisch gemodificeerde organismen in diervoeders die in de EU worden ingevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) De voornaamste punten van het verslag zijn het scheppen van een raamwerk voor de teelt en het gebruik van eiwithoudende gewassen in de EU ter vervanging van de import van eiwithoudende gewassen uit derde landen, het opgeven van het Blair House-akkoord en het verbeteren van de vruchtwisseling in het kader van de GLB-hervorming, het genereren van een nieuwe wetenschappelijke aanpak en het verbeteren van de scholing en faciliteiten voor landbouwers. Het resultaat van de stemming in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling was bevredigend, met uitzondering van de invoering van een aantal amendementen van de ALDE-Fractie en het feit dat de EPP-Fractie het verslag heeft ‘verontreinigd’ met amendementen voor het bevorderen van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). De belanghebbende industrie had gelobbyd voor versoepeling van het beleid van nultolerantie in de EU, dat de invoer van ongeautoriseerd genetisch gemodificeerd voer in de EU niet toestaat. Helaas zijn we er in de plenaire zitting niet in geslaagd het verslag over het proteïnetekort te zuiveren van de aanval op de nultolerantie van GGO’s. De meerderheden in de plenaire vergadering lagen echter veel dichter bij ons standpunt dan die in de commissie. Daarom is het de moeite waard om ons sterk te maken voor het omkeren van de meerderheden in de plenaire vergadering met betrekking tot GGO-kwesties. De heer Häusling (van de Groenen) heeft zijn werk als rapporteur neergelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Licia Ronzulli (PPE), schriftelijk. (IT) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, uit de laatste ramingen voor de sector eiwithoudende gewassen komt voor het afgelopen decennium een zorgwekkende dalende trend in de productie van eiwithoudende gewassen in de Europese Unie naar voren. De productie van leguminosen in Europa daalt jaarlijks met 30 procent en de productie van sojazaden met 12 procent, waardoor we 40 miljoen ton eiwithoudende gewassen moeten invoeren.

Het verslag maakt duidelijk dat de Europese veeteeltsector, die kwetsbaar is voor prijsschommelingen, te sterk afhankelijk is van betaalbare, ingevoerde eiwithoudende producten. Die afhankelijkheid vormt een gevaar voor de economische levensvatbaarheid van de interne vleesproductie, die steeds meer ondermijnd wordt door de extra kosten die gemoeid zijn met het invoeren van diervoeders. Afgezien van het economische probleem kan de productie van eiwithoudende gewassen met betrekking tot de klimaatdoelstellingen bijdragen tot een aanzienlijke verlaging van de broekkasgasemissies.

 
  
MPphoto
 
 

  Oreste Rossi (EFD), schriftelijk. (IT) De productie van leguminosen is de afgelopen jaren gedaald, waardoor we sterk afhankelijk zijn van invoer uit derde landen, omdat ze gebruikt worden voor de voeding van zowel mensen als dieren.

Deze gewassen verkleinen niet alleen het proteïnetekort in de Europese Unie, maar zodra het product geoogst is, vormt dat ook een uitstekende toevoeging voor de bodem, die daardoor minder chemische meststoffen nodig heeft. Goede landbouwkundige praktijken zouden in vruchtwisseling moeten voorzien, waardoor er minder bemest hoeft te worden en er meer soorten bewaard kunnen worden, zowel wilde als gekweekte rassen.

Wij onderschrijven het verzoek om in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid maatregelen te nemen om het proteïnetekort van de Unie aan te pakken en daarmee de invoer steeds verder terug te dringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (S&D), schriftelijk. – (RO) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat in het verslag wordt gewezen op het belang van het verminderen van de afhankelijkheid van ingevoerde eiwithoudende gewassen, vooral omdat deze afhankelijkheid grote risico’s met zich meebrengt voor de veeteeltsector van de Europese Unie. Ik wil echter opmerken dat genetisch gemodificeerde organismen niet de enige oplossing zijn voor het verminderen van de afhankelijkheid van uit derde landen ingevoerde eiwithoudende gewassen. Er zijn substituten voor genetisch gemodificeerde soya beschikbaar die zouden kunnen helpen om te voorzien in de eiwitbehoeften, zoals voedererwten, tuinbonen en veldbonen, lupinen, linzen, zaailathyrus, lupinen, linzen, zaailathyrus, maar ook luzerne en klaver, die tegelijkertijd een aanzienlijke bijdrage zouden kunnen leveren tot de vermindering van broeikasgasemissies. Ook het potentieel om in de nieuwe lidstaten Roemenië en Bulgarije eiwithoudende gewassen te telen mag niet worden genegeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. Het initiële verslag van de rapporteur was beter dan de tekst die nu is aangenomen. Daarom stemde ik tegen de eindtekst. De Commissie nu vragen te zorgen voor een onbelemmerde voorziening van de EU-markt met soja door een technische oplossing te vinden voor de aanwezigheid van geringe hoeveelheden genetisch gemodificeerde organismen in voor diervoeding bestemde eiwithoudende gewassen is zonder meer een belangrijke overwinning van de lobby van de intensieve landbouw. De Groenen pleiten voor een maximale ontwikkeling van een eigen EU-productie van eiwithoudende gewassen. Zo’n beleid is goed voor de inkomens van de landbouwers en levert een substantiële bijdrage aan de bestrijding van de klimaatverandering, de vrijwaring van de biodiversiteit en de vruchtbaarheid van de bodem.

Cruciaal is de invoering van een toezichtsmechanisme op de herkomst van geïmporteerde eiwithoudende gewassen, waarbij de duurzaamheid van de toegepaste landbouwmethoden in het land van herkomst gecontroleerd wordt. Regelmatige controles ter plaatse zijn absoluut noodzakelijk De discussie over het opnieuw toestaan van verwerkte dierlijke eiwitten uit slachtafval voor de productie van voeders voor varkens en pluimvee mag alleen gevoerd worden in termen van (voedsel)veiligheid en volksgezondheid. Cruciaal zijn het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort en gedwongen kannibalisme, alsmede degelijke controles op de veevoedersector en een correcte toepassing van de bestaande EU-regelgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (S&D), schriftelijk. – (FR) Ik wil mijn collega Haüsling graag bedanken voor dit belangrijke verslag, ook al ben ik teleurgesteld over de definitieve versie ervan. Daarom heb ik, net als de rapporteur, uiteindelijk tegen dit verslag gestemd. Om te beginnen vind ik het jammer dat het verslag is verpest door de kwestie nultolerantie. De oproep om de regels voor de niet-toegestane invoer van genetisch gemodificeerde organismen te versoepelen draagt niet bij tot het oplossen van het eiwittekort in de Europese Unie en had daarom niet in de discussie betrokken moeten worden. Verder is het zo dat we beslist iets moeten doen om de snelle afname van de productie van eiwithoudende gewassen in de Unie tegen te gaan, om zo onze afhankelijkheid van de invoer van plantaardige eiwitten, die hoe dan alarmerend hoog is, te verlagen.

Ik wil verder graag duidelijk maken dat ik de Blair House-akkoorden afwijs. De marktgerichte doelstellingen van deze akkoorden hebben geleid tot extreme prijsschommelingen. Daar komt bij dat deze akkoorden volledig haaks staan op het Protocol van Kyoto en de daarin opgenomen doelstellingen met betrekking tot de opwarming van de aarde. Als we in de toekomst tot een rationeel en verantwoordelijk bodembeheer willen geraken, zullen we eiwithoudende gewassen in onze gewasrotatiecycli moeten integreren.

 
  
MPphoto
 
 

  Artur Zasada (PPE), schriftelijk. – (PL) Ik heb gestemd voor het aannemen van het verslag van de heer Häusling. Ik ben blij dat de rapporteur het probleem van het proteïnetekort in Europa aan de orde heeft gesteld en ons belangrijke informatie over dit onderwerp heeft verschaft. Het is duidelijk dat deze zaak snel ingrijpen vereist.

Eiwit is een van de belangrijkste bestanddelen van ons dagelijkse dieet en eiwitgebrek kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Verder blijkt uit de onderzoeken die in het verslag zijn gepresenteerd dat de teelt van eiwithoudende gewassen en algemene toepassing van vruchtwisseling een verlaging van de productiekosten en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met zich mee kan brengen.

Gezien de slechte eetgewoonten van de burgers van de lidstaten van de Europese Unie en het ontbreken van de nodige ervaring met de teelt van eiwithoudende gewassen onder boeren, vind ik dat we ons vooral moeten concentreren op scholing. Ik denk hierbij vooral aan het verspreiden van kennis over de positieve invloed van eiwitten op de menselijke gezondheid (de schoolfruitregeling is een voorbeeld van een programma met een vergelijkbaar uitgangspunt dat op dit moment wordt uitgevoerd in de Europese Unie) en de uitwerking van een stimuleringsprogramma voor boeren die eiwithoudende gewassen telen.

 
  
  

Verslag: Mariya Nedelcheva (A7-0029/2011)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Paulo Alves (S&D), schriftelijk. – (PT) Ik hecht mijn goedkeuring aan het jaarverslag over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie voor 2010 en de bijbehorende aanbevelingen. De huidige crisis heeft desastreuze gevolgen voor vrouwen, ofschoon overwegend mannelijke beroepssectoren het ergst getroffen zijn. Er zij tevens onderstreept dat het verschil tussen de salarissen van mannen en vrouwen in de Europese Unie nog steeds ongeveer 18 procent bedraagt, hoewel meer vrouwen een universitaire opleiding hebben genoten dan mannen. Van alle noodzakelijke maatregelen die in het verslag worden genoemd, vraag ik uw aandacht voor de opstelling van plannen voor gendergelijkheid en de bestrijding van huiselijk geweld door een Europees Jaar voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen in te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli (PPE), schriftelijk. (IT) Vandaag vieren we de honderdste verjaardag van de Internationale Vrouwendag, een symbool van de strijd voor sociale gelijkheid en de bevrijding van discriminerend en onderdrukkend gedrag waaronder vrouwen hebben geleden en nog steeds lijden.

In elk land ter wereld bekijkt men de vrouw anders; er wordt veel gesproken over de islamitische landen en de wijze waarop vrouwen daar beoordeeld en behandeld worden, wat nog verder wordt beïnvloedt door de godsdienst. Hoewel we in het westen gelukkig een visie hebben waarin mannen en vrouwen als gelijkwaardig worden beschouwd, schetsen de cijfers een verontrustende toestand. In Europa bestaat er nog steeds veel ongelijkheid ten nadele van meisjes en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid, privéleven, gezondheid, recht op toegang tot onderwijs en beroepsopleiding en het recht om functies in niet-traditionele sectoren en met een hoge mate van verantwoordelijkheid te bekleden. Maar daar blijft het niet bij: vrouwen worden niet alleen geconfronteerd met vele vormen van discriminatie, maar zijn ook het slachtoffer van allerlei soorten geweld, zowel lichamelijk als geestelijk.

Daarom moeten vrouwen worden beschermd en in een positie worden gebracht waarin ze een leven kunnen leiden dat kwalitatief gelijkwaardig is aan dat van mannen. Gendergelijkheid is niet alleen een kwestie van maatschappelijke rechtvaardigheid, maar ook een van de noodzakelijke voorwaarden om te komen tot duurzame groei, werkgelegenheid, concurrentievermogen en sociale samenhang, zoals is vastgelegd in de Europa 2020-strategie.

 
  
MPphoto
 
 

  Charalampos Angourakis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Vrouwen uit de arbeidersklasse, jonge vrouwen, migrantenvrouwen en vluchtelingen hebben helemaal geen boodschap aan de spektakels, vrome wensen en leugens waarmee de plutocratie hen overstelpt om hen gevangen te houden in het kapitalistisch uitbuitingsstelsel en als goedkope arbeidkrachten te kunnen gebruiken voor de verhoging van de winst van het kapitaal. Het leven zelf laat hun zien dat de bewering van de plutocratie dat het EU-beleid, in een kader van kapitalistische barbaarsheid, gelijkheid van mannen en vrouwen zou bevorderen bedrieglijk en provocerend is. Het volksvijandig beleid van de EU, de bourgeoisregeringen, het IMF en de andere imperialistische organen vormt een frontale aanval op de verworvenheden van de vrouwen. De levensomstandigheden van vrouwen, en van meer in het algemeen de arbeiders- en volksgezinnen, gaan steeds verder achteruit tengevolge van de massale werkloosheid, de drastische loonsverlaging, de vermindering van de sociale bijstand, de soepele vormen van werkgelegenheid, de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, de soepele arbeidsverhoudingen en de commercialisering van de sociale dienstverlening op het gebied van volksgezondheid en onderwijs. De EU 2020-strategie, het economisch bestuur en de begrotingsdiscipline van het IMF en de ECB hebben alleen maar nieuwe volksvijandige en arbeidersvijandige maatregelen voor vrouwen in petto. Daarom moet dit beleid omver worden geworpen. Wij roepen de vrouwen op hun strijd te intensiveren, zich te scharen achter de klassenstrijd van de arbeidersvakbonden en zich te verenigen rondom de doelen van volksheerschappij en volkseconomie.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophie Auconie (PPE), schriftelijk. – (FR) Ik ben het met een aantal punten van deze resolutie eens, en die heb ik bij de stemming dan ook gesteund. De stelling dat landen waar mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt een gelijke behandeling ontvangen een voorspoediger sociale en economische ontwikkeling doormaken lijkt me bijvoorbeeld volkomen gerechtvaardigd. Ik geloof dat het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen een logische vereiste is, zowel vanuit een sociaal als vanuit een economisch perspectief.

 
  
MPphoto
 
 

  Regina Bastos (PPE), schriftelijk. – (PT) Gelijkheid tussen mannen en vrouwen vormt een van de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht. De doelstellingen van de Europese Unie zijn enerzijds het waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en anderzijds het bestrijden van discriminatie op grond van geslacht. Ondanks alle inspanningen die zijn gedaan om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te garanderen, bestaan er op dit gebied nog steeds ongelijkheden in de Europese Unie. Het werkgelegenheidspercentage van vrouwen (58,6 procent) is nog steeds lager dan dat van mannen (70,7 procent), ofschoon het merendeel van de studenten en universitair opgeleiden vrouw is. Slechts een op de tien leden van de raden van bestuur van Europese ondernemingen is vrouw en slechts 3 procent van de uitvoerend directeurs is vrouw.

Het verschil tussen de salarissen van mannen en vrouwen in de Europese Unie bedraagt nog steeds gemiddeld 18 procent. Om doelstellingen als duurzame groei, werkgelegenheid, concurrentiekracht en sociale samenhang te kunnen verwezenlijken, moet de Europese Unie zich blijven inzetten om de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen te bestrijden. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (ALDE), schriftelijk. – (FR) Het jaarlijkse verslag over de gelijkheid van vrouwen en mannen vormt een gelegenheid om eens goed te kijken met welke uitdagingen we nu, bij deze economische en sociale crisis, worden geconfronteerd. Dit verslag – dat wordt aangenomen op de Internationale Vrouwendag – moet gezien worden als één geheel met het verslag van mevrouw Plumb over armoede bij vrouwen in de Europese Unie. Vrouwen blijken inderdaad te behoren tot de kwetsbare categorieën en hebben dan ook zwaar te lijden gehad onder deze crisis. Vrouwen werken vaker part-time dan mannen, omdat ze vaker dan mannen onzekere banen in de tertiaire sector hebben; hun carrière wordt vaker onderbroken en ze zullen daarom voor hetzelfde werk minder loon en een lager pensioen ontvangen. Daarom moeten vrouwen steeds onze volle aandacht krijgen.

Het meest gevoelige punt in dit verslag heeft betrekking op quota voor vrouwen in de directies van grote entiteiten, hetzij in de publieke, hetzij in de particuliere sector. Quota vormen natuurlijk geen oplossing voor alle problemen, en in een ideale maatschappij zouden ze niet nodig zijn. Om een mentaliteitsverandering teweeg te brengen zijn quota echter beslist noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergio Berlato (PPE), schriftelijk. (IT) In haar jaarverslag voor 2010 heeft de Europese Commissie gewezen op de uitdagingen die Europa na de recente economische en financiële crisis te wachten staan op het gebied van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Een belangrijk gevolg dat de crisis voor vrouwen heeft gehad, betreft hun werkgelegenheid: ze zijn later door de crisis getroffen dan mannen, omdat ze vaker actief waren in sectoren die de gevolgen van de crisis langer hebben weerstaan (gezondheidszorg, onderwijs enz.), maar nu dreigen ook die sectoren getroffen te worden, wat zou leiden tot een langdurige ongunstige arbeidssituatie voor vrouwen in vergelijking met mannen.

Ook daarom ben ik van mening dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid niet langer een na te streven doel moet zijn, maar werkelijkheid moet worden. De lidstaten en de Commissie moeten er op toezien dat het beleid voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet alleen wordt gehandhaafd, maar vooral dat de daarvoor uitgetrokken begrotingsmiddelen niet gekort worden. Omdat ik tot slot geloof dat de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen tot stand komt via onderwijs en opleiding van de burgers en met name van jongeren, wil ik de Commissie wijzen op de kans om de bewustwordingscampagnes hieromtrent tijdig te vernieuwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mara Bizzotto (EFD), schriftelijk. (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, gelijkheid tussen vrouwen en mannen is een van de fundamentele peilers voor de ontwikkeling van een efficiënte sociale en markteconomie, zoals Europa zichzelf altijd graag betitelt. Ik ben er dus van overtuigd dat we er met alle mogelijke middelen voor moeten zorgen dat vrouwen dezelfde behandeling krijgen en dezelfde beroepmogelijkheden worden geboden als mannen. De door mevrouw Nedelcheva voorgestelde strategie kan ik echter niet met mijn stem ondersteunen, omdat ik van mening ben dat het centraal stellen van de problemen van een bevolkingsgroep, in plaats van het systematisch analyseren van alle mogelijkheden, geen gepaste methodologische aanpak is om tot een oplossing te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vilija Blinkevičiūtė (S&D), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd en ik ben verheugd dat het Europees Parlement de aandacht heeft gevestigd op problemen met betrekking tot gendergelijkheid. We moeten inzien dat we nog altijd veel werk moeten verzetten om de positie van vrouwen op het gebied van gendergelijkheid te verbeteren, op de arbeidsmarkt en in de politiek. Vrouwenrechten moeten op alle terreinen van het EU-beleid worden geïntegreerd, en goede ideeën en initiatieven moeten niet alleen op papier blijven bestaan, maar worden geïmplementeerd in alle EU-lidstaten. In het verslag van het Europees Parlement over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie hebben we daarom vastgesteld dat het cruciaal is om de loonkloof tussen de geslachten te dichten, om geweld tegen vrouwen en vrouwenhandel een halt toe te roepen, om zwangerschapsverlof te garanderen en om zodanige omstandigheden te creëren dat de diensten van crèches en kinderdagverblijven kunnen worden benut en armoede onder vrouwen wordt teruggedrongen. Wat betreft gendergelijkheid in het bedrijfsleven moet de aandacht worden gevestigd op het feit dat slechts 3 procent van de bedrijven wordt geleid door een vrouw, aangezien vrouwen worden geconfronteerd met discriminatie en obstakels die hen ervan weerhouden om carrière te maken en een leidende functie na te streven. Een steeds groter aantal Parlementsleden is het eens met de invoering van het quotasysteem, want als bedrijven zelf nalaten om veranderingen door te voeren die de gendergelijkheid in het bedrijfsleven verbeteren, komen er plannen om quota’s te verankeren in de wetgeving. Ik hoop dat we in de toekomst oplossingen en maatregelen kunnen bedenken die de gendergelijkheid en de gelijke kansen voor vrouwen in het gezin en in de samenleving versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Da Graça Carvalho (PPE), schriftelijk. – (PT) Ofschoon ik akkoord ga met een aantal punten, heb ik tegen dit verslag gestemd omdat het bepaalde elementen bevat die mijns inziens geschrapt moeten worden. De huidige crisis heeft de arbeidsomstandigheden en de toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen bemoeilijkt. Daarom ben ik het met de Europese Commissie eens dat gendergelijkheid in alle beleidsterreinen moet worden geïntegreerd, en zeker ook in de onderwijsprogramma’s van Europese kinderen. Ook de bestrijding van geweld tegen vrouwen moet worden voortgezet met behulp van sensibilisatiecampagnes en het bewustmaken van kinderen in scholen. Ik ga evenwel niet akkoord met de toepassing van quota in de particuliere sector, de lijsten van kwetsbare vrouwen en het waarborgen van een minimuminkomen, aangezien die zaken volgens mij onuitvoerbaar zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE), schriftelijk. – (PT) Op 8 maart, Internationale Vrouwendag, feliciteer ik mevrouw Nedelcheva met haar verslag over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ik ben het met haar eens dat vooral vrouwen zwaar getroffen zijn door de economische en financiële crisis die wij thans doormaken. Alles wijst erop, onder meer op het gebied van werkgelegenheid, gezondheid, onderwijs en sociale hulpverlening, dat vrouwen de gevolgen van de crisis langer en sterker zullen voelen dan mannen.

Met betrekking tot inkomen, arbeidsomstandigheden, voorwaarden voor indiensttreding en toegang tot arbeid lijkt de situatie van vrouwen sneller te verslechteren dan die van mannen. Daarom is het belangrijk om nieuwe kansen te creëren en de synergie tussen gendergelijkheid en werkgelegenheid te versterken om herstel en duurzame groei te stimuleren. Gelet op het feit dat 2010 het Europees Jaar voor de bestrijding van de armoede en de sociale uitsluiting was, verwelkom ik de verwijzing naar armoedebestrijding, met bijzondere inachtneming van de meest kwetsbare vrouwen. Ik betreur het dat de linkervleugel in dit Parlement ook hier de controversiële abortuskwestie te berde heeft gebracht, zonder zich te bekommeren om het bereik van de communautaire bevoegdheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (S&D), schriftelijk. − (EN) Ik verwelkom dit verslag over gelijkheid tussen mannen en vrouwen, waarmee het Europees Parlement opnieuw oproept tot de instelling van een Europees Jaar voor het bestrijden van het geweld tegen vrouwen, dat naar schatting 20 tot 25 procent van alle vrouwen op enig moment in hun leven treft, en vraagt om een richtlijn betreffende geweld tegen vrouwen. De economische crisis heeft ernstige gevolgen voor vrouwen, die een grotere kans op armoede hebben dan mannen. Gemiddeld genomen verdienen zij in de EU 18 procent minder dan mannen voor hetzelfde werk, een getal dat in sommige lidstaten meer dan 25 procent bedraagt. Daarnaast hebben ze vaker onzeker werk en/of een deeltijdbaan. Bovendien hebben vrouwen minder kans om nieuw werk te vinden als ze hun baan verliezen. Als gevolg daarvan hebben ze later in hun leven een lager pensioen. Het aanpakken van de genderstereotypen is nodig, maar niet voldoende. Om zulke achterstanden tegen te gaan zijn duidelijk serieuze investeringen in zorgfaciliteiten nodig. De doelstellingen van de Raad van Barcelona met betrekking tot kinderopvang zijn echter nog niet gehaald, wat gezinnen met lagere inkomens het hardst treft. We moeten op alle niveaus van politieke vertegenwoordiging in Europa meer vrouwen kansen geven. Gendergelijkheid is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid, maar ook een voorwaarde voor sociale en economische ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Karima Delli (Verts/ALE), schriftelijk. – (FR) Ik ben heel tevreden met de stemming over dit verslag over gelijkheid van mannen en vrouwen. Als het gaat om beloning (om maar eens een voorbeeld te noemen), dan blijkt, niettegenstaande alle wetgevingsinitiatieven op Europees niveau, dat vrouwen voor hetzelfde werk gemiddeld nog steeds 18 procent minder verdienen dan mannen. Ik wil er ook graag op wijzen dat we in dit Parlement een lange strijd hebben moeten voeren om te bereiken dat iets elementairs als een grondrecht op de toegang tot voorbehoedsmiddelen zelfs maar genoemd mocht worden. Dat we een dergelijk achterhoedegevecht moeten blijven voeren doet de reputatie van Europees rechts geen goed.

De definitieve versie van dit verslag is gelukkig goed. Het stelt voor de salariskloof tegen 2020 tot 5 procent terug te brengen en het roept – belangrijker nog – de lidstaten op om al het nodige te ondernemen om het principe van gelijk loon voor gelijk werk in praktijk te brengen. Het verslag dringt aan op het vastleggen van bindende doelstellingen om gelijkheid in leidinggevende functies in ondernemingen, overheidsdiensten en politieke organen te garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Delvaux (PPE), schriftelijk. – (FR) Vandaag, 8 maart 2011, de honderdste verjaardag van Internationale Vrouwendag, heeft het Parlement met een grote meerderheid dit verslag over gelijkheid van mannen en vrouwen in de Unie in 2010 goedgekeurd. Dat waren we ook aan onszelf verplicht. Hoewel gendergelijkheid in het Verdrag en het Handvest van de grondrechten is vastgelegd, moeten we toch vaststellen dat deze doelstelling nog niet is verwezenlijkt. Of het nu gaat om werk (veel meer vrouwen dan mannen hebben onzekere banen) of beloning (vrouwen verdienen gemiddeld 18 procent minder dan mannen voor hetzelfde werk met dezelfde verantwoordelijkheden), stuiten vrouwen nog steeds op het zogenaamde ‘glazen plafond’. En als ze kinderen krijgen, worden ze nog verder achtergesteld.

De lijst met klachten is lang. Het verslag waarover we vandaag gestemd hebben bevat als respons op deze situatie een aantal gerichte maatregelen, waaronder de invoering van bindende doelstellingen voor lidstaten (met sancties bij niet-nakoming) en quota (een noodzakelijk kwaad) om onze aspiraties op het gebied van gelijkheid kracht bij te zetten. We hopen dat het ooit niet langer nodig zal zijn om elk jaar een speciale dag aan de helft van de wereldbevolking te wijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Diogo Feio (PPE), schriftelijk. – (PT) Zoals ik al eerder in dit Parlement heb gezegd, “moeten mannen en vrouwen eerlijk worden behandeld door hun dezelfde rechten te geven maar rekening te houden met hun respectieve behoeften. In het geval van vrouwen is dit met name relevant op gebieden zoals hulp bij zwangerschap en het vinden van een balans tussen werk en gezin”. Daarom verheugt het mij dat onder meer aandacht wordt besteed aan de bescherming van moederschapsrechten en de thuisverzorging van oudere mensen, aangezien die taken binnen het gezin vaak aan vrouwen worden overgelaten, zodat deze moeilijk een baan kunnen vinden. Ofschoon ik erken dat de rapporteur meermaals scherpzinnig uit de hoek komt, ben ik het niet met haar eens dat gendergelijkheid kan worden bereikt met behulp van quotasystemen. Quota kleineren vrouwen, omdat ze bepaalde functies uiteindelijk enkel en alleen zullen bekleden omdat ze vrouwen zijn en niet op grond van hun deskundigheid, vaardigheden of bekwaamheid. Daarom is het onaanvaardbaar om quota toe te passen in particuliere bedrijven. Als groot voorstander van het subsidiariteitsbeginsel ben ik tot slot van oordeel dat veel van de thema’s die in dit verslag worden geanalyseerd weliswaar belangrijk en relevant zijn, maar onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Ook dat is een van de redenen waarom ik heb tegengestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Fernandes (PPE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag heeft ten doel om het proces voor het scheppen van gelijke kansen tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie te bespoedigen. Vandaag, tijdens de honderdste verjaardag van Internationale Vrouwendag, wil ik hulde brengen aan alle vrouwen die in de voorbije honderd jaar zijn opgekomen voor de erkenning van de rechten van vrouwen en voor gendergelijkheid. Ik wens tevens mijn solidariteit uit te spreken met alle vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld, en met name voor alle vrouwen die onlangs in het Midden-Oosten en Noord-Afrika hebben gevochten voor de zelfbeschikking van hun volkeren. De Europese Unie heeft steeds een voortrekkersrol gespeeld in de bescherming van de rechten van vrouwen. Daarom verwelkom ik de aanneming van dit verslag, dat ten doel heeft om een einde te maken aan diverse nog bestaande ongelijkheden, zoals loonverschillen, toegang tot onderwijs en werkgelegenheid, moeilijkheden om het persoonlijke leven te verzoenen met het beroepsleven en afwezigheid op besluitvormingsniveaus. Daarom hoop ik dat de Europese Unie de daad bij het woord zal voegen en vrouwen in de gelegenheid zal stellen te bewijzen wat ze in hun mars hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  João Ferreira (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het is bijzonder betekenisvol dat het debat en de stemming over dit verslag, dat onze aandacht vestigt op de nog steeds bestaande ongelijkheden en discriminatie, plaatsvinden op de honderdste verjaardag van Internationale Vrouwendag. Tijdens de laatste honderd jaar is er veel strijd geleverd. Er zijn ook veel overwinningen behaald, maar niet genoeg om korte metten te maken met de bestaande ongelijkheden, de discriminatie waarmee vrouwen nog steeds kampen bij de toegang tot banen met rechten, de loonverschillen, die ook tot uiting komen in de pensioenen, de moeilijkheid om promotie te maken en het gebrek aan beroepsontplooiing, en de obstakels die de toegang tot managementfuncties en besluitvormingsniveaus in de economische, sociale en politieke sfeer in de weg staan, een situatie die nog erger wordt in tijden van economische en sociale crisis.

Vrouwen worden nog steeds gediscrimineerd omdat zij moeder zijn en werken, wat in de eenentwintigste eeuw ronduit schandalig is. Daarom is het belangrijk om te blijven aandringen op het uitbannen van alle ongelijkheden en discriminatie. Om die doelstelling te bereiken moet het neoliberale beleid overboord worden gezet en moet resoluut geopteerd worden voor alternatieve beleidslijnen die mensenrechten en gelijkheid tot de kern van de besluitvorming en het beleid van de Europese Unie maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Op deze dag, die verbonden is met de strijd van vrouwen voor erkenning en de uitoefening van hun rechten, treft ons de toename van de werkloosheid en het aantal onzekere banen, in combinatie met lage lonen en discriminatie op het gebied van lonen en moederschap, waarmee werkende vrouwen nog steeds te kampen hebben. Deze situatie neemt bijzonder schokkende en onaanvaardbare vormen aan bij de jongere generaties, zoals nu in Portugal het geval is.

Het gevolg hiervan is toenemende armoede onder vrouwen. Met name de situatie van gehandicapte, gepensioneerde en migrantenvrouwen en van slecht betaalde werkende vrouwen en vrouwen in plattelandsgebieden die alleen wonen, met hun kinderen, is schrijnend.

Een meerderheid van de ruim 85 miljoen mensen die in de Europese Unie in armoede leven is vrouw. Het armoedecijfer onder vrouwen bedraagt meer dan 18 procent. Daarom is het essentieel om te voorkomen dat onder het voorwendsel van de crisis maatregelen worden genomen die het recht van vrouwen op gelijke kansen en de noodzakelijke economische en sociale samenhang bedreigen.

Het is tijd om voorrang te geven aan vrouwen en hun rechten, aan gelijkheid en aan economische en sociale samenhang, zodat we een betere samenleving tot stand kunnen brengen, de mensenrechten ten volle kunnen eerbiedigen en de maatschappelijke vooruitgang waaraan vrouwen hebben meegeholpen kunnen consolideren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Gelijke kansen en een verbod op discriminatie betekenen niet dat je de verschillen – en de complementariteit – van mannen en vrouwen (hun aard, hun aspiraties en de manier waarop ze tegen het leven aankijken) mag negeren of proberen af te schaffen. Hierop wijzen is niet hetzelfde als stereotypen in stand houden. Als we uw filosofie om geen onderscheid te maken tussen de geslachten consequent doorvoeren, komen we uit op absurditeiten. Zoals het ‘recht’ (tussen aanhalingstekens) om ’s nachts te werken – of daartoe gedwongen te worden. Dat is sociaal gezien een stap terug. Maar dat is uw goed recht. Een andere absurditeit is het Franse besluit om mannen voor hun pensioen vrije semesters toe te kennen, een recht dat tot nog toe aan vrouwen was voorbehouden om zo althans enigszins te compenseren voor de carrièremoeilijkheden die vrouwen kunnen ondervinden vanwege de tijd die ze besteden aan het krijgen en grootbrengen van kinderen.

Dat is absurd, omdat dit een bedreiging vormt van het voordeel dat vrouwen hier wordt toegekend. Net zo absurd is het besluit van het Europees Hof van Justitie dat statistische verschillen tussen mannen en vrouwen niet mogen worden betrokken bij de berekening van verzekeringspremies, terwijl statistische gegevens nu juist de basis vormen van risicobeoordelingen. Dames, dit betekent het einde van een klein financieel voordeel dat u hebt verdient omdat u voorzichtiger rijdt en langer leeft. Waar ligt de grens van de talibanisering van gendergelijkheid?

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (S&D), schriftelijk. – (EN) Ik ga vóór dit verslag stemmen, vooral omdat het op vastberaden en concrete wijze het fundamentele gelijkheidsbeginsel tussen vrouwen en mannen bevordert. Het is teleurstellend dat sommige nationale wetgevers, ondanks talrijke inspanningen en studies op dit gebied, nog altijd de verwoestende gevolgen van discriminatie negeren en daarmee de genderongelijkheid vergroten en de verwezenlijking van de doelstellingen in de Lissabonstrategie in gevaar brengen. Met het oog op de nog altijd aanwezige kloof tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de arbeidsparticipatie, arbeidstijden en toegang tot leidinggevende functies, verzoek ik de lidstaten om een betere uitvoering van antidiscriminatie- en anti-intimidatiepraktijken. Het is noodzakelijk om de belanghebbenden aan de basis bij het proces te betrekken door middel van voorlichtingscampagnes en het gebruik van ngo’s en meer formele instrumenten, zoals de opname van speciale bepalingen in collectieve arbeidsovereenkomsten en nationale wetgeving inzake gendergelijkheid .

Ik ben het eens met de verschillende oproepen in het verslag, zoals die om de integratiemaatregelen ten gunste van vrouwen te verbeteren en te waarborgen dat zij leidinggevende functies kunnen bekleden, om werkgelegenheid en een eerlijke inkomensverdeling te waarborgen, om meer hoogwaardige banen te scheppen en om de sociale bescherming te verbeteren. Ik kan mijn steun echter niet geven aan paragrafen die verwijzen naar de bevordering van abortus.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik ben heel blij dat dit verslag op de honderdste verjaardag van Internationale Vrouwendag is aangenomen. Want ook al is het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen in de EU-Verdragen vastgelegd, we zien toch dat vrouwen 17,8 minder verdienen dan mannen. Deze ongelijkheid doet zich op alle maatschappelijke gebieden voor: bij slechts 3 procent van grote ondernemingen, bijvoorbeeld, staat een vrouw aan het hoofd van het hoogste besluitvormingsorgaan, vrouwen zijn vaker werkloos en hebben vaker onzekere banen. In 2008 bleek dat 17 procent van de vrouwen in de 27 landen van de Unie in armoede leefde, wat beslist alarmerend is. Er moeten dus meer maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld als het gaat om een betere verdeling van de verantwoordelijkheden in het huishouden of de bescherming van vrouwen tegen huiselijk geweld. Alle cijfers tonen aan dat het nu tijd is voor bindende maatregelen. Daarom heb ik besloten om vóór de invoering van quota te stemmen, al was ik aanvankelijk principieel tegen dat idee. Zo ben ik ook voor een beleid van positieve discriminatie in de politieke en economische sfeer. We moeten erkennen dat we gelijkheid alleen kunnen verwezenlijken als we een beleid voeren dat gebaseerd is op de wil om dingen werkelijk te veranderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvie Guillaume (S&D), schriftelijk. – (FR) Internationale Vrouwendag vormt elk jaar een goede gelegenheid om een balans op te maken van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid in de Europese Unie. Er is zeker vooruitgang geboekt, maar het is duidelijk dat gendergelijkheid nog niet is verwezenlijkt, niet in de werkelijkheid en al evenmin in ons denken. Gelijkheid is echter een voorwaarde voor het behalen van de EU-doelstellingen op het gebied van groei, werkgelegenheid en sociale cohesie. Daarom heb ik voor dit verslag gestemd. In het verslag wordt gepleit voor het vinden van oplossingen voor de problemen die de crisis voor vrouwen heeft veroorzaakt. Het belang van onderwijs wordt benadrukt en de Europese Unie wordt opgeroepen om armoede bij vrouwen en alle vormen van geweld tegen vrouwen te bestrijden. Een ander cruciaal punt van dit verslag vinden we onder punt 66, waarin wordt bevestigd dat vrouwen gemakkelijke toegang tot contraceptie en abortus moeten hebben. Laten we niet vergeten dat abortus in elf landen van de Unie nog steeds niet volledig is gelegaliseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Juozas Imbrasas (EFD), schriftelijk. – (LT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat de huidige economische, financiële en sociale crisis rampzalige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, de leefomstandigheden en onze samenleving in het algemeen. Vrouwen hebben ernstig te lijden gehad onder de crisis, vooral wat betreft hun arbeidsomstandigheden, hun toegang tot werk, hun plaats in de samenleving als geheel en gendergelijkheid. Of ze nu zitting hebben in de directie van beursgenoteerde bedrijven of actief zijn in de wereld van de politiek, vrouwen moeten in staat zijn om functies te bekleden die overeenkomen met hun talenten. Vrouwen worden soms de toegang tot verantwoordelijke posities ontzegd, wat leidt tot een scheve verhouding tussen hun opleidingsniveau en hun status. Aangezien 2010 het Europees Jaar van de strijd tegen de armoede is, moet spe