Gezamenlijke ontwerpresolutie - RC-B7-0246/2010Gezamenlijke ontwerpresolutie
RC-B7-0246/2010

    GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE over de situatie in Kirgizië

    3.5.2010

    ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 4, van het Reglement
    ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:
    Verts/ALE (B7‑0246)
    ALDE (B7‑0251/2010)
    ECR (B7‑0255/2010)
    S&D (B7‑0256/2010)
    PPE (B7‑0257/2010)

    Elmar Brok, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Filip Kaczmarek, Cristian Dan Preda, Ioannis Kasoulides, Paolo Bartolozzi namens de PPE-Fractie
    Gilles Pargneaux namens de S&D-Fractie
    Niccolò Rinaldi, Ramon Tremosa i Balcells namens de ALDE-Fractie
    Bart Staes, Heidi Hautala, Nicole Kiil-Nielsen namens de Verts/ALE-Fractie
    Jacek Olgierd Kurski, Zbigniew Ziobro, Tomasz Piotr Poręba, Ryszard Antoni Legutko namens de ECR-Fractie


    Procedure : 2010/2656(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    RC-B7-0246/2010
    Ingediende teksten :
    RC-B7-0246/2010
    Debatten :
    Aangenomen teksten :

    Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Kirgizië

    Het Europees Parlement,

    –   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Kirgizië en Centraal-Azië, met name die van 12 mei 2005,

     

    –   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 februari 2008 over een EU-strategie voor Centraal-Azië,

     

    –   gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton van 7 en 8 april 2010 over de situatie in Kirgizië,

     

    –   gezien de conclusies van de Raad (Buitenlandse Zaken) van 26 april 2010,

     

    –   gezien de verklaringen van de EU op de bijeenkomst van de Permanente Raad van de OVSE over de situatie in Kirgizië op 22 april 2010,

     

    –   onder verwijzing naar de EU-strategie voor een nieuw partnerschap met Centraal-Azië die door de Europese Raad op zijn zitting van 21 en 22 juni 2007 is aangenomen,

     

    –   gelet op de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Kirgizië, die in 1999 in werking is getreden,

     

    –   gezien het strategiedocument van de Europese Gemeenschap voor bijstand aan Centraal-Azië voor de periode 2007-2013,

     

    –   gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat het in het belang is van de volkeren van zowel Centraal-Azië als de Europese Unie dat er vooruitgang wordt geboekt op het gebied van stabiliteit en democratische en menselijke ontwikkeling, menselijke veiligheid en duurzame groei in de gehele regio,

    B.  overwegende dat Kirgizië lid is van de OVSE en als zodanig gehouden is de grondrechten, de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen en de democratische normen van de OVSE toe te passen,

    C. overwegende dat Koermanbek Bakijev, die in juli 2005 voor het eerst aantrad na de zgn. Tulpenrevolutie, vorig jaar herkozen werd voor een nieuwe ambtstermijn als president bij verkiezingen waarbij volgens onafhankelijke waarnemers op grote schaal gefraudeerd was; overwegende dat Bakijev zich aanvankelijk democratisch opstelde, maar zich vervolgens als een autoritair leider ontpopte,

    D. overwegende dat Kirgizische troepen op 7 april 2010 kogels, traangas en verdovingsgranaten gebruikten tegen een menigte demonstranten die voor het presidentieel paleis in Bisjkek bijeengekomen waren en vervolgens regeringsgebouwen bestormden uit protest tegen de sterke prijsstijgingen voor elektriciteit en verwarming, waarbij 84 doden en meer dan 500 gewonden vielen,

    E.  overwegende dat president Bakijev werd gedwongen de hoofdstad te ontvluchten en dat zijn plaats werd ingenomen door een voorlopige regering onder leiding van oppositieleider Roza Otoenbajeva, die een decreet over de machtsopvolging en naleving van de Kirgizische grondwet uitvaardigde en het parlement ontbond; overwegende dat Bakijev, nadat hij een week na de opstand getracht had de voorwaarden voor zijn aftreden te bepalen, het land heeft verlaten en naar Kazachstan is vertrokken na bemiddeling door Rusland, de VS en Kazachstan,

    F.  overwegende dat Kirgizië voor de VS en Rusland van bijzonder belang is, aangezien het land door de nabijheid van Afghanistan en de Ferghana-vallei, die geografisch, politiek en economisch in het hart van Centraal-Azië gelegen is, een strategische positie inneemt; overwegende dat het militaire Manas Transit Center van de VS een sleutelrol speelt in het noordelijk distributienetwerk voor de bevoorrading van de NAVO-troepen in Afghanistan en dat ook Rusland een belangrijke militaire basis in Kirgizië heeft,

    G. overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Centraal-Azië van cruciaal belang zijn, gezien de gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van energie, het tegengaan van klimaatverandering, het inperken van de drughandel en de strijd tegen het terrorisme,

    H. overwegende dat de geopolitieke rivaliteit in de regio weliswaar een aanzienlijk destructief potentieel in zich bergt, maar dat er ook sprake is van grotendeels samenvallende belangen met betrekking tot Afghanistan en de verspreiding van het radicale islamisme, hetgeen de mogelijkheid biedt om deze rivaliteit te beperken en overeenstemming te bereiken over de noodzaak van verbetering van het bestuur,

    I.   overwegende dat de EU zich te allen tijde moet houden aan haar doelstelling om mensenrechten, democratie en rechtsstaat een centrale plaats te geven in alle overeenkomsten met derde landen en door een consequent beleid democratische hervormingen te stimuleren zodat haar geloofwaardigheid als regionale macht groter wordt,

    J.   overwegende dat de bemoeienis van de EU met Kirgizië, vooral door hulp te doneren, van groot belang is en goede mogelijkheden biedt om een grotere rol bij de ondersteuning van het land te spelen,

    K. overwegende dat de Commissie en de Raad bezig zijn met een herziening van de strategie voor Centraal-Azië, waarover op de zitting van de Europese Raad van juni een verslag zal worden ingediend,

    1.  geeft uiting aan zijn hevige verontrusting over de situatie in Kirgizië en betuigt zijn medeleven met de nabestaanden van alle slachtoffers van de noodlottige gebeurtenissen;

    2.  roept alle partijen op een einde te maken aan het geweld, zelfbeheersing aan de dag te leggen en al het mogelijke te doen om een echte dialoog op gang te brengen met als doel stabiliteit te brengen en de voorwaarden te scheppen voor een vreedzame terugkeer naar een democratisch staatsbestel;

    3.  beklemtoont dat vanuit institutioneel oogpunt een coherent en stabiel staatsbestel van wezenlijk belang is om te voorkomen dat er weer sociale onrust uitbreekt en om het Kirgizische volk een vreedzame toekomst te garanderen, en is dan ook verheugd over de samenwerking tussen de voorlopige regering en de Commissie van Venetië;

    4.  neemt kennis van de eerste maatregelen van de voorlopige regering om de democratie te herstellen, met name de plannen om een nieuwe grondwet op te stellen en daarbij de door Bakijev ingevoerde grondwetswijzigingen die de president buitensporig veel macht verschaften ongedaan te maken;

    5.  is in dit verband verheugd over het feit dat de voorlopige regering heeft aangekondigd dat het referendum over de nieuwe grondwet op 27 juni 2010 zal plaatsvinden en dat er op 10 oktober 2010 parlementsverkiezingen zullen worden gehouden; verzoekt de voorlopige regering de internationale verplichtingen van Kirgizië na te komen en erop toe te zien dat de verkiezingen vrij en eerlijk zullen verlopen;

    6.  benadrukt het grote belang van actieve bemoeienis met de voorlopige regering teneinde de mogelijkheden voor bevordering van behoorlijk bestuur, een onafhankelijke rechterlijke macht en andere EU-doelstellingen zoals neergelegd in de strategie voor Centraal-Azië te exploreren en benutten en om de betrokkenheid en bijdragen van internationale financiële instellingen mogelijk te maken;

    7.  wenst dat onder leiding van de VN een internationaal onderzoek naar de gebeurtenissen wordt ingesteld om vast te stellen wie voor welke daden verantwoordelijk is geweest en wie tekortgeschoten is, en ook om de justitiële autoriteiten van Kirgizië te steunen, en dringt er bij de voorlopige regering op aan dat zij de hulp van het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten inroept om te bereiken dat het onderzoek naar de gebeurtenissen van 6 en 7 april 2010 grondig, onpartijdig en geloofwaardig zal zijn;

    8.  wijst erop dat de Tulpenrevolutie van 2005 hoge verwachtingen had gewekt dat er democratische hervormingen in de Kirgizische maatschappij zouden gaan plaatsvinden, maar dat daar niets van terechtgekomen is; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan consequent en doortastend te werk te gaan en de gelegenheid te baat te nemen om middelen te vinden om de voorlopige regering van Kirgizië bij te staan en de autoriteiten te helpen om in samenwerking met alle belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld van Kirgizië democratische hervormingen van de grond te krijgen en het leven van de mensen te verbeteren dankzij nationale ontwikkeling en het mondig maken van de burgers;

    9.  merkt op dat Kirgizië vanwege het nijpende gebrek aan hulpbronnen en zijn grote kwetsbaarheid sterk van buitenlandse steun afhankelijk is; wijst er voorts op dat het in zijn nabije omgeving slechts uiterst weinig voorbeelden van een democratisch en goed functionerend bestuur en positieve maatschappelijke ontwikkeling ziet; wijst er in dit verband op dat internationale bijstand van cruciaal belang zal zijn;

    10. wijst erop dat de ontwikkelingen in Kirgizië en de regionale en internationale ontwikkelingen elkaar over en weer beïnvloeden; is ervan overtuigd dat de belangen van Rusland, de VS en andere landen voor een belangrijk deel samenvallen, met name waar het gaat om Afghanistan en het toenemende islamitisch radicalisme in de regio en in Kirgizië; is van mening dat hieruit volgt dat geopolitieke rivaliteit beperkt kan blijven en dat er naar synergieën kan worden gezocht; is van oordeel dat de internationale betrekkingen en de internationale veiligheid erbij gebaat zullen zijn als dit slaagt;

    11. verzoekt de speciale afgezant voor Centraal-Azië van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de situatie op de voet te volgen, bijstand te verlenen en de hervatting van de dialoog tussen alle geledingen van de Kirgizische maatschappij te bevorderen;

    12. verzoekt de Commissie en de Raad met spoed na te gaan of de voorwaarden voor het lanceren van een internationaal gecoördineerd grootscheeps nieuw bijstandsprogramma voor Kirgizië aanwezig zijn of kunnen worden geschapen, en daarbij niet in de laatste plaats erop te letten in hoeverre de voorlopige regering van Kirgizië werkelijk naar democratisering en behoorlijk bestuur wil streven; stelt dat de EU het initiatief tot een internationale donorconferentie over Kirgizië moet nemen als geoordeeld wordt dat er voldoende gunstige voorwaarden aanwezig zijn;

    13. dringt aan op grootschalige inzet van het Stabiliteitsinstrument; beklemtoont dat Kirgizië geholpen moet worden om de maatschappelijke en economische problemen te boven te komen; verzoekt de Commissie voorstellen voor hertoewijzing van middelen van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) voor te bereiden om er zo toe bij te dragen dat de EU zowel op de korte als op de middellange termijn naar behoren kan reageren op de nieuwe situatie in Kirgizië; benadrukt dat er bijzondere prioriteit dient te worden verleend aan het oplossen van problemen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en watervoorziening;

    14. ziet uit naar de beoordeling van de vorderingen die gemaakt zijn bij de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de regio en dringt erop aan dat dat beleid geloofwaardiger, concreter en samenhangender wordt gemaakt;

    15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de voorlopige regering van Kirgizië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de OVSE en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.