Procedure : 2019/2938(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0182/2019

Ingediende teksten :

RC-B9-0182/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 28/11/2019 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0081

<Date>{26/11/2019}26.11.2019</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0182/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0183/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0184/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0185/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0186/2019</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 163kWORD 51k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, leden 2 en 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0182/2019 (PPE)

B9‑0183/2019 (Verts/ALE)

B9‑0184/2019 (ECR)

B9‑0185/2019 (S&D)

B9‑0186/2019 (Renew)</TablingGroups>


<Titre>over recente acties van de Russische Federatie gericht tegen Litouwse rechters, openbare aanklagers en onderzoekers die betrokken zijn bij het onderzoek naar de tragische gebeurtenissen op 13 januari 1991 in Vilnius</Titre>

<DocRef>(2019/2938(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Rasa Juknevičienė, Andrius Kubilius, Michael Gahler</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Kati Piri, Birgit Sippel, Tonino Picula, Raphaël Glucksmann, Juozas Olekas, Vilija Blinkevičiūtė, Sven Mikser</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Petras Auštrevičius, Abir Al‑Sahlani, Malik Azmani, Phil Bennion, Gilles Boyer, Jane Brophy, Sylvie Brunet, Jordi Cañas, Dita Charanzová, Olivier Chastel, Anna Júlia Donáth, Fredrick Federley, Barbara Ann Gibson, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Antony Hook, Ivars Ijabs, Moritz Körner, Ondřej Kovařík, Nathalie Loiseau, Jan‑Christoph Oetjen, Urmas Paet, Michal Šimečka, Susana Solís Pérez, Ramona Strugariu, Marie‑Pierre Vedrenne</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew­Fractie</Commission>

<Depute>Sergey Lagodinsky, Tineke Strik, Bronis Ropė</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Anna Fotyga, Ryszard Czarnecki, Zdzisław Krasnodębski, Ruža Tomašić, Assita Kanko, Adam Bielan, Alexandr Vondra, Jan Zahradil, Evžen Tošenovský, Witold Jan Waszczykowski, Veronika Vrecionová, Jacek Saryusz‑Wolski</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


Resolutie van het Europees Parlement over recente acties van de Russische Federatie gericht tegen Litouwse rechters, openbare aanklagers en onderzoekers die betrokken zijn bij het onderzoek naar de tragische gebeurtenissen op 13 januari 1991 in Vilnius

(2019/2938(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over de Russische Federatie,

 gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het Europees Verdrag voor de rechten van de mens),

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

 gezien het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien de VN-Basisbeginselen inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht,

 gezien de gedachtewisseling die onlangs plaatsvond tijdens de vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van 12 november 2019[1],

 gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het Molotov-Ribbentroppact de rechtstreekse aanleiding is geweest voor de annexatie van de Republiek Litouwen, en andere landen, door de communistische USSR;

B. overwegende dat de Russische Federatie, door zich te binden aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en als volwaardig lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, zich heeft verplicht om de beginselen van de democratie en de rechtsstaat na te leven en de fundamentele vrijheden en mensenrechten te eerbiedigen;

C. overwegende dat de strijdkrachten van de USSR tussen 11 en 13 januari 1991 een daad van agressie hebben gepleegd tegen de onafhankelijke staat Litouwen en de mensen die de televisietoren in Vilnius op vreedzame wijze probeerden te verdedigen, waarbij 14 mensen gedood werden en bijna 800 gewond raakten; overwegende dat het repressieve optreden van de veiligheidstroepen van de Sovjet-Unie doorging tot augustus 1991, toen er in Moskou een poging tot een staatsgreep werd gedaan;

D. overwegende dat het bloedvergieten wereldwijd werd afgekeurd, onder meer door de voorzitter van de Opperste Sovjet van de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek tijdens een massademonstratie in Moskou enkele dagen later;

E. overwegende dat op 11 maart 1990 de Russische Federatie, in het Verdrag tussen de Republiek Litouwen en de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek op basis van de betrekkingen tussen de staten van 29 juli 1991, het herstel van de onafhankelijkheid van de Republiek Litouwen heeft erkend;

F. overwegende dat de Russische Federatie de rechten en verplichtingen van de voormalige Sovjet-Unie heeft overgenomen en daarvan de opvolger is;

G. overwegende dat het regionaal hof van Vilnius op 27 maart 2019 uitspraak heeft gedaan in de zogenaamde “13 januari-zaak”, waarbij Dmitri Jazov, voormalig minister van Defensie van de Sovjet-Unie, Vladimir Uskhoptsjik, de voormalige garnizoenscommandant van het Sovjet-leger in Vilnius, Mikhail Golovatov, voormalig bevelhebber van de speciale troepen van de KGB, en 64 Russische, Wit-Russische en Oekraïense burgers, schuldig werden bevonden aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid vanwege hun betrokkenheid bij het agressieve optreden van de Sovjet-Unie tegen de staat Litouwen;

H. overwegende dat alle personen die betrokken waren bij deze aanval bij verstek zijn veroordeeld, met uitzondering van Joeri Mel en Gennadi Ivanov, twee voormalige officieren van het Sovjetleger, en dat de verdachten zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen tot 14 jaar; overwegende dat de in het voorjaar van 2019 gewezen arresten betrekking hebben op de tragische gebeurtenissen na de Litouwse onafhankelijkheidsverklaring van 11 maart 1990 en de pogingen van de Sovjet-Unie om Litouwen ertoe aan te zetten zijn verklaring van onafhankelijkheid in te trekken, waarmee in de eerste helft van 1990 een begin is gemaakt met een economische blokkade en welke uiteindelijk zijn uitgemond in een gewelddadige poging om de Litouwse regering in januari 1991 omver te werpen;

I. overwegende dat de autoriteiten van de Republiek Litouwen bij de uitvoering van het vooronderzoek voor de 13 januari-zaak de bevoegde autoriteiten van de Russische Federatie actief hebben verzocht juridische bijstand te verlenen in het kader van deze strafprocedures, maar dat de Russische Federatie niet heeft meegewerkt;

J. overwegende dat de Russische Federatie wordt geacht actief onderdak en bescherming te bieden aan de leidinggevende functionarissen en daders van de gewapende agressie tegen onschuldige en ongewapende burgers, zoals de hoge militaire functionaris tijdens de gebeurtenissen van januari 1991, Mikhail Golovatov, en alle mogelijke maatregelen neemt om hen te helpen hun aansprakelijkheid te ontlopen;

K. overwegende dat Rusland meteen negatief op de uitspraak heeft gereageerd en dat de Russische Doema heeft gesteld dat het proces een “politiek proces” was en “een poging om de geschiedenis te herschrijven”, en dat het Russische Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangekondigd “het er niet bij te zullen laten”;

L. overwegende dat de onderzoekscommissie van de Russische Federatie tussen juli 2018 en april 2019 verschillende strafprocedures heeft ingeleid tegen de openbare aanklagers, onderzoekers en de rechters van de Republiek Litouwen die betrokken waren bij het onderzoek naar of de uitspraak over de 13 januari-zaak, op basis van de artikelen 299 en 305 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie, die voorzien in strafrechtelijke aansprakelijkheid voor “het voor de strafrechter dagen van een bewust onschuldig persoon” en “bewust onrechtvaardige vonnissen, besluiten of enige andere juridische handeling van een rechter of rechters”;

M. overwegende dat deze door de Russische Federatie geïnitieerde politiek gemotiveerde strafrechtelijke vervolging kan leiden tot een poging om misbruik te maken van het Interpol-systeem en andere bilaterale en multilaterale samenwerkingsovereenkomsten, teneinde de rechten van de openbare aanklagers die het onderzoek leiden en de procesrechters in de 13 januari-zaak bij huiszoekingen, verhoren en arrestaties te beperken; overwegende dat de kans bestaat dat de Russische Federatie gaat proberen om een internationaal aanhoudingsbevel uit te laten vaardigen tegen de Litouwse functionarissen die betrokken waren bij dit proces;

N. overwegende dat er een propaganda- en desinformatiecampagne wordt gevoerd in de door de staat gecontroleerde media van de Russische Federatie, alsook door haar officiële vertegenwoordigers, gericht op de ontwikkeling van complottheorieën over de 13 januari-zaak, en welke deel uitmaakt van de hybride oorlogsvoering tegen de EU en democratieën;

O. overwegende dat de rechtsstaat, met inbegrip van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, een van de gemeenschappelijke waarden is waarop de Unie is gegrondvest; overwegende dat de Commissie, samen met het Parlement en de Raad, op grond van de Verdragen verantwoordelijk is voor het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat als fundamentele waarde van de Unie, en ervoor moet zorgen dat het recht, de waarden en de beginselen van de Unie worden geëerbiedigd;

P. overwegende dat de rechters van een lidstaat ook rechters van de Europese Unie als geheel zijn;

Q. overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht een fundament is van de rechtsstaat en cruciaal is voor de werking van de democratie en de naleving van mensenrechten; overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

R. overwegende dat de VN-Basisbeginselen inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bepalen dat het de plicht is van alle overheids- en andere instellingen om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te eerbiedigen en in acht te nemen; overwegende dat daarin voorts bepaald wordt dat er geen sprake mag zijn van ongepaste of ongerechtvaardigde inmenging in de rechtsgang[2];

S. overwegende dat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens met name de beginselen zijn verankerd van gelijkheid voor de wet, het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijke en openbare behandeling van een zaak door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld;

T. overwegende dat in artikel 1 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, dat door de Russische Federatie is geratificeerd, wordt bepaald dat “de Partijen zich ertoe verbinden om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij”;

U. overwegende dat de Russische Federatie steeds vaker het internationaal recht en internationale normen schendt, en standpunten inneemt die haaks staan op betrekkingen van goed nabuurschap, en daarmee elk vooruitzicht op toekomstige samenwerking ondermijnt;

1. spreekt zijn solidariteit en medeleven uit met de families van de slachtoffers in de 13 januari-zaak;

2. merkt op dat de acties van de autoriteiten van de Russische Federatie ten aanzien van Litouwse rechters en openbare aanklagers fundamentele rechtswaarden schenden, met name de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, alsook het beginsel dat mensenrechten en vrijheden alleen rechtmatig mogen worden beperkt voor doeleinden die binnen de door het internationaal recht gestelde grenzen vallen;

3. herinnert eraan dat de strafrechtelijke vervolging van openbare aanklagers en rechters voor hun beroepsactiviteiten een vorm van onaanvaardbare externe invloed is die botst met de rechtsstaat;

4. benadrukt dat dergelijke strafzaken tegen openbare aanklagers en rechters niet als legitiem kunnen worden beschouwd;

5. veroordeelt ten stelligste deze schendingen van fundamentele beginselen en normen van het internationaal recht door de Russische autoriteiten en maakt bezwaar tegen deze politiek gemotiveerde strafprocedures;

6. spreekt zijn solidariteit uit met de Litouwse openbare aanklagers, onderzoekers en rechters die door Russische Federatie in staat van beschuldiging zijn gesteld, en met de inspanningen van de Litouwse regering om deze zaak onder de aandacht te brengen en te voorkomen dat de personen die door de Russische autoriteiten ten onrechte in staat van beschuldiging zijn gesteld, schade ondervinden of gevaar lopen;

7. benadrukt dat de universeel erkende waarborgen voor de onafhankelijkheid van rechters en openbare aanklagers verbieden dat men zich op welke wijze dan ook in de rechtsbedeling mengt of zelfs maar de minste invloed uitoefent op een beslissing, alsook rechters te vervolgen voor door hen genomen beslissingen of zich te mengen in de werkzaamheden van het openbaar ministerie bij het onderzoeken van zaken;

8. roept de Russische Federatie op de strafprocedures te beëindigen die zij ingeleid heeft tegen de Litouwse openbare aanklagers, de onderzoekers en de rechters in de 13 januari-zaak;

9. roept de autoriteiten van de Russische Federatie op, in het kader van de tenuitvoerlegging van het Verdrag tussen de Republiek Litouwen en de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek op basis van de betrekkingen tussen de staten van 29 juli 1991, de verantwoordingsplicht te beoordelen van de personen die het agressieve optreden van 11 tot 13 januari 1991 hebben geleid of daaraan hebben deelgenomen, en de rechtshandhavingsinstanties van de Republiek Litouwen bijstand te verlenen bij de rechtspleging in de 13 januari-zaak;

10. roept de autoriteiten van de Russische Federatie op te voldoen aan de verzoeken om wederzijdse rechtshulp van de Republiek Litouwen in de 13 januari-zaak;

11. verzoekt de autoriteiten van de Russische Federatie aan de onverantwoordelijke desinformatie- en propagandaverklaringen van functionarissen van de Russische Federatie inzake de 13 januari-zaak een einde te maken;

12. verzoekt de lidstaten om, indien verzoeken om wederzijdse rechtshulp van de Russische Federatie worden ontvangen in verband met de strafrechtelijke vervolging in de Russische Federatie van de Litouwse openbare aanklagers en rechters die betrokken zijn bij de 13 januari-zaak, dit als een politiek gemotiveerde zaak te behandelen, nauw samen te werken met de bevoegde Litouwse autoriteiten, en de Russische Federatie in deze zaak juridische bijstand te weigeren;

13. verzoekt de Commission for the Control of Interpol’s Files (CCF) (Commissie voor de controle van de Interpol-bestanden), die belast is met het voorkomen van politiek misbruik van aanhoudingsbevelen, alert te zijn bij alle verzoeken om een internationaal aanhoudingsbevel tegen de beschuldigde Litouwse functionarissen; verzoekt alle lidstaten en andere ondertekenaars van het Statuut van ICPO-Interpol om alle internationale aanhoudingsbevelen met betrekking tot de aangeklaagde Litouwse functionarissen te negeren; verzoekt Interpol alle Russische verzoeken om aanhoudingsbevelen in verband met de 13 januari-zaak buiten beschouwing te laten;

14. dringt er bij alle lidstaten op aan geen persoonsgegevens aan Rusland door te geven die gebruikt kunnen worden in strafprocedures tegen Litouwse rechters, openbare aanklagers of onderzoekers;

15. verzoekt de lidstaten om met betrekking tot hun beleid ten aanzien van Rusland op Europees niveau ten volle samen te werken, omdat meer consistentie en een betere coördinatie belangrijk is om te komen tot een doeltreffender EU-beleid, en verzoekt de lidstaten om meer inspanningen te leveren om weerbaarheid op te bouwen en te werken aan praktische oplossingen ter ondersteuning en versterking van democratische processen en een onafhankelijke rechterlijke macht;

16. verzoekt de voorzitters van de Raad en de Commissie, de VV/HV en de lidstaten om deze zaken nauwlettend te volgen, deze kwesties binnen verschillende fora en bijeenkomsten met Rusland aan te kaarten en aan het Parlement verslag uit te brengen over hun contacten met de Russische autoriteiten, en de Russische autoriteiten duidelijk te maken dat de Europese Unie zich in dit geval en in andere soortgelijke gevallen als een eenheid opstelt en dat de lidstaten onderling solidair zijn; verzoekt de lidstaten om deze kwestie in hun contacten met de Russische autoriteiten aan de orde te stellen;

17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, alsook de presidenten, regeringen en parlementen van de Russische Federatie en Belarus.

 

Laatst bijgewerkt op: 28 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid