Procedure : 2020/2780(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0257/2020

Ingediende teksten :

RC-B9-0257/2020

Debatten :

PV 15/09/2020 - 11
CRE 15/09/2020 - 11

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P9_TA(2020)0240

<Date>{16/09/2020}16.9.2020</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9-0257/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0259/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0261/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0265/2020</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0269/2020</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 176kWORD 57k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, leden 2 en 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9-0257/2020 (PPE)

B9-0259/2020 (GUE/NGL)

B9-0261/2020 (Renew)

B9-0265/2020 (S&D)

B9-0269/2020 (Verts/ALE)</TablingGroups>


<Titre>over COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt</Titre>

<DocRef>(2020/2780(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Esther de Lange, Andreas Schwab, Peter Liese, Roberta Metsola</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Sara Cerdas</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Véronique Trillet-Lenoir, Nicolae Ştefănuță, Dita Charanzová</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Petra De Sutter, Anna Cavazzini, Francisco Guerreiro, Monika Vana, Tilly Metz</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Kateřina Konečná</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over COVID-19: EU-coördinatie van gezondheidsbeoordelingen en risico-indeling en de gevolgen voor Schengen en de interne markt

(2020/2780(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

 gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), alsmede de artikelen 4, 6, 9, 21, 67, 114, 153, 169 en 191,

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 35 en 45,

 gezien Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen[1] (Schengengrenscode),

 gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden[2] (de richtlijn vrij verkeer), en het daarin vastgelegde non-discriminatiebeginsel,

 gezien de richtsnoeren van de Commissie voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten[3] en de richtsnoeren van de Commissie betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19[4],

 gezien zijn resolutie van 17 april 2020 over gecoördineerde EU-maatregelen om de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan te bestrijden[5],

 gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2020, getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles – COVID-19”[6],

 gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2020 over de derde beoordeling van de toepassing van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU (COM(2020)0399),

 gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over de situatie in het Schengengebied als gevolg van de COVID-19-pandemie[7],

 gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19[8],

 gezien de mededeling van de Commissie van 15 juli 2020 over kortetermijnparaatheid van de EU op gezondheidsgebied voor COVID-19-uitbraken (COM(2020)0318),

 gezien het voorstel van de Commissie van 4 september 2020 voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie (COM(2020)0499),

 gezien het meest recente rapport van het Europees Centrum voor ziektepreventie en ‑bestrijding (ECDC) over overdraagbare ziekten (CDTR) en gezien de volksgezondheidsrichtsnoeren en de verslagleggingsprotocollen van het ECDC inzake COVID-19,

 gezien Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91[9],

 gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COVID-19-pandemie is verschoven van de beheersfase voor een acuut risico naar de beheersfase voor een chronisch risico; overwegende dat het virus waarschijnlijk actief zal blijven totdat een effectief en veilig vaccin is gevonden en in voldoende grote hoeveelheden is geleverd om een zeer groot deel van de wereldbevolking afdoende te beschermen; overwegende dat dit betekent dat we nog ten minste enkele maanden in moeilijke omstandigheden zullen moeten leven;

B. overwegende dat de prevalentie alsook de intensiteit en de duur van de verspreiding van COVID-19 per lidstaat en per regio binnen dezelfde lidstaat sterk uiteenlopen;

C. overwegende dat verschillende vaccins zich in een gevorderd teststadium bevinden, maar dat tot dusver voor geen enkel vaccin de EU-vergunningsprocedure voor het in de handel brengen is afgerond;

D. overwegende dat het reguliere griepseizoen naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een stijging van het aantal mensen met milde symptomen die getest moeten worden;

E. overwegende dat de testcapaciteit in sommige lidstaten nog steeds ontoereikend is; overwegende dat mensen soms dagen moeten wachten op de uitslag van hun COVID-19-test; overwegende dat dit van grote invloed is op hun mogelijkheden om te werken en te reizen;

F. overwegende dat sommige lidstaten weigeren COVID-19-tests te erkennen die zijn uitgevoerd in ander lidstaten; overwegende dat dit wantrouwen het leven van de burgers ernstig bemoeilijkt;

G. overwegende dat het door de uiteenlopende wijzen waarop de lidstaten gegevens met betrekking tot COVID-19 verzamelen moeilijk is om gegevens met elkaar te vergelijken;

H. overwegende dat er nog steeds geen geharmoniseerde methode bestaat met betrekking tot het registreren van het aantal besmette personen of het evalueren daarvan, noch met betrekking tot de COVID-19-waarschuwingssystemen; overwegende dat door dit gebrek aan harmonisatie de gegevens over besmettingen in de verschillende lidstaten vaak zeer verschillend worden geïnterpreteerd, hetgeen leidt tot ongerechtvaardigde discriminatie van burgers uit verschillende lidstaten;

I. overwegende dat de EU-respons op de COVID-19-pandemie tot dusver een gebrek aan coördinatie tussen de lidstaten onderling en met de EU-instellingen heeft aangetoond op het gebied van de coördinatie van de volksgezondheidsmaatregelen, met inbegrip van beperkingen van het verkeer van personen binnen de grenzen en over grenzen heen;

J. overwegende dat met de recente toename van nieuwe COVID-19-gevallen in de hele EU de lidstaten opnieuw verschillende en ongecoördineerde maatregelen hebben genomen met betrekking tot het vrije verkeer van personen die inreizen uit andere EU‑landen, en in sommige gevallen de grenzen hebben gesloten; overwegende dat elke lidstaat zijn eigen nationale maatregelen heeft getroffen, zonder coördinatie op EU‑niveau, waaronder verplichte of aanbevolen quarantaine (waarbij verschillende quarantaineperioden worden opgelegd), een negatieve polymerasekettingreactietest (PCR‑test) bij aankomst met verschillende maximale geldigheidsduur, het gebruik van verschillende nationale formulieren voor het lokaliseren van reizigers, de toepassing van verschillende criteria voor het definiëren van risicogebieden en verschillende maatregelen voor het gebruik van mondkapjes;

K. overwegende dat veel Europeanen te maken kregen met verschillende regels, waarbij het niet alleen uitmaakte wat hun nationaliteit of woonplaats was, maar ook waar zij naartoe reisden; overwegende dat dit gebrek aan coördinatie tijdens de zomerperiode heeft geleid tot wanordelijke controles en maatregelen aan de grenzen en op luchthavens en in treinstations;

L. overwegende dat de COVID-19-crisis grote gevolgen voor de gezondheid heeft gehad, en in veel gevallen ook zeer aanzienlijke negatieve gevolgen voor de grondrechten en voor de economische, wetenschappelijke, sociale, toeristische en culturele uitwisselingen;

M. overwegende dat de verlening van gezondheidszorg in de eerste plaats een nationale bevoegdheid is, maar dat volksgezondheid een gedeelde bevoegdheid is van de lidstaten en de EU;

N. overwegende dat de Europese Unie nog steeds mogelijkheden heeft om binnen de bestaande parameters van de Verdragen een grotere bijdrage te leveren op het gebied van volksgezondheidsbeleid; overwegende dat de volksgezondheidsbepalingen van de Verdragen, gelet op de doelstellingen waarvoor zij zouden kunnen worden ingezet, nog grotendeels onderbenut zijn; overwegende dat het in dit verband wenselijk is de oproep van het Parlement voor de oprichting van een Europese gezondheidsunie, in overeenstemming met zijn resolutie van 10 juli, te herhalen;

O. overwegende dat grensoverschrijdende bedreigingen enkel samen kunnen worden aangepakt en dat dit dus samenwerking en solidariteit binnen de Unie vereist, alsook een gemeenschappelijke Europese aanpak;

P. overwegende dat het Parlement sinds het begin van de bredere verspreiding van COVID-19 in de EU de Commissie en de lidstaten herhaaldelijk heeft verzocht om gecoördineerde maatregelen vast te stellen inzake het vrije verkeer van personen, goederen en diensten binnen de interne markt; overwegende dat het vrije verkeer van personen, goederen en diensten drie essentiële pijlers zijn van de vier vrijheden, waarop de goede werking van de interne markt is gebaseerd;

Q. overwegende dat de door de lidstaten genomen maatregelen, met inbegrip van de herinvoering van controles aan de binnengrenzen, van invloed zijn op de rechten en vrijheden van personen die zijn verankerd in het recht van de Unie; overwegende dat de door de lidstaten of de Unie genomen maatregelen altijd in overeenstemming moeten zijn met de grondrechten; overwegende dat deze maatregelen noodzakelijk, evenredig, tijdelijk en van beperkte omvang moeten zijn;

R. overwegende dat solidariteit tussen de lidstaten niet facultatief is, maar een uit het Verdrag voortvloeiende verplichting, en deel uitmaakt van onze Europese waarden;

S. overwegende dat ongecoördineerde beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de EU de interne markt sterk fragmenteren;

T. overwegende dat de Commissie al diverse initiatieven heeft ontplooid om de coördinatie te verbeteren, zoals de vaststelling van richtsnoeren, mededelingen en administratieve brieven, en van een voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie;

U. overwegende dat de Raad deze aanbeveling moet goedkeuren en de nodige maatregelen moet vaststellen om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun besluiten en acties om de verspreiding van het virus te stoppen of te beperken coördineren;

V. overwegende dat de terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is om het beginsel van vrij verkeer en de goede werking van de interne markt te waarborgen als twee van de belangrijkste verworvenheden van de Europese integratie, en een belangrijke voorwaarde is voor het economisch herstel van de EU na de COVID-19-pandemie;

W. overwegende dat de verschillende reisbeperkingen ertoe hebben geleid dat de vluchten van veel reizigers zijn geannuleerd, waarvoor zij nog steeds geen terugbetaling hebben ontvangen;

X. overwegende dat het Parlement, als medewetgever en enige rechtstreeks door de Europese burgers verkozen instelling, volledig en als essentiële deelnemer betrokken moet worden bij alle discussies over coördinatie op EU-niveau om deze gezondheidscrisis aan te pakken;

Y. overwegende dat de lidstaten geen lering lijken te hebben getrokken uit de beginperiode van de crisis; overwegende dat er geen gemeenschappelijk Europees gezondheidsbeleid is, maar slechts een veelheid van nationale beleidsmaatregelen;

Z. overwegende dat de EU vooruit moet plannen om de mogelijke voortzetting van de COVID-19-pandemie en/of andere mogelijke soortgelijke crises aan te pakken;

1. uit zijn bezorgdheid over de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en de langetermijngevolgen ervan op het welzijn van mensen over de hele wereld, met name de meest kwetsbare groepen en mensen in kwetsbare situaties, zoals ouderen en mensen die al te kampen hebben met een zwakke gezondheid;

2. spreekt zijn bezorgdheid uit over de toename van het aantal COVID-19-gevallen in diverse lidstaten sinds juni en wijst met klem op de noodzaak van een gedeeld en gecoördineerd gezondheidsbeheer om deze pandemie doeltreffend te bestrijden;

3. wijst erop dat het belangrijk is de burgers gerust te stellen met betrekking tot de onderlinge consistentie van de maatregelen die door de verschillende lidstaten worden genomen, omdat de burgers daardoor eerder geneigd zullen zijn de regels na te leven;

4. herinnert eraan dat vrij verkeer voor de burgers van de Unie een grondrecht is dat is verankerd in de EU-Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten;

5. benadrukt dat dit recht alleen kan worden beperkt om specifieke en beperkte redenen van algemeen belang, namelijk de bescherming van de openbare orde en de openbare veiligheid; benadrukt dat deze beperkingen moeten worden toegepast in overeenstemming met de Schengengrenscode en de algemene beginselen van het EU‑recht, met name evenredigheid en non-discriminatie;

6. wijst erop dat controles aan de binnengrenzen een laatste redmiddel zijn en herinnert eraan dat de lidstaten moeten nagaan of andere maatregelen even geschikt of beter geschikt zijn om de doelstelling te realiseren; dringt er bij de lidstaten op aan de mogelijkheid te erkennen om minimale gezondheidscontroles en/of evenredige politiecontroles op te leggen als een beter alternatief voor de invoering van controles aan de binnengrenzen en alleen maatregelen te nemen die strikt noodzakelijk, gecoördineerd en evenredig zijn;

7. acht het van essentieel belang de binnengrenzen van de EU open te houden voor goederen en diensten binnen de EU en de Europese Economische Ruimte, aangezien een sluiting van de binnengrenzen nadelige gevolgen kan hebben voor de interne markt; wijst erop dat het van essentieel belang is dat er een engagement komt voor de vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen, die het vertrouwen tussen de lidstaten zullen herstellen, zodat het vrije verkeer van personen, goederen en diensten binnen de interne markt kan worden hervat;

8. herhaalt zijn dringende oproep aan de Commissie en de lidstaten om in deze context een specifieke, gestructureerde en doeltreffende samenwerking in te stellen om de behoefte aan gemeenschappelijke maatregelen te definiëren en erop te anticiperen;

9. wijst erop dat het Europees Centrum voor ziektepreventie -bestrijding (ECDC) nog steeds wijst op verschillen in gegevensverzameling en -rapportage door de lidstaten; betreurt het feit dat dit gebrek aan harmonisatie ons belet een duidelijk en volledig beeld te krijgen van de verspreiding van het virus in Europa op een bepaald moment;

10. merkt op dat elke lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van zijn eigen wetenschappelijke raad, met slechts beperkte coördinatie met de andere lidstaten of de Commissie;

11. is van mening dat het ECDC in staat moet zijn het risico op verspreiding van het virus adequaat en efficiënt te evalueren en wekelijks een bijgewerkte kaart van het risico te publiceren op basis van een gemeenschappelijke kleurcode, opgesteld op basis van de door de lidstaten verzamelde en verstrekte informatie;

12. steunt de kleurcode die de Commissie heeft voorgesteld in haar recente voorstel voor een aanbeveling van de Raad; is van mening dat de voorgestelde categorieën (groen, oranje, rood en grijs) het verkeer binnen de EU zullen vergemakkelijken en de informatie voor de burgers transparanter zullen maken;

13. verzoekt de Raad daarom het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie snel goed te keuren en uit te voeren; is van oordeel dat een dergelijk gemeenschappelijk kader cruciaal is om verstoringen op de interne markt te voorkomen, niet in de laatste plaats door middel van de vaststelling van duidelijke regels voor personen die moeten reizen in verband met de uitoefening van een essentieel beroep, zoals vervoerspersoneel, grensoverschrijdende dienstverleners, zoals mensen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg of de ouderenzorg, en seizoensarbeiders;

14. onderstreept dat de door het ECDC vastgestelde gemeenschappelijke methodologie en criteria en de door het ECDC ontwikkelde kaarten een gecoördineerde aanpak van de eigen besluitvormingsprocessen van de lidstaten moeten vergemakkelijken en ervoor moeten zorgen dat alle besluiten van de lidstaten consistent en goed gecoördineerd zijn;

15. erkent het belang van het cumulatieve-incidentiecijfer en het aantal positieve tests om de verspreiding van het virus te beoordelen, maar is van mening dat ook rekening moet worden gehouden met andere criteria, zoals het aantal ziekenhuisopnames en het aantal bezette ic-bedden;

16. verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke methode te bevorderen voor het verzamelen van gezondheidsgegevens en het tellen en rapporteren van het aantal sterfgevallen;

17. dringt er bij de lidstaten op aan dezelfde definitie te hanteren voor een positief COVID-19-geval, een sterfgeval door COVID-19 en een genezing na een infectie;

18. onderstreept dat gemeenschappelijke definities, gezondheidscriteria en methodologieën de lidstaten en de Commissie in staat zullen stellen het epidemiologische risico op EU-niveau gezamenlijk te analyseren;

19. staat zeer positief tegenover de door de Commissie voorgestelde regionale aanpak; is van mening dat het in kaart brengen van risico’s door het ECDC niet alleen op nationaal niveau, maar ook op regionaal niveau moet worden gedaan; verzoekt de lidstaten daarom aan het ECDC de door regionale overheden verzamelde gegevens te verstrekken;

20. herinnert eraan dat het ECDC de lidstaten heeft aanbevolen minimale basismaatregelen te nemen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, zoals hygiënemaatregelen, fysieke afstand houden en beperking van bijeenkomsten, gebruik van mondkapjes in bepaalde omstandigheden, thuiswerken, uitgebreide tests, isolatie van positief geteste personen, quarantaine van nauwe contacten en bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen;

21. verzoekt de lidstaten bovenstaande aanbevelingen van het ECDC op te volgen en een gemeenschappelijk kader van gezondheidsmaatregelen vast te stellen die overheidsinstanties in getroffen gebieden moeten nemen om de pandemie een halt toe te roepen;

22. is van oordeel dat aanvullende maatregelen moeten worden overwogen en door de overheden gedeeld moeten worden als de overdracht toeneemt, waaronder maatregelen om het aantal verplaatsingen door de bevolking te beperken, het aantal contacten per persoon te verminderen en massabijeenkomsten te verbieden, met bijzondere aandacht voor hoogrisicogebieden;

23. is van mening dat een dergelijk kader het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en tussen de getroffen gebieden zou versterken, waardoor een reactie in de vorm van restrictieve maatregelen kan worden voorkomen;

24. wijst erop dat de economie en het dagelijks leven van mensen die wonen in grensoverschrijdende regio’s negatief zijn beïnvloed door grenssluitingen en dat diverse lidstaten specifieke vrijstellingen en aanpassingen van de regels voor deze regio’s hebben ingevoerd; verzoekt de lidstaten daarom bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende regio’s, waar veel grensoverschrijdend woon-werkverkeer is, en aan te dringen op samenwerking op lokaal en regionaal niveau op dit gebied, om gezamenlijk gezondheidsmechanismen in te stellen voor coördinatie en uitwisseling van informatie in real time, en zogenaamde “groene rijstroken” in te voeren voor essentiële werknemers;

25. vraagt de vaststelling en uitvoering van een gemeenschappelijke teststrategie, waarbij de testresultaten worden erkend in alle lidstaten en gezorgd wordt voor voldoende testcapaciteit, om te garanderen dat iedereen die getest moet worden, dit kan laten doen zonder onevenredig lange wachttijden; is van mening dat tests voor reisdoeleinden, als die nodig zijn, bij voorkeur worden uitgevoerd in het land van herkomst; is voorts van mening dat de lidstaten en de Commissie een lijst moeten opstellen van de instanties die voor deze doeleinden een testcertificaat mogen afgeven, teneinde dit proces te beschermen tegen misbruik;

26. verzoekt de Commissie en het ECDC te onderzoeken of gebruik kan worden gemaakt van betrouwbare, maar goedkope tests van 15 minuten;

27. herinnert eraan dat de meeste lidstaten COVID-19-traceringsapps hebben ontwikkeld waarbij gebruik wordt gemaakt van hetzelfde gedecentraliseerde ontwerp; verwacht dat deze apps uiterlijk in oktober op EU-niveau interoperabel zullen zijn, zodat COVID-19 in de hele EU kan worden getraceerd; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de burgers verder aan te moedigen deze apps te gebruiken en hierbij volledig de algemene verordening gegevensbescherming na te leven;

28. verzoekt de lidstaten en de Commissie om, rekening houdend met het advies van het ECDC, overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke quarantaineperiode voor essentiële en niet-essentiële reizen binnen de EU en essentiële en niet-essentiële reizen naar de EU vanuit derde landen;

29. verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijk protocol vast te stellen voor de monitoring van symptomatische gevallen, maatregelen inzake de isolatie van patiënten die positief hebben getest op COVID-19 en isolatiemaatregelen voor personen die met hen in contact zijn geweest;

30. vindt het een goede zaak dat burgers gebruikmaken van traceringsformulieren voor passagiers (passenger locator forms); is van mening dat bij wijze van prioriteit een geharmoniseerde versie van het formulier voor traceringsinformatie in digitaal formaat moet worden gebruikt om de verwerking van de gegevens te vereenvoudigen, en dat dit formulier moet worden aangeboden in analoog formaat om toegang te garanderen voor alle Europeanen; verzoekt de Commissie een geharmoniseerd traceringsformulier voor passagiers te ontwikkelen, om vertrouwen te wekken in een monitoringsysteem voor de hele EU;

31. benadrukt het feit dat het traceringsformulier voor passagiers en het gebruik ervan volledig moeten stroken met de regels inzake gegevensbescherming, met name de vereisten inzake integriteit en vertrouwelijkheid; wijst er met klem op dat de geregistreerde gegevens op grond van het doelbindingsbeginsel alleen mogen worden gebruikt voor contactonderzoek in verband met COVID-19 en niet voor andere doelen; dringt er bij de lidstaten op aan hun toepasselijke wetgeving dienovereenkomstig bij te werken;

32. herhaalt het verzoek dat het aan de Commissie heeft gericht in zijn resolutie over de EU-strategie voor volksgezondheid na COVID-19, namelijk om de instelling voor te stellen van een Europees gezondheidsresponsmechanisme om op ieder soort gezondheidscrisis te reageren, de operationele coördinatie op EU-niveau te versterken, en toezicht te houden op de oprichting en inwerkinstelling van de strategische voorraad geneesmiddelen en medische uitrusting en de goede werking ervan te waarborgen; is van mening dat met het Europees gezondheidsresponsmechanisme de tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis vastgestelde werkmethoden geformaliseerd zouden moeten worden, voortbouwend op de maatregelen van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg, het besluit over grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid[10] en het Uniemechanisme voor civiele bescherming;

33. dringt aan op de oprichting van een COVID-19-taskforce onder leiding van de Commissie in het kader van het EHRM; is van mening dat elke lidstaat in deze taskforce vertegenwoordigd moet zijn en een contactpunt van zijn nationale leidinggevenden moet aanwijzen; stelt voor dat de belangrijkste doelstelling van de taskforce erin bestaat regelmatig aanbevelingen te verspreiden die op Europees en nationaal niveau worden doorgestuurd; is van mening dat het Parlement een permanent evaluatiemandaat moet hebben om het werk van deze taskforce te beoordelen;

34. herinnert eraan dat de tijdige verstrekking van duidelijke en volledige informatie aan de bevolking van cruciaal belang is om de gevolgen van eventuele beperkingen van het vrije verkeer zo klein mogelijk te houden en om voorspelbaarheid, rechtszekerheid en naleving door de burgers te waarborgen;

35. benadrukt het belang van duidelijke, toegankelijke en begrijpelijke informatie over de Europese, nationale, regionale en lokale aantallen besmettingen, de gezondheidszorgstelsels, de genomen maatregelen en de reisbeperkingen; benadrukt dat deze cruciale informatie beschikbaar moet zijn in alle officiële talen en in talen die worden gesproken door grote delen van de bevolking, waaronder mensen met een migratieachtergrond;

36. benadrukt dat alle informatie gemakkelijk te begrijpen moet zijn voor de hele bevolking, ook voor laaggeletterden, door in publieke informatie duidelijke, geharmoniseerde kleuren en begrijpelijke symbolen te gebruiken, en benadrukt dat deze informatie ook moet worden verstrekt in analoog formaat op passende plaatsen, om mensen te bereiken die geen of beperkte toegang hebben tot het internet;

37. roept luchtvaartmaatschappijen op om passagiers van wie de vlucht als gevolg van de pandemie is geannuleerd, zo snel mogelijk te compenseren, en hun verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 261/2004 na te komen; verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen naar de inbreuken op de rechten van passagiers tijdens deze pandemie;

38. herinnert eraan dat tijdens de COVID-19-pandemie verscheidene kritieke bedrijfstakken, zoals de voedingsmiddelen-, farmaceutische en zorgsectoren, en hun toeleveringsketens ernstig werden ontwricht;

39. wijst erop dat gezorgd moet worden voor een effectieve, veerkrachtige en toekomstbestendige interne markt, waar essentiële producten en diensten continu geleverd worden in de hele EU en beschikbaar zijn voor alle burgers;

40. verzoekt de Commissie samen met de lidstaten een omvattende en sectoroverschrijdende analyse van de economieën in de EU uit te voeren om inzicht te krijgen in de ernst van de gevolgen van de COVID-19-pandemie en de mate van verstoring van de grensoverschrijdende waardeketens te beoordelen; is van oordeel dat dit een essentiële empirische basis is om de Commissie in staat te stellen geactualiseerde aanbevelingen te doen en de belangrijkste beleidsmaatregelen vast te stellen die een collectief herstel binnen de interne markt op lange termijn zullen versterken, waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten;

41. herhaalt dat het voor het dagelijks leven van mensen van cruciaal belang is dat de levering van essentiële goederen, zoals voedsel, medische hulpmiddelen of beschermingsmiddelen, te allen tijde in de hele EU voortgaat; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een verbeterde richtlijn inzake kritieke infrastructuur, om het continue vrije verkeer van essentiële goederen en diensten binnen de interne markt te waarborgen in tijden van crisis zoals een pandemie;

42. is van mening dat in verband hiermee een omvattende strategie moet worden ontwikkeld om het vrije verkeer van goederen te allen tijde te waarborgen en unilaterale beperkende maatregelen te voorkomen, rekening houdend met maatregelen op het gebied van openbare veiligheid en volksgezondheid, en om het economisch herstel aan te moedigen teneinde de veerkracht van de interne markt te versterken en zich voor te bereiden op een nieuwe crisis;

43. steunt krachtig de oproep van de Commissie aan de lidstaten om geen nationale maatregelen te nemen waarbij de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen of andere belangrijke medische instrumenten of van geneesmiddelen binnen de EU wordt verboden;

44. benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten middelen, onder andere productiecapaciteit, kunnen bundelen om tegemoet te kunnen komen aan de toegenomen vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen, beademingstoestellen en andere medische apparatuur, laboratoriumbenodigdheden en desinfectieproducten in de EU, hetgeen ook zou helpen om de reserves van de strategische rescEU-voorraad te vergroten;

45. verzoekt de lidstaten gebruik te maken van het bestaande wetgevingskader voor overheidsaanbestedingen om maximaal het potentieel te benutten van de bestaande flexibiliteitsvoorzieningen voor eenvoudigere, snellere en flexibelere aanbestedingen en wijst op het belang van gezamenlijke aanbestedingen voor geneesmiddelen, medische apparatuur en persoonlijke-beschermingsmiddelen, om ervoor te zorgen dat deze beschikbaar zijn in alle regio’s, inclusief plattelands-, afgelegen en ultraperifere gebieden;

46. wijst erop dat de COVID-19-crisis tekortkomingen op het gebied van consumentenbescherming aan het licht heeft gebracht, met name vanwege de toename van oplichtingspraktijken en het groeiende aanbod onveilige producten, vooral online; wijst erop dat deze tekortkomingen aangepakt moeten worden en dat er – door middel van de wetgeving inzake digitale diensten die momenteel in de maak is – voor gezorgd moet worden dat de digitale eengemaakte markt eerlijk en veilig voor iedereen is, door onlineplatforms te dwingen passende maatregelen tegen dergelijke producten te nemen;

47. benadrukt dat consumenten goed geïnformeerd moeten worden over hun rechten en over de opties die zij hebben als ze goederen of diensten aanschaffen, met name in tijden van crisis; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan actie te ondernemen om betrouwbare, juiste en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken aan de consumenten in de hele Unie;

48. verzoekt de lidstaten en de Commissie de Next Generation EU-maatregelen zo snel mogelijk volledig ten uitvoer te leggen, door de vereiste nationale procedures zo eenvoudig en onbureaucratisch mogelijk te maken, om ervoor te zorgen dat het economisch herstel van de EU effectief is, zodat de Unie het hoofd kan bieden aan de diepste crisis waarmee zij de laatste tijd te maken heeft gekregen; onderstreept dat de COVID-19-crisis niet mag worden gebruikt als excuus om de tenuitvoerlegging van diverse product- en sectoriële normen uit te stellen, af te zwakken of af te schaffen, met inbegrip van de normen die bedoeld zijn ter bevordering van duurzaamheid, maar dat zij veeleer moet worden aangegrepen om de interne markt te verbeteren op een manier die duurzame productie en consumptie bevordert;

49. is van mening dat de snelle terugkeer naar een volledig functionerend Schengengebied van het grootste belang is en dringt er bij de lidstaten krachtig op aan om samen met het Parlement, de Raad en de Commissie een herstelplan voor het Schengengebied op te stellen, waarin maatregelen worden uiteengezet om terug te keren naar een volledig werkend Schengengebied zonder binnengrenstoezicht, en met op zo kort mogelijke termijn door te voeren noodplannen, om te voorkomen dat de tijdelijke controles aan de binnengrenzen op middellange termijn semipermanent worden;

50. wijst erop dat tijdelijke reisbeperkingen voor alle niet-essentiële reizen vanuit derde landen naar het Schengengebied zijn ingevoerd; benadrukt dat alle besluiten tot weigering van toegang aan de buitengrenzen moeten stroken met de bepalingen van de Schengengrenscode, met name wat betreft de eerbiediging van de grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 4;

51. verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten om tijdens en na de crisis proactief toezicht te houden op de markt om schade voor consumenten als gevolg van de COVID-19-situatie te voorkomen en hen te helpen hun uit het EU-recht voortvloeiende rechten uit te oefenen;

52. onderstreept dat beperkende maatregelen die naar aanleiding van de COVID-19-pandemie door de nationale autoriteiten worden opgelegd, per definitie beperkt moeten zijn in de tijd, aangezien de hun enige rechtvaardiging erin bestaat de pandemie aan te pakken; verwacht dat de Commissie er zorgvuldig op toeziet dat tijdelijke maatregelen geen ongerechtvaardigde permanente belemmeringen worden voor het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de interne markt;

53. verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen voor een “veerkrachtig Europa”, bestaande uit een kaart voor risicobeoordeling en opties voor het aanpakken van goed beheer en investeringen in zorgstelsels en reacties op pandemieën op EU-niveau, met inbegrip van veerkrachtige toeleveringsketens in de EU om de productie van essentiële producten, zoals geneesmiddelen, farmaceutische producten en medische apparatuur, te garanderen;

54. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

[1] PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1.

[2] PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

[3] PB C 86 I van 16.3.2020, blz. 1.

[4] PB C 102 I van 30.3.2020, blz. 12.

[5] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0054.

[6] PB C 169 van 15.5.2020, blz. 30.

[7] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0175.

[8] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0205.

[9] PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1.

[10] PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2020Juridische mededeling - Privacybeleid