Procedure : 2011/2650(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B7-0236/2011

Ingediende teksten :

RC-B7-0236/2011

Debatten :

PV 06/04/2011 - 12
CRE 06/04/2011 - 12

Stemmingen :

PV 07/04/2011 - 6.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 154kWORD 84k
6.4.2011
PE459.772v01-00}
PE459.773v01-00}
PE459.778v01-00}
PE459.779v01-00}
PE459.780v01-00} RC1
 
B7-0236/2011}
B7-0237/2011}
B7-0241/2011}
B7-0242/2011}
B7-0243/2011} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 110, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

PPE (B7‑0236/2011)

S&D (B7‑0237/2011)

ALDE (B7‑0241/2011)

Verts/ALE (B7‑0242/2011)

GUE/NGL (B7‑0243/2011)


over de lessen van de Japanse kernramp voor de nucleaire veiligheid in Europa


Corien Wortmann-Kool, Pilar del Castillo Vera, Peter Liese namens de PPE-Fractie
Marita Ulvskog namens de S&D-Fractie
Lena Ek, Fiona Hall, Leonidas Donskis, Jorgo Chatzimarkakis namens de ALDE-Fractie
Rebecca Harms, Daniel Cohn-Bendit namens de Verts/ALE-Fractie
Marisa Matias, Kartika Tamara Liotard, Bairbre de Brún, Marie-Christine Vergiat namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de lessen van de Japanse kernramp voor de nucleaire veiligheid in Europa  

Het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name op artikel 194 daarvan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 mei 2007 "Evaluatie Euratom - 50 jaar Europees kernenergiebeleid"(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 maart 2011 over de situatie in Japan, met name de staat van alarm in de kerncentrales(2) en naar zijn resolutie van 7 oktober 1999 over het kernongeval in Japan (Tokaimura)(3),

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resolutie over de 10de en 15de jaardag van de kernramp op de locatie Tsjernobyl,

–   gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de zware kernramp in de Fukushima Daiichi-centrale, die zich heeft voorgedaan na de verwoestende aardbeving en de daaropvolgende tsunami van 11 maart 2011, heeft geresulteerd in de dood of verdwijning van duizenden mensen en – naast de materiële schade die hij heeft veroorzaakt – ook verstrekkende gevolgen heeft op gezondheids- en milieugebied, alsook in termen van levensmiddelenbesmetting, waarvan de volledige omvang tot dusver nog niet is vastgesteld,

B.  overwegende dat dit nucleaire ongeval, evenals eerdere soortgelijke ongevallen in Japan en over de hele wereld duidelijk hebben aangetoond dat de nucleaire veiligheidspolitiek in EU- en mondiaal verband meer dan ooit aan herziening toe is,

C. overwegende dat de meervoudige oorzaken die aan het ongeval in de Fukushima Daiichi-centrale ten grondslag lagen, met name de uitgevallen stroomvoorziening, hebben geleid tot een gebrek aan koelcapaciteit en hebben geresulteerd in de oververhitting van een aantal splijtstofelementen en in het smelten van delen van de reactorkern,

D. overwegende dat op 26 april 2011 wordt herdacht dat zich op de locatie Tsjernobyl 25 jaar geleden een kernramp heeft voorgedaan, waarvan de gevolgen tot op heden merkbaar zijn,

E.  overwegende dat het Euratom-Verdrag nu al meer dan 50 jaar van kracht is zonder ooit noemenswaardig te zijn herzien,

F.  overwegende dat de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) eind 2008 heeft gewaarschuwd dat de veiligheidsvoorschriften voor kerncentrales in Japan verouderd waren en dat een aardbeving met een kracht van meer dan 7,0 op de schaal van Richter een ernstig probleem zou kunnen opleveren,

G. overwegende dat de gevolgen van een nucleair ongeval de nationale grenzen overschrijden, en dat de nauwe samenwerking, coördinatie en uitwisseling van informatie binnen de Europese Unie en met aangrenzende derde landen derhalve moeten worden voortgezet om de nucleaire veiligheid te verbeteren en om transparantie en coördinatie in geval van een nucleair ongeval te waarborgen,

H. overwegende dat de richtlijn nucleaire veiligheid in deze sector slechts een beperkt kader voor ingrijpen van de EU biedt; overwegende dat de Europese en internationale normen voor nucleaire veiligheid in het licht van deze ontwikkelingen zo streng mogelijk moeten zijn,

I.   overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe nucleaire projecten in Wit-Rusland en Rusland (regio Kaliningrad) aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid omtrent nucleaire veiligheidsnormen en de naleving van de desbetreffende verplichtingen overeenkomstig internationale verdragen (bijvoorbeeld de verdragen van Espoo en Aarhus); overwegende dat deze problematiek niet alleen van belang is voor de lidstaten die onmiddellijk aan Wit-Rusland en de regio Kaliningrad grenzen, maar eveneens voor Europa in ruimere zin, met als gevolg dat de EU, inclusief de terzake bevoegde actoren in de Commissie, gezamenlijk in een geest van solidariteit moeten optreden,

J.   overwegende dat in zijn resolutie van 6 juli 2010 over het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het kader van het toekomstige cohesiebeleid wordt gesteld "dat de EU-landen met het oog op de voorgenomen uitbreiding van het gebruik van kernenergie in het Oostzeegebied de meest strikte veiligheids- en milieunormen moeten hanteren, en dat de Europese Commissie erop moet letten en moet controleren of in de buurlanden dezelfde aanpak en dezelfde internationale verdragen worden gevolgd, met name in de landen die voornemens zijn kernenergiecentrales te bouwen aan de buitengrenzen van de EU"(4),

K. overwegende dat er duidelijk behoefte bestaat aan een open publieke dialoog over kernenergie in elke lidstaat om het publiek bewuster te maken van de gevolgen van kernenergie voordat er politieke besluiten worden genomen,

L.  overwegende dat er in de nucleaire industrie in Europa tegenwoordig veel taken worden uitbesteed, en dat er behoefte is aan adequate opleidingen, met name wat betreft gevaarlijke blootstellingsniveaus voor personeel en de uiteindelijke betrouwbaarheidscontrole in de meest kritieke processtadia,

M. overwegende dat het Euratom-Verdrag in 1957 is ondertekend en dat de verwachtingen met betrekking tot kernenergie, die vijf decennia geleden in dat verdrag werden geformuleerd, aan herevaluatie toe zijn,

1.  geeft uiting aan zijn solidariteit met de slachtoffers van de natuurramp en het daaropvolgende nucleaire ongeval, aan zijn bewondering voor allen die hun leven op het spel zetten om een kernramp te voorkomen, en voor de solidariteit, moed en vastberadenheid waarvan het Japanse volk en de Japanse autoriteiten naar aanleiding van deze ramp blijk hebben gegeven; roept de Unie en haar lidstaten ertoe op aan Japan en het rampgebied alle noodzakelijke humanitaire, technische en financiële hulp en ondersteuning te blijven bieden;

2.  roept de Japanse instanties, de IAEA en TEPCO (de Tokyo Electric Power Company), de exploitant van de kerncentrale van Fukushima, ertoe op transparant te zijn in hun optreden en nauwkeurige real time informatie over de ontwikkelingen in Fukushima te verstrekken, met name omtrent de stralingsniveaus binnen en buiten het verboden gebied;

3.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de berichten dat het exploitatiebedrijf de regelgevingsinstanties kort voor het nucleair ongeval in Fukushima op de hoogte had gesteld van diverse inspectieproblemen; verzoekt de Commissie, tegen de achtergrond van dergelijke potentiële tekortkomingen in de regelgeving, een analyse op te maken van de doeltreffendheid, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid van de regelgevingsinstanties in Europa en, waar nodig, verbeteringen voor te stellen;

4.  verzoekt de Commissie nadere opheldering te geven omtrent de op 5 april 2011 door voorzitter Barroso in het Europees Parlement afgelegde verklaring dat de Commissie voornemens is de maximaal toegestane radioactieve besmettingsniveaus voor levensmiddelen en diervoeders te verlagen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van de desbetreffende EU-verordening onverwijld bij nucleaire ongevallen universeel in de EU toepasselijke maximaal toelaatbare radioactieve besmettingsniveaus voor levensmiddelen vast te stellen, die niet hoger mogen uitkomen dan het niveau dat geldt voor het meest kwetsbare deel van de bevolking; dringt bij de Commissie voorts aan op intrekking van de bepalingen in uitvoeringverordening (EU) nr. 297/2011 van de Commissie van 25 maart 2011(5) die de import toestaan van uit bepaalde Japanse provincies afkomstige voedingsmiddelen en veevoeders welke besmet zijn tot de in Verordening (EG) nr. 3954/87 vastgestelde maximumniveaus;

5.  is van mening dat de Europese Unie haar nucleair veiligheidsbeleid integraal opnieuw moet bekijken, er rekening mee houdend dat kernenergie nog jarenlang deel zal blijven uitmaken van het totale energiepakket van een aantal lidstaten en dat er nieuwe reactoren op het programma staan of reeds in aanbouw zijn; verzoekt de lidstaten intussen een moratorium in te stellen op de ontwikkeling en inbedrijfstelling van nieuwe kernreactoren, althans gedurende de periode waarin de bestendigheidsproeven worden uitgevoerd en beoordeeld;

6.  stelt zich op het standpunt dat, willen de bestendigheidsproeven geloofwaardig zijn, zij ook verplicht moeten worden gesteld en gebaseerd moeten zijn op gemeenschappelijke en transparante criteria, die door de Commissie samen met de Groep Europese Regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (ENSREG) en met onafhankelijke deskundigen moeten worden ontwikkeld; is van mening dat deze tests onder EU-toezicht moeten worden uitgevoerd en moeten worden gecontroleerd door onafhankelijke deskundigen, en dat de definitieve evaluaties tegen eind 2011 klaar moeten zijn voor publicatie;

7.  verzoekt de Commissie in dit verband tegen uiterlijk 15 april een concreet en exact tijdschema voor te leggen met de namen van de onafhankelijke organen en deskundigen die deel zullen nemen aan de ontwikkeling van precieze criteria die voor deze "bestendigheidsproeven" zullen gelden;

8.  is van opvatting dat deze bestendigheidsproeven met name betrekking dienen te hebben op:

· alle bestaande en geplande nucleaire faciliteiten, inclusief faciliteiten voor radioactief afval en bassins voor gebruikte brandstofstaven;

· een overzicht van de algemene "nucleaire veiligheidssituatie" (bv. met betrekking tot openbare aanbestedingen, uitbreiding van de veiligheidsperimeter, jaarlijkse veiligheidsrapportage en publieksvoorlichting),

· de risico's die voortvloeien uit menselijk handelen (bijvoorbeeld terroristische en cyberaanvallen en vliegtuigcrashes) en de invloed van uitzonderlijke natuurevenementen (aardbevingen, overstromingen, droogtes of andere regiospecifieke risico's), met inbegrip van klimaatbestendigheidselementen, in die zin dat rekening dient te worden gehouden met de toegenomen frequentie en hevigheid van extreme weersomstandigheden;

· de bredere gevolgen van een grootschalige en eventueel losstaande ramp, zoals het wegvallen van stroom- en watertoevoer, het uitvallen van telecommunicatievoorzieningen, de fysieke onbereikbaarheid van de locatie, gebrek aan mankracht en de ongewisse betrouwbaarheid van de noodfaciliteiten;

· de veiligheid van brandstofaanvoerroutes;

· het zich voordoen van een combinatie van dergelijke zelden voorkomende gebeurtenissen en de paraatheid om daarop te reageren en voorbereid te zijn op het cumulatieve effect daarvan (multidimensionele rampenscenario's);

· eventuele andere door deskundigen geopperde kwesties;

 

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voorrang te geven aan bestendigheidsproeven voor nucleaire installaties die "intrinsiek" gevaarlijker zijn, bijvoorbeeld vanwege hun geografische ligging (o.a. in een aardbevingsgevoelig gebied), en is van mening dat deze installaties snel moeten worden gecontroleerd en dat, waar nodig, hun structurele opzet moet worden verbeterd of dat zij volgens een duidelijk tijdschema moeten worden ontmanteld;

10. dringt erop aan dat wanneer een bestendigheidsproef voor een bepaalde installatie negatief uitvalt, dit moet resulteren in een gedifferentieerde respons, die eventueel kan nopen tot de onmiddellijke sluiting van de installatie;

11. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om te bereiken dat deze bestendigheidsproeven en de naar aanleiding daarvan vastgestelde normen inzake nucleaire veiligheid, beveiliging en afvalbeheer niet alleen binnen de EU worden toegepast, maar ook op in aanbouw zijnde of geplande kerncentrales in de buurlanden van de EU; is van mening dat deze bestendigheidsproeven zich moeten uitstrekken tot de hele productieketen, inclusief transport en afvalverwerking en -opslag;

12. herinnert eraan dat de Commissie in haar voorstel uit 2008 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid(6) van kerninstallaties een duidelijke kans voor de vaststelling van gemeenschappelijke normen ter waarborging van een hoog niveau van nucleaire veiligheid heeft laten liggen; herinnert eraan dat het Europees Parlement zich in april 2009 voor een aanscherping van de richtlijn nucleaire veiligheid heeft uitgesproken, namelijk door aan de veiligheidsbeginselen van de IAEA een wettelijk bindende status toe te kennen en niet die van een vrijwillig aangegane verplichting; betreurt het dat de lidstaten geen rekening hebben gehouden met de bedenkingen van het Europees Parlement; bevestigt het belang van een daadwerkelijke samenwerking op het gebied van de richtlijn nucleaire afvalstoffen en beheer van bestraalde splijtstof, en roept de Raad ertoe op de voornaamste eisen van het Parlement over te nemen;

13. kijkt uit naar het door de Commissie tegen eind 2011 te presenteren algehele overzicht van de nucleaire veiligheidswetgeving van de EU en de daaraan gerelateerde wetgevingsvoorstellen, waarin de fundamentele veiligheidsbeginselen van het IAEA op EU-niveau moeten worden vertaald in gedetailleerdere en stringentere eisen om de hoogste veiligheidsnormen te kunnen bereiken en te komen tot een verplicht mechanisme voor de regelmatige evaluatie van de in de lidstaten toe te passen veiligheidsnormen door middel van wederzijdse beoordelingen en door een onafhankelijke commissie van nucleaire deskundigen onder leiding van de Commissie;

14. is van mening dat nucleaire veiligheid een zaak is die de hele Europese Unie aanbelangt en dat het subsidiariteitsbeginsel daarop slechts ten dele van toepassing is; dringt daarom aan op herziening van het Euratom-Verdrag om de bevoegdheden van de EU in deze sector uit te breiden, het Europees Parlement bij de materie te betrekken via de gewone wetgevingsprocedure teneinde meer transparantie te bewerkstelligen, en daarbij rekening te houden met de in het Verdrag van Lissabon neergelegde energiebeleidsdoelstellingen;

15. verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er geen kerncentrales worden gebouwd op plaatsen met een hoog aardbevings- en overstromingsrisico in de EU en aangrenzende landen; is van mening dat de bouw van kerncentrales aan de buitengrenzen van de EU in overeenstemming dient te zijn met internationale nucleaire veiligheids- en milieunormen;

16. dringt bij de lidstaten aan op handhaving en versterking van de personele middelen, vaardigheden en arbeidsvoorwaarden die nodig zijn tijdens de levensduur van kerncentrales, bij de ontmanteling daarvan en bij het beheer van kernafval;

17. onderstreept dat de EU een zich tot buiten haar grenzen uitstrekkende strategie moet ontwikkelen die voorziet in consistent optreden op het hoogste politieke niveau, teneinde de nucleaire veiligheid en beveiliging te waarborgen en aan te sturen op een wereldwijd verbod op de bouw van kerncentrales in gebieden met een hoog risico, hetgeen uiteindelijk moet uitmonden in een ​​bindend VN-Verdrag;

18. dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan zich gezamenlijk te verplichten tot verscherping van de nucleaire veiligheidsnormen en tot de adequate toepassing daarvan, in nauwe samenwerking met de IAEA, het secretariaat van het Espoo-Verdrag en andere relevante internationale organisaties; verzoekt de Commissie om tegen juni 2011 een integraal actieplan met concrete afspraken voor de uitvoering daarvan in te dienen; dringt er bij de Commissie op aan, in samenwerking met de IAEA constructieve druk uit te oefenen op Wit-Rusland en Rusland om hen ertoe te bewegen zich te houden aan de internationale veiligheidsnormen en met internationale deskundigen samen werken in alle fasen van de voorbereiding, de bouw en de exploitatie van kernenergiecentrales; is in dit verband van mening dat de EU ten volle gebruik moet maken van de door internationale organisaties en instanties verstrekte expertise;

19. verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar alle economische voor- en nadelen van de bouw, de exploitatie en de ontmanteling van kernenergiecentrales in Europa, o.m. naar de aspecten die verband houden met overheidsingrijpen bij ongevallen/noodsituaties, verzekeringsaspecten en overheidssteun en de mededingingsaspecten in het kader van de Europese interne energiemarkt;

20. wijst in dit verband nogmaals op het steeds grotere belang van energie-efficiëntie en energiebesparing en op de noodzaak een passend wetgevingskader te creëren en de nodige ondersteuning te bieden voor investeringen in hernieuwbare en duurzame energie, energieopslag en een zich tot heel Europa uitstrekkend elektriciteitsnetwerk; is van mening dat het ter wille van de minimalisering van het risico op verstoring van de voorziening van essentieel belang is te kunnen beschikken over een modern, slim elektriciteitsnetwerk dat is berekend op de inbreng van gedecentraliseerde energieproductiefaciliteiten;

21. wijst er met name op dat de internationale gebeurtenissen van de afgelopen tijd duidelijk hebben gemaakt dat de verwezenlijking van een energiedoelmatigheidspercentage van 20% tegen 2020 belangrijker en urgenter is dan ooit, o.a. met het oog op beperking van de CO2-uitstoot; wijst erop dat de langetermijndoelstellingen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie ook van cruciaal belang zijn voor het bedrijfsleven, en dringt erop aan in het Stappenplan 2050 voor zowel 2030 als 2050 ambitieuze doelstellingen in deze sfeer op te nemen;

22. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, Euratom en de ENSREG.

 

 

(1)

PB C 76E van 27.3.2008, blz. 114.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0118.

(3)

Aangenomen teksten van die datum.

(4)

P7_TA(2010)0254.

(5)

PB L 80 van 26.3.2011, blz. 5.

(6)

COM (2008) 0790.

Juridische mededeling - Privacybeleid