Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

  • bg - български
  • es - español
  • cs - čeština
  • da - dansk
  • de - Deutsch
  • et - eesti keel
  • el - ελληνικά
  • en - English
  • fr - français
  • ga - Gaeilge
  • hr - hrvatski
  • it - italiano
  • lv - latviešu valoda
  • lt - lietuvių kalba
  • hu - magyar
  • mt - Malti
  • nl - Nederlands (huidige pagina)
  • pl - polski
  • pt - português
  • ro - română
  • sk - slovenčina
  • sl - slovenščina
  • fi - suomi
  • sv - svenska
Parlementaire vragen
PDF 35kWORD 29k
9 februari 2010
E-6195/2009(ASW)
Antwoord van de heer Kallas namens de Commissie
Vraagnummer: E-6195/2009

Allereerst dient te worden opgemerkt dat de in 2009 voorgestelde bruto jaarlijkse aanpassing van 3,7 % zou hebben geleid tot een netto-aanpassing van 2,3 % vanaf 1 januari 2010 indien de inflatie voor internationaal personeel in Brussel en de verhoging van de pensioenbijdrage en de speciale heffing in rekening worden gebracht. Zoals de geachte Parlementsleden bekend is, heeft de Raad besloten een bruto jaarlijkse aanpassing van slechts 1,85 % toe te passen(1). De Commissie heeft tegen de Raad een beroep tot nietigverklaring ingesteld omdat zij meent dat de verordening van de Raad niet in overeenstemming is met de methode voor de jaarlijkse aanpassing bedoeld in artikel 65 van het statuut van de ambtenaren(2) en in bijlage XI bij dit statuut.

Wat de specifieke vragen betreft:

1. De methode voor de jaarlijkse aanpassing is in 2004 vastgesteld bij verordening van de Raad. Door middel van deze methode worden de salarissen van de EU‑ambtenaren en andere personeelsleden gekoppeld aan de ontwikkeling van de koopkracht van ambtenaren in een aantal lidstaten, die meer dan 75 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de EU vertegenwoordigen. De lidstaten werden zodanig geselecteerd dat werd vermeden dat de salarissen, zoals verwacht, bovengemiddeld zouden stijgen als gevolg van een inhaalbeweging — met een versnelde economische groei — in de lidstaten die sedert 2004 zijn toegetreden tot de EU. Bijgevolg was de ontwikkeling van de salarissen van de EU‑ambtenaren gedurende de twaalf maanden die voorafgingen aan de effectieve datum van de jaarlijkse aanpassing niet beter of slechter dan de gewogen gemiddelde salarisontwikkeling in de geselecteerde lidstaten. Uit de cijfers blijkt dat de koopkracht in de acht geselecteerde lidstaten tussen juli 2008 en juli 2009 is gestegen. De voorgestelde jaarlijkse aanpassing is dan ook het gevolg van het in die lidstaten gevoerde salarisbeleid. Indien de crisis ertoe leidt dat deze lidstaten lagere stijgingen of zelfs verlagingen toepassen, zal de impact van deze aanpassingen op lidstaatniveau worden weerspiegeld in de volgende jaarlijkse aanpassing op het niveau van de EU‑instellingen (een aanpassing kan positief of negatief zijn).
2. Het geachte Parlementslid kan deze aantallen terugvinden in de personeelsformatie die als bijlage bij de jaarlijkse EU-begroting voor 2009 is gevoegd, welke te vinden is op de EUR‑Lex‑website(3).
3. De Commissie wijst erop dat bij een vergelijking rekening moet worden gehouden met allerlei factoren zoals uitkeringen en voordelen in natura, en dat zij niet over volledige informatie hieromtrent beschikt. Daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat de instellingen en organen van de EU concurreren met andere internationale organisaties en met werkgevers uit de particuliere sector om hooggekwalificeerd personeel aan te werven en te behouden ter vervulling van de complexe administratieve en beleidsvormende taken in een meertalige werkomgeving en in standplaatsen waar de kosten voor levensonderhoud vaak hoog zijn. Om deze redenen moeten de salarissen worden vastgesteld op een niveau dat voldoende hoog is om geschikte kandidaten aan te trekken uit alle lidstaten, waar bepaalde nationale ambtenaren soms aanzienlijk meer verdienen dan de Nederlandse Minister‑president.

(1)Verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009 van de Raad van 23 december 2009 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2009 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen, PB L 348 van 29.12.2009, blz. 10.
(2)Zie bijlage bij Verordening nr. 31 (EEG) en nr. 11 (EGA) tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, PB P 45 van 14.6.1962, blz. 1385, als gewijzigd.
(3)http://eur-lex.europa.eu/budget/data/D2009_VOL1/NL/nmc-grseqAP2000182/index.html.

Juridische mededeling - Privacybeleid