Gezamenlijke ontwerpresolutie - RC-B9-0406/2021Gezamenlijke ontwerpresolutie
RC-B9-0406/2021

    GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE over de onderdrukking van de oppositie in Turkije, met name de Democratische Partij van de Volkeren (HDP)

    7.7.2021 - (2021/2788(RSP))

    ingediend overeenkomstig artikel 132, leden 2 en 4, van het Reglement
    ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:
    B9‑0406/2021 (S&D)
    B9‑0407/2021 (The Left)
    B9‑0409/2021 (Verts/ALE)
    B9‑0410/2021 (Renew)
    B9‑0411/2021 (PPE)

    Michael Gahler, Gheorghe‑Vlad Nistor, Željana Zovko
    namens de PPE-Fractie
    Nacho Sánchez Amor, Pedro Marques, Tonino Picula
    namens de S&D-Fractie
    Hilde Vautmans, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Izaskun Bilbao Barandica, Olivier Chastel, Vlad Gheorghe, Nathalie Loiseau, Karen Melchior, Frédérique Ries, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu
    namens de Renew-Fractie
    Sergey Lagodinsky
    namens de Verts/ALE-Fractie
    Özlem Demirel, Nikolaj Villumsen, Giorgos Georgiou, Manu Pineda
    namens de Fractie The Left
    Assita Kanko, Angel Dzhambazki, Emmanouil Fragkos, Ladislav Ilčić, Fabio Massimo Castaldo


    Procedure : 2021/2788(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    RC-B9-0406/2021
    Ingediende teksten :
    RC-B9-0406/2021
    Aangenomen teksten :

    Resolutie van het Europees Parlement over de onderdrukking van de oppositie in Turkije, met name de Democratische Volkspartij (HDP)

    (2021/2788(RSP))

     

    Het Europees Parlement,

     gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 19 mei 2021 over de Commissieverslagen 2019-2020 over Turkije[1], van 20 januari 2021 over de mensenrechtensituatie in Turkije, met name het geval van Selahattin Demirtaş en andere politieke gevangenen[2] en van 19 september 2019 over de situatie in Turkije, met name de afzetting van verkozen burgemeesters[3],

     gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2020 inzake het uitbreidingsbeleid van de EU (COM(2020)0660) en het bijbehorende verslag over Turkije 2020 (SWD(2020)0355),

     gezien het onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005 en het feit dat Turkije, net als alle andere landen die willen toetreden tot de EU, de criteria van Kopenhagen volledig moet naleven,

     gezien de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2021 over externe betrekkingen en andere relevante conclusies van de Raad en de Europese Raad over Turkije,

     gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 maart 2021 over de stand van de politieke, economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Turkije (JOIN(2021)0008),

     gezien de verklaring van de woordvoerder voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de Europese Dienst voor extern optreden van 19 augustus 2019 over de afzetting van verkozen burgemeesters en de arrestatie van honderden mensen in het zuidoosten van Turkije, en de verklaringen van 21 en 25 december 2020,

     gezien de gezamenlijke verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid / vicevoorzitter van de Commissie, Josep Borrell, en de commissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding, Olivér Várhelyi, van 18 maart 2021 over de recente maatregelen van Turkije tegen de Democratische Partij van de Volkeren,

     gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarin is neergelegd dat de hoge verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan einduitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zaken waarbij zij partij zijn,

     gezien het arrest van de Grote Kamer van het EHRM van 22 december 2020 in de zaak Demirtaş tegen Turkije (14305/17),

     gezien Resolutie 2347 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE) van 23 oktober 2020, getiteld “New crackdown on political opposition and civil dissent in Turkey: urgent need to safeguard Council of Europe standards”, en PACE-resolutie 2260 van 24 januari 2019, getiteld “The worsening situation of opposition politicians in Turkey: what can be done to protect their fundamental rights in a Council of Europe member State?”,

     gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

    A. overwegende dat er in Turkije sprake is van een algemene achteruitgang op het gebied van de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat en dat de oppositiepartijen in Turkije, en met name de Democratische Partij van de Volkeren (HDP), voortdurend en steeds vaker het doelwit zijn van de Turkse autoriteiten;

    B. overwegende dat de hoofdaanklager van het Turkse Hof van Beroep op 17 maart 2021 voor het eerst een aanklacht heeft ingediend bij het Constitutioneel Hof met daarin een vordering tot ontbinding van de HDP, de op twee na grootste partij in het Turkse parlement; overwegende dat de algemene assemblee van het Constitutioneel Hof op 31 maart 2021 heeft vastgesteld dat er in verband met deze aanklacht sprake was van vormfouten, waarna de zaak werd terugverwezen naar het Openbaar Ministerie; overwegende dat er op 7 juni 2021 een herziene aanklacht werd ingediend, waarin niet alleen wordt geëist dat de HDP wordt ontbonden, maar ook dat bijna 500 HDP-leden een verbod krijgen op het bedrijven van politiek en dat de bankrekeningen van de partij worden bevroren; overwegende dat de algemene assemblee van het Constitutioneel Hof deze herziene aanklacht op 21 juni 2021 unaniem heeft geaccepteerd;

    C. overwegende dat de hoofdaanklager de meeste van zijn beschuldigingen baseert op de Kobanî-protesten, naar aanleiding waarvan een rechtszaak werd aangespannen tegen HDP-politici, waaronder de voormalige leiders van de partij Selahattin Demirtaş en Figen Yüksekdağ, die nog niet is afgerond; overwegende dat deze beschuldigingen hoofdzakelijk berusten op een tweet van de partijleiding van de HDP (van 6 oktober 2014), waarin werd opgeroepen te demonstreren uit solidariteit met de bevolking van de stad Kobanî die belegerd werd door ISIS en tegen het embargo van Turkije met betrekking tot Kobanî; overwegende dat tijdens deze demonstraties meer dan vijftig mensen, waarvan de overgrote meerderheid HDP-leden of -sympathisanten waren, bij confrontaties met de Turkse politie werden gedood;

    D. overwegende dat er in het Kobanî-proces 108 HDP-leden als verdachte zijn aangemerkt; overwegende dat 28 van deze personen in afwachting van hun proces zijn gearresteerd; overwegende dat er gerechtelijke beperkingen gelden voor zes personen en aanhoudingsbevelen zijn uitgevaardigd tegen 75 personen; overwegende dat het Parlement het Kobanî-proces en andere relevante rechtszaken op de voet zal blijven volgen;

    E. overwegende dat het Constitutioneel Hof in het verleden zes pro-Koerdische politieke partijen heeft verboden;

    F. overwegende dat het EHRM zich in vele processen op het standpunt heeft gesteld dat het verbieden van politieke partijen in strijd is met het recht van vereniging als bedoeld in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; overwegende dat de Europese Raad in zijn conclusies van 24 juni 2021 stelt dat het nemen van maatregelen tegen politieke partijen een belangrijke achteruitgang betekent voor de mensenrechten en indruist tegen de verplichting van Turkije om de democratie en de rechtsstaat te eerbiedigen, en dat de dialoog over deze kwestie een integraal onderdeel zal blijven uitmaken van de betrekkingen tussen de EU en Turkije;

    G. overwegende dat op 17 juni 2021 Deniz Poyraz, werkneemster en lid van de HDP, is vermoord in het partijkantoor in İzmir; overwegende dat haar lichaam na haar dood verminkt zou zijn; overwegende dat in 2015 en 2016 honderden partijkantoren van de HDP, waaronder het hoofdkantoor in Ankara, zijn aangevallen en in veel gevallen ook in brand zijn gestoken;

    H. overwegende dat ongeveer 4 000 HDP-leden en -medewerkers nog steeds in de gevangenis zitten, waaronder een aantal parlementsleden;

    I. overwegende dat drie parlementsleden van de HDP hun parlementaire zetel en hun parlementaire onschendbaarheid zijn afgenomen en dat zij vervolgens zijn gearresteerd;

    J. overwegende dat de aanklagers van het Ministerie van Justitie op 30 juni 2021 bij het Gemengd Parlementair Comité voor constitutionele en juridische zaken van de Grote Nationale Vergadering van Turkije samenvattingen van procedures hebben ingediend met het oog op de opheffing van de wettelijke immuniteit van twintig parlementsleden van zes verschillende oppositiepartijen; overwegende dat deze procedures gericht zijn tegen 15 parlementsleden van de HDP, de leider van de Republikeinse Volkspartij (CHP), Kemal Kılıçdaroğlu, en een parlementslid van elke andere oppositiepartij, te weten de Partij van de Democratische Regio’s (DBP), de İYİ (Goede) Partij, de Arbeiderspartij van Turkije (TİP) en de Democratische Partij (DP);

    K. overwegende dat de heer Kılıçdaroğlu, als leider van de grootste oppositiepartij, wordt vervolgd op verdenking van belediging van de president van Turkije, waarvoor hem een gevangenisstraf van maximaal vier jaar kan worden opgelegd; overwegende dat hem ook nog een rechtszaak te wachten staat die op 11 januari 2021 door president Recep Tayyip Erdoğan is aangespannen, in het kader waarvan een schadevergoeding van 1 miljoen TRY wordt geëist;

    L. overwegende dat de heer Demirtaș, voormalig medevoorzitter van de HDP en presidentskandidaat bij de verkiezingen van 2014 en 2018, ondanks twee arresten van het EHRM waarin tot vrijlating wordt bevolen, al meer dan vier jaar op basis van ongefundeerde aanklachten in gevangenschap verkeert;

    M. overwegende dat het EHRM in hetzelfde arrest heeft vastgesteld dat de oproep van het hoofdkantoor van de HDP tot het tonen van solidariteit met de bevolking van Kobanî binnen de grenzen van de politieke meningsuiting bleef en in die zin dus niet opgevat moet worden als een oproep tot geweld; overwegende dat het EHRM heeft bepaald dat de gewelddaden die tussen 6 en 8 oktober 2014 hebben plaatsgevonden zeer te betreuren waren, maar niet geacht kunnen worden een rechtstreeks gevolg te zijn geweest van de tweets van het HDP-hoofdkwartier;

    N. overwegende dat sinds de lokale verkiezingen van 31 maart 2019 59 van de 65 democratisch verkozen HDP-burgemeesters in het zuidoosten van Turkije hun burgemeesterschap hebben moeten afstaan aan door de regering aangewezen provinciegouverneurs of vertrouwelingen, omdat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hen is gestart of omdat zij verdacht worden van het hebben van banden met terroristen; overwegende dat van de 36 gearresteerde personen er 32 in de loop van de gerechtelijke procedure zijn vrijgelaten, maar dat zes gekozen medeburgemeesters nog steeds in de gevangenis zitten;

    O. overwegende dat de verergerende structurele problemen die leiden tot een gebrek aan institutionele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht nog steeds gevolgen hebben voor de rechten van oppositiepartijen;

    1. is nog altijd zeer bezorgd over de voortdurende aanvallen en druk op oppositiepartijen in Turkije, en met name over de wijze waarop de HDP en de jongerenorganisatie van de HDP gericht en steeds vaker het doelwit zijn van de Turkse autoriteiten; veroordeelt deze onderdrukking van de HDP en alle andere Turkse oppositiepartijen, omdat daarmee de goede werking van het democratisch stelsel wordt ondergraven; dringt er bij de Turkse regering op aan een einde te maken aan deze situatie en ervoor te zorgen dat alle politieke partijen in het land hun legitieme activiteiten vrijelijk en ten volle kunnen uitoefenen overeenkomstig de beginselen die ten grondslag liggen aan een pluralistisch en democratisch systeem;

    2. veroordeelt met klem de herziene aanklacht die de Turkse hoofdaanklager bij het Constitutioneel Hof heeft ingediend, waarin wordt geëist dat de HDP wordt ontbonden en dat bijna 500 HDP-leden, waaronder de meeste van de huidige leiders, een verbod krijgen op het bedrijven van politiek, waarmee zij de komende vijf jaar geen enkele politieke activiteit meer zouden kunnen ontplooien; is ernstig verontrust over het besluit van het Constitutioneel Hof om deze zaak met eenparigheid van stemmen te accepteren; merkt met grote bezorgdheid op dat deze aanklacht met een vordering tot ontbinding van de HDP het sluitstuk is van het hardhandige optreden tegen de partij dat al jarenlang aan de gang is en als gevolg waarvan duizenden partijleden, leidinggevenden, parlementsleden, gemeenteraadsleden en medeburgemeesters zijn berecht, voornamelijk op beschuldiging van terrorisme;

    3. is er stellig van overtuigd dat het, om de Turkse samenleving inclusiever te maken en een positief perspectief te creëren dat leidt tot een vreedzame oplossing voor de Koerdische kwestie, fundamenteel is dat de participatie van de HDP in de democratische instellingen van Turkije niet wordt belemmerd; herhaalt in dit kader dat een verbod op de partij, gezien de duidelijke toezegging van de HDP om haar belangen via democratische instellingen te behartigen, op de middellange termijn een ernstige politieke fout zou zijn en een onomkeerbare aantasting zou zijn van het pluralisme en de democratische beginselen, ten gevolge waarvan miljoenen kiezers in Turkije in de politiek niet meer zouden worden vertegenwoordigd;

    4. veroordeelt met klem de gruwelijke moord op HDP-lid en -medewerker Deniz Poyraz en de aanval op het partijkantoor in İzmir; betuigt zijn medeleven aan haar familie en vrienden; dringt er bij de autoriteiten op aan deze zaak grondig te onderzoeken en de personen die deze daad op hun geweten hebben te vervolgen;

    5. verzoekt de Turkse autoriteiten zich te onthouden van het aanzetten tot geweld tegen de HDP en de nodige maatregelen te nemen om de kantoren en medewerkers van de partij, waaronder parlementsleden en verkozen gemeenteraadsleden en medeburgemeesters, te beschermen;

    6. veroordeelt de willekeurige wijze waarop tijdens het nog lopende Kobanî-proces toepassing wordt gegeven aan de rechtsstaat, ten gevolge waarvan de zaak is heropend, en de wijze waarop dit proces wordt gevoerd, met name het feit dat de rechterlijke macht niet onafhankelijk en onpartijdig is, dat er geen sprake is van volledige billijkheid en dat het ontbreekt aan procedurele waarborgen; is ernstig bezorgd over het misbruik van de ruim geformuleerde antiterrorismewetgeving; verzoekt Turkije daarom nogmaals zijn wetgeving inzake terrorismebestrijding in overeenstemming te brengen met de internationale normen, om de doeltreffende bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden te waarborgen, evenals evenredige toepassing en gelijkheid in rechte;

    7. veroordeelt het besluit om de HDP-parlementsleden Leyla Güven, Ömer Faruk Gergerlioğlu en Musa Farisoğulları hun parlementaire zetel en immuniteit te ontnemen, alsmede hun daaropvolgende arrestaties; is ingenomen met de recente uitspraak van het Constitutionele Hof van 1 juli 2021, waarin het met eenparigheid van stemmen oordeelde dat het recht van parlementslid Gergerlioğlu om verkozen te worden en zijn recht om politieke activiteiten uit te oefenen, alsmede zijn recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid, waren geschonden; is verheugd over zijn vrijlating en dringt er bij de Turkse autoriteiten en lagere rechtbanken op aan uitvoering te geven aan het besluit van het Constitutioneel Hof en Gergerlioğlu weer de status van parlementslid toe te kennen; dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van de twee andere HDP-parlementsleden en tot intrekking van alle aanklachten tegen hen; veroordeelt het herhaalde gebruik van de intrekking van de parlementaire status van oppositieleden, hetgeen ernstig afbreuk doet aan de reputatie van het Turkse parlement als democratische instelling;

    8. veroordeelt met klem het feit dat de voormalige medevoorzitters van de HDP, Figen Yüksekdağ en Selahattin Demirtaș, oppositieleider en voormalig presidentskandidaat, al sinds november 2016 in detentie zitten; herinnert aan de uitspraak van het EHRM van 20 november 2018 in de zaak Selahattin Demirtaş tegen Turkije, die op 22 december 2020 in de uitspraak van zijn Grote Kamer werd bevestigd en waarin de Turkse autoriteiten werden opgeroepen de heer Demirtaş onmiddellijk vrij te laten; is ontzet over het feit dat de Turkse autoriteiten de arresten van het EHRM consequent negeren en blijven weigeren deze ten uitvoer te leggen, ook in andere zaken zoals die van Osman Kavala, waarvoor het Comité van Ministers van de Raad van Europa een inbreukprocedure tegen Turkije zou kunnen inleiden; eist dat Turkije ten volle samenwerkt met de Raad van Europa om de rechtsstaat, de rechten van minderheden, de democratie en de fundamentele rechten te versterken;

    9. is ernstig bezorgd over de steeds verder toenemende druk op de belangrijkste oppositiepartij (CHP) en haar leider Kemal Kılıçdaroğlu, onder meer door de confiscatie van folders van de partij bij gerechtelijk bevel en de tegen hem gerichte publieke dreigementen en fysieke aanvallen; veroordeelt het verzoek om opheffing van de immuniteit van de heer Kılıçdaroğlu wegens politieke uitlatingen, alsook de vervolging die tegen hem is ingesteld wegens vermeende belediging van de president van Turkije, waarvoor hem een gevangenisstraf van maximaal vier jaar kan worden opgelegd; wijst nogmaals op zijn ernstige bezorgdheid over de onophoudelijke politieke en gerechtelijke intimidatie van Canan Kaftancıoğlu, de voorzitter van de CHP in de provincie Istanbul;

    10. is ernstig bezorgd over de toenemende druk op alle oppositiepartijen en over het recente besluit van de aanklagers van het Ministerie van Justitie om bij het Gemengd Parlementair Comité voor constitutionele en juridische zaken van de Grote Nationale Vergadering van Turkije samenvattingen van procedures in te dienen met het oog op de opheffing van de wettelijke immuniteit van twintig parlementsleden van zes verschillende oppositiepartijen; benadrukt dat het vijandige klimaat ook gevolgen heeft voor andere oppositieleiders, zoals de voorzitter van de İYİ-party, Meral Akşener, die onlangs tijdens een bezoek aan Rize het slachtoffer werd van verbale agressie door aanhangers van de regeringspartij;

    11. veroordeelt het besluit van de Turkse autoriteiten om democratisch verkozen burgemeesters op basis van dubieus bewijsmateriaal uit hun ambt te ontzetten en te vervangen door niet-gekozen vertrouwelingen, waarmee de plaatselijke democratie wordt ondermijnd; wijst op de politieke, wetgevende en administratieve maatregelen die de Turkse regering heeft genomen om gemeentebesturen die worden bestuurd door een burgemeester van een oppositiepartij in Istanbul, Ankara en Izmir lam te leggen; betreurt dat de zittende regering misbruik maakt van de financiële middelen en de bestuurlijke autoriteit van de staat om de oppositie te verzwakken of het zwijgen op te leggen;

    12. benadrukt dat deze acties de politieke oppositie structureel beletten haar rechten uit te oefenen en haar democratische rol te vervullen; is zeer verontrust over deze ernstige aantasting van de vrijheid van de oppositiepartijen om politiek actief te zijn, waaruit blijkt dat de mensenrechtensituatie in Turkije erbarmelijk is en dat de democratie en de rechtsstaat systematisch worden uitgehold, waarmee de criteria van Kopenhagen worden geschonden;

    13. is van mening dat de uitholling van de rechtsstaat en het stelselmatige gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht nog steeds tot uiting komen in rechterlijke uitspraken waarmee de vrijheid van oppositiepartijen om te functioneren wordt beperkt; roept Turkije op pluralisme te waarborgen en de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen, overeenkomstig de in de Turkse grondwet vastgelegde beschermingsmaatregelen en de internationale verplichtingen van Turkije;

    14. dringt er bij de EU-delegatie in Turkije op aan de situatie van de politieke oppositie te blijven monitoren, onder meer door processen te volgen, waaronder het Kobanî-proces, publieke verklaringen af te leggen en toestemming te vragen voor gevangenisbezoeken;

    15. is van mening dat de EU slechts stappen voorwaarts kan zetten met betrekking tot een positieve agenda voor Turkije als Turkije niet alleen verbeteringen laat zien op het gebied van het buitenlands beleid, maar ook verbeteringen met betrekking tot de situatie op het gebied van de burgerrechten, mensenrechten en de rechtsstaat, waaronder vrouwenrechten, zoals de rechten die worden gewaarborgd door het Verdrag van Istanbul, godsdienstvrijheid en de rechten van etnische minderheden en de LGBTI‑gemeenschap;

    16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede aan de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

     

    Laatst bijgewerkt op: 7 juli 2021
    Juridische mededeling - Privacybeleid