Parlementaire vraag - P-5176/2009Parlementaire vraag
P-5176/2009

    Herziening Richtlijn 2006/48/EG: kapitaalbeheer financiële tussenpersonen

    SCHRIFTELIJKE VRAAG P-5176/09
    van Alfredo Antoniozzi (PPE)
    aan de Commissie

    Op basis van een aantal persartikelen lijkt de herziening van Richtlijn 2006/48/EG[1] ook een verlaging te zullen omvatten, wat hypotheekleningen betreft, van de verhouding tussen de verstrekte financiering en de waarde van de gekochte woning. Dit cijfer kan in Italië momenteel wettelijk tot 80 % van de waarde van het vastgoed bedragen, terwijl het voorstel voor een herziening van de richtlijn blijkbaar voorziet in een verlaging hiervan in heel Europa tot 40 %. Met deze maatregel zou de Commissie de risico's willen beperken als gevolg van excessieve schuldenlasten voor hypotheekleningen, die zoals bekend de oorzaak waren van de financiële crisis. Hierbij moet evenwel op een aantal zaken worden gewezen. Eerst en vooral zouden de extra kosten als gevolg van de herziening, bijvoorbeeld voor verzekeringsproducten of de liquide middelen die nodig zijn om het verschil tussen de waarde van het vastgoed en de verstrekte lening te dekken, volledig ten laste komen van de klant. Bovendien zouden de kleine en middelgrote banken minder leningen kunnen verstrekken, doordat zij hun klanten op basis van het nieuwe cijfer moeten selecteren, zonder vrij over de prijszetting te kunnen beslissen. De Italiaanse markt voor hypotheekleningen leek ondanks de financiële crisis degelijk, met een insolventiecijfer voor hypotheekleningen van minder dan 2 %. Voorts is er het probleem van de woningnood, met name in Italië en in steden als Rome. De herziening in kwestie zou de groepen treffen met een laag inkomen, die hierdoor zware extra kosten zouden moeten dragen of zelfs definitief van de aankoop van een huis moeten afzien.

    Is de Commissie niet van mening dat het voorstel in kwestie het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel zou schenden, dat het voor groepen met een laag inkomen zou leiden tot hogere kosten voor een hypotheeklening, dat er geen rekening mee zou worden gehouden met het Europese probleem van woningnood en de noodzaak woningen ter beschikking te stellen en dat het tot slot een objectieve rem zou zijn voor de handel in vastgoed, een sector die in Italië al door een daling met 15 % tussen het eerste halfjaar van 2008 en 2009 getroffen is?

    Kan de Commissie daarom bevestigen dat de herziening van Richtlijn 2006/48/EG niet de bovengenoemde wijziging omvat, noch soortgelijke wijzigingen die negatieve gevolgen voor de door de banken voor hypotheekleningen geboden voorwaarden hebben? Kan zij daarentegen in het kader van het voorstel in kwestie of een ander voorstel suggereren hoe mogelijk kan worden gemaakt dat de banken burgers uit zwakke groepen een betere toegang tot een hypotheeklening voor de aankoop van een eerste huis kunnen verlenen? Bestaan er vormen van financiering of leningen die een gemeente aan de EU of de Europese Investeringsbank kan vragen om met banken erkende verlichte hypotheekleningen aan te bieden voor de aankoop van een eerste huis door de zwakste groepen? Zo niet, kan de Commissie in overleg met de Europese Investeringsbank een initiatief in deze richting onderzoeken?

    PB C 10 E van 14/01/2011