Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2000/2051(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A5-0337/2000

Ingediende teksten :

A5-0337/2000

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P5_TA(2000)0545

Aangenomen teksten
Donderdag 30 november 2000 - Brussel
Betrekkingen EU/ontwikkelingslanden
P5_TA(2000)0545A5-0337/2000

Resolutie van het Europees Parlement over de hervorming van de Commissie en de gevolgen ervan voor de doeltreffendheid van de betrekkingen tussen de EU en de ontwikkelingslanden (2000/2051(INI))

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek over de hervorming van de Commissie, (COM(2000) 200 ),

-  gezien de mededelingen van de Commissie van 24 april 2000 (COM(2000) 212 ) over het ontwikkelingsbeleid van de EG, en van 16 mei 2000 over de hervorming van het beheer van de externe hulp (SEC(2000) 814 ),

-  gezien het voorstel van de Commissie van 26 juli 2000 inzake het nieuwe Financieel Reglement (COM(2000) 461 ),

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 21 september 2000 betreffende de complementariteit tussen het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap en van de lidstaten(1) , en van 17 februari 2000 over de samenhang in het communautaire beleid van de Unie(2) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2000 over het te geven gevolg aan het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen over de hervorming van de Commissie(3) , en de resoluties van 6 juli 2000, ten eerste over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor het financieel beheer van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds in het begrotingsjaar 1998(4) , en ten tweede over de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1998(5) ,

-  gezien de in Titel XX, artikel 177 van het EG-Verdrag geformuleerde doelstellingen,

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A5-0337/2000 ),

A.  overwegende dat de Raad verschillende resoluties heeft aangenomen over de complementariteit en samenhang van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap, en daarbij in het bijzonder denkende aan de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 9 oktober 2000 inzake de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie,

B.  overwegende dat de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid een van de drie grondpijlers van het externe optreden van de Unie zijn en op gelijke voet staan met de doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid en het handelsbeleid,

C.  overwegende dat het internationale ontwikkelingsbeleid de belangrijkste factor is in het externe beleid van de Europese Gemeenschap,

D.  overwegende dat de publieke ontwikkelingshulp van de industrielanden steeds verder is afgenomen en nu niet meer dan 0,22% van het BNP bedraagt, wat veel minder is dan het streefcijfer van 0,7% dat in de VN-resolutie van 1974 over de Nieuwe Economische Wereldorde wordt genoemd,

E.  overwegende dat de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 9 oktober geen verwijzing inhouden naar de verklaring van de Raad over het ontwikkelingsbeleid van de EU en als zodanig geen verwijzing bevatten naar de rol van de uitroeiing van de armoede of naar de internationale ontwikkelingsdoelstellingen,

F.  overwegende dat het communautaire internationale hulpbeleid ingrijpend moet worden gewijzigd om de doeltreffendheid ervan te vergroten,

G.  overwegende dat een dergelijke hervorming moet bestaan uit:

   -
een nieuwe definitie van het ontwikkelingshulpbeleid en de beleidsprioriteiten, waarbij rekening gehouden moet worden met de op internationale topconferenties vastgestelde armoedeuitroeiingsdoelstellingen,
   -
een betere afstemming van de diensten van de Commissie en van het externe beleid van de Gemeenschap, zodat er een helder schema van beleidscoördinatie en -samenhang ontstaat,
   -
een striktere toepassing van artikel 177 van het EG-Verdrag betreffende de complementariteit van het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten enerzijds en de Commissie anderzijds,
   -
een afstemming van het personeel en het volume van de financiële middelen op de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, zodat de Commissie deze op efficiënte wijze kan verwezenlijken,
   -
een ingrijpende wijziging van het beheer van de hulp, zowel ter plaatse als in de hoofdzetel, door o.a.: vereenvoudiging van de procedures, integratie van de samenwerkingscyclus, een evenwichtige structuur van de RELEX-diensten van de Commissie, met één persoon die politiek verantwoordelijk is voor ontwikkelingszaken, en een grotere transparantie in het beheer,

H.  overwegende dat de Commissie de belangrijkste donor van humanitaire hulp ter wereld is en dat zij een aanzienlijk deel van de ontwikkelingshulp rechtstreeks beheert; dat de relatieve groei van het volume van de hulpfondsen niet gepaard is gegaan met de vereiste aanpassingen van het personeel en de beheersmethoden,

I.  overwegende dat de internationale invloed van de EU niet in verhouding staat tot het volume van de financiële middelen die zij besteedt aan ontwikkelingshulp,

J.  betreurende dat de Commissie zich tot op heden, door gebrek aan personeel, heeft geconcentreerd op de uitvoering van beleid en op de beleidsinstrumenten, terwijl de opstelling van het beleid voornamelijk voor rekening kwam van overige internationale instellingen, zoals de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de OESO,

K.  overwegende dat de rijke ervaring van de Commissie met de uitvoering van ontwikkelingsbeleid slechts in zeer beperkte mate is gebruikt en geanalyseerd,

L.  overwegende dat uit externe evaluaties van het hulpbeleid van de Gemeenschap gebleken is dat er problemen zijn ontstaan ten aanzien van de snelheid en de doeltreffendheid bij de uitvoering van programma's en projecten,

M.  overwegende dat de steun van het Europees Parlement en de lidstaten van essentieel belang is om vele problemen omtrent het beheer van de communautaire ontwikkelingshulp op te lossen, met name op het gebied van de begroting en de controleprocedures van de Raad,

1.  wijst erop dat de toezeggingen die de internationale gemeenschap heeft gedaan ter verwezenlijking van de gekwantificeerde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en in concreto uitroeiing van de armoede, een nieuw kader vormen voor de uitstippeling van een ontwikkelingsstrategie waar het communautaire ontwikkelingsbeleid een bijdrage moet leveren;

2.  verzoekt de Commissie de nieuwe opzet van het externe beleid te baseren op een duidelijke en alomvattende verklaring waarin de EU-doelstellingen op het gebied van de externe betrekkingen voor de 21ste eeuw uiteen worden gezet en waarin uitroeiing van de armoede tot overkoepelende doelstelling wordt verheven;

3.  is verheugd dat de Commissie een begin gemaakt heeft met de hervorming van de RELEX-groep, die moet leiden tot een verbetering van het effect van de ontwikkelingshulp en een vergroting van de doeltreffendheid van haar betrekkingen met ontwikkelingslanden met het oog op de uiteindelijke doelstelling: stimuleren van een duurzame ontwikkeling waardoor de armoede wordt uitgeroeid en deze landen integreren in de wereldeconomie;

4.  is echter bezorgd dat de scheiding tussen politieke verantwoordelijkheid en strategische besluitvorming over de uitvoering en follow-up van de programma's leidt tot een marginalisering van het ontwikkelingsbeleid binnen de Commissie; acht het noodzakelijk dat politieke verantwoordelijkheden worden weerspiegeld in de institutionele structuren;

5.  is van mening dat één geïntegreerde Gemeenschapsdienst voor internationale ontwikkeling verantwoordelijk zou moeten zijn voor de gehele samenwerkingscyclus met ontwikkelingslanden, met inbegrip van de desbetreffende programma's voor Afrika, Latijns-Amerika, de Middellandse-Zeelanden en Azië;

6.  is van mening dat er een oplossing gevonden moet worden voor het structurele probleem van het personeelstekort voor het beheer van de ontwikkelingsgelden en zegt toe dat het daartoe in de begroting de benodigde middelen zal opnemen;

7.  dringt erop aan dat voor kleinschalige projecten, die bij evaluaties van de EU-hulp gewoonlijk het best uit de bus komen, in de toekomst toereikend personeel ter beschikking wordt gesteld, teneinde deze projecten te handhaven en qua aantal zelfs uit te breiden;

8.  verzoekt de Raad, als mede-begrotingsautoriteit, ervoor te zorgen dat de financiële middelen beantwoorden aan de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap;

9.  verzoekt de begrotingsautoriteit om in de komende begrotingsjaren in elke operationele begrotingslijn voor ontwikkelingssamenwerking een nader vast te stellen percentage voor administratieve uitgaven op te nemen;

10.  acht het van doorslaggevend belang dat de Commissie met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid over voldoende en naar behoren opgeleid personeel beschikt voor het voorbereiden, analyseren en voorstellen van beleid;

11.  verzoekt de Commissie in het eerste semester van 2001 een verslag voor te leggen over de tenuitvoerlegging van de verschillende onderdelen van de RELEX-hervorming;

12.  is van mening dat de overdracht van bevoegdheden aan de delegaties een gelegenheid biedt om ter plaatse een systeem te creëren voor het beheer van de ontwikkelingsprojecten en voor de toe-eigening en versterking van de capaciteiten; spreekt zich derhalve uit voor een snelle doorvoering van de decentralisatie naar de delegaties, die moeten worden voorzien van de benodigde IT-infrastructuur, terwijl het personeel dat zich bezighoudt met ontwikkelingsbeleid moet worden uitgebreid, alsmede voor een proces van toe-eigening van de projecten en programma's door de begunstigden, met inbegrip van de aanstelling van plaatselijke medewerkers, wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden van behoorlijk bestuur en democratie;

13.  benadrukt dat de voor buitenlandse betrekkingen verantwoordelijke DG's behoefte hebben aan meer en gespecialiseerder personeel, en dat met name moet worden voorzien in opleiding tot programmeringsdeskundige en sectoraal deskundige;

14.  is van mening dat de oprichting van de gemeenschappelijke dienst (SCR) een mislukte poging was om het beheer van de communautaire hulp te rationaliseren, en dat de onduidelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende diensten de effectiviteit ervan heeft ondermijnd; wijst in dit verband op de noodzaak om de samenwerkingscyclus te integreren en is er voorstander van dat de verantwoordelijkheid van de gehele samenwerkingscyclus bij één orgaan ligt en dat er één commissaris politiek verantwoordelijk is, namelijk de voor ontwikkelingssamenwerking bevoegde commissaris; meent dat een en ander de doelmatigheid van het Commissieapparaat en de zichtbaarheid van het optreden van de Commissie op dit gebied zal verbeteren;

15.  verdedigt het specifieke karakter van het communautaire ontwikkelingsbeleid en de toegevoegde waarde ervan en betreurt dat sommige lidstaten voorstander zijn van een hernationalisatie van het ontwikkelingbeleid; is er stellig van overtuigd dat het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten een aanvulling moet zijn op en geen vervanging of duplicaat mag zijn van het ontwikkelingsbeleid van de EU; pleit er verder voor, gezien het belang dat het aan een communautair overheidsbeleid op het gebied van ontwikkeling hecht, dat het hele programmabeheer bij de Commissie komt te liggen en de overheveling daarvan naar externe agentschappen strikt wordt beperkt;

16.  neemt nota van het voornemen om een nieuw orgaan op te richten voor het beheer van de communautaire hulp, dat gebaseerd is op de SCR, die wordt omgezet in een Bureau, en is van mening dat dit moet opereren volgens een model dat overeenstemt met de doelstellingen van grotere doeltreffendheid van de communautaire hulp; het model moet er in ieder geval voor zorgen dat er samenhang zit in de acties van de Commissie en dat zij controle uitoefent op dit orgaan. De politieke controle op de activiteiten van dit orgaan blijft berusten bij het Europees Parlement;

17.  is tevens van mening dat de oprichting van een dergelijk orgaan gepaard moet gaan met een vereenvoudiging van de beheersprocedures, met name ten aanzien van de medefinanciering van projecten door NGO's;

18.  is ervan overtuigd dat NGO's over de capaciteit beschikken om programma's uit te voeren die specifiek gericht zijn op armoedebestrijding en is van mening dat de Commissie dit potentieel meer moet benutten;

19.  is van oordeel dat de EU strategieën moet ontwikkelen om in de begunstigde landen bij te dragen tot een levendige en krachtige civil society; dat de EU op alle gebieden van externe samenwerking moet streven naar samenwerking met het maatschappelijk middenveld, waaronder NGO's en de particuliere sector, teneinde de ontwikkelingsdoelstellingen te realiseren; is van oordeel dat organisaties in het maatschappelijk middenveld moeten worden gezien als onmisbare en onafhankelijke partners van de EU, die een essentiële rol in het ontwikkelingsproces spelen, en dat de EU moet aansporen tot een intensievere beleidsdialoog met het maatschappelijk middenveld en tot grotere samenwerking op programmeringsniveau;

20.  wijst op het belang van een zorgvuldige evaluatie van het effect van de externe hulpprogramma's, om zowel van de positieve als negatieve ervaringen gebruik te maken bij de planning en uitvoering van latere acties; benadrukt de noodzaak om personeel op te leiden dat gespecialiseerd is op dit gebied en om de evaluatie-eenheid te voorzien van voldoende personeel en bevoegdheden om de impact en de doeltreffendheid van het ontwikkelingshulpbeleid te vergroten;

21.  is het ten aanzien van de comitologie met de Commissie eens dat de werkgroepen van de Raad en de comités moeten evolueren en zich moeten concentreren op beleidsoriëntaties, periodieke herziening van strategieën van elk van de landen, sectorale strategieën, en zaken waarover voorafgaand aan internationale beraadslagingen op Europees niveau moet worden overlegd;

22.  is verheugd over het initiatief van de Commissie om alle verordeningen inzake het ontwikkelingsbeleid te herzien om de haalbaarheid te bestuderen van een horizontale verordening waardoor de werkzaamheden van de comités in de programmeringfase kunnen worden geconcentreerd en de systematische herziening van alle projecten kan worden afgeschaft;

23.  benadrukt het belang van "country strategy papers” en NIP's (nationale indicatieve programma's) als instrument ter bevordering van zowel de complementariteit met de lidstaten als de deelname van de begunstigde landen aan de programmering van de samenwerking door middel van dialoog en informatieoverdracht, waardoor het concept van toe-eigening van de ontwikkelingsprojecten door de begunstigde landen in de praktijk wordt gebracht wanneer aan de juiste voorwaarden wordt voldaan;

24.  benadrukt dat de aanwezigheid van de EU in discussiefora over belangrijke onderwerpen voor ontwikkelingseconomieën en de coördinatie van de standpunten van de lidstaten en de EU in de verschillende internationale fora moeten worden versterkt, met name in de instellingen van Bretton Woods en in de Verenigde Naties, waar de beleidsrol van de EU in verhouding moet staan tot de omvang van haar bijdrage;

25.  herinnert eraan dat het Europees Parlement voldoende informatie moet ontvangen alvorens het beleid wordt vastgesteld - en in ieder geval tegelijkertijd met de Raad - over oriëntatie, planning en programmering van het communautaire hulpbeleid, zonder dat dit inhoudt dat het EP zich in de beheerstaken van de Commissie mengt;

26.  is van mening dat bij de nieuwe structuur getracht moet worden samenhang te bewerkstelligen tussen het communautair buitenlands, ontwikkelings-, handels-, landbouw-, visserij-, O&O-beleid en het beleid op het gebied van voedselzekerheid en voedselveiligheid; is van oordeel dat bij het uitstippelen van nieuwe beleidsvormen en toegepaste praktijken evaluaties dienen plaats te vinden van het effect van deze samenhang en dat daarnaast jaarlijks het verslag moet worden gepubliceerd dat aan de Raad en het Parlement dient te worden voorgelegd, conform zijn bovengenoemde resolutie van 17 februari 2000 over de samenhang in het communautaire beleid van de Unie;

27.  dringt erop aan dat het RELEX-hervormingsproces wordt doorgevoerd op een open en transparante wijze en dat het personeel van de betrokken diensten participeert in dit hervormingsproces, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de handhaving tijdens de overgangsperiode van de doelstellingen van een doeltreffend Europees ontwikkelingsbeleid en van de afspraken die met de ontvangende landen zijn gemaakt;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Punt 15 van de aangenomen teksten.
(2) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(3) PB C 304 van 24.10.2000, blz. 135.
(4) Punt 6 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 5 van de aangenomen teksten.

Juridische mededeling - Privacybeleid