Procedure : 2017/2564(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0150/2017

Ingediende teksten :

RC-B8-0150/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/02/2017 - 6.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0044

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 284kWORD 77k
15.2.2017
PE598.479v01-00}
PE598.483v01-00}
PE598.484v01-00}
PE598.490v01-00}
PE598.491v01-00}
PE598.494v01-00} RC1
 
B8-0150/2017}
B8-0154/2017}
B8-0155/2017}
B8-0161/2017}
B8-0162/2017}
B8-0165/2017} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

PPE (B8-0150/2017)

EFDD (B8-0154/2017)

ALDE (B8-0155/2017)

S&D (B8-0161/2017)

GUE/NGL (B8-0162/2017)

Verts/ALE (B8-0165/2017)


over executies in Koeweit en Bahrein (2017/2564(RSP))


Cristian Dan Preda, Tomáš Zdechovský, Elmar Brok, Ildikó Gáll-Pelcz, Pavel Svoboda, Thomas Mann, Therese Comodini Cachia, Brian Hayes, Sven Schulze, Patricija Šulin, Marijana Petir, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Claude Rolin, Milan Zver, Romana Tomc, Eva Maydell, Deirdre Clune, Ivana Maletić, Željana Zovko, Csaba Sógor, Adam Szejnfeld, Dubravka Šuica, Roberta Metsola, Giovanni La Via, Elisabetta Gardini, Mairead McGuinness, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Krzysztof Hetman, Laima Liucija Andrikienė, Bogdan Brunon Wenta, Ivan Štefanec, Luis de Grandes Pascual, Seán Kelly, Gabriel Mato, Anna Záborská, Andrey Kovatchev, Jiří Pospíšil namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Ana Gomes namens de S&D-Fractie
Marietje Schaake, Beatriz Becerra Basterrechea, Ilhan Kyuchyuk, Izaskun Bilbao Barandica, Valentinas Mazuronis, Petras Auštrevičius, Dita Charanzová, Marielle de Sarnez, Gérard Deprez, Martina Dlabajová, Nathalie Griesbeck, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Frédérique Ries, Jasenko Selimovic, Hannu Takkula, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Paavo Väyrynen, Renate Weber, Cecilia Wikström, Gesine Meissner namens de ALDE-Fractie
Marie-Christine Vergiat, Ángela Vallina, Marina Albiol Guzmán, Paloma López Bermejo, Dimitrios Papadimoulis, Kostadinka Kuneva, Stelios Kouloglou, Kostas Chrysogonos, Barbara Spinelli namens de GUE/NGL-Fractie
Alyn Smith, Barbara Lochbihler, Ernest Urtasun, Igor Šoltes, Davor Škrlec, Bronis Ropė, Bodil Valero namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Isabella Adinolfi namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over executies in Koeweit en Bahrein (2017/2564(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 4 februari 2016 over de zaak van Mohammed Ramadan(1) en die van 7 juli 2016 over Bahrein(2), en zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(3),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 15 januari 2017 over de in Bahrein uitgevoerde executies en die van 25 januari 2017 over de recente executies in Koeweit,

–  gezien de gezamenlijke verklaring die VV/HV Federica Mogherini, namens de EU, en Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, op 10 oktober 2015 hebben afgelegd ter gelegenheid van de Europese dag en de Werelddag tegen de doodstraf,

–  gezien de verklaring van 25 januari 2017 van Agnes Callamard, speciaal VN-rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies, en Nils Melzer, speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarin zij de regering van Bahrein dringend oproepen met nieuwe executies te stoppen, en gezien de verklaring van 17 januari 2017 van Rupert Colville, woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, over Bahrein,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien artikel 2 van het Europese Mensenrechtenverdrag en de bijbehorende protocollen 6 en 13,

–  gezien de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie, haar lidstaten en de lidstaten van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (GCC) van 1988,

–  gezien de conclusies van de 25e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst EU-GCC van 18 juli 2016,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN over een moratorium op de uitvoering van de doodstraf, met name die van 18 december 2014 en de meest recente van 19 december 2016,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, waarbij Koeweit en Bahrein allemaal partij zijn,

–  gezien de waarborgen ter bescherming van de rechten van degenen die ter dood veroordeeld kunnen worden, die door de Economische en Sociale Raad bij resolutie 1984/50 van 25 mei 1984 zijn goedgekeurd,

–  gezien de slotopmerkingen over het derde periodieke verslag over Koeweit van het Mensenrechtencomité van de VN van 11 augustus 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 15,

–  gezien het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), met name artikel 18 daarvan en het tweede facultatieve protocol daarbij over de doodstraf, en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het VN-Verdrag van 1954 betreffende de status van statelozen en dat van 1961 tot beperking der stateloosheid,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) meer dan 160 lidstaten van de VN, met uiteenlopende rechtsstelsels, tradities, culturen en religieuze achtergronden, de doodstraf hebben afgeschaft of niet meer toepassen;

B.  overwegende dat de Koeweitse autoriteiten op 25 januari 2017 zeven mensen, onder wie een lid van de koninklijke familie, hebben terechtgesteld, namelijk Mohammad Shahed Mohammad Sanwar Hussain, Jakatia Midon Pawa, Amakeel Ooko Mikunin, Nasra Youseff Mohammad al-Anzi, Sayed Radhi Jumaa, Sameer Taha Abdulmajed Abduljaleel en Faisal Abdullah Jaber Al Sabah, van wie de meesten wegens moord veroordeeld waren; overwegende dat zich onder de gevangenen vijf buitenlanders bevonden: twee Egyptenaren, een Bengalees, een Filipijnse en een Ethiopische, en dat drie van hen vrouwen waren; overwegende dat de executies de eerste in het land waren sinds 2013, toen de Koeweitse autoriteiten vijf mensen terechtstelden na een moratorium van zes jaar;

C.  overwegende dat het "Gulf Centre for Human Rights" en andere mensenrechtenorganisaties in het Koeweitse strafrechtsysteem schendingen van een behoorlijke rechtsgang hebben vastgesteld waardoor het voor aangeklaagden moeilijk is een eerlijk proces te krijgen;

D.  overwegende dat Bahrein op 15 januari 2017 Ali Al-Singace, Abbas Al-Samea en Sami Mushaima door een vuurpeloton heeft laten terechtstellen, na een moratorium van zes jaar;

E.  overwegende dat de executies volgens het OHCHR een ernstige schending van de normen voor een eerlijke rechtsgang vormden; overwegende dat de drie mannen werden beschuldigd van een bomaanslag in Manama in 2014, waarbij verscheidene doden vielen, onder wie drie politieagenten; overwegende dat ze echter alle drie gefolterd zouden zijn om bekentenissen af te dwingen, die nadien als voornaamste bewijs voor hun veroordeling werden gebruikt; overwegende dat hun nationaliteit hun werd ontnomen, dat ze geen toegang tot een advocaat kregen en dat ze minder dan een week na het vonnis werden terechtgesteld zonder dat hun familie vooraf werd ingelicht en zonder dat ze de kans kregen om genade te vragen;

F.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies deze terechtstellingen als "buitengerechtelijke executies" bestempelde omdat de drie mannen het in artikel 14 van het ICCPR neergelegde recht op een eerlijk proces werd ontzegd;

G.  overwegende dat het OHCHR stelde dat het "ontzet" was over de executies en dat er "ernstige twijfels" bestonden of de mannen wel een eerlijk proces kregen;

H.  overwegende dat twee andere mannen, Mohammad Ramadan en Hussein Moussa, ook ter dood veroordeeld zijn in Bahrein; overwegende dat beide mannen beweren gefolterd te zijn om ten onrechte halsmisdrijven te bekennen, en dat ze elk moment terechtgesteld kunnen worden;

I.  overwegende dat de Bahreins-Deense staatsburger Abdulhadi al-Khawaja, een oprichter en directeur van het "Gulf Center for Human Rights", en Khalil Al Halwachi, een wiskundeleraar die vroeger in Zweden woonde, in de gevangenis zitten op beschuldiging van vreedzame meningsuiting;

1.  betreurt ten zeerste het besluit van Koeweit en Bahrein om opnieuw de doodstraf toe te passen; veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan;

2.  vraagt Zijne Majesteit sjeik Hamad bin Isa Al Khalifa van Bahrein om de executie van Mohamed Ramadan en Hussein Moosa tegen te houden, en verzoekt de Bahreinse autoriteiten te zorgen voor een nieuw proces dat aan de internationale normen voldoet; wijst erop dat alle beschuldigingen van mensenrechtenschendingen tijdens de procedure terdege moeten worden onderzocht;

3.  beklemtoont dat het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de doodstraf uitdrukkelijk verbieden voor misdrijven door personen onder de achttien;

4.  verzoekt de Koeweitse en de Bahreinse regering onverwijld een open uitnodiging te richten aan de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing om het land te bezoeken, en onbelemmerde toegang te geven tot gedetineerden en alle detentiecentra;

5.  herinnert eraan dat de EU tegen de doodstraf is en dit beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag en die bij fouten onomkeerbaar is;

6.  verzoekt Koeweit en Bahrein het tweede facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat als doel heeft de doodstraf af te schaffen, te ondertekenen en te bekrachtigen;

7.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op aan de strijd tegen de voltrekking van de doodstraf voort te zetten; verzoekt Bahrein en Koeweit met klem de internationale minimumnormen in acht te nemen en het toepassingsgebied en het gebruik van de doodstraf in te perken; dringt er bij de EDEO op aan waakzaam te blijven voor de ontwikkelingen in beide landen en in de Golfregio in het algemeen en alle beschikbare middelen om invloed uit te oefenen te gebruiken;

8.  dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan in te grijpen bij de Bahreinse regering en op te roepen tot de vrijlating van Nabeel Rajab en al wie louter wordt vastgehouden vanwege de vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, en de Bahreinse regering met klem te verzoeken te stoppen met het buitensporige gebruik van geweld tegen demonstranten of het willekeurig afnemen van het staatsburgerschap, zoals in het geval van sjeik Isa Qassim, de geestelijke leider van Al-Wefaq, en andere dissidenten;

9.  verzoekt de Bahreinse regering de aanbevelingen van het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie voor Bahrein (BICI), de universele periodieke doorlichting en het Nationaal Instituut voor de mensenrechten volledig uit te voeren; spoort aan tot verdere hervormingsinspanningen in Koeweit;

10.  pleit voor dialoog en moedigt aan dat er tussen de EU, haar lidstaten en de Golfstaten, met inbegrip van Koeweit en Bahrein, bilaterale en multilaterale initiatieven worden ontplooid met betrekking tot mensenrechtenkwesties en op andere gebieden van wederzijds belang; verzoekt de EDEO en vv/hv Federica Mogherini aan te dringen op de totstandbrenging van een formele mensenrechtendialoog met de Koeweitse en Bahreinse autoriteiten, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein, de regering en het parlement van de Staat Koeweit en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0044.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0315.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.

Juridische mededeling - Privacybeleid