Procedure : 2021/2874(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0445/2021

Ingediende teksten :

RC-B9-0445/2021

Debatten :

PV 16/09/2021 - 6.3
CRE 16/09/2021 - 6.3

Stemmingen :

PV 16/09/2021 - 8
PV 16/09/2021 - 15

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0391

<Date>{15/09/2021}15.9.2021</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0445/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0447/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0448/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0454/2021</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 173kWORD 55k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0445/2021 (Verts/ALE)

B9‑0447/2021 (S&D)

B9‑0448/2021 (Renew)

B9‑0454/2021 (PPE)</TablingGroups>


<Titre>over de situatie in het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia</Titre>

<DocRef>(2021/2874(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Isabel Wiseler‑Lima, Michael Gahler, David McAllister, José Manuel Fernandes, Loránt Vincze, Tomáš Zdechovský, Janina Ochojska, Miriam Lexmann, Deirdre Clune, Inese Vaidere, Andrey Kovatchev, Vladimír Bilčík, Krzysztof Hetman, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Eva Maydell, Peter Pollák, Paulo Rangel, Christian Sagartz, Stanislav Polčák, Romana Tomc, Lefteris Christoforou, Ivan Štefanec, Luděk Niedermayer, Helmut Geuking, Michaela Šojdrová, Jiří Pospíšil, Tom Vandenkendelaere, Seán Kelly</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Pedro Marques, Andrea Cozzolino, Maria Arena</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Hilde Vautmans, Petras Auštrevičius, Izaskun Bilbao Barandica, Olivier Chastel, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Karin Karlsbro, Moritz Körner, Javier Nart, Jan‑Christoph Oetjen, Samira Rafaela, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Nicolae Ştefănuță, Ramona Strugariu, Marie‑Pierre Vedrenne, Klemen Grošelj</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Pierrette Herzberger‑Fofana</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia

(2021/2874(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Kenia, met name die van 30 april 2015[1] en die van 18 mei 2017 over het vluchtelingenkamp Dadaab[2],

 gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over een nieuwe strategie EU-Afrika – een partnerschap voor duurzame en inclusieve ontwikkeling[3],

 gezien de gezamenlijke verklaring van 21 juni 2021 van de Republiek Kenia en de Europese Unie,

 gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de EU ter gelegenheid van de Internationale Dag tegen homofobie, transfobie en bifobie, die plaatsvond op 17 mei 2021,

 gezien zijn resolutie van 24 oktober 2019 over de situatie van lhbti-personen in Uganda[4],

 gezien de conclusies van de Raad van 10 mei 2021, getiteld “De Hoorn van Afrika: een geostrategische prioriteit voor de EU”,

 gezien de gezamenlijke verklaring van 29 april 2021 van de regering van Kenia en de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR): een routekaart voor de vluchtelingenkampen Dadaab en Kakuma,

 gezien de verklaring van de UNHCR van 25 maart 2021 over de situatie van lhbtiq+‑vluchtelingen in het vluchtelingenkamp Kakuma,

 gezien de boodschap van de secretaris-generaal van de VN van 17 mei 2021 ter gelegenheid van de Internationale Dag tegen homofobie, transfobie en bifobie,

 gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

 gezien artikel 2, artikel 3, lid 5, en de artikelen 21, 24, 29 en 31 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 10 en 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die de Unie en haar lidstaten in hun betrekkingen met de rest van de wereld verplichten tot handhaving en bevordering van de universele mensenrechten en de bescherming van het individu en tot het nemen van beperkende maatregelen in geval van ernstige schending van de mensenrechten,

 gezien de in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 verankerde waarden, zoals menselijke waardigheid, gelijkheid en solidariteit,

 gezien artikel 14 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, waarin het recht wordt erkend om in geval van vervolging in andere landen asiel aan te vragen,

 gezien het EU-noodtrustfonds voor Afrika (EUTF voor Afrika),

 gezien Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) - Europa in de wereld[5],

 gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 maart 2020, getiteld “EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2020-2024) (JOIN(2020)0005),

 gezien het Afrikaans Handvest inzake de rechten van de mens en de volkeren,

 gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

 gezien het alomvattend reactiekader voor vluchtelingen van de UNHRR,

 gezien het besluit van het hooggerechtshof van Kenia van 8 april 2021 om de sluiting van het vluchtelingenkamp Dadaab en het vluchtelingenkamp Kakuma tijdelijk te blokkeren,

 gezien de mededeling van de Commissie van 23 september 2020 over een nieuw migratie- en asielpact (COM(2020)0609),

 gezien het mondiaal pact inzake vluchtelingen van de VN,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Kenia na Ethiopië het grootste aantal vluchtelingen en asielzoekers in Afrika opvangt; overwegende dat er volgens de UNHCR op de peildatum 31 mei 2021 in Kakuma, Dadaab en stedelijke gebieden in Kenia 519 989 vluchtelingen en asielzoekers woonden;

B. overwegende dat het kamp Kakuma in het district Turkana ligt, dat een van de armste districten in Kenia is; overwegende dat de levensomstandigheden in het kamp volgens de UNHCR zeer slecht zijn en steeds verder achteruitgaan, dat de vluchtelingen in extreme armoede leven en niet beschikken over behoorlijke huisvesting, dat de infrastructuur en de elektriciteitsvoorziening gebrekkig zijn en dat er een gebrek is aan water en sanitaire voorzieningen; overwegende dat zowel de plaatselijke bevolking als de vluchtelingen lijden onder een ernstig voedsel- en watertekort en dat er niet voorzien wordt in de basisbehoeften; overwegende dat de COVID-19-pandemie ertoe heeft geleid dat de reeds zorgwekkende situatie in het kamp en in het district waarin het kamp ligt nog verder is verslechterd;

C. overwegende dat de mensenrechten- en veiligheidssituatie in het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia dramatisch zijn verslechterd; overwegende dat er veel meldingen zijn van gewapende overvallen, diefstallen, verkrachtingen en moorden, en dat vrouwen, kinderen, personen met een handicap en lhbtiq+-personen het grootste risico lopen om het slachtoffer te worden van geweld; overwegende dat er momenteel een onderzoek loopt naar deze aanvallen;

D. overwegende dat op 15 maart 2021 twee vluchtelingen die lagen te slapen in blok 13 van het kamp Kakuma 3 tweedegraads brandwonden hebben opgelopen omdat er brand werd gesticht met een molotovcocktail; overwegende dat een van de twee slachtoffers, de Ugandese vluchteling Chriton Atuhwera, aan zijn verwondingen is overleden; overwegende dat het steeds vaker voorkomt dat lhbtiq+-vluchtelingen het slachtoffer worden van geweld en daarbij gewond raken, en dat veel lhbtiq+-vluchtelingen zich daardoor genoodzaakt zien om het kamp te ontvluchten en vervolgens te verblijven in een gebied waar zij niet beschermd worden en wettelijk gezien helemaal niet mogen zijn;

E. overwegende dat vrijwillige seksuele betrekkingen tussen personen van hetzelfde geslacht in de Keniaanse wet strafbaar zijn gesteld en bestraft kunnen worden met een gevangenisstraf van maximaal 14 jaar, maar dat Kenia het enige land in de regio is dat vluchtelingen accepteert op basis van hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit; overwegende dat ongeveer 300 in het vluchtelingenkamp Kakuma geregistreerde vluchtelingen en asielzoekers een lhbtiq+-profiel hebben en dat de meesten daarvan volgens de UNHCR hebben aangegeven vreedzaam in de Kakuma-gemeenschap te leven;

F. overwegende dat volgens de mondiale evaluatie 2020 van de ILGA (International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans en Intersex Association) bijna de helft van de landen in de wereld waar homoseksualiteit strafbaar is Afrikaanse landen zijn; overwegende dat homoseksualiteit in slechts 22 van de 54 Afrikaanse landen legaal is;

G. overwegende dat de anti-lhbtiq+-wetgeving van veel Afrikaanse landen nog dateert uit het koloniale tijdperk;

H. overwegende dat enkele vluchtelingen met een lhbtiq+-profiel in maart 2020 bij de UNHCR hebben verzocht om herplaatsing naar een ander land vanwege de vijandigheid die zij in Kenia ervoeren; overwegende dat de afgelopen maanden meer dan 30 lhbtiq+‑personen zijn herplaatst van deel 3 van het Kakuma-kamp naar andere delen van het kamp omdat zij hadden aangegeven zich in deel 3 onvoldoende beschermd te voelen, en dat hiertoe werd besloten nadat de UNHCR de situatie ter plekke zorgvuldig had beoordeeld; overwegende dat in het verslag van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad wordt gesteld dat er geleidelijk een eerlijke verdeling van de hervestigde personen tussen de lidstaten moet worden nagestreefd, en dat die inspanningen gecombineerd moeten worden met inspanningen om internationaal bindende regels vast te stellen inzake de wereldwijd gedeelde verantwoordelijkheid om personen die behoefte hebben aan hervestiging te hervestigen zoals aangegeven door de UNHCR;

I. overwegende dat de Keniaanse regering en Human Rights Watch in november 2020 hebben bevestigd dat het aantal gevallen van geweld tegen lhbtiq+-personen tijdens de COVID-19-pandemie exponentieel is toegenomen, dit los van het feit dat geweld in zijn algemeenheid in deze periode ook is toegenomen;

J. overwegende dat het aantal in verband met hervestiging uit Keniaanse vluchtelingenkampen vertrekkende lhbtiq+-personen nog steeds veel lager is dan het aantal dat voor hervestiging in aanmerking zou moeten komen; overwegende dat dit proces door de COVID-19 pandemie is vertraagd; overwegende dat volgens de UNHCR sinds 2019 ongeveer 235 vluchtelingen met dit profiel zijn aangemeld voor hervestiging, en dat 48 % van hen het land heeft verlaten;

K. overwegende dat ondanks het feit dat de UNHCR en zijn partners maatregelen hebben getroffen als reactie op de pandemie, 65 % van de in kampen verblijvende vluchtelingen heeft gemeld dat zij sinds de uitbraak minder toegang hebben tot gezondheidsvoorzieningen dan vóór de uitbraak in maart 2020, voornamelijk vanwege angst voor besmetting en vanwege het niet beschikbaar zijn van medisch personeel; overwegende dat slechts 3 % van de Keniaanse bevolking volledig tegen COVID-19 is gevaccineerd; overwegende dat de vaccinatiecampagne in Keniaanse vluchtelingenkampen op 30 maart 2021 van start is gegaan en dat aan het kamp Kakuma 2 000 doses vaccins zijn toegewezen;

L. overwegende dat de Keniaanse regering de afgelopen decennia diverse pogingen heeft ondernomen om het kamp te sluiten; overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken van Kenia de UNHCR op 24 maart 2021 een ultimatum van 14 dagen heeft gesteld om een plan op te stellen voor de sluiting van het kamp Dadaab en het kamp Kakuma; overwegende dat het Keniaanse hooggerechtshof op 8 april 2021 heeft besloten de sluiting met 30 dagen uit te stellen; overwegende dat de UNHCR en de Keniaanse regering op 29 april 2021 overeenstemming hebben bereikt over een routekaart voor een latere sluiting van de kampen Kakuma en Dadaab op uiterlijk 30 juni 2022; overwegende dat de routekaart voorziet in vrijwillige terugkeer, in veiligheid en waardigheid, van vluchtelingen naar hun land van herkomst, vertrek naar derde landen in het kader van verschillende regelingen en alternatieve verblijfsmogelijkheden in Kenia voor bepaalde vluchtelingen uit landen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap;

M. overwegende dat de VN de bezorgdheid van de regering heeft erkend en heeft aangegeven van mening te zijn dat vluchtelingenkampen geen langetermijnoplossingen voor gedwongen ontheemding mogen zijn, maar dat internationale en mensenrechtenorganisaties hebben gewaarschuwd dat een abrupte en wanordelijke sluiting zou leiden tot een humanitaire ramp en dat gedwongen repatriëring in strijd is met het internationale recht; overwegende dat vluchtelingen in Kakuma in het algemeen vrezen voor uitzetting;

N. overwegende dat de Hoorn van Afrika ondanks enorme natuurlijke hulpbronnen een van de armste regio’s ter wereld is; overwegende dat de voedselzekerheid er uitermate precair is en dat miljoenen mensen in deze regio ondervoed zijn en worden bedreigd door hongersnood; overwegende dat droogte en gewapende conflicten de twee belangrijkste redenen zijn voor de ontheemding van personen in de regio, waaronder in Kenia, zoals ook werd benadrukt in het mondiaal actieplan van Nairobi, dat op 26 maart 2017 werd aangenomen tijdens de top van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD); overwegende dat conflicten zoals die in Somalië en Ethiopië en geweld in de periode vóór en na de verkiezingen in Uganda en Tanzania maken dat vrijwillige terugkeer bij de meeste vluchtelingen in het Kakuma-kamp om redenen van veiligheid en waardigheid niet verdedigbaar is; overwegende dat Kenia sinds eind 2019 gebukt gaat onder een combinatie van ernstige dreigingen, en grote gevolgen heeft ondervonden van de klimaatverandering, en onder meer geteisterd is geweest door de ergste woestijnsprinkhanenplaag sinds 60 jaar en last heeft gehad van overstromingen tijdens het regenseizoen en van de beperkende maatregelen in verband met COVID-19;

O. overwegende dat op 12 november 2015 tijdens de top van Valletta het noodtrustfonds van de EU (EUTF) voor Afrika werd ingesteld, met als doel de onderliggende oorzaken voor destabilisatie, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie aan te pakken door weerbaarheid, economische mogelijkheden, gelijke kansen, veiligheid en ontwikkeling te bevorderen; overwegende dat de EU een bijdrage levert aan de verstrekking van eerste levensbehoeften aan vluchtelingen die opgevangen worden in Keniaanse vluchtelingenkampen; overwegende dat het EUTF voor Afrika is ingesteld in het kader van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en afgestemd moet worden op de hoofddoelstelling van het EU-ontwikkelingsbeleid, te weten armoedebestrijding;

P. overwegende dat de EU sinds 2012 meer dan 200 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft verstrekt en via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) 286 miljoen EUR heeft toegewezen voor de periode 2014-2020, waarbij de nadruk lag op het scheppen van banen, voedselzekerheid, veerkracht en institutionele opbouw, en met name onderwijs; overwegende dat Keniaanse asielzoekers voor hun basisbehoeften volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp; overwegende dat het nieuwe financiële instrument NDICI - Europa als wereldspeler de voortzetting van EU-programma’s in Kenia mogelijk zal maken;

Q. overwegende dat de EU in 2021 15 miljoen EUR heeft toegewezen voor humanitaire projecten in Kenia, in de eerste plaats voor vluchtelingenhulp, en sinds 2016 45 miljoen EUR heeft toegewezen voor vluchtelingen en gastgemeenschappen in Kenia in het kader van het EU‑noodtrustfonds voor Afrika; overwegende dat de EU in de vluchtelingenkampen Kakuma en Dadaab steun blijft verlenen voor levensreddende elementaire hulp, zoals voedselhulp, gezondheidszorg, behandeling van ondervoeding, water, sanitaire voorzieningen en hygiëne, veiligheid en onderwijs;

1. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de humanitaire situatie en de berichten over aanhoudend geweld in het kamp Kakuma; veroordeelt krachtig de brandstichting met een molotovcocktail op 15 maart 2021 in het vluchtelingenkamp Kakuma 3, een actie die gericht was tegen twee lhbtiq+-vluchtelingen; is ernstig bezorgd over de aanhoudende bedreigingen van lhbtiq+-personen in het vluchtelingenkamp Kakuma; herinnert eraan dat in de afgelopen maanden meer dan 30 personen met spoed zijn overgeplaatst;

2. dringt er bij de Keniaanse autoriteiten op aan dit misdrijf verder te onderzoeken en volledige duidelijkheid te scheppen, en de schuldigen ter verantwoording te roepen overeenkomstig de Keniaanse wetgeving en met inachtneming van de internationale mensenrechtenwetgeving;

3. wijst op de belangrijke en constructieve rol die Kenia speelt en herinnert aan de complexe situatie in de regio, die wordt gekenmerkt door regionale crises en conflicten; wijst op het belang van het vluchtelingenkamp Kakuma voor duizenden vluchtelingen en asielzoekers in de aan Kenia grenzende regio’s, waaronder de meest kwetsbaren onder hen, met name lhbtiq+-personen die in hun land van herkomst te maken krijgen met criminalisering en zelfs gevaar lopen ter dood veroordeeld te worden;

4. prijst het werk dat het Keniaanse secretariaat voor vluchtelingenzaken (RAS), de UNHCR en andere partners in de loop der jaren samen hebben verricht op het gebied van de bescherming van alle vluchtelingen; beklemtoont evenwel dat de huidige situatie in het kamp Kakuma op lange termijn onhoudbaar is en een doeltreffende, gecoördineerde reactie vergt van de Keniaanse regering, andere regeringen in de regio en de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU; neemt in dit verband kennis van de recente goedkeuring van de routekaart voor de vluchtelingenkampen Dadaab en Kakuma;

5. roept de Keniaanse regering op de vluchtelingenkampen Kakuma en Dadaab te behouden, in ieder geval totdat de situatie in de regio is gestabiliseerd; dringt er bij de Keniaanse regering op aan te waarborgen dat de mensenrechten van de vluchtelingen worden geëerbiedigd wanneer besluiten worden genomen die hen aangaan; benadrukt dat de financiële steun van de EU aan derde landen voor de opvang van vluchtelingen niet in de plaats mag komen van de eigen verantwoordelijkheid van de EU voor de opvang en hervestiging van een redelijk deel van de mensen die internationale bescherming behoeven;

6. roept de Keniaanse regering, de UNHCR en de internationale gemeenschap op zich ertoe te verbinden samen te werken om alternatieve, duurzame, passende en op rechten gebaseerde oplossingen te vinden die in overeenstemming zijn met de beginselen en doelstellingen inzake gedeelde verantwoordelijkheid van het mondiaal pact inzake vluchtelingen (GCR); beveelt met het oog op de doeltreffendheid aan dat de hervestiging in de EU van een redelijk aantal vluchtelingen die internationale bescherming behoeven hiervan deel moet uitmaken;

7. benadrukt dat een beter geïntegreerde en bredere regionale aanpak van het beheer van vluchtelingenstromen nodig is en dat de samenwerking tussen Kenia en zijn buurlanden op het gebied van politieke, veiligheids-, humanitaire en ontwikkelingsvraagstukken moet worden versterkt, teneinde de diepere oorzaken van gedwongen ontheemding aan te pakken; dringt erop aan dat er in de behoefte aan passende veiligheid in vluchtelingenkampen wordt voorzien, en verzoekt de Keniaanse regering de veiligheid in het Kakuma-kamp en de bescherming van vluchtelingen, met name de meest kwetsbare groepen, te verbeteren; dringt er bij de rechtshandhavingsautoriteiten en andere overheidsinstanties in Kenia op aan de bescherming en veiligheid van vluchtelingen te waarborgen;

8. verzoekt de Keniaanse regering en de UNHCR ervoor te zorgen dat de uitvoering van het repatriëringsprogramma volledig in overeenstemming geschiedt met de internationale verplichtingen en de binnenlandse verantwoordelijkheid van Kenia; is van mening dat repatriëring naar het land van herkomst vrijwillig, veilig, duurzaam, waardig en op rechten gebaseerd moet zijn, en dat mogelijk terugkerende personen objectieve, neutrale en relevante informatie moeten krijgen over wat er zal gebeuren als zij niet vrijwillig willen terugkeren;

9. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de situatie in de Hoorn van Afrika, vooral op het gebied van armoede en voedselonzekerheid; roept de Commissie op om de humanitaire noodhulp vrij te geven die nodig is om het vluchtelingenprobleem en de hongersnood in de regio aan te pakken; dringt erop aan dat de hulp van de EU en de lidstaten aan de landen in Hoorn van Afrika in de eerste plaats wordt gebruikt voor de aanpak van geweld, met inbegrip van seksueel geweld, en van problemen in verband met ernstige ongelijkheden, armoede, chronische ondervoeding, toegang tot gezondheidszorg en openbare diensten, met name reproductieve gezondheidszorg, alsmede voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling;

10. roept de EU op het probleem van de voedselonzekerheid en het gebrek aan basisvoorzieningen in het kamp Kakuma, waaronder toegang tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en elektriciteit, niet alleen aan te pakken via hulpverlening die uitsluitend bedoeld is voor vluchtelingen, maar ook via haar steun aan nationale ontwikkelingsprogramma’s waarvan het vermogen om de ontwikkeling doeltreffend te laten verlopen, gewaarborgd is en regelmatig wordt geëvalueerd;

11. benadrukt dat de toenemende instabiliteit in de regio een belemmering vormt voor de veilige terugkeer van vluchtelingen naar hun land van herkomst; roept de EU op om, in samenwerking met de internationale donorgemeenschap, zich te blijven inspannen als bemiddelende partner en om daarnaast een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling op lange termijn in de regio te ondersteunen, waardoor een gunstig en veilig klimaat ontstaat dat de vrijwillige terugkeer en re-integratie van vluchtelingen mogelijk maakt;

12. roept op tot grotere inspanningen om gedwongen ontheemde lhbtiq+-personen te beschermen en vraagt de internationale gemeenschap om meer solidariteit te tonen bij het voorzien in de wereldwijde behoefte aan hervestiging, aangezien die behoefte nog altijd veel groter is dan het feitelijk aantal beschikbare plaatsen;

13. verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering en programmering van het EU-trustfonds voor Afrika en verzoekt de Commissie om, met ondersteuning van het Bureau voor de grondrechten, een specifieke effectbeoordeling uit te voeren van de gevolgen van het fonds voor de mensenrechten; verzoekt de Commissie het resultaat van deze effectbeoordeling tijdig aan het Parlement te presenteren, onder meer in het kader van de werkgroep financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking;

14. roept de EU op nauw te blijven samenwerken met de Keniaanse regering, de UNHCR en de internationale gemeenschap, om samen oplossingen te vinden voor de aanhoudende vluchtelingencrisis in de regio; roept de EU op de verdediging en bevordering van de mensenrechten in Kenia te ondersteunen;

15. herinnert eraan dat in de Europese Unie vervolging op grond van seksuele gerichtheid wordt beschouwd als criterium voor het aanvragen en het verlenen van asiel; vraagt de EU en haar lidstaten zich aan dit beginsel te houden; roept de EU, en met name de EU‑delegaties en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, op om in hun dialoog met alle Afrikaanse landen die homoseksualiteit nog steeds strafbaar stellen, en meer in het algemeen in hun dialoog met alle landen waar vervolging van of geweld tegen lhbtiq+-personen wijdverbreid is, ten volle gebruik te maken van de lhbti‑toolkit en de bijbehorende richtsnoeren;

16. dringt erop aan dat de EU-delegatie in Kenia de situatie van kwetsbare personen, met name lhbtiq+-personen en zwarte Afrikaanse vrouwen, nauwlettend blijft volgen en maatschappelijke organisaties, mensenrechtenactivisten en lhbtiq+-personen ter plaatse actief blijft steunen;

17. dringt er bij de EU op aan zich te blijven inspannen om zowel de Keniaanse regering als de Afrikaanse Unie ertoe te bewegen hun houding ten aanzien van lhbtiq+-personen te heroverwegen, en wijst er daarbij op dat deze personen door die houding het risico lopen op een onmenselijke en vernederende behandeling, die indruist tegen de waarden van gelijkheid en gelijke bescherming, zoals verankerd in het recht;

18. herinnert de Keniaanse autoriteiten aan hun toezegging om het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, te eerbiedigen, alsook aan hun verplichtingen om de grondrechten te waarborgen, zoals bepaald in het Afrikaans Handvest en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten, waaronder de Overeenkomst van Cotonou, met name de artikelen 8 en 96 daarvan; dringt er bij de Keniaanse regering op aan onder alle omstandigheden de fysieke integriteit en het psychisch welzijn van alle vluchtelingen te waarborgen, ongeacht hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie;

19. roept de internationale gemeenschap op te waarborgen dat vluchtelingen kunnen deelnemen aan de COVID-19-vaccinatieprogramma’s; benadrukt dat het voor zowel de vluchtelingen als de gemeenschappen die hen opvangen van essentieel belang is om vluchtelingen in aanmerking te laten komen voor nationale diensten en hen te integreren in nationale ontwikkelingsplannen, en wijst erop dat dit in overeenstemming is met de belofte om “niemand achter te laten”, zoals opgenomen in de 2030-agenda voor duurzame ontwikkeling;

20. wijst er nogmaals op dat er geen ontwikkeling mogelijk is zonder dat de veiligheid in de regio wordt verbeterd; onderstreept echter met klem dat de financiering moet worden besteed aan de economische, menselijke en sociale ontwikkeling in de regio, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen op ontwikkelingsgebied die in het besluit inzake het EUTF zijn vastgesteld; herinnert eraan dat middelen uit het EOF en middelen voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) uitsluitend voor ontwikkelingsdoelstellingen gebruikt mogen worden;

21. benadrukt dat het van belang is een aanzienlijk deel van het NDICI toe te wijzen aan maatschappelijke organisaties in derde landen, waaronder Kenia, voor het verlenen van bijstand en voor de bescherming van en het toezicht op de rechten van migranten; roept de EU op ervoor te zorgen dat een aanzienlijk deel van de geprogrammeerde financiering via dit instrument bestemd is voor de verbetering van de mensenrechten en de internationale bescherming van vluchtelingen, met name in Kenia;

22. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens en de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, de voorzitter van het Keniaanse parlement, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD), de regeringen van de lidstaten van de IGAD, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

 

[1] PB C 346 van 21.9.2016, blz. 51.

[2] PB C 307 van 30.8.2018, blz. 131.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0108.

[4] Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0042.

[5] PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 15 september 2021Juridische mededeling - Privacybeleid