Procedure : 2019/2611(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0186/2019

Ingediende teksten :

RC-B8-0186/2019

Debatten :

PV 14/03/2019 - 8.2
CRE 14/03/2019 - 8.2

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0204

<Date>{13/03/2019}13.3.2019</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B8‑0186/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B8‑0187/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B8‑0190/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B8‑0191/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B8‑0193/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B8‑0194/2019</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 154kWORD 57k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B8‑0186/2019 (Verts/ALE)

B8‑0187/2019 (GUE/NGL)

B8‑0190/2019 (ALDE)

B8‑0191/2019 (S&D)

B8‑0193/2019 (ECR)

B8‑0194/2019 (PPE)</TablingGroups>


<Titre>over Iran, en met name de situatie van mensenrechtenactivisten</Titre>

<DocRef>(2019/2611(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Roberta Metsola, Jaromír Štětina, Marijana Petir, Pavel Svoboda, Tunne Kelam, Milan Zver, Agnieszka Kozłowska‑Rajewicz, Eduard Kukan, Elisabetta Gardini, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Cristian Dan Preda, Patricija Šulin, Tomáš Zdechovský, Adam Szejnfeld, Csaba Sógor, Jarosław Wałęsa, Andrzej Grzyb, Michael Gahler, Elmar Brok, Ivo Belet, Sandra Kalniete, Dubravka Šuica, Andrey Kovatchev, Francis Zammit Dimech, Seán Kelly, Ivana Maletić, Deirdre Clune, Laima Liucija Andrikienė, Inese Vaidere, László Tőkés, Stanislav Polčák, Jiří Pospíšil, José Ignacio Salafranca Sánchez‑Neyra</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Knut Fleckenstein, Wajid Khan</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Raffaele Fitto, Karol Karski, Branislav Škripek, Ryszard Czarnecki, Monica Macovei, Jana Žitňanská, Ruža Tomašić, Anna Elżbieta Fotyga, Charles Tannock</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Marietje Schaake, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Izaskun Bilbao Barandica, Dita Charanzová, Gérard Deprez, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Ilhan Kyuchyuk, Valentinas Mazuronis, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Carolina Punset, Jozo Radoš, Frédérique Ries, Robert Rochefort, Jasenko Selimovic, Pavel Telička, Johannes Cornelis van Baalen, Matthijs van Miltenburg, Hilde Vautmans, Mirja Vehkaperä</Depute>

<Commission>{ALDE}namens de ALDE-Fractie</Commission>

<Depute>Bodil Valero, Heidi Hautala, Barbara Lochbihler</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Cornelia Ernst, Barbara Spinelli, Luke Ming Flanagan, Marie‑Christine Vergiat</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Isabella Adinolfi</Depute>

<Commission>{EFDD}namens de EFDD-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


Resolutie van het Europees Parlement over Iran, en met name de situatie van mensenrechtenactivisten

(2019/2611(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Iran, in het bijzonder die van 13 december 2018 over Iran, met name het geval Nasrin Sotoudeh[1], en die van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst[2],

 gezien de conclusies van de Raad van 4 februari 2019 over Iran,

 gezien het verslag van 30 januari 2019 van de speciale rapporteur van de VN-Mensenrechtenraad over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran, en gezien de verklaring over Iran die de speciale rapporteur op 29 november 2018 heeft gedaan,

 gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 17 december 2018 over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Iran partij is,

 gezien het burgerrechtenhandvest van de Iraanse president,

 gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

 gezien de verklaring van 29 november 2018 van VN-mensenrechtendeskundigen waarin deze eisten dat Iran vrouwenrechtenactivisten zou beschermen,

 gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, de EU-richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

 gezien het besluit van de Raad van 12 april 2018, naar aanleiding van ernstige mensenrechtenschendingen in Iran, om zijn beperkende maatregelen ten aanzien van Iran met nog eens twaalf maanden te verlengen,

 gezien de verklaring van 12 maart 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de veroordeling van de Iraanse mensenrechtenadvocate Nasrin Sotoudeh,

 gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat mensenrechtenactivisten, journalisten, juristen en onlineactivisten in Iran wegens hun activiteiten nog altijd het slachtoffer vormen van intimidatie, willekeurige arrestatie en detentie alsook vervolging; overwegende dat het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid evenals andere diensten de voorbije maanden zijn overgegaan tot een ernstige repressie van het maatschappelijk middenveld;

B. overwegende dat in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na het sluiten van de nucleaire overeenkomst wordt benadrukt dat het belangrijk is om in het kader van de betrekkingen tussen de EU en Iran de EU-mensenrechtenrichtsnoeren hoog te houden, onder meer met betrekking tot mensenrechtenactivisten;

C. overwegende dat de bekende mensenrechtenadvocate Nasrin Sotoudeh onlangs tot een gevangenisstraf van minstens zeven jaar is veroordeeld; overwegende dat er twee rechtszaken tegen haar zijn gevoerd en dat het blijkbaar mogelijk is dat zij uiteindelijk veel langer opgesloten zit dan zeven jaar, maar dat er geen duidelijkheid heerst over de precieze duur van de haar opgelegde gevangenisstraf; overwegende dat haar vreedzame optreden ter verdediging van de mensenrechten in Iran de echte reden voor haar opsluiting lijkt te zijn; overwegende dat de rechtszaken tegen Nasrin Sotoudeh niet in overeenstemming met de internationale minimumnormen voor eerlijke procesvoering zijn verlopen;

D. overwegende dat Reza Khandan, Nasrin Sotoudehs echtgenoot, is opgepakt en opgesloten omdat hij zijn steun heeft betuigd aan vrouwen die vreedzaam manifesteerden voor de vrijlating van zijn vrouw en tegen het feit dat vrouwen ertoe worden verplicht een hoofddoek te dragen; overwegende dat de revolutionaire rechtbank van Teheran hem in januari 2019 tot een gevangenisstraf van zes jaar heeft veroordeeld;

E. overwegende dat de milieuactivisten Taher Ghadirian, Niloufar Bayani, Amirhossein Khaleghi, Houman Jokar, Sam Rajabi, Sepideh Kashani, Abdolreza Kouhpayeh en Morad Tahbaz, die de Persian Wildlife Heritage Foundation vertegenwoordigen, in de loop van januari en februari 2018 zijn opgepakt en sindsdien zonder toegang tot een advocaat opgesloten zitten, en overwegende dat zij de afgelopen weken zijn berecht op een manier die niet beantwoordt aan de normen inzake eerlijke procesvoering, overwegende dat een ander lid van de groep, de Iraans-Canadese hoogleraar Kavous Seyed Emami, vorig jaar in mysterieuze omstandigheden in de gevangenis is overleden;

F. overwegende dat de vakbondsmilitanten Esmaeil Bakhshi, Sepideh Gholian en Mohammad Habibi in 2018 en 2019 zijn opgepakt nadat zij betogingen voor de rechten van arbeiders en leraren hadden geleid; overwegende dat de mensenrechtenactiviste Maryam Akbari Monfared in 2010 tot vijftien jaar opsluiting is veroordeeld wegens 'vijandschap tegen God' (moharebeh, een halsmisdaad in Iran) en ondanks het feit dat zij aan diverse aandoeningen lijdt, geen medische verzorging ontvangt;

G. overwegende dat de activisten Arash Sadeghi, Narges Mohammadi en Farhad Meysami alle drie tot lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld wegens hun campagnes voor vrouwenrechten en mensenrechten en voor afschaffing van de doodstraf;

H. overwegende dat de Iraanse rechtbanken zich geregeld schuldig maken aan oneerlijke procesvoering en regelmatig door foltering verkregen bekentenissen als bewijsmateriaal gebruiken; overwegende dat de autoriteiten mensenrechtenactivisme als een misdaad blijven beschouwen en zich nog altijd beroepen op artikel 48 van het Iraanse strafprocesrecht om de toegang van gedetineerden tot rechtsbijstand te beperken; overwegende dat er in Iran geen onafhankelijke mechanismen bestaan waarmee de verantwoordingsplicht van de rechterlijke macht kan worden afgedwongen;

I. overwegende dat er nog altijd mensen worden gearresteerd die zowel over de Iraanse nationaliteit als over een EU-nationaliteit beschikken, zoals de Brits-Iraanse Nazanin Zaghari-Ratcliffe, overwegende dat deze burgers na hun arrestatie langdurig in afzondering worden opgesloten en worden ondervraagd, geen eerlijk proces krijgen en op grond van vage of niet gespecificeerde aantijgingen in verband met de nationale veiligheid of spionage tot lange gevangenisstraffen worden veroordeeld, en overwegende dat de overheid lastercampagnes tegen de opgesloten personen financiert;

J. overwegende dat er talrijke gevallen zijn gemeld van onmenselijke en mensonterende detentieomstandigheden in Iran en van het ontbreken van gepaste medische verzorging in Iraanse gevangenissen, wat indruist tegen de standaardminimumregels van de VN voor de behandeling van gevangenen;

K. overwegende dat er volgens een verslag van de ngo Iran Human Rights (IHR) in 2018 in Iran vermoedelijk 273 mensen zijn terechtgesteld, het op één na hoogste aantal ter wereld dat jaar;

L. overwegende dat er in Iran in 2018 duizenden mensen hebben deelgenomen aan vreedzame betogingen en stakingen, onder meer om te protesteren tegen onbetaalde lonen, slechte arbeidsomstandigheden, corruptie en politieke repressie; overwegende dat de autoriteiten honderden van deze mensen hebben opgepakt en veel van hen tot gevangenisstraffen en geseling hebben veroordeeld;

M. overwegende dat de Iraanse rechterlijke macht vreedzame protestacties van vrouwenrechtenactivisten tegen het verplicht dragen van een hoofddoek de kop blijft indrukken; overwegende dat er in 2018 in het kader van dergelijk protest ten minste 39 vrouwen zijn opgepakt, en dat nog eens 55 vrouwen zijn opgesloten wegens hun inzet voor de vrouwenrechten;

N. overwegende dat persvrijheid, zowel online als offline, vrijheid van vereniging en vrijheid van gedachte in Iran worden onderdrukt;

O. overwegende dat de Iraanse autoriteiten systematisch optreden tegen journalisten, zelfs tegen journalisten die voor de Perzische dienst van de BBC werken, en tegen hun familieleden, en dat de Iraanse autoriteiten daartoe gebruikmaken van strafrechtelijke onderzoeken, bevriezing van vermogen, willekeurige arrestaties, opsluiting, bespionering, intimidatie en het verspreiden van valse, kwaadwillige en lasterlijke berichten; overwegende dat er in Iran momenteel ten minste acht journalisten gevangen zitten;

P. overwegende dat de Iraanse president, Hassan Rohani, in december 2016 een burgerrechtenhandvest heeft uitgebracht, overwegende dat dit handvest geen juridisch bindende waarde bezit;

Q. overwegende dat religieuze en etnische minderheden, zoals aanhangers van het bahaïsme, Azeri, Koerden, Arabieren, Beloetsjen, soennieten, christenen en niet-gelovigen, in Iran te maken krijgen met discriminatie op het vlak van werk, onderwijs, geloofsbelijding en politieke activiteiten;

1. roept de Iraanse autoriteiten op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenactivisten, gewetensbezwaarden en journalisten die gevangen zitten en veroordeeld zijn enkel en alleen omdat ze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vereniging; benadrukt dat de Iraanse autoriteiten er in alle omstandigheden moeten voor zorgen dat mensenrechtenactivisten, juristen en journalisten bij de uitoefening van hun werkzaamheden geen dreigingen, intimidatie en hinder ondervinden;

2. herhaalt zijn oproep aan de Iraanse regering om Nasrin Sotoudeh, winnares van de Sacharovprijs, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en looft haar moed en haar inzet voor de mensenrechten en vrouwenrechten in Iran; beschouwt de overduidelijk oneerlijke rechtszaak tegen en veroordeling van Nasrin Sotoudeh als een ernstige rechterlijke dwaling, en is ingenomen met de verklaring die de woordvoerder van de EDEO op 12 maart 2019 hierover heeft afgelegd;

3. roept de Iraanse autoriteiten ertoe op artikel 48 van het Iraanse strafprocesrecht zodanig te wijzigen dat het recht van elke beschuldigde op vertegenwoordiging door een zelf gekozen advocaat en het recht van elke beschuldigde op een eerlijk proces worden gewaarborgd, conform de verbintenissen van Iran in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

4. vraagt de Iraanse autoriteiten met klem om de veiligheid en het welzijn van alle gedetineerden veilig te stellen en er onder meer voor te zorgen dat zij toegang hebben tot gepaste medische verzorging; vraagt voorts om een onafhankelijk onderzoek naar het overlijden in de gevangenis van Kavous Seyed Emami en naar de aantijgingen van foltering van andere opgesloten activisten, en laakt het feit dat politieke gevangenen opzettelijk medische verzorging wordt ontzegd;

5. verzoekt de Iraanse autoriteiten met klem om een eind te maken aan de bespionering, arrestaties, intimidatie en vervolging van journalisten, onlineactivisten en hun familie alsook aan de internetcensuur, en pleit voor de totstandbrenging van een omgeving waarin vrijheid van meningsuiting en mediavrijheid, zowel online als offline, worden aanvaard;

6. vraagt de Iraanse regering samen te werken met de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Iran, en hem onder meer toestemming te geven Iraanse grond te betreden;

7. verzoekt de lidstaten en instellingen van de EU om de gevallen van gearresteerde mensenrechtenactivisten te blijven aankaarten met hun Iraanse tegenhangers, evenals tijdens de volgende bijeenkomst van de VN-Mensenrechtenraad in Genève;

8. vraagt de EDEO om in het kader van de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran aandacht te blijven besteden aan het onderwerp van de mensenrechten en in het bijzonder de situatie van mensenrechtenactivisten; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) publiekelijk te herbevestigen dat eerbied voor de mensenrechten een cruciaal element vormt bij het uitbouwen van de betrekkingen tussen de EU en Iran;

9. dringt er bij de VV/HV en de Raad op aan na te gaan of er conform de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen met derde landen een officiële mensenrechtendialoog kan worden aangegaan met Iran;

10. vraagt de EU-ambtenaren met klem de Iraanse autoriteiten ertoe op te roepen om de veiligheid en het welzijn van gedetineerde mensenrechtenactivisten te garanderen en de berichten over foltering grondig te onderzoeken;

11. dringt er bij alle lidstaten met diplomatieke vertegenwoordiging in Teheran op aan om de in de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers bedoelde mechanismen in te zetten ter ondersteuning en bescherming van deze mensen, zoals publieke verklaringen, diplomatieke stappen, monitoring van rechtszaken en bezoeken aan gevangenissen;

12. vraagt Iran met klem om de werkzaamheden van vrouwenrechtenactivisten niet langer strafbaar te stellen, inclusief voor wat betreft het vreedzame protest tegen het feit dat vrouwen verplicht een hoofddoek moeten dragen, en eist dat deze discriminatoire en vernederende praktijk wordt afgeschaft;

13. verzoekt de Iraanse regering de rechten van alle leden van religieuze en etnische minderheden veilig te stellen en alle vormen van discriminatie jegens deze mensen tegen te gaan;

14. is ingenomen met de wijzigingen aan de wet inzake drugshandel, waarmee de doodstraf minder gemakkelijk wordt uitgesproken, en vraagt dat alle doodstraffen opnieuw worden bekeken om te garanderen dat de processen die tot dit vonnis hebben geleid, in overeenstemming met de internationale normen zijn verlopen; vraagt de Iraanse autoriteiten om meteen een moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf, en dit moratorium te beschouwen als een stap in de richting van volledige afschaffing van de doodstraf;

15. beveelt aan om nog voor het einde van het huidige mandaat een ad-hocdelegatie van de Subcommissie mensenrechten (DROI) naar Iran te sturen, met als opdracht gedetineerde mensenrechtenactivisten te bezoeken en de nodige bijeenkomsten met de Saudische autoriteiten te houden;

16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de hoogste leider van de Islamitische Republiek Iran, de president van de Islamitische Republiek Iran en de leden van de Majlis van Iran.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0525.

[2] PB C 215 van 19.6.2018, blz. 86.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling - Privacybeleid