Procedure : 2021/2982(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0560/2021

Ingediende teksten :

RC-B9-0560/2021

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/11/2021 - 8
PV 25/11/2021 - 15

Aangenomen teksten :

P9_TA(2021)0482

<Date>{24/11/2021}24.11.2021</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9-0560/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0561/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0562/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0563/2021</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9-0567/2021</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 185kWORD 55k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9-0560/2021 (Verts/ALE)

B9-0561/2021 (S&D)

B9-0562/2021 (PPE)

B9-0563/2021 (Renew)

B9-0567/2021 (ECR)</TablingGroups>


<Titre>over schendingen van de mensenrechten door particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, met name de Wagner Group</Titre>

<DocRef>(2021/2982(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Andrius Kubilius, Isabel Wiseler-Lima, David McAllister, Rasa Juknevičienė, Antonio López-Istúriz White, Miriam Lexmann, Tomáš Zdechovský, Inese Vaidere, Christian Sagartz, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Peter Pollák, José Manuel Fernandes, Adam Jarubas, Tom Vandenkendelaere, Janina Ochojska, David Lega, Krzysztof Hetman, Stanislav Polčák, Ivan Štefanec, Andrey Kovatchev, Vladimír Bilčík, Radosław Sikorski, Andrzej Halicki, Michaela Šojdrová, Luděk Niedermayer</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Pedro Marques, Andrea Cozzolino, Sven Mikser</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Nathalie Loiseau, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Olivier Chastel, Vlad Gheorghe, Bernard Guetta, Irena Joveva, Ilhan Kyuchyuk, Karen Melchior, Frédérique Ries, Michal Šimečka, Ramona Strugariu, Hilde Vautmans</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Viola Von Cramon-Taubadel, Hannah Neumann</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Anna Fotyga, Jacek Saryusz-Wolski, Veronika Vrecionová, Charlie Weimers, Elżbieta Kruk, Ryszard Czarnecki, Bogdan Rzońca, Alexandr Vondra, Assita Kanko, Raffaele Fitto, Elżbieta Rafalska, Witold Jan Waszczykowski, Adam Bielan, Carlo Fidanza</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>


Resolutie van het Europees Parlement over schendingen van de mensenrechten door particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, met name de Wagner Group

(2021/2982(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties en aanbevelingen, met name zijn resolutie van 4 juli 2017 over particuliere beveiligingsondernemingen[1], zijn resolutie van 16 september 2020 over de samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid in de Sahelregio, West-Afrika en de Hoorn van Afrika[2], zijn aanbeveling van 16 september 2021 betreffende de koers van de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland[3] en zijn resolutie van 5 juli 2018 over Somalië[4],

 gezien Verordening (EU) 2020/1998 van de Raad van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten[5] (de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten),

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de bijbehorende aanvullende protocollen,

 gezien het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid van 1977 inzake de uitbanning van huurlingschap in Afrika,

 gezien het Internationaal Verdrag van 1989 tegen de aanwerving, het inzetten, de financiering en de opleiding van huurlingen,

 gezien het document van Montreux van 17 september 2008 over relevante internationale juridische verplichtingen en goede praktijken voor staten in verband met de operaties van particuliere militaire en beveiligingsbedrijven tijdens gewapende conflicten,

 gezien het verslag van 1 oktober 2021 van de onafhankelijke onderzoeksmissie van de VN-Mensenrechtenraad in Libië,

 gezien de verklaringen van deskundigen van de VN-Mensenrechtenraad van 31 maart 2021 over Russische instructeurs en van 27 oktober 2021 over de Wagner Group in de Centraal-Afrikaanse Republiek,

 gezien de verklaring van 12 november 2021 van de internationale conferentie over Libië in Parijs,

 gezien de VN-richtsnoeren inzake het gebruik van de diensten voor gewapende beveiliging van particuliere beveiligingsondernemingen,

 gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten,

 gezien de verslagen, persberichten en brieven betreffende aantijgingen van de VN‑werkgroep inzake het gebruik van huurlingen als een middel om de mensenrechten te schenden en de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht van volkeren te belemmeren (hierna “de VN-werkgroep inzake het gebruik van huurlingen”), met name die van 24 maart 2021 en 27 oktober 2021,

 gezien de brief van 25 juni 2021 van het deskundigenpanel inzake de Centraal-Afrikaanse Republiek naar aanleiding van resolutie 2536(2020), gericht aan de voorzitter van de Veiligheidsraad,

 gezien de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor het uitwerken van een internationaal regelgevingskader, zonder vooruit te lopen op de aard daarvan, met betrekking tot de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen,

 gezien de internationale gedragscode voor aanbieders van particuliere veiligheidsdiensten,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat particuliere militaire en beveiligingsondernemingen (hierna (“PMSC’s” genoemd) particuliere zakelijke entiteiten zijn die militaire en/of beveiligingsdiensten verlenen, waaronder gewapende bewaking, onderhoud en exploitatie van wapensystemen, detentie van gevangenen en advies of opleiding voor plaatselijke strijdkrachten en beveiligingspersoneel; overwegende dat overheids- en niet-overheidsactoren in conflictgebieden de afgelopen jaren steeds vaker een beroep doen op PMSC’s; overwegende dat bij de conflicten van de 21e eeuw, te beginnen met de oorlogen in Afghanistan en Irak, steeds PMSC’s betrokken waren op alle niveaus, van logistieke steun tot intensieve operaties;

B. overwegende dat de huidige regelgeving voor deze sector een reeks onsamenhangende regels omvat die van land tot land enorm verschillen; overwegende dat de uiteenlopende nationale wetgevingen en de zelfregulering die sommige PMSC’s zich opleggen niet volstaan om misbruik te voorkomen – aangezien sancties ontbreken – en een grote invloed kunnen hebben op de manier waarop PMSC’s te werk gaan bij multilaterale interventies en in conflictgebieden;

C. overwegende dat PMSC’s die deelnemen aan vijandelijkheden gebonden zijn aan het internationaal recht, met name de Verdragen van Genève die door alle VN-lidstaten zijn geratificeerd; overwegende dat de wettelijke bepalingen van de Verdragen van Genève worden erkend als internationaal gewoonterecht; overwegende dat artikel 47 van Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève een definitie van de term huurlingen bevat; overwegende dat huurlingen op basis daarvan worden gedefinieerd als burgers en als zodanig niet aan conflicten mogen deelnemen; overwegende dat huurlingschap in het Internationaal Verdrag tegen de aanwerving, het inzetten, de financiering en de opleiding van huurlingen wordt verboden;

D. overwegende dat wordt gewerkt aan de regulering van PMSC’s, met name in de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur van de VN voor het uitwerken van een internationaal regelgevingskader, zonder vooruit te lopen op de aard daarvan, met betrekking tot de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen; overwegende dat er een plan is om in april 2022 een ontwerpregelgevingskader voor PMSC’s in te dienen; overwegende dat de EU is verkozen tot lid van de Groep vrienden van het voorzitterschap van het Forum inzake het document van Montreux;

E. overwegende dat talloze leden van PMSC’s die als huurlingen optreden grove schendingen van de mensenrechten hebben begaan, waaronder oorlogsmisdaden, zowel tegen strijders als tegen burgers, in voorbije, recente en lopende conflicten; overwegende dat de meeste van deze schendingen onbestraft zijn gebleven en geen aanleiding hebben gegeven tot onderzoek, vervolging of veroordeling;

F. overwegende dat sommige landen, zoals Rusland, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten, via PMSC’s aanwezig zijn in verschillende conflict- of postconflictgebieden over de hele wereld;

G. overwegende dat de Wagner Group een netwerk is van paramilitairen en bedrijven die met elkaar verbonden zijn door overlappingen in eigenaarschap en logistieke netwerken; overwegende dat de Wagner Group zich in verschillende opzichten van andere PMSC’s onderscheidt, onder meer door haar gemelde banden met de hoogste echelons van de Russische staat, haar gemelde aanwezigheid in talrijke staten, de omvang van haar activiteiten, met naar schatting 10 000 werknemers, en de grove mensenrechtenschendingen die zijn gedocumenteerd en waarvan zij beschuldigd is; overwegende dat de Russische wet het gebruik van huurlingen verbiedt op grond van artikel 359 van het wetboek van strafrecht;

H. overwegende dat de banden van de Wagner Group met de Russische autoriteiten door onafhankelijke organisaties zoals Bellingcat zijn gedocumenteerd in verslagen die tussen januari 2019 en november 2021 zijn gepubliceerd; overwegende dat de Wagner Group naar verluidt gebruik maakt van Russische militaire apparatuur, een basis deelt met het Russische leger, wordt vervoerd door Russische militaire vliegtuigen en gebruik maakt van militaire gezondheidsdiensten; overwegende dat de groep gedeeltelijk wordt gefinancierd via miljoenencontracten voor catering en bouwprojecten voor de Russische strijdkrachten die worden gegund aan bedrijven die banden hebben met Jevgeny Prigozhin, een naaste bondgenoot van de Russische president Vladimir Poetin; overwegende dat de Russische militaire inlichtingendienst GRU, het Russische Ministerie van Defensie en de consulaire diensten volledig betrokken zijn bij de financiering, aanwerving, opleiding en bescherming van medewerkers van de Wagner Group;

I. overwegende dat de EU sancties heeft opgelegd aan de heer Prigozhin wegens zijn betrokkenheid bij het conflict in Libië; overwegende dat de VS tegen verschillende bedrijven die onder zijn controle staan sancties heeft uitgevaardigd, volgens het Amerikaanse Ministerie van Financiën omdat zij de paramilitaire activiteiten van Rusland ondersteunen, autoritaire regimes in stand houden en natuurlijke hulpbronnen exploiteren;

J. overwegende dat president Poetin op 11 april 2012 in zijn toespraak voor de Russische Doema heeft verklaard dat een groep particuliere militaire ondernemingen een doeltreffend instrument zou zijn om nationale doelstellingen te verwezenlijken zonder de Russische staat daar rechtstreeks bij te betrekken; overwegende dat het gebruik van de naam Wagner Group geleidelijk wordt afgebouwd, om publieke controle te vermijden en afstand te nemen van de heer Prigozhin en president Poetin, en dat de groep wordt vervangen door andere entiteiten onder andere namen; overwegende dat het Kremlin via deze constructies, en omdat de Wagner Group geen wettelijke status heeft, probeert om de mogelijkheid van plausibele ontkenning ten aanzien van de activiteiten en misdaden van de groep te handhaven;

K. overwegende dat het gebruik van PMSC’s in Oekraïne mogelijk gericht is op het verhullen van militaire inmenging, slachtoffers onder de reguliere militaire troepen te voorkomen en zo de menselijke kosten van de militaire agressie voor het Russische publiek te verbergen;

L. overwegende dat de Wagner Group voor het eerst werd geïdentificeerd in 2014, toen zij pro-Russische separatisten steunde en het Russische leger hielp bij oorlogsvijandelijkheden in de Donbas-regio in Oekraïne en bij de illegale invasie en annexatie van de tot Oekraïne behorende Krim; overwegende dat de groep sindsdien betrokken is geweest bij conflicten in Syrië, Sudan, Mozambique, Libië, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Venezuela;

M. overwegende dat in de Centraal-Afrikaanse Republiek VN-deskundigen van de werkgroepen inzake het gebruik van huurlingen, inzake bedrijfsleven en mensenrechten en inzake gedwongen verdwijningen, alsook de speciale VN-rapporteurs inzake foltering en inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies, in oktober 2021 gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat de Wagner Group grove en systematische schendingen van de mensenrechten heeft begaan, waaronder massale standrechtelijke executies, willekeurige aanhoudingen, seksueel geweld, plundering, gedwongen verdwijningen en foltering tijdens ondervragingen;

N. overwegende dat de Wagner Group betrokken is geweest bij de agressieve overname van essentiële inkomstenbronnen zoals mijnbouw en douaneopbrengsten, waardoor ontwikkelingslanden worden verzwakt en hun essentiële publieke middelen worden ontnomen; overwegende dat bijvoorbeeld na de ondertekening in 2018 van een militaire overeenkomst tussen Rusland en de Centraal-Afrikaanse Republiek, het bedrijf Lobaye Invest, dat tot de Wagner Group behoort, de exploratierechten voor goud en diamanten op verschillende mijnbouwlocaties heeft gekregen; overwegende dat uit een CNN‑verslag van juni 2021 is gebleken dat Russische huurlingen burgers hebben geëxecuteerd en plaatselijke bewoners in de mijnbouwgebieden hebben verdreven;

O. overwegende dat de Wagner Group in Libië sinds ten minste 2018 betrokken is geweest bij logistieke steun en gevechtshandelingen ter ondersteuning van de Libische rebellengeneraal Khalifa Haftar; overwegende dat de Wagner Group volgens het verslag van de VN-onderzoeksmissie in Libië van oktober 2021 betrokken is geweest bij oorlogsmisdaden, waaronder standrechtelijke executies van burgers en gedetineerden, slavernij, het leggen van internationaal verboden antipersoneelmijnen en het doden en verminken van burgers, waaronder kinderen, bijvoorbeeld in het dorp al-Sbeaa ten zuiden van Tripoli; overwegende dat in het verslag melding wordt gemaakt van talrijke en herhaalde schendingen van het VN-wapenembargo en gevallen waarbij de Wagner Group gebruik heeft gemaakt van Russische militaire vrachtvliegtuigen; overwegende dat de steun van Russische huurlingen en militaire instructeurs aan radicale gewapende groeperingen de zuidelijke buurlanden van de EU verder heeft gedestabiliseerd;

P. overwegende dat de deelnemende landen aan de conferentie over Libië in Parijs op 12 november 2021 hebben verklaard dat zij gekant zijn tegen elke buitenlandse inmenging in Libische aangelegenheden en hun steun hebben uitgesproken voor de uitvoering van het actieplan voor de terugtrekking van huurlingen, buitenlandse strijders en buitenlandse troepen uit het Libische grondgebied; overwegende dat Turkije begin november 2021 ongeveer 150 extra Syrische huurlingen naar Libië heeft gestuurd, bovenop de 7 000 huurlingen die al in het land aanwezig waren en die loyaal zijn aan Turkije, ondanks lokale en internationale verzoeken om alle buitenlandse troepen terug te trekken vóór de parlements- en presidentsverkiezingen die gepland zijn voor 24 december 2021; overwegende dat volgens het eindverslag van het deskundigenpanel inzake Libië naar aanleiding van Resolutie 1973 (2011), dat in september 2019 werd gepubliceerd, de onderneming Black Shield Security Services uit de Verenigde Arabische Emiraten Sudanese onderdanen heeft gerekruteerd om in het Libische conflict te vechten;

Q. overwegende dat er sinds eind 2015 medewerkers van de Wagner Group naar Syrië zijn gezonden om het Russische leger te ondersteunen bij zijn interventie met het oog op de redding van het Assad-regime; overwegende dat huurlingen gruwelijke misdaden hebben gepleegd en gefilmd jegens de Syrische bevolking, zoals marteling, moord en de onthoofding van burgers bij Palmyra; overwegende dat een Syrische private luchtvaartmaatschappij, Cham Wings, betrokken is geweest bij het vervoer van huurlingen van Rusland naar Libië en meer recent bij het vervoer van migranten naar Minsk;

R. overwegende dat de VN-werkgroep inzake het gebruik van huurlingen berichten heeft ontvangen dat Azerbeidzjan, met hulp van Turkije Syrische huurlingen heeft ingezet ter ondersteuning van zijn militaire operaties in het conflictgebied Nagorno-Karabach;

S. overwegende dat op 30 juli 2018 drie bekroonde Russische journalisten zijn vermoord terwijl zij onderzoek deden naar de mijnbouwactiviteiten van de Wagner Group in de Centraal-Afrikaanse Republiek; overwegende dat de dood in maart 2018 van de Russische journalist Maxim Borodin, die verslag uitbracht over de activiteiten van de Wagner Group in Syrië, volgens het Comité voor de Bescherming van Journalisten paste binnen een patroon in Rusland van journalisten die stierven terwijl zij verslag uitbrachten van gevoelige kwesties die mogelijk gevolgen zouden hebben voor de autoriteiten;

T. overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie Josep Borrell op 15 november 2021 heeft aangekondigd dat de EU-ministers van Buitenlandse Zaken overeen zijn gekomen om tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken van december 2021 beperkende maatregelen te treffen tegen de Wagner Group; overwegende dat hij op 20 september 2021 ook heeft gewaarschuwd tegen mogelijke betrokkenheid van de Wagner Group in Mali;

U. overwegende dat de Wagner Group en de Malinese autoriteiten volgens berichten een overeenkomst hebben gesloten met het plan om 1000 contractanten in het land in te zetten; overwegende dat de EU in het kader van haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) missies uitvoert in Mali;

V. overwegende dat de Raad op 7 december 2020 Verordening (EU) 2020/1998 tot vaststelling van de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten heeft aangenomen, op grond waarvan de EU beperkende maatregelen kan opleggen tegen personen, entiteiten en instanties – met inbegrip van statelijke en niet-statelijke actoren – die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij ernstige schendingen van de mensenrechten wereldwijd; overwegende dat het belangrijk is te benadrukken dat de EU een verantwoordelijkheid heeft om bij mensenrechtenschendingen gebruik te maken van deze verordening;

1. toont zich uitermate bezorgd over de aanhoudende meldingen van allerlei schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in het kader van de almaar toenemende activiteiten van PMSC’s en waarvoor tot op heden nog haast niemand ter verantwoording is geroepen;

2. veroordeelt de gruwelijke misdrijven van de Wagner Group en daaraan gerelateerde particuliere militaire eenheden in de scherpste bewoordingen; onderstreept dat er sterke aanwijzingen zijn dat de Russische staat verantwoordelijk is voor de financiering, de opleiding, het beheer en de operationele leiding van die paramilitaire groepen; onderstreept dat de activiteiten van de Wagner Group gelijk oplopen met de verspreiding van de invloed van Rusland in conflictgebieden; is er stellig van overtuigd dat de Wagner Group en andere beveiligingsondernemingen onder leiding van Rusland behandeld moeten worden als gemachtigde organisaties van de Russische staat;

3. dringt bij de Russische autoriteiten aan op handhaving van het Russische strafwetboek, en met name artikel 359, dat een verbod inhoudt op de rekrutering, opleiding, financiering of materiële bevoorrading van huurlingen, alsook op hun optreden in een gewapend conflict; verzoekt de Russische autoriteiten in dit verband om ook staatsbedrijven te verbieden particuliere militaire ondernemingen in te zetten bij activiteiten van huurlingen die in strijd zijn met het internationaal humanitair recht;

4. onderstreept hoe belangrijk het is de strategie van de Wagner Group en de daarbij aangesloten ondernemingen tegen te gaan, vooral als het gaat om het verdoezelen van hun identiteit door verschillende namen te gebruiken, met als doel om internationaal toezicht te vermijden;

5. verzoekt alle staten die gebruikmaken van de diensten van de Wagner Group en de daarbij aangesloten ondernemingen, met name de Centraal-Afrikaanse Republiek, alle banden met de groep en haar werknemers te verbreken; verzoekt alle staten hun verantwoordelijkheid te nemen wat betreft de handhaving van het internationaal recht, gemelde schendingen van de mensenrechten te onderzoeken en op hun grondgebied gevestigde ondernemingen te vervolgen wanneer zij zich bezighouden met activiteiten die in strijd zijn met het internationaal recht;

6. is zeer verontrust over aanwijzingen dat de Malinese overgangsautoriteit overweegt gebruik te maken van particuliere militaire ondernemingen, in het bijzonder de Wagner Group; verzoekt Mali met klem niet voor deze aanpak te kiezen; is er stellig van overtuigd dat de betrokkenheid van de Wagner Group in strijd zou zijn met de hoofddoelen van de GVDB-missies van de EU en van de EU-lidstaten die handelen op verzoek van de Malinese autoriteiten, namelijk het herstellen van de vrede, veiligheid en stabiliteit in Mali en het beschermen van het Malinese volk;

7. is van oordeel dat EU-missies en ‑operaties geen vrede, veiligheid en stabiliteit teweeg kunnen brengen in partnerlanden wanneer in diezelfde landen tegelijkertijd particuliere beveiligingsondernemingen die beschuldigd worden van ernstige schendingen van de mensenrechten actief zijn; wijst op gerichte desinformatiecampagnes tegen EU-missies en ‑operaties in Afrika die het werk zouden kunnen zijn van de Wagner Group en de daarbij aangesloten ondernemingen, in het kader van Ruslands moderne hybride oorlogsvoering; verzoekt de relevante eenheden van de taskforce Stratcom van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om verslag uit te brengen over deze desinformatiecampagnes;

8. verzoekt de EU en de lidstaten alle mogelijkheden te benutten om de landen in kwestie te informeren over de risico’s van aansluiting bij of samenwerking met de Wagner Group en de daarbij aangesloten ondernemingen, en om de barslechte staat van dienst op het gebied van de mensenrechten van deze groep te benadrukken; spoort regeringen ertoe aan strenge bepalingen te waarborgen op het gebied van de naleving van het internationaal humanitair recht, democratische controle en verantwoordingsplicht in overeenkomsten met buitenlandse PMSC’s voor militaire bijstand en beveiligingsdiensten; spoort staten aan tot volledige transparantie op het gebied van de gebruikmaking van militaire ondersteuningsdiensten, met name wat betreft het aantal, de taken en de commandoketens van de op hun grondgebied aanwezige PMSC’s, evenals de gebruikte uitrusting om aan de overeenkomsten te voldoen;

9. verzoekt de EDEO een verslag op te stellen over de activiteiten van de Wagner Group om de verschillende schendingen waaraan zij zich schuldig heeft gemaakt duidelijk in kaart te brengen, wat zou helpen om de groep ter verantwoording te roepen voor haar misdaden en om de weg te effenen voor de vervolging van de schuldigen door internationale rechtbanken; verklaart dat het Parlement de kwestie nauwlettend zal blijven volgen via een verslag en mogelijk hoorzittingen;

10. verzoekt de EU-lidstaten en hun bondgenoten meer inlichtingen uit te wisselen over de Wagner Group en de daarbij aangesloten ondernemingen;

11. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat EU-middelen in geen geval door de begunstigde landen kunnen worden gebruikt om particuliere militaire ondernemingen met een dergelijke staat van dienst op het gebied van de mensenrechten te financieren; verzoekt de Commissie dit onderwerp aan te kaarten in haar bilaterale dialoog met alle landen in kwestie;

12. herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten uitsluitend gebruik mogen maken van particuliere beveiligingsondernemingen in conflictgebieden om hun faciliteiten te beschermen of de vervoersveiligheid te waarborgen, en alleen als zij de mensenrechten en het internationaal humanitair recht volledig eerbiedigen; beklemtoont dat aan PMSC’s geen activiteiten mogen worden uitbesteed waarbij geweld moet worden gebruikt en/of sprake is van deelname aan vijandelijkheden, met uitzondering van gevallen van zelfverdediging, en dat PMSC’s in elk geval het recht moeten hebben deel te nemen aan verhoren of deze te leiden; is er stellig van overtuigd dat het in de eerste plaats de overheid is die moet instaan voor veiligheid en defensie;

13. dringt erop aan dat de kwestie van de activiteiten van de Wagner Group en andere particuliere militaire ondernemingen in Afrika tijdens de komende EU-Afrika-top grondig wordt besproken;

14. herhaalt de oproep van 12 november 2021 tijdens de internationale conferentie over Libië in Parijs aan alle buitenlandse strijders, met inbegrip van huurlingen, om het Libische grondgebied te verlaten; verzoekt Rusland, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en alle andere landen met klem aan deze oproep gevolg te geven, onmiddellijk te stoppen met het sturen van huurlingen naar Libië en de huurlingen die momenteel in het land aanwezig zijn, terug te trekken;

15. verzoekt de Russische autoriteiten met klem alle huurlingen uit Oost-Oekraïne en de Krim terug te trekken;

16. is ingenomen met de verklaring van de VV/HV over de komende vaststelling door de Raad Buitenlandse Zaken van gerichte EU-sancties tegen de bij de Wagner Group aangesloten personen en entiteiten in kwestie, evenals personen en entiteiten die met de groep samenwerken, met gebruik van bestaande EU-sanctieregelingen zoals de wereldwijde EU-sanctieregeling voor de mensenrechten; dringt erop aan dat deze sancties reisverboden en bevriezing van tegoeden voor medewerkers van de Wagner Group omvatten; verzoekt partnerlanden, met inbegrip van de lidstaten van de Afrikaanse Unie, soortgelijke sancties te treffen; verzoekt de EU beperkende maatregelen voor te bereiden en vast te stellen voor andere PMSC’s die de mensenrechten schenden;

17. verzoekt alle VN-leden om de aanvullende protocollen bij de Verdragen van Genève volledig te ratificeren en uit te voeren, en om het internationaal recht ten aanzien van het daadwerkelijk verbod op huurlingen aan te scherpen, en daarbij voort te borduren op de geest van het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid van 1977 inzake de uitbanning van huurlingschap in Afrika, het Internationaal Verdrag van 1989 tegen de aanwerving, het inzetten, de financiering en de opleiding van huurlingen, en het document van Montreux van 2008;

18. verzoekt de EU en haar lidstaten een duidelijk en bindend regelgevingskader voor PMSC’s te waarborgen, met name in het kader van de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur van de VN en met betrekking tot grote projecten in niet-EU-landen wanneer deze worden gefinancierd door in de EU gevestigde investeerders of financiële instellingen, en erop toe te zien dat dergelijke projecten transparant worden gemonitord; kijkt uit naar de bekendmaking van het ontwerpkader hiervoor in april 2022; pleit voor verplichte zorgvuldigheidseisen voor instanties die PMSC’s inhuren;

19. steunt de werkzaamheden van de VN-werkgroep; verzoekt landen waar melding is gemaakt van ernstige schendingen van de mensenrechten door PMSC’s de VN-werkgroep inzake het gebruik van huurlingen officieel uit te nodigen om bij wijze van spoed landenbezoeken uit te voeren;

20. verzoekt de EU en haar lidstaten resoluut op te treden om het gebrek aan verantwoordingsplicht van PMSC’s te verhelpen, ook wat betreft de controle en monitoring van de transparantie; herinnert alle landen aan hun verplichting om erop toe te zien dat PMSC’s die actief zijn binnen hun jurisdictie of op hun grondgebied de mensenrechten eerbiedigen; onderstreept dat er moet worden voorzien in daadwerkelijke rechtsmiddelen, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit de activiteiten van PMSC’s; eist onbelemmerde toegang tot de rechter en verhaal voor alle slachtoffers van schendingen, met inbegrip van misbruik, door Russische huurlingen; verzoekt de EU een bijdrage te leveren aan inspanningen binnen nationale en internationale jurisdicties om strafrechtelijke procedures op te starten teneinde PMSC’s ter verantwoording te roepen voor hun schendingen van de mensenrechten; verzoekt Rusland daartoe volledige medewerking te verlenen aan de VN, de EU en landen waar de Wagner Group strafbare feiten zou hebben gepleegd;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en het parlement van de Russische Federatie.

 

[1] PB C 334 van 19.9.2018, blz. 80.

[2] PB C 385 van 22.9.2021, blz. 24.

[3] Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0383.

[4] PB C 118 van 8.4.2020, blz. 113.

[5] PB L 410 I van 7.12.2020, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 24 november 2021Juridische mededeling - Privacybeleid