Procedure : 2010/2968(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B7-0624/2010

Ingediende teksten :

RC-B7-0624/2010

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0439

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 145kWORD 81k
23.11.2010
PE450.459v01-00}
PE450.461v01-00}
PE450.462v01-00}
PE450.463v01-00}
PE450.485v01-00} RC1
 
B7-0624/2010}
B7-0625/2010}
B7-0626/2010}
B7-0627/2010}
B7-0649/2010} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

PPE (B7‑0624/2010)

S&D (B7‑0625/2010)

ALDE (B7‑0626/2010)

ECR (B7‑0627/2010)

Verts/ALE (B7‑0649/2010)


over het tienjarig bestaan van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid


Edit Bauer, Philippe Juvin, Lena Kolarska-Bobińska, Elisabeth Jeggle, Mariya Nedelcheva, Eleni Theocharous, Elisabeth Morin-Chartier namens de PPE-Fractie
Véronique De Keyser, Maria Eleni Koppa, Ana Gomes, Richard Howitt, Roberto Gualtieri namens de S&D-Fractie
Norica Nicolai, Marielle De Sarnez namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler, Franziska Katharina Brantner, Ulrike Lunacek, Heidi Hautala, Raül Romeva i Rueda, Jean Lambert, Indrek Tarand, Bart Staes, Nicole Kiil-Nielsen, Eva Lichtenberger, Frieda Brepoels, Catherine Grèze, Marije Cornelissen, Judith Sargentini namens de Verts/ALE-Fractie
Charles Tannock namens de ECR-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het tienjarig bestaan van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid  

Het Europees Parlement,

–   gezien resoluties 1325 (2000) en 1820 (2008) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid, en resolutie 1888 (2009) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen in situaties van gewapend conflict, waarin de verantwoordelijkheid van alle staten wordt beklemtoond om een einde te maken aan straffeloosheid en degenen die verantwoordelijk zijn voor misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, met inbegrip van misdaden met betrekking tot seksueel en ander geweld tegen vrouwen en meisjes, te vervolgen,

–   gezien resolutie 54/134 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 7 februari 2000, waarbij 25 november werd uitgeroepen tot Internationale Dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen,

–   gezien het actieplan van de Raad van de Europese Unie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen in de ontwikkelingssamenwerking, dat ervoor moet zorgen dat deze gelijkheid op alle niveaus van de werkzaamheden van de EU met partnerlanden een plaats krijgt,

–   gezien de benoeming in maart 2010 van een speciaal vertegenwoordiger bij de secretaris-generaal van de VN voor seksueel geweld in gewapende conflicten,

–   gezien het document van de Raad "Globale aanpak voor de uitvoering door de EU van Resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad" en het beleidsdocument "Uitvoering van UNSCR 1325 zoals versterkt door UNSCR 1820 in de context van het EVDB", beide van 8 december 2008, alsook het document van de Raad van september 2006 getiteld "Mainstreaming van mensenrechten in het EVDB",

–   gezien de richtsnoeren van de EU over geweld tegen en discriminatie van vrouwen en meisjes en de richtsnoeren van de EU over kinderen en gewapende conflicten,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 april 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van vrouwen in gewapende conflicten en hun rol in de wederopbouw erna(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 oktober 2006 over vrouwen in de politiek(3),

–   gezien het actieprogramma over gendermainstreaming van zijn Subcommissie veiligheid en defensie uit 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 7 oktober 2010 over falende bescherming van de mensenrechten en justitie in de Democratische Republiek Congo(4),

–   gezien het nieuwe VN-orgaan voor gendergelijkheid (VN-Vrouwen),

–   gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat geweld tegen vrouwen in conflictgebieden vaak in het verlengde ligt van genderdiscriminatie die ook al in vredestijd bestaat; dat de Internationale Dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen dit jaar samenvalt met het feit dat resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid tien jaar geleden werd aangenomen, de eerste resolutie waarin de onevenredig grote en unieke impact van gewapende conflicten op vrouwen aan de orde werd gesteld en waarin een verband werd gelegd tussen ervaringen van vrouwen in conflicten en de handhaving van internationale vrede en veiligheid, waarbij met elkaar samenhangende kwesties als participatie, bescherming, preventie, hulpverlening en herstel aan bod kwamen,

B.  overwegende dat 25 november de Internationale dag tegen geweld tegen vrouwen is,

C. overwegende dat de resoluties 1820, 1888 en 1889 van de Veiligheidsraad resolutie 1325 aanscherpen en aanvullen en overwegende dat de vier resoluties moeten worden beschouwd als een geheel van verplichtingen ten aanzien van vrouwen, vrede en veiligheid,

D. overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze toezeggingen een gemeenschappelijke taak en verantwoordelijkheid is van iedere lidstaat van de VN, ongeacht of deze geteisterd wordt door conflicten, donor is of anderszins; wijzend op de in december 2008 aangenomen richtsnoeren van de EU over geweld tegen vrouwen en meisjes, en de richtsnoeren van de EU over kinderen en gewapende conflicten en de bestrijding van alle vormen van tegen hen gerichte discriminatie, waarmee een krachtig politiek signaal werd afgegeven dat dit voor de Unie prioriteiten zijn,

E.  overwegende dat aan de uitvoering van resoluties 1820 en 1325 van de VN-Veiligheidsraad prioriteit zou moeten worden toegekend bij het gebruik van de externe financiële instrumenten van de EU met het oog op adequate ondersteuning van maatschappelijke organisaties die hun werkzaamheden verrichten in het kader van gewapende conflicten en door conflicten getroffen landen en regio's,

F.  overwegende dat het Europees Parlement zich dient te houden aan de goedgekeurde brede aanpak en dient toe te zien op de uitvoering van het beoogde actieplan inzake gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen in het externe optreden van de EU, alsmede de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en kinderen,

G. overwegende dat de operationele doelmatigheid in een civiele of militaire missie door een man/vrouwperspectief enorm toeneemt, en dat de EU hieraan een aanzienlijke meerwaarde kan toevoegen door zich actief bezig te houden met vrouwen en gewapend conflict,

H. overwegende dat de EU vrouwen in staat dient te stellen om deel te nemen aan conflictpreventie, crisisbeheer, vredesoverleg en activiteiten na een conflict, zoals de planning van de wederopbouw na een oorlog,

I.   overwegende dat verkrachting en seksuele slavernij, wanneer deel uitmakend van een brede en stelselmatige praktijk, in de Conventie van Genève worden erkend als misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden; dat verkrachting thans eveneens wordt erkend als onderdeel van volkerenmoord, als deze plaatsvindt met de bedoeling een doelgroep geheel of gedeeltelijk te vernietigen; dat de EU initiatieven tot beëindiging van de straffeloosheid van seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen moet steunen,

J.   overwegende dat de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in aanzienlijke mate dient bij te dragen tot voortgezette tenuitvoerlegging van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de VN met betrekking tot zijn interne structuur en zijn optreden en beleid naar buiten toe,

K. overwegende dat de EU een reeks belangrijke documenten heeft aangenomen over de wijze waarop de resoluties 1820 en 1325 van de Veiligheidsraad ten uitvoer dienen te worden gelegd,

L.  overwegende dat 2010 eveneens het jaar is waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling na tien jaar worden geëvalueerd,

M. overwegende dat slechts een minderheid van de lidstaten van de EU een nationaal actieprogramma hebben opgesteld om resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de VN ten uitvoer te leggen; overwegende dat België, Denemarken, Finland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden nationale actieprogramma's hebben aangenomen,

1.  onderstreept dat het tienjarig bestaan van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad het beginpunt moet vormen voor het met hernieuwde kracht streven naar uitvoering van deze resolutie, waarbij geen vooruitgang mogelijk is zonder politiek leiderschap op het hoogste niveau en meer middelen; beveelt ten zeerste aan dat dit thema naar behoren aan de orde komt bij de lopende herziening van het mensenrechtenbeleid van de EU, wanneer daar de opstelling aan bod komt van een alomvattende landenstrategie voor de mensenrechten en de evaluatie van de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes, met betrekking tot kinderen en gewapende conflicten en ter bestrijding van alle vormen van tegen hen gerichte discriminatie;

2.  verzoekt om de toewijzing van aanzienlijke specifieke financiële, menselijke en organisatorische middelen voor de participatie van vrouwen en gendermainstreaming in het buitenlands en veiligheidsbeleid; dringt erop aan meer vrouwen in te zetten bij missies op het gebied van politie, strijdkrachten, justitie en de rechtstaat en bij vredesoperaties; verzoekt de EU-lidstaten om actief de participatie van vrouwen in hun bilaterale en multilaterale betrekkingen met staten en organisaties buiten de EU te bevorderen;

3.  verzoekt HV/VV Ashton in een tussentijdse evaluatie na vijf jaar na te gaan of toezeggingen worden nagekomen, en de uitwisseling van goede praktijken te vergemakkelijken;

4.  moedigt de HV/VV ten zeerste aan om ook de EU-taskforce voor vrouwen, vrede en veiligheid te versterken, en hoopt dat deze zal zorgen voor collegiale toetsing van de vaststelling en uitvoering van nationale actieplannen met betrekking tot de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad, voor stelselmatige genderanalyse van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en voor toezicht op en advies aan EU-delegaties in door conflicten getroffen landen en regio's;

5.  beschouwt de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) als een unieke gelegenheid om de rol van de EU met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de resoluties 1820 en 1325 te versterken;

6.  verzoekt de HV/VV derhalve de praktijk van gendermainstreaming te versterken en ingrijpende en goed zichtbare engagementen aan te gaan met betrekking tot personeelssterkte, financiële middelen en organisatorische hiërarchie; verzoekt de HV/VV binnen de EDEO een organisatorische unit vrouwen, vrede en veiligheid op te zetten binnen de relevante thematische afdeling en ervoor te zorgen dat in elke geografische afdeling en elke EU-delegatie minstens één voltijdspost gereserveerd is voor vrouwen, vrede en veiligheid, en dat deze personen deel uitmaken van of nauw verbonden zijn aan de EU-taskforce;

7.  is ingenomen met de reeks openbare evenementen, zoals open dagen, die ten minste drie van de GVDB-missies (EUPM, EULEX en EUMM) organiseren om het tienjarig bestaan van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad te vieren; is ingenomen met de bijdrage van het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) van de EU ter zake; herinnert eraan dat de GVDB-missies tot de belangrijkste instrumenten behoren waarover de EU beschikt om haar inzet voor de doelstellingen van de resoluties 1820 en 1325 van de VN-Veiligheidsraad in door conflicten getroffen landen en regio's te tonen;

8.  verzoekt de HV/VV en de lidstaten om in GVDB-besluiten van de Raad en missiemandaten te verwijzen naar de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de VN en ervoor te zorgen dat alle GVDB-missies beschikken over ten minste één genderadviseur en een actieplan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de resoluties 1325 en 1820; verzoekt de HV/VV, de EU-lidstaten en de missieleiders om van samenwerking en overleg met plaatselijke vrouwenorganisaties een standaardelement van elke missie te maken;

9.  verzoekt om de instelling van een passende openbare klachtenprocedure in de context van GVDB-missies, die vooral moet helpen bij het melden van seksueel en gendergerelateerd geweld; verzoekt de HV/VV een gedetailleerd verslag over vrouwen, vrede en veiligheid op te nemen in de halfjaarlijkse evaluatie van GVDB-missies;

10. herinnert aan de massale groepsverkrachtingen die tussen 30 juli en 4 augustus in het mijnengebied van Oost-Congo hebben plaatsgevonden, alsook aan het feit dat vorig jaar in Oost-Congo 8.300 verkrachtingen werden gemeld en dat daar in het eerste kwartaal van 2010 ten minste 1.244 vrouwen aangifte van verkrachting hebben gedaan, een gemiddelde van 14 per dag; verzoekt beide EU-missies in de DR Congo, Europol RD Congo en EUSEC RD Congo, om de bestrijding van seksueel geweld en de participatie van vrouwen tot hoofdprioriteiten te verheffen in de context van het streven naar hervorming van de Congolese veiligheidssector;

11. wijst erop dat het belangrijk is dat de EU meer vrouwelijke politieagenten en vrouwelijke soldaten inzet bij GVDB-missies, in welk verband het contingent vrouwelijke politieambtenaren in de VN-vredesmacht in Liberia als voorbeeld kan dienen;

12. wijst erop dat er een gedragcode moet worden opgesteld voor EU-personeel dat deelneemt aan militaire en civiele missies, waaruit duidelijk blijkt dat seksuele uitbuiting onverdedigbaar en misdadig gedrag is;

13. dringt aan op tenuitvoerlegging van de resoluties 1325 en 1820 van de Veiligheidsraad van de VN in de strategiedocumenten die de EU per land opstelt, en wenst dat meer financiële steun wordt vrijgemaakt voor de participatie van vrouwen uit door conflicten geteisterde landen aan Europese processen; verzoekt de HV/VV en de Commissarissen voor Ontwikkeling, Uitbreiding en Humanitaire hulp om van aspecten in verband met vrouwen, vrede en veiligheid onlosmakelijke elementen te maken van de planning en programmering van de externe financiële instrumenten, zoals EIDHR, ICI, IPA, en met name DCI en IfS;

14. wijst erop dat de Commissie ervoor moet zorgen dat kleine ngo's gemakkelijker toegang hebben tot subsidie uit hoofde van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR); wijst er nogmaals op dat momenteel tal van kleine vrouwenorganisaties struikelen over de bureaucratische belemmeringen bij de indiening van aanvragen;

15. verzoekt de Commissaris voor Ontwikkeling steun voor de werkzaamheden van vrouwenorganisaties in door conflicten geteisterde gebieden als prioriteit te beschouwen; verzoekt de HV/VV het langetermijnbestanddeel van het stabiliteitsinstrument (IfS) in te zetten om kredieten toe te wijzen ter ondersteuning van deelname van vrouwen aan processen die verband houden met vrede, veiligheid en verzoening, en in alle kortetermijnmaatregelen die worden gefinancierd uit hoofde van artikel 3 van het stabiliteitsinstrument stelselmatig middelen uit te trekken voor vrouwen, vrede en veiligheid;

16. is van mening dat de EU-delegaties maatschappelijke organisaties, zoals plaatselijke vrouwenorganisaties, in kennis moeten stellen van hun inzet in door conflicten geteisterde gebieden, en dat zij maatschappelijke organisaties in het kader van de beleidsplanning moeten raadplegen;

17. verzoekt om een substantiële verhoging van het vrouwenquotum in alle activiteitensectoren, met inbegrip van verzoeningswerk, totstandbrenging, handhaving en behoud van vrede en voorkoming van conflicten;

18. vraagt dat er ogenblikkelijk meer vrouwen worden betrokken bij alle initiatieven die erop gericht zijn een oplossing te vinden voor conflicten, onder andere als bemiddelaars en onderhandelaars en bij de tenuitvoerlegging van conflictoplossende maatregelen;

19. verzoekt de HV/VV het initiatief te nemen tot een jaarlijkse week waarin vrouwelijke leiders worden geraadpleegd en die een aanvulling zou kunnen vormen op de Mondiale Open Dag van de VN voor Vrouwen en Vrede, gevolgd door verslagen en vervolgmaatregelen van de EU-delegaties;

20. wijst op de behoefte aan nationale actieprogramma's met bijzonderheden over het tijdschema voor de nationale strategie, waarin haalbare doelen worden gesteld, toezichtmechanismen worden ontwikkeld en een grotere deelname van vrouwen aan monitoring-, evaluatie- en toezichtmechanismen wordt aangemoedigd;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de speciaal vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in gewapende conflicten en het onlangs benoemde hoofd van het VN-orgaan voor gendergelijkheid (VN-Vrouwen).

 

 

(1)

Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0372.

(2)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0245.

(3)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0497.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0350.

Juridische mededeling - Privacybeleid