Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

  • bg - български
  • es - español
  • cs - čeština
  • da - dansk
  • de - Deutsch
  • et - eesti keel
  • el - ελληνικά
  • en - English
  • fr - français
  • ga - Gaeilge
  • hr - hrvatski
  • it - italiano
  • lv - latviešu valoda
  • lt - lietuvių kalba
  • hu - magyar
  • mt - Malti
  • nl - Nederlands (huidige pagina)
  • pl - polski
  • pt - português
  • ro - română
  • sk - slovenčina
  • sl - slovenščina
  • fi - suomi
  • sv - svenska
Parlementaire vragen
PDF 45kWORD 24k
14 februari 2012
E-001428/2012
Vraag met verzoek om schriftelijk antwoord E-001428/2012
aan de Commissie
Artikel 117 van het Reglement
Michael Cashman (S&D) , Ulrike Lunacek (Verts/ALE) , Sophia in 't Veld (ALDE) , Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE) , Sirpa Pietikäinen (PPE) , Kinga Göncz (S&D) , Zita Gurmai (S&D) , Csaba Sándor Tabajdi (S&D) en Baroness Sarah Ludford (ALDE)

 Betreft: Nieuwe Hongaarse godsdienstwet en verenigbaarheid met de EU-wetgeving op het gebied van gelijke behandeling
 Schriftelijk antwoord 

In Hongarije is Wet CCVI van 2011 betreffende het recht op gewetens- en godsdienstvrijheid en betreffende de wettelijke status van kerken, religieuze denominaties en religieuze gemeenschappen onlangs in werking getreden. In deze wet wordt bepaald dat „kerkelijke instellingen gezien het feit dat zij ideologisch verbonden zijn, voorwaarden betreffende aanwerving en de vaststelling, het behoud en de beëindiging van het wettelijk dienstverband mogen bepalen om hun specifieke identiteit te kunnen behouden” (Artikel 2, lid 2).

Deze vergaande bepaling blijkt de beoordelingsmarge van sommige werkgevers voor discriminatie aanzienlijk te vergroten in vergelijking met artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. De bovengenoemde wet blijkt met name:

voorbij te gaan aan het criterium „wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste”, zoals uiteengezet in Richtlijn 2000/78/EG, en
de ontheffing, in strijd met Richtlijn 2000/78/EG, uit te breiden tot andere gronden dan religie en geloof.

Kan de Commissie gelet op het voorgaande toelichten of Wet CCVI van 2011 betreffende het recht op gewetens- en godsdienstvrijheid en betreffende de wettelijke status van kerken, religieuze denominaties en religieuze gemeenschappen verenigbaar is met het recht van de Unie en met name met Richtlijn 2000/78/EG? Is de Commissie, zo dat niet het geval is, bereid gerechtelijke stappen te ondernemen om deze teksten in overeenstemming met het acquis te brengen?

Oorspronkelijke taal van de vraag: ENPB C 211 E van 25/07/2013
Juridische mededeling - Privacybeleid