Procedure : 2021/2578(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0190/2021

Ingediende teksten :

RC-B9-0190/2021

Debatten :

PV 11/03/2021 - 9.2
CRE 11/03/2021 - 9.2

Stemmingen :

PV 11/03/2021 - 11
PV 11/03/2021 - 18

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0086

<Date>{10/03/2021}10.3.2021</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9-0190/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0191/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0192/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0193/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0194/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0195/2021</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 173kWORD 55k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9-0190/2021 (The Left)

B9-0191/2021 (Verts/ALE)

B9-0192/2021 (S&D)

B9-0193/2021 (Renew)

B9-0194/2021 (PPE)

B9-0195/2021 (ECR)</TablingGroups>


<Titre>over de mensenrechtensituatie in het Koninkrijk Bahrein, in het bijzonder de gevallen van ter dood veroordeelde gevangenen en mensenrechtenverdedigers</Titre>

<DocRef>(2021/2578(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Tomáš Zdechovský, Sandra Kalniete, Isabel Wiseler-Lima, Miriam Lexmann, Paulo Rangel, Vladimír Bilčík, Michaela Šojdrová, Loránt Vincze, Eva Maydell, Jiří Pospíšil, Stanislav Polčák, Maria Walsh, Adam Jarubas, Krzysztof Hetman, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, David Lega, Romana Tomc, Tomas Tobé, Christian Sagartz, Vangelis Meimarakis, Luděk Niedermayer, Inese Vaidere, Ioan-Rareş Bogdan, Stelios Kympouropoulos, Seán Kelly, Magdalena Adamowicz, Janina Ochojska, Frances Fitzgerald</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Marek Belka, Isabel Santos, Marc Tarabella</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>José Ramón Bauzá Díaz, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Olivier Chastel, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Moritz Körner, Javier Nart, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu, Dragoş Tudorache, Hilde Vautmans</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Hannah Neumann, Ernest Urtasun</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Ryszard Antoni Legutko, Raffaele Fitto, Anna Fotyga, Karol Karski, Angel Dzhambazki, Assita Kanko, Elżbieta Kruk, Elżbieta Rafalska, Adam Bielan, Eugen Jurzyca, Veronika Vrecionová, Jadwiga Wiśniewska, Joanna Kopcińska, Valdemar Tomaševski</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Miguel Urbán Crespo</Depute>

<Commission>{The Left}namens de Fractie The Left</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in het Koninkrijk Bahrein, in het bijzonder de gevallen van ter dood veroordeelde gevangenen en mensenrechtenverdedigers

(2021/2578(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 14 juni 2018 over de mensenrechtensituatie in Bahrein, met name het geval van Nabeel Rajab[1], en die van 16 februari 2017 over executies in Koeweit en Bahrein[2],

 gezien de verklaringen van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 13 juli 2020 over de handhaving van de doodstraf in Bahrein, van 10 juni 2020 over de vrijlating van mensenrechtenactivist Nabeel Rajab, van 9 januari 2020 over het doodvonnis van twee Bahreinse staatsburgers, en van 27 juli 2019 over de executie van Ali al-Arab en Ahmed al-Malali,

 gezien de verklaring die Agnes Callamard, de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, Fionnuala Ni Aolain, de speciale VN-rapporteur ter bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme, en Nils Melzer, de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, op 12 februari 2020 hebben afgelegd, waarbij zij Bahrein hebben opgeroepen de doodstraf tegen Mohammed Ramadan en Hussain Moosa te vernietigen,

 gezien de gezamenlijke verklaring die VV/HV Federica Mogherini, namens de EU, en Marija Pejčinović Burić, secretaris-generaal van de Raad van Europa, op 10 oktober 2019 hebben afgelegd ter gelegenheid van de Europese dag en de Werelddag tegen de doodstraf,

 gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake mensenrechtenverdedigers, inzake de doodstraf, inzake foltering, inzake de mensenrechtendialoog met derde landen en inzake de vrijheid van meningsuiting,

 gezien het strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten, die erop gericht zijn de bevordering, eerbiediging en naleving van de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsmaatregelen van de EU,

 gezien de conclusies van de 25e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst van de EU en de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC) van 18 juli 2016,

 gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Bahrein,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die door Bahrein zijn ondertekend,

 gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie van november 2011,

 gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en met name artikel 3,

 gezien het Arabische handvest inzake mensenrechten,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Bahreinse autoriteiten in de nasleep van de volksopstand van 2011 de rechten en vrijheden van de bevolking blijven schenden en beperken, met name het recht op vreedzaam protest, vrijheid van meningsuiting en digitale vrijheid, zowel online als offline; overwegende dat mensenrechtenadvocaten, journalisten en politieke activisten voortdurend worden geconfronteerd met systematische aanvallen, pesterijen, detentie, foltering, intimidatie, reisverboden en de intrekking van hun staatsburgerschap; overwegende dat de autoriteiten al sinds 2011 niet meer ingaan op de vaak geuite eis van de democratische oppositie en van mensenrechtenverdedigers om de vrijheid van meningsuiting en van vergadering te respecteren; overwegende dat in Bahrein geen politieke oppositie wordt getolereerd; overwegende dat de autoriteiten in februari 2021 verscheidene kinderen vanwege hun deelname aan de protesten hebben gearresteerd en er naar verluidt mee hebben gedreigd hen te verkrachten of te elektrocuteren; overwegende dat ten minste drie van deze kinderen, onder wie een 16-jarige met een ernstige medische aandoening, op 4 maart 2021 nog in de gevangenis vastgehouden werden;

B. overwegende dat mensenrechtenverdediger Abdulhadi al-Khawaja, een Bahreins en Deens staatsburger en medeoprichter van het “Bahrain Center for Human Rights” en het “Gulf Center for Human Rights”, al tien jaar in de gevangenis zit in het kader van een levenslange gevangenisstraf op beschuldiging van “financiering van en deelname aan terrorisme met als doel de regering omver te werpen en spionage voor een ander land”; overwegende dat Abdulhadi al-Khawaja na zijn arrestatie werd geslagen, gefolterd en uiteindelijk veroordeeld na een oneerlijk proces dat niet in overeenstemming was met het Bahreinse strafrecht of de internationale normen voor een eerlijk proces; overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie in juli 2012 tot de conclusie is gekomen dat de arrestatie van al-Khawaja willekeurig was, aangezien deze werd verricht omdat hij zijn grondrecht op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging uitoefende; overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie tot zijn vrijlating heeft opgeroepen;

C. overwegende dat Nabeel Rajab, een van de meest prominente Bahreinse mensenrechtenverdedigers, op 9 juni 2020 uit de gevangenis werd vrijgelaten, om het restant van zijn straf van vijf jaar in overeenstemming met de wet inzake alternatieve straffen uit te zitten;

D. overwegende dat Bahrein tussen 2011 en 2020 ongeveer 50 mensen ter dood veroordeeld heeft, terwijl dit tussen 2001 en 2011 slechts 7 keer is gebeurd; overwegende dat er in Bahrein momenteel 27 personen in de dodencel zitten, en dat voor 26 van hen de executie dreigt; overwegen dat Bahrein op 15 januari 2017, toen het drie burgers executeerde, een einde heeft gemaakt aan een de facto moratorium van zeven jaar op de doodstraf; overwegende dat sindsdien nog zes executies volgden; overwegende dat deze executies als buitengerechtelijk zijn aangemerkt door de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies; overwegende dat de doodstraf de ultieme wrede, inhumane en onterende bestraffing is en een schending vormt van het recht op leven zoals omschreven in de Universele Verklaring van de rechten van de mens; overwegende dat de omstandigheden in de dodencel extreem psychologisch lijden veroorzaken;

E. overwegende dat onafhankelijke waarnemers melden dat de Bahreinse autoriteiten bij de meeste recente executies gebruik hebben gemaakt van foltering om bekentenissen af te dwingen, en dat voor verdachten geen eerlijk proces is gewaarborgd; overwegende dat sinds de protesten van 2011 en naar aanleiding van de conclusies van het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie over misbruik door de regering, een aantal interne organen zijn opgericht, zoals het bureau van de Ombudsman binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken, een speciale onderzoekseenheid (SIU) binnen het bureau van de procureur-generaal, en de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden (PDRC), maar dat deze organen niet doeltreffend of onafhankelijk genoeg zijn; overwegende dat de ontoereikende onafhankelijkheid van deze organen naar verluidt tot een gebrek aan verantwoordingsplicht bij de regering en veiligheidstroepen van Bahrein leidt; overwegende dat dit een cultuur van straffeloosheid heeft bevorderd, die inspanningen voor democratische hervormingen ondermijnt en het land nog verder destabiliseert;

F. overwegende dat Ali al-Arab en Ahmed al-Malili, allebei Bahreinse staatsburgers die veroordeeld zijn voor een terroristisch misdrijf in een massaproces dat werd ontsierd door beschuldigingen van foltering en grove schendingen van het recht op een eerlijk proces, op 27 juli 2019 zijn geëxecuteerd door een vuurpeloton; overwegende dat Mohamed Ramadan op 18 februari 2014 door de Bahreinse autoriteiten is gearresteerd, omdat hij samen met Hussain Ali Moosa deelgenomen zou hebben aan een bomaanslag in Al Dair op 14 februari 2014; overwegende dat het Hof van Cassatie op 13 juli 2020 in beroep zijn definitieve uitspraak heeft bevestigd en de doodvonnissen voor Mohamed Ramadan en Hussain Ali Moosa heeft gehandhaafd, ook al was er sprake van een oneerlijk proces met een vonnis gebaseerd op bekentenissen die door foltering zouden zijn afgedwongen, en ondanks de resultaten van het onderzoek van de speciale onderzoekseenheid naar de beschuldigingen van foltering in de zaak van Ali Moosa en Ramadan; overwegende dat Agnes Callamard, de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, ervoor heeft gewaarschuwd dat de veroordeling en doodstraf van Ali Moosa en Ramadan willekeurig zou zijn, een duidelijke schending van hun recht op leven zou vormen, en zou neerkomen op willekeurig doden; overwegende dat mensenrechtendeskundigen van de VN Bahrein hebben verzocht de executie van beide mannen te voorkomen; overwegende dat voor Mohamed Ramadan en Hussain Ali Moosa de executie dreigt en zij alle rechtsmiddelen hebben uitgeput;

G. overwegende dat de Bahreinse autoriteiten de grootste vreedzame politieke oppositiepartij van het land, al-Wefaq, hebben ontbonden, haar bezittingen in beslag hebben genomen en haar leiders hebben gearresteerd; overwegende dat het hoofd van de partij, Shaikh Ali Salman, momenteel een levenslange gevangenisstraf uitzit wegens vermeende spionage;

H. overwegende dat verscheidene prominente figuren louter vanwege hun activiteiten op sociale media werden vervolgd, zoals de vooraanstaande advocaten Abdullah al-Shamlawi en Abdullah Hashim; overwegende dat er in Bahrein geen onafhankelijke media meer actief zijn sinds het Ministerie van Informatie in 2017 Al Wasat heeft stilgelegd, de enige onafhankelijke krant in het land;

I. overwegende dat de omstandigheden op het gebied van gezondheid en hygiëne in de Bahreinse overbevolkte gevangenissen bijzonder schrijnend zijn; overwegende dat Bahrein in maart 2020 1 486 gevangenen heeft vrijgelaten vanwege de gezondheidsrisico’s als gevolg van de COVID-19-pandemie; overwegende dat het bij deze vrijlatingen in het merendeel van de gevallen niet om oppositieleiders, activisten, journalisten of mensenrechtenverdedigers ging; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten gevangenen dringende medische zorg ontzeggen, waardoor hun gezondheid en welzijn in gevaar komen, hetgeen indruist tegen de standaardminimumregels van de VN voor de behandeling van gevangenen; overwegende dat verscheidene politieke gevangenen in staking zijn gegaan om tegen hun slechte behandeling in de gevangenis te protesteren;

J. overwegende dat de Bahreinse rechtbanken nog steeds beschikkingen uitvaardigen en handhaven op grond waarvan burgers hun staatsburgerschap wordt ontnomen; overwegende dat de Bahreinse rechtbanken in 2018 het staatsburgerschap van meer dan 300 mensen hebben ingetrokken, en in 2019 bij meer dan 100, onder wie mensenrechtenverdedigers, politici, journalisten en hoge religieuze autoriteiten, waardoor deze personen dus in de meeste gevallen staatloos blijven; overwegende dat de intrekking van het staatsburgerschap in strijd met artikel 15 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens wordt gebruikt;

K. overwegende dat Bahrein in december 2018 zijn arbeidswetgeving heeft gewijzigd om werkgevers te verbieden werknemers te discrimineren op grond van geslacht, afkomst, taal of geloofsovertuiging; overwegende dat het land sancties heeft vastgesteld tegen seksuele intimidatie op het werk; overwegende dat in Bahrein nog steeds migranten worden uitgebuit, met name vrouwen die als huishoudelijk personeel worden aangeworven, op grond van het kafala-stelsel, dat uitbuiting mogelijk maakt;

L. overwegende dat het Bahreinse recht vrouwen in het familierecht blijft discrimineren, bijvoorbeeld met betrekking tot het recht op echtscheiding en het recht op overdracht van de Bahreinse nationaliteit aan hun kinderen op voet van gelijkheid met mannen; overwegende dat Bahrein in 2002 is toegetreden tot het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (CEDAW), maar dat het voorbehouden handhaaft tegen verschillende artikelen die bepalingen omvatten die essentieel zijn voor het doel van het verdrag; overwegende dat daders van verkrachting krachtens artikel 353 van het wetboek van strafrecht niet worden vervolgd of gestraft als zij met hun slachtoffers trouwen; overwegende dat het Bahreinse parlement in 2016 heeft voorgesteld dit artikel volledig in te trekken, maar dat de regering dit voorstel heeft verworpen; overwegende dat in artikel 334 van het wetboek van strafrecht is voorzien in strafverlichting voor daders van zogeheten eergerelateerde misdrijven en buitenechtelijke relaties; overwegende dat seksuele betrekkingen buiten het huwelijk nog steeds strafbaar zijn;

M. overwegende dat Bahrein een belangrijke partner is in de Perzische Golf, onder meer op het gebied van politieke en economische betrekkingen, energie en veiligheid; overwegende dat het Koninkrijk Bahrein een rijke geschiedenis heeft van langdurige openheid voor andere culturen uit de hele wereld, en een actieve rol speelt bij het creëren van momentum voor het opbouwen van vertrouwen en het bevorderen van dialoog en stabiliteit in de Golf en in het gehele Midden-Oosten;

N. overwegende dat er in november 2020 nieuwe leiders aan de macht kwamen en dat kroonprins Salman bin Hamad bin Isa al-Khalifa tot premier werd benoemd, waardoor Bahrein nu de mogelijkheid heeft om tot politieke hervormingen en inclusieve verzoening op nationaal niveau over te gaan, met inbegrip van verzoening tussen soennieten en sjiieten; overwegende dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Bahrein in februari 2021 plaatsvond; overwegende dat Bahrein het tweede land in de Golfregio is waarmee de EU een mensenrechtendialoog heeft opgezet;

1. is ernstig bezorgd over het feit dat de mensenrechtensituatie in Bahrein tien jaar na de Arabische Lente in het land nog altijd achteruitgaat en dat er sprake is van het gebruik van de doodstraf, willekeurige arrestaties, vervolging en intimidatie van mensenrechtenactivisten, en ontzegging van burger- en politieke rechten, alsook van de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van meningsuiting, zowel op het internet als in werkelijkheid;

2. veroordeelt met klem de terdoodveroordeling van Mohamed Ramadan en Hussein Ali Moosa; verzoekt de Bahreinse autoriteiten, en in het bijzonder Zijne Majesteit sjeik Hamad bin Isa Al Khalifa, met klem de executie van de heer Ramadan en de heer Moosa onmiddellijk een halt toe te roepen, hun straffen om te zetten, een nieuw proces te gelasten dat volledig in overeenstemming is met de internationale normen voor een eerlijk proces en waarbij geen bewijsmateriaal wordt gebruikt dat onder foltering is verkregen, en toe te staan dat onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de beschuldigingen van foltering; vraagt Bahrein de onafhankelijkheid en doeltreffendheid na te gaan van interne organen die toezicht houden op overheidsmisbruik, zoals de ombudsman, de speciale onderzoekseenheid en de commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden, die gebrekkig onderzoek verrichten en het feit dat de Bahreinse rechtbank zich ten behoeve van veroordelingen op afgedwongen bekentenissen verlaat, vergoelijken, hetgeen ook is gebeurd tijdens het onderzoek naar de beschuldigingen ten aanzien van de heer Ramadan en de heer Moosa;

3. betreurt ten zeerste dat het feitelijke moratorium op het gebruik van de doodstraf is opgeheven; verzoekt de Bahreinse autoriteiten onmiddellijk een moratorium in te stellen op het gebruik van de doodstraf en dit te beschouwen als een stap richting de volledige afschaffing van de doodstraf; pleit voor een alomvattende herziening van alle doodvonnissen om ervoor te zorgen dat de desbetreffende processen volgens de internationale normen zijn verlopen en dat de slachtoffers van mensenrechtenschendingen die wederrechtelijk ter dood zijn veroordeeld, verhaal kunnen halen; herinnert eraan dat de EU tegen de doodstraf is en deze beschouwt als een wrede en onmenselijke bestraffing die geen afschrikking vormt voor crimineel gedrag en in geval van fouten onomkeerbaar is;

4. onderstreept dat de verandering van het leiderschap in november 2020 de EU de gelegenheid heeft geboden haar buitenlands beleid met betrekking tot Bahrein te heroriënteren, onder meer in het licht van het nieuwe nationale actieplan voor de mensenrechten; verzoekt de nieuwe premier, prins Salman bin Hamad Al Khalifa, zijn gezag aan te wenden om Bahrein te bewegen naar politieke hervormingen en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

5. pleit voor de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenactivisten en gewetensgevangenen, waaronder Abdulhadi al-Khawaja, dr. Abduljalil al-Singace, Naji Fateel, Abdulwahab Hussain, Ali Hajee, Sheikh Ali Salman en Hassan Mshaima, die zijn opgepakt en veroordeeld louter omdat zij hun recht op vrijheid van meningsuiting hebben uitgeoefend, en pleit bovendien voor de intrekking van alle aanklachten tegen hen; verzoekt de VV/HV en de lidstaten zich in te zetten en daadkrachtig campagne te voeren om de onmiddellijke vrijlating van de gedetineerde mensenrechtenactivisten te waarborgen als essentieel element voor nauwere samenwerking tussen de EU en Bahrein; vraagt de Bahreinse autoriteiten te zorgen voor een veilige omgeving voor maatschappelijke organisaties en onafhankelijke media; dringt er bij de Bahreinse regering op aan buitenlandse journalisten en mensenrechtenorganisaties toe te laten tot Bahrein; heeft grote lof voor de inspanningen van alle mensenrechtenactivisten, journalisten en advocaten, wier werk van wezenlijk belang is voor de verdediging van de mensenrechten; verzoekt de Bahreinse regering met klem het enige onafhankelijke mediakanaal in het land, Al Wasat, te herstellen en onafhankelijke politieke organisaties, met inbegrip van ontbonden organisaties, toe te staan in Bahrein te werken;

6. is ingenomen met de vrijlating van Nabeel Rajab op grond van de wet inzake alternatieve straffen, maar verzoekt de Bahreinse autoriteiten niettemin met klem zijn reisverbod op te heffen;

7. roept de Bahreinse regering op een einde te maken aan de intimidatie van mensenrechtenactivisten en onmiddellijk hun reisverbod op te heffen; dringt erop aan dat de autoriteiten ervoor zorgen dat mensenrechtenactivisten in Bahrein zowel binnen het land als daarbuiten, ongeacht de omstandigheden, hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen uitvoeren;

8. toont zich met name bezorgd over het misbruik van antiterrorismewetgeving in Bahrein en benadrukt hoe belangrijk de steun is die aan Bahrein wordt verleend, met name voor zijn rechtsstelsel, om ervoor te zorgen dat de internationale mensenrechtennormen worden nageleefd; vraagt de Bahreinse autoriteiten onverwijld Wet nr. 58 (2006) inzake de bescherming van de samenleving tegen terroristische daden te wijzigen, evenals alle andere wetten die de vrijheid van meningsuiting en de politieke vrijheden beperken en niet volledig in overeenstemming zijn met internationale verplichtingen en normen;

9. veroordeelt het aanhoudende gebruik van foltering, met inbegrip van de ontzegging van medische zorg, en andere wrede en vernederende behandeling of bestraffing van gedetineerden, waaronder vreedzame betogers en burgers; pleit voor grondig en geloofwaardig onderzoek naar alle beschuldigingen van foltering, zodat degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, ter verantwoording kunnen worden geroepen; betreurt de ijzingwekkende gevangenisomstandigheden in het land; verzoekt de Bahreinse autoriteiten met klem alle gedetineerden tegen het gevaar van COVID-19 te beschermen;

10. verzoekt de Bahreinse regering met klem haar verplichtingen en toezeggingen in het kader van het VN-Verdrag tegen foltering na te komen, met inbegrip van artikel 15 daarvan, waarbij het gebruik van verklaringen die onder foltering zijn afgelegd als bewijsmateriaal in procedures wordt verboden; pleit voor de ratificatie van het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf;

11. verzoekt de Bahreinse regering volledig met de VN-organen mee te werken, een vaste uitnodiging te verstrekken voor bezoeken aan Bahrein in het kader van speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, en proactief samen te werken; verzoekt de Bahreinse regering EU-functionarissen, onafhankelijke waarnemers en mensenrechtenorganisaties toe te staan de Bahreinse gevangenissen te bezoeken; dringt er in het bijzonder bij de Bahreinse autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, de speciale VN-rapporteur voor mensenrechtenverdedigers, de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van meningsuiting en de speciale VN‑rapporteur voor vrijheid van vereniging en vergadering tot het land worden toegelaten;

12. veroordeelt de aanhoudende praktijk waarbij onderdanen willekeurig hun staatsburgerschap wordt ontnomen, die er in veel gevallen toe heeft geleid dat mensen staatloos werden achtergelaten, hetgeen in strijd is met het VN-Verdrag tot beperking der staatloosheid; verzoekt de Bahreinse autoriteiten de burgerschapswet van het land te wijzigen en mensen wier staatsburgerschap ten onrechte is ontnomen, hun staatsburgerschap terug te geven;

13. neemt kennis van de voortdurende inspanningen van de Bahreinse regering om haar wetboek van strafrecht en juridische procedures te hervormen en spoort de regering aan dit proces voort te zetten; pleit voor de volledige tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie en de universele periodieke evaluatie; staat nog altijd achter de hervormingsagenda van de Bahreinse regering en spoort het Koninkrijk Bahrein aan te streven naar stabiliteit door middel van verdere hervormingen en inclusieve verzoening in een omgeving waarin vreedzame politieke grieven vrijelijk kunnen worden geuit, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van het land;

14. verzoekt de EU-delegatie de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers volledig ten uitvoer te leggen, alle passende steun te verlenen aan de gedetineerde mensenrechtenactivisten, onder meer door gevangenisbezoeken te organiseren en zorg te dragen voor de waarneming van rechtszaken en openbare verklaringen, en daarnaast maatschappelijke organisaties te steunen en mensen die het risico lopen te worden vervolgd, bescherming te bieden;

15. verzoekt de VV/HV, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Raad en de lidstaten systematisch uiting te geven aan hun bezorgdheid over mensenrechtenschendingen in Bahrein, alsook over het gebrek aan politieke ruimte voor de uiting van legitieme en vreedzame, afwijkende meningen, en te overwegen gerichte maatregelen te nemen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen;

16. neemt kennis van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Bahrein; pleit voor de intensivering van de dialoog overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen; merkt op dat een mensenrechtendialoog tussen de EU en Bahrein niet in de plaats kan komen van een goede dialoog tussen de regering, de oppositie en het maatschappelijk middenveld in Bahrein zelf; dringt er bij de EDEO op aan ervoor te zorgen dat de informele mensenrechtendialoog met Bahrein wordt afgestemd op concrete resultaten en toezeggingen, waaronder de raadpleging van het maatschappelijk middenveld voor en na de dialoog; beklemtoont dat de Bahreinse autoriteiten op zinvolle en oprechte wijze aan dit proces moeten deelnemen; is voorstander van een nadere dialoog, meer betrokkenheid en de uitwisseling van beste praktijken inzake mensenrechten en gerechtelijke procedures tussen de EU, haar lidstaten en het Koninkrijk Bahrein;

17. dringt er bij de EU op aan ervoor te zorgen dat de mensenrechten in alle vlakken van de samenwerking met Bahrein worden opgenomen, waaronder in de samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Bahrein, die onlangs werd gesloten, maar geen verwijzingen naar de mensenrechten bevat;

18. maakt zich zorgen over de berichten over het gebruik van bewakingstechnologie tegen Bahreinse mensenrechtenactivisten; wijst er nogmaals op dat bewakingstechnologieën die door Europese bedrijven worden uitgevoerd naar Bahrein de onderdrukking van mensenrechtenactivisten in de hand kunnen werken; beklemtoont dat de EU-instanties voor uitvoercontrole rekening moeten houden met mensenrechtencriteria alvorens een vergunning te verlenen voor uitvoer naar een derde land; verzoekt alle lidstaten de EU‑gedragscode betreffende wapenuitvoer strikt in acht te nemen en met name alle leveringen stop te zetten van wapens en bewakings- en inlichtingenapparatuur en -materiaal waarvan Bahrein gebruik kan maken voor de aanhoudende onderdrukking van de mensenrechten;

19. benadrukt dat de Chaillot-prijs van de EU-delegatie voor het bevorderen van de mensenrechten in de regio van de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten niet mag worden uitgereikt aan personen die mensenrechtenschendingen rechtvaardigen;

20. is verontrust over het feit dat het Kafala-systeem schendingen van de arbeidsrechten en beperkingen ten aanzien van sociale en vakbondbewegingen in het land mogelijk maakt; verzoekt de Bahreinse regering met klem de arbeidswetgeving te wijzigen om ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel dezelfde rechten kan genieten als andere werknemers, waaronder een maximum aantal arbeidsuren, wekelijkse rustdagen en een minimumloon;

21. roept de Bahreinse regering op de wetgeving waar nodig te wijzigen om een einde te maken aan de discriminatie van vrouwen wanneer zij trouwen, getrouwd zijn of willen scheiden, alsook discriminatie in verband met kinderen en erfenissen, en vrouwen toe te staan hun nationaliteit op dezelfde gronden als mannen over te dragen aan hun kinderen; verzoekt de Bahreinse regering met klem alle bedenkingen tegen het CEDAW op te heffen en de artikelen 353 en 334 van het wetboek van strafrecht, op grond waarvan geweld tegen vrouwen door de vingers kan worden gezien, evenals bepalingen die consensuele seksuele betrekkingen tussen volwassenen strafbaar stellen, in te trekken;

22. roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op waakzaam te blijven ten aanzien van de ontwikkelingen in het land en in de Golfregio in het algemeen, en alle middelen waarover zij beschikken om invloed uit te oefenen, in te zetten; betreurt de buitenlandse inmenging in de binnenlandse politiek van Bahrein met als doel het land te destabiliseren;

23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

 

[1] PB C 28 van 27.1.2020, blz. 76.

[2] PB C 252 van 18.7.2018, blz. 192.

Laatst bijgewerkt op: 10 maart 2021Juridische mededeling - Privacybeleid