• EN - English
  • NL - Nederlands
Parlementaire vraag - P-003756/2018(ASW)Parlementaire vraag
P-003756/2018(ASW)

    Antwoord van de heer Andriukaitis namens de Europese Commissie

    In de wetgeving inzake dierlijke bijproducten[1] is vastgesteld dat insecten die in de EU worden gehouden om voor de productie van voedsel, voeder of voor andere veeteeltdoeleinden te worden gebruikt, „landbouwhuisdieren” zijn. Daarnaast wordt bij diezelfde wetgeving het gebruik van bepaalde materialen, zoals mest of keukenafval, als voeder voor bepaalde landbouwhuisdieren verboden. Voorts is het bij bijlage III bij Verordening (EG) nr. 767/2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders[2] verboden om fecaliën en de door het leegmaken of verwijderen van het spijsverteringskanaal vrijgekomen inhoud daarvan voor vervoedering te gebruiken.

    De Commissie is zich ervan bewust dat de insectenteelt in het kader van zowel haar actieplan voor de circulaire economie[3] als het beleidskader voor klimaat en energie 2030[4] een belangrijke rol kan spelen.

    Een herziening van de lijst van stoffen die voor voeder zijn verboden, kan worden overwogen als de met deze stoffen gevoederde insecten niet als voeder of voedsel worden gebruikt. Bovendien zouden beperkingen zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1069/2009 in overweging moeten worden genomen. Voor elke uitbreiding van de lijst van toegestane substraten voor in de EU geteelde insecten is evenwel een positief advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid vereist, voorafgegaan door een beoordeling van de risico's voor de gezondheid van mens en dier en van de gevolgen voor het milieu.

    Laatst bijgewerkt op: 9 augustus 2018
    Juridische mededeling - Privacybeleid