Gezamenlijke ontwerpresolutie - RC-B7-0167/2013Gezamenlijke ontwerpresolutie
RC-B7-0167/2013

    GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE over de mensenrechtensituatie in Kazachstan

    17.4.2013 - (2013/2600(RSP))

    ingediend overeenkomstig artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van het Reglement
    ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:
    Verts/ALE (B7‑0167/2013)
    PPE (B7‑0173/2013)
    S&D (B7‑0175/2013)
    ALDE (B7‑0176/2013)
    ECR (B7‑0178/2013)

    José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Tunne Kelam, Elmar Brok, Cristian Dan Preda, Bernd Posselt, Eija-Riitta Korhola, Monica Luisa Macovei, Sari Essayah, Philippe Boulland, Jean Roatta, Petri Sarvamaa, Laima Liucija Andrikienė, Zuzana Roithová, Lena Kolarska-Bobińska, Anne Delvaux, Jarosław Leszek Wałęsa, Bogusław Sonik, Krzysztof Lisek namens de PPE-Fractie
    Véronique De Keyser, Liisa Jaakonsaari, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Joanna Senyszyn, Pino Arlacchi, Ana Gomes namens de S&D-Fractie
    Leonidas Donskis, Graham Watson, Marietje Schaake, Niccolò Rinaldi, Alexander Graf Lambsdorff, Ramon Tremosa i Balcells, Marielle de Sarnez, Sarah Ludford, Kristiina Ojuland, Robert Rochefort, Sonia Alfano, Johannes Cornelis van Baalen, Izaskun Bilbao Barandica, Hannu Takkula namens de ALDE-Fractie
    Nicole Kiil-Nielsen, Franziska Keller, Barbara Lochbihler, Bart Staes, Rui Tavares, Raül Romeva i Rueda namens de Verts/ALE-Fractie
    Charles Tannock, Valdemar Tomaševski, Marek Henryk Migalski namens de ECR-Fractie

    Procedure : 2013/2600(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    RC-B7-0167/2013
    Ingediende teksten :
    RC-B7-0167/2013
    Aangenomen teksten :

    Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in Kazachstan

    (2013/2600(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –   gezien zijn eerdere resoluties over Kazachstan, waaronder die van 15 maart 2012 over Kazachstan[1], die van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië[2] en die van 17 september 2009 over de zaak Yevgeni Zhovtis in Kazachstan[3],

    –   gezien zijn verslag van 22 november 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan[4],

    –   gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over het proces tegen Vladimir Kozlov in Kazachstan, van 9 oktober 2012 en de verklaring van de hoge vertegenwoordiger over de parlementsverkiezingen in Kazachstan van 17 januari 2012,

    –   gezien het juridisch advies van de internationale commissie van juristen van 13 februari 2013 over de disciplinaire maatregelen tegen advocaten in Kazachstan,

    –   gezien de verklaring van de OVSE-vertegenwoordiger voor mediavrijheid van 25 januari 2012 over de situatie van de media in Kazachstan,

    –   gezien de verklaring van de directeur van het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten van de OVSE van 1 februari 2012 over de beperkende maatregelen tegen de Kazachstaanse oppositie,

    –   gezien de verklaring van het International Partnership of Human Rights (IPHR) van 20 maart 2013 over de bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Kazachstan,

    –   gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat de districtsrechtbank van Almaty de niet-geregistreerde oppositiepartij "Alga!" op 21 december 2012 heeft verboden wegens extremisme nadat de openbare aanklager van Kazachstan op 20 november 2012 een rechtszaak had aangespannen tegen deze partij; overwegende dat Alyia Turusbekova, de vrouw van Vladimir Kozlov, persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld door het verbod;

    B.  overwegende dat op 25 december 2012 een aantal mediakanalen van de oppositie, waaronder acht Kazachstaanse kranten en 23 web news portals, verboden werd wegens extremisme, die door de aanklager werden gekwalificeerd als "een enkel mediakanaal Respublika"; overwegende dat dit besluit op 22 februari 2013 werd bevestigd door het Hof van Beroep met als gevolg dat de betrokken journalisten hun beroep niet langer mogen uitoefenen;

    C. overwegende dat Kazachstan een belangrijke internationale speler is en uiterst belangrijk is voor de politieke en sociaal-economische ontwikkeling, alsmede voor de veiligheidssituatie in de gehele regio; overwegende dat het land een positieve rol heeft gespeeld in Centraal-Azië en zich heeft ingespannen voor de ontwikkeling van goede betrekkingen met zijn buurlanden, de hervatting van de regionale samenwerking en de vreedzame oplossing van alle bilaterale kwesties; overwegende dat het voor de EU van vitaal belang is om de politieke, economische en veiligheidspolitieke samenwerking met die regio te intensiveren via hechte en open betrekkingen EU-Kazachstan;

    D. overwegende dat Kazachstan belangrijke civiele en politieke rechten, zoals de vrijheid van vergadering, de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid al sinds lange tijd inperkt; overwegende dat de fundamentele vrijheden de laatste twee jaar steeds minder worden geëerbiedigd, en dat in 2012 na het geweld in Zhanaozen in december 2011, critici van de regering openlijk worden aangepakt;

    E.  overwegende dat verschillende oppositieleiders, mensenrechtenactivisten, journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld in de afgelopen maanden zijn geïntimideerd en strafrechtelijk vervolgd wat in sommige gevallen geleid heeft tot gevangenisstraffen;

    F.  overwegende dat het Hof van Cassatie op 13 maart 2013 het beroep heeft afgewezen in de zaak van Vladimir Kozlov die was veroordeeld tot zeven en een half jaar gevangenisstraf en inbeslagneming van zijn bezittingen wegens het "aanzetten tot maatschappelijke onrust", het "oproepen tot gewelddadige omverwerping van de grondwettelijke orde" en het "oprichten en leiding geven aan een georganiseerde groep met de bedoeling om misdrijven te plegen"; overwegende dat Kozlov momenteel in beroep gaat bij het Hooggerechtshof als laatste beroepinstantie in zijn zaak;

    G. overwegende dat de mensenrechtenactivist Vadim Kuramshin op 7 december 2012 veroordeeld is tot 12 jaar gevangenisstraf wegens het chanteren van de assistent van de officier van justitie; overwegende dat deze veroordeling op 14 februari 2013 is bevestigd door het Hof van Beroep; overwegende dat de herarrestatie van de heer Kurashim plaatsvond nadat hij terugkeerde van een OVSE-conferentie in september in Warschau en nadat hij was vrijgelaten na een eerder proces in augustus 2012;

    H. overwegende dat de regering van Kazachstan overweegt om te beginnen met een nieuw nationaal actieplan voor de mensenrechten voor de periode 2013-2020;

    I.   overwegende dat de Kazachstaanse autoriteiten een werkgroep hebben opgericht onder de openbare aanklager om het strafrecht te hervormen; overwegende dat op 15 en 16 maart 2013 een rondetafel over de "Hervorming van het strafrecht van Kazachstan op basis van de beginselen van de rechtsstaat" was georganiseerd waaraan werd deelgenomen door een delegatie van de Commissie van Venetië om advies over de hervorming uit te brengen; overwegende dat het Europees Parlement er bij de Kazachstaanse autoriteiten op heeft aangedrongen het strafrecht van het land in overeenstemming te brengen met de internationale normen, inclusief de hervorming van art. 164 betreffende het "aanzetten tot maatschappelijke onrust";

    J.   overwegende dat de Kazachstaanse autoriteiten herhaaldelijk gebruik hebben gemaakt van de aanklacht "aanzetten tot maatschappelijke onrust", een vage en onduidelijke aanklacht die kan worden gebruikt om de legitieme uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering die beschermd zijn in het internationaal humanitair recht, te criminaliseren;

    K. overwegende dat het driejarige lidmaatschap van de Republiek Kazachstan van de VN-mensenrechtenraad (UNHRC) op 1 januari 2013 is ingegaan;

    L.  overwegende dat Kazachstan als lid van de OVSE, waarvan het in 2010 voorzitter was, zich ertoe heeft verplicht de grondbeginselen van deze organisatie te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen;

    M. overwegende dat smaad strafbaar blijft, terwijl de wet op de invoering van wijzigingen op en aanvullingen op de wetgeving inzake informatie- en communicatienetwerken van 10 juli 2009 internetbronnen (websites, chatrooms, blogs, discussiefora) gelijkstelt met mediakanalen en deze bronnen alsmede hun eigenaren aansprakelijk stelt voor dezelfde delicten;

    N. overwegende dat de HV/VV Lady Ashton eind november 2012 naar Centraal-Azië is gereisd en een bezoek heeft gebracht aan Kazachstan terwijl de oppositie en de mediakanalen toen werden verboden; overwegende dat zij geen verklaring heeft afgegeven over deze kwestie;

    O. overwegende dat in juli 2012 de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, mevrouw Navi Pillay, na haar tweedaagse bezoek aan Kazachstan de autoriteiten heeft verzocht een onafhankelijk internationaal onderzoek toe te staan naar de gebeurtenissen in Zhanaozen, de oorzaken en de nasleep ervan;

    1.  benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en Kazachstan en de intensivering van de economische en politieke samenwerking op alle gebieden van groot belang zijn; onderstreept het grote belang dat de EU heeft bij een duurzame relatie met Kazachstan in termen van politieke en economische samenwerking;

    2.  oefent ernstige kritiek uit op de uitspraak van het hof om oppositiepartijen te verbieden wegens extremisme, inclusief de niet-geregistreerde oppositiepartij "Alga!" en belangrijke onafhankelijke media, hetgeen een schending is van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, en uit ernstige bezorgdheid over toekomstige repressie van onafhankelijke media en oppositiepartijen;

    3.  dringt er bij de autoriteiten op aan de beginselen en afspraken in OVSE-verband inzake de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, te eerbiedigen; moedigt Kazachstan aan kritiek niet op te vatten als een bedreiging maar als constructieve bijdrage met behulp waarvan beleid en inclusiviteit kunnen worden verbeterd;

    4.  benadrukt dat mevrouw Turusbekova niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de daden van derden;

    5.  verzoekt de EU en de lidstaten aan te dringen op garanties die journalisten, oppositieleden en mensenrechtenactivisten en hun families moeten beschermen, en met name wanneer zij EU-instellingen bezoeken om de mensenrechten aan de orde te stellen, tegen persoonlijke bedreigingen, druk of vervolging;

    6.  herhaalt zijn bezorgdheid over de detentie van oppositieleiders, journalisten en advocaten na processen die niet voldoen aan de internationale normen en herhaalt zijn verzoek om alle personen die veroordeeld zijn wegens vage aanklachten die beschouwd kunnen worden als politiek gemotiveerd, vrij te laten, onder wie de heer Vladimir Kozlov, de heer Vadim Kurashim en mevrouw Roza Tuletaeva; uit zijn bezorgdheid met betrekking tot de eerlijkheid van de processen en herhaalt zijn verzoek om transparantie en internationale normen in de processen te waarborgen, om ervoor te zorgen dat mensen niet langer veroordeeld worden wegens deze vage strafrechtelijke aanklachten en om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te handhaven;

    7.  dringt er bij de Kazachstaanse autoriteiten op aan te garanderen dat de omstandigheden in de gevangenissen in overeenstemming zijn met de internationale normen en dat alle gevangenen passende medische verzorging ontvangen, inclusief oppositieleider Vladimir Kozlov; dringt aan op volledige tenuitvoerlegging van de verbeteringen die waren opgenomen in de recente hervorming van het gevangeniswezen en op verdere verbetering om te voldoen aan de internationale normen;

    8.  benadrukt ten zeerste dat de legitieme bestrijding van terrorisme en extremisme niet mag worden aangewend als excuus om oppositieactiviteiten te verbieden, de vrijheid van meningsuiting te belemmeren of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondermijnen;

    9.  benadrukt dat Kazachstan een steeds belangrijker internationale partner in de regio aan het worden is, of het nu om samenwerking met de NAVO, de ondersteuning van de E3+3 besprekingen met Iran of de oprichting van een internationale brandstofbank in Kazachstan gaat; is verheugd over de Kazachstaanse ambitie om zich actief als mediator/facilitator op te werpen in internationale veiligheidskwesties in de gehele regio; dringt er bij de Kazachstaanse autoriteiten op aan zich te houden aan de internationale verplichtingen die zij zijn aangegaan, inclusief de verplichtingen die verband houden met de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

    10. verzoekt Kazachstan een klimaat te scheppen waarin oppositieactivisten, journalisten en advocaten hun beroep vrijelijk kunnen uitoefenen, o.a. door de nodige wettelijke hervormingen; benadrukt dat de EU vastbesloten is Kazachstan hierbij te steunen;

    11. dringt er bij Kazachstan op aan zijn godsdienstwetgeving te herzien en de beperkingen voor het registreren en praktiseren van een godsdienst te versoepelen;

    12. benadrukt dat het van belang is dat de rechten van werknemers om onafhankelijke vakbonden op te richten, te staken en collectieve onderhandelingen met werkgevers te voeren, moeten worden geëerbiedigd en bevorderd, in overeenstemming met de verplichtingen die Kazachstan is aangegaan krachtens internationale mensenrechtenwetgeving;

    13. is verheugd over de dialoog met de delegatie van de Commissie van Venetië over het nieuwe wetboek van strafrecht, en moedigt verdere samenwerking met de Commissie van Venetië aan om zoveel mogelijk te profiteren van haar ervaring; benadrukt dat de hervorming gericht moet zijn op versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechtsstaat en naleving van de internationale normen; bevestigt dat het aandringt op hervorming van artikel 164 inzake het "aanzetten tot maatschappelijke onrust", en dringt er bij de EDEO op aan nauwlettend toe te zien op de hervorming en de inhoud van het nieuwe wetboek van strafrecht;

    14. bevestigt dat het er bij de Kazachstaanse autoriteiten op aandringt om door te blijven gaan met de handhaving van het bestaande actieplan voor de mensenrechten, gevolg gevend aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en gebruik makend van de technische bijstand van de EU in het kader van het initiatief voor versterking van de rechtstaat; moedigt Kazachstan aan en steunt Kazachstan in zijn pogingen om een nieuw actieplan voor de mensenrechten voor de periode 2013-2020 te ontwikkelen; verzoekt de Kazachstaanse autoriteiten samen te werken met ngo's;

    15. is verheugd over de regelmatige dialogen tussen de EU en Kazachstan over de mensenrechten; benadrukt het belang van mensenrechtendialogen tussen de EU en de Kazachstaanse autoriteiten, en is verheugd over de constructieve benadering die van Kazachstaanse zijde wordt getoond; dringt aan op versterking van de dialogen die bevorderlijk zijn voor de totstandkoming van een forum waar kwesties openlijk kunnen worden besproken; benadrukt dat deze dialogen effectief en resultaatgericht moeten zijn, en dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld er zoveel mogelijk bij moeten worden betrokken;

    16. is verheugd over de internationale studentenuitwisselingsprogramma's die door de Kazachstaanse regering zijn ingevoerd; benadrukt de fundamentele impact die een verblijf in het buitenland heeft in termen van democratische ontwikkeling van de Kazachstaanse studenten; is verheugd over de steun die de studenten ontvangen van de Kazachstaanse autoriteiten bij hun terugkeer;

    17. dringt er bij de EU, en met name bij de EDEO, op aan om nauwlettend toe te zien op de ontwikkelingen in Kazachstan, zo nodig punten van zorg aan de orde te stellen bij de Kazachstaanse autoriteiten, bijstand aan te bieden en regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement; dringt er ook bij de EU-delegatie in Astana op aan een proactievere rol te spelen bij het toezicht, inclusief het bijwonen van processen en het bezoeken van gevangenissen;

    18. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de VN-mensenrechtenraad, en de regering en het parlement van Kazachstan.