Procedure : 2021/2785(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0382/2021

Ingediende teksten :

RC-B9-0382/2021

Debatten :

PV 08/07/2021 - 9.1
CRE 08/07/2021 - 9.1

Stemmingen :

PV 08/07/2021 - 11
PV 08/07/2021 - 19

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0355

<Date>{07/07/2021}7.7.2021</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0382/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0383/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0386/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0387/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0395/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0399/2021</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 163kWORD 50k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0382/2021 (The Left)

B9‑0383/2021 (Verts/ALE)

B9‑0386/2021 (Renew)

B9‑0387/2021 (S&D)

B9‑0395/2021 (ECR)

B9‑0399/2021 (PPE)</TablingGroups>


<Titre>over het geval van Ahmadreza Djalali in Iran</Titre>

<DocRef>(2021/2785(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Željana Zovko, David Lega, Michael Gahler, Sandra Kalniete, David McAllister, Antonio López‑Istúriz White, Isabel Wiseler‑Lima, Paulo Rangel, Miriam Lexmann, Radosław Sikorski, Loránt Vincze, Krzysztof Hetman, Vladimír Bilčík, Janina Ochojska, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Ivan Štefanec, Inese Vaidere, Vangelis Meimarakis, Tomáš Zdechovský, Stelios Kympouropoulos, Deirdre Clune, Peter Pollák, Christian Sagartz, Adam Jarubas, José Manuel Fernandes, Stanislav Polčák, Eva Maydell, Michaela Šojdrová, Romana Tomc, Jiří Pospíšil, Tom Vandenkendelaere, Luděk Niedermayer</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Pedro Marques, Andrea Cozzolino, Jytte Guteland</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Hilde Vautmans, Abir Al‑Sahlani, Petras Auštrevičius, Izaskun Bilbao Barandica, Dita Charanzová, Olivier Chastel, Vlad Gheorghe, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Karin Karlsbro, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Karen Melchior, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Michal Šimečka, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu, Emma Wiesner</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Ernest Urtasun, Hannah Neumann</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Raffaele Fitto, Anna Fotyga, Karol Karski, Witold Jan Waszczykowski, Ladislav Ilčić, Veronika Vrecionová, Jadwiga Wiśniewska, Alexandr Vondra, Ryszard Antoni Legutko, Elżbieta Rafalska, Elżbieta Kruk, Assita Kanko, Carlo Fidanza, Bogdan Rzońca, Ryszard Czarnecki, Valdemar Tomaševski, Hermann Tertsch, Adam Bielan, Charlie Weimers</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Marisa Matias</Depute>

<Commission>{The Left}namens de Fractie The Left</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo, Marco Campomenosi</Depute>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het geval van Ahmadreza Djalali in Iran

(2021/2785(RSP))

 

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 17 december 2020 over Iran, in het bijzonder de zaak van Nasrin Sotoudeh, winnares van de Sacharovprijs in 2012[1], van 19 september 2019 over Iran, met name de situatie van vrouwenrechtenactivisten en gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten[2], van 13 december 2018 over Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh[3], en van 31 mei 2018 over de situatie van gedetineerde EU-Iraanse onderdanen met dubbele nationaliteit in Iran[4],

 gezien de door het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten afgegeven verklaring over Iran van 18 maart 2021 met het verzoek om onmiddellijke vrijlating van dr. Ahmadreza Djalali en de verklaring van 25 november 2020, waarin Iran ertoe wordt opgeroepen diens terechtstelling tegen te houden, alsook het advies van zijn werkgroep inzake willekeurige detentie van 24 november 2017 over Ahmadreza Djalali (Islamitische Republiek Iran),

 gezien de verklaring van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran van 26 oktober 2020, waarin wordt aangedrongen op het afleggen van verantwoording over het gewelddadig neerslaan van protesten, en gezien zijn verslag van 21 juli 2020 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran,

 gezien de vijfde dialoog op hoog niveau tussen de Europese Unie en Iran van 9 december 2020,

 gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering en andere wrede behandeling, inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en inzake mensenrechtenactivisten,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Iran partij is, en de waarborgen tegen foltering en willekeurige detentie die zijn vastgelegd in de Iraanse grondwet,

 gezien de Iraanse presidentsverkiezingen van 18 juni 2021,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Zweeds-Iraanse dr. Ahmadreza Djalali, specialist op het gebied van de spoedeisende geneeskunde en wetenschapper aan de Belgische Vrije Universiteit Brussel en de Italiaanse Università del Piemonte Orientale, op 24 april 2016 door de Iraanse de veiligheidsdiensten is gearresteerd; overwegende dat hij in oktober 2017 ter dood is veroordeeld wegens vermeende spionage na een uiterst oneerlijk proces op grond van een door foltering afgedwongen bekentenis; overwegende dat het Hooggerechtshof van Iran het vonnis op 17 juni 2018 heeft bekrachtigd; overwegende dat hij in een in de Evin-gevangenis in Teheran geschreven brief verklaarde gevangengenomen te zijn tijdens een reis naar Iran omdat hij had geweigerd Europese instellingen te bespioneren; overwegende dat hij door het openbaar ministerie op 24 november 2020 in kennis werd gesteld van zijn nakende terechtstelling, en dat hij daarna gedurende meer dan 100 dagen – tot april 2021 – in eenzame opsluiting werd geplaatst, waarna hij werd overgeplaatst naar een van de algemene vleugels van de gevangenis; overwegende dat hem bezoeken en telefoongesprekken met zijn familie in Zweden zijn ontzegd; overwegende dat hij weliswaar naar een algemene vleugel is overgeplaatst, maar dat zijn doodstraf niet in een andere straf is omgezet; overwegende dat hij de afgelopen zeven maanden slechts periodiek contact met zijn advocaat heeft gehad en dat er voordien helemaal geen contact was;

B. overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie in november 2017 heeft geconcludeerd dat de vrijheidsbeneming van dr. Ahmadreza Djalali willekeurig is en strijdig met de artikelen 3, 5, 8, 9, 10 en 11 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en met de artikelen 7, 9, 10 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij de werkgroep heeft opgeroepen tot diens vrijlating;

C. overwegende dat de gezondheidstoestand van dr. Ahmadreza Djalali na maandenlange eenzame opsluiting kritiek is geworden; overwegende dat hem sinds 2016 medische zorg van buiten de gevangenis wordt geweigerd en dat hij gedwongen verblijft in een voortdurend fel verlichte ruimte; overwegende dat zijn fysieke en psychologische gezondheidstoestand sindsdien ernstig is verslechterd, waarbij symptomen optreden als slaapgebrek, dramatisch gewichtsverlies en spraakproblemen;

D. overwegende dat Iran buitenlandse onderdanen gevangenneemt om buitenlandse regeringen te chanteren; overwegende dat ten minste een tiental EU-onderdanen willekeurig worden vastgehouden in Iran; overwegende dat Frans-Iraanse wetenschapper Fariba Adelkhah, onderzoeksleider aan het Parijse instituut Sciences Po, sinds juni 2019 eerst willekeurig werd vastgehouden in de Evin-gevangenis en vervolgens in oktober 2020 onder huisarrest werd geplaatst; overwegende dat de Franse fotograaf Benjamin Brière sinds 26 mei 2020 willekeurig wordt vastgehouden in de Mashhadgevangenis; overwegende dat hij op 30 mei 2021 is aangeklaagd wegens spionage; overwegende dat de Duits-Iraanse Nahid Taghavi sinds oktober 2020 willekeurig wordt vastgehouden in de Evin-gevangenis op grond van de dubieuze aanklacht een gevaar voor de nationale veiligheid te vormen; overwegende dat Iran de rechten die uit een dubbele nationaliteit voortvloeien niet erkent, waardoor het voor buitenlandse ambassades moeilijk is om in contact te treden met hun burgers die ook de Iraanse nationaliteit bezitten;

E. overwegende dat Iran ook zijn eigen burgers willekeurig en onder slechte omstandigheden vasthoudt; overwegende dat rechtbanken verdachten vaak het recht op een eerlijk proces ontzeggen en juridisch advies en bezoeken van consulaire autoriteiten, de VN en humanitaire organisaties beperken; overwegende dat vonnissen vaak gebaseerd zijn op ongefundeerde beschuldigingen; overwegende dat de Iraanse rechters en het Iraanse rechtsstelsel verre van onafhankelijk zijn en niet aan de internationale normen voldoen; overwegende dat de Iraanse autoriteiten geen onderzoek hebben ingesteld naar beschuldigingen van foltering en andere ernstige schendingen van de rechten van gedetineerden; overwegende dat gerechtelijke intimidatie wordt gebruikt als middel om mensenrechtenactivisten het zwijgen op te leggen;

F. overwegende dat Iran van alle landen ter wereld het hoogste aantal terechtstellingen per inwoner heeft;

G. overwegende dat de EU en haar lidstaten voortdurend diplomatieke gesprekken hebben gevoerd om de betrekkingen met Iran te verbeteren, hetgeen ertoe heeft geleid dat op 18 oktober 2015 het gezamenlijk alomvattend actieplan werd aangenomen; overwegende dat de EU zich blijft inzetten voor het verbeteren van de betrekkingen onder bepaalde voorwaarden; overwegende dat eerbiediging van de mensenrechten cruciaal is voor de verdere ontwikkeling van deze betrekkingen;

1. verzoekt Iran om onder zijn nieuw verkozen president Ebrahim Raisi de nakende terechtstelling van de Zweeds-Iraanse wetenschapper dr. Ahmadreza Djalali tegen te houden, hem gratie te verlenen, hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en hem toe te staan terug te keren naar zijn familie in Zweden; veroordeelt ten stelligste zijn foltering, willekeurige detentie en doodstraf op grond van ongefundeerde aanklachten, zoals beschreven in het advies van de Werkgroep willekeurige detentie van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 2017; dringt er bij Iran op aan hem onmiddellijk regelmatig contact met zijn familie en advocaat te laten onderhouden, zijn veiligheid te waarborgen en hem dringend noodzakelijke en adequate medische zorg te verlenen totdat bovengenoemde eis is ingewilligd; roept Iran ertoe op zijn familie in Zweden en Iran niet langer te bedreigen;

2. betreurt de gangbare praktijk van Iran om EU-, Britse en andere onderdanen willekeurig gevangen te houden om politieke bekentenissen af te dwingen;

3. roept Iran er nadrukkelijk toe op alle aanklachten in te trekken tegen dr. Ahmadreza Djalali en alle willekeurig gedetineerde EU-onderdanen, met inbegrip van de Duitse onderdanen Nahid Taghavi en Jamshid Sharmahd, de Franse onderdanen Benjamin Brière en Fariba Adelkhah (op wie nog altijd een reisverbod van kracht is), de Oostenrijkse onderdanen Kamran Ghaderi en Massud Mossaheb, alsook de Britse onderdanen Morad Tahbaz, Anoosheh Ashoori, Mehran Raoof en Nazanin Zaghari-Ratcliffe (die nog onder huisarrest staat);

4. betreurt het ten zeerste dat sinds zijn resolutie van 17 december 2020 geen enkele EU‑lidstaat erin is geslaagd willekeurig gedetineerde EU-onderdanen, waaronder dr. Ahmadreza Djalali, te bezoeken; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en de EU-lidstaten hun uiterste best te doen om de terechtstelling van dr. Ahmadreza Djalali te voorkomen;

5. verzoekt de Raad verdere gerichte sancties te overwegen, waaronder het bevriezen van de tegoeden van functionarissen van het Iraanse regime en van entiteiten die betrokken zijn bij de willekeurige detentie en de doodstraf van EU-onderdanen, en, indien dr. Ahmadreza Djalali gedetineerd blijft, daarbij ofwel gebruik te maken van het huidige EU-sanctieregime inzake mensenrechten tegen Iran, ofwel van de wereldwijde mensenrechtensanctieregeling van de EU (EU-Magnitski-wet);

6. is verheugd over het feit dat de EU op 12 april 2021 acht Iraanse personen en drie Iraanse entiteiten aan haar sanctieregime heeft toegevoegd nadat bekend werd welke rol zij hebben gespeeld bij de moord op ten minste 303 demonstranten in 2019, waardoor hun tegoeden zijn bevroren en reisverboden tegen hen zijn uitgevaardigd; merkt op dat de EU voor het eerst sinds 2013 een dergelijk besluit neemt;

7. onderstreept andermaal de doodstraf onder alle omstandigheden ten zeerste af te wijzen en benadrukt dat er geen morele, wettelijke of religieuze rechtvaardigingen voor de doodstraf mogen worden aangevoerd; verzoekt Iran een onmiddellijk moratorium in te stellen op voltrekking van de doodstraf, en dit te beschouwen als een stap in de richting van volledige afschaffing;

8. verzoekt Iran om tevens politieke gevangenen vrij te laten, met inbegrip van mensenrechtenactivisten, aangezien zij willekeurig zijn vastgehouden uitsluitend wegens de uitoefening van hun grondrechten op vrijheid van meningsuiting, geloof, vereniging, publicatie, vreedzame vergadering en de media; verlangt dat Iran een grondig onderzoek instelt naar functionarissen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder het gebruik van buitensporig en dodelijk geweld tegen demonstranten; hekelt het systematische gebruik van langdurige eenzame opsluiting, hetgeen in strijd is met de internationale verplichtingen van Iran;

9. dringt er bij de Raad op aan mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen in zijn bilaterale betrekkingen met Iran, overeenkomstig de verklaring die de VV/HV en de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken gezamenlijk hebben afgelegd in april 2016; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden de eerbiediging van de mensenrechten aan de orde te blijven stellen in het kader van de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran; verzoekt de EU en haar lidstaten hun bescherming van en steun aan mensenrechtenactivisten, met name vrouwen, te versterken, onder meer door middel van noodsubsidies in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

10. verzoekt Iran bezoeken aan gevangenen toe te staan en volledig samen te werken met alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, met inbegrip van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de VN, de hoogste leider en de president van de Islamitische Republiek Iran, alsook de leden van de Majlis van Iran.

 

[1] Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0376.

[2] PB C 171 van 6.5.2021, blz. 17.

[3] PB C 388 van 13.11.2020, blz. 127.

[4] PB C 76 van 9.3.2020, blz. 139.

Laatst bijgewerkt op: 7 juli 2021Juridische mededeling - Privacybeleid