Parlementaire vraag - E-3354/2008(ASW)Parlementaire vraag
E-3354/2008(ASW)

Antwoord van mevrouw Vassiliou namens de Commissie

Benzoëzuur (E 210) en natrium-, kalium- en calciumbenzoaat (resp. E 211, E 212 en E 213) zijn bij Richtlijn 95/2/EG van het Europees Parlement en de Raad[1] (zoals gewijzigd) als conserveermiddel in de Europese Unie toegelaten. De desbetreffende levensmiddelencategorieën en bijbehorende maximumconcentraties staan in die richtlijn vermeld. Benzoaten zijn alleen toegestaan in bepaalde levensmiddelen, met een maximumconcentratie die uiteenloopt van 150 tot 500 milligram per kilogram (mg/kg) of milligram per liter (mg/l); slechts in een paar producten zijn maximumconcentraties tot 2000 mg/kg toegestaan.

Benzoaten zijn in 2002 voor het laatst door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding beoordeeld, waarbij een permanente aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van 5 mg/kg lichaamsgewicht per dag is vastgesteld.

Volgens de EU-wetgeving moeten de lidstaten officiële controles uitvoeren om onder meer na te gaan of levensmiddelenadditieven overeenkomstig de bepalingen van die wetgeving worden gebruikt. De EU-wetgeving vereist ook dat de lidstaten systemen hebben om de inname en het gebruik van levensmiddelenadditieven te volgen en daarover aan de Commissie verslag uit te brengen. Op grond van dergelijke gegevens heeft de Commissie in 2001 een verslag uitgebracht over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de EU[2]. In dat verslag wordt de inname van benzoaten geschat aan de hand van de werkelijke voedselconsumptiegegevens en de maximumgebruiksconcentraties, waarbij wordt aangenomen dat de desbetreffende additieven in alle mogelijke levensmiddelen worden gebruikt; gezien deze aanname kan dat als een voorzichtige schatting worden aangemerkt. De aldus geschatte inname ligt volwassenen tussen 6 en 84 % van de ADI en voor jonge kinderen tussen 17 en 96 % van de ADI. De Commissie is met hulp van deskundigen uit de lidstaten, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en koepelorganisaties van de EU-industrie begonnen met een nieuwe gegevensverzameling om de inname van levensmiddelenadditieven met de voeding in de Gemeenschap opnieuw en nauwkeuriger te bepalen.

In verband met de voorgestelde verordening over levensmiddelenadditieven, die deel uitmaakt van het pakket voorstellen van de Commissie betreffende voedselverbeteraars, heeft de Commissie de EFSA verzocht alle momenteel toegelaten levensmiddelenadditieven, dus ook benzoëzuur en de zouten daarvan, opnieuw te beoordelen.

De Commissie kent de berichten in de pers over een studie uit 1999 van prof. Peter Piper (de Southampton-studie), waarin het effect van benzoëzuur op gisten is onderzocht. In de conclusies van de studie wordt de vraag gesteld of dit effect relevant kan zijn voor de blootstelling van de mens aan dit additief. De Commissie kent echter geen andere studies op dit gebied. Zij heeft de EFSA verzocht na te gaan of de herbeoordeling van benzoëzuur en benzoaten in het licht van deze studie voorrang moet krijgen. Wat betreft de studie naar het effect van bepaalde additieven op het gedrag van kinderen heeft de EFSA na beoordeling van de resultaten van die studie op 7 maart 2008 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de ADI voor natriumbenzoaat te wijzigen.

Wel is bij de behandeling van het verordeningsvoorstel inzake levensmiddelenadditieven een amendement aangenomen om op producten die een van de in de Southampton-studie geëvalueerde kleurstoffen bevatten een waarschuwing aan te brengen in verband met hyperactiviteit bij kinderen.

Wat andere producenten betreft die natriumbenzoaat in hun producten hebben vervangen: in 2006 is gebleken dat in frisdrank onder bepaalde omstandigheden geringe concentraties benzeen kunnen worden gevormd als gevolg van de reactie van benzoëzuur met andere ingrediënten. Naar aanleiding hiervan heeft de frisdrankenindustrie onmiddellijk adviezen voor producenten opgesteld over methoden om de vorming van benzeen te beperken en heeft zij waar mogelijk de samenstelling van haar producten aangepast om dit probleem te minimaliseren. De lidstaten houden de situatie sindsdien nauwlettend in de gaten en gebleken is dat de gewijzigde samenstelling het gewenste resultaat heeft gehad.

Ten slotte wijs ik erop dat alle levensmiddelenadditieven voortdurend worden geobserveerd en telkens opnieuw worden beoordeeld wanneer wijzigingen in de gebruiksomstandigheden en nieuwe wetenschappelijke gegevens daartoe aanleiding geven. Mocht de EFSA dus op zeker moment tot de conclusie komen dat het levensmiddelenadditief niet veilig is voor de consument, dan zal de Commissie de nodige maatregelen nemen.