Procedure : 2010/2504(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B7-0078/2010

Ingediende teksten :

RC-B7-0078/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/02/2010 - 9.6
CRE 10/02/2010 - 9.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0016

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 162kWORD 95k
9.2.2010
PE432.931v01-00}
PE432.932v01-00}
PE432.933v01-00}
PE432.934v01-00}
PE432.935v01-00}
PE432.937v01-00}
PE432.939v01-00} RC1
 
B7-0078/2010}
B7-0079/2010}
B7-0080/2010}
B7-0081/2010}
B7-0082/2010}
B7-0084/2010}
B7-0086/2010} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B7‑0078/2010)

Verts/ALE (B7‑0079/2010)

PPE (B7‑0080/2010)

EFD (B7‑0081/2010)

S&D (B7‑0082/2010)

ALDE (B7‑0084/2010)

GUE/NGL (B7‑0086/2010)


over Iran


José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Elmar Brok, Lena Kolarska-Bobińska, Mario Mauro, Michael Gahler, Alejo Vidal-Quadras, Potito Salatto, Tunne Kelam, Salvatore Tatarella, Monica Luisa Macovei, Kurt Lechner, Bogusław Sonik, Marco Scurria namens de PPE-Fractie
Adrian Severin, Hannes Swoboda, María Muñiz De Urquiza, Roberto Gualtieri, Ana Gomes, Sergio Gaetano Cofferati, Kristian Vigenin namens de S&D-Fractie
Marietje Schaake, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Johannes Cornelis van Baalen, Frédérique Ries, Louis Michel, Marielle De Sarnez namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler, Isabelle Durant, Ulrike Lunacek namens de Verts/ALE-Fractie
Charles Tannock, Geoffrey Van Orden, Ashley Fox, Tomasz Piotr Poręba, Paweł Robert Kowal, Konrad Szymański, Adam Bielan, Ryszard Czarnecki namens de ECR-Fractie
Cornelia Ernst, Helmut Scholz namens de GUE/NGL-Fractie
Fiorello Provera, Bastiaan Belder namens de EFD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over Iran  

Het Europees Parlement,

–    onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Iran,

 

–    gezien de verklaring van 5 februari 2010 over de komende terechtstellingen in Iran van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton,

 

–    gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en de VS van 8 februari 2010, waarin de Iraanse regering wordt verzocht aan haar verplichtingen op het gebied van de mensenrechten te voldoen,

 

–    gezien de verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement van 9 oktober 2009 over de blijvende inzet van het Parlement voor de wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en in het bijzonder zijn veroordeling van de terdoodbrenging van jeugdige delinquenten,

 

–    - gezien de verklaring van de Europese Raad over Iran van 10/11 december 2009,

 

–    gezien de verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger van 12 januari 2010 over het proces tegen zeven Baha'i-leiders in Iran

 

–    gezien de resolutie van de Raad van bestuur van het Internationaal Atoomenergie-agentschap (IAEA) van 27 november 2009 over de tenuitvoerlegging van de waarborgovereenkomst van het NPV en de desbetreffende bepalingen van de resoluties 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1835 (2008) van de VN-Veiligheidsraad in de Islamitische Republiek Iran,

 

–    gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle door Iran zijn ondertekend,

 

–    gezien de verklaring van de inlichtingen- en veiligheidsdienst van Iran van 5 januari 2010, dat alle contacten tussen Iraanse burgers en 60 niet-gouvernementele organisaties plus talloze internationale media die uitzendingen in het Farsi verzorgen, "illegaal" zijn,

 

–    gezien het “uitstel” door de Iraanse autoriteiten van het bezoek van de Delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met Iran aan Teheran, dat van 8 tot 11 januari 2010 plaats had moeten vinden,

 

–    gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

 

Democratie en mensenrechten

 

A.  overwegende dat de politieke situatie in Iran steeds slechter wordt en de Iraanse regering niet laat blijken van plan te zijn te reageren op de binnenlandse en wereldwijde bezorgdheid over de legitimiteit van de in juni 2009 gehouden verkiezingen; overwegende dat de aanwijzingen over grootschalige fraude uitmondden in een brede protestbeweging (de zogenoemde "groene beweging") met massademonstraties die de afgelopen maanden hebben voortgeduurd;

 

B.   overwegende dat de politieke ontwikkelingen in Iran na de omstreden presidentsverkiezing van juni 2009 getoond hebben dat er een groot potentieel is voor door het volk geleide democratische veranderingen, aangevoerd door het vitale en actieve maatschappelijk middenveld van Iran;

C.  overwegende dat de Iraanse veiligheidstroepen - de Revolutionaire Garde, de Basij-militie en de politie - hardhandig hebben gereageerd en naar willekeur duizenden vreedzame demonstranten en dissidenten hebben opgepakt, waaronder studenten en academici, feministen, vakbondsleden, advocaten, journalisten, bloggers, geestelijken en vooraanstaande mensenrechtenactivisten, hetgeen duidelijk bedoeld is om critici en dissidenten de mond te snoeren,

 

D.  overwegende dat veel van de gearresteerden naar verluidt zijn geslagen of gefolterd, en in sommige gevallen seksueel misbruikt, in gevangenissen en geheime detentiecentra; overwegende dat een onderzoek, uitgevoerd door de Majlis van de Islamitische Republiek Iran begin 2010, heeft uitgewezen dat de openbaar aanklager Saeed Mortazavi direct verantwoordelijk was voor het overlijden van ten minste drie gedetineerden ten gevolge van folteringen en verwaarlozing in de gevangenis van Kahrizak, waarvan de rechterlijke macht drie jaar eerder de sluiting had bevolen,

 

E.   overwegende dat overheidsambtenaren bevestigd hebben dat sedert juni 2009 ten minste 30 betogers bij demonstraties of in de gevangenis gestorven zijn en dat ten minste zeven doden gevallen zijn bij de gevechten op 27 december, de heilige dag van Ashura; overwegende dat het werkelijke aantal dodelijke slachtoffers van door de regering aangestookt geweld waarschijnlijk veel hoger ligt,

 

F.   overwegende dat de veiligheidstroepen nog meer dan voorheen stelselmatig leden van religieuze minderheden, zoals bahá'is (alle zeven leden van de vroegere geestelijke bahá'i-raad zijn gearresteerd en staan nu terecht), Soenieten en Christenen (onder wie acht geestelijken) vervolgen en een campagne voeren van willekeurige arrestaties van Koerdische, Azerische, Baluchische en Arabische maatschappelijke organisaties en politieke activisten; overwegende dat er 21 Koerden op executie wachten,

 

G.  overwegende dat het Iraanse parlement op 9 september 2008 een 'Apostasiewet’ heeft aangenomen waarbij de doodstraf werd gesteld op bekering van de Islam tot een andere godsdienst,

 

H.  overwegende dat vanaf augustus 2009 de rechterlijke macht schijnprocessen heeft opgevoerd tegen honderden prominente hervormers en activisten wegens hun vermeende banden met "oproerkraaiers" in een poging een "fluwelen revolutie" uit te lokken; overwegende dat tijdens deze processen vele van deze dissidenten op tv bekentenissen aflegden die kennelijk afgedwongen waren,

 

I.    overwegende dat de Iraanse regering de Europese landen blijft beschuldigen van inmenging in de Iraanse politieke ontwikkelingen; overwegende dat deze beschuldigingen hebben geleid tot de uitzetting van twee Britse diplomaten, de arrestatie van verschillende Iraanse personeelsleden van de Britse ambassade en de arrestatie van een Zweedse en twee Duitse diplomaten wegens hun vermeende rol in betogingen in Iran na de verkiezingen;

 

J.    overwegende dat op 28 januari 2010 Mohammad Reza Ali-Zamani and Arash Rahmanipour terecht werden gesteld, de eerste executies die volgens officiële bronnen in verband met de protestbeweging worden gebracht, ofschoon zij, althans een van hen, ten tijde van de verkiezingen reeds gevangen zaten; overwegende dat naar verluidt ten minste negen mensen ter dood zijn veroordeeld op beschuldiging van het onderhouden van banden met de groene beweging,

 

K.  overwegende dat op 27 december 2009, de laatste dag van het Asjoera-feest, de 35 jaar oude Ali Mousavi, neef van de belangrijkste tegenkandidaat bij de presidentsverkiezingen in juni, Mir Hossein Mousavi, is doodgeschoten en opzettelijk door een auto is overreden, waarbij alles erop wijst dat dit een gerichte moordaanslag was, bedoeld als krachtige waarschuwing aan het adres van de prominente oom,

 

L.   overwegende dat op 8 januari 2010 een aanslag is gepleegd op Mehdi Karroubi, de op een na belangrijkste tegenkandidaat bij de presidentsverkiezingen, toen er twee schoten werden afgevuurd op zijn gepantserde auto, terwijl leden van de Basij-militie en de Revolutionaire Garde tegen Karroubi's aanwezigheid in Qazvin demonstreerden,

 

M.  overwegende dat de beperkingen van de vrijheid van de pers en de vrijheid van meningsuiting nog steeds toenemen en overwegende dat de Iraanse autoriteiten zijn overgegaan tot het veelvuldig en op grote schaal storen van internationale radio- en tv-zenders, vele internationale websites, waaronder Facebook en Twitter, alsook sites van de plaatselijke oppositie en mobieletelefoondiensten in Teheran, hetgeen ook storingen opleverde op netwerken in het Midden-Oosten en zelfs in Europa,

 

N.  overwegende dat Europese en Russische bedrijven Iran de vereiste filter- en stoorapparatuur hebben geleverd, wat in sommige gevallen zelfs een gezondheidsrisico voor de omwonenden opleverde,

 

O.  overwegende dat de Revolutionaire Garde, de geheime dienst en de Basij-militie een steeds actievere rol in de Iraanse samenleving vervullen bij het hardhandig optreden tegen Iraanse burgers en de arrestaties van verdedigers van de mensenrechten, en het recht in eigen handen lijken te nemen;

 

 

De nucleaire kwestie

 

P.   overwegende dat Iran het Verdrag ter voorkoming van de verspreiding van kernwapens (non-proliferatieverdrag, NPV) heeft ondertekend, het bezit van kernwapens dus heeft afgezworen door dit verdrag te ratificeren en wettelijk verplicht is om al zijn nucleaire activiteiten en kernmateriaal te melden bij en onder controle te stellen van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA),

 

Q.  overwegende dat in artikel IV van het non-proliferatieverdrag is vastgelegd dat alle partijen bij het verdrag het onvervreemdbare recht hebben om het onderzoek, de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen zonder onderscheid en in overeenstemming met de artikelen I en II van het verdrag,

 

R.   overwegende dat Iran heimelijk een verrijkingsinstallatie bij Qom heeft gebouwd en dit pas lang na het begin van de bouw bij het IAEA heeft gemeld, waarmee het zijn verplichtingen ingevolge het non-proliferatieverdrag heeft overtreden; overwegende dat deze verdragsschending doet vermoeden dat er nog meer geheime nucleaire installaties bestaan; overwegende dat een en ander niet bevorderlijk is voor de geloofwaardigheid van Irans verzekering dat het nucleaire programma zuiver civiel van aard is,

 

S.   overwegende dat voormalige directeur-generaal Muhammed el-Baradei van het Internationaal Atoomenergie-agentschap in het bovengenoemde rapport van 16 november 2009 opmerkt dat als Iran het aanvullend protocol niet ten uitvoer legt en het IAEA geen bevredigende opheldering geeft over onopgeloste kwesties, het Agentschap geen geloofwaardige garanties kan geven betreffende het ontbreken van niet-gemeld nucleair materiaal en activiteiten op nucleair gebied in Iran, en dat hij er tevens op wijst dat een aantal kwesties nog steeds niet opgehelderd is, wat aanleiding geeft tot vragen over de mogelijke militaire dimensies van het Iraanse kernprogramma,

 

T.   overwegende dat er is gezocht naar een diplomatieke oplossing voor het vraagstuk van Irans nucleaire programma en dat de EU, de VS, China en Rusland in dat kader een regeling onder toezicht van het IAEA hadden voorgesteld, die inhield dat laagverrijkt uranium van Iran naar Rusland en Frankrijk zou worden vervoerd om aldaar tot splijtstofstaven te worden verwerkt teneinde de medische onderzoeksreactor in Teheran in bedrijf te houden, en overwegende dat er, sinds Iran dit voorstel heeft verworpen, debatten in de Veiligheidsraad over versterkte sancties tegen Iran worden gevoerd,

 

U.  overwegende dat Iran door blijft gaan met de ontwikkeling van ballistische rakettechnologie en werkt aan het vermogen om intercontinentale ballistische raketten te lanceren die geschikt zijn om kernkoppen te dragen,

 

V.  overwegende dat de Iraanse regering tegenstrijdige verklaringen over haar kernprogramma heeft afgelegd en de opdracht heeft gegeven dat verdere verrijkingsactiviteiten op 7 februari 2010 moeten beginnen,

 

Democratie en mensenrechten

 

1.   uit zijn ernstige twijfels over de waarheid van de verkiezingsresultaten op basis waarvan president Ahmedinajad een tweede ambtstermijn heeft gekregen, ondanks sterke aanwijzingen van grootschalige verkiezingsfraude; is van mening dat de legitimiteit van de Iraanse president serieus is aangetast;

 

2.   brengt hulde aan de moed van alle Iraanse burgers die om meer vrijheid en meer democratische rechten vragen en de wens uitdragen om in een maatschappij te leven die vrij is van onderdrukking en intimidatie; denkt met speciale bewondering aan de Iraanse vrouwen die een cruciale rol hebben gespeeld tijdens de demonstraties na de verkiezingen in juni,

 

3.   steunt van ganser harte de democratische aspiraties van het Iraanse volk en betreurt ten zeerste dat de Iraanse regering en het Iraanse parlement niet openstaan voor de gerechtvaardigde verlangens van de Iraanse burgers, met name van de jonge generatie, wier hoop op economische en sociale ontwikkeling al te lang verstikt wordt;

 

4.   vraagt in dit verband dat het recht van vreedzame vergadering en de vrijheid van meningsuiting volledig gerespecteerd worden door de Iraanse regering tijdens de demonstraties die zijn aangekondigd voor 11 februari 2010; veroordeelt scherp het gebruik van geweld door de Iraanse autoriteiten tegen betogers die hun recht van vrije meningsuiting en van vreedzame vergadering willen uitoefenen;

 

5.   verzoekt om onmiddellijke invrijheidstelling van al degenen die uitsluitend gevangen zijn gezet wegens het vreedzaam uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering of wegens hun godsdienstige overtuiging of seksuele geaardheid, en verzoekt de autoriteiten om onderzoek omtrent en vervolging van regeringsfunctionarissen en veiligheidsagenten die verantwoordelijk zijn voor de dood, mishandeling en foltering van dissidenten of hun familieleden, demonstranten en gevangenen,

 

6.   veroordeelt krachtig de doodstraffen en executies in Iran, met name in het geval van Mohammed Reza Alizamani en Arash Rahmanipour en dringt aan op afschaffing van de doodstraf; doet een beroep op de Iraanse autoriteiten om betogers die vreedzaam voor meer democratische rechten demonstreren niet langer "Moharabeh" (vijandschap tegen God) ten laste te leggen, waarop op grond van het Iraanse strafrecht de doodstraf rust, dringt bij Iran aan op onmiddellijke uitvoering van het VN-moratorium op de doodstraf, waarom wordt verzocht in de resoluties 62/149 en 63/168 van de Algemene Vergadering van de VN;

 

7.   is ontsteld over de pogingen van de regering en/of de veiligheidstroepen om presidentskandidaten en hun familieleden te vermoorden en doet een beroep op de opperste leider Khamenei de veiligheid van de Iraanse oppositieleiders te garanderen;

 

8.   veroordeelt het censureren van de geschreven pers en het storen van radio, tv en internet, waaronder uitzendingen van de BBC, door de Iraanse autoriteiten en verlangt dat de EU en de lidstaten de internationale doorwerking van deze praktijken bij de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) aankaarten;

 

9.   veroordeelt het besluit van de Iraanse autoriteiten om contacten met buitenlandse niet-gouvernementele organisaties te verbieden, vooral met organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de burgerlijke vrijheden en rechten, en roept hen op dit verbod onmiddellijk in te trekken;

 

10. verlangt dat de Iraanse autoriteiten onmiddellijk een eind maken aan de op televisie uitgezonden showprocessen en verzoekt het Iraanse parlement de wet te veranderen die de regering de mogelijkheid geeft om procedurele rechten zoals het recht van de verdachte op een advocaat buiten werking te stellen;

 

11. uit scherpe kritiek op de internationale ondernemingen, en met name Nokia Siemens, die de Iraanse overheid de technologie voor censuur en bewaking leveren, waarmee ze zich medeplichtig maken aan de vervolging en arrestatie van Iraanse dissidenten;

 

12. betreurt de beweringen dat personeel van Europese ambassades zich schuldig zou hebben gemaakt aan inmenging in binnenlandse aangelegenheden en dringt er in dit verband op aan dat de Iraanse autoriteiten zich aan de Conventie van Wenen en de diplomatieke normen houden;

 

De nucleaire kwestie

 

13. bevestigt andermaal dat, ondanks het recht van Iran om kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen op grond van de non-proliferatieregeling het gevaar van verspreiding van kernwapens als gevolg van het Iraanse nucleaire programma, voor de EU en de internationale gemeenschap aanleiding blijft tot ernstige verontrusting, zoals zeer duidelijk wordt geformuleerd in de resoluties 1737, 1747, 1803 en 1835 van de VN-Veiligheidsraad;

 

14. laakt dat geen wezenlijke vooruitgang is geboekt bij belangrijke zaken die aanleiding geven tot grote bezorgdheid en verzoekt Iran andermaal zijn nucleaire programma weer doorzichtig te maken door het IAEA volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven, alle openstaande kwesties met betrekking tot dit programma op te lossen en de verontrusting daarover weg te nemen, ook op punten met een mogelijke militaire dimensie, volledig uitvoering te geven aan de bepalingen van de Comprehensive Safeguard Agreement, met inbegrip van de aanvullende afspraken daarvan, en het aanvullend protocol de ratificeren en ten uitvoer te leggen;

 

15. steunt de tweesporenbenadering van de Europese Raad alsmede alle inspanningen om via onderhandelingen een langetermijnoplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie te bereiken; beklemtoont dat bij nadere sancties in verband met de nucleaire bedreiging moet worden afgezien van maatregelen die negatieve gevolgen voor de Iraanse bevolking als geheel zouden hebben;

 

16. betreurt dat de Iraanse regering opnieuw afwijzend heeft gereageerd op alle pogingen om een compromis over de nucleaire kwestie vinden, en dat het Iraanse bewind kennelijk probeert deze kwestie te gebruiken om de aandacht van de crisis in het land af te leiden en als een tactiek om tijd te winnen en de discussie binnen de VN-Veiligheidsraad over verdere sancties uit de weg te gaan, en beschouwt de laatste aankondigingen van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad als onderdeel van deze tactiek ;

 

De betrekkingen tussen de EU en Iran

 

17. onderstreept het belang van voortzetting van de dialoog met Iran op alle niveaus, met name met de maatschappelijke organisaties; betreurt dat het bezoek van de delegatie van het Europees Parlement van Iraanse zijde is uitgesteld en spreekt de hoop uit dat de regering en het parlement van Iran hun standpunt over rechtstreekse contacten willen herzien;

 

18. roept de Raad op bereid te blijven het gesprek met Iran aan te gaan om, rekening houdend met de legitieme veiligheidsbelangen en -zorgen van Iran, door middel van onderhandelingen tot een oplossing te komen voor de nucleaire kwestie, mocht Iran concrete besluiten in die richting nemen;

 

19. acht een serieuze discussie op EU – niveau nodig over mogelijke invoering van nog meer doelgerichte sancties die de bevolking van Iran in het algemeen niet treffen; verzoekt om uitbreiding van de bestaande lijst van individuen en organisaties waarop het EU-reisverbod en de bevriezing van activa van toepassing zijn, onder wie degenen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking en de beknotting van de vrijheden in het land alsmede degenen die verantwoordelijk zijn voor de schending van de Iraanse internationale verplichtingen ten aanzien van de nucleaire kwestie;

 

20. is verheugd over de recente verklaringen van de Hoge Vertegenwoordiger en Vice-Voorzitter van de Commissie en andere EU-leiders dat de volgende stap moet zijn de discussie in de Veiligheidsraad van de VN voort te zetten en doet een beroep op het Franse voorzitterschap van de VN-Veiligheidsraad gedurende februari 2010 het Iraanse nucleaire vraagstuk op de agenda van de VN-Veiligheidsraad te zetten; vraagt de Chinese autoriteiten steun te geven aan het streven van de internationale gemeenschap het uraniumverrijkingsprogramma van Iran te beknotten;

 

21. herinnert de Iraanse autoriteiten eraan dat alleen vruchtbare betrekkingen tussen de Europese Unie en Iran kunnen ontstaan als Iran de fundamentele mensenrechten garandeert en de beginselen van democratie, vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat respecteert, daar dit van alle landen die politieke en economische betrekkingen met de EU onderhouden wordt verlangd; onderstreept dat de mogelijke sluiting van een samenwerkings- en handelsovereenkomst tussen Iran en de EU afhangt van de eerbiediging van deze waarden, de volledige naleving door Iran van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad en het IAEA en van objectieve garanties ten aanzien van het vreedzame karakter van zijn kernprogramma en stopzetting van de steun van Iran voor terroristische activiteiten

 

22. vraagt de lidstaten en de Commissie om initiatieven ter verbetering van de mediapluriformiteit actief te ondersteunen en is ingenomen met de vooruitgang bij het reeds gelanceerde project inzake Europees nieuws in Farsi;

 

23. verzoekt de Commissie en de Raad onverwijld een verbod in te stellen op de uitvoer van bewakingstechnologie door Europese bedrijven naar landen als Iran waar deze kan worden ingezet om de mensenrechten te schenden;

 

24. roept de Commissie op in Teheran een EU-delegatie op te zetten;

 

25. verzoekt de Commissie en de Raad aanvullende maatregelen in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het Europese immigratiebeleid te formuleren om de veiligheid van Iraanse strijders voor de mensenrechten actief te ondersteunen;

 

26. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Hoge Vertegenwoordiger, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid