Antwoord
8.5.2007
De Raad deelt de bezorgdheid van het geachte Parlementslid over de opheffing van de Vereniging voor Russisch-Tsjetsjeense vriendschap en de situatie van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de Noordelijke Kaukasus en Rusland in het algemeen, en blijft de ontwikkelingen terzake op de voet volgen. De EU is in het bijzonder bezorgd over de aanneming afgelopen jaar van de NGO-wet en de anti-extremismewet.
De Raad stelt in het kader van de dialoog EU-Rusland deze bezorgdheid regelmatig bij Rusland aan de orde, en dit gebeurt zowel op technisch als op politiek niveau (topontmoetingen, ministeriële bijeenkomsten, en het halfjaarlijkse mensenrechtenoverleg, dat in maart 2005 onder het Luxemburgse EU-voorzitterschap formeel is ingevoerd). De EU geeft in het kader van dit overleg regelmatig uiting aan haar bijzondere bezorgdheid over de situatie van de civiele samenleving. Opgemerkt zij dat de Raad de civiele samenleving/NGO's nauw bij dit overleg betrekt.
Zoals het geachte parlementslid ongetwijfeld weet, heeft de EU het onderhandelingsmandaat voor de nieuwe overeenkomst met Rusland nog niet aangenomen.
Tijdens de 648e vergadering van de Permanente Raad van de OVSE op 1 februari 2007 heeft de EU over de opheffing van de Vereniging voor Russisch-Tsjetsjeense vriendschap de volgende verklaring afgelegd:
De Europese Unie heeft met grote spijt kennis genomen van de gedwongen opheffing van de Vereniging voor Russisch-Tsjetsjeense vriendschap, nadat het Hooggerechtshof van de Russische federatie op 23 januari 2007 het beroep tegen een op 13 oktober 2006 gewezen vonnis had afgewezen.
De Vereniging voor Russisch-Tsjetsjeense vriendschap, in 2004 winnaar van de erkenningsprijs van de Internationale Helsinki-Federatie, was een van de weinige overgebleven organisaties in Rusland die over de situatie op het gebied van de mensenrechten in Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus rapporteerden. De EU heeft de pesterijen jegens deze niet-gouvernementele organisatie reeds eerder aan de orde gesteld, onder meer in verband met de moord op de Russische journaliste Anna Politkovskaja, met wie de Vereniging voor Russisch-Tsjetsjeense vriendschap nauw heeft samengewerkt.
Deze zaak toont aan dat de federale wet betreffende de indiening van amendementen op bepaalde wetgevingsbesluiten van de Russische Federatie van 17 april 2006, doorgaans NGO-wet genoemd, en de wet ter bestrijding van extremistische activiteiten op willekeurige wijze kunnen worden toegepast.
De EU is er bezorgd over dat de nieuwe wetgeving inzake extremisme — vooral gezien de mogelijk ruime uitlegging van deze juridische term — meer nadelige gevolgen voor de wettige activiteiten van organisaties uit de civiele samenleving in Rusland zou kunnen hebben.
De EU beschouwt de volledige en praktische erkenning van de positieve rol die de NGO's en verdedigers van de mensenrechten spelen bij het streven naar vreedzame oplossingen voor de politieke en sociale conflicten, als een essentieel element van onze gedeelde waarden.
De EU neemt er nota van dat de NGO's herhaaldelijk hebben gerapporteerd over problemen waarmee zij ingevolge de nieuwe wetgeving geconfronteerd worden. De EU zal de implementatie van deze wetten op de voet volgen. De EU roept de Russische autoriteiten op zich te beraden of het, op grond van de tot dusver opgedane ervaring niet noodzakelijk lijkt dat de wetten worden gewijzigd, of dat de implementatie ervan wordt aangepast, zulks in het licht van de in het kader van de OVSE en de Raad van Europa vastgestelde normen en gedane toezeggingen, en is bereid om terzake met de Russische Federatie samen te werken.
PB C 293 van 05/12/2007