Procedure : 2017/2723(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0419/2017

Ingediende teksten :

RC-B8-0419/2017

Debatten :

PV 15/06/2017 - 4.2
CRE 15/06/2017 - 4.2

Stemmingen :

PV 15/06/2017 - 7.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0268

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 283kWORD 55k
14.6.2017
PE605.532v01-00}
PE605.534v01-00}
PE605.535v01-00}
PE605.536v01-00}
PE605.542v01-00} RC1
 
B8-0419/2017}
B8-0421/2017}
B8-0422/2017}
B8-0423/2017}
B8-0429/2017} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B8-0419/2017)

Verts/ALE (B8-0421/2017)

S&D (B8-0422/2017)

ALDE (B8-0423/2017)

PPE (B8-0429/2017)


over Pakistan, met name over de situatie van mensenrechtenactivisten en de doodstraf (2017/2723(RSP))


Cristian Dan Preda, Tunne Kelam, Sandra Kalniete, Elmar Brok, Andrzej Grzyb, Mairead McGuinness, Brian Hayes, Lefteris Christoforou, József Nagy, Marijana Petir, Ivan Štefanec, Milan Zver, Dubravka Šuica, Pavel Svoboda, Patricija Šulin, Krzysztof Hetman, Jarosław Wałęsa, Željana Zovko, Sven Schulze, Tomáš Zdechovský, Ivana Maletić, Claude Rolin, Romana Tomc, László Tőkés, Bogdan Brunon Wenta, Eduard Kukan, Csaba Sógor, Adam Szejnfeld, Giovanni La Via, Elisabetta Gardini, Michaela Šojdrová, Jiří Pospíšil, Jaromír Štětina, Laima Liucija Andrikienė, Roberta Metsola, Deirdre Clune, Stanislav Polčák, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Jeroen Lenaers, Andrey Kovatchev, Inese Vaidere, Julia Pitera namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Neena Gill namens de S&D-Fractie
Charles Tannock, Karol Karski, Arne Gericke, Branislav Škripek, Notis Marias, Ruža Tomašić, Monica Macovei namens de ECR-Fractie
Jozo Radoš, Ilhan Kyuchyuk, Petras Auštrevičius, Izaskun Bilbao Barandica, Johannes Cornelis van Baalen, Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Gérard Deprez, María Teresa Giménez Barbat, Martina Dlabajová, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Frédérique Ries, Robert Rochefort, Hannu Takkula, Marietje Schaake, Jasenko Selimovic, Pavel Telička, Ivo Vajgl, Paavo Väyrynen, Ramon Tremosa i Balcells, Cecilia Wikström, Nedzhmi Ali, Valentinas Mazuronis namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler, Heidi Hautala, Bodil Valero, Davor Škrlec, Ernest Urtasun, Igor Šoltes, Bronis Ropė, Jordi Solé namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Isabella Adinolfi namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over Pakistan, met name over de situatie van mensenrechtenactivisten en de doodstraf (2017/2723(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Pakistan,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 over Pakistan,

–  gezien het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan,

–  gezien het Pakistaanse actieplan voor de mensenrechten,

–  gezien het indicatief meerjarenprogramma (MIP) EU-Pakistan 2014-2020,

–  gezien de aanbevelingen in het verslag van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU bij de verkiezingen in Pakistan,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en haar woordvoerder over Pakistan,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 18,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Pakistan partij is,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de grondwet van Pakistan,

–  gezien de richtsnoeren van de EU over de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, over mensenrechtenactivisten en over de doodstraf, alsmede het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie van 2012,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Pakistan tot 2015 een moratorium op de doodstraf kende, maar de doodstraf opnieuw heeft ingevoerd naar aanleiding van het bloedbad op de door het leger gerunde openbare school in Peshawar in december 2014; overwegende dat het moratorium oorspronkelijk alleen opgeheven was om terroristische activiteiten te bestraffen, maar vervolgens is uitgebreid tot alle ernstige strafbare feiten;

B.  overwegende dat Pakistan nu een van de grootste groepen op hun executie wachtende personen in de wereld heeft; overwegende dat er gevallen zijn gerapporteerd van executies die werden uitgevoerd terwijl de beroepsprocedures nog liepen;

C.  overwegende dat de Pakistaanse "blasfemiewet" (afdeling 295-C van het wetboek van strafrecht) voorziet in verplichte terdoodveroordeling; overwegende dat honderden mensen momenteel op hun berechting wachten en dat een aantal personen ter dood is veroordeeld wegens "blasfemie"; overwegende dat de wet naar verluid vage definities bevat die misbruikt kunnen worden om politieke dissidenten aan te pakken of legitieme kritiek op overheidsinstellingen en andere organen tot zwijgen te brengen;

D.  overwegende dat de premier in maart 2017 een verbod heeft uitgevaardigd op alle "godslasterlijk" materiaal op internet, en dat de Pakistaanse autoriteiten sociale-mediabedrijven hebben gevraagd Pakistanis die verdacht worden van "blasfemie" te helpen opsporen; overwegende dat op 14 april 2017 Mashal Khan, een student aan de Abdul Wali Khan-universiteit, door een groep medestudenten gelyncht is nadat hij ervan was beschuldigd "godslasterlijk" materiaal online te hebben gepubliceerd; overwegende dat op 10 juni 2017 een Pakistaanse rechtbank voor terrorismebestrijding Taimoor Raza ter dood heeft veroordeeld wegens veronderstelde "blasfemie" op Facebook; overwegende dat de activist Baba Jan en 12 andere demonstranten tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, de strengste straf die ooit is uitgesproken wegens deelname aan een demonstratie;

E.  overwegende dat de Nationale Assemblee van Pakistan op 18 april 2017 een resolutie heeft aangenomen waarin het lynchen van Mashal Khan door een gewelddadige groep burgers wegens veronderstelde "blasfemie" werd veroordeeld; overwegende dat de Senaat hervormingen heeft besproken om misbruik terug te dringen;

F.  overwegende dat militaire rechtbanken gedurende twee jaar werden toegestaan terwijl de civiele rechterlijke macht in die periode zou worden verbeterd; overwegende dat er weinig vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van de rechterlijke macht, en dat op 22 maart 2017 het controversiële besluit werd genomen om de militaire rechtbanken opnieuw in te voeren, voor een periode van nog eens twee jaar;

G.  overwegende dat er in Pakistan veel gevallen zijn gemeld van mensenrechtenactivisten, politieke dissidenten en leden van religieuze minderheden of groepen als de Ahmadiyya die te maken krijgen met intimidatie, geweld, gevangenzetting, foltering en molest, en die vermoord worden; overwegende dat uit door de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen en ngo's verzamelde informatie blijkt dat veiligheids- en wetshandhavingsautoriteiten, waaronder de politie en de geheime diensten, zich aan gedwongen verdwijningen schuldig maken; overwegende dat geen enkele dader met succes berecht is;

H.  overwegende dat de Indiase staatsburger Kulbhushan Jadhav in april 2017 door een militaire rechtbank ter dood veroordeeld is; overwegende dat deze zaak momenteel door het Internationaal Gerechtshof wordt behandeld op grond van het feit dat hem het recht op toegang tot consulaire diensten ontzegd werd; overwegende dat op 4 mei 2017 een 10-jarige jongen werd gedood en vijf andere personen gewond raakten bij een aanval door een menigte op een politiepost in Balochistan, kennelijk ingegeven door aantijgingen van "blasfemie"; overwegende dat op 30 mei 2017 de vermoedelijke verkrachting van een tiener (in de lokale media alleen aangeduid als "Shumaila") door een familielid in Rajanpur ertoe leidde dat het slachtoffer door een stammenrechtbank ter dood werd veroordeeld; overwegende dat deze gevallen niet op zichzelf staan;

I.  overwegende dat de repressie tegen ngo's onverminderd voortduurt; overwegende dat talloze ngo's geïntimideerd en lastiggevallen worden en dat bij sommige het kantoor is verzegeld, dit alles onder het mom van tenuitvoerlegging van het nationale plan ter bestrijding van terrorisme;

J.  overwegende dat 12 miljoen vrouwen geen nationaal identiteitsbewijs hebben en daarom niet het recht hebben om zich als kiezer in te schrijven; overwegende dat verschillende verkiezingswaarnemingsmissies van de EU aanbevelingen hebben gedaan ter verbetering van de verkiezingsprocedure voor de komende verkiezingen, die gepland staan voor 2018;

K.  overwegende dat Pakistan op 1 januari 2014 is toegetreden tot de SAP+-regeling; overwegende dat deze regeling moet voorzien in een stevige stimulans om de fundamentele mensen- en arbeidsrechten, het milieu en beginselen van goed bestuur te eerbiedigen;

L.  overwegende dat de EU zich ten volle zal blijven inzetten voor verdere dialoog en samenwerking met Pakistan in het kader van het vijfjarig inzetplan en de vervanging daarvan;

1.  herhaalt dat de EU streng gekant is tegen de doodstraf, in alle gevallen en zonder uitzondering; roept op tot wereldwijde afschaffing van de doodstraf; spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het besluit van Pakistan om het moratorium op te heffen en over het feit dat de executies nu in een alarmerend tempo worden voortgezet; roept Pakistan op opnieuw een moratorium in te voeren, met het doel om op de langere termijn de doodstraf volledig af te schaffen;

2.  is ten zeerste verontrust over de berichten inzake toepassing van de doodstraf in Pakistan na twijfelachtige rechtszaken, de terechtstelling van minderjarigen en personen met psychische aandoeningen, en vermoedelijke gevallen van foltering; dringt er bij de regering op aan de bepalingen inzake de doodstraf in de nationale wetgeving aan te passen aan het internationale recht en de internationale normen, met inbegrip de stopzetting van executies wegens andere misdrijven dan moord met voorbedachten rade, een verbod op de terechtstelling van jonge daders en personen met een psychische aandoening, en een moratorium op de uitvoering van executies terwijl er nog een beroepsprocedure loopt;

3.  betreurt de terugval in Pakistan wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, en met name de toename van buitengerechtelijke executies en de intimidatie en geweldpleging jegens journalisten, mensenrechtenactivisten, ngo's en critici van de regering; herinnert aan de plicht van de Pakistaanse regering om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen; is ingenomen met de goedkeuring door Pakistan van een actieplan voor de mensenrechten, en hoopt dat dit in tastbare vooruitgang zal worden vertaald; waarschuwt in dit opzicht dat het de EU ten zeerste zal verontrusten als activisten steeds weer het slachtoffer van dergelijke praktijken worden en er geen vooruitgang kan worden vastgesteld;

4.  spreekt zijn verontrusting uit over de grote vrijheid van handelen waarover de veiligheidstroepen beschikken en verzoekt de Pakistaanse regering voor beter toezicht op hun optreden te zorgen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan onverwijld een onpartijdig onderzoek in te stellen naar sterfgevallen tijdens hechtenis en moorden door de veiligheidstroepen, en naar aantijgingen van foltering, en degenen die zich schuldig maken aan buitengerechtelijke executies en foltering, te vervolgen;

5.  betreurt dat Pakistan militaire rechtbanken inzet die geheime verhoren uitvoeren en civiele jurisdictie hebben; dringt erop aan dat de Pakistaanse autoriteiten internationale waarnemers en mensenrechtenorganisaties toegang verlenen om het inzetten van militaire rechtbanken kunnen te volgen; dringt voorts aan op de onmiddellijke en transparante omzetting naar onafhankelijke civiele rechtbanken, in overeenstemming met de internationale normen betreffende gerechtelijke procedures; onderstreept dat onderdanen van derde landen die voor de rechter worden gedaagd, toegang tot consulaire diensten en bescherming moeten krijgen;

6.  is ernstig bezorgd over het feit dat in Pakistan voortdurend gebruik wordt gemaakt van de "blasfemiewet" en is van mening dat dit het klimaat van religieuze onverdraagzaamheid versterkt; neemt kennis van de vaststelling van het Pakistaanse hooggerechtshof dat personen die beschuldigd worden van "blasfemie" buitensporig en onherstelbaar leed ondergaan als gevolg van het gebrek aan adequate bescherming tegen onjuiste toepassing of misbruik van dergelijke wetten; roept de Pakistaanse regering dan ook op de afdelingen 295-A, 295-B en 295-C van het wetboek van strafrecht in te trekken en te voorzien in doeltreffende procedurele en institutionele bescherming tegen misbruik van de beschuldiging van "blasfemie"; roept de regering tevens op een krachtiger standpunt in te nemen door burgergeweld jegens vermoedelijke "godslasteraars" te veroordelen en verzoekt haar om ook zelf geen "blasfemie"-retoriek te gebruiken;

7.  roept de Pakistaanse regering op dringend maatregelen te nemen om de levens en de rechten van journalisten en bloggers te beschermen; spreekt zijn verontrusting uit over het verzoek van de Pakistaanse autoriteiten aan Twitter en Facebook om informatie te onthullen over hun gebruikers zodat personen die verdacht worden van "blasfemie" kunnen worden geïdentificeerd; verzoekt de regering en het parlement van Pakistan om de wet op het voorkomen van elektronische misdrijven van 2016 te wijzigen en de al te brede bepalingen inzake toezicht op en verzameling van gegevens en het sluiten van websites op grond van vage criteria te verwijderen; dringt erop aan dat alle terdoodveroordelingen op grond van "blasfemie" of afwijkende politieke standpunten, waaronder de tegen Taimoor Raza uitgesproken straf, worden omgezet; verzoekt de president van Pakistan in dit verband gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot gratieverlening;

8.  neemt kennis van de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan, maar spreekt de hoop uit dat het nieuwe strategische inzetplan, dat in 2017 zal worden afgerond, ambitieus zal zijn en de banden tussen de EU en Pakistan zal helpen aanhalen;

9.  herinnert eraan dat de toekenning van de SAP+-status aan voorwaarden is gebonden en dat de daadwerkelijke toepassing van internationale verdragen een essentieel vereiste is bij deze regeling; dringt er bij de Pakistaanse regering op aan zich krachtig in te spannen om de 27 kernverdragen toe te passen en te laten zien dat er sprake is van vooruitgang;

10.  verzoekt de Commissie en de EDEO om deze vraagstukken met de Pakistaanse autoriteiten aan te kaarten tijdens de regelmatige mensenrechtendialoog;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Pakistan.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid