Procedure : 2020/2551(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0104/2020

Ingediende teksten :

RC-B9-0104/2020

Debatten :

PV 13/02/2020 - 4.1
CRE 13/02/2020 - 4.1

Stemmingen :

PV 13/02/2020 - 7.1

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0036

<Date>{12/02/2020}12.2.2020</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0104/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0106/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0108/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0110/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0111/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0113/2020</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 165kWORD 53k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0104/2020 (Verts/ALE)

B9‑0106/2020 (S&D)

B9‑0108/2020 (ECR)

B9‑0110/2020 (GUE/NGL)

B9‑0111/2020 (PPE)

B9‑0113/2020 (Renew)</TablingGroups>


<Titre>over de Republiek Guinee, met name geweld tegen demonstranten</Titre>

<DocRef>(2020/2551(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, David Lega, Željana Zovko, David McAllister, Sandra Kalniete, Andrey Kovatchev, Krzysztof Hetman, Milan Zver, Lefteris Christoforou, Stelios Kympouropoulos, Arba Kokalari, Loucas Fourlas, Loránt Vincze, Isabel Wiseler‑Lima, Romana Tomc, Michaela Šojdrová, Vladimír Bilčík, Vangelis Meimarakis, Magdalena Adamowicz, Ivan Štefanec, Liudas Mažylis, Michal Wiezik, Tomas Tobé, Frances Fitzgerald, Deirdre Clune, Tomáš Zdechovský, Inese Vaidere, Jiří Pospíšil, Stanislav Polčák, Peter Pollák, Miriam Lexmann, Ioan‑Rareş Bogdan</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Kati Piri, Maria Arena</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Jan‑Christoph Oetjen, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Stéphane Bijoux, Izaskun Bilbao Barandica, Sylvie Brunet, Dita Charanzová, Olivier Chastel, Ilana Cicurel, Jérémy Decerle, Laurence Farreng, Valter Flego, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Bernard Guetta, Ivars Ijabs, Irena Joveva, Pierre Karleskind, Moritz Körner, Ondřej Kovařík, Ilhan Kyuchyuk, Ulrike Müller, Mauri Pekkarinen, Dragoş Pîslaru, Frédérique Ries, Michal Šimečka, Susana Solís Pérez, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu, Irène Tolleret, Yana Toom, Viktor Uspaskich, Hilde Vautmans, Adrián Vázquez Lázara, Marie‑Pierre Vedrenne, Chrysoula Zacharopoulou, Javier Nart</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Pierrette Herzberger‑Fofana, Hannah Neumann</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Karol Karski, Emmanouil Fragkos, Elżbieta Kruk, Jadwiga Wiśniewska, Joanna Kopcińska, Ruža Tomašić, Ryszard Czarnecki, Carlo Fidanza, Raffaele Fitto</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Idoia Villanueva Ruiz, Miguel Urbán Crespo, Eugenia Rodríguez Palop, Manuel Bompard, Stelios Kouloglou, Alexis Georgoulis, Dimitrios Papadimoulis</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>


Resolutie van het Europees Parlement over de Republiek Guinee, met name geweld tegen demonstranten

(2020/2551(RSP))

 

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over de Republiek Guinee,

 gezien de gezamenlijke verklaring van de Verenigde Naties, de Europese Unie en de ambassades van de Verenigde Staten en Frankrijk in de Republiek Guinee, van 5 november 2019,

 gezien het communiqué van de Commissie van de Afrikaanse Unie en de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas) van 4 november 2019, naar aanleiding van de incidenten in Conakry,

 gezien de persmededeling van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken over de onderdrukking van de protesten in de Republiek Guinee van 9 november 2019,

 gezien de vijfendertigste zitting van de Werkgroep universele periodieke doorlichting van de VN-Mensenrechtenraad van 20 tot en met 31 januari 2020,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

 gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (de Overeenkomst van Cotonou),

 gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren dat werd aangenomen op 27 juni 1981 en in werking is getreden op 21 oktober 1986,

 gezien de grondwet van de Republiek Guinee, die op 19 april 2010 door de nationale overgangsraad is goedgekeurd en op 7 mei 2010 is aangenomen,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

 gezien het nationaal indicatief programma in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor de periode 2014-2020, dat in middelen voor de Republiek Guinee voorziet,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat president Alpha Condé sinds zijn verkiezing in 2010 en herverkiezing in 2015 aan de macht is in de Republiek Guinee; overwegende dat sinds medio oktober 2019 grootschalige protesten zijn uitgebroken in het land, vooral door het Front National pour la Défense de la Constitution (FNDC, Nationaal Front voor de verdediging van de grondwet), omdat de oppositie vreest dat president Condé zijn grondwettelijke bevoegdheden tracht uit te breiden; overwegende dat krachtens de grondwet van de Republiek Guinee slechts twee presidentiële ambtstermijnen toegestaan zijn; overwegende dat de tweede ambtstermijn van president Condé eind 2020 afloopt;

B. overwegende dat zijn verkiezing tot president in 2010 de eerste stap was in de richting van democratische hervormingen en transparantie, na jaren van militair bewind; overwegende dat president Condé wordt beschuldigd van corruptie en belemmering van de politieke vrijheid; overwegende dat een hervorming van de grondwet, met als enig doel de verlenging van de ambtstermijn zodat Alpha Condé aan de macht kan blijven, tot het losbarsten van geweld heeft geleid;

C. overwegende dat president Condé onlangs eveneens heeft getracht de institutionele belemmeringen voor zijn hervorming weg te nemen, door het Grondwettelijk Hof en de Kiescommissie van de Republiek Guinee te beïnvloeden; overwegende dat de voorzitter van het Grondwettelijk Hof, Kéléfa Sall, in maart 2018 uit zijn ambt is ontzet; overwegende dat de minister van Justitie, Cheick Sako, is opgestapt als gevolg van zijn verzet tegen het wijzigen van de grondwet om een derde presidentiële ambtstermijn mogelijk te maken;

D. overwegende dat de regeringspartij, Rassemblement du Peuple Guinéen, niet de vereiste tweederdemeerderheid in het parlement heeft om de grondwet te wijzigen; overwegende dat het parlement van de Republiek Guinee buitenspel gezet kan worden door een referendum over het wijzigen van de grondwet te houden;

E. overwegende dat president Condé op 19 december 2019 het plan heeft aangekondigd om op 1 maart 2020 een referendum over de hervorming van de grondwet te houden; overwegende dat de parlementsverkiezingen, die oorspronkelijk op 16 februari waren gepland, uitgesteld worden en op dezelfde dag als het referendum zullen worden gehouden; overwegende dat het voorstel voor de nieuwe grondwet inhoudt dat de presidentiële ambtstermijn verlengd zou worden van vijf tot zes jaar, met een maximum van twee ambtstermijnen; overwegende dat president Condé waarschijnlijk gebruik zal maken van deze grondwetswijziging om voor een derde presidentiële ambtstermijn te gaan;

F. overwegende dat het FNDC, een alliantie van oppositiepartijen, maatschappelijke organisaties en vakbonden, betogingen heeft georganiseerd en stakingen plant in verzet tegen de grondwetswijziging; overwegende dat tussen 12 oktober en 28 november 2019 ten minste zeven leden van de FNDC zijn gearresteerd en vervolgd, omdat hun oproepen tot protest tegen de nieuwe ontwerpgrondwet werden aanzien als handelingen of acties die de openbare orde zouden kunnen verstoren en de openbare veiligheid in gevaar zouden kunnen brengen; overwegende dat deze leden van de FNDC uiteindelijk, onder internationale druk, zijn vrijgesproken;

G. overwegende dat de situatie in het land geladen is, met verhoogde politieke spanningen en oplaaiend geweld; overwegende dat de regering hardhandig optreedt en dat de politie reageert met buitensporig, onnodig en onrechtmatig geweld tegen demonstranten: zo melden mensenrechtenorganisaties barricades, vuurgevechten en het gebruik van traangas, vooral in de hoofdstad Conakry en de stad Mamou, een bolwerk van de oppositie in het noorden; overwegende dat de politie in Wanindara een vrouw zou hebben gebruikt als menselijk schild tegen stenen die door de demonstranten gegooid werden;

H. overwegende dat Fodé Oussou Fofana, vicevoorzitter van de belangrijkste oppositiepartij, Union des forces démocratiques de Guinée (“Verenigde democratische krachten van de Republiek Guinee”), de president heeft beschuldigd van het plegen van een constitutionele staatsgreep en van fraude; overwegende dat de oppositiepartijen verklaard hebben de parlementsverkiezingen te boycotten en zich te verzetten;

I. overwegende dat zowel de Ecowas als de Afrikaanse commissie voor de rechten van de mens en volken hebben opgeroepen tot eerbiediging van de grondrechten van de demonstranten en tot een betere aanpak van de betogingen door de veiligheidstroepen;

J. overwegende dat de VN-Commissie voor de rechten van de mens heeft opgemerkt dat het optreden van de veiligheidstroepen tijdens de protesten die in Conakry begonnen op 14 en 15 oktober 2019 “niet overeenstemt met de internationale normen inzake het gebruik van geweld”; overwegende dat de begrafenis van de demonstranten die tijdens deze protesten om het leven kwamen, ontsierd werd door verder geweld en nog meer gewelddadige overlijdens;

K. overwegende dat de Republiek Guinee op de wereldindex voor persvrijheid 2019 op de 101e plaats staat van 180 landen; overwegende dat sinds 2015 meer dan 20 journalisten zijn gedagvaard, gevangen zijn genomen, of voor de rechtbank zijn gebracht; overwegende dat sinds het begin van de protesten in oktober 2019 journalisten, mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke activisten gearresteerd worden, zoals Abdourahmane Sanoh (coördinator van het FNDC), die vervolgens vrijgelaten werd, terwijl anderen nog steeds opgesloten zijn en het slachtoffer van geweld worden; overwegende dat bij de protesten minstens 28 burgers en een agent zijn gedood; overwegende dat mensenrechtenorganisaties schatten dat sinds 2015 ten minste 70 demonstranten en omstaanders om het leven zijn gekomen, zoals student Amadou Boukariou Baldé, die in mei 2019 tijdens betogingen aan de universiteit van Labé door politieagenten werd doodgeslagen;

L. overwegende dat verschillende plaatselijke ngo’s de omstandigheden in de gevangenissen in de Republiek Guinee hebben veroordeeld, met name de “ernstige overbevolking, tekortkomingen op het gebied van voedsel en voeding, en het gebrek aan opleiding van de meeste gevangenisbewakers” (uit het verslag van Human Rights Watch); overwegende dat de omstandigheden in heel het land zorgwekkend zijn, en dat de centrale gevangenis in Conakry in het bijzonder zorgen baart;

M. overwegende dat de Republiek Guinee behoort tot de armste landen van Afrika, en nog steeds lijdt onder jaren van economisch wanbeheer en corruptie, ondanks het feit dat de mijnen van Boke de grootste reserve van bauxiet ter wereld zijn; overwegende dat twee derde van de 12,5 miljoen inwoners van het land in armoede leven, en dat de ebolacrisis tussen 2013 en 2016 de economie van het land aanzienlijk heeft verzwakt; overwegende dat met name jongeren onder de 25 jaar, die meer dan 60 % van de bevolking uitmaken, getroffen worden door werkloosheid;

N. overwegende dat het huidige klimaat van verzet tegen de hervorming van de grondwet de confrontatie tussen de regerings- en de oppositiepartijen op de spits heeft gedreven, en dat de OGDH (de Organisatie voor mensen- en burgerrechten in de Republiek Guinee) de herhaalde schendingen van de mensenrechten in de Republiek Guinee veroordeelt; overwegende dat deze schendingen zich vertalen in de vernietiging van openbare gebouwen en voorzieningen, pogingen om etnische verdeeldheid aan te wakkeren, en gedwongen uitzettingen uit privé-eigendom; overwegende dat de regering van de Republiek Guinee tussen februari en mei 2019 meer dan 20 000 mensen heeft verdreven uit bepaalde wijken in Conakry, om plaats te ruimen voor ministeries, buitenlandse ambassades, bedrijven, en andere openbare projecten;

O. overwegende dat de Europese Unie tussen 2014 en 2020 via het nationaal indicatief programma in het kader van het elfde EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) bijstand heeft verleend aan de Republiek Guinee voor een bedrag van 244 000 000 EUR, gericht op institutionele hervormingen en de modernisering van het bestuur, stedelijke sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg, wegvervoer en ondersteuning van de nationale ordonnateur;

1. betreurt het aanhoudende geweld in de Republiek Guinee; veroordeelt met klem de schendingen van de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting, alsook de daden van geweld, moorden en andere schendingen van de mensenrechten; vraagt de regeringstroepen vanaf nu terughoudend op te treden, en legitieme, vreedzame protesten toe te staan zonder enige vorm van intimidatie;

2. dringt bij de regering van de Republiek Guinee aan op een snel, transparant, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek in verband met de gedode en gewonde demonstranten, de beschuldigingen van buitensporig geweld en andere schendingen van de mensenrechten door wetshandhavers; vraagt dat de verantwoordelijken, ook binnen de politie en de veiligheidstroepen, ter verantwoording worden geroepen en niet ongestraft blijven; herinnert de regering van de Republiek Guinee eraan dat ook de strijd tegen corruptie en het beëindigen van de straffeloosheid tot prioriteiten moeten worden gemaakt;

3. betreurt ten zeerste alle plannen om de grondwettelijke bepalingen die het aantal ambtstermijnen van de president beperken, te wijzigen; herhaalt nadrukkelijk dat een goed functionerende democratie de eerbiediging van de rechtsstaat en alle grondwettelijke bepalingen moet omvatten, in voorkomend geval met inbegrip van het aantal presidentiële ambtstermijnen; vraagt de president van de Republiek Guinee de grondwet van de Republiek Guinee te eerbiedigen, en met name artikel 27 daarvan;

4. dringt aan op de eerbiediging van het recht op vrijheid van demonstratie, van vergadering, van vereniging en van meningsuiting, zoals gewaarborgd door internationale normen en door de Republiek Guinee geratificeerde VN‑verdragen en ‑conventies; vraagt de regering van de Republiek Guinee dringende maatregelen te nemen om te verzekeren dat het recht om vrij en vreedzaam te protesteren wordt geëerbiedigd, om een veilige omgeving te creëren, vrij van intimidatie en geweld, en om een dialoog met de oppositie te faciliteren;

5. dringt er bij alle betrokken partijen op aan een verdere escalatie van de spanningen en het geweld te voorkomen; verzoekt de regering van de Republiek Guinee, alsook de oppositiegroepen en maatschappelijke organisaties, om zich terughoudend op te stellen, verantwoordelijk op te treden, en een constructieve dialoog aan te gaan om tot een duurzame, op consensus gebaseerde en vreedzame oplossing te komen; verzoekt de EU zich te blijven inspannen om de rol van het maatschappelijk middenveld te versterken en niet-overheidsactoren aan te moedigen een actieve rol te spelen;

6. dringt er bij de regering van de Republiek Guinee op aan te zorgen voor transparante, geloofwaardige en vrije parlements- en presidentsverkiezingen, die tijdig worden gehouden, met volledige deelname van de oppositiepartijen, onder meer door hen in staat te stellen zich te registreren, campagne te voeren, toegang te hebben tot de media, en vrijheid van vergadering te genieten;

7. herinnert aan het belang van een autonome nationale kiescommissie, die onafhankelijk van de regering of enige politieke partij optreedt; dringt er bij de regering van de Republiek Guinee en president Condé op aan te waarborgen dat de nationale onafhankelijke verkiezingscommissie (CENI) in de Republiek Guinee op volledig transparante wijze kan werken, zonder inmenging, intimidatie of dwang door zittende politici of partijen;

8. dringt er bij de autoriteiten van de Republiek Guinee op aan alle nationale en internationale verplichtingen op het gebied van politieke en burgerrechten volledig te eerbiedigen, met inbegrip van het recht op vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, het recht op vrijwaring van foltering, mishandeling en willekeurige detentie, en het recht op een eerlijk proces; benadrukt dat de eerbiediging van de mensenrechten centraal moet staan in elke politieke oplossing voor de crisis;

9. roept de autoriteiten van de Republiek Guinee op om, overeenkomstig internationale normen, onderzoek te doen naar de leden van de veiligheidstroepen tegen wie er bewijs is van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor misbruik in het verleden en het heden, en vervolging in te stellen;

10. herinnert eraan dat een dynamisch maatschappelijk middenveld, dat zonder angst, intimidatie en geweld kan werken, een noodzakelijke voorwaarde is voor het consolideren van de democratie; dringt er bij de regering en de veiligheidstroepen op aan voor een omgeving te zorgen die bevorderlijk is voor de veiligheid en de beveiliging van de vertegenwoordigers van niet-gouvernementele en maatschappelijke organisaties, met inbegrip van een herziening van de wetgeving inzake het gebruik van geweld tijdens openbare bijeenkomsten;

11. benadrukt dat een pluralistisch, onafhankelijk en vrij medialandschap, dat ten dienste staat van de democratie, gewaarborgd en bevorderd moet worden; dringt er bij de autoriteiten van de Republiek Guinee op aan onmiddellijk een einde te maken aan de intimidatie van journalisten, met inbegrip van de willekeurige opschorting van mediavergunningen; vraagt de individuele rechten van journalisten en mensenrechtenactivisten in het land te eerbiedigen, en hun veiligheid te waarborgen zodat zij verslag kunnen uitbrengen over en toezien op de politieke en mensenrechtensituatie in het land;

12. uit scherpe kritiek op de gevangenneming van Abdourahmane Sanoh en andere leiders van oppositiegroepen of maatschappelijke organisaties; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van politieke gevangenen in het land, en op een onderzoek naar de wijdverbreide beschuldigingen van mishandeling van gevangenen;

13. dringt er bij de Republiek Guinee op aan geen mensen meer uit te zetten uit hun huizen of van hun land te verdrijven zolang de autoriteiten de eerbiediging van de rechten van ingezetenen niet kunnen waarborgen, met inbegrip van een passende kennisgeving, een correcte vergoeding en hervestiging vóór de uitzetting; benadrukt dat een passende vergoeding moet worden geboden aan alle personen die onder dwang zijn uitgezet en die nog geen schadevergoeding hebben ontvangen;

14. herinnert eraan dat het voor de Republiek Guinee van belang is samen te werken met regionale partners om de democratie, de ontwikkeling en de veiligheid collectief te versterken; dringt er bij de autoriteiten in de Republiek Guinee op aan nauw samen te werken met regionale organisaties, waaronder de Ecowas, om de fundamentele vrijheden te herstellen, de tijdens de protesten gepleegde mensenrechtenschendingen volledig te onderzoeken, en een vreedzame democratische transitie tot stand te brengen; herinnert eraan dat de oplossing voor de huidige crisis enkel kan bestaan uit een open en toegankelijke inter-Guineese dialoog tussen de regering en de oppositie; herinnert er eveneens aan dat de Ecowas en de buurlanden van de Republiek Guinee een essentiële rol kunnen spelen bij de bevordering van een duurzame inter-Guineese dialoog; herinnert eraan dat de Ecowas 70 waarnemers heeft gestuurd om deel te nemen aan een verkiezingswaarnemingsmissie (Ecowas-EOM) in verband met de presidentsverkiezingen in de Republiek Guinee op 22 november 2019; verzoekt de regering van Guinee en de Ecowas nauw samen te werken om ervoor te zorgen dat de verkiezingen van 2020 vreedzaam verlopen en representatief zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor follow‑up in verband met de aanbevelingen uit de universele periodieke doorlichting van de Republiek Guinee in januari 2020, met name wat betreft het recht op leven, fysieke integriteit, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame samenwerking, alsook met betrekking tot het gebruik van geweld en straffeloosheid; dringt er bij de autoriteiten van de Republiek Guinee op aan om op zinvolle wijze deel te nemen aan de komende universele periodieke doorlichting van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, onder meer door volledige toegang ter plaatse te verlenen aan de VN, en om de daaruit voortvloeiende aanbevelingen van de werkgroep volledig ten uitvoer te leggen;

15. dringt er bij de Europese Unie op aan nauwlettend toe te zien op de situatie in de Republiek Guinee, en de regering ter verantwoording te roepen voor elke schending van de verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten inzake de mensenrechten, in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 8, 9 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou;

16. verzoekt de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), om de politieke dialoog in stand te houden, met inbegrip van de dialoog in het kader van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou, teneinde de spanningen in het land snel terug te dringen en desgevraagd bijstand te verlenen bij de voorbereiding van vreedzame verkiezingen, met inbegrip van bemiddeling en maatregelen om geweld vóór en na de verkiezingen te bestrijden; dringt er voorts bij de VV/HV en de EDEO op aan samen te werken met de autoriteiten van de Republiek Guinee, de Ecowas, het VN-bureau voor de mensenrechten in de Republiek Guinee, de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken, en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor West-Afrika en de Sahel, om een gemeenschappelijke strategie uit te werken om de huidige politieke crisis op te lossen;

17. is verheugd dat het 11e EOF gericht is op de ondersteuning van de rechtsstaat in de Republiek Guinee; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan de steun voor de versterking van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke overheidsinstellingen te handhaven;

18. roept de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Guinee op de situatie van de onafhankelijke maatschappelijke organisaties in het land nauwlettend te monitoren, de processen van politieke gevangenen te volgen, en de mensenrechtensituatie in het land voort aan te pakken in het kader van de dialoog met de autoriteiten van de Republiek Guinee; verzoekt de Commissie de situatie in de Republiek Guinee nauwlettend te volgen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

19. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de voorzitter en het parlement van de Republiek Guinee, de instellingen van de Ecowas, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, alsmede de Afrikaanse Unie en haar instellingen.

 

 

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid