Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 30 november 2000 - Brussel
Statuut van de ambtenaren en regeling van toepassing op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen * (procedure zonder verslag)
  Edicom ***I (procedure zonder debat)
  Werkgelegenheid (procedure zonder debat)
 Verontreiniging van de zee ***III
 Veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) ***I
 Dubbelwandige/Enkelwandige olietankschepen ***I
 Inspectie en controle van schepen (hiermee belaste organisaties, desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties) ***I
 Voorbereiding van de Europese Raad te Nice
 Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)
 Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki
 Afghanistan
 Rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling
 Huishoudelijk werk in de informele economie
 Hervorming van de Commissie: Begrotingscommissie
 Hervorming van de Commissie: Commissie begrotingscontrole
 Hervorming van de Commissie: Commissie juridische zaken en interne markt
 Hervorming van de Commissie: Commissie constitutionele zaken
 Betrekkingen EU/ontwikkelingslanden

Statuut van de ambtenaren en regeling van toepassing op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen * (procedure zonder verslag)
Voorstel voor een verordening (EG, EGKS, EURATOM) van de Raad tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen wat betreft de wijze van aanpassing van de bezoldigingen en de tijdelijke bijdrage (COM(2000) 569 - C5-0496/2000 - 2000/0231(CNS) )

(Raadplegingsprocedure)

Dit voorstel wordt goedgekeurd.


Edicom ***I (procedure zonder debat)
Tekst
Resolutie
Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende een aantal maatregelen met betrekking tot een trans-Europees netwerk voor het verzamelen, produceren en verspreiden van statistieken over het intra- en extracommunautaire goederenverkeer (Edicom) (COM(2000) 458 - C5-0401/2000 - 2000/0201(COD) )
P5_TA(2000)0529A5-0353/2000

Dit voorstel wordt als volgt gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
(Amendement 1)
Overweging 6
   6. In het kader van het in 1996 gestarte SLIM-initiatief (vereenvoudiging van de wetgeving voor de interne markt) is de vereenvoudiging van Intrastat als proefproject aangewezen en de concrete voorstellen om de belasting van de statistische informatieplichtigen te verminderen zijn door het Europees Parlement en de Raad gunstig ontvangen.
   6. In het kader van het in 1996 gestarte SLIM-initiatief (vereenvoudiging van de wetgeving voor de interne markt) is de vereenvoudiging van Intrastat als proefproject aangewezen; de maatregelen ter vermindering van de belasting van de statistische informatieplichtigen, met name het MKB, die gunstig zijn ontvangen door het Europees Parlement en de Raad, moeten worden voortgezet.
(Amendement 2)
Artikel 2, lid 1, tweede alinea
De specifieke voorwaarden waaronder deze maatregelen worden uitgevoerd zijn opgenomen in bijlage 1 van deze beschikking.
De specifieke voorwaarden waaronder deze maatregelen worden uitgevoerd zijn opgenomen in bijlage 1 van deze beschikking. De indicatieve verdeling voor de gehele periode wordt in percentages weergegeven in bijlage 2.
(Amendement 3)
Artikel 3, lid 1, tweede streepje
   - aanpassingen van de in bijlage 2 opgenomen kostenverdeling die over een heel jaar een wijziging van meer dan 200 000 euro per categorie maatregelen inhouden .
Schrappen
(Amendement 4)
Artikel 5, lid 2, nieuwe alinea vóór eerste alinea
   2. Vóór eind december 2003 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een tussentijds verslag voor over de activiteiten die gefinancierd zijn in het kader van het nieuwe programma zodat er een eventuele herziening mogelijk is van de acties die krachtens deze beschikking worden uitgevoerd.
(Amendement 5)
Artikel 6, eerste alinea
De financiële middelen voor de uitvoering van de bij deze beschikking voor de periode 2000-2004 vastgestelde communautaire maatregel bedragen 51,2 miljoen euro. Een indicatieve verdeling volgens de in artikel 2 genoemde categorieën maatregelen is opgenomen in bijlage 2.
De financiële middelen voor de uitvoering van de bij deze beschikking voor de periode 2001-2005 vastgestelde communautaire maatregel bedragen 51,2 miljoen euro. Een indicatieve verdeling volgens de in artikel 2 genoemde categorieën maatregelen is opgenomen in bijlage 2.
(Amendement 6)
Bijlage 2, titel
Indicatieve verdeling per categorie Edicom-maatregelen, overeenkomstig artikel 2, voor de periode 2000-2004
Indicatieve verdeling per categorie Edicom-maatregelen, overeenkomstig artikel 2, voor de periode 2001-2005
(Amendement 7)
Bijlage 2, tabel

zie COM(2000) 458

Verdeling 2001-2005

Totaal

Netwerk met betere, goedkopere en sneller beschikbare informatie conform de eisen van het communautaire beleid

22%

Netwerk met relevante en op de ontwikkeling van de behoeften van gebruikers in het kader van de Economische en Monetaire Unie en van de internationale economische omgeving afgestemde informatie

14%

Netwerk met beter in het algemene statistische systeem geïntegreerde en aan de ontwikkeling van het administratieve kader aangepaste informatie

25%

Netwerk ter verbetering van de statistische dienstverlening aan overheidsdiensten en gebruikers en verstrekkers van gegevens

12%

Netwerk gebaseerd op hulpmiddelen voor het verzamelen van informatie volgens de laatste stand van de techniek om de verstrekkers van gegevens betere voorzieningen te bieden

9%

Geïntegreerd interoperabel netwerk

11%

Technische en administratieve bijstand; ondersteunende maatregelen

7%

Totaal (in miljoenen euro's)

51,2

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad betreffende een aantal maatregelen met betrekking tot een trans-Europees netwerk voor het verzamelen, produceren en verspreiden van statistieken over het intra- en extracommunautaire goederenverkeer (Edicom) (COM(2000) 458 - C5-0401/2000 - 2000/0201(COD) )
P5_TA(2000)0529A5-0353/2000

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

-  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 458 ),

-  gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0401/2000 ),

-  gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie en het advies van de Begrotingscommissie (A5-0353/2000 ),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Werkgelegenheid (procedure zonder debat)
Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's "Lokale werkgelegenheidsinitiatieven - Een lokale dimensie voor de Europese werkgelegenheidsstrategie” (COM(2000) 196 - C5-0597/2000 - 2000/2275(COS) )
P5_TA(2000)0530A5-0341/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien de mededeling van de Commissie (COM(2000) 196 - C5-0597/2000 ),

-  gezien het Witboek "Groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid - naar de XXIste eeuw: wegen en uitdagingen” (COM(1993) 700 ),

-  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese strategie ter stimulering van plaatselijke initiatieven voor ontwikkeling en werkgelegenheid” (COM(1995) 273 ), alsmede de twee verslagen van de Commissie over plaatselijke ontwikkelings- en werkgelegenheidsinitiatieven (SEC(1996)2061 en SEC(1998) 25 ),

-  gezien het tweede tussentijdse verslag van de Commissie over "Territoriale werkgelegenheidspacten (SEC(1999)1932 ) alsmede het werkdocument van de Commissie "Leidraad voor territoriale werkgelegenheidspacten, 2000-2006" (SEC(1999)1933 ),

-  gelet op de verordeningen (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999(1) houdende algemene bepalingen betreffende de Structuurfondsen en (EG) nr. 1784/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999(2) betreffende het Europees Sociaal Fonds, alsmede de mededeling van de Commissie "De Structuurfondsen en de coördinatie met het Cohesiefonds: richtsnoeren voor de programma's voor de periode 2000-2006" (COM(1999) 344 ),

-  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in 2001 (COM(2000) 548 ),

-  gezien de conclusies van de opeenvolgende Europese Raden over een nieuw werkgelegenheidsbeleid en plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven, in het bijzonder de Europese Raden van Essen van 9 en 10 december 1994, Florence van 21 en 22 juni 1996, en Luxemburg van 20 en 21 november 1997,

-  gelet op artikel 47, lid 1, van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A5-0341/2000 ),

A.  overwegende dat in de wereldwijde informatiesamenleving de economie een ingrijpende verandering ondergaat door de investeringsmobiliteit, de gebruikmaking van nieuwe informatie- en productietechnologieën en de opkomst van de kennismaatschappij,

B.  overwegende dat tegelijkertijd demografische veranderingen en veranderingen van leefstijl hebben geleid tot het ontstaan van nieuwe behoeften, met name op het gebied van dienstverlening in het dagelijkse leven, op het gebied van vrijetijdsbesteding en cultuur, milieu en huisvesting,

C.  overwegende dat deze verschijnselen van globalisering en het ontstaan van nieuwe werkgelegenheidsbronnen een uitdaging zijn en tegelijkertijd kansen bieden voor het scheppen van werkgelegenheid op plaatselijk niveau, en dat de lokale overheden een belangrijke rol spelen bij de schepping van arbeidsplaatsen, omdat zij dicht bij de werkzoekenden staan en ook een betere kennis van hun behoeften hebben, alsook van de tekortkomingen en de middelen om deze te compenseren,

D.  overwegende dat de plaatselijke werkgelegenheid gebaseerd moet zijn op een duurzame economie, d.w.z. een zorgvuldig beheer van natuurlijke middelen en een behoorlijke toestand van het milieu,

E.  overwegende dat nieuwe milieuvriendelijke sectoren van plaatselijke werkgelegenheid gecreëerd kunnen worden op het gebied van de sociale economie, nieuwe buurtdiensten, stadsherstel en milieubescherming,

F.  overwegende dat de Europese Unie reeds beschikt over instrumenten die specifiek zijn gericht op het scheppen van werkgelegenheid op plaatselijk niveau, doch dat het wenselijk is in de toekomst deze inspanningen te concentreren en bij alle initiatieven van de Unie in het kader van het werkgelegenheidsbeleid meer rekening te houden met de territoriale dimensie,

G.  overwegende dat de in het kader van de "plaatselijke ontwikkelings- en werkgelegenheidsinitiatieven” en de "territoriale werkgelegenheidspacten” ten uitvoer gelegde projecten van groot belang zijn geweest voor het scheppen van werkgelegenheid; dat bij organisaties in de welzijnssector een veel sterkere groei van de werkgelegenheid wordt geregistreerd dan in de overige sectoren van de Europese economie,

H.  overwegende dat plaatselijke initiatieven vanwege hun geïntegreerde karakter bij uitstek geschikt zijn om de maatschappelijke integratie van met uitsluiting bedreigde groepen te bevorderen, en om de personen die zich duidelijk in een situatie van sociale uitsluiting bevinden, en zij die sociaal gemarginaliseerd zijn, zoals volwassenen die hun baan verloren hebben, jongeren die geen eerste arbeidsplaats hebben weten te verkrijgen, enz., op te vangen en vervolgens te reïntegreren,

I.  overwegende dat uit de evaluatie van deze initiatieven is gebleken dat het succes van plaatselijke initiatieven is gelegen in de vorming van doelgerichte en brede partnerschapsverbanden waarin alle betrokkenen zijn vertegenwoordigd, met name plaatselijke overheden, het bedrijfsleven, de welzijnssector, plaatselijke arbeidsbureaus en de sociale partners,

J.  overwegende dat het succes van plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven daarnaast wordt bepaald door het vermogen een geïntegreerde aanpak vast te stellen, op basis van een analyse van de op plaatselijk niveau bestaande behoeften en vaardigheden, een aan de plaatselijke behoeften aangepaste financiering en passende en stabiele ondersteunende structuren,

K.  overwegende dat de ontwikkeling van geïntegreerde plaatselijke strategieën vaak afketst op een nationaal of regionaal wetgevend en administratief kader dat geen ruimte biedt voor het ontwikkelen van plaatselijke initiatieven of maatregelen, maar in sommige gevallen slechts een gunstig klimaat schept voor grote ondernemingen,

L.  overwegende dat de uitvoering van Europese programma's ter ondersteuning van de lokale initiatieven van kleine NGO's, die meestal slechts over geringe financiële middelen beschikken, gehinderd wordt door problemen bij het verkrijgen van de door de Commissie verlangde bankgarantie, waarvan het nut trouwens twijfelachtig is ; hierdoor worden de kleine NGO's gediscrimineerd ten opzichte van de grote, hetgeen strijdig is met de wens tot ontwikkeling van het sociale middenveld,

M.  overwegende dat, in samenwerking met de regionale en centrale overheden passende financiële instrumenten in het leven moeten worden geroepen voor plaatselijke ontwikkeling, naast een gerichte besteding van de middelen uit de Structuurfondsen,

N.  overwegende dat de Europese Unie tot taak heeft het nationale werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven die zijn gericht op de ontwikkeling van informatie-uitwisseling over beste praktijken, door het stimuleren van een innoverende aanpak en het evalueren van de ervaringen,

O.  overwegende dat het Europees Parlement een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van een beleid dat is gericht op plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven, met name door de instelling van begrotingslijnen voor de financiering van proefprojecten op dit gebied, en voorts in zijn hoedanigheid van medewetgever in het kader van de Structuurfondsen,

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie, die niet alleen als basis kan dienen voor een debat over de perspectieven van plaatselijke ontwikkeling doch tevens een praktisch instrument vormt voor alle betrokkenen op dit terrein;

2.  staat positief tegenover het voorstel van de Commissie om zich in het kader van de richtsnoeren voor te concentreren op het plaatselijke niveau en spreekt de wens uit dat deze nieuwe prioriteit gestalte krijgt in een grotere en betere betrokkenheid van de regionale en plaatselijke overheden bij de opstelling van nationale werkgelegenheidsplannen; pleit tevens voor verbetering van de samenwerking en de informatiestromen op nationaal niveau voor wat betreft de Europese Structuurfondsen;

3.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren om, in overeenstemming met de werkgelegenheidsrichtsnoeren, structurele belemmeringen uit de weg te ruimen en zich serieus te bezinnen op een herverdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van werkgelegenheid tussen de centrale overheid en de regionale en plaatselijke overheden; waarschuwt echter voor pogingen om de banenmarkt onder het voorwendsel van subsidiariteit op te splitsen in strikt gescheiden regionale arbeidsmarkten; erkent dat bij het beleid inzake de schepping van arbeidsplaatsen de bijdragen van allen op elk niveau noodzakelijk en nuttig zijn; daarom is een coördinatie noodzakelijk van alle inspanningen en bijdragen, waardoor de werkgelegenheidsmaatregelen aan effectiviteit zouden winnen;

4.  verzoekt de lidstaten om in hun nationale werkgelegenheidsplannen mede te delen in welke mate regionale en lokale overheden hierbij betrokken zijn en wat de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden is tussen de centrale overheid en de lokale overheden bij de uitvoering van de werkgelegenheidsstrategie;

5.  betreurt het dat op regionaal en plaatselijk niveau nog onvoldoende bekendheid is gegeven aan de Europese werkgelegenheidsstrategie; herinnert eraan dat het Parlement het project "plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven” heeft gelanceerd, met als belangrijkste doel de betrokkenen op dit terrein te sensibiliseren; ondersteunt voorts het idee om een Europees jaar van plaatselijke ontwikkeling uit te roepen;

6.  verheugt zich erover dat de Commissie bij de opstelling van deze mededeling aandacht heeft geschonken aan de rol die nationale en Europese samenwerkingsverbanden van de gemeentelijke overheden kunnen spelen en is van mening dat deze samenwerking en dialoog verder moeten worden ontwikkeld, teneinde meer samenhang te brengen tussen de acties van de lokale en regionale overheden en die van de Europese Unie, waardoor het werkgelegenheidseffect hiervan zou kunnen worden gemaximaliseerd;

7.  uit zijn tevredenheid over het feit dat de nieuwe generatie Structuurfondsen, en met name het Europees Sociaal Fonds, volledig recht doen aan de territoriale dimensie van werkgelegenheid, doordat plaatselijke initiatieven en territoriale werkgelegenheidspacten worden ondersteund en voor sociale doeleinden een instantie wordt opgezet voor het verstrekken van risicokapitaal; betreurt het echter dat de kredieten ter ondersteuning van innoverende maatregelen zijn verlaagd;

8.  wenst dat de Europese Commissie zich bij haar eis om bankgaranties voor de door haar betaalde subsidies flexibeler opstelt tegenover kleinere organisaties en verenigingen, opdat deze niet volledig uit de Europese programma's worden geëlimineerd;

9.  wenst - gezien de grote verscheidenheid aan beleidsinstrumenten op Europees niveau - dat een duidelijk onderscheid wordt aangebracht tussen experimentele instrumenten, instrumenten die zich uitstrekken tot het gehele grondgebied ("mainstream”) en methodologische instrumenten; meent dat dit onderscheid moet zijn terug te vinden in de interne beheersstructuur van de Commissie, aangezien voor initiatieven met experimenteel karakter soepeler selectieprocedures noodzakelijk zijn alsmede aanvullende middelen ter analyse en evaluatie van de resultaten;

10.  stelt in dit verband voor om zich bij het bepalen van de methodologie en het bewustmakingsproces met het oog op de tenuitvoerlegging van een werkgelegenheidsstrategie op plaatselijk niveau, in de toekomst te concentreren op het programma "maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid”, op basis van artikel 129 van het Verdrag;

11.  stelt met tevredenheid vast dat de territoriale werkgelegenheidspacten een waardevolle bijdrage leveren aan de tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen, door hun vermogen bijzondere openbare en particuliere cofinancieringbronnen aan te boren en neemt met genoegen kennis van het feit dat volgens de eerste resultaten aldus 55.000 arbeidsplaatsen zijn geschapen;

12.  verzoekt de Commissie de partners van de territoriale pacten aan te sporen om in de toekomst bij voorkeur te kiezen voor een kwalitatieve aanpak op lange termijn; herinnert aan het grote belang van een diepgaande kwalitatieve evaluatie van de resultaten en pleit voor intensivering van de uitwisseling van ervaringen tussen de bij de verschillende pacten aangesloten partners en tussen deze partners enerzijds en alle betrokken regio's anderzijds;

13.  is van oordeel dat de regionale en plaatselijke overheden in hun dubbele rol van regulatoren en economische eenheden, omdat zij nu eenmaal dichter bij de realiteit van elke plaats of regio staan en deze ook beter kennen, een sleutelrol spelen bij de bevordering van de werkgelegenheid op plaatselijk niveau; stelt voor, vanuit een logica van "mainstreaming”, dat deze overheden nu en dan gezamelijk conferenties op het vlak van de regio of gemeente organiseren en coördinatie-eenheden oprichten om ervoor te zorgen dat hun acties verenigbaar zijn met de doelstelling van het creëren van arbeidsplaatsen; verzoekt de lidstaten de plaatselijke volksvertegenwoordigers en ambtenaren met het oog hierop opleidingen aan te bieden;

14.  is van oordeel dat een dergelijke opleiding ook beschikbaar moet zijn voor andere actoren, waaronder de vrijwilligersorganisaties, teneinde hun actievermogen en effectiviteit te helpen ontwikkelen;

15.  is van oordeel dat meer inspanningen zouden moeten worden verricht om de participatie van het bedrijfsleven bij innoverende initiatieven op plaatselijk niveau te bevorderen, hetzij door financiële prikkels hetzij door onder het publiek grotere bekendheid te geven aan bedrijven die zich aan een dergelijke participatie verbinden;

16.  is van mening dat nieuwe technologieën, arbeidsmodernisering en -organisatie, versterkte samenwerking en het streven naar synergieën tussen plaatselijke bedrijven, met het oog op de globalisering van de economie doorslaggevende elementen zijn voor het waarborgen van het concurrentievermogen; is bovendien van mening dat het in dit verband nuttig is dat er acties op het gebied van voorlichting, sensibilisering en promotie door de regionale en lokale overheden worden gevoerd, om enerzijds de organisaties en verenigingen te bevorderen en anderzijds op lokaal niveau geïntegreerde netwerken tot stand te brengen;

17.  verzoekt de sociale partners het zoeken naar passende oplossingen op plaatselijk niveau te ondersteunen, met name door middel van onderhandelingen over atypische arbeidsvormen als multisalariëring en het ter beschikking stellen van ondersteunende structuren op regionaal en plaatselijk niveau; verzoekt de lidstaten om tijdig en op doelmatige wijze uitvoering te geven aan de experimentele initiatieven die de sociale partners hebben ondernomen ten aanzien van van tevoren vastgestelde gebieden waarin sprake is van ernstige sociaaleconomische problemen, met het doel deze gebieden een nieuwe impuls te geven en de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen te bevorderen;

18.  benadrukt de belangrijke rol van de KMO's bij de tenuitvoerlegging van werkgelegenheidstrategieën op plaatselijk niveau en is van oordeel dat grote ondernemingen - los van hun belang voor de plaatselijke economie en arbeidsmarkt - een doorslaggevende rol kunnen spelen in een plaatselijke strategie, bijvoorbeeld door middel van sponsoring van andere bedrijven;

19.  is van oordeel dat de plaatselijke werkgelegenheidsstructuren serieuze partners moeten worden in een pro-actieve plaatselijke strategie, door participatie in experimenten waarbij ook andere overheidsinstanties en bedrijven of verenigingen zijn betrokken, en door initiatieven van werklozen aan te moedigen;

20.  moedigt de oprichting aan van op lokaal vlak beheerde Internet websites, die tot doel hebben de vraag en het aanbod van arbeid in een bepaalde regio op elkaar af te stemmen; zowel de plaatselijke autoriteiten als vertegenwoordigers van de vakbonden, de werknemers en de werkgevers moeten hierbij worden betrokken;

21.  verzoekt de lidstaten de ontwikkeling van de sociale economie te ondersteunen, met name door aanpassing van opleidingen en het consolideren van nieuwe beroepen, en door middel van adequate maatregelen van fiscale en wetgevende aard, in het bijzonder modernisering van het juridische kader teneinde nieuwe vormen van ondernemerschap meer kansen te bieden en bruggen te slaan tussen de particuliere en openbare sector;

22.  pleit er tevens voor te experimenteren met nieuwe financiële instrumenten zoals dienstencheques, plaatselijke, gemeenschappelijke investeringsfondsen alsmede risicokapitaalfondsen voor sociale doeleinden, en om bepaalde regels inzake overheidsuitgaven te herzien teneinde recht te doen aan de reële waarde van de door de sociale economie verstrekte diensten;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen van de lidstaten, de sociale partners en het Comité van de regio's.

(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.
(2) PB L 213 van 13.8.1999, blz. 5.


Verontreiniging van de zee ***III
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst van de beschikking van het Europees Parlement en de Raad houdende instelling van een communautair kader voor samenwerking op het gebied van door ongevallen veroorzaakte of opzettelijke verontreiniging van de zee (C5-0501/2000 - 1998/0350(COD) )
P5_TA(2000)0531A5-0336/2000

(Medebeslissingsprocedure: derde lezing)

Het Europees Parlement,

-  gezien de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst (C5-0501/2000 ),

-  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(1998) 769 (2) ),

-  gezien het gewijzigd voorstel van de Commissie (COM(1999) 641 (3) ),

-  gezien zijn in tweede lezing geformuleerde standpunt(4) inzake het gemeenschappelijk standpunt van de Raad,

-  gezien het advies van de Commissie over de amendementen van het Parlement op het gemeenschappelijk standpunt (COM(2000) 475 - C5-0434/2000 ),

-  gelet op artikel 251, lid 5 van het EG-Verdrag,

-  gelet op artikel 83 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van zijn delegatie in het bemiddelingscomité (A5-0336/2000 ),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke ontwerptekst en bevestigt zijn daarop betrekking hebbende verklaring;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

3.  verzoekt zijn secretaris-generaal in het kader van zijn bevoegdheden het besluit te ondertekenen en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze wetgevingsresolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 54 van 25.2.2000, blz. 82.
(2) PB C 25 van 30.1.1999, blz. 20.
(3) PB C 177 van 27.6.2000, blz. 31.
(4) Punt 6 van de aangenomen teksten van 13.6.2000.


Veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) ***I
Tekst
Resolutie
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van richtlijn 95/21/EG van de Raad betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging, en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) (COM(2000) 142 - C5-0174/2000 - 2000/0065(COD) )
P5_TA(2000)0532A5-0343/2000

Dit voorstel wordt als volgt gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst(1)   Amendementen van het Parlement
(Amendement 1)
Overweging 3
   (3) Sommige schepen vormen een duidelijk risico voor de veiligheid op zee en het mariene milieu vanwege het aantal jaren dat zij in de vaart zijn , de vlag die zij voeren en hun antecedenten. Deze schepen zou daarom toegang tot de havens in de Gemeenschap moeten worden geweigerd, tenzij kan worden aangetoond dat zij op een veilige wijze in de wateren van de Gemeenschap kunnen worden geëxploiteerd. Er moeten richtsnoeren worden opgesteld waarin de procedures uiteen worden gezet die van toepassing zijn indien aan een bepaald schip de toegang wordt geweigerd of wanneer deze weigering weer ongedaan wordt gemaakt. De lijst met schepen die uit de havens van de Gemeenschap worden geweerd moet in de Sirenac-databank worden opgenomen en door die databank worden gepubliceerd.
   (3) Sommige schepen vormen een duidelijk risico voor de veiligheid op zee en het mariene milieu vanwege hun slechte staat , de vlag die zij voeren en hun antecedenten. Deze schepen zou daarom toegang tot de havens in de Gemeenschap en de territoriale wateren van de lidstaten moeten worden geweigerd, tenzij kan worden aangetoond dat zij op een veilige wijze in de wateren van de Gemeenschap kunnen worden geëxploiteerd. Er moeten richtsnoeren worden opgesteld waarin de procedures uiteen worden gezet die van toepassing zijn indien aan een bepaald schip de toegang wordt geweigerd of wanneer deze weigering weer ongedaan wordt gemaakt. De lijst met schepen die uit de havens en de territoriale wateren van de lidstaten worden geweerd moet in de Sirenac-databank worden opgenomen en door die databank worden gepubliceerd.
(Amendement 23)
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis) Schepen die de vlag voeren van een staat die voorkomt in de afdeling zeer hoog risico van de zwarte lijst die is gepubliceerd in het jaarverslag van het Memorandum van Overeenstemming van Parijs vormen een buitengewoon hoog risico voor de veiligheid op zee en het mariene milieu. Van deze schepen kan naar alle waarschijnlijkheid niet worden aangetoond dat zij veilig in de wateren van de Gemeenschap kunnen opereren en dientengevolge zal de toegang tot havens in de Gemeenschap hun waarschijnlijk ontzegd worden. Het staat de betreffende vlagstaten vrij om de relevante verdragen, protocollen, codes en resoluties van de IMO strenger toe te passen, en het staat scheepseigenaren en -exploitanten vrij om hun schepen aan te passen zodat ze voldoen aan de vereiste normen.
(Amendement 22)
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis) Er zijn op het gebied van de boorduitrusting zeer belangrijke technologische vorderingen geboekt, die het vastleggen van de reisgegevens mogelijk maken (reisgegevensrecorder-systemen (reisgegevensrecorder-systemen (VDR) of "zwarte dozen”), teneinde de onderzoeken na ongevallen te vergemakkelijken. Gezien het belang van deze uitrusting voor de preventie van ongevallen op zee moet de plaatsing van deze installaties verplicht worden gesteld op schepen die nationale of internationale reizen maken in de wateren van de Gemeenschap.
(Amendement 2)
ARTIKEL 1, PUNT 2 BIS (nieuw)
Artikel 4 (richtlijn 95/21/EG)
2 bis. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
“Artikel 4
Inspectieorgaan
De lidstaten onderhouden passende nationale maritieme diensten met voldoende medewerkers, met name vaktechnische inspecteurs , hierna genoemd "de bevoegde instanties”, voor de inspectie van schepen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde instanties hun taken vervullen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn.”
(Amendement 3)
ARTIKEL 1, PUNT 5
Artikel 7 bis, leden 1 en 2 (richtlijn 95/21/EG)
   1. De lidstaten dragen er zorg voor dat aan schepen van meer dan 15 jaar oud die in een van de categorieën van bijlage V , deel A, zijn ingedeeld de toegang tot alle havens in de Gemeenschap wordt geweigerd, behalve in de situaties als omschreven in artikel 11, lid 6, indien deze schepen:
   - meer dan tweemaal in de loop van de voorgaande vierentwintig maanden in een haven van een lidstaat zijn aangehouden, en
   - de vlag voeren van een staat die voorkomt in de tabel van staten waarvan schepen meer dan gemiddeld zijn aan- en opgehouden (voortschrijdend driejaarlijks gemiddelde), zoals gepubliceerd in het jaarverslag van het Memorandum van Overeenstemming (MOU).
   1. De lidstaten dragen er zorg voor dat aan schepen die in een van de categorieën van bijlage X bis , deel A, zijn ingedeeld de toegang tot alle havens in de Gemeenschap wordt geweigerd, behalve in de situaties als omschreven in artikel 11, lid 6, indien deze schepen:
   - meer dan tweemaal in de loop van de voorgaande vierentwintig maanden in een haven van een lidstaat zijn aangehouden, of
   - in de voorgaande 36 maanden de vlag hebben gevoerd van een staat die voorkomt in de tabel van staten waarvan schepen meer dan gemiddeld zijn aan- en opgehouden (voortschrijdend driejaarlijks gemiddelde), zoals gepubliceerd in het jaarverslag van het Memorandum van overeenstemming (MOU) onder de kop "zwarte lijst” (in de berekening van de hierboven bedoelde voorgaande 36 maanden mogen geen tijdvakken worden opgenomen die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn liggen), of
   - niet zijn uitgerust met een reisgegevensrecorder (VDR) ten behoeve van een eventueel ongevallenonderzoek. Een dergelijke reisgegevensrecorder dient te voldoen aan de prestatienormen van Resolutie A.861(20) van de IMO-Assemblée van 27 november 1997 en de testnormen zoals vastgelegd in norm nr. 61996 van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC). Echter, ten aanzien van de verplichting tot het plaatsen van reisgegevensrecorders in schepen die zijn gebouwd vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn kunnen uitzonderingen op de naleving van enkele eisen worden toegestaan voor een periode van maximaal vijf jaar.
Het verbod om te worden toegelaten wordt onmiddellijk van toepassing nadat een schip toestemming heeft gekregen om de haven te verlaten waar het voor een derde keer is aangehouden.
   2. Voor de toepassing van lid 1, voldoen de lidstaten aan de procedures als vastgesteld in bijlage V , deel D .
Het verbod om te worden toegelaten wordt onmiddellijk van toepassing nadat een schip toestemming heeft gekregen om de haven te verlaten waar het voor een derde keer is aangehouden.
   2. Voor de toepassing van lid 1 voldoen de lidstaten aan de procedures als vastgesteld in bijlage X bis , deel B .
(Amendement 4)
ARTIKEL 1, PUNT 10 BIS (nieuw)
Artikel 16, 2 bis (nieuw) (richtlijn 95/21/EC)
10 bis. In artikel 16 wordt het volgende lid 2 bis ingelast:
“2 bis. Indien een schip wordt aangehouden wegens tekortkomingen of wegens het ontbreken van geldige certificaten zoals bepaald in artikel 9 en Bijlage VI, komen alle kosten in verband met de aanhouding in de haven ten laste van de eigenaar of de exploitant van het schip.”
(Amendement 5)
ARTIKEL 1, PUNT 12 BIS (nieuw)
Artikel 20, lid 3 bis (Richtlijn 95/21/EG)(nieuw)
12 bis. In artikel 20 wordt het volgende lid 3 bis ingelast:
“3 bis. Voorts stelt de Commissie het Europees Parlement op gezette tijden op de hoogte van de voortgang van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de lidstaten.”
(Amendement 24)
ARTIKEL 1, PUNT 17, SUB -a (nieuw)
Bijlage VI, paragraaf 2, punt 13 bis (nieuw)(Richtlijn 1995/21/EG)
   - a) Aan paragraaf 2 wordt het volgende punt 13 bis toegevoegd:
"13 bis.in staat is een maximale hoeveelheid informatie te verstrekken indien zich een ongeval voordoet. De afwezigheid van een reisgegevensrecorder (VDR) zal worden beschouwd als een tekortkoming die reden is voor aanhouding.”
(Amendement 6)
ARTIKEL 1, PUNT 19
Bijlagen (Richtlijn 95/21/EG)
   19. De bijlagen IX en X worden toegevoegd, waarvan de tekst te vinden is in bijlage IV bij deze richtlijn.
   19. De bijlagen IX, X en X bis worden toegevoegd, waarvan de tekst te vinden is in bijlage IV bij deze richtlijn.
(Amendement 8)
BIJLAGE II
Bijlage V, afdeling D, (richtlijn 95/21/EG)
   D. VERPLICHTE RICHTSNOEREN BETREFFENDE HET WEIGEREN VAN DE TOEGANG TOT DE HAVENS VAN DE GEMEENSCHAP (zoals bedoeld in artikel 7a, lid 2)
   1. Indien aan de in artikel 7a) beschreven voorwaarden wordt voldaan moet de bevoegde instantie van de haven waar het schip voor de derde maal is aangehouden de kapitein en de eigenaar of de exploitant van het schip schriftelijk in kennis stellen van het feit dat aan het schip de toegang tot de haven is geweigerd.
De bevoegde autoriteit moet ook de administratie van de vlagstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lidstaten, de Europese Commissie, het Administratief centrum voor maritieme zaken (Centre Administratif des Affaires Maritimes) en het secretariaat van het MOU daarvan in kennis stellen.
Het toegangsverbod wordt van kracht zodra aan het schip toestemming is verleend om de haven te verlaten nadat de tekortkomingen die de aanleiding zijn geweest van de aanhouding zijn verholpen.
   2. Het toegangsverbod kan worden opgeheven indien de eigenaar of exploitant van het schip in staat is om ten genoegen van de bevoegde instantie van de haven van bestemming aan te tonen dat het schip geëxploiteerd kan worden zonder gevaar voor de veiligheid van de passagiers of de bemanning, of zonder risico voor andere schepen, dan wel zonder een onredelijke bedreiging voor het mariene milieu te vormen.
   3. Met het oog daarop moet de eigenaar of de exploitant een formeel verzoek indienen tot opheffing van het toegangsverbod aan de lidstaat van de communautaire haven van bestemming. Dit verzoek dient vergezeld te gaan van een certificaat van de administratie van de vlagstaat of van het namens die administratie optredende classificatiebureau, waarin wordt aangetoond dat het schip volledig in overeenstemming is met de eisen in de toepasselijke bepalingen van de internationale verdragen en aan de in lid 2 genoemde voorwaarden voldoet. Het verzoek om het toegangsverbod op te heffen dient eventueel ook te worden vergezeld van een certificaat van het classificatiebureau dat het schip heeft geclassificeerd en waaruit blijkt dat dit voldoet aan de classificatienormen die door dat bureau zijn vastgesteld.
   4. Indien het verzoek om het toegangsverbod op te heffen overeenkomstig lid 3 wordt ingediend, moet de lidstaat van de haven van bestemming op grond van de door de eigenaar of de exploitant van het schip verstrekte informatie het schip toestemming verlenen om door te varen naar de desbetreffende haven van bestemming, uitsluitend met de bedoeling om te controleren dat het schip voldoet aan de in lid 2 genoemde voorwaarden.
Bij aankomst in de haven van bestemming dient het schip te worden onderworpen aan een uitgebreide inspectie, waarvan de kosten gedragen zullen worden door de eigenaar of de exploitant van het schip. De uitgebreide inspectie dient ten minste alle terzake diende punten van bijlage V, deel C, te omvatten alsmede de punten welke tijdens de laatste aanhouding in een haven van een lidstaat werden geïnspecteerd.
De uitgebreide inspectie waarnaar in de vorige alinea wordt verwezen dient te worden uitgevoerd door de inspecteurs van de lidstaat van de haven van bestemming, die daarbij zullen worden bijgestaan door inspecteurs van een erkende organisatie in de zin van richtlijn 94/57/EG, die geen commerciële belangen hebben bij het te inspecteren schip.
   5. Indien de resultaten van de uitgebreide inspectie overeenkomstig lid 2 bevredigend zijn voor de lidstaat, moet het toegangsverbod worden opgeheven. De eigenaar of de exploitant van het schip moet daarvan schriftelijk in kennis worden gesteld.
De bevoegde instantie dient haar besluit tevens schriftelijk kenbaar te maken aan de administratie van de vlagstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lidstaten, de Europese Commissie, het Administratief centrum voor maritieme zaken en het secretariaat van het MOU.
   6. Informatie betreffende schepen waaraan de toegang tot havens in de Gemeenschap is geweigerd moet beschikbaar worden gemaakt in het SIRENAC-systeem en overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 en bijlage VIII worden gepubliceerd.
Schrappen
(Amendement 7)
BIJLAGE IV
BIJLAGE X bis (nieuw) (Richtlijn 95/21/EG)
De volgende Bijlage X bis toevoegen
“BIJLAGE X BIS
   A. WEIGERING VAN TOEGANG TOT ALLE HAVENS VAN DE GEMEENSCHAP
De volgende categorieën schepen zal de toegang tot alle havens in de Gemeenschap worden geweigerd krachtens artikel 7a
   1. Gas- en chemicaliëntankers
   2. Bulkcarriers
   3. Enkelwandige olietankers
   4. Passagiersschepen
   B. VERPLICHTE RICHTSNOEREN BETREFFENDE HET WEIGEREN VAN DE TOEGANG TOT DE HAVENS VAN DE GEMEENSCHAP (zoals bedoeld in artikel 7 bis, lid 2)
   1. Indien aan de in artikel 7a) beschreven voorwaarden wordt voldaan moet de bevoegde instantie van de haven waar het schip voor de derde maal is aangehouden de kapitein en de eigenaar of de exploitant van het schip schriftelijk in kennis stellen van het feit dat aan het schip de toegang tot de haven is geweigerd.
De bevoegde autoriteit moet ook de autoriteiten van de vlagstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lidstaten, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Administratief centrum voor maritieme zaken (Centre administratif des affaires maritimes) en het secretariaat van het MOU daarvan in kennis stellen.
Het toegangsverbod wordt van kracht zodra aan het schip toestemming is verleend om de haven te verlaten nadat de tekortkomingen die de aanleiding zijn geweest van de aanhouding zijn verholpen.
   2. Het toegangsverbod kan worden opgeheven indien de eigenaar of exploitant van het schip in staat is om ten genoegen van de bevoegde instantie van de haven van bestemming aan te tonen dat het schip gebruikt kan worden zonder gevaar voor de veiligheid van de passagiers of de bemanning, of zonder risico voor andere schepen, dan wel zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor het mariene milieu.
   3. Met het oog hierop moet de eigenaar of de exploitant een formeel verzoek indienen tot opheffing van het toegangsverbod bij de lidstaat van de communautaire haven van bestemming. Dit verzoek dient vergezeld te gaan van een certificaat van de autoriteiten van de vlagstaat of van het namens deze autoriteiten optredende classificatiebureau, waaruit blijkt dat het schip volledig in overeenstemming is met de eisen in de toepasselijke bepalingen van de internationale verdragen en voldoet aan de in punt 2 genoemde voorwaarden. Het verzoek om opheffing van het toegangsverbod dient indien noodzakelijk tevens vergezeld te gaan van een certificaat van het classificatiebureau dat het schip heeft geclassificeerd en waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de classificatienormen die door dat bureau zijn vastgesteld.
   4. Indien het verzoek om opheffing van het toegangsverbod in overeenstemming met punt 3 wordt ingediend, moet de lidstaat van de haven van bestemming op grond van de door de eigenaar of de exploitant van het schip verstrekte informatie het schip toestemming verlenen om door te varen naar de desbetreffende haven van bestemming, uitsluitend met de bedoeling om te controleren of het schip voldoet aan de in punt 2 genoemde voorwaarden.
Bij aankomst in de haven van bestemming dient het schip te worden onderworpen aan een uitgebreide inspectie, waarvan de kosten gedragen zullen worden door de eigenaar of de exploitant van het schip. De uitgebreide inspectie dient ten minste alle van toepassing zijnde punten van bijlage V, deel C, te omvatten, alsmede de punten die tijdens de laatste aanhouding in een haven van een lidstaat werden geïnspecteerd.
De uitgebreide inspectie dient te worden uitgevoerd door de inspecteurs van de lidstaat van de haven van bestemming, die daarbij zullen worden bijgestaan door inspecteurs van een erkende organisatie in de zin van richtlijn 94/57/EG, die geen commerciële belangen hebben bij het te inspecteren schip.
   5. Indien de resultaten van de uitgebreide inspectie overeenkomstig punt 2 bevredigend zijn voor de lidstaat, moet het toegangsverbod worden opgeheven. De eigenaar of de exploitant van het schip moet daarvan schriftelijk in kennis worden gesteld.
De bevoegde instantie dient haar besluit tevens schriftelijk kenbaar te maken aan de autoriteiten van de vlagstaat, het betrokken classificatiebureau, de andere lidstaten, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Administratief centrum voor maritieme zaken en het secretariaat van het MOU.
   6. Informatie betreffende schepen waaraan de toegang tot havens in de Gemeenschap is geweigerd, moet beschikbaar worden gemaakt in het Sirenac-systeem en in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15 en bijlage VIII worden gepubliceerd.”
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van richtlijn 95/21/EG van de Raad betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) (COM(2000) 142 - C5-0174/2000 - 2000/0065(COD) )
P5_TA(2000)0532A5-0343/2000

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

-  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 142 )(2) ,

-  gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 80, lid 2, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0174/2000 ),

-  gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0343/2000 ),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 102.
(2) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 102.


Dubbelwandige/Enkelwandige olietankschepen ***I
Tekst
Resolutie
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (COM(2000) 142 - C5-0173/2000 - 2000/0067(COD) )
P5_TA(2000)0533A5-0344/2000

Dit voorstel wordt als volgt gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst(1)   Amendementen van het Parlement
(Amendement 1)
Overweging 13
   (13) De eis van Voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL 73/78 dat bestaande enkelwandige olietankers moeten voldoen aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp is alleen van toepassing op ruwe-olietankschepen van 20.000 ton massa of meer en op productentankschepen van 30.000 ton massa of meer. De eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van Voorschrift 13F van bijlage I van MARPOL 73/78 zijn van toepassing op olietankers van 600 ton massa of meer die op of na 6 juli 1996 zijn opgeleverd. Door dit verschil in minimumtonnage in het toepassingsgebied wordt de categorie enkelwandige ruwe-olietankers die vóór 6 juli 1996 zijn opgeleverd en een massa tussen 600 en 20.000 ton hebben, evenals productentankschepen die vóór 6 juli 1996 zijn opgeleverd met een massa tussen 600 en 30.000 ton, ongemoeid gelaten. Gezien het belang van deze categorie olietankers met een lagere tonnenmaat voor het verkeer binnen de Gemeenschap dienen soortgelijke maatregelen te worden genomen om ervoor te zorgen dat ook deze tankers moeten voldoen aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van MARPOL 73/78. Daartoe moet een geleidelijke invoering van de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van MARPOL 73/78 voor deze categorie enkelwandige olietankers als voorwaarde worden gesteld om een haven of de binnenwateren van een lidstaat van de Gemeenschap binnen te varen.
   (13) De eis van Voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL 73/78 dat bestaande enkelwandige olietankers moeten voldoen aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp is alleen van toepassing op ruwe-olietankschepen van 20.000 ton massa of meer en op productentankschepen van 30.000 ton massa of meer.
(Amendement 2)
Overweging 15
   (15) De versnelde invoering van de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankers moet gepaard gaan met aanvullende maatregelen ter bevordering van het handelsverkeer met dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers voordat de versnelde invoering plaatsheeft. Deze aanvullende maatregelen moeten bestaan in financiële stimulansen voor dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers en ontmoedigingen voor enkelwandige olietankers die naar of van havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen.
Schrappen
(Amendement 3)
Overweging 16
   (16) Deze aanvullende maatregelen moeten worden gebaseerd op de beginselen als vastgelegd in verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad van 21 november 1994 betreffende de tenuitvoerlegging van IMO-resolutie A.747(18) inzake de toepassing van tonnagemeting op de ballastruimten in tankers met gescheiden-ballasttanks. Deze beginselen voorzien in de toepassing van lagere haven- en loodsrechten voor de meest milieuvriendelijke olietankers in tegenstelling tot die welke minder bescherming tegen olieverontreiniging bieden.
Schrappen
__________
PB L 319 van 12.12.94, blz. 1.
(Amendement 4)
Overweging 17
   (17) Verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad houdt geen rekening met het hogere niveau van bescherming tegen accidentele olieverontreiniging dat wordt geboden door dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers in vergelijking met enkelwandige olietankers. Daarom wordt in de verordening met betrekking tot de verlaging van haven- en loodsrechten geen onderscheid gemaakt tussen dubbelwandige olietankers en enkelwandige olietankers met gescheiden-ballasttanks.
Schrappen
(Amendement 5)
Overweging 19
   (19) Met het oog op het bevorderen van het handelsverkeer van dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers naar Europese havens, moeten de financiële stimulansen van verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad worden vervangen door een regeling waarbij tijdens de periode van de versnelde invoering de exploitatie van olietankers die aan de eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voldoen wordt aangemoedigd en de exploitatie van olietankers die nog niet aan deze eisen voldoen wordt ontmoedigd. Daartoe dient verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad te worden ingetrokken.
Schrappen
(Amendement 6)
Overweging 20
   (20) De financiële stimulansen voor olietankers die aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voldoen en de financiële ontmoedigingen voor olietankers die nog niet aan deze normen voldoen, moeten worden gebaseerd op een gecombineerde regeling waarbij een verlaging van haven- en loodsrechten wordt verleend voor olietankers die aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voldoen en een verhoging van de haven- en loodsrechten wordt toegepast voor olietankers die nog niet aan deze normen voldoen.
Schrappen
(Amendement 7)
Overweging 21
   (21) Haven- en loodsrechten moeten in verhouding staan tot de geleverde diensten en op een niet-discriminerende wijze worden berekend.
Schrappen
(Amendement 8)
Overweging 22
   (22) Deze gecombineerde regeling van verlagingen en verhogingen van haven- en loodsrechten moet in evenwicht zijn om inkomstenverlies voor de verstrekkers van haven- en loodsdiensten te voorkomen en te vermijden dat dergelijke verliezen een nadelig effect zouden hebben op de kwaliteit van deze diensten of gecompenseerd zouden moeten worden door de haven- en loodsrechten te verhogen voor schepen die niet bij het vervoer van olie en olieproducten zijn betrokken.
Schrappen
(Amendement 9)
Overweging 23
   (23) gelet op de progressieve toename van het aantal dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers en de afname van het aantal enkelwandige olietankers tijdens de periode van de versnelde invoering van de nieuwe eisen, moeten de opbrengsten voor de verstrekkers van haven- en loodsdiensten in evenwicht worden gehouden door de verlaging van de haven- en loodsrechten voor dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers regressief naar de levensduur van deze schepen en de verhoging van haven- en loodsrechten voor enkelwandige olietankers progressief naar de levensduur van deze schepen te maken. Deze differentiële heffingsregeling mag niet langer worden toegepast wanneer de vervanging van enkelwandige olietankers door dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers is voltooid.
Schrappen
(Amendement 10)
Overweging 24
   (24) Aangezien de vereiste maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, moeten zij worden vastgesteld door middel van de regelgevingsprocedure van artikel 5 van dat besluit .
   (24) De maatregelen ter uitvoering van deze verordening dienen te worden vastgesteld overeenkomstig besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.
(Amendement 11)
Overweging 25
   (25) Sommige bepalingen van deze verordening die verwijzingen naar de voorschriften van het MARPOL-verdrag van 73/78 bevatten, kunnen door de Commissie, daarin bijgestaan door het comité, worden gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met vastgestelde of in werking getreden amendementen op deze voorschriften. Ook kunnen de percentages van de verlagingen en verhogingen van haven- en loodsrechten in de bijlage door dat comité worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de opbrengsten voor de verstrekkers van haven- en loodsdiensten in evenwicht worden gehouden, gelet op het tempo en de mate waarin enkelwandige olietankers tijdens de invoeringsperiode door dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers worden vervangen .
   (25) Sommige bepalingen van deze verordening die verwijzingen naar de voorschriften van het MARPOL-verdrag van 73/78 bevatten, kunnen door de Commissie, daarin bijgestaan door het comité, worden gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met vastgestelde of in werking getreden amendementen op deze voorschriften.
(Amendement 12)
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)De verordening geeft de huidige stand van de onderhandelingen weer over een wijziging van het MARPOL-verdrag in het kader van de IMO. Naar een dergelijke wijziging van het MARPOL-verdrag dient te worden gestreefd om te komen tot mondiale invoering van veilige tankers. Mocht blijken dat de wijziging van het MARPOL-verdrag, die de IMO voor april 2001 heeft aangekondigd, niet tot stand komt of op essentiële punten afwijkt van deze verordening, moet de Europese Unie voor haar wateren eenzijdig besluiten tot versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen. In dat geval dient te worden uitgegaan van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor deze verordening1.
__________
PB C 212 E van 25.7.2000, blz.121.
(Amendement 13)
Artikel 1, streepjes
   - een versneld invoeringssysteem voor de toepassing van de eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van het MARPOL-verdrag van 73/78 op enkelwandige olietankers, en
   - een versneld invoeringssysteem voor de toepassing van de eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van het MARPOL-verdrag van 73/78 op enkelwandige olietankers.
   - een systeem van financiële stimulansen en ontmoedigingen, waarbij een verlaging van haven- en loodsrechten wordt verleend voor olietankers die aan de normen voor dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voldoen en een verhoging van deze rechten wordt geheven voor olietankers die nog niet aan deze normen voldoen.
(Amendement 14)
Artikel 4, lid 1
   1. De lidstaten staan niet toe dat enkelwandige olietankers hun havens of binnenwateren na de vroegste van de hierna vermelde data binnenvaren, tenzij dergelijke tankers uiterlijk op de vroegste van die data voldoen aan de eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van Voorschrift 13F van bijlage I bij MARPOL 73/78:
   1. De lidstaten staan niet toe dat enkelwandige olietankers hun havens of binnenwateren na de hierna vermelde data binnenvaren, tenzij dergelijke tankers voldoen aan de eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp van Voorschrift 13F van bijlage I bij MARPOL 73/78:
   (1) voor ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die niet voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78: wanneer zij de levensduur van 23 jaar bereiken of 1 juni 2005 ;
   (1) voor ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die niet voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78: op de verjaardag van de opleveringsdatum, met inachtneming van het schema van jaren dat in de volgende tabel is aangegeven:
   - 2003 voor schepen die in 1973 of daarvoor zijn opgeleverd,
   - 2004 voor schepen die in 1974 en 1975 zijn opgeleverd,
   - 2005 voor schepen die in 1976 en 1977 zijn opgeleverd,
   - 2006 voor schepen die in 1978, 1979 en 1980 zijn opgeleverd,
   - 2007 voor schepen die in 1981 of later zijn opgeleverd;
   (2) voor ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78: wanneer zij de levensduur van 28 jaar bereiken of 1 januari 2010 ;
   (2) voor ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78:
op de verjaardag van de opleveringsdatum, met inachtneming van het schema van jaren dat in de volgende tabel is aangegeven
   - 2003 voor schepen die in 1977 of daarvoor zijn opgeleverd,
   - 2004 voor schepen die in 1978 zijn opgeleverd,
   - 2005 voor schepen die in 1979 zijn opgeleverd,
   - 2006 voor schepen die in 1980 zijn opgeleverd,
   - 2007 voor schepen die in 1981 zijn opgeleverd,
   - 2008 voor schepen die in 1982 zijn opgeleverd,
   - 2009 voor schepen die in 1983 zijn opgeleverd,
   - 2010 voor schepen die in 1984 zijn opgeleverd,
   - 2011 voor schepen die in 1985 zijn opgeleverd,
   - 2012 voor schepen die in 1986 en 1987 zijn opgeleverd,
   - 2013 voor schepen die in 1988 en 1989 zijn opgeleverd,
   - 2014 voor schepen die in 1990 en 1991 zijn opgeleverd,
   - 2015 voor schepen die in 1992 of later zijn opgeleverd;
   (3) voor ruwe-olietankers van 600 ton massa en meer maar minder dan 20.000 ton en productentankers van 600 ton massa en meer maar minder dan 30.000 ton die niet voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78: wanneer zij de levensduur van 25 jaar bereiken of 1 januari 2015;
   (3) voor ruwe-olietankers van 3.000 ton massa en meer maar minder dan 20.000 ton en productentankers van 3.000 ton massa en meer maar minder dan 30.000 ton: op de verjaardag van de opleveringsdatum, met inachtneming van het schema van jaren dat in de volgende tabel is aangegeven:
   - 2003 voor schepen die in 1974 of daarvoor zijn opgeleverd,
   - 2004 voor schepen die in 1975 en 1976 zijn opgeleverd,
   - 2005 voor schepen die in 1977 en 1978 zijn opgeleverd,
   - 2006 voor schepen die in 1979 en 1980 zijn opgeleverd,
   - 2007 voor schepen die in 1981 zijn opgeleverd,
   - 2008 voor schepen die in 1982 zijn opgeleverd,
   - 2009 voor schepen die in 1983 zijn opgeleverd,
   - 2010 voor schepen die in 1984 zijn opgeleverd,
   - 2011 voor schepen die in 1985 zijn opgeleverd,
   - 2012 voor schepen die in 1986 zijn opgeleverd,
   - 2013 voor schepen die in 1987 en 1988 zijn opgeleverd,
   - 2014 voor schepen die in 1989, 1990 en 1991 zijn opgeleverd,
   - 2015 voor schepen die in 1992 of later zijn opgeleverd;
   (4) voor ruwe-olietankers van 600 ton massa en meer maar minder dan 20.000 ton en productentankers van 600 ton massa en meer maar minder dan 30.000 ton die voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78: wanneer zij de levensduur van 30 jaar bereiken of 1 januari 2015 ;
1 bis.Een olietanker van categorie 1 die, gerekend vanaf de opleveringsdatum, 25 jaar of ouder is, moet voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
   (a) de tanker beschikt over zijtanks of dubbele bodemruimtes die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en voldoen aan de breedte- en hoogte-eisen van Voorschrift 13F(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78, of
   (b) de tanker wordt hydrostatisch gebalanceerd beladen, rekening houdende met de door de IMO ontwikkelde richtsnoeren1 .
1 ter. De overheid kan toestaan dat een olietanker van categorie 1 na 2005 en een olietanker van categorie 2 na 2010 in de vaart blijft, als de hand wordt gehouden aan een speciale inspectieregeling (zie bijlage).
__________
1 Verwijzing naar voorschriften voor het hydrostatisch gebalanceerd beladen van tankschepen, zoals goedgekeurd met resolutie MEPC.64(36).
(Amendement 15)
Artikel 4, lid 2
   2. Andere constructieve of operationele voorzieningen zoals hydrostatisch gebalanceerd beladen als bedoeld in Voorschrift 13G(7) van bijlage I bij MARPOL 73/78 worden niet toegestaan als alternatieven voor het voldoen aan de eisen van lid 1.
Schrappen
(Amendement 16)
Artikel 5
Artikel 5
Differentiële heffing van haven- en loodsrechten voor dubbelwandige en enkelwandige olietankers
Schrappen
   1. De lidstaten zorgen ervoor dat havenautoriteiten en loodsautoriteiten bij het aanrekenen van haven- en loodsrechten aan olietankers een differentiële heffing toepassen in de zin dat:
- de rechten voor dubbelwandige olietankers ten minste verlaagd worden met de in de bijlage vermelde percentages ten opzichte van de rechten die worden toegepast op enkelwandige olietankers met hetzelfde draagvermogen en een levensduur van minder dan 5 jaar, en
- de rechten voor enkelwandige olietankers ten minste verhoogd worden met de in de bijlage vermelde percentages ten opzichte van de rechten die worden toegepast op enkelwandige olietankers met hetzelfde draagvermogen en een levensduur van minder dan 5 jaar.
   2. Wanneer de haven- en loodsrechten op een andere basis dan draagvermogen worden aangerekend, zorgen de lidstaten ervoor dat de door havenautoriteiten en loodsautoriteiten toegepaste heffingsregeling voorziet in ten minste dezelfde percentages verlaging van de rechten voor dubbelwandige olietankers en verhoging van de rechten voor enkelwandige olietankers als vermeld in lid 1.
   3. De differentiële heffingsregeling voor haven- en loodsrechten mag niet langer worden toegepast op de laatste van de data als genoemd in artikel 4.
(Amendement 17)
Artikel 7
Artikel 7
Controle en verslaglegging
Schrappen
   1. De lidstaten gaan geregeld na of de havenautoriteiten en de loodsautoriteiten de differentiële heffingsregeling als bedoeld in artikel 5 correct toepassen.
   2. De lidstaten doen de Commissie jaarlijks een verslag toekomen over de resultaten van deze controle, inclusief de inbreuken die door hun havenautoriteiten en loodsautoriteiten zijn begaan. Het verslag wordt uiterlijk 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarop het betrekking heeft, ingediend.
(Amendement 18)
Artikel 8
   1. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 12, lid 1, van richtlijn 93/75/EEG van de Raad1 .
   1. De Commissie wordt bijgestaan door een regelgevend comité volgens de procedure van artikel 5 van besluit 1999/468/EG, met inachtneming van de artikelen 7 en 8 daarvan.
   2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, geldt de regelgevingsprocedure van artikel 5 van besluit 1999/468/EG van de Raad, overeenkomstig artikel 7, lid 3, en artikel 8 daarvan.
3 . De periode als bedoeld in artikel 5, lid 6, van besluit 1999/468/EG bedraagt drie maanden.
2 . De in artikel 5, lid 6 van besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
__________
Richtlijn 93/75/EEG van de Raad betreffende de minimumeisen voor schepen die gezamelijk of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap van (PB L 247 van 5.10.1993, blz.19.)
(Amendement 19)
Artikel 9, lid 2
   2. De percentages van de verlagingen en verhogingen van de differentiële heffingsregeling voor haven- en loodsrechten in de bijlage kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 8 worden gewijzigd, om rekening te houden met het tempo en de mate waarin enkelwandige olietankers tijdens de invoeringsperiode door dubbelwandige olietankers worden vervangen.
Schrappen
(Amendement 20)
Bijlage
Door de Commissie voorgestelde tekst
____________________________________________________________________________
Differentiële heffing van haven- en loodsrechten voor dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers en enkelwandige olietankers.
Minimum percentages verlagingen en verhogingen toe te passen als bepaald in artikel 5.

Levensduur van het schip

0-5

5-10

10-15

15-20

20-25

25 en ouder

Verlaging voor dubbelwandige of gelijkwaardig ontworpen olietankers

   -
25%

   -
20%

   -
15%

10%

   -
5%

Geen

Verhoging voor enkelwandige olietankers

geen

+10%

+15%

+20%

+25%

+30%

Amendement van het Parlement
____________________________________________________________________________
Schrappen

(Amendement 21)
Bijlage (nieuw)
Bijlage
   A. Bijzondere inspectieregeling voor tankers van categorie 1 (ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die niet voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78) en tankers van categorie 2 (ruwe-olietankers van 20.000 ton massa en meer en productentankers van 30.000 ton massa en meer die voldoen aan de eisen voor een nieuwe olietanker van de Voorschriften 13, 13B, 13E en 18(4) van bijlage I bij MARPOL 73/78) als voorwaarde voor exploitatie na het jaar 2005 respectievelijk 2010.
   1. De speciale inspectie moet worden uitgevoerd in combinatie met de laatste intensieve jaarlijkse, tussentijdse of periodieke controle die vóór de uiterste datum, te weten 1 januari 2005 respectievelijk 1 januari 2010, wordt uitgevoerd, en moet overeenkomstig de Keuringsregeling scheepvaart (Condition Assessment Scheme - CAS) geschieden. Indien deze speciale inspectie gunstig resultaat oplevert, mag het schip in de vaart blijven. In geen geval mag het schip in de vaart blijven na 1 januari 2007 respectievelijk 1 januari 2015.
   2. De speciale inspectie moet worden uitgevoerd door een classificatiebureau, maar niet de organisatie die de lidstaat waarvan het schip de vlag voert heeft erkend voor de intensieve inspecties die nodig zijn voor de uitgifte van de registratiecertificaten van het schip. Het voornaamste doel van de speciale inspectie door een ander classificatiebureau dan de organisatie die de lidstaat waarvan het schip de vlag voert heeft erkend, is de certificatie van de meest recente diktemetingen die deze laatste organisatie heeft uitgevoerd, alsmede certificatie van de inspectie van de buitenromp van het schip als vereist volgens de HSSC-normen (IMO resolutie A. 746(18) Richtsnoeren voor de inspectie volgens het geharmoniseerde systeem voor inspectie en certificatie) (in droogdok of onder water), en om nogmaals de sterkte van de steunbalken te berekenen op basis van de verkregen diktemetingen.
   3. Indien het andere classificatiebureau tijdens de speciale inspectie stuit op belangrijke corrosie of structurele defecten die volgens de dienst de structurele integriteit van het schip kunnen aantasten, moeten herstelwerkzaamheden worden verricht naar tevredenheid van deze erkende organisatie, voordat het schip langer dan tot 1 januari 2005 respectievelijk 1 januari 2010 in de vaart mag worden gehouden volgens het bepaalde in artikel 1. Zo nodig voert de andere erkende organisatie een aanvullende inspectie uit om zich te vergewissen van de voltooiing en de kwaliteit van de vereiste herstelwerkzaamheden. Indien de andere erkende organisatie tijdens de speciale inspectie stuit op geringe corrosie of structurele gebreken die volgens deze organisatie geen afbreuk kunnen doen aan de structurele integriteit van het schip, ziet deze inspectiedienst toe op de verdere ontwikkeling van deze gebreken door deze jaarlijks te controleren.
   4. Schepen van deze categorie die vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening dienen te zijn voorzien van certificaten waaruit blijkt dat de speciale inspectie(s) tot tevredenheid van de erkende certificatie-organisatie is/zijn uitgevoerd en waarin tevens de resultaten van de inspectie zijn vermeld.
   B. Deze bijlage wordt volgens de procedure van artikel 8 aangepast aan de binnen de IMO tot stand gekomen overeenkomst.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (COM(2000) 142 - C5-0173/2000 - 2000/0067(COD) )
P5_TA(2000)0533A5-0344/2000

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

-  gezien het voorstel en het gewijzigde voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 142 (2) ,

-  gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 80, lid 2 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0173/2000 ),

-  gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5-0344/2000 ),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen, of als mocht blijken dat de wijziging van het MARPOL-Verdrag, die de IMO voor april 2001 heeft aangekondigd, niet tot stand komt of op essentiële punten afwijkt van deze verordening;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 121.
(2) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 121.


Inspectie en controle van schepen (hiermee belaste organisaties, desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties) ***I
Tekst
Resolutie
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van richtlijn 94/57/EG van de Raad inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (COM(2000) 142 - C5-0175/2000 - 2000/0066(COD) )
P5_TA(2000)0534A5-0342/2000

Dit voorstel wordt als volgt gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst(1)   Amendementen van het Parlement
(Amendement 1)
Overweging 12
   (12) Tevens kan het permanent toezicht op de erkende organisaties dat dient om te beoordelen of zij zich houden aan de bepalingen van Richtlijn 94/57/EG, doeltreffender worden, als het volgens een geharmoniseerde en gecentraliseerde aanpak gebeurt. Daarom dient deze taak namens de gehele Gemeenschap te worden opgedragen aan de Commissie en de lidstaat die de erkenning voorstelt.
   (12) Tevens kan het permanent toezicht op de erkende organisaties dat dient om te beoordelen of zij zich houden aan de bepalingen van Richtlijn 94/57/EG, doeltreffender worden, als het volgens een geharmoniseerde en gecentraliseerde aanpak gebeurt. Daarom dient deze taak namens de gehele Unie te worden opgedragen aan de Commissie en de lidstaat die de erkenning voorstelt.
(Amendement 2)
Overweging 18
   (18) Aangezien transparantie en uitwisseling van informatie tussen de betrokken partijen voor de voorkoming van ongevallen op zee van fundamenteel belang is , dienen de erkende organisaties alle relevante informatie over de staat van de schepen in hun klasse aan de autoriteiten van de havenstaatcontrole te verstrekken.
   (18) Aangezien transparantie en uitwisseling van informatie tussen de betrokken partijen en het recht op openbare toegang tot informatie voor de voorkoming van ongevallen op zee van fundamenteel belang zijn , dienen de classificatiebureaus alle relevante informatie over de staat van de schepen in hun klasse aan de autoriteiten van de havenstaatcontrole te verstrekken. Tevens dient deze informatie in het algemeen openbaar te worden gemaakt.
(Amendement 3)
Overweging 20
   (20) Tot de kwalitatieve criteria waaraan de technische organisaties moeten voldoen om op communautair niveau te worden erkend en deze erkenning te behouden, behoort ook de bepaling dat uitsluitend fulltime-inspecteurs de wettelijk voorgeschreven taken mogen uitvoeren waartoe de organisatie gemachtigd is . De organisatie moet al haar personeel en kantoren, ook de regionale kantoren, goed onder controle hebben, en moet haar eigen prestatiedoelen en -indicatoren op veiligheids- en verontreinigingspreventiegebied vaststellen. De organisatie moet een systeem opzetten voor het meten van de kwaliteit van haar diensten. Richtlijn 94/57/EG dient in die zin te worden gewijzigd.
   (20) Tot de kwalitatieve criteria waaraan de technische organisaties moeten voldoen om op communautair niveau te worden erkend en deze machtiging te behouden, behoort ook de bepaling dat uitsluitend fulltime-inspecteurs de wettelijk voorgeschreven taken op het gebied van inspectie en controle in verband met de afgifte van veiligheidscertificaten mogen uitvoeren. De organisatie moet al haar personeel en kantoren, ook alle bijkantoren en dependances binnen en buiten de Gemeenschap, goed onder controle hebben, en moet haar eigen prestatiedoelen en -indicatoren op veiligheids- en verontreinigingspreventiegebied vaststellen. De organisatie moet een systeem opzetten voor het meten van de kwaliteit van haar diensten. Richtlijn 94/57/EG dient in die zin te worden gewijzigd.
(Amendement 4)
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis) Met een classificatiebureau dat op enigerlei wijze zakelijke, persoonlijke of familiaire banden onderhoudt met de eigenaar of reder van het schip, mag geen contract worden gesloten. Dezelfde onverenigbaarheid moet gelden voor inspecteurs die door classificatiebureaus worden aangetrokken.
(Amendement 5)
Overweging 20 ter (nieuw)
(20 ter) Niets in deze richtlijn mag worden uitgelegd als uitzondering op de absolute en niet-overdraagbare plicht van de scheepseigenaar om zorg te dragen voor het onderhoud en de exploitatie van zeewaardige schepen,
(Amendement 6)
ARTIKEL 1, PUNT 1
Artikel 2 (Richtlijn 94/57/EG)
   1. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
   1. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
   a) in punt b) worden de woorden "met inbegrip van een bij Euros geregistreerd schip, zodra dit register door de Raad is goedgekeurd” geschrapt;
   a) in punt b) worden de woorden "met inbegrip van een bij Euros geregistreerd schip, zodra dit register door de Raad is goedgekeurd” geschrapt;
   a bis) in punt c) wordt het woord "vereiste” vervangen door de zinsnede "verplicht uit te voeren”;
   b) in punt d) worden de woorden "die op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn van toepassing zijn” vervangen door "op 1 juli 2000 van toepassing zijn”.
   b) in punt d) worden de woorden "die op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn van toepassing zijn” vervangen door "die op het tijdstip dat deze richtlijn laatstelijk werd gewijzigd van toepassing zijn”.
   b bis) in punt i) worden de woorden "overeenkomstig haar regels en voorschriften” vervangen door " overeenkomstig door haarzelf van tevoren opgestelde en openlijk onderschreven regels en voorschriften”.
   b ter) in punt j) komen de woorden “en gedurende een overgangsperiode die op 1 februari 1999 afloopt het radiotelegrafieveiligheidscertificaat voor vrachtschepen omvat” te vervallen.
(Amendement 7)
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3, lid 1 (richtlijn 94/57/EG)
   2. Artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
   2. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
Aan het einde van het lid wordt de volgende zin toegevoegd: "De lidstaten gaan te werk overeenkomstig de bepalingen van de Bijlage en het Aanhangsel Resolutie A.847 (20) van de IMO betreffende richtlijnen ter ondersteuning van de vlaggenstaten bij de toepassing van IMO-instrumenten”.
   a) Aan het einde van lid 1 wordt de volgende zin toegevoegd: "De lidstaten gaan te werk overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Bijlage en het Aanhangsel Resolutie A.847 (20) van de IMO betreffende richtlijnen ter ondersteuning van de vlaggenstaten bij de toepassing van IMO-instrumenten”.
   b) Lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
Punt i) komt als volgt te luiden:
"i) de volledige of gedeeltelijke uitvoering van officiële inspecties en controles, namens de maritieme instantie , in verband met certificaten, met inbegrip van die welke noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de naleving van artikel 14, en, wanneer van toepassing, voor het afgeven en vernieuwen van de betrokken certificaten , aan organisaties te delegeren of”
In punt ii) wordt de zinsnede "vertrouwt hij deze taken alleen toe aan erkende organisaties” vervangen door: "deze taken alleen aan erkende organisaties te delegeren”.
(Amendementen 8, 23 en 24)
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 4 (richtlijn 94/57/EG)
   3. Artikel 4 wordt vervangen door de volgende tekst:
“1. De lidstaten kunnen bij de Commissie een verzoek om erkenning indienen voor de organisaties die aan de criteria van de bijlage en de bepalingen van artikel 14, leden 2, 4 en 5 voldoen. De lidstaten verstrekken aan de Commissie complete informatie over, en bewijzen van, de naleving van deze voorschriften . De Commissie verricht vervolgens een inspectie van de organisaties waarvoor een verzoek om erkenning is ontvangen, om na te gaan of de organisaties aan bovengenoemde voorschriften voldoen. Bij de beslissing over de erkenning wordt rekening gehouden met de in artikel 9 bedoelde gegevens over de prestaties van de organisatie op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie. De erkenning wordt door de Commissie verleend volgens de procedure van artikel 7.
   3. Artikel 4 wordt vervangen door de volgende tekst:
“1. De lidstaten die een nog niet erkende organisatie willen machtigen dienen een aanvraag voor erkenning in bij de Commissie, samen met informatie over en bewijs van de naleving van de criteria van de bijlage en informatie over de wijze waarop zij zich verbinden aan de bepalingen van artikel 14, leden 2, 4 en 5. De Commissie voert vervolgens, samen met de betreffende aanvragende landen, een controle-onderzoek uit naar de organisaties waarvoor een verzoek om erkenning is ontvangen, om na te gaan of de organisaties aan bovengenoemde voorschriften voldoen en zich hieraan hebben gebonden . Bij de beslissing over de erkenning wordt rekening gehouden met de in artikel 9 bedoelde gegevens over de prestaties van de organisatie op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie. De erkenning wordt door de Commissie verleend volgens de procedure van artikel 7..
   2. De lidstaten kunnen bij de Commissie een verzoek indienen voor een tot drie jaar beperkte erkenning voor organisaties die voldoen aan alle criteria van de Bijlage behalve die van de punten 2 en 3 van het hoofdstuk "Algemene criteria” van de Bijlage. De in lid 1 genoemde procedure is hier eveneens van toepassing, met dien verstande dat de organisatie tijdens de inspectie aan alle criteria van de bijlage moet worden getoetst, behalve aan die van de punten 2 en 3 van het hoofdstuk "Algemene criteria”. De rechtsgeldigheid van deze erkenning is beperkt tot de lidstaten die de erkenning hebben aangevraagd.
   2. De lidstaten kunnen bij de Commissie een bijzonder verzoek indienen voor een tot drie jaar beperkte erkenning voor organisaties die voldoen aan alle criteria van de Bijlage behalve die van de punten 2 en 3 van hoofdstuk A "Algemene minimum criteria” van de Bijlage. De in lid 1 genoemde procedure is hier eveneens van toepassing, met dien verstande dat de organisatie tijdens het controle-onderzoek door de Commissie en de betrokken lidstaat aan alle criteria van de bijlage moet worden getoetst, behalve aan die van de punten 2 en 3 van hoofdstuk A "Algemene minimum criteria”. De rechtsgeldigheid van een dergelijke tijdelijke erkenning is beperkt tot de lidstaten die de erkenning hebben aangevraagd.
   3. Op alle organisaties die erkend zijn zal, mede met het oog op verlenging van de in lid 2 bedoelde tijdelijke erkenning, nauwlettend toezicht worden uitgeoefend door het krachtens artikel 7 opgericht comité. Bij een besluit tot verlenging van de erkenning wordt geen rekening gehouden met de criteria van de punten 2 en 3 van het hoofdstuk "Algemene criteria” van de Bijlage, omdat gekeken wordt naar de in artikel 9 bedoelde prestatiegegevens op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie. In het besluit wordt vermeld onder welke voorwaarden de verlenging wordt toegekend, met name waar het gaat om de in lid 2 voorziene beperking van de rechtsgeldigheid van de erkenning .
   3. Op alle organisaties die erkend zijn zal, nauwlettend toezicht worden uitgeoefend door het krachtens artikel 7 opgericht comité. Dit geldt met name voor de organisaties waarnaar wordt verwezen in lid 2, met het oog op een eventueel besluit tot verlenging van de tijdelijke erkenning. Bij een besluit tot verlenging van de erkenning voor laatstgenoemde organisaties wordt geen rekening gehouden met de criteria van de punten 2 en 3 van hoofdstuk A "Algemene minimum criteria” van de Bijlage, doch met de in artikel 9, lid 2, bedoelde prestatiegegevens op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie. Bij een besluit tot verlenging worden - indien van toepassing- de voorwaarden vermeld waar onder de verlenging wordt toegekend.
3 bis. De Commissie zorgt voor een grondige controle op elk classificatiebureau waarvan het ongevallenpercentage van de geklasseerde schepen te hoog is, eventueel gevolgd door intrekking van de erkenning indien van de zijde van het classificatiebureau corrigerende maatregelen achterwege blijven.
3 ter. De Commissie zorgt voor strikte regels en voor middelen voor het uitoefenen van controles op de staat van onderhoud van de schepen, teneinde de verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren te vergroten.
   4. Door de Commissie wordt overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 een lijst van erkende organisaties opgesteld en bijgewerkt. De lijst wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
   4. Door de Commissie wordt overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 een lijst van erkende organisaties opgesteld en bijgewerkt. De lijst wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
   5. De organisaties die op de dag van inwerkingtreding van deze richtlijn reeds erkend waren op grond van Richtlijn 94/57/EG blijven erkend. Of ze voldoen aan de nieuwe bepalingen van deze richtlijn zal bij de in artikel 11 bedoelde eerste inspecties worden beoordeeld.”
   5. De organisaties die op de dag van inwerkingtreding van deze richtlijn reeds erkend waren op grond van Richtlijn 94/57/EG blijven erkend. Van deze organisaties zal echter naleving worden geëist van de nieuwe bepalingen van deze richtlijn, hetgeen bij de in artikel 11 bedoelde eerste controle-onderzoeken zal worden beoordeeld.”
(Amendement 9)
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 5 (richtlijn 94/57/EG)
   4. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
   4. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
   a) In lid 1 wordt de vermelding "artikel 3, lid 2, onder 1 )" vervangen door "artikel 3, lid 2, onder 2)", en de woorden "in de Gemeenschap gevestigde” worden geschrapt.
   a) In lid 1 wordt de vermelding "artikel 3, lid 2, onder i )" vervangen door "artikel 3, lid 2, onder 2)", wordt het woord "machtigen” vervangen door "accrediteren”, worden de woorden "in de Gemeenschap gevestigde” geschrapt en wordt de zinsnede "…om bovenvermelde taken uit te voeren” vervangen door "…voor de uitvoering van bovenvermelde taken” .
   b) Lid 2 wordt geschrapt.
   b) Lid 2 wordt geschrapt.
   c) Lid 3 wordt lid 2, het zinsdeel "zijnerzijds de in de Gemeenschap gevestigde erkende organisaties erkent” wordt vervangen door "de in de Gemeenschap gevestigde erkende organisaties op basis van wederkerigheid behandelt”. Aan het einde van het lid wordt de volgende zin toegevoegd: "Voorts kan de Europese Gemeenschap verlangen dat het derde land de in de Gemeenschap gevestigde erkende organisaties op basis van wederkerigheid behandelt”.
   c) Lid 3 wordt lid 2 en blijft als volgt luiden: "2. Een lidstaat kan aan het machtigen van een in een derde Staat gevestigde organisatie tot uitvoering van de in artikel 3 vermelde taken of een gedeelte daarvan de voorwaarde verbinden dat de betrokken derde Staat zijnerzijds de in de Gemeenschap gevestigde erkende organisaties erkent. Voorts kan de Europese Gemeenschap verlangen dat het derde land de in de Gemeenschap gevestigde erkende organisaties op basis van wederkerigheid behandelt”.
(Amendement 10)
ARTIKEL 1, PUNT 5, SUB a)
Artikel 6, lid 2, tweede streepje i), ii) en iii) (richtlijn 94/57/EG)
   i) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor verlies van of schade aan goederen, persoonlijk letsel of dood in verband met een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door opzet, verzuim of grove nalatigheid van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadevergoeding door de erkende organisatie in de mate waarin verlies, schade, letsel of dood naar het oordeel van de rechtbank, door de erkende organisatie is veroorzaakt;
   i) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden in verband met verlies van of schade aan goederen, persoonlijk letsel of dood als gevolg van een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door opzet, verzuim of grove nalatigheid van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op financiële compensatie door de erkende organisatie in de mate waarin verlies, schade, letsel of dood naar het oordeel van de rechtbank, door de erkende organisatie is veroorzaakt .
   (ii) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor persoonlijk letsel of dood in verband met een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door nalatigheid, roekeloosheid of verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadevergoeding door de erkende organisatie tot een bedrag van ten hoogste 5 miljoen euro in de mate waarin genoemd letsel of de dood naar het voordeel van de rechtbank door de erkende organisatie is veroorzaakt;
   (ii) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden in verband met persoonlijk letsel of dood in als gevolg van een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door nalatigheid, roekeloosheid of verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op financiële compensatie door de erkende organisatie tot een bedrag van ten hoogste 5 miljoen euro in de mate waarin genoemd letsel of de dood naar het voordeel van de rechtbank door de erkende organisatie is veroorzaakt. Dit bedrag wordt uiterlijk drie jaar na goedkeuring van de richtlijn door het Europees Parlement en de Raad herzien op basis van een verslag van de Commissie en aan de hand van de ervaringen die de lidstaten en de Commissie hebben opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn en toekomstige communautaire voorschriften inzake aansprakelijkheid van de maritieme actoren. In het verslag wordt vermeld of ten aanzien hiervan voorstellen noodzakelijk zijn.
   (iii) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor verlies van of schade aan goederen in verband met een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door nalatigheid, roekeloosheid of verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadevergoeding door de erkende organisatie tot een bedrag van ten hoogste 2,5 miljoen euro in de mate waarin het verlies of de schade naar het oordeel van de rechtbank door de erkende organisatie is veroorzaakt;
   (iii) indien de overheid in laatste instantie door een rechtbank aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden in verband met verlies van of schade aan goederen als gevolg van een incident, waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door nalatigheid, roekeloosheid of verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op financiële compensatie door de erkende organisatie tot een bedrag van ten hoogste 2.5 miljoen euro in de mate waarin het verlies of de schade naar het oordeel van de rechtbank door de erkende organisatie is veroorzaakt. Dit bedrag wordt uiterlijk drie jaar na goedkeuring van de richtlijn herzien op basis van een verslag van de Commissie en aan de hand van de ervaringen die de lidstaten en de Commissie hebben opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn en toekomstige EU-voorschriften inzake aansprakelijkheid van de maritieme actoren. In het verslag wordt vermeld of ten aanzien hiervan voorstellen noodzakelijk zijn.
(Amendement 11)
ARTIKEL 1, PUNT 6
Artikel 7 (richtlijn 94/57/EG) Vierde alinea
Dit comité wordt minstens éénmaal per jaar door de Commissie bijeengeroepen, alsmede wanneer dit vereist is in verband met de schorsing van de machtiging van een organisatie door een lidstaat, of de schorsing van een erkenning door de Commissie krachtens het bepaalde in artikel 10. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.”
Dit comité wordt minstens éénmaal per jaar door de Commissie bijeengeroepen, en voorts wanneer zulks vereist is in verband met de schorsing van de machtiging van een organisatie door een lidstaat, of de schorsing van een erkenning door de Commissie krachtens het bepaalde in artikel 10, of wanneer een besluit moet worden genomen over verlenging van tijdelijke erkenningen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 2. Het comité stelt zijn reglement van orde vast en voert ter verbetering van de transparantie jaarlijks met alle betrokkenen overleg over de in artikel 9 genoemde middelen waarmee de prestaties worden gemeten .
(Amendement 12)
ARTIKEL 1, PUNT 7, ALINEA BIS (NIEUW)
Artikel 8, lid 1 (richtlijn 94/57/EG)
Toevoeging van een derde streepje:
"- de herziening van de bedragen genoemd in de punten ii) en iii) van artikel 6, lid 2, tweede streepje”
(Amendement 13)
ARTIKEL 1, PUNT 10
Artikel 11 (richtlijn 94/57/EG)
   10. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
   a) In lid 1 wordt de volgende tekst geschrapt: "en dat zij voldoen aan de criteria in de bijlage. Dit kan hij nagaan door zijn bevoegde instantie rechtstreeks toezicht te laten houden op de erkende organisaties of, indien deze in een andere lidstaat gevestigd zijn, door voor dit toezicht een beroep te doen op de toezichthoudende instantie van de betrokken lidstaat.”
   10. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
   a) In lid 1 wordt de volgende tekst geschrapt: "en dat zij voldoen aan de criteria in de bijlage. Dit kan hij nagaan door zijn bevoegde instantie rechtstreeks toezicht te laten houden op de erkende organisaties of, indien deze in een andere lidstaat gevestigd zijn, door voor dit toezicht een beroep te doen op de toezichthoudende instantie van de betrokken lidstaat.”
   b) In lid 2 worden de woorden “Iedere lidstaat voert daartoe tweejaarlijkse controles uit” vervangen door “Iedere lidstaat voert daartoe minstens om de twee jaar controles uit”.
   b) lid 2 wordt geschrapt
   c) De leden 3 en 4 worden geschrapt.
   c) De leden 3 en 4 worden geschrapt.
   d) Toegevoegd wordt het nu volgende lid 3 :
   d) Toegevoegd worden de volgende leden 1 bis en 1 ter:
"3 . De Commissie inspecteert regelmatig en tenminste om de drie jaar samen met de lidstaat die de desbetreffende erkenningsaanvraag heeft ingediend alle erkende organisaties, om na te gaan of zij aan de criteria van de bijlage voldoen. De Commissie baseert zich bij de keuze van te inspecteren organisaties vooral op de veiligheids- en verontreinigingspreventie-score van de organisatie, het ongevallencijfer, en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 12 geproduceerde prestatierapporten. De inspectie kan een bezoek aan regionale vestigingen van de organisatie en aselecte en gedetailleerde inspecties van schepen omvatten. De Commissie verschaft de lidstaten een rapport met de resultaten van de inspectie.”
"1 bis . De Commissie inspecteert regelmatig en tenminste om de twee jaar samen met de lidstaat die de desbetreffende erkenningsaanvraag heeft ingediend en met de landen die aan organisaties een vergunning hebben afgegeven, alle erkende organisaties, om na te gaan of zij aan de criteria van de bijlage voldoen. De Commissie baseert zich bij de keuze van te inspecteren organisaties vooral op de veiligheids- en verontreinigingspreventie-score van de organisatie, het ongevallencijfer, en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 12 geproduceerde prestatierapporten. De inspectie kan een bezoek aan regionale vestigingen van de organisatie en aselecte en gedetailleerde inspecties van schepen omvatten. De Commissie verschaft de lidstaten een rapport met de resultaten van de inspectie.
1 ter) Elke erkende organisatie legt de resultaten van het "Quality System Management Review” jaarlijks voor aan het in artikel 7 genoemde comité.”
(Amendement 14)
ARTIKEL 1, PUNT 11
Artikel 12 (richtlijn 94/57/EG)
   11. Artikel 12 wordt vervangen door de volgende tekst:
“Bij de uitoefening van hun inspectierechten en het nakomen van hun verplichtingen als havenstaat melden de lidstaten het aan de Commissie en de overige lidstaten wanneer zij ontdekken dat door namens een vlaggenstaat optredende organisaties geldige certificaten zijn afgegeven aan een schip dat niet aan de desbetreffende bepalingen van de internationale overeenkomsten voldoet, of dat een schip met een geldig klassecertificaat een tekortkoming heeft die valt onder de in dat certificaat vermelde kenmerken. Alleen gevallen van schepen die een ernstig gevaar betekenen voor veiligheid en milieu of waarbij sprake is van ernstige nalatigheid van de kant van de organisaties worden op grond van dit artikel gemeld.”
   11. Artikel 12 wordt vervangen door de volgende tekst:
“Bij de uitoefening van hun inspectierechten en het nakomen van hun verplichtingen als havenstaat melden de lidstaten het aan de Commissie en de overige lidstaten wanneer zij ontdekken dat door namens een vlaggenstaat optredende organisaties geldige certificaten zijn afgegeven aan een schip dat niet aan de desbetreffende bepalingen van de internationale overeenkomsten voldoet, of dat een schip met een geldig klassecertificaat een tekortkoming heeft die valt onder de in dat certificaat vermelde kenmerken. Alleen gevallen van schepen die een ernstig gevaar betekenen voor veiligheid en milieu of waarbij sprake is van ernstige nalatigheid van de kant van de organisaties worden op grond van dit artikel gemeld. De erkende organisatie in kwestie wordt bij de eerste inspectie op deze situatie gewezen, zodat zij onmiddellijk de nodige maatregelen kan treffen.”
(Amendement 15)
ARTIKEL 1, PUNT 13 bis (nieuw)
Artikel 13 (ex 14) (richtlijn 94/57/EG)
13 bis. Aan het eind van lid 2 van artikel 13 wordt "artikel 13" vervangen door "artikel 7".
(Amendement 16)
ARTIKEL 1, PUNT 14
Artikel 14 (ex 15) (richtlijn 94/57/EG)
   14. Artikel 14, leden 3 en 4, wordt vervangen door de volgende tekst :
   14. Artikel 14 wordt vervangen door de volgende tekst:
"1. De erkende organisaties plegen onderling overleg met het oog op het in stand houden van de gelijkwaardigheid van hun technische normen en van de toepassing daarvan, overeenkomstig het bepaalde in IMO Resolutie A.847 (20). Zij brengen bij de Commissie periodiek verslag uit over belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de normen.
   2. De erkende organisaties moeten zich bereid tonen om samen te werken met de instanties van de havenstaatcontrole met betrekking tot een door hen geklasseerd schip, met name om de correctie van gerapporteerde tekortkomingen of andere afwijkingen te vergemakkelijken.
"3. De erkende organisaties verschaffen alle relevante informatie over de door hen geklasseerde vloot, de veranderingen, schorsingen en intrekkingen van klasse, aan de overheidsinstantie en de Commissie, ongeacht de vlag waaronder de schepen varen. De informatie over alle achterstallige onderzoeken, de nog niet opgevolgde aanbevelingen, de klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan de door hen geklasseerde schepen zijn opgelegd - ongeacht de vlag waaronder de schepen varen - wordt ook doorgegeven aan het Sirenac informatiesysteem voor inspecties in het kader van de havenstaatcontrole.
   3. De erkende organisaties verschaffen de overheidsinstantie, alle lidstaten die aan hen een in artikel 3 vermelde vorm van machtiging hebben verstrekt, en de Commissie, alle relevante informatie over de door hen geklasseerde vloot, de veranderingen, schorsingen en intrekkingen van klasse, aan , ongeacht de vlag waaronder de schepen varen. De informatie over alle achterstallige onderzoeken, de nog niet opgevolgde aanbevelingen, de klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan de door hen geklasseerde schepen zijn opgelegd - ongeacht de vlag waaronder de schepen varen - wordt ook doorgegeven aan het Sirenac informatiesysteem voor inspecties in het kader van de havenstaatcontrole en wordt tevens gepubliceerd op de website van deze organisaties .
   4. De erkende organisaties geven geen certificaten af voor een schip - ongeacht de vlag waaronder het vaart - dat om veiligheidsredenen is gedeclasseerd of van klasse verandert alvorens de bevoegde instantie van de vlaggen staat in te lichten , opdat kan worden bepaald of een volledige inspectie noodzakelijk is.”
   4. De erkende organisaties geven geen certificaten af voor een schip - ongeacht de vlag waaronder het vaart - dat om veiligheidsredenen is gedeclasseerd of van klasse verandert, alvorens de bevoegde instantie van de vlagstaat in de gelegenheid te stellen binnen 24 uur haar standpunt kenbaar te maken, opdat kan worden bepaald of een volledige inspectie noodzakelijk is.
Toegevoegd wordt het nu volgende lid 5:
"5. Wanneer een schip van de ene erkende organisatie naar de andere overgaat, stelt de overdragende organisatie de opnemende organisatie in kennis van alle achterstallige onderzoeken, de nog niet opgevolgde aanbevelingen, de klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan de door hen geklasseerde schepen zijn opgelegd. Bij de overdracht bezorgt de afgevende organisatie de opnemende organisatie het complete dossier van het schip. De opnemende organisatie mag de scheepscertificaten pas afgeven, nadat alle achterstallige onderzoeken naar behoren zijn voltooid en aan alle niet opgevolgde aanbevelingen of eerder aan het schip opgelegde klassevoorwaarden is voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de overdragende organisatie. Alvorens tot afgifte van de certificaten over te gaan moet de overnemende organisatie de overdragende organisatie op de hoogte stellen van de datum van afgifte van de certificaten, en bevestigt de datum, plaats en maatregelen die zijn genomen om ieder achterstallig onderzoek te verrichten, en aan iedere nog niet opgevolgde aanbeveling en exploitatievoorwaarde te voldoen. Met het oog op een goede toepassing van de bepalingen van dit lid werken de erkende organisaties met elkaar samen.”
   5. Wanneer een schip van de ene erkende organisatie naar de andere overgaat, stelt de overdragende organisatie de opnemende organisatie in kennis van alle achterstallige onderzoeken, de nog niet opgevolgde aanbevelingen, de klassevoorwaarden, exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen die aan de door hen geklasseerde schepen zijn opgelegd. Bij de overdracht bezorgt de afgevende organisatie de opnemende organisatie het complete dossier van het schip. De opnemende organisatie mag de scheepscertificaten pas afgeven, nadat alle achterstallige onderzoeken naar behoren zijn voltooid en aan alle niet opgevolgde aanbevelingen of eerder aan het schip opgelegde klassevoorwaarden is voldaan overeenkomstig de aanwijzingen van de overdragende organisatie. Alvorens tot afgifte van de certificaten over te gaan moet de overnemende organisatie de overdragende organisatie op de hoogte stellen van de datum van afgifte van de certificaten, en bevestigt de datum, plaats en maatregelen die zijn genomen om ieder achterstallig onderzoek te verrichten, en aan iedere nog niet opgevolgde aanbeveling en exploitatievoorwaarde te voldoen. Met het oog op een goede toepassing van de bepalingen van dit lid werken de erkende organisaties met elkaar samen.”
(Amendement 17)
ARTIKEL 1, PUNT 15
Artikel 15 (ex 16) (Richtlijn 94/57/EG)
   15. Artikel 15, lid 3, wordt vervangen door de volgende tekst:
   15. Artikel 15 wordt vervangen door de volgende tekst:
"1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twaalf maanden na de vaststelling van deze richtlijn daaraan te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
   2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
   3. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van alle bepalingen van nationaal recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.”
   3. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van alle bepalingen van nationaal recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3 bis. Bovendien stelt de Commissie het Europees Parlement regelmatig in kennis van de voortgang van de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de lidstaten.”
(Amendement 18)
ARTIKEL 1, PUNT 16
Bijlage (richtlijn 94/57/EG)
   16. De bijlage bij de Richtlijn wordt als volgt gewijzigd:
   16. De bijlage bij de Richtlijn wordt als volgt gewijzigd:
Hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA” wordt 'A. Algemene minimumcriteria' en hoofdstuk 'B. BIJZONDERE CRITERIA' wordt 'B. bijzondere minimumcriteria'.
   a) Het woord “dient” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 2 of hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA".
   a) Het woord “dient” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 2 of hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria ".
   b) Het woord "is” in de tweede zin van punt 3 van hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA" blijft onveranderd.
   b) Het woord "is” in de tweede zin van punt 3 van hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria " blijft onveranderd.
   c) De woorden “dient...te ” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 4 van hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA".
   c) De woorden “dient...te ” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 4 van hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria ".
   d) De woorden “dient...te” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 5 van hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA". Aan het einde van het punt worden de volgende woorden toegevoegd: “of op te slaan in een elektronische databank die toegankelijk is voor alle betrokken partijen ”.
   d) De woorden “dient...te” wordt vervangen door het woord “moet” in punt 5 van hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria ". Aan het einde van het punt worden de volgende woorden toegevoegd: “of op te slaan in een elektronische databank die toegankelijk is voor het publiek ”.
   e) Het woord “mag” in de eerste en tweede zin van punt 6 van hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA" blijft onveranderd.
   e) Het woord “mag” in de eerste en tweede zin van punt 6 van hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria " blijft onveranderd.
   f) Het woord “moet” in punt 7 van hoofdstuk "A. ALGEMENE CRITERIA" blijft onveranderd.
   f) Het woord “moet” in punt 7 van hoofdstuk "A. Algemene minimumcriteria' blijft onveranderd.
   g) Na het woord "overheid” in punt 4 van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden de woorden "en de Commissie” toegevoegd.
   g) Na het woord "overheid” in punt 4 van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria' worden de woorden "en de Commissie en de betrokken partijen " toegevoegd.
   h) Aan het einde van punt 5 van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden de volgende woorden toegevoegd: “Het beleid van de organisatie moet gebaseerd zijn op prestatiedoelen en -indicatoren op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie”.
   h) Aan het einde van punt 5 van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " worden de volgende woorden toegevoegd: “Het beleid van de organisatie moet gebaseerd zijn op prestatiedoelen en -indicatoren op het gebied van veiligheid en verontreinigingspreventie, die onder directe controle van de organisatie staan.
   i) Aan het einde van punt 6, onder b) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden de volgende woorden toegevoegd: “en er wordt een intern systeem opgezet voor meting van de kwaliteit van de diensten met betrekking tot deze voorschriften en regelingen”.
   i) Aan het einde van punt 6, onder b) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " worden de volgende woorden toegevoegd: “en er wordt een intern systeem opgezet voor meting van de kwaliteit van de diensten met betrekking tot deze voorschriften en regelingen”.
   j) Aan het einde van punt 6, onder c) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden de volgende woorden toegevoegd: “en er wordt een intern systeem opgezet voor meting van de kwaliteit van de diensten met betrekking tot de naleving van de internationale verdragen”.
   j) Aan het einde van punt 6, onder c) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " worden de volgende woorden toegevoegd: “en er wordt een intern systeem opgezet voor meting van de kwaliteit van de diensten met betrekking tot de naleving van de internationale verdragen”.
   k) Punt 6, onder g) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" wordt vervangen door de volgende tekst:
“(g)grote wettelijk voorgeschreven werkzaamheden waartoe de organisatie is gemachtigd uitsluitend door eigen full-time inspecteurs of full-time inspecteurs van andere erkende organisaties worden uitgevoerd; in alle gevallen moeten de full-time inspecteurs over uitgebreide kennis beschikken van het specifieke scheepstype waarop zij de wettelijk voorgeschreven werkzaamheden verrichten, alsmede van de desbetreffende toepasselijke voorschriften;”
   k) Punt 6, onder g) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimum criteria" wordt vervangen door de volgende tekst:
“(g)grote wettelijk voorgeschreven werkzaamheden waartoe de organisatie is gemachtigd uitsluitend door eigen full-time inspecteurs of full-time inspecteurs van andere erkende organisaties worden uitgevoerd; in alle gevallen moeten de full-time inspecteurs over uitgebreide kennis beschikken van het specifieke scheepstype waarop zij de wettelijk voorgeschreven werkzaamheden verrichten, voor zover relevant voor de te verrichten specifieke controle, alsmede van de desbetreffende toepasselijke voorschriften;”
   l) Het woord “en” aan het einde van punt 6, onder I) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" wordt geschrapt.
   l) Het woord “en” aan het einde van punt 6, onder i) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " wordt geschrapt.
   m) Punt 6, onder j) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" wordt vervangen door de volgende tekst:
“(j) de organisatie in alle vestigingen een uitgebreid systeem van geplande en gedocumenteerde interne controles inzake met de kwaliteit verband houdende activiteiten toepast”.
   m) Punt 6, onder j) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " wordt vervangen door de volgende tekst:
“(j)de organisatie in alle vestigingen een uitgebreid systeem van geplande en gedocumenteerde interne controles inzake met de kwaliteit verband houdende activiteiten toepast”.
   n) Aan het einde van punt 6 van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden de twee volgende paragrafen toegevoegd:
“(k)de volgens het Geharmoniseerd Systeem van Onderzoek en Certificatie vereiste wettelijk voorgeschreven onderzoeken en inspecties waartoe de organisatie gemachtigd is, worden verricht volgens de bepalingen van de Bijlage en het Aanhangsel bij resolutie A.746 (18) van de IMO betreffende richtlijnen voor onderzoek in het kader van het Geharmoniseerd Systeem van Onderzoek en Certificatie;
   n) Aan het einde van punt 6 van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " worden de twee volgende paragrafen toegevoegd:
“(k)de volgens het Geharmoniseerd Systeem van Onderzoek en Certificatie vereiste wettelijk voorgeschreven onderzoeken en inspecties waartoe de organisatie gemachtigd is, worden verricht volgens de bepalingen van de Bijlage en het Aanhangsel bij resolutie A.746 (18) van de IMO betreffende richtlijnen voor onderzoek in het kader van het Geharmoniseerd Systeem van Onderzoek en Certificatie;
   (l) de directe bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden van hoofdkantoor en regionale kantoren van het bureau duidelijk worden afgebakend.”
   (l) de directe bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden van hoofdkantoor en regionale kantoren van het bureau , enerzijds, en van de classificatiebureaus en hun inspecteurs, anderzijds, duidelijk zijn afgebakend.”
   o) Punt 7, onder b) van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" wordt vervangen door de volgende tekst:7
“(b)alle krachtens de internationale overeenkomsten vereiste inspecties en onderzoeken voor de afgifte van de certificaten uit te voeren, waaronder de middelen voor beoordeling van - door gebruikmaking van gekwalificeerd beroepspersoneel en overeenkomstig de bepalingen van de Bijlage bij “Resolutie A.788 (19) van de IMO betreffende richtlijnen voor de tenuitvoerlegging van de Internationale Veiligheidsbeleidscode (ISM) door de overheid” - de toepassing en handhaving van het veiligheidsbeleidsysteem, zowel aan de wal als aan boord van schepen die bestemd zijn om onder de certificatie te vallen.”
   o) Punt 7, onder b) van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria " wordt vervangen door de volgende tekst:
“(b)alle krachtens de internationale overeenkomsten vereiste inspecties en onderzoeken voor de afgifte van de certificaten uit te voeren, waaronder de noodzakelijke middelen voor beoordeling van - door gebruikmaking van gekwalificeerd beroepspersoneel en overeenkomstig de bepalingen van de Bijlage bij “Resolutie A.788 (19) van de IMO betreffende richtlijnen voor de tenuitvoerlegging van de Internationale Veiligheidsbeleidscode (ISM) door de overheid” - de toepassing en handhaving van het veiligheidsbeleidsysteem, zowel aan de wal als aan boord van schepen die bestemd zijn om onder de certificatie te vallen.”
   o bis) Aan het einde van punt 8 van Hoofdstuk B "Bijzondere minimumcriteria” de volgende zin toevoegen: "Indien de hoofdzetel van de organisatie niet in de Unie is gevestigd dient deze bevestiging te worden verkregen van de lidstaat waar zij haar grootste regionale kantoor of dependance heeft, of, bij ontstentenis hiervan, van de lidstaat die als eerste een aanvraag tot erkenning van de organisatie heeft ingediend of die aan deze organisatie één van de in lid 3 bedoelde machtigingen heeft verstrekt.”
   p) De woorden “dient...te” in punt 9 van hoofdstuk "B. BIJZONDERE CRITERIA" worden vervangen door het woord “moet”.
   p) De woorden “dient...te” in punt 9 van hoofdstuk "B. Bijzondere minimumcriteria ' worden vervangen door het woord “moet”.
   p bis) Er wordt in hoofdstuk B een nieuw punt 9 bis toegevoegd:
"9 bis) Met een classificatiebureau dat op enigerlei wijze zakelijke, persoonlijke of familiaire banden onderhoudt met de eigenaar of reder van het schip, mag geen contract worden gesloten. Dezelfde onverenigbaarheid moet gelden voor inspecteurs die door classificatiebureaus worden aangetrokken. Deze onverenigbaarheid wordt in algemene termen vastgelegd in de bestuurswetgeving van de lidstaten.”
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van richtlijn 94/57/EG van de Raad inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (COM(2000) 142 - C5-0175/2000 - 2000/0066(COD) )
P5_TA(2000)0534A5-0342/2000

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

-  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 142 (2) ),

-  gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 80, lid 2 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0175/2000 ),

-  gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0342/2000 ),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 114.
(2) PB C 212 E van 25.7.2000, blz. 114.


Voorbereiding van de Europese Raad te Nice
Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de Europese Raad (Nice, 7-9 december 2000), met inbegrip van de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikel 133 van het EG-Verdrag)
P5_TA(2000)0535RC-B5-0884/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie over de voorbereiding van de Europese Raad (Nice, 7 t/m 9 december 2000),

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 maart 2000(1) en 3 oktober 2000(2) over de opstelling van een Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 april 2000(3) met zijn voorstellen voor de Intergouvernementele Conferentie,

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 30 november 2000(4) over de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt en over de vaststelling van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki(5) ,

A.  andermaal voorstellende dat de instellingen van de EU, de lidstaten en de kandidaat-landen waarmee onderhandelingen zijn gestart, alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement kan instemmen met de eerste toetredingsverdragen vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004, zodat deze landen het vooruitzicht hebben aan deze verkiezingen te kunnen deelnemen; dat zij tevens alles in het werk stellen opdat het Europees Parlement kan instemmen met de volgende verdragen in de loop van de volgende zittingsperiode,

B.  overwegende dat het Verdrag van Nice op de volgende punten zal worden beoordeeld:

   -
de mate waarin het de toetreding van nieuwe lidstaten vergemakkelijkt door de efficiency en effectiviteit van de Europese Unie te vergroten;
   -
de mate waarin het erin zal slagen Europa dichter bij de burger te brengen,

1.  spreekt zijn grote verontrusting uit over de huidige stand van zaken bij de IGC-onderhandelingen; doet een oproep tot de staatshoofden en regeringsleiders om te herinneren aan de absolute noodzaak om in Nice een overeenkomst te bereiken die met de uitbreiding als historische uitdaging in het vooruitzicht een grotere democratische legitimiteit en efficiëntie van de Unie kan waarborgen;

Een democratischer en efficiëntere Unie

2.  herinnert eraan dat stemming bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad als algemene regel van essentieel belang is, waarbij echter een uitzondering moet worden gemaakt voor constitutionele zaken; wenst dat in het Verdrag termijnen worden vastgesteld indien geen overeenkomst wordt bereikt over de onmiddellijke invoering van stemming bij gekwalificeerde meerderheid op de meest omstreden gebieden;

3.  bevestigt gehecht te zijn aan het fundamentele democratische beginsel dat de medebeslissingsprocedure moet worden uitgebreid tot alle gebieden waar stemming met gekwalificeerde meerderheid de regel is of wordt; onderstreept dat een eventuele afschaffing van de samenwerkingsprocedure, die nog geldt voor het hoofdstuk over de economische en monetaire unie, niet ten koste mag gaan van de rol van het Europees Parlement en dat ook de artikelen 99, lid 5 en 103, lid 2 van het EG-Verdrag onder de medebeslissingsprocedure moeten vallen; herinnert eraan dat voor benoemingen de instemming van het Parlement vereist moet zijn;

4.  is van mening

   -
dat over de samenstelling en werking van het Parlement, de Raad en de Commissie een omvattend akkoord moet worden bereikt, dat gebaseerd is op het beginsel van de tweeledige legitimiteit van de Unie en dat het evenwicht tussen de instellingen en een democratische en efficiënte besluitvorming kan waarborgen;
   -
dat de rol van de Commissie als stuwende kracht van het integratieproces bevestigd en vergroot moet worden en de bevoegdheid van haar voorzitter moet worden uitgebreid; dat de bevoegdheid van de Commissievoorzitter om individuele Commissieleden uit hun ambt te ontzetten voortaan in elk geval in het Verdrag moet worden erkend;
   -
dat wat het Parlement betreft thans overeenstemming moet worden bereikt over een definitieve specificatie voor EU-27 zodat deze vanaf het Parlement van 2009 kan worden toegepast; dat een eerste aanpassing moet worden gemaakt voor het Parlement 2004-2009 om enige ruimte te scheppen voor nieuwe landen die vóór en tijdens deze zittingsperiode toetreden; dat een tijdelijke, maar beperkte overschrijding van het maximumaantal van 700 tijdens de laatste paar jaar van deze zittingsperiode mogelijk moet zijn; dat de methode voor de toewijzing van zetels in het Parlement het mogelijk moet maken dat de volkeren van de Europese Unie zelfs na uitbreiding eerlijk worden vertegenwoordigd;

5.  is, omwille van de democratische controle, van mening dat de instemming van het Parlement tot bestanddeel moet worden gemaakt van de procedure voor het verlenen van toestemming voor enigerlei vorm van nauwere samenwerking, dat daarbij de rol van de Commissie moet worden uitgebreid, dat verwijzing naar de Europese Raad moet worden geschrapt en dat deelneming van minstens een derde van de lidstaten moet zijn vereist;

6.  hoopt dat overeenstemming wordt bereikt over de wijziging en aanpassing van artikel 7 van het EU-Verdrag, met het oog op de invoering van een controle- en waarschuwingssysteem voor gevallen waarin het risico bestaat dat de fundamentele beginselen waarop de Unie stoelt door een lidstaat worden geschonden; dringt erop aan dat ook het initiatiefrecht krijgt;

7.  bevestigt andermaal dat het aandringt op een grotere democratische verantwoordingsplicht bij de uitstippeling van het EU-handelsbeleid; verzoekt de IGC derhalve bijzondere aandacht te besteden aan de voorstellen van het Parlement over de externe onderhandelingsbevoegdheid inzake handel in diensten, intellectuele eigendom en investeringen, over de instemming van het Parlement met belangrijke internationale handelsakkoorden, over stemming met gekwalificeerde meerderheid in het kader van artikel 133, lid 5, over medebeslissing bij interne wetgeving ter uitvoering van de gemeenschappelijk handelspolitiek en over regelmatige informatieverstrekking aan het Parlement over internationale handelsbesprekingen;

De Unie dichter bij de burger brengen

8.  nodigt de Europese Raad uit in artikel 151 van het Verdrag een expliciete verwijzing op te nemen naar de sport en in dit artikel de specifieke rol ervan te erkennen, zodat de Europese Unie in haar optreden deze specifieke rol van de sport als cultureel en economisch fenomeen en als maatschappelijk bindmiddel tot uiting kan brengen;

9.  wenst dat het Handvest van de grondrechten in het Verdrag wordt opgenomen teneinde de plaats van de grondrechten bovenaan de communautaire rechtsorde te bevestigen; verzoekt de Europese Raad, ingeval de lidstaten in Nice geen overeenkomst over een dergelijke opname kunnen bereiken, in artikel 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie een verwijzing naar het Handvest op te nemen; meent dat voor eventuele toekomstige wijzigingen van het Handvest een procedure moet worden gevolgd naar het model van de Conventie; dringt aan op nauwere betrekkingen tussen de Europese Unie en de Raad van Europa en hun respectieve gerechtshoven, door de EU de specifieke bevoegdheid te geven om het bestaande Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens te ondertekenen;

10.  is van mening dat een bevredigende afsluiting van de IGC vergezeld moet gaan van een toezegging om een brede maatschappelijke discussie over de toekomst van Europa te stimuleren en een proces op gang te brengen met als doel in een duidelijke grondwet de oprichtingsbeginselen, het institutionele evenwicht, de bevoegdheden en de vereenvoudiging van de EU vast te leggen en, indien nog nodig, het Handvest van de grondrechten daarbij op te nemen; dat een grondwet dient te worden voorbereid door een conventie naar het model van de Conventie welke het Handvest van de grondrechten heeft opgesteld, die werkt aan de hand van een strikt tijdschema; dat het door de Commissie in te dienen document over bestuur eveneens onderwerp van deze discussies moet zijn;

Uitbreiding

11.  ondersteunt de strategie van de Commissie om ernaar te streven tegen het jaar 2002 de onderhandelingen met de verst gevorderde kandidaatlanden af te sluiten en verzoekt de Raad en de kandidaatlanden ervoor te zorgen dat dit voorgenomen scenario haalbaar is;

Veiligheid en defensie

12.  ondersteunt ten volle de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) dat de autonome capaciteit van de Unie zal vergroten om binnen een wijde operatiesfeer op te treden in het belang van vreedzame en humanitaire doeleinden; spreekt de hoop uit dat de lopende onderhandelingen tussen de lidstaten tot een geloofwaardige en praktische vernieuwing zullen leiden;

13.  doet derhalve een beroep op de komende Europese Raad om de politieke en institutionele besluiten te nemen die vereist zijn om het GEVDB in 2003 volledig operationeel te laten zijn door de definitieve GEVDB-organen (Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken (COPS), Militair Comité en Militaire Staf) in te stellen, een Raad van ministers van Defensie in het leven te roepen en dezelfde inspanning te besteden aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zij voor civiele crisisbeheersing hebben vastgelegd, met name door het opzetten van een snel inzetbaar Europees politiekorps;

Buitenlandse zaken

14.  betreurt ten zeerste dat bij de crisis in het Nabije Oosten bij beide partijen zoveel slachtoffers zijn gevallen, in meerderheid Palestijnen; betuigt zijn medeleven en solidariteit met de nabestaanden van alle slachtoffers;

15.  is ingenomen met de Verklaring van de Raad Algemene Zaken van 20 november 2000 en doet een beroep op de Europese Raad om zijn uiterste best te doen om een positieve en constructieve dialoog tussen Israël en de Palestijnen op gang te brengen, teneinde een billijke en duurzame overeenkomst te bereiken die gebaseerd is op de resoluties 242 en 338 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; wijst met name op het verzoek om een waarnemingsmissie te sturen overeenkomstig het door de Veiligheidsraad verleende mandaat;

16.  verzoekt de Europese Raad een politiek en diplomatiek initiatief te nemen om het herstel van een klimaat van wederzijds vertrouwen te bevorderen; meent dat de aangekondigde deelname van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB aan de werkzaamheden van de fact-finding commissie hiertoe een aanzienlijke bijdrage zal leveren;

17.  is krachtig voorstander van de Europese vooruitzichten die tijdens de Top van Zagreb door de Raad aan de Balkanlanden zijn geboden;

18.  betreurt het feit dat excessieve bureaucratische rompslomp en budgettaire beperkingen hinderpalen hebben gecreëerd bij de uitvoering van de samenwerkingsprogramma's van het euromediterrane proces, met name wat betreft de participatie van het maatschappelijk middenveld;

19.  doet een beroep op de Raad om, mede gelet op de Topconferentie van Marseille, het in Barcelona in november 1995 overeengekomen project voor een euromediterraan partnerschap nieuw leven in te blazen en spreekt de mening uit dat de teleurstellende vooruitgang die op dat gebied geboekt is een potentiële crisisfactor voor de regio vormt en de geloofwaardigheid van de politieke rol van de EU bij het streven naar stabiliteit in de regio ondermijnt;

Voedselveiligheid

20.  dringt aan op een verbod van praktijken bij de diervoederproductie en de veeteelt die de recycling van dierlijke restanten als voedsel voor runderen, schapen, geiten en andere dieren inhouden, ook wanneer het om het voederen van pluimvee en vissen gaat, zolang de lidstaten niet kunnen garanderen dat zij een juiste uitvoering geven aan de bestaande EU-wetgeving ter preventie van BSE, en het door de Commissie voorgestelde onttrekken van gestorven dieren niet in werking is getreden;

21.  herhaalt zijn verzoek om een spoedige invoering in alle lidstaten van verplichte tests op BSE voor alle runderen, schapen en geiten die voor de slacht bestemd zijn, te beginnen met dieren ouder dan 18 maanden, teneinde een duidelijk beeld te krijgen van de situatie van de epidemie over de gehele Europese Unie;

22.  juicht in dit verband de oprichting toe van een Europese Voedselautoriteit, die een belangrijke rol zal spelen bij het geruststellen van de consumenten in de EU ten aanzien van de veiligheid van het voedsel in de lidstaten en die tevens een versterking van de positie van de Europese voedselindustrie op wereldniveau moet nastreven;

Sociale agenda

23.  verzoekt de Europese Raad een ambitieuze sociale agenda vast te stellen, aan de hand van de mededeling van de Commissie waarmee het Europees Parlement reeds zijn instemming heeft betuigd, en waarin duidelijke doelstellingen, specifieke instrumenten en precieze tijdschema's worden aangegeven;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de IGC.

(1) Punt 4 van de aangenomen teksten.
(2) Punt 10 van de aangenomen teksten.
(3) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(4) Punt 9 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 10 van de aangenomen teksten.


Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)
Resolutie van het Europees Parlement over de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt (C5-0255/2000 - 2000/2038 (INI))
P5_TA(2000)0536A5-0340/2000

Het Europees Parlement,

-  gelet op artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikelen 103, lid 3 en 163 van zijn Reglement,

-  gezien het jaarverslag 1999 van de Raad dat op 15 mei 2000 aan het Europees Parlement is voorgelegd uit hoofde van punt 40 (deel H) van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting der Europese Gemeenschappen, (C5-0255/2000 )(1) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 mei 1999 over de rol van de Unie in de wereld: tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in 1998(2) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 september 2000 over een gemeenschappelijke communautaire diplomatieke dienst(3) ,

-  gezien zijn resolutie van 6 september 2000 over de prioriteiten voor het externe optreden van de Europese Unie(4) ,

-  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid en het advies van de Begrotingscommissie (A5-0340/2000 ) ,

A.  overwegende dat 1999 een kentering te zien heeft gegeven in de rol van de Europese Unie in de wereld, aangezien:

   -
de eenheidsmunt, de euro, op 1 januari een realiteit is geworden,
   -
het Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Amsterdam) en de nieuwe bepalingen ervan inzake het GBVB op 1 mei van kracht zijn geworden,
   -
de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB op 18 oktober zijn functie heeft aanvaard waardoor het externe optreden van de Unie een gezicht heeft gekregen,
   -
de crisis in Kosovo (25 maart - 10 juni) een bewustwordingsproces op gang heeft gebracht dat heeft geleid tot de verklaringen van Keulen (4/5 juni) en Helsinki (10/11 december), alsmede tot de eerste besluiten waarmee een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) in het leven werd geroepen met een civiel en militair onderdeel,
   -
de Europese Raad van Helsinki heeft besloten toetredingsonderhandelingen te openen met de landen die tijdens de Europese Raad van Luxemburg niet werden geselecteerd en aan Turkije de status van kandidaatland heeft toegekend,

B.  overwegende dat de Europese Unie de verdediging van de gemeenschappelijke belangen en waarden, de ontwikkeling en de bestendiging van de democratie en van de rechtsstaat, de eerbiediging van de rechten van de mens, van de minderheden en van de fundamentele vrijheden tot de leidraad van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid heeft gemaakt,

C.  overwegende dat de Unie met het oog op een geloofwaardiger en doelmatiger GBVB een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) in het leven heeft geroepen, opdat zij kan beschikken over een volledig scala aan civiele en militaire middelen teneinde haar fundamentele waarden en haar belangen te beschermen, hetgeen in elk geval veronderstelt dat haar besluiten om in het kader van de Petersberg-taken stappen te ondernemen democratisch gelegitimeerd zijn zowel door het Europees Parlement als door de nationale parlementen,

D.  eraan herinnerende dat de gemeenschappelijke defensie buiten het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid valt en de verantwoordelijkheid is van de NAVO,

E.  overwegende dat in de gemeenschappelijke strategieën, die voortvloeien uit het Verdrag van Amsterdam en die de Unie in staat stellen op te treden op gebieden waarop de lidstaten belangrijke gemeenschappelijke belangen hebben, haar prioriteiten op het stuk van het buitenlands beleid tot uitdrukking komen,

F.  overwegende dat de gemeenschappelijke strategieën in het GBVB een flexibel instrument introduceren, aangezien de besluiten ter uitvoering van deze gemeenschappelijke strategieën met gekwalificeerde meerderheid worden genomen,

G.  erop wijzende dat een ander flexibel element dat voortvloeit uit het Verdrag van Amsterdam de constructieve onthouding is, die het mogelijk maakt tot acties over te gaan waaraan een aantal lidstaten om interne redenen niet wensen deel te nemen,

H.  overwegende dat het GBVB slechts een van de beleidsterreinen is die de Unie in staat stelt op het gebied van de buitenlandse betrekkingen stappen te ondernemen en eraan herinnerend dat de Unie overeenkomstig artikel 3 van het EU-Verdrag moet toezien op de samenhang van haar externe optreden als zodanig,

I.  overwegende dat de Raad en de Commissie overeenkomstig het Verdrag ervoor verantwoordelijk zijn deze samenhang te waarborgen, maar dat de deling van de bevoegdheid voor de uitvoering van het externe optreden van de Unie tussen de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Commissie eventueel kan leiden tot spanningen tussen de instellingen,

J.  overwegende dat het democratisch tekort bij de ontwikkeling van het GBVB en het GEVDB zo spoedig mogelijk verholpen moet worden,

K.  overwegende dat van de lopende Intergouvernementele Conferentie gebruik moet worden gemaakt om verbeteringen in het GBVB en het GEVDB aan te brengen, met name voor wat betreft de deelneming van het Europees Parlement aan beide beleidsvormen, teneinde deze dichter bij de burgers te brengen en een democratische werking ervan mogelijk te maken,

L.  overwegende dat de besluiten van de Europese Raad van Helsinki inzake de uitbreiding van de Unie, die ongetwijfeld een fundamentele richting hebben gegeven aan het buitenlands beleid, hebben bijgedragen tot de heropleving van het debat over het doel van de Europese eenwording, de intrinsieke waarde van Europa en de Europese Unie, over haar geografische beperkingen, alsmede over de toekomstige vorm van haar instellingen,

Het handhaven van de vrede en de verdediging van de belangen en basiswaarden van de EU als leidraad van het GBVB

1.  stelt in beginsel vast dat de handhaving van de vrede en de vrijheid alsook de bescherming van de fundamentele waarden en de belangen van de EU in Europa en de wereld de hoeksteen van het GBVB vormen;

2.  onderstreept dat ook derhalve de eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de bevordering van de democratie en van de rechtsstaat, alsmede de bescherming van de rechten van de minderheden deze doeleinden dienen en in dit verband belangrijke fundamenten van het buitenlands beleid van de Europese Unie zijn, zoals blijkt uit de overeenkomsten met derde landen (democratieclausule), de gemeenschappelijke strategieën, het beleid inzake uitbreiding en thans ook het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid;

3.  verklaart dat de democratisering van staat en samenleving een veiligheidsfactor voor de Unie vormt, alsmede een conditio sine qua non voor de economische ontwikkeling, aangezien de sociale markteconomie op de lange duur niet compatibel is met een beperking van de politieke en civiele vrijheden;

4.  onderstreept dat de oplossing van economische en sociale problemen van groot belang is voor de veiligheid en dat de Europese Unie op dit gebied een grote verantwoordelijkheid draagt zowel in Europa als in de rest van de wereld;

5.  is verheugd over de publicatie door de Raad van het eerste verslag over de situatie van de rechten van de mens waarin het beleid van de Unie op dit gebied wordt uiteengezet;

6.  juicht de inspanningen van de Unie toe met het oog op zowel het bewerkstelligen van een algeheel moratorium op de doodstraf, uiteindelijk uitmondend in de afschaffing ervan in de wereld, als het elimineren van andere mensonterende praktijken, zoals foltering; onderstreept dat dit deel uitmaakt van de waarden die Europa kenmerken;

De uitbreiding als basiskoers van het GBVB

7.  wijst erop dat de toetredingsonderhandelingen met twaalf landen alsook het euro-mediterrane partnerschap en het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa de meest doeltreffende instrumenten van het buitenlands beleid zijn gebleken om stabiliteit te bewerkstelligen in het Middellandse-Zeegebied en in Midden- en Oost-Europa;

8.  onderstreept dat de uitbreiding ook de belangen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van Europa dient;

9.  onderstreept dat de EU naast het uitbreidingsproces meer inspanningen moet leveren om tot samenwerking met de overige Europese landen te komen;

10.  stelt echter vast dat de lopende uitbreiding, om nog maar te zwijgen van verder weg liggende perspectieven, kan leiden tot een verandering in de samenhang van de Unie en dus in haar stabiliserende rol op het internationale toneel, indien zij niet de nodige hervormingen doorvoert, met name waar het gaat om de hervorming van haar instellingen, en indien zij niet de uitdaging aangaat inzake grotere transparantie en oriëntering tegenover de burgers;

Het GEVDB

11.  merkt op dat met het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB), dat door de verklaringen van Keulen en Helsinki tot stand is gekomen, tevens een basiskoers voor het GBVB wordt uitgezet en onderstreept dat dit nieuwe beleidsterrein een belangrijke sprong voorwaarts voor de Europese opbouw is;

12.  onderstreept dat het GEVDB de Unie meer mogelijkheden biedt om vrede, conflictpreventie en internationale samenwerking te bevorderen en, indien noodzakelijk, crises onder controle te houden doordat zij de beschikking heeft over een volledig scala aan civiele en militaire instrumenten, hetgeen veronderstelt dat zij in staat is duidelijke en exacte doelstellingen op het stuk van het buitenlands beleid af te bakenen;

13.  is derhalve verheugd over de geboekte vooruitgang op het gebied van het GEVDB tijdens de bijeenkomsten van de Europese Raad in Lissabon (23-24 maart 2000) en Santa Maria da Feira (19-20 juni 2000), en wenst dat dit enthousiasme doorzet na de Conferentie over de beschikbaarstelling van capaciteiten (20-21 november 2000) en tijdens de Europese Raad in Nice (7-8 december 2000);

14.  wijst er andermaal op dat civiele conflictpreventie en crisisbeheersing prioriteit moeten hebben en dat militaire middelen slechts in het uiterste geval gebruikt mogen worden;

15.  verzoekt de lidstaten van de Europese Unie om na de ministerbijeenkomst van de WEU in Porto (15-16 mei 2000) een tijdschema goed te keuren inzake de afschaffing van deze organisatie en doet tevens een beroep op de Raad van de Europese Unie om de wijze vast te leggen waarop de resttaken van de WEU kunnen worden overgenomen in het nieuwe institutionele kader van de Unie, dat door de Intergouvernementele Conferentie zal worden vastgelegd zonder dat daardoor de neutraliteit en blokvrijheid van bepaalde lidstaten in het gedrang komen;

De voornaamste aspecten van het GBVB in 1999 en de huidige tendensen

16.  wijst op de crises in de Balkan, die in het voorjaar van 1999 tijdens de crisis in Kosovo tot een militaire confrontatie hebben geleid;

17.  is derhalve verheugd over de door de Federale Republiek Joegoslavië gekozen nieuwe koers en verzoekt de Commissie en de Raad zowel het democratiseringsproces in Belgrado als de humanitaire crisis in het land nauwlettend te volgen en hieraan politieke en financiële steun te verlenen;

18.  doet in dit verband een beroep op president Kostunica om zo spoedig mogelijk de dossiers van alle politieke gevangen in Servië opnieuw te onderzoeken, in het bijzonder van de Kosovo-Albanezen, en over te gaan tot de vrijlating van alle personen die zijn gearresteerd of veroordeeld op grond van ongefundeerde politieke beschuldigingen, alsmede van personen die maandenlang zonder aanklacht vastzitten;

19.  benadrukt het standpunt dat de financiering van nieuwe prioriteiten op het gebied van het buitenlands beleid niet ten koste mag gaan van andere belangrijke taken van de Europese Unie en verzoekt naar aanleiding van de nieuwe financiële uitdagingen in verband met de ondersteuning van de wederopbouw van de Federale Republiek Joegoslavië de bovengrens van rubriek 4 van de financiële vooruitzichten te verhogen;

20.  stelt echter vast dat de situatie in Kosovo nog steeds gespannen is en dat deze situatie ten dele te wijten is aan de dubbelzinnigheden van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; hoopt dat de op 28 oktober 2000 gehouden gemeenteraadsverkiezingen bevorderlijk zijn voor een vreedzame dialoog tussen de nieuwgekozen president van de Federale Republiek Joegoslavië en de leider van de Democratische Liga van Kosovo, zodat deze VN-resolutie kan worden uitgevoerd; stelt vast dat de door president Kostunica gewenste hervorming van de structuur van de federatie ruimte biedt voor een politiek compromis, dat zou kunnen bijdragen tot een toenadering van de federatie als geheel tot de Europese Unie;

21.  brengt hulde aan hetgeen onder zeer moeilijke omstandigheden tot stand is gebracht door UNMIK, KFOR en het Europees Bureau voor wederopbouw; moedigt de verschillende etnische gemeenschappen in Kosovo aan om geheel en al met deze instellingen samen te werken; dringt in dit verband bij de Europese Unie, haar lidstaten en de overige internationale organisaties erop aan hun initiatieven aldaar beter op elkaar af te stemmen en betere regels voor de verantwoordelijkheid onder elkaar te vinden;

22.  steunt de regionale benadering die door de Europese Unie op gang is gebracht via het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa om te trachten de crisis in de westelijke Balkan te boven te komen en is erover verheugd dat de Federale Republiek Joegoslavië met ingang van 26 oktober 2000 deelneemt aan dit stabiliteitspact, hetgeen zal bijdragen tot de vrede, de veiligheid en de stabiliteit in deze regio;

23.  stemt in met het nieuwe beleid van overeenkomsten inzake stabilisatie en associatie dat met Kroatië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op gang is gebracht, waardoor deze landen in een Europees perspectief worden geplaatst;

24.  wenst dat de bestendiging van het overheidsbestuur in Bosnië-Herzegovina en in Albanië wordt voortgezet, zowel met het oog op de stabilisering van de regio als op het creëren van de voorwaarden die het sluiten van overeenkomsten inzake stabilisatie en associatie met deze landen mogelijk maken; wenst tevens dat bij deze politieke benadering van stabilisatie- en associatieovereenkomsten alle landen van de westelijke Balkan worden betrokken, zodra zij aan de nodige voorwaarden voldoen;

25.  is verheugd over de topconferentie tussen de Europese Unie en de westelijke Balkan die op 24 november 2000 heeft plaatsgevonden en onderstreept dat deze topconferentie de volkeren van de regio een duidelijke boodschap heeft gegeven inzake hun Europese bestemming, met inbegrip van Servië;

26.  wenst dat de Raad in dit verband zijn beleid jegens de westelijke Balkan beter afbakent via een gemeenschappelijke strategie die als leidraad voor de democratische krachten van de regio kan dienen doordat zij een samenhangende visie van hun toekomst en hun betrekkingen met de Europese Unie krijgen;

27.  verwelkomt de conclusies van de Europese Top van Feira, waar is besloten om de landen in Zuidoost-Europa op lange termijn vooruitzicht te bieden op het lidmaatschap van de Europese Unie;

28.  is verheugd over de gemeenschappelijke strategie die de Europese Raad in Keulen ten aanzien van de Russische Federatie heeft goedgekeurd om haar tot een strategische partner van de Unie te maken; wenst dat Rusland voortgaat op zijn weg naar democratie en rechtsstaat, maar toont zich bezorgd over bepaalde negatieve ontwikkelingen in het land (Tsjetsjenië, restrictieve maatregelen ten aanzien van bepaalde media), waarbij echter erkend moet worden dat een einde moet worden gemaakt aan het verval van de Russische staat;

29.  is in elk geval van oordeel dat de oplossing voor het conflict in Tsjetsjenië slechts van politieke aard kan zijn en dat hierbij de territoriale integriteit van de Russische Federatie moet worden gerespecteerd;

30.  acht het eveneens noodzakelijk dat volledige klaarheid wordt gebracht in de schendingen van de mensenrechten en de misbruiken tijdens de oorlog in Tsjetsjenië en dringt er bij de Russische autoriteiten op aan hier werk van te maken;

31.  onderstreept dat het voor de democratische legitimiteit van Rusland, mede gezien de politieke unie tussen Rusland en Wit-Rusland, noodzakelijk is dat de president en de regering van Rusland op duidelijke en krachtige wijze de nadruk leggen op de grote behoefte aan democratische hervormingen in Wit-Rusland, met name in het licht van het verslag dat op 16 oktober 2000 in Minsk is ingediend door de parlementaire trojka van de Europese Unie, de Raad van Europa en de OVSE;

32.  is verheugd over de gemeenschappelijke strategie die de Europese Raad in Helsinki ten aanzien van Oekraïne heeft goedgekeurd en die het strategische partnerschap tussen beide partijen versterkt; merkt op dat de Oekraïne, evenals Wit-Rusland en Moldavië, directe buurlanden van de Europese Unie zullen zijn wanneer de uitbreiding eenmaal een feit is, hetgeen aan de bilaterale betrekkingen tussen de Unie en deze staten een nieuwe dimensie verleent; onderstreept dat in dit verband de ontwikkeling van democratie en rechtsstaat in deze landen de maatstaf voor hun betrekkingen met de Europese Unie zal zijn;

33.  neemt nota van de resultaten van de laatste topconferentie EU/Oekraïne op 15 september 2000 in Parijs en betreurt het dat de aangekondigde intensivering van de samenwerking tussen beide partijen geen concretere vormen heeft aangenomen, zoals bijvoorbeeld op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid;

34.  wenst dat, wat het bijzonder gevoelige dossier betreft van de aanleg van een nieuwe gaspijpleiding, de Europese Unie duidelijk de voorkeur geeft aan de totstandbrenging van een consensus tussen Rusland, Oekraïne, Polen en de andere betrokken landen;

35.  wenst dat de Europese Unie haar partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met de drie landen in de zuidelijke Kaukasus aanwendt om haar politieke en economische betrekkingen met deze landen uit te breiden, hun economische ontwikkeling en de totstandkoming van een goede nabuurschap te stimuleren door bij te dragen tot de oplossing van nog slepende conflicten; is van mening dat de idee van een stabiliteitspact voor de Kaukasus waaraan alle betrokken partijen zouden deelnemen (met inbegrip van de Europese Unie, Rusland, de Verenigde Staten, Turkije en Iran), verder moet worden uitgediept;

36.  spoort de Europese Unie ertoe aan de hervormingsbeweging in Iran te steunen, opdat de tijdens de afgelopen verkiezingen vastgestelde positieve ontwikkelingen kunnen doorzetten; wenst te dien einde dat de Unie haar betrekkingen met dit land normaliseert;

37.  verzoekt de Raad en de lidstaten met klem in de Verenigde Naties het initiatief te nemen de instelling van een Internationaal Tribunaal ad hoc inzake Irak in te stellen om de verantwoordelijkheid van het bewind van Saddam Hoessein voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en volkerenmoord te onderzoeken;

38.  is verheugd over het gemeenschappelijke standpunt van de Europese Unie inzake Afghanistan en wenst dat de Unie zich krachtiger opstelt jegens de Taliban wier beleid de mensenrechten en de vredeswens van het Afghaanse volk geweld aandoet;

39.  onderstreept dat Azië, van Afghanistan tot aan de Chinese Zee, een zone is waar instabiliteit en gevaren heersen ten gevolge van culturele en ideologische kloven en territoriale aanspraken van een aantal landen, om nog maar te zwijgen van het voorhanden zijn van vernietigingswapens en de ontwikkeling van raketten om deze te vervoeren; doet een beroep op de Europese Unie om de evolutie op dit continent van nabij te volgen, met name in het licht van haar Petersberg-taken;

40.  is bezorgd over het conflict tussen de kernmachten India en Pakistan wegens het vraagstuk Kasjmir, en acht een politieke toezegging van de Europese Unie en de wereldgemeenschap nodig om de spanningen in het gebied terug te dringen;

41.  is in het algemeen van oordeel dat de Europese Unie zich meer met Azië moet bezighouden ten behoeve van de stabiliteit en de rechten van de mens aldaar; juicht in dit verband de bijeenkomsten tussen Azië en Europa (ASEM) toe die de tegenhanger vormen van de bijeenkomsten die in het kader van de Economische Samenwerking Azië-Stille Oceaan (APEC) worden georganiseerd;

42.  betreurt dat op de jongste ASEM-top op het allerhoogste niveau tegenstellingen tussen de lidstaten ten aanzien van Noord-Korea in de openbaarheid zijn geraakt;

43.  wijst met nadruk op de toenemende betekenis van de betrekkingen tussen de EU en China, maar betreurt het gebrek aan wezenlijke vooruitgang in de dialoog tussen de EU en China op het gebied van de mensenrechten; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de Chinese autoriteiten nogmaals duidelijk te maken dat de huidige en toekomstige betrekkingen afhangen van concrete verbeteringen op dit gebied;

44.  verzoekt de Raad in dit verband met klem middelen te zoeken om de politieke betrekkingen met Taiwan aan te halen teneinde de dialoog tussen Taipei en China te bevorderen en de democratie in Taiwan te steunen; verzoekt de Commissie nogmaals nadrukkelijk een vertegenwoordiging in Taipei te openen;

45.  is verheugd over het feit dat de kwestie Oost-Timor in 1999 tot een goed einde is gebracht, zodat de betrekkingen met Indonesië konden worden genormaliseerd; veroordeelt echter de recente gewelddaden van de islamitische milities tegen de bevolking van Oost-Timor en eist van de Indonesische regering dat deze worden ontbonden;

46.  dringt erop aan dat de Europese Unie een grotere plaats voor Afrika inruimt en juicht de top tussen Afrika en Europa toe, die op 3 en 4 april 2000 onder de auspiciën van de OAE en de Europese Unie heeft plaatsgevonden; wenst dat de Verklaring van Caïro, die bij die gelegenheid is goedgekeurd, door de Europese Unie wordt omgezet in een gemeenschappelijke strategie;

47.  is verheugd over de uitslag van de presidentsverkiezingen die op 22 oktober 2000 in Ivoorkust zijn gehouden en de terugkeer naar een burgerbewind inluidden; betreurt echter de geweldsuitbarstingen die op deze verkiezingen volgden, en doet een beroep op de politieke leiders om blijk te geven van verantwoordelijkheidszin, zodat het land in staat wordt gesteld in een vreedzame sfeer onder de burgers terug te keren naar een situatie van grondwettelijke legaliteit;

48.  stelt vast dat de omvang die de aids-epidemie in Afrika heeft aangenomen, een bedreiging voor de interne stabiliteit van de meest getroffen Afrikaanse landen kan vormen en vraagt om een doortastend internationaal optreden terzake;

49.  betuigt andermaal zijn volledige steun aan het beleid van euromediterraan partnerschap en deelt de conclusies van de vierde euromediterrane conferentie die op 13 en 14 november 2000 in Marseille is gehouden;

50.  betreurt dat deze vierde euromediterrane conferentie, gezien de ontwikkeling van de situatie in het Midden-Oosten, niet in de gelegenheid is geweest het euromediterraan handvest voor vrede en stabiliteit goed te keuren;

51.  is verheugd over de verbetering van de betrekkingen met Libië, maar blijft daarentegen bezorgd over de situatie in Algerije en het voortduren van de slachtingen, ondanks het referendum van 16 september 1999 over maatschappelijke verzoening;

52.  betuigt andermaal zijn steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten en betreurt het dat de onderhandelingen die in juli 2000 tussen Israëliërs en Palestijnen in Camp David op gang zijn gebracht, geen resultaten hebben opgeleverd; is zeer verontrust dat nieuwe provocaties en gewelduitbarstingen het vredesproces in gevaar brengen; verwacht van de VN, de Europese Unie, de Verenigde Staten, de Arabische Liga en de Samenwerkingsraad van de Golf dat zij beide partijen ervan overtuigen dat het gebruik van geweld slechts contraproductief kan zijn en dat er geen alternatief voor de hervatting van de onderhandelingen bestaat; hoopt derhalve dat de volgende onderhandelingen ertoe zullen leiden dat een levensvatbare Palestijnse staat wordt opgericht, de legitieme behoefte van Israël aan veiligheid wordt gewaarborgd en de status van Jeruzalem wordt geregeld;

53.  betreurt dat, zodra ernstige spanningen opflakkeren, de Unie nog steeds niet in staat blijkt te zijn een constructieve rol te spelen in de totstandkoming van de vrede in het Midden-Oosten; was ten zeerste ontsteld door de aanblik van volstrekte verdeeldheid tussen de lidstaten bij de stemming op de buitengewone algemene vergadering van de VN op 21 oktober 2000;

54.  is blij met de goedkeuring door de Europese Raad in Feira van een gemeenschappelijke strategie met betrekking tot de mediterrane regio;

55.  doet een beroep op de Commissie en de Raad om de risico's te evalueren voor de internationale veiligheid van een ongelijke verdeling van de watervoorraden en, eventueel met andere geïnteresseerde landen, bij te dragen tot maatregelen op het gebied van crisispreventie die het uitbreken van "wateroorlogen” moeten voorkomen;

56.  is verheugd over het feit dat op 28 en 29 juni 1999 in Rio de eerste topconferentie van staatshoofden en regeringsleiders van Latijns-Amerika, het Caraïbisch gebied en de Europese Unie is gehouden, alsmede over de ontwikkeling van de betrekkingen met Mercosur en Chili; wenst dat de samenwerking tussen de Europese Unie en al deze landen wordt verdiept;

57.  steunt het voornemen van de Europese Unie om, uitgaande van eigen prioriteiten, via een omvangrijk Europees programma steun te verlenen aan het vredesproces waarmee president Pastrana in Colombia een begin heeft gemaakt;

58.  acht het wenselijk dat de maatregelen van de Unie met betrekking tot Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied hun weerslag vinden in een gemeenschappelijke strategie;

59.  is verheugd over de inspanningen van de Europese Unie op het gebied van de conventionele ontwapening, met name inzake het verbod op antipersoneelmijnen en de illegale handel in lichte wapens en wapens van klein kaliber;

60.  verheugd over de publicatie in 1999 van het eerste jaarverslag van de Unie over de wapenexport, dat overeenkomstig punt 8 van de Gedragscode van 8 juni 1998 is goedgekeurd;

61.  is tevens verheugd over de inspanningen van de Unie ten behoeve van de ontwapening en de non-proliferatie van kernwapens, met name over de gemeenschappelijke standpunten die zij heeft goedgekeurd in het kader van het Non-proliferatieverdrag en het Verdrag inzake het volledig verbod op kernproeven; is verheugd over de ratificatie door het Russische parlement van het START-II-Verdrag en van het Verdrag inzake het volledige verbod op kernproeven en betreurt het dat de Amerikaanse Senaat laatstgenoemd verdrag niet heeft geratificeerd;

62.  moedigt de Unie aan haar inspanningen voort te zetten, opdat in het kader van de Conferentie over ontwapening onderhandelingen op gang worden gebracht met het oog op een verdrag betreffende het verbod op de productie van splijtstoffen; is verheugd over de verklaring die is aangenomen door de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad tijdens de Conferentie ter bespreking van het Non-proliferatieverdrag die op 24 april 2000 van start is gegaan, waarin zij nogmaals toezeggen tot een volledige afschaffing van kernwapens te willen komen;

63.  moedigt de Unie aan haar inspanningen voort te zetten met het oog op de versterking van het Verdrag tot verbod van biologische en toxine wapens, zodat een juridisch bindend protocol wordt goedgekeurd vóór de vijfde conferentie ter herziening van het verdrag, die uiterlijk in 2001 moet plaatsvinden;

64.  is zeer bezorgd over de mogelijkheid dat de Verenigde Staten een beperkt antiraketsysteem gaan gebruiken (NMD), aangezien een dergelijk initiatief een risico voor het strategische evenwicht vormt; wenst dat deze kwestie in het kader van een intensieve transatlantische dialoog wordt besproken en dat andere betrokken landen, zoals Rusland, aan de lopende discussie hierover deelnemen in het licht van de proliferatie van ballistische raketten in de wereld;

De nieuwe mechanismen van het Verdrag van Amsterdam

65.  merkt op dat het Verdrag van Amsterdam in vergelijking met het Verdrag van Maastricht tot verbeteringen heeft geleid in het GBVB, aangezien de doelmatigheid ervan is toegenomen dankzij gemeenschappelijke strategieën, de zichtbaarheid is verbeterd dankzij de post van Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de flexibiliteit is versterkt dankzij het mechanisme van de constructieve onthouding;

66.  dringt erop aan dat het mechanisme van de constructieve onthouding, dat een fundamenteel onderdeel vormt voor de flexibiliteit in het besluitvormingsproces van het GBVB en het GEVDB, door een aantal landen niet systematisch wordt gebruikt, opdat de wederzijdse solidariteit tussen de staten binnen de Unie niet wordt ondergraven;

67.  is van oordeel dat het instellen van de post van Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, hoewel de Unie hierdoor beter zichtbaar wordt, onherroepelijk leidt tot competentiegeschillen met de commissaris die verantwoordelijk is voor de externe betrekkingen, hetgeen een bewijs is van de ontoereikendheid van de pijlerstructuur van de Europese Unie;

68.  dringt erop aan dat deze situatie in aanmerking wordt genomen, wanneer wordt nagedacht over de institutionele toekomst van de Unie en stelt voor dat de functie die door de Hoge Vertegenwoordiger wordt uitgeoefend, wordt overgedragen aan een vice-voorzitter van de Commissie, die zou worden belast met de externe betrekkingen en met het GBVB, en die verantwoording zou moeten afleggen zowel aan de Raad als het Europees Parlement;

69.  is van oordeel dat het in afwachting van een latere verduidelijking zaak is de UPPAR (Eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing) in samenwerking met de Commissie te ontwikkelen en hieraan het Satellietcentrum en het Instituut voor veiligheidsonderzoek van de WEU toe te voegen, opdat zij haar taak inzake preventie, analyse en planning, zoals die staat beschreven in bijlage 6 bij het Verdrag van Amsterdam, ten volle kan vervullen;

De organisatie van de externe betrekkingen

70.  is van oordeel dat de herstructurering van de externe betrekkingen na de installatie van de nieuwe Commissie, die een einde heeft gemaakt aan de geografische versnippering van de bevoegdheden tussen de diverse commissarissen, een positief element is geweest, maar herhaalt dat de post van Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB geïntegreerd moet worden in de Commissie;

71.  onderstreept de noodzaak van een nauwe samenwerking tussen de Raad en de Commissie onder naleving van de bevoegdheden van elke instelling, met name bij de tenuitvoerlegging van maatregelen ter preventie van conflicten of voor het beheren van crises, aangezien de geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de Unie op het spel staat;

72.  wijst andermaal op de essentiële bijdrage van de communautaire instrumenten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en is derhalve van oordeel dat de nieuwe trojka waarvan in het Verdrag van Amsterdam de hoofdlijnen zijn aangegeven, meer leven moet worden ingeblazen met het oog op samenhang en doelmatigheid; is bijgevolg van mening dat het fungerend voorzitterschap van de Raad de Hoge Vertegenwoordiger en de commissaris die zich bezighoudt met externe betrekkingen, systematisch en als partners bij de initiatieven en activiteiten van het GBVB moet betrekken, in afwachting van de samenvloeiing van hun respectieve taken;

73.  neemt nota van de reorganisatie van de buitenlandse dienst van de Commissie die is gericht op het verlenen van meer verantwoordelijkheid aan de ambtenaren en andere personeelsleden ervan, en steunt de hervorming van de externe steunverlening die door de Commissie wordt voorgesteld;

74.  verzoekt de Commissie om het Europees Parlement met het oog op het jaarlijkse debat over het buitenlands beleid van de Unie een document voor te leggen waarin per land de totale steun van de Europese Unie te zien is, opgesplitst volgens communautaire steun en bijdragen van de lidstaten en waarin een vergelijking met derde donorlanden wordt gemaakt; is van oordeel dat in dit document tevens de concrete resultaten van de communautaire steun en de ondervonden problemen aan de orde moeten komen;

75.  stelt vast dat de lidstaten, zoals tijdens de informele bijeenkomst van de Raad in Evian reeds is aangegeven, 40.000 diplomaten in 1.500 ambassades in dienst hebben; constateert dat deze middelen niet voldoende voor de gemeenschappelijke belangen worden ingezet;

76.  verzoekt derhalve de lidstaten te zorgen voor een betere coördinatie van de activiteiten van hun ambassades in derde landen, welke tevens nauw zouden moeten samenwerken met de delegaties van de Commissie; is van mening dat laatstgenoemde steeds meer het karakter zouden dienen te krijgen van ambassades van de Unie en de diplomatieke diensten en consulaten van de lidstaten zouden moeten coördineren, hetgeen via proefprojecten zijn beslag zou kunnen krijgen;

77.  is van mening dat de oprichting van een communautaire diplomatenschool, zoals het Parlement heeft voorgesteld in voornoemde resolutie van 5 september 2000 over een gemeenschappelijke communautaire diplomatieke dienst, een positieve stap zou zijn op weg naar de invoering van een gemeenschappelijke diplomatieke dienst ten behoeve van het GBVB;

Het Europees Parlement, het GBVB en het GEVDB

78.  onderstreept de noodzaak de activiteiten van de Europese Unie op het gebied van de crisisbeheersing met behulp van civiele en militaire middelen - met name in het kader van de Petersberg-taken - aan een grotere parlementaire controle te onderwerpen;

79.  stelt vast dat in dit verband geen duidelijke taakverdeling tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen bestaat;

80.  wijst in dit verband op zijn resolutie van 15 juni 2000 over de bepaling van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid met het oog op de Europese Raad van Feira(5) en stelt voor om in het kader van het GBVB en het GEVDB regelmatig een bijeenkomst te organiseren tussen de vertegenwoordigers van de bevoegde commissies van de nationale parlementen en van het Europees Parlement om samen met het voorzitterschap van de Raad, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de commissaris die belast is met de externe betrekkingen, de ontwikkeling van deze beide beleidsterreinen te bespreken; acht het wenselijk om onder bepaalde voorwaarden hierbij op dezelfde wijze de parlementen van de kandidaatlanden en van de lidstaten van NAVO die geen lid van de EU zijn, te betrekken;

81.  hecht zeer veel waarde aan de samenwerking tussen het Europees Parlement en de Noord-Atlantische Vergadering van de NAVO;

82.  is verheugd over het document van de Raad over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen van het GBVB als instrument voor oriëntatie en dialoog over het GBVB, maar betreurt dat dit het enige document is waarover het Parlement uit hoofde van artikel 21 van het EU-Verdrag is geraadpleegd; verzoekt met name om in een voorbereidend stadium over de gemeenschappelijke strategieën te worden geraadpleegd, opdat met zijn standpunten naar behoren rekening wordt gehouden;

o
o   o

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(2) PB C 279 van 1.10.1999, blz. 218.
(3) Punt 4 van de aangenomen teksten.
(4) Punt 9 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 5 van de aangenomen teksten.


Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki
Resolutie van het Europees Parlement over de vaststelling van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki (2000/2005(INI))
P5_TA(2000)0537A5-0339/2000

Het Europees Parlement,

-  gelet op de ontwerpresoluties ingediend door:

   a)
Salvador Garriga Polledo over de oprichting van een Europees civiel vredeskorps (B5-0361/1999 ),
   b)
Jorge Salvador Hernández Mollar over de bevordering van de betrekkingen met de Maghreb met het oog op de Europese veiligheid en defensie (B5-0114/2000 ),

-  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 17 daarvan,

-  gezien de besluiten inzake de Europese veiligheids- en defensie-identiteit (EVDI) die zijn genomen tijdens de Noord-Atlantische Raad in Berlijn (1996) en ter gelegenheid van de topontmoetingen van het Atlantisch Bondgenootschap in Madrid (1997) en Washington (1999),

-  gezien de tijdens de Europese Raden van Keulen (3-4 juni 1999), Helsinki (10-11 december 1999), Lissabon (23-24 maart 2000) en Feira (19-20 juni 2000) aangenomen verklaringen betreffende de invoering van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) met een civiel en een militair onderdeel,

-  gezien de bijeenkomsten van de Ministerraad van de WEU in Porto (15/16 mei 2000) en Marseille (13 november 2000), waar voorbereidingen zijn getroffen voor de overdracht van bepaalde taken van deze organisatie aan de Europese Unie,

-  gezien de door de lidstaten van de Europese Unie tijdens de conferentie in Brussel op 20 november 2000 gedane capaciteitstoezeggingen en de extra toezeggingen die de dag daarop door diverse kandidaat-lidstaten en door Europese staten die lid zijn van de NAVO, maar niet van de Europese Unie, zijn gedaan,

-  gezien de lopende Intergouvernementele Conferentie en het overleg dat daarbij wordt gevoerd over vormen van nauwere samenwerking,

-  gezien de besluiten van de Raad van 10 mei 1999 over:

   a)
regelingen voor intensievere samenwerking van de Europese Unie en de West-Europese Unie (1999/404/GBVB)(1) ;
   b)
praktische regelingen voor de deelneming van alle lidstaten aan opdrachten krachtens artikel 17, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU (1999/321/GBVB)(2) ,

-  gezien de besluiten van de Raad van 14 februari 2000

   a)
tot instelling van het interimcomité voor politieke en veiligheidsvraagstukken (2000/143/GBVB)(3) ,
   b)
tot instelling van het militair interimorgaan (2000/144/GBVB)(4) ,
   c)
betreffende de detachering van nationale deskundigen op militair gebied bij het secretariaat-generaal van de Raad gedurende een interimperiode (2000/145/GBVB)(5) ,

-  gezien het besluit van de Raad van 22 mei 2000 tot oprichting van een comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing (2000/354/GBVB)(6) ,

-  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad voor een verordening tot instelling van de Snellereactiefaciliteit (COM(2000) 119 - C5-0272/2000 - 2000/0081(CNS) )(7) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 mei 1997 over de mededeling van de Commissie over "uitdagingen voor de Europese defensie-industrie - een bijdrage voor actie op Europees niveau” (COM(1996) 10 - C4-0093/1996 )(8) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 januari 1999 over de mededeling van de Commissie "Tenuitvoerlegging van de strategie van de Unie inzake de defensie-industrie” (COM(1997) 583 - C4-0223/1998 )(9) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 juni 2000 over de bepaling van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, met het oog op de Europese Raad van Feira(10) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2000 over de prioriteiten voor het externe optreden van de Europese Unie(11) ,

-  onder verwijzing naar de amendementen van het Parlement, aangenomen op 16 november 2000 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (COM(2000) 30 - C5-0057/2000 - 2000/0032(COD) )(12) ,

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A5-0339/2000 ),

A.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten een grondslag van gezamenlijke normen en waarden bezitten die zij moeten beschermen in een geest van wederzijdse solidariteit,

B.  van mening dat het begripsmatige onderscheid tussen veiligheid en defensie met het einde van de koude oorlog aan het vervagen is en dat een veiligheids- en defensiebeleid het gebruik van civiele zowel als militaire middelen impliceert om de crises te voorkomen en te beheersen die de belangen en waarden van een staat of een groep staten, zoals de Europese Unie, bedreigen,

C.  er ten aanzien van het begrip defensie in zijn traditionele betekenis, te weten verdediging van het grondgebied, nogmaals op wijzende dat het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) niet de ambitie heeft te wedijveren met het Atlantisch Bondgenootschap, dat op dit moment het draagvlak vormt voor de collectieve defensie van zijn leden, noch om een permanent Europees leger op poten te zetten,

D.  niettemin vaststellende dat de lidstaten door een wederzijdse politieke solidariteit zijn verbonden (artikel 11, lid 2 VEU) die op zich al een factor van veiligheid vormt en te zijner tijd zal bewerkstelligen dat het GBVB ook de grenzen van zijn lidstaten als zijnde de buitengrenzen van de Unie zal verzekeren,

E.  eraan herinnerende dat het GEVDB niet ten koste gaat van het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van elke lidstaat noch van de verplichtingen die voor sommige landen voortvloeien uit hun lidmaatschap van de NAVO of de WEU,

F.  onderstrepende dat het in Pörtschach ingezette debat over de Europese veiligheid en defensie in een stroomversnelling is gekomen met de militaire interventie van de NAVO in Kosovo, die de volkeren van de Europese Unie bewust maakte van hun onvermogen om grootschalige crises op te lossen,

G.  vaststellende dat dit conflict de leemten en tekortkomingen van de Europese Unie en haar lidstaten duidelijk heeft gemaakt, allereerst ten aanzien van crisispreventie met civiele middelen, en vervolgens van hun militaire middelen en capaciteiten om crises te beheersen,

H.  daarom ingenomen met de snelle reactie van de Europese Unie, die met de verklaringen van de Europese Raden van Keulen, Helsinki, Lissabon en Feira de beginselen en voorwaarden heeft vastgesteld voor een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid (GEVDB) dat hoofdzakelijk is gericht op preventie en het beheersen en oplossen van crises die de internationale stabiliteit en veiligheid bedreigen,

I.  onderstrepende dat de inspanningen van de Europese Unie en haar lidstaten om een geloofwaardig gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid op poten te zetten een versterking van het GBVB beogen, waarbij de Unie in staat wordt gesteld de volledige scala van haar financiële, diplomatieke, civiele en militaire instrumenten in te zetten om haar doelstellingen te bereiken en het verloop van crises in de wereld efficiënter te kunnen beïnvloeden, daar de gebruikmaking van militaire middelen slechts in laatste instantie een oplossing biedt,

J.  overwegende dat de ambitie die de Europese Unie met het GBVB en het GEVDB toont om een belangrijke speler te worden op het internationale politieke toneel ertoe zal bijdragen dat het Atlantische Bondgenootschap nieuw leven wordt ingeblazen en dat de taken en verantwoordelijkheden binnen het bondgenootschap evenwichtiger worden verdeeld, concreet inhoud zal geven aan het begrip Europese identiteit voor veiligheid en defensie (ESDI -European security and defence identity) en tenslotte een belangrijk onderdeel zal vormen van de mondiale veiligheid,

K.  met instemming vaststellende dat een aantal lidstaten reeds hebben besloten hun strijdkrachten te reorganiseren en zich te voorzien van geschikt en soms gemeenschappelijk materieel in het vooruitzicht van de totstandkoming van een snelle Europese interventiemacht, zoals besloten tijdens de Europese Raden van Keulen en Helsinki, en waarvan de Conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens de eerste concrete etappe vormt,

L.  erop aandringend dat de lidstaten zich dezelfde inspanningen getroosten om de doelstellingen te verwezenlijken die zij zich op het gebied van het civiele crisisbeheer ten doel hebben gesteld, met name door een snel inzetbare Europese politiemacht op te zetten en globale maatregelen voor het voorkomen en beheersen van crises te nemen met de daarvoor benodigde kredieten, met name om de civil society in crisisgebieden te ondersteunen,

M.  vaststellende dat er nog steeds lacunes zijn, zowel op het institutionele als op het materiële vlak, waarin moet worden voorzien als de Unie tenminste in 2003 over een geloofwaardig vermogen tot het voorkomen van geschillen en een capaciteit voor crisisbeheersing wil kunnen beschikken,

N.  het betreurende dat de invoering van het GEVDB voortgaat zonder controle door het Europees Parlement, dat niet wordt betrokken bij de vaststelling daarvan, en benadrukkend dat met betrekking tot het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid parlementaire controle nodig is en de regeringen van de lidstaten verplicht zijn om democratische verantwoording af te leggen aan de nationale parlementen,

O.  met name vaststellende dat de nationale parlementen, die bevoegd zijn voor de goedkeuring van de defensiebudgetten van de lidstaten, nog niet in staat zijn een algemeen en coherent zicht op het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid te krijgen;

P.  het belang benadrukkend van de beginselen transparantie en verantwoordingsplicht op het gebied van veiligheids- en defensiebeleid,

Q.  eraan herinnerend dat een akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad noodzakelijk is om de toegang tot documenten te regelen, waarvan sprake is in besluit 2000/527/EG van de Raad van 14 augustus 2000(13) ,

1.  verklaart dat een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid geen doel op zichzelf is, maar een instrument ter bevordering van de doelen van het buitenlands beleid van de Unie en dat het alleen aangewend mag worden ter verwezenlijking van duidelijke doelstellingen die door de Raad in overleg met de Commissie en met de steun van het Europees Parlement zijn vastgesteld;

2.  onderstreept daarom dat het GEVDB de opties waarover de Unie beschikt om haar buitenlands beleid te voeren zal uitbreiden;

3.  neemt met voldoening kennis van het laatste tijdens de Europese Raad in Feira goedgekeurde verslag van het voorzitterschap over de versterking van het GEVDB en spoort de Europese Unie aan om niet te versagen en voort te gaan met het ontwikkelen van zowel de civiele als de militaire aspecten van het GEVDB, mede door de nodige besluiten van politieke en institutionele aard te nemen om dit beleid volledig operationeel te maken;

4.  wijst erop dat het GEVDB alleen echt doeltreffend zal zijn als het onder leiding staat van een duidelijk aangewezen gezag dat in staat is alle beschikbare middelen, civiele zowel als militaire, te coördineren; acht het noodzakelijk de nieuwe structuren die zijn opgezet regelmatig te evalueren;

5.  verzoekt de komende Europese Raden derhalve de nodige besluiten te nemen om te zorgen dat het GEVDB in 2003 volledig operationeel is, overeenkomstig het besluit van de Europese Raad van Keulen;

6.  stelt nogmaals dat allereerst gestreefd moet worden naar de oplossing van crises door het inzetten van civiele middelen; sluit echter niet uit dat geweld gebruikt zal worden als de diplomatieke oplossingen uitgeput zijn, mits daarbij de grondbeginselen van de Europese Unie en de grondwetten van haar lidstaten alsmede de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en de OVSE worden geëerbiedigd;

7.  wijst erop dat voor gewapend optreden overeenkomstig de internationale wetgeving een mandaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dient te bestaan; is zich er evenwel van bewust dat de stemmen in dit orgaan kunnen staken en wijst op de noodzaak om de VN-instellingen te hervormen; is in afwachting van deze hervormingen en in het geval dat een dergelijk mandaat ten gevolge van een embargo in de Veiligheidsraad ontbreekt, van mening dat de internationale gemeenschap, ook de Europese Unie, alleen in noodgevallen militair mag ingrijpen, en wel op uitdrukkelijk verzoek van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties;

8.  onderstreept tenslotte de noodzaak dat de Europese Unie de beginselen en rechtsgrondslagen vaststelt op grond waarvan zij op het grondgebied van derde landen waar een crisis heerst, mag optreden met civiele respectievelijk militaire middelen of een combinatie van beide;

I. Civiele instrumenten voor geschillenvoorkoming en crisisbeheersing

9.  hecht zijn goedkeuring aan de richtsnoeren in het verslag van Feira voor een versterking van de bevoegdheden van de Europese Unie op het gebied van de civiele aspecten van geschillenvoorkoming en crisisbeheersing met het oog op het:

   a)
voorkomen dat crises optreden en zich verscherpen,
   b)
consolideren van de vrede en de interne stabiliteit gedurende overgangsperioden,
   c)
verzekeren van complementariteit tussen de civiele en militaire aspecten van crisisbeheersing ten einde het hele scala van Petersbergtaken te dekken (missies van humanitaire aard, met inbegrip van evacuatie van de bevolking, vredeshandhaving, gewapend optreden om een crisis te beheersen alsmede missies om de vrede te herstellen);

10.  geeft zijn steun aan het door de lidstaten in Feira vastgestelde doel om uiterlijk in 2003 door middel van vrijwillige samenwerking een Europese politiemacht van 5.000 man te vormen voor het voorkomen en beheersen van conflicten, daar militaire eenheden niet geschikt zijn voor ordehandhavingstaken; stelt tevens vast dat de lidstaten hebben toegezegd om in het kader van dit algemene doel binnen 30 dagen een eerste contingent van 1.000 politiemensen op de been te brengen om noodsituaties het hoofd te kunnen bieden;

11.  is tevens verheugd over het Commissievoorstel betreffende de vorming van een financieel instrument voor snelle reactie, dat het optreden van de Unie in noodsituaties mogelijk zou maken, en dringt er bij de Raad op aan de betreffende regeling onverwijld aan te nemen;

12.  onderstreept dat deze diversificatie en versterking van het vermogen van de Europese Unie om te interveniëren in crisisgebieden samen moet gaan met acties met het oog op het herstel en de consolidering van de rechtsstaat, de democratie, een maatschappelijk middenveld, een onafhankelijk rechtssysteem, het lokaal bestuur en de economie ter plaatse, zodat zo spoedig mogelijk een terugkeer naar het normale leven wordt bereikt en de democratische veiligheid in het betrokken gebied wordt verzekerd;

13.  verzoekt de Commissie en de Raad na te denken over conflictpreventie en een operationeel concept te ontwikkelen en daarvoor een beroep te doen op de middelen van de Europese Unie en haar lidstaten, van de NAVO en op die van andere protagonisten zoals de VN, de OVSE en andere regionale organisaties alsook op de media en de burgersamenleving;

14.  wijst er in dit verband op dat de EU ook dient samen te werken met de gespecialiseerde NGO-fora;

15.  is van mening dat het eerste stadium van de invoering van een conflictpreventiebeleid bestaat in het ontwikkelen van het vermogen van de Europese Unie om inlichtingen en informatie te verzamelen en analyses te maken, zodat de voortekens van een crisis opgemerkt kunnen worden;

16.  onderstreept dat hiervoor nodig is:

   a)
de loyale samenwerking van alle lidstaten, die alle middelen die hun ten dienste staan ter beschikking van de Unie moeten stellen,
   b)
de versterking van de Eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing (EBVW), die vooralsnog niet over voldoende personele en materiële middelen beschikt om haar taken op het gebied van vroegtijdige waarschuwing te kunnen vervullen, laat staan haar andere functies,
   c)
de versterking van de bevoegde diensten van de Raad en de Commissie die alle informatie en analyses waarover zij beschikken moeten delen;

17.  onderstreept tevens dat preventief optreden afgestemd moet zijn op de aard van de te behandelen crisis en dat dit kan betekenen dat maatregelen worden genomen als diplomatieke pressie en positieve acties ter versterking van de burgersamenleving, zonder dwangmaatregelen uit te sluiten, waarbij zowel gedacht kan worden aan politieke en economische sancties als aan dreigen met het gebruik van geweld;

18.  acht het noodzakelijk dat bij crisisbeheersing met niet-militaire middelen een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds zuiver civiele acties (zoals humanitaire acties, waarneming, bemiddeling, wederopbouw, enz.), die tot de taak van een Europees civiel vredeskorps zouden kunnen behoren, en anderzijds politionele acties, die het voorspel kunnen zijn tot een escalatie in het gebruik van dwangmaatregelen of na de beëindiging van een conflict nodig kunnen zijn;

19.  acht het absoluut noodzakelijk dat de geëigende organen van de Raad (Comité dat is belast met de civiele aspecten van crisisbeheersing, Situatiecentrum, Crisiscentrum) nauw samenwerken met de organen van de Commissie (met name de Eenheid voor coördinatie bij crises en ECHO), onder de vlag van een duidelijk daarvoor aangewezen gezag, zodat versnippering van de inspanningen wordt voorkomen en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie is verzekerd;

20.  herhaalt het in zijn bovengenoemde resolutie van 15 juni 2000 geformuleerde verzoek om andere "grote gemeenschappelijke doeleinden” (Headline goals) dan alleen betreffende de politiemacht vast te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van groepen van specialisten op gebieden als de rechtsstaat, het toezicht op verkiezingen, de waarneming bij situaties, humanitaire hulp en civiele bescherming;

21.  verzoekt tot slot de Commissie een lijst op te stellen van bestaande of in het leven te roepen civiele instrumenten voor het voorkomen, het beheersen en het oplossen van crises onder optimale voorwaarden;

22.  verzoekt de Commissie in samenwerking met de Raad een jaarlijks openbaar verslag op te stellen over geschillenvoorkoming door de EU, waarin het vastgestelde beleid, de gebruikte instrumenten en de gesteunde programma's worden opgesomd; stelt voor criteria vast te stellen voor de evaluatie daarvan en de eruit te trekken lessen;

II. Ontwikkeling van de militaire middelen en capaciteiten van de Unie

23.  wijst erop dat de Kosovo-oorlog het onvermogen van de Europese landen om met civiele middelen, maar ook op het vlak van de militaire capaciteiten in te grijpen in crises aan het licht heeft gebracht;

24.  geeft nogmaals uiting aan zijn steun voor het in Keulen en Helsinki vastgestelde hoofddoel (Headline goal) om uiterlijk in 2003 een snelle interventiemacht op poten te zetten van 50.000-60.000 manschappen die binnen 60 dagen op de been gebracht kunnen worden, voor een jaar beschikbaar zijn, de nodige ondersteuning vanuit de lucht en de zee ontvangen en die dienen te beschikken over een eigen commandostructuur, inlichtingendienst en operationele planningseenheid;

25.  is ingenomen met de door de lidstaten, de kandidaat-lidstaten, en de Europese NAVO-bondgenoten die niet bij de Unie zijn aangesloten op de Conferentie van 20 en 21 november 2000 gedane capaciteitstoezeggingen om dit doel te bereiken; verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB het Parlement regelmatig verslag uit te brengen over de wijze waarop de betrokken staten hun toezeggingen gestand doen, teneinde de leden van het Europees Parlement en die van de nationale parlementen in de gelegenheid te stellen de totstandkoming van de snelle Europese interventiemacht te controleren;

26.  is verheugd over de wil die de lidstaten hebben getoond om dit ambitieuze doel te verwezenlijken door hun strijdkrachten op de juiste wijze te reorganiseren;

27.  verzoekt de lidstaten om bij hun aankoopbeleid rekening te houden met de lessen die uit het optreden van de NAVO in Kosovo getrokken kunnen worden, de inventaris die is opgemaakt door de WEU, het Initiatief inzake de defensiecapaciteit (IDC) van de NAVO en de conclusies van de Conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens;

28.  wijst op de gebreken of tekortkomingen van de Europese landen op terreinen als communicatie, commandostructuur, controle en informatie (C3 I), strategische mobiliteit (vervoer van zwaar materieel door de lucht, bijtanken tijdens de vlucht), verzamelen van inlichtingen, vermogen om vijandig luchtafweergeschut te penetreren, aanvalscapaciteit in alle weersomstandigheden, zowel overdag als 's nachts, geleide precisiewapens en kruisraketten, die in de Kosovo-oorlog duidelijk zijn geworden;

29.  stelt daarom naar aanleiding van de Conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens voor dat de lidstaten zich inspannen om in de leemtes op deze terreinen te voorzien, zoals zij hebben gedaan op het gebied van het strategische luchtvervoer (Airbus A400M), lucht-lucht raketten (Météor), kruisraketten (Scalp/Storm Shadow) en verkennings- en navigatiesatellieten;

30.  is echter van mening dat de bestendiging van het proces voor de aankoop van militaire uitrusting in Europa niet kan voortbouwen op geïsoleerde en multilaterale projecten en dat derhalve een aanzienlijke gemeenschappelijke inspanning inzake marktverkenning en planning moet worden verricht;

31.  stelt voor dat de lidstaten een evaluatie maken van hun behoeften op de langere termijn, daarbij een onderscheid makend tussen de korte termijn (2003/2005), de middellange termijn (2010/2012) en de lange termijn (2020/2025), om te zijner tijd de juiste strategische, industriële en budgettaire keuzen te maken;

32.  constateert dat bij de oprichting van een snelle interventiemacht van de Europese Unie het probleem rijst van de professionalisering van de legers van de lidstaten, een weg die sommige lidstaten reeds zijn ingeslagen, en verklaart dat iedere lidstaat hierover een besluit moet nemen, naar gelang zijn politieke en sociale tradities en de rol die hij wenst te spelen bij crisisbeheersing;

33.  acht het onontbeerlijk dat de EU-lidstaten een marineluchtvaartinterventiemacht ontwikkelen die gebaseerd is op de vliegdekschepen die vier lidstaten bezitten, gezien het belang van zeevaartroutes voor de handel van de Unie en de mogelijkheden die vliegdekschepen bieden voor de uitvoering van Petersbergtaken, zoals de operaties boven het voormalige Joegoslavië hebben aangetoond; verzoekt de betrokken lidstaten om bij de vervanging van hun vliegdekschepen naar interoperabiliteit te streven om over een coherente marineluchtvaartinterventiemacht te kunnen beschikken als daaraan behoefte is;

34.  wenst dat Europese landen binnen ad-hoc task-forces of in het kader van EUROMARFOR, waarvan het voorstelt dat dit voor alle lidstaten toegankelijk is, gemeenschappelijk gebruik maken van hun middelen voor de begeleiding en ondersteuning van marineluchtvaartoperaties, zodat Europese vliegdekschepen voldoende bescherming krijgen;

35.  steunt het idee om adequate middelen te ontwikkelen op het gebied van zee- en luchtvervoer, bijtanken tijdens de vlucht, CSAR-operaties(14) , de controle van het luchtruim (AEW&C(15) ) alsook de controle van het gevechtsterrein en het verzamelen van inlichtingen per satelliet, vliegtuig en onbemand verkenningsvliegtuig;

36.  merkt op dat de strijdkrachten die nu onder de WEU (FAWEU) vallen, alsmede de Europese Luchtgroep deel gaan uitmaken van de lijst van strijdkrachten die ter beschikking van de Europese Unie staan en dat zij wellicht kunnen worden gebruikt om de snelle Europese interventiemacht te vormen; dringt erop aan dat deze verschillende strijdkrachten, die op zichzelf instrumenten van een versterkte samenwerking vormen, openstaan voor alle lidstaten die eraan deel willen nemen;

37.  verzoekt de Europese Unie het akkoord inzake het luchtvervoer over lange afstanden dat op 30 juni 1997 tussen de WEU en Oekraïne is gesloten over te nemen en is van mening dat een soortgelijk akkoord gesloten zou kunnen worden met Rusland, zodat de strategische uitvals- en vervoerscapaciteiten van de lidstaten worden versterkt;

38.  herinnert aan zijn resoluties van 15 mei 1997 en 28 januari 1999 over Europese samenwerking op het gebied van de defensie-industrie en neemt met voldoening kennis van het op 27 juli 2000 in Farnborough door 6 EU-landen ondertekende kaderakkoord, dat het makkelijker zal maken de defensie-industrie in Europa te reorganiseren, een stap waarom het Parlement in eerdere resoluties had verzocht;

39.  wenst dat de kandidaatlidstaten telkens als dit mogelijk is volledig deel kunnen nemen aan de Europese samenwerking op het gebied van bewapening;

40.  herinnert er echter de defensie-industrie alsmede de EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaten aan dat, in het belang van het GEVDB, wapenexporten gecontroleerd en beperkt moeten worden;

41.  wenst dat de Europese Unie een degelijk ruimtelijk beleid uitstippelt, dat de civiele en militaire aspecten van het gebruik van de ruimte omvat, en dat de nationale en multinationale militaire middelen waarover zij beschikt in een gemeenschappelijk ruimtecommando van de Europese Unie (CoSCEU) worden ondergebracht; is echter van mening dat dit nieuwe beleid er niet op gericht zou mogen zijn om wapens in de ruimte te stationeren, maar veeleer om observatie-, afluister- en navigatie-instrumenten te ontwikkelen;

42.  is dan ook ingenomen met de toenadering op 16 november 2000 tussen de Europese Unie en het Europees Ruimte-Agentschap, die een totstandkoming beoogt van een Europese strategie voor de ruimte waarin het zwaartepunt zal liggen op het navigatie- (Galileo) en het waarnemingssysteem (GMES-initiatief: Mondiaal toezicht op milieuveiligheid), met een tweeledig oogmerk;

43.  herinnert eraan dat de invoering van een operationeel GEVDB noopt tot het aanhangen van een gemeenschappelijke politieke visie en het vaststellen van gemeenschappelijke belangen, maar onderstreept tegelijk dat de doelmatigheid ervan berust op de verwerving door de lidstaten van een homogene interventiecapaciteit en het ontwikkelen van geavanceerde technologie; verzoekt derhalve om de invoering van een gemeenschappelijk beleid inzake defensieonderzoek; is van mening dat de Europese onderzoeksinstellingen in hun programma's rekening moeten houden met aspecten die verband houden met defensie;

44.  wijst erop dat alle inspanningen om de militaire middelen en capaciteiten van de EU te verbeteren onvoldoende effect zullen hebben als de Unie geen strategie voor het gebruik van deze macht vaststelt die onderdeel is van haar gemeenschappelijk buitenlands beleid, en zolang haar instellingen niet zijn aangepast;

III. Institutionele kwesties in verband met de totstandkoming van een gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie

45.  herinnert ten aanzien van de besluitvormingsstructuren van het GEVDB aan zijn bovengenoemde resolutie van 15 juni 2000 en spreekt de wens uit dat de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB ook de COPS voorzit, dat er een Raad van Defensieministers in het leven wordt geroepen en dat deze ministers, als daar behoefte aan bestaat, deelnemen aan de Raad voor algemene zaken;

46.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de doeltreffendheid van de organen die per 1 maart 2000 als tijdelijke voorziening zijn ingesteld, en vraagt zich af of de civiele en militaire acties waartoe de Europese Unie zou kunnen besluiten in de huidige situatie wel samenhang zouden vertonen;

47.  wijst er in dit verband op dat de instelling van deze nieuwe organen niet samen is gegaan met een versterking van de bevoegdheden op het stuk van coördinatie en initiatiefneming van de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, met een duidelijke taakverdeling tussen deze en het voor de buitenlandse betrekkingen bevoegde Commissielid en met een perfecte coördinatie tussen alle andere betrokkenen, zodat een duidelijke commandostructuur ontstaat vanaf het niveau waarop politieke initiatieven worden genomen tot de uitvoering in het veld;

48.  herhaalt bijgevolg zijn in zijn resolutie van 13 april 2000 met zijn voorstellen voor de IGC(16) geformuleerde verzoek de functie van Hoog Vertegenwoordiger van het GBVB en van voor externe betrekkingen verantwoordelijk lid van de Commissie te zijner tijd samen te voegen tot een met dit specifieke doel benoemde vice-voorzitter van de Commissie;

49.  is bovendien van mening dat de doeltreffendheid van het GEVDB nauw samenhangt met een verbetering van de werking van het GBVB en dat de Unie hiertoe niet alleen het vermogen moet hebben om inlichtingen te verzamelen, maar ook om deze te analyseren; merkt op dat middels de besluiten die door de Raad van de WEU op 13 november 2000 zijn genomen het satellietcentrum in Torrejon en het Instituut voor veiligheidsstudies van de WEU in 2001 naar de Europese Unie worden overgeheveld in de vorm van agentschap; acht het noodzakelijk daarbij de toekomstige rol van deze beide organen nauwkeurig te omschrijven, zodat zij met name opereren ter ondersteuning van de Eenheid voor beleidsplanning, waarvan het personeelsbestand dient te worden uitgebreid zodat het haar planning- en analyse-opdracht volledig kan vervullen;

50.  wenst dat de Europese Raad van Nice definitieve organen voor het GEVDB vaststelt (COPS, Militair Comité, Militaire Staf), een duidelijke omschrijving van hun bevoegdheden en hun beslissingsvermogen geeft en de nodige stappen zet om ervoor te zorgen dat de werking van het GBVB in het algemeen en het GEVDB in het bijzonder wordt verbeterd in termen van snelheid en duidelijkheid van de besluitvorming;

51.  dringt erop aan dat, in aanvulling op de instelling van de definitieve organen van het GEVDB, de Europese Raad van Nice het beginsel vastlegt, op basis van de West-Europese Bewapeningsgroep, de West-Europese Bewapeningsorganisatie of het Gemeenschappelijk Orgaan voor samenwerking op bewapeningsgebied, van een Europees bureau voor bewapening, dat is verbonden aan het Militair Comité dat tot taak heeft gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's af te bakenen en te beheren, en de uitgaven voor gemeenschappelijke investeringen en aankopen te plannen;

52.  is van mening dat de Raad zich moet buigen over de budgettaire aspecten van het GEVDB, met name door de uitgaven te plannen in verband met de overdracht van de WEU-taken, die nodig zijn voor de uitvoering van de Petersbergtaken; vindt overigens dat de kosten van de uitvoering van Petersbergtaken over de lidstaten omgeslagen moeten worden naar rato van het bruto nationaal product en wenst dat bij deze verdeling rekening wordt gehouden met de civiele en militaire bijdrage van elke lidstaat aan de uitvoering van deze taken;

53.  verlangt in ieder geval dat een lidstaat die niet aan een taak wenst deel te nemen, in naam van de solidariteit tussen de lidstaten gehouden is een financiële bijdrage te leveren die over de deelnemende lidstaten wordt verdeeld;

54.  is tenslotte van mening dat de Petersbergtaken uiteindelijk uit de algemene begroting van de Europese Unie bekostigd moeten worden, wat een wijziging van artikel 28 VEU en van de financiële vooruitzichten noodzakelijk zal maken;

55.  wenst dat de Raad en de lidstaten, gezien de kosten van de totstandkoming van het GEVDB, niet al bij voorbaat afwijzend staan tegenover een verhoging van de begrotingsmiddelen, daar deze noodzakelijk is om de geloofwaardigheid van de Unie te verzekeren, zonder dat hierdoor echter de sociale en economische prioriteiten van de Unie en de lidstaten in het geding komen;

56.  acht het wenselijk dat bundeling van militaire middelen en militaire capaciteit van de lidstaten in het kader van het GEVDB zal leiden tot een rationalisatie van de militaire uitgaven, wat zou kunnen leiden tot bezuinigingen op de begroting;

57.  wijst erop dat de verdere ontwikkeling van de militaire taken er geenszins toe mag leiden dat de lidstaten minder communautaire middelen uitgeven voor niet-militaire doelen, met name in de sectoren crisisbeheersing met civiele middelen, mensenrechten en democratie, ontwikkelingshulp en humanitaire hulp;

58.  stelt vast dat de samenwerking die is ontstaan tussen de Europese Unie en de NAVO goed functioneert, zoals op de gezamenlijke bijeenkomst van COPSi en de Noord-Atlantische Raad op 19 september 2000 is gebleken;

59.  steunt de leidende beginselen en voorwaarden om de kandidaatlanden en de Europese NAVO-landen die geen lid van de EU zijn, te betrekken bij de missies inzake het beheer van crises die door de Europese Unie worden uitgevoerd, zoals tijdens de Europese Raad van Feira is overeengekomen;

60.  herinnert er in dit kader aan:

   a)
dat in het geval van een door de Raad van de Europese Unie besloten operatie waarvoor middelen en capaciteit van de NAVO nodig zijn, de Europese lidstaten van de NAVO die niet tot de EU behoren, hieraan kunnen deelnemen indien zij dit wensen en dat zij bijgevolg dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Europese Unie hebben, vanaf de planning tot de uitvoering van deze operatie;
   b)
dat in het geval van een door de Raad van de Europese Unie besloten operatie waarbij geen middelen en capaciteiten van de NAVO worden ingezet, de lidstaten van de NAVO die niet tot de EU behoren, kunnen worden verzocht aan deze operatie deel te nemen met dezelfde rechten en plichten als de lidstaten van de Europese Unie, zoals hierboven is uiteengezet; constateert dat dit ook geldt voor alle kandidaatlanden en alle andere landen, zoals Rusland en de Oekraïne, die door de Raad worden uitgenodigd;

61.  spreekt in dit verband zijn voldoening uit over de tijdens de Conferentie gedane toezeggingen van meerdere Europese landen die lid van de NAVO en geen lid van de Europese Unie zijn, om aanvullende capaciteit ter beschikking van de Unie te stellen in het kader van haar Petersbergtaken;

62.  wijst erop dat in de Verklaring die op 23 april 1999 in Washington tijdens de Top van het Atlantisch Bondgenootschap is vastgelegd, het beginsel is opgenomen dat de Europese Unie gemakkelijk toegang moet hebben tot de gezamenlijke middelen en capaciteiten van de NAVO voor de operaties waarbij deze organisatie militair als bondgenootschap niet betrokken is, hetgeen met name een gegarandeerde toegang veronderstelt tot de planningscapaciteiten van de NAVO, alsmede het uitgangspunt dat middelen en capaciteiten van de NAVO ter beschikking staan die van tevoren zouden worden aangemerkt als middelen die door de Europese Unie kunnen worden gebruikt;

63.  stelt vast dat elke verklaring die twijfel zou kunnen laten ontstaan over de mogelijkheid voor de Europese Unie om, indien nodig, gebruikt te maken van de middelen en capaciteiten van de NAVO, haar slechts ertoe zou stimuleren een aantal daarvan te kopiëren, hetgeen in het belang van geen enkele partner is;

64.  stelt vast dat de bijeenkomst van de Raad van Ministers van de WEU in Porto en de bijeenkomst in Marseille de weg hebben geopend voor de overheveling naar de Europese Unie van de WEU-taken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van Petersbergtaken en dat dit gevolgen zal hebben voor de structuur en de toekomst van deze organisatie, waarbij men zich kan afvragen of het verdrag tot oprichting ervan wel gehandhaafd moet blijven; neemt nota van het overgangsplan dat op 17 oktober 2000 door het Militair Comité van de WEU is goedgekeurd en dat erop is gericht om tijdens de versterking van de permanente structuren van de Europese Unie te zorgen voor een ononderbroken capaciteit bij het beheer van crises; constateert dat de militaire staf van de WEU met zijn planninggroep en zijn situatiecentrum zullen verdwijnen, zodra het desbetreffende definitieve orgaan tot stand komt in het kader van de Europese Unie;

65.  constateert dat twee van de resterende taken van de WEU, te weten wederzijdse bijstand (Artikel V) en samenwerking op het gebied van bewapening via de West-Europese Bewapeningsgroep, in aanmerking zouden komen voor nauwere samenwerking indien deze als gevolg van de IGC ook zou gaan gelden voor het terrein van veiligheid en defensie;

66.  wijst erop dat de laatste taak die de WEU rest, namelijk het leveren van een breed veiligheidsforum, overgenomen begint te worden door de Unie, daar deze heeft besloten regelmatige contacten te zullen onderhouden met de kandidaatlanden en de Europese NAVO-landen die geen EU-lid zijn;

67.  stelt daarom voor dat het gewijzigde Verdrag van Brussel, dat voor 50 jaar is gesloten, op de in artikel XII ervan vastgestelde voorwaarden wordt opgezegd wanneer de resttaken van de WEU eenmaal door de Europese Unie worden uitgeoefend, hetgeen zou leiden tot het verdwijnen van deze organisatie in 2004;

68.  verzoekt de Instellingen van de Unie om in het vooruitzicht op de ontwikkeling van het GEVDB in al zijn civiele, politiek-militaire en parlementaire aspecten en op de beperking van de activiteiten van de WEU het personeel van deze organisatie - zowel van het Secretariaat-generaal als van de Assemblee - aan te werven om te kunnen profiteren van hun beroepsvaardigheden;

IV. De parlementaire dimensie van het GEVDB

69.  herinnert aan zijn eerder genoemde resolutie van 15 juni 2000 over de parlementaire dimensie van de GEVDB en betreurt het ten zeerste dat deze dimensie in de beraadslagingen van de Raad ontbreekt;

70.  brengt met name zijn voorstel in herinnering om in het kader van het GEVDB en naar aanleiding van de ervaringen van de COSAC een Europees interparlementair orgaan voor veiligheid en defensie in te stellen, dat overeenkomt met het uitgebreide kader van de Europese veiligheid;

71.  verklaart dat deze parlementaire dimensie in ieder geval in het kader van de Europese Unie ontwikkeld moet worden en dat zij met haar huidige bevoegdheden in staat is om de toezichthoudende functie van de Vergadering van de WEU over te nemen;

72.  stelt voor dat artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de verplichting voor het Europees Parlement bevat om ieder jaar een debat te wijden aan de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt, wordt gewijzigd door daar het GEVDB expliciet in op te nemen en dat de Raad in dit verband verslag doet van de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van dit beleid is geboekt, ook ten aanzien van de inspanningen van de lidstaten om bij te dragen tot de verwezenlijking van het voor 2003 vastgestelde doel;

73.  verklaart meer in het algemeen dat het zinvol zou zijn als de IGC de desbetreffende bepalingen van het Verdrag aanpast om rekening te houden met het bestaan van een GEVDB naast het GBVB, wat het tegelijk mogelijk zou maken de bevoegdheden van de Unie en van haar Instellingen duidelijker te formuleren;

74.  betreurt het eenzijdige besluit van de Raad van 14 augustus 2000 om de toegang tot documenten te beperken en dringt erop aan dat het Parlement en de Raad hierover afspraken maken opdat de goede werking van het GEVDB gewaarborgd is en het Europees Parlement er zeker van is dat het de rechten kan uitoefenen die het op grond van het Verdrag heeft;

75.  begroet de samenwerking die is ontstaan met de Parlementaire Vergadering van de NAVO, die een Europees èn een Atlantisch kader biedt voor het bespreken van veiligheids- en defensiekwesties;

76.  is van mening dat het in de huidige fase zinvol is zijn eigen structuren aan te passen om rekening te houden met het bestaan van het GEVDB en beter controle te kunnen uitoefenen op de ontwikkeling daarvan;

77.  stelt derhalve voor om in zijn midden een gespecialiseerde administratieve eenheid te vormen die de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid terzijde staat bij haar werkzaamheden in verband met het GEVDB en bijstand verleent bij het werk van de Delegatie voor de betrekkingen met de Parlementaire Vergadering van de NAVO, die de status van een vaste delegatie moet krijgen;

V. De transatlantische betrekkingen

78.  onderstreept dat de inspanningen van de Europese Unie om een GEVDB tot stand te brengen, stroken met de ontwikkeling van een Europese identiteit op defensie- en veiligheidsgebied binnen de NAVO en zich in de richting bewegen van een echt partnerschap op alle gebieden - politiek, economisch, militair - met de Verenigde Staten en Canada;

79.  is zich ervan bewust dat de totstandbrenging van een evenwichtig partnerschap tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten op het gebied van veiligheid en defensie, en dus het buitenlands beleid, een herwaardering van de positie van elke partner veronderstelt teneinde het hoofd te kunnen bieden aan deze nieuwe uitdaging, die wijziging brengt in de rol die elk van de partners sinds 1945 heeft gespeeld;

80.  constateert helaas dat de ontwikkelingen die in gang gezet zijn in Helsinki en Keulen door de Verenigde Staten niet altijd op hun juiste waarde worden geschat en dat het nodige voorlichtingswerk verricht moet worden om ieder misverstand te voorkomen; stelt daarom voor dat de delegatie van de Commissie in Washington, in nauwe samenwerking met het Voorzitterschap van de Unie en de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, de voorlichting van de verantwoordelijke Amerikaanse politici ter hand neemt; verzoekt zijn delegatie voor de betrekkingen met de Verenigde Staten bovendien dit onderwerp regelmatig te bespreken met Amerikaanse parlementariërs;

81.  acht het noodzakelijk dat de Europese Unie en de Verenigde Staten als partners die dezelfde gemeenschappelijke waarden en belangen hebben, voortdurend met elkaar in gesprek blijven over gewichtige strategische kwesties, zoals de evenwichtssituaties die als gevolg van de verdragen over ontwapening zijn ontstaan, en over de belangrijkste thema's van de wereldpolitiek en van veiligheidsaangelegenheden;

o
o   o

82.  wenst dat de gespecialiseerde Europese instanties aan de Europese parlementariërs en ambtenaren die zich bezighouden met het GEVDB de opleiding verstrekken die onontbeerlijk is voor de uitoefening van hun taken;

83.  verzoekt voorts de Commissie en de Raad om de mogelijkheid te bestuderen om op het vlak van de Europese Unie een Europees Veiligheidscollege in het leven te roepen dat een gemeenschappelijke Europese scholing moet verzorgen voor civiele en militaire gezagsdragers van de Instellingen van de Europese Unie en van haar lidstaten, en zo het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur op het gebied van veiligheid en defensie mogelijk te maken;

84.  acht het tevens onontbeerlijk dat de Europese Unie een voorlichtingsbeleid uitstippelt om de publieke opinie in de lidstaten en derde landen aan haar grenzen bekend te maken met de doelstellingen van het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie dat zij tot stand wil brengen; is van mening dat deze taak gezamenlijk zou moeten worden uitgevoerd door het Europees Parlement, het Voorzitterschap van de Raad, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB en de Commissie;

85.  wenst dat er een breed democratisch debat over de Europese veiligheid en defensie wordt georganiseerd, waaraan wordt deelgenomen door het Europees Parlement en de nationale parlementen; verzoekt de Raad en de Commissie om in het kader van hun respectieve bevoegdheden een Witboek over de Europese veiligheid en defensie op te stellen, teneinde zich een gemeenschappelijk beeld te vormen van de dreigingen die ons continent op korte en middellange termijn boven het hoofd hangen, en beleidslijnen vast te stellen die als richtsnoer voor civiele en militaire acties van de Europese Unie kunnen dienen;

86.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, van de kandidaat-lidstaten, van de Europese NAVO-leden die geen EU-lid zijn en van de Verenigde Staten en Canada, alsmede aan de Raad, de Vergadering en de Secretaris-generaal van de WEU, aan de Secretaris-generaal van de NAVO, aan de Parlementaire Vergadering van de NAVO en aan de Euro-Atlantische Partnerschapsraad.

(1) PB L 153 van 19.6.1999, blz. 1.
(2) PB L 123 van 13.5.1999, blz. 14.
(3) PB L 49 van 22.2.2000, blz.1.
(4) PB L 49 van 22.2.2000, blz.2.
(5) PB L 49 van 22.02.2000, blz.3.
(6) PB L 127 van 27.05.2000, blz.1.
(7) PB C 311 E van 31.10.2000, blz. 213.
(8) PB C 167 van 02.06.1997, blz. 99.
(9) PB C 128 van 07.05.1999, blz. 86.
(10) Punt 5 van de aangenomen teksten.
(11) Punt 9 van de aangenomen teksten.
(12) Punt 5 van de aangenomen teksten.
(13) PB L 212 van 23.8.2000, blz. 9.
(14) Combat Search and Rescue (zoek- en reddingsoperaties in gevechtssituaties).
(15) Airborne Early Warning & Control system (waarschuwings- en controlesysteem vanuit de lucht).
(16) Punt 7 van de aangenomen teksten.


Afghanistan
Resolutie van het Europees Parlement over de toestand in Afghanistan
P5_TA(2000)0538B5-0892/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad ten aanzien van de beperkende maatregelen tegen de Taliban, dat op 15 november 1999 werd goedgekeurd met het oog op de uitvoering van resolutie 1267/99 van de Veiligheidsraad,

-  gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat op 24 januari 2000 werd goedgekeurd,

-  gezien Verordening (EG) nr. 1880/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot verlenging van de geldigheidsduur van Verordening (EG) nr. 443/97 van de Raad betreffende acties op het gebied van de hulp aan de ontwortelde bevolkingsgroepen in de ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en in Azië(1) ,

-  onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over Afghanistan, en met name die van 5 oktober 2000 over de situatie in Afghanistan(2) ,

-  gezien de bewoordingen van bovengenoemde resolutie van 5 oktober 2000, en die het Parlement nog steeds volledig onderschrijft,

-  gezien het VN-voorstel strekkende tot het houden van open vredesonderhandelingen dat zowel door de Taliban als door de Noordelijke Alliantie van Ahmed Shah Massoed is aanvaard,

-  gelet op het besluit van de Europese Commissie van 26 oktober om, met het oog op voortzetting van de hulpverlening aan 30.000 ontheemde gezinnen, humanitaire hulp ter waarde van € 3,9 miljoen beschikbaar te stellen,

A.  uiting gevend aan zijn ernstige bezorgdheid over het zomeroffensief van de Taliban dat tot een verheviging van de strijd heeft geleid,

B.  overwegende dat het volk van Afghanistan al jarenlang onbeschrijfelijk lijdt onder deze oorlog en dat de recente gevechten de toestand van de toch al ernstig door de droogte in de gehele regio geteisterde burgerbevolking nog verergert,

C.  overwegende dat een miljoen Afghanen door landmijnen invalide zijn geworden,

D.  overwegende dat Afghanistan de ergste droogte in 30 jaar heeft gekend, dat het land daardoor met hongersnood wordt bedreigd, en dat Afghanistan tevens gerekend wordt tot de landen die waarschijnlijk het sterkst de gevolgen van de klimaatverandering zullen ondervinden,

E.  overwegende dat miljoenen ontheemden in kampen leven of gevlucht zijn voor de stelselmatige en dagelijkse schendingen van de mensenrechten door het Taliban-bewind,

F.  bezorgd over berichten als zouden tienduizenden Afghaanse vluchtelingen onlangs bij de grens met Pakistan en Tadzjikistan zijn tegengehouden,

G.  overwegende dat bij de machtsovername door de Taliban in 1996 vrouwen het slachtoffer werden van extreme vormen van psychische en fysieke onderdrukking,

H.  overwegende dat vrouwen in de gebieden die in handen zijn van de Taliban blootstaan aan chicanes, willekeurige rechtspleging en discriminatie,

I.  overwegende dat in een diepgaande analyse van moslim-intellectuelen de willekeurige en onmenselijke interpretatie van de sharia en de stelselmatige schending van de meest elementaire mensenrechten scherp veroordeeld worden,

J.  overwegende dat de Taliban NGO's geen toestemming hebben gegeven om de Afghaanse bevolking, zonder onderscheid op grond van geslacht, hulp te verlenen en hen gedwongen hebben Kaboel te verlaten,

K.  wijzend op het gevaar van alle vormen van fanatisme en fundamentalisme,

L.  overwegende dat ondanks de programma's van de UNDCP de productie van verdovende middelen door de Taliban hand over hand toeneemt en dat de handel daarin de oorlog tegen de noordelijke alliantie financiert,

M.  overwegende dat de Europese Unie steeds geweigerd heeft UNDCP-programma's inzake de bevordering van alternatieve gewassen in Afghanistan te financieren met als argument dat deze vorm van samenwerking het Taliban-bewind zou ondersteunen,

N.  de verheerlijking van het internationaal terrorisme door de Taliban scherp veroordelend,

O.  overwegende dat het Taliban-bewind expansionistische oogmerken nastreeft die een bedreiging vormen voor de vrede en de stabiliteit in de regio,

P.  overwegende dat de Europese Unie de belangrijkste leverancier van humanitaire hulp aan Afghanistan is,

Q.  overwegende dat desondanks de bevolkingsgroepen op Afghaanse bodem in ongelijke mate profiteren van de humanitaire noodhulpprogramma's,

R.  overwegende dat de doeltreffendheid van de resolutie van de Verenigde Naties te wensen overlaat en er een groot aantal praktijken is ontdekt om de toepassing ervan te omzeilen,

S.  overwegende dat geen enkele militaire oplossing vrede in het land kan brengen zonder dat de bevolking daar opnieuw in hoge mate onder zal lijden,

T.  vaststellend dat de Raad noch de Commissie tot op heden hun bedoelingen duidelijk hebben gemaakt, ondanks de nadrukkelijke verzoeken van het Parlement,

1.  meent stellig dat de fundamentalistische ideologie van de Taliban de oorzaak is van de voortdurende schending van de mensenrechten in Afghanistan;

2.  veroordeelt de apartheid die het Taliban-bewind op Afghaanse bodem doorvoert;

3.  veroordeelt de openlijke steun van het Taliban-bewind aan het internationaal terrorisme;

4.  veroordeelt de onaanvaardbare discriminatie van vrouwen in het gebied dat door de Taliban wordt beheerst;

5.  veroordeelt alle buitenlandse inmenging in Afghaanse aangelegenheden die de oorlog verlengt, met name van de kant van Pakistan;

6.  roept de buurlanden van Afghanistan ertoe op hun grenzen voor Afghaanse vluchtelingen open te houden en verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU met spoed financiële steun te verlenen aan de landen die vluchtelingen opnemen;

7.  steunt het streven naar een politieke oplossing die de basis kan leggen voor een regering die het hele volk van Afghanistan vertegenwoordigt, en vrede, stabiliteit en eerbiediging van het internationaal recht en de mensenrechten tot stand kan brengen;

8.  dringt er bij de Taliban op aan onverwijld en onvoorwaardelijk resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen;

9.  dringt er bij de Veiligheidsraad op aan alle maatregelen te nemen die nodig zijn voor het toezicht op de feitelijke uitvoering en de eventuele aanscherping van zijn resolutie, in het bijzonder wat betreft de beperkingen van het luchtverkeer en het bevriezen van financiële middelen voor de Taliban;

10.  verzoekt de UNDCP te erkennen dat zijn programma's in Afghanistan niet het gewenste effect sorteren en projecten ter bevordering van de vervanging van de papaverteelt door andere teelten niet langer rechtstreeks te financieren, mede omdat er tijdens de uitvoeringsfase van die projecten drie maal zoveel papaver is verbouwd;

11.  dringt er bij de Veiligheidsraad op aan een embargo op de wapenverkoop aan de Taliban in te stellen;

12.  dringt er bij de Pakistaanse autoriteiten op aan alle vormen van militaire steun aan de Taliban, of het nu gaat om bevelvoering, aanwerving of troepeninzet, conform de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tegen Afghanistan ingestelde sancties te beëindigen, en tevens erop toe te zien dat vrouwen en religieuze minderheden beschermd en gelijk behandeld worden;

13.  doet een beroep op de Raad nogmaals uiting te geven aan zijn streven het Taliban-bewind diplomatiek te isoleren;

14.  verzoekt de Raad met klem de beperkende maatregelen tegen het Taliban-bewind en zijn vertegenwoordigers aan te scherpen, zolang dat de bevolking terroriseert;

15.  verzoekt de Raad met klem zich krachtig in te spannen voor het zoeken naar een vreedzame politieke oplossing, en zijn diplomatieke initiatieven met die van de buurlanden te coördineren;

16.  roept de EU-lidstaten ertoe op andere economische contacten met het Taliban-bewind dan contacten in de vorm van humanitaire hulpverlening te weigeren of stop te zetten en in samenhang daarmee te streven naar nauwere politieke en humanitaire samenwerking met de buurlanden van Afghanistan welke bedreigd worden door moslimfundamentalistische terreuracties welke door de Taliban worden gesteund;

17.  doet een beroep op de lidstaten hun invloed bij de buurlanden van Afghanistan, in de eerste plaats Pakistan, aan te wenden om een eind te maken aan alle inmenging die de vrede schaadt;

18.  verzoekt de Raad een nieuw gemeenschappelijk standpunt goed te keuren dat aansluit op de ontwikkeling van de situatie en dat van zijn actiebereidheid getuigt;

19.  verzoekt de Commissie de noodzakelijke noodmaatregelen op humanitair vlak te nemen en vooral te letten op een evenwichtige verdeling van de hulp over het gehele Afghaanse grondgebied;

20.  dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een afgezant te sturen om ter plekke bij alle opererende partijen na te gaan waaraan bij de bevolking de meeste behoefte bestaat;

21.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of op korte termijn in Doesjanbé een opslagplaats voor noodvoedselhulp ten behoeve van de bevolking van het noorden kan worden ingericht;

22.  verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten bij te dragen aan de totstandkoming van veilige zones in de noordelijke provincies welke tot dusverre buiten de invloedssfeer van de Taliban zijn gebleven;

23.  dringt aan op de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het Verdrag van Ottawa op Afghaanse bodem en op bijzondere steun van de Europese Unie voor het opruimen van de antipersoneelmijnen in het gehele land;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, alsmede aan de Taliban-autoriteiten, de officiële regering van Afghanistan en aan de regeringen van Pakistan, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, India, China, Rusland, Iran, Oezbekistan en Tadzjikistan.

(1) PB L 227 van 7.9.2000, blz. 1.
(2) Punt 11 van de aangenomen teksten.


Rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling
Resolutie van het Europees Parlement over de rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling (2000/2025(INI))
P5_TA(2000)0539A5-0308/2000

Het Europees Parlement,

-  gelet op de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties van 10 december 1948 en op de verklaring en het actieprogramma die het resultaat waren van de Wereldconferentie over de mensenrechten van 14 tot 25 juni 1993 in Wenen, met name de paragrafen I 28-29 en II 38 over stelselmatige verkrachting, seksuele slavernij en gedwongen zwangerschap tijdens gewapende conflicten,

-  gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979, op de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 en op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

-  gelet op het Verdrag van de Algemene Vergadering tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 en op Verklaring 3318 van de Algemene Vergadering inzake de bescherming van vrouwen en kinderen tijdens noodsituaties en gewapende conflicten van 14 december 1974, met name paragraaf 4 waarin wordt gevraagd om doeltreffende maatregelen tegen vervolging, foltering, geweld en onterende behandeling van vrouwen,

-  gelet op resolutie 1265 van de VN-Veiligheidsraad over de bescherming van burgers tijdens gewapende conflicten van 17 september 1999, met name paragraaf 14 met het verzoek dat VN-personeel dat betrokken is bij de handhaving en versterking van de vrede, een passende opleiding krijgt in mensenrechten, met inbegrip van sekse-specifieke bepalingen,

-  gelet op resolutie 3519 van de Algemene Vergadering van de VN inzake de deelname van vrouwen aan de versterking van de internationale vrede en veiligheid van 15 december 1975 en op Verklaring 37/63 van de Algemene Vergadering van de VN inzake de deelname van vrouwen aan de bevordering van de internationale vrede en samenwerking van 3 december 1982, met name paragraaf 12 over praktische maatregelen met het oog op een sterkere vertegenwoordiging van vrouwen bij vredesinspanningen,

-  gelet op de verklaring en het actieplatform die zijn goedgekeurd op de vierde VN-Vrouwenconferentie van 4 tot 15 september 1995 in Beijing, met name bijzonder zorgpunt E inzake vrouwen en gewapende conflicten, en op het slotdocument van de speciale bijeenkomst Beijing + 5 van de Verenigde Naties van 5 tot 9 juni 2000 over verdere maatregelen en initiatieven ter uitvoering van de verklaring en het actieplatform van Beijing, met name paragraaf 13 over hindernissen voor een gelijkwaardige deelname van vrouwen aan maatregelen ter versterking van de vrede, en paragraaf 124 over een evenwicht tussen de geslachten bij vredeshandhaving en vredesonderhandelingen,

-  gelet op het Internationale Strafhof dat gebaseerd is op het Statuut van Rome van 1998, met name de artikelen 7 en 8, waarin verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen bevruchting, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld worden aangemerkt als misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, ongeacht of zij al dan niet stelselmatig en in internationale of interne conflicten plaatsvinden,

-  gelet op de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977, waarin staat dat vrouwen bescherming genieten tegen verkrachting en elke andere vorm van aanranding,

-  gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, met name de artikelen 3 en 4 die onmenselijke behandeling of bestraffing en foltering alsmede slavernij verbieden,

-  gelet op de resolutie van de Europese Raad van 20 december 1995 over de integratie van genderaspecten in de ontwikkeling, met name paragraaf 19, waarin wordt onderstreept dat bij noodoperaties en crisispreventie een genderperspectief van het allergrootste belang is,

-  gelet op de verklaring en de agenda voor actie van het millenniumforum van de Verenigde Naties over de versterking van de Verenigde Naties voor de 21e eeuw van 26 mei 2000, met name paragraaf 11 van deel B over scholing in genderkwesties voor al het met vredeshandhaving belaste personeel,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 maart 2000(1) over vrouwen in de besluitvorming, met name overweging I en paragraaf 14 over de deelname van vrouwen aan de handhaving en versterking van de vrede en conflictpreventie,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 april 1984(2) over toepassing van het Verdrag van Genève met betrekking tot de vluchtelingenstatus, met name de paragrafen 1 en 2 over toekenning van de vluchtelingenstatus aan vrouwen die geconfronteerd worden met een wrede of onmenselijke behandeling omdat zij geacht worden zich niet te hebben gehouden aan de sociale mores van de samenleving waarin zij leven,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 december 1992(3) over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië, met name paragraaf 2 waarin wordt gevraagd verkrachting als oorlogsmisdaad en misdaad tegen de menselijkheid te erkennen,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 1993(4) over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië, met name paragraaf 14 waarin wordt gevraagd om behoorlijke medische zorg voor vrouwelijke slachtoffers van verkrachting, in het bijzonder voorzieningen voor zwangerschapsbeëindiging wanneer de vrouw dit wenst,

-  gezien de slotdocumenten van zijn openbare hoorzitting van 26-27 juni 1995 over sekse-specifieke schendingen van de mensenrechten en van zijn openbare hoorzitting van 18 februari 1993 over verkrachting als oorlogsmisdaad in Bosnië, waarin met name wordt erkend dat de vluchtelingenstatus het leven van vrouwen ingrijpend verandert, terwijl in het tweede document wordt verzocht om financiële vergoeding voor de slachtoffers van verkrachting in gewapende conflicten,

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0308/2000 ),

A.  overwegende dat in het Verdrag van Genève seksuele gewelddaden niet worden aangemerkt als "ernstige inbreuk” of als een bijzondere vorm van foltering, waardoor het onduidelijk blijft of seksueel geweld altijd wordt beschouwd als een oorlogsmisdaad,

B.  overwegende dat vrouwen in bepaalde situaties kracht en flexibiliteit ontwikkelen, dat zij wantoestanden herkennen en bereid zijn voor hun gezinnen en de samenleving initiatieven te ontplooien en aldus positieve veranderingen te bewerkstelligen,

C.  overwegende dat Verklaring 3318 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de bescherming van vrouwen en kinderen in noodsituaties en gewapende conflicten in technisch opzicht vaag is en dat seksueel geweld en de specifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen onvermeld blijven,

D.  overwegende dat vier van de vijf vluchtelingen in de wereld vrouwen en kinderen zijn en dat momenteel 90% van de oorlogsslachtoffers weerloze burgers, met name vrouwen en kinderen, zijn,

E.  overwegende dat is aangetoond dat verkrachting en seksueel geweld op zeer grote schaal voorkomen in vluchtelingenkampen in bijvoorbeeld Kenia en Tanzania,

F.  overwegende dat verkrachting altijd al als oorlogswapen is gebruikt, het meest recent in het voormalige Joegoslavië, Soedan, Liberia, Oeganda, Peru, Sri Lanka, Cambodja, Somalië, Rwanda, Bangladesj en in andere conflicten,

G.  overwegende dat een hele reeks studies hebben aangetoond dat de mobilisatie van mannelijke soldaten - zowel oorlogvoerende soldaten als vredeshandhavers - de toename van prostitutie rond militaire basissen en legerkampen in de hand werkt en vervolgens leidt tot toenemende kinderprostitutie en de verspreiding van seksueel overdraagbare ziektes,

H.  overwegende dat gewapende groeperingen in conflicten over de gehele wereld - bijvoorbeeld in Liberia, Sierra Leone en Soedan - jonge meisjes en vrouwen gevangen hebben genomen en tot seksuele slavernij hebben gedwongen,

I.  overwegende dat vrouwen die tijdens de oorlog zijn verkracht, door hun plaatselijke gemeenschap vaak worden gestigmatiseerd en vaak geen gezondheidszorg of psychologische begeleiding ontvangen,

J.  overwegende dat meerdere VN-soldaten uit lidstaten van de Europese Unie wegens seksuele gewelddaden zijn ontslagen uit missies van de Verenigde Naties in Somalië en Mozambique,

K.  overwegende dat slechts vier lidstaten van de Europese Unie - België, Frankrijk, Italië en Luxemburg - het Statuut van Rome hebben geratificeerd, terwijl 60 landen nodig zijn om het Internationale Strafhof te sanctioneren,

L.  overwegende dat ten gevolge van gewapende conflicten, de instorting van sociaal-economische stelsels en de toenemende armoede, vrouwenhandel een groeiend fenomeen in conflictgebieden is,

M.  overwegende dat vredesinitiatieven van vrouwen vaak over de strijdende partijen heen worden genomen - zoals inhet Midden-Oosten, Cyprus en Noord-Ierland - en vaak worden ondernomen met zeer grote risico's in gebieden waar zware conflicten woeden , zoals in Soedan, Libanon en Rusland,

N.  overwegende dat vrouwen vaak worden gemarginaliseerd of uitgesloten van onderhandelingen en diplomatiek overleg met het oog op de beëindiging van gewapende conflicten, zoals bijvoorbeeld het geval was in de vredesgesprekken in Boeroendi, Tadzjikistan en het meest recent in Kosovo,

O.  overwegende dat de rechten, prioriteiten en belangen van vrouwen in formele vredesonderhandelingen veelvuldig worden genegeerd,

P.  overwegende dat volwaardige deelname van vrouwen aan de besluitvorming, het voorkomen en oplossen van conflicten en alle vredesinitiatieven in het algemeen van vitaal belang is; dat hun deelname aan vredesmissies tot de jaren negentig getalsmatig weinig voorstelde, maar dat de stijging van het aantal vrouwen dat heeft deelgenomen aan burgerlijke, militaire en politiële aspecten van vredeshandhavingoperaties heeft geleid tot betere betrekkingen met de plaatselijke gemeenschappen, hetgeen van essentieel belang is voor de totstandbrenging van een duurzame vrede,

Q.  overwegende dat de aandacht van de donors tijdens de demobilisering van de strijdkrachten en strijdende groeperingen over het algemeen gericht is op de mannen, waardoor de vrouwen vaak worden uitgesloten van hulp- en ontwikkelingsprogramma's in het kader van de wederopbouw,

R.  overwegende dat de behoeften van meisjessoldaten - die vaak zijn verkracht, als seksslavinnen zijn gebruikt, ongewenst zwanger zijn geraakt of geslachtsziekten en/of AIDS hebben - over het algemeen niet in aanmerking worden genomen in demobiliseringsinitiatieven,

S.  overwegende dat het voor een duurzame vrede in veel opzichten bepalend is dat de plaatselijke bevolking betrokken is bij en zeggenschap heeft over het vredesproces - dat alleen legitiem kan zijn als vrouwen er op voet van gelijkheid bij betrokken zijn - en dat de rol van de internationale gemeenschap bij de ondersteuning van maatschappelijke netwerken die plaatselijke, nationale en internationale initiatieven met elkaar verbinden, van cruciaal belang is voor het vredesproces,

I. Bescherming van bevolkingsgroepen in oorlogstijd

1.  veroordeelt stelselmatige verkrachting, gedwongen bevruchting, seksuele slavernij en alle andere vormen van geweld op grond van geslacht tijdens gewapende conflicten;

2.  veroordeelt het seksuele wangedrag van soldaten die betrokken waren bij vredesoperaties;

3.  veroordeelt het inzetten van kindsoldaten van beide geslachten;

4.  verzoekt de lidstaten al het nodige te doen voor een zodanige wijziging van artikel 147 van het Vierde Protocol van Genève dat verkrachting, gedwongen bevruchting en seksuele slavernij, gedwongen sterilisatie en andere vormen van seksueel geweld worden aangemerkt als ernstige schendingen van de Conventies van Genève;

5.  verzoekt de lidstaten het Statuut van Rome te ratificeren ter sanctionering van het Internationale Strafhof, dat verkrachting, gedwongen bevruchting, gedwongen sterilisatie, seksuele slavernij en elke andere vorm van seksueel geweld formeel erkent als misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, en dus ook als een vorm van foltering en een ernstige oorlogsmisdaad, ongeacht of zij al dan niet stelselmatig plaatsvinden;

6.  verzoekt de lidstaten in de Commissie status van vrouwen van de Verenigde Naties actie te ondernemen en te pleiten voor actualisering van de formulering van de Verklaring inzake de bescherming van vrouwen en kinderen in noodsituaties en tijdens gewapende conflicten, om er ook seksueel geweld en de specifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen in op te nemen;

7.  verzoekt de lidstaten bij de Verenigde Naties actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat er een bijzondere rapporteur inzake vrouwen tijdens gewapende conflicten wordt aangesteld;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het genderaspect mee te nemen in vredes- en veiligheidsinitiatieven en daartoe:

   (a)
scholing inzake de genderaspecten van conflictbijlegging en vredeswerk te verstrekken aan personeel dat op het hoofdkwartier en in veldkantoren betrokken is bij conflictbeleid,
   (b)
in de veldkantoren gebruik te maken van ter plekke aanwezige deskundigheid op gendergebied,
   (c)
onderzoek te stimuleren naar de ontwikkeling van geweld op grond van geslacht tijdens en na gewapende conflicten;
   (d)
in een vroeg stadium van de opleiding van militairen in een gendertraining te voorzien opdat respect voor vrouwen vanzelfsprekend wordt en er een vrouwvriendelijke mentaliteit in het leger gaat heersen;
   (e)
ervoor te zorgen dat acties gericht tegen vrouwenhandel in conflictgebieden deel uitmaken van dergelijke initiatieven;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de planning van vluchtelingenkampen onder hun financieel gezag rekening te houden met de genderproblematiek en daartoe:

   (a)
te waarborgen dat alle door hun gefinancierde initiatieven in overeenstemming zijn met de internationale afspraken en voorschriften met betrekking tot vrouwelijke vluchtelingen, zoals de richtsnoeren van de UNHCR inzake de bescherming van vrouwelijke vluchtelingen en inzake de preventie van en de omgang met seksueel geweld tegen vluchtelingen,
   (b)
vluchtelingen en intern ontheemde vrouwen en kinderen te beschermen tegen mogelijk seksueel misbruik door van bij de installatie in de kampen preventiemaatregelen te nemen,
   (c)
het recht van vrouwelijke vluchtelingen op zelfbeschikking te garanderen, door passende economische mogelijkheden te creëren en voor gelijke vertegenwoordiging te zorgen in vluchtelingencomités en andere besluitvormingsorganen in de vluchtelingenkampen;
   (d)
te zorgen voor veilige omstandigheden voor de terugkeer van vrouwen en meisjes naar hun streek van herkomst;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen opdat slachtoffers van verkrachting en aanranding in gebieden met een gewapend conflict psychologisch begeleid kunnen worden, de keuze kunnen genieten om de zwangerschap te beëindigen of discreet te bevallen en opdat getuigen van deze wandaden beschermd kunnen worden;

11.  verzoekt de Commissie een bepaald percentage van het vluchtelingenbudget van 216 miljoen euro te reserveren voor de scholing van ambtenaren in opvangcentra, politiefunctionarissen en medisch personeel in het omgaan met de bijzondere behoeften van vrouwelijke vluchtelingen;

12.  verzoekt de lidstaten in hun vluchtelingenbeleid een genderperspectief op te nemen en daartoe:

   (a)
onder bepaalde voorwaarden de status van tijdelijke vluchteling toe te kennen aan vrouwen die tijdens een gewapend conflict, bezetting en/of overgangsperiode zijn verkracht of aan andere vormen van seksueel geweld zijn onderworpen,
   (b)
verkrachtingsslachtoffers een traumabehandeling te geven en praktische hulp te verlenen, zoals gevraagd in paragraaf 14 van zijn bovengenoemde resolutie van 11 maart 1993 over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië,
   (c)
te waarborgen dat de detentie-inrichtingen/opvangcentra voor vluchtelingen aparte voorzieningen hebben voor niet-verwante mannen en vrouwen, parallel met de benoeming van personeel op de vrouwenafdeling dat een gendertraining heeft gehad;

II. Internationale inspanningen om gewapende conflicten te voorkomen en op te lossen

13.  verzoekt de lidstaten te bevorderen dat vrouwen op alle niveaus op voet van gelijkheid deelnemen aan diplomatieke initiatieven gericht op conflictbijlegging en wederopbouw, en daartoe:

   (a)
meer vrouwen aan te werven in de diplomatieke diensten van de lidstaten,
   (b)
de vrouwen in de diplomatieke dienst van de lidstaten cursussen onderhandelen, begeleiden en bemiddelen te geven en een lijst van gekwalificeerde vrouwen op te stellen voor vredes- en veiligheidstaken,
   (c)
meer vrouwen op internationale diplomatieke posten, met name hoge functies te benoemen (bijzondere vertegenwoordigers van de VN, vredescommissies, onderzoeksmissies, enz),
   (d)
het vrouwenaandeel in de delegaties naar nationale, regionale en internationale bijeenkomsten inzake vrede en veiligheid alsmede bij formele vredesonderhandelingen te vergroten,
   (e)
van internationale diplomatieke vredesteams te verlangen dat zij stelselmatig overleg plegen met lokale vredesgroepen van vrouwen en andere vrouwenorganisaties, om zo te garanderen dat hun problemen en prioriteiten in het officiële vredesproces aan bod komen;

14.  verzoekt de Raad en de lidstaten te bevorderen dat het genderaspect wordt meegenomen in de vredes- en veiligheidsoperaties alsmede de wederopbouwmaatregelen waaraan zij deelnemen, en daartoe:

   (a)
bij de planning en uitvoering van externe interventies automatisch een genderanalyse uit te voeren. In het bijzonder moet worden nagegaan in hoeverre de maatschappelijke, economische en politieke marginalisering van vrouwen als gevolg van het conflict toeneemt, en welke mogelijkheden de gewijzigde situatie biedt om de positie van vrouwen te verbeteren,
   (b)
ervoor te zorgen dat al het militaire personeel - zowel mannen als vrouwen - in het bijzonder wanneer het gaat om het versterken, handhaven en afdwingen van vrede, een gedegen genderscholing krijgen,
   (c)
een vredesmacht te laten begeleiden door magistraten en mensenrechtenwaarnemers, om te waarborgen dat het volkenrecht wordt nageleefd;

15.  onderstreept dat de huidige conflicten een groter gebruik van niet-militair crisisbeheer vereisen, hetgeen inhoudt dat van vredeshandhavers nieuwe niet-militaire vaardigheden worden verlangd, waardoor er betere kansen voor vrouwen ontstaan, en verzoekt de lidstaten en de Raad:

   (a)
alle posten die te maken hebben met verzoening, het handhaven, afdwingen en versterken van de vrede alsmede conflictpreventie, met inbegrip van onderzoeks- en waarnemersmissies waaraan de lidstaten deelnemen, met vrouwen te bezetten,
   (b)
ervoor te zorgen dat vrouwen die deelnemen aan vredesoperaties, onderworpen zijn aan de voorschriften van de Verenigde Naties en internationale mensenrechtenbeginselen en niet aan discriminerende plaatselijke beperkingen,
   (c)
het gebruik van geheel uit vrouwen bestaande onderzoeks- en bijstandsteams te bevorderen om te reageren op seksueel geweld en andere situaties wanneer de culturele context hierom vraagt;

16.  onderstreept dat verzoening in diepgewortelde conflicten een ongekende mogelijkheid biedt om een kader te scheppen voor een democratische, op het gelijkheidsbeginsel berustende samenleving, en verzoekt de Commissie en de lidstaten met het oog daarop te bevorderen dat bij de invulling van vredesakkoorden een grondwettelijke bescherming van de gelijke behandeling van vrouwen wordt ingebouwd;

III. Deelname van de plaatselijke bevolking aan de preventie en bijlegging van gewapende conflicten

17.  wijst erop dat, historisch gezien, vrouwen doorgaans met het geweldloze worden geassocieerd, terwijl hun leven en hun waardenstelsels verstrengeld zijn met de bescherming van het leven, dialoog, verzoening, onderhandelen en het vreedzaam oplossen van geschillen; dat dit waarden zijn die een alternatief kunnen vormen voor de huidige geweldcultuur en een nieuwe cultuur kunnen inluiden - een cultuur van vrede, meer dialoog op alle niveaus, rechtvaardige verdeling van de middelen en eerbied voor alle verschillen inzake geslacht, religie en politieke overtuiging;

18.  onderstreept dat het van belang is dat de plaatselijke bevolking actief betrokken wordt bij het vredes- en verzoeningsproces; en verzoekt de lidstaten en de Commissie:

   (a)
de oprichting en bestendiging te ondersteunen van non-gouvernementele organisaties, met inbegrip van vrouwenorganisaties, die zich bezighouden met conflictpreventie, vredestichting en wederopbouw na een conflict;
   (b)
te ijveren om vrouwenorganisaties voor geweldloze conflictbijlegging te sensibiliseren;

19.  verzoekt de lidstaten en de Commissie stelselmatig te bevorderen dat vrouwen deelnemen aan het officiële proces van conflictbijlegging, en daartoe:

   (a)
aan te moedigen dat conflictpartijen vrouwen opnemen in hun onderhandelingsteams,
   (b)
ervoor te zorgen dat ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en de consequenties daarvan systematisch op elk onderhandelingsgebied worden besproken,
   (c)
ervoor te zorgen dat het vredesproces stevig verankerd is, door de conflictpartijen te verzoeken om vertegenwoordigers van de burgerbevolking in hun onderhandelingsteams op te nemen;
   (d)
steun te verlenen voor bewustmakingscampagnes en debatten over de inhoud van de vredesonderhandelingen;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor zorg te dragen dat vrouwen, die veelal het kwetsbaarst zijn en vaak een cruciale rol spelen bij de wederopbouw van hun samenleving, niet worden gemarginaliseerd door onjuiste initiatieven voor de periode van demobilisering en wederopbouw, en daartoe:

   (a)
in regio's die een conflict hebben doorgemaakt, een maatschappelijke discussie te stimuleren over misstanden op grond van geslacht, om herhaling van gewelddaden te voorkomen,
   (b)
ervoor te zorgen dat zowel vrouwen als mannen profiteren van initiatieven voor de wederopbouw, en met name dat voormalige vrouwelijke strijders niet worden uitgesloten van of worden benadeeld door demobiliseringsprogramma's,
   (c)
een bepaald percentage van de gelden voor demobilisering en wederopbouw te reserveren voor de politieke en economische emancipatie van vrouwen,
   (d)
binnen de demobiliseringsinitiatieven bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke rehabilitatiebehoeften van meisjessoldaten;

21.  verzoekt de Commissie en de Raad het Parlement jaarlijks in te lichten over de stappen, programma's en initiatieven die naar aanleiding van deze resolutie zijn genomen;

22.  verzoekt de Raad, de Commissie en de secretaris-generaal van de VN in alle rapporten over vredes- en veiligheidsinitiatieven een hoofdstuk over het genderaspect op te nemen;

o
o   o

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de secretaris-generaal van de VN.

(1) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(2) PB C 127 van 14.5.1984, blz. 137.
(3) PB C 21 van 25.1.1993, blz. 158.
(4) PB C 115 van 26.4.1993, blz. 149.


Huishoudelijk werk in de informele economie
Resolutie van het Europees Parlement over de normalisering van huishoudelijk werk in de informele economie (2000/2021(INI))
P5_TA(2000)0540A5-0301/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien artikel 137, lid 1, vijfde streepje van het EG-Verdrag,

-  gezien de conventie C 177van de IAO over huishoudelijk werk,

-  gezien de internationale classificering van beroepen CITP-88 van het Internationaal arbeidsbureau,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 november 1999 (1) over het gezamenlijk verslag over werkgelegenheid 1999 van de Commissie (SEC(1999)1386 - C5-0215/1999 ),

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 21 september 2000(2) over de mededeling van de Commissie betreffende zwart werk (COM(1998) 219 - C5-0566/1998 - 1998/2082(COS) ),

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0301/2000 ),

A.  overwegende dat het begrip “huishoudelijk werk” niet duidelijk omschreven is,

B.  overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt nog steeds toeneemt,

C.  overwegende dat het zeer moeilijk is om de omvang te meten van de grijze economie en zwart huishoudelijk werk,

D.  overwegende dat niet-zwartwerk aanzienlijke gevolgen heeft voor de boekhouding van de staten en de inkomens van de bewoners,

E.  overwegende dat huishoudelijk werk zich van nature gemakkelijk leent voor flexibele, verbrokkelde werktijden voor verscheidene werkgevers tegen een minimumloon, meestal zwart,

F.  overwegende dat er vele huishoudens zijn waar beide ouders een volledige baan hebben,

G.  overwegende dat het aantal eenoudergezinnen toeneemt,

H.  overwegende dat de vraag naar huishoudelijk werk toeneemt door gewijzigde familiale omstandigheden, werkomstandigheden, tijdsbesteding en interesses van zowel mannen als vrouwen,

I.  overwegende dat deze vraag net als het verschijnsel zwartwerken alleen maar toeneemt,

J.  overwegende dat het aantal alleenstaande ouderen dat hulp in de huishouding nodig heeft, steeds meer toeneemt,

K.  overwegende dat de regelgeving met betrekking tot huishoudelijk werk van lidstaat tot lidstaat verschilt of dat regelgeving soms gewoon ontbreekt,

L.  overwegende dat ook op het niveau van diplomatieke missies geregeld misbruik gemaakt wordt van de status van de werkgever tegenover het personeel,

M.  overwegende dat er een adequate juridische structuur nodig is die alle huishoudelijk personeel laat deelhebben aan de arbeidswetgeving en de hieruit voortvloeiende persoonlijke rechten,

N.  overwegende dat sommige lidstaten lofwaardige inspanningen hebben geleverd om door het creëren van plaatselijke of regionale organen vraag en aanbod van huishoudelijk werk te reguleren,

O.  overwegende dat Frankrijk en België resultaten hebben bereikt met de invoering van de zogenaamde "dienstencheques”,

P.  overwegende dat de migrantenbevolking voor een groot deel uit vrouwen bestaat,

Q.  overwegende dat vrouwelijke migranten voor het merendeel als werkster werkzaam zijn,

1.  wenst een Europese definitie van huishoudelijk werk;

2.  verzoekt de lidstaten om statistieken over het verschijnsel zwart huishoudelijk werk die regelmatig moeten worden aangepast zodat men een beter inzicht krijgt in de omvang van de problematiek;

3.  verzoekt de lidstaten een diepgaand onderzoek in te stellen naar zwarte huishoudelijke arbeid alsook naar de kosten en gevolgen voor de inkomsten van de staat, de arbeidsmarkt en de particulieren;

4.  wenst dat huishoudelijk werk erkend wordt als een volwaardig beroep;

5.  meent dat de sector huishoudelijk werk in beginsel valt onder bestaande richtlijnen die betrekking hebben op werkgelegenheid en arbeid en in aanmerking dient te komen voor nog op te stellen richtsnoeren - op te nemen in de werkgelegenheidsrichtsnoeren - opdat men een Europese regelgeving tot stand kan brengen inzake de sociale rechten van de werknemer, regulering van vraag en aanbod in de sector, mogelijkheid tot scholing en medefinanciering van de lasten door de overheid;

6.  wenst dat bij de opstelling van richtlijnen en andere regelgeving dienaangaande rekening wordt gehouden met de specifieke werksituatie en werkverhouding waarin huishoudelijk werkers zich bevinden, waaronder hun geïsoleerde positie en hun a-typische relatie tot hun werkgever(s);

7.  verzoekt de lidstaten de sociale partners nauw te betrekken bij het opstellen van richtsnoeren voor de sector huishoudelijke arbeid;

8.  beveelt de lidstaten aan de volgende maatregelen te nemen om het imago van huishoudelijk werk en de status van dit beroep te verbeteren:

   -
een definiëring van de te verrichten taken, en kwantificering en duidelijke beperking van het maximale aantal werkuren,
   -
een maatschappelijke overkoepeling die rekening houdt met de diversiteit van de taken en het gevaar dat men bij sommige taken loopt, en die de werknemer recht geeft op sociale verzekeringen en overige rechten, waaronder een behoorlijk pensioen,
   -
het creëren van de nodige voorwaarden voor kwalitatief werk door het organiseren van beroepsopleiding,
   -
het creëren van opvangvoorzieningen om de maatschappelijke integratie van deze werknemers te bevorderen,
   -
bewustmakings- en voorlichtingscampagnes voor werkgevers en werknemers om hen over hun rechten en plichten te informeren;

9.  beveelt de lidstaten teneinde de organisatie van de markt van betaalde huishoudelijke arbeid te structureren, aan een omkadering tot stand brengen door middel van bijvoorbeeld bedrijven voor het verrichten van huishoudelijk werk, NGO's en plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen;

10.  wenst dat op nationaal niveau de volgende maatregelen worden genomen om de toenemende hoeveelheid zwartwerk in deze sector tegen te gaan:

   -
aanpassing van prijzen en kosten aan de financiële mogelijkheden van particulieren,
   -
vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten betreffende het declareren door particulieren,
   -
belastingaftrek voor huishoudelijk werk, zodat het verschil tussen de kosten voor zwartwerkers en gedeclareerde werkers kleiner wordt;

11.  legt de nadruk op het belang om in alle lidstaten het principe door te voeren dat bepaalt dat elke arbeidsovereenkomst wordt gedeclareerd;

12.  onderstreept het belang van voorlichting aan zowel werknemers als werkgevers over hun rechten en plichten met betrekking tot arbeidsovereenkomsten,

13.  legt de nadruk op het belang van een sectoriële sociale dialoog als het onderhandelingsniveau dat het dichtst bij de werkelijkheid staat en dus het meest geschikt is om maatregelen voor te stellen voor de bestrijding van zwartwerk en voor het scheppen van nieuwe duurzame arbeidsplaatsen, en wijst tevens op de noodzaak om huishoudelijk werk onder te brengen bij de algemene arbeidswetgeving en de hiermee verbonden cao's;

14.  beveelt aan om voor vrouwelijke migranten opvangcentra in het leven te roepen waar zo nodig psychologische en psychiatrische hulp kan worden verleend bij psychisch, fysiek en seksueel misbruik van vrouwelijke migranten en waar tevens de nodige hulp kan worden geboden bij het aanleggen van een dossier in het kader van de procedure om een tijdelijke verblijfsvergunning te regelen, alsmede hulp bij wettelijke maatregelen tegen personen die vrouwen aan seksuele of psychische intimidatie blootstellen;

15.  beveelt aan om deze centra informatiebrochures te laten verspreiden met alle nuttige gegevens en adressen in het kader van hun verblijf in de lidstaat;

16.  meent dat in het kader van de erkenning van huishoudelijk werk als beroepssector vrouwelijke migranten in aanmerking dienen te komen voor reguliere tewerkstellingsvergunningen;

17.  beveelt aan dat de bevoegde instanties in de lidstaten zich uitvoerig buigen over de specifieke situatie van als huishoudelijk personeel werkzame migranten;

18.  verzoekt de lidstaten om minimale arbeidsvoorwaarden te verbinden aan het afleveren van visa voor huishoudelijk personeel bij diplomaten;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de sociale partners en de Internationale Arbeidsorganisatie.

(1) PB C 158 van 7.6.2000, blz. 43.
(2) Punt 13 van de aangenomen teksten.


Hervorming van de Commissie: Begrotingscommissie
Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek betreffende de hervorming van de Commissie (aspecten die de Begrotingscommissie aanbelangen) (COM(2000) 200 - C5-0447/2000 - 2000/2217(COS) )
P5_TA(2000)0541A5-0327/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek betreffende de hervorming van de Commissie (COM(2000) 200 - C5-0447/2000 ),

-  gelet op het EG-Verdrag, inzonderheid artikel 274,

-  gezien de Nota van wijzigingen nr. 1/2001 op het voorontwerp van begroting 2001, (12071/2000-C5-0518/2000 ),

-  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure, (1)

-  gezien het eerste en het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen, deel I en II: analyse van huidige praktijken en voorstellen voor het aanpakken van wanbeheer, onregelmatigheden en fraude,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 1999 over het werkdocument van de Commissie betreffende de herziening van het Financieel Reglement (SEC(1998) 1228 - C4-0689/1998 )(2) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2000 met de opmerkingen van het Parlement over het te geven gevolg aan het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen over de hervorming van de Commissie(3) ,

-  gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,

-  gezien zijn andere resoluties van 30 november 2000 over het Witboek betreffende de hervorming van de Commissie(4) ,

-  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A5-0327/2000 ),

A.  overwegende dat een groot aantal tekortkomingen in de werking van de Commissie alsmede wanbeheer hebben geleid tot haar ontslag in maart 1999 en dat het vertrouwen van de burgers in de Europese instellingen moet worden hersteld,

B.  overwegende dat alle instellingen actief moeten deelnemen aan het hervormingsproces van de Commissie, in het kader van de bevoegdheden die het Verdrag aan elk van hen verleent,

C.  overwegende dat de Commissie krachtens het Verdrag (artikel 274) de begroting uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en dat zij de middelen die haar ter beschikking staan derhalve ten dienste moet stellen van de politieke prioriteiten die worden vastgesteld door het Parlement en de Raad in hun hoedanigheid van Begrotingsautoriteit,

D.  overwegende dat het Parlement de Commissie in de loop van de laatste jaren naar aanleiding van de moeilijkheden bij de uitvoering van met name de externe programma's heeft verzocht om een algemene evaluatie te verrichten van haar personeelsbestand, teneinde de begrotingsautoriteit in staat te stellen de oorzaken van de betalingsachterstand en eventuele bijkomende behoeften te identificeren,

E.  overwegende dat voor de periode 2000-2006 financiële vooruitzichten gelden, waarin voor elke uitgavenrubriek maximumbedragen zijn vastgesteld,

F.  overwegende dat de hervorming aanleiding zal geven tot een groot aantal specifieke wetgevende en budgettaire besluiten, waarover het Parlement zich geval per geval zal uitspreken in overeenstemming met de geldende procedures,

G.  overwegende dat het Parlement de raadpleging over het Witboek derhalve te baat moet nemen om een aantal beginselen vast te stellen, die geenszins afbreuk doen aan de autonomie van de Commissie op het stuk van de interne organisatie, maar haar integendeel in staat stellen om haar rol te vervullen binnen het in de verdragen vastgestelde institutionele evenwicht,

Hoofdstuk II Dienstverlening als cultuur

1.  herhaalt dat een betere organisatie van de Commissie een rechtstreekse impact zal hebben, niet alleen door een optimale benutting van het menselijk kapitaal, maar ook door de gevolgen voor de uitvoering van de kredieten;

2.  meent dat het Parlement een bijzondere verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van de burgers en moet instaan voor de goede werking van de Europese openbare dienst; en er als tak van de begrotingsautoriteit op moet toezien dat de middelen die ter beschikking van de Unie worden gesteld goed worden besteed en dat de uitgaven die worden goedgekeurd in overeenstemming zijn met de vastgestelde politieke prioriteiten;

3.  herhaalt zijn voornemen om de Commissie ten volle te ondersteunen bij haar inspanningen voor hervorming en modernisering, met strikte eerbiediging van het in de verdragen vastgelegde institutionele evenwicht;

4.  meent dat de hervorming niet beperkt mag blijven tot het louter mathematisch afwegen van taken en beschikbare middelen of het oppoetsen van procedures, maar moet bijdragen tot de consolidering van het Europese integratieproces door een diepgaande reorganisatie van de structuren en werkmethodes, zodat de Commissie haar taken, met name op beheersgebied, naar behoren vervult en kan zorgen voor een optimaal gebruik van de door de begrotingsautoriteit beschikbaar gestelde financiële middelen;

5.  steunt de inspanningen voor de ontwikkeling van een nieuwe, meer op resultaten en meetbare prestaties gerichte cultuur, op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de vereisten van bepaalde taken die misschien hoge kosten met zich brengen, maar beantwoorden aan politieke prioriteiten;

6.  meent dat decentralisatie en delegatie van bevoegdheden de noodzakelijke basis vormen voor een moderne, doeltreffende en verantwoorde administratie, op voorwaarde dat de besluitvorming en de controle zowel binnen als buiten de instelling worden verzekerd;

7.  herinnert eraan dat de menselijke en financiële middelen waarover de Commissie beschikt om de burgers voor te lichten en met hen te communiceren aan de Unie toebehoren en dat deze middelen moeten worden gebruikt om een gezamenlijke boodschap uit te dragen die de politieke prioriteiten van de Unie weerspiegelt; acht het absoluut noodzakelijk dat het voorlichtingsbeleid op interinstitutioneel niveau wordt gevoerd;

8.  wenst dat de hervorming te baat wordt genomen om de doeltreffendheid van de Unie bij de uitvoering van de programma's te verbeteren:

   -
ten aanzien van steun die rechtstreeks wordt toegekend aan begunstigden wier projecten zijn geselecteerd op grond van door de wetgevende instanties en de begrotingsautoriteit vastgestelde criteria, via de betaling van tranches direct nadat de projecten zijn geselecteerd, vergezeld van een interne en externe controle op de goede benutting van de middelen;
   -
ten aanzien van de externe programma's, door de vaststelling van realistische doelstellingen om de opgelopen achterstand weg te werken en de verhouding tussen vastleggingen en betalingen opnieuw in evenwicht te brengen, door maatregelen die het mogelijk maken om lopende contracten te onderbreken indien de politieke prioriteiten veranderen, en door coherentie tussen de politieke verplichtingen, de wettelijke voorwaarden en de haalbaarheid op het terrein;

9.  verwelkomt de verschillende gedragscodes die in het kader van de hervorming zijn opgesteld; betreurt dat het Parlement zijn opvattingen niet kenbaar heeft kunnen maken voordat zij van kracht werden;

10.  dringt erop aan dat in deze gedragscodes alleen gemeenschappelijke beginselen van alle instellingen worden vastgelegd, om de cohesie en het specifieke karakter van de Europese openbare dienst te versterken, de transparantie van de raadpleging en de interinstitutionele besluitvorming te verbeteren en het vertrouwen van het personeel en de burgers in de Europese instellingen te herstellen zonder de goede werking van de diensten van de Commissie te belemmeren;

Hoofdstuk III Prioriteitenstelling en allocatie en efficiënt gebruik van middelen
Activiteitsgestuurde budgettering

11.  neemt kennis van het voornemen van de Commissie om geleidelijk een nieuwe begrotingsnomenclatuur in te voeren, via het systeem van activiteitsgestuurde budgettering (AGB);

12.  verwelkomt elk initiatief om de transparantie van het beheer en de evaluatie te verbeteren en stemt in met een wijziging van de geldende nomenclatuur om de kosten en de resultaten van de communautaire beleidsvormen zichtbaar te maken;

13.  onderstreept dat de opstelling van de begroting per activiteit niet mag leiden tot extra starheid bij de toewijzing van personeel door de diensten van de Commissie en indien nodig, de aanvaarding en uitvoering van nieuwe taken mogelijk moet maken;

14.  herinnert eraan dat het Parlement er tijdens de vorige begrotingsprocedures herhaaldelijk op heeft gewezen dat de Commissie de geldende nomenclatuur omzeilt door administratieve uitgaven ten laste te brengen van beleidskredieten (minibegrotingen, BAT's) en dat het geprobeerd heeft de transparantie te herstellen via maximumbedragen en toelichtingen waardoor de aard van de uitgaven voor eenzelfde bestemming kan worden geïdentificeerd;

15.  waarschuwt de Commissie dat een globale methode, waarbij de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit over de toewijzing van de huishoudelijke kredieten beperkt wordt door de specifieke presentatie van de uitgaven per bestemming, aanleiding kan geven tot verwarring, omdat de aard van de uitgaven in een dergelijk systeem minder zichtbaar wordt; zal zich in elk geval verzetten tegen een systeem waarin de begrijpelijkheid van de analyse en zijn beslissingsbevoegdheid over de toewijzing van de menselijke hulpbronnen en de huishoudelijke kredieten niet wordt gewaarborgd; is niettemin bereid AGB (activiteitsgestuurde budgettering) in overweging te nemen naast de huidige nomenclatuur en als deel van een ruimer toekomstig systeem voor het definiëren van doelstellingen, prioriteiten en resultaten (ABM);

16.  onderstreept dat de volledige vervanging van de huidige nomenclatuur door de AGB-methode een voorafgaande wijziging vereist van artikel 19 van het Financieel Reglement, waarin het onderscheid wordt gemaakt tussen deel A (huishoudelijke kredieten) en deel B (beleidskredieten), en uiteindelijk zal leiden tot de verdwijning van rubriek 5 van de financiële vooruitzichten, die de administratieve uitgaven van de instellingen groepeert; herinnert eraan dat deze besluiten de instemming van de begrotingsautoriteit en van de andere instellingen vereisen;

17.  herinnert eraan dat de Commissie krachtens artikel 274 weliswaar bevoegd is om de begroting onder haar eigen verantwoordelijkheid uit te voeren, maar dat zij het institutionele evenwicht niet mag wijzigen; dringt er bij de Commissie op aan de politieke prioriteiten die door het Parlement en de Raad in hun hoedanigheid van Begrotingsautoriteit worden vastgesteld niet te ondermijnen door haar eigen prioriteiten te stellen; verzoekt zijn bevoegde commissie in interinstitutionele context op dit deel van de hervorming toe te zien;

Externalisering en comitologie

18.  verwelkomt de besluiten van de Commissie op het gebied van de externalisering, die zijn opgenomen in de Nota van wijzigingen nr. 1/2001; onderstreept dat deze tegemoet komen aan drie vereisten:

   -
na zijn verzet tegen de minibegrotingen en nadien tegen de BAT's heeft het Parlement oplossingen voorgesteld die radicaal waren op het stuk van de te eerbiedigen beginselen, maar gematigd wat de concrete tenuitvoerlegging betreft, om het beheer van de programma's door de Commissie, die door haar ontslag reeds in moeilijkheden verkeerde, niet verder te hinderen;
   -
de autoriteit van de Commissie bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden en haar bevoegdheden als vertegenwoordiger van de openbare macht wordt versterkt;
   -
de efficiëntie, transparantie en beheerskosten van de communautaire beleidsmaatregelen zouden moeten verbeteren;

19.  hecht derhalve zijn goedkeuring aan de resultaten van het verslag van de programmerings- en coördinatiegroep, waarvan de basisideeën grotendeels door het Parlement zijn geïnspireerd: de delegatie van verantwoordelijkheden aan communautaire openbare uitvoeringsorganen en een strikte beperking van de uitbesteding aan de particuliere sector tot uitvoerende taken die geen verband houden met de openbare macht, in de vorm van occasionele contracten voor dienstverlening;

20.  meent dat het financieel beheer van de communautaire programma's tot de exclusieve bevoegdheid van de Commissie behoort en dat de comités, die bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten, derhalve geen beslissingsbevoegdheid mogen hebben over het beheer, om te voorkomen dat dit wordt beïnvloed door nationale belangen die strijdig zijn met het subsidiariteitsbeginsel;

21.  waarschuwt de Commissie voor het risico van verwarring ten aanzien van de verantwoordelijkheden die door bepaalde bestuursvormen met decentralisatie naar gemengde, zowel nationale als Europese overheidsorganen kan worden veroorzaakt, en herinnert eraan dat de programmering en het toezicht op de uitvoering van de gedecentraliseerde taken ook in de toekomst vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Commissie, die hiervoor de volledige verantwoordelijkheid draagt, terwijl de controle wordt uitgeoefend door het Parlement en de Rekenkamer; verwacht dat de Commissie het tijdschema voor de ontmanteling van de BAT's eerbiedigt en zo spoedig mogelijk een voorstel indient om een wettelijk kader voor de oprichting van de communautaire uitvoeringsorganen te creëren, teneinde de overgangsperiode zoveel mogelijk te beperken;

22.  meent in dit verband dat de controle op de externalisering van de taken een essentieel onderdeel is van de versterking van de uitvoerende rol van de Commissie in de zin van artikel 274 van het Verdrag; meent dat het herstel van de controle op de uitvoering moet worden voortgezet door een hervorming van de comitologie;

23.  verzoekt de Commissie om in de wetgevingsvoorstellen die betrekking hebben op uitgavenprogramma's in de toekomst niet langer melding te maken van het optreden van de beheers- en reglementeringscomités;

Hoofdstuk IV Menselijk kapitaal

24.  herinnert eraan dat uit het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen is gebleken dat de wanverhouding tussen het menselijk potentieel dat de Commissie ter beschikking heeft en de nieuwe taken die haar in de loop van de laatste tien jaar zijn toevertrouwd een ernstige hinderpaal vormt voor de goede werking van de instelling, en dat de leden van de oude en de nieuwe Commissie deze opmerking grotendeels hebben onderschreven; constateert dat de Commissie desondanks nooit een diepgaand politiek debat over dit onderwerp heeft gevoerd en bij de begrotingsautoriteit nooit een algemeen verzoek heeft ingediend op basis van een evaluatie van bestaande en nieuwe taken en van toekomstige uitdagingen, zoals de uitbreiding, en zich tevreden heeft gesteld met het indienen van een rapport waarin opgenomen een verzoek om verhoging van de personeelskredieten, vergezeld van een lijst van activiteiten die zouden kunnen worden stopgezet of beperkt - zoals LIFE, SAVE en ALTENER - indien dit verzoek niet wordt ingewilligd;

25.  herinnert er tevens aan dat het Parlement alle instellingen, ook de Commissie, met het oog op de onderhandelingen over de nieuwe financiële vooruitzichten (2000-2006) reeds lang voor de lancering van de hervorming herhaalde malen had verzocht om een evaluatie van hun behoeften aan menselijk kapitaal;

26.  neemt kennis van de Nota van wijzigingen nr. 1/2001 met voorstellen voor bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de hervorming, en meent dat deze nota in beginsel moet worden behandeld in het kader van de begroting 2001;

27.  merkt op dat de Nota van wijzigingen geen herziening van de financiële vooruitzichten vereist, maar dat de gevraagde extra kredieten de marge onder het maximum van rubriek 5 grotendeels opslokken, vooral in 2002/2003; toont zich bezorgd over de financiering van de behoeften van andere instellingen of van nieuwe uitgaven die zich tijdens de periode kunnen voordoen; constateert dat de bijkomende kosten van de Nota van wijzigingen over de periode van de financiële vooruitzichten in totaal 540 miljoen euro bedragen;

28.  steunt de geplande interne inspanningen op het gebied van herschikking en verbetering van de productiviteit; betreurt echter dat de herschikking slechts 4% van het personeel betreft en verzoekt de Commissie de criteria die zijn gehanteerd voor het afstoten of beperken van bepaalde activiteiten tegenover het Parlement te verduidelijken;

29.  meent dat, om strikt de hand te houden aan de begroting en de mogelijkheden inzake loopbaanontwikkeling te verbeteren, nieuwe ambtenaren bij voorkeur moeten worden aangesteld in de basisrang van elke categorie; is bovendien van oordeel dat voorbereiding op het gebied van beheer bij de vaststelling van de posten voldoende gewaardeerd moet worden; dringt erop aan te streven naar een adequate specialisatie van de externe dienst van de Commissie; is van mening dat het carrièreverloop dient te worden gemoderniseerd;

30.  is in het kader van de begrotingsprocedure voor 2001 bereid de modaliteiten van een voorstel voor vervroegde uittreding te bestuderen en heeft er vertrouwen in dat een dergelijke maatregel kan worden uitgevoerd met eerbiediging van de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren; herinnert eraan dat de maatregelen inzake vervroegde pensionering de belangrijkste prioriteiten van de hervorming in geen geval mogen overschaduwen;

31.  verzoekt de Commissie te verduidelijken in hoeverre met de gevraagde personeelsuitbreiding in de nota van wijzigingen nr. 1/2000 wordt geanticipeerd op extra personele behoeften als gevolg van de uitbreiding; merkt op dat het een besluit over de gevraagde personeelsuitbreiding in 2002 afhankelijk zal maken van de invloed van de toegestane extra posten in 2001 op de uitvoering van programma's en de besteding van kredieten;

32.  wenst dat dit punt op de agenda van de volgende triloog wordt geplaatst, zodat de begrotingsautoriteit de volgende aspecten kan behandelen:

   -
onderhandeling over het principe,
   -
evaluatie van de budgettaire gevolgen, en
   -
gezamenlijk besluit over de noodzakelijke kredieten;

Hoofdstuk V Audit, financieel management en controle
Financieel Reglement

33.  herinnert aan zijn standpunt van 5 oktober 2000(5) over het "fast-track”-voorstel met betrekking tot de toekomstige organisatie van de financiële controle in de instellingen; meent dat de kwaliteit van de financiële controle vooraf moet worden gewaarborgd; wijst op de noodzaak om een passende onafhankelijkheid van de gespreide financiële controle in de directoraten-generaal van de Commissie te verzekeren;

34.  acht het onlogisch dat wijzigingen van het Financieel Reglement, waarin de modaliteiten voor de vaststelling en uitvoering van de begroting zijn vastgelegd, worden goedgekeurd door slechts een van de twee takken van de budgettaire en legislatieve autoriteit de Raad , na eenvoudige raadpleging van de andere tak het Parlement; herhaalt zijn aan de IGC gerichte verzoek om in de toekomst de medebeslissingsprocedure toe te passen en geeft uiting aan zijn politieke voornemen om onverwijld de nodige juridische aanpassingen in te voeren;

35.  dringt erop aan dat de Commissie rekening houdt met de specifieke verzoeken die het Parlement bij verschillende gelegenheden en onlangs nog in zijn reeds genoemde resolutie van 23 maart 1999 heeft geformuleerd, met name:

   -
de mogelijkheid om de kredieten in de loop van het begrotingsjaar op te schorten indien problemen rijzen bij de uitvoering of indien weinig resultaten worden geboekt;
   -
de versterking van de positie van het Financieel Reglement, dat primeert op de interne uitvoeringsbepalingen;
   -
de verbetering van de informatieverstrekking over de uitvoering aan het Parlement in het kader van de begrotings- en de kwijtingsprocedure;
   -
de harmonisatie van de geldende bepalingen voor de gedecentraliseerde organen, en volledige opname van hun begrotingen en organisatieschema's in de algemene begroting;

Decentralisatie van het beheer en rationalisatie van de structuren

36.  is bereid om in het kader van de begroting en binnen de grenzen van de beschikbare middelen de bijkomende kosten in aanmerking te nemen die voortvloeien uit de hervorming, teneinde de doeltreffendheid en transparantie van het beheer te verbeteren; hiertoe behoren met name de kosten voor de internalisering van bepaalde taken die vroeger werden uitbesteed, de decentralisatie van de financiële en controlediensten, en tenslotte de versterking van de rol van de externe delegaties in het beheer van de programma's;

37.  spreekt zich uit voor een meer gedecentraliseerd beheer, op voorwaarde dat de Commissie zich ertoe verbindt de delegatie van de bevoegdheden zo te structureren dat de verantwoordelijkheid op technisch en politiek niveau steeds kan worden vastgesteld en op voorwaarde dat de nieuwe posten eerst worden opgevuld door herschikking en pas nadien door nieuwe aanwervingen;

38.  verwelkomt de inspanningen die zijn geleverd om door een herstructurering van de delegaties de externe vertegenwoordiging van de Unie te verbeteren; meent echter dat deze inspanningen ontoereikend zijn en in de door het Parlement gevraagde richting moeten worden voortgezet, met name ten aanzien van de regionalisering en de horizontale herschikking in verband met het bedrag van de financiële middelen van de programma's;

o
o   o

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(2) PB C 177 van 22.6.1999, blz. 15.
(3) PB C 304 van 24.10.2000, blz. 135.
(4) Punten 15 t/m 17 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 5 van de aangenomen teksten.


Hervorming van de Commissie: Commissie begrotingscontrole
Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek over de hervorming van de Commissie (aspecten die de Commissie begrotingscontrole aanbelangen) (COM(2000) 200 - C5-0445/2000 - 2000/2215(COS) )
P5_TA(2000)0542A5-0329/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek over de hervorming van de Commissie (COM(2000) 200 - C5-0445/2000 ),

-  gelet op het EG-Verdrag en met name artikel 274 ervan,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2000 met de opmerkingen van het Parlement over het te geven gevolg aan het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen over de hervorming van de Commissie(1) ,

-  gelet op artikel 47, lid 1 van het Reglement,

-  onder verwijzing naar zijn andere resoluties van 30 november 2000 over het Witboek over de hervorming van de Commissie(2) ,

-  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A5-0329/2000 ),

A.  overwegende dat de huidige Commissie zich moet houden aan de toezeggingen die zij tijdens en na haar benoeming gedaan heeft aan het Europees Parlement ten aanzien van de grondbeginselen van transparantie, efficiëntie en verantwoording, alsook met betrekking tot het hervormingsproces,

B.  overwegende dat de voorstellen die gedaan worden in het Witboek in grote mate geïnspireerd zijn op het tweede rapport van het Comité van onafhankelijke deskundigen, waarmee het Parlement reeds zijn instemming heeft betuigd in paragraaf 1 van zijn bovengenoemde resolutie van 19 januari 2000,

C.  overwegende dat de Commissie, op grond van het beginsel dat de instellingen autonoom zijn op het gebied van de interne organisatie, haar eigen organisatiestructuur en werkmethoden moet bepalen om de taken die haar in de Verdragen zijn toevertrouwd zo goed mogelijk te verrichten en dat het Parlement hierbij een positieve bijdrage levert,

D.  overwegende dat het Parlement daarentegen, uit hoofde van de taken en bevoegdheden die het krachtens de Verdragen heeft, controle dient uit te oefenen op de Commissie op basis van de resultaten van het totale beleid met inbegrip van de uitvoering van de begroting van de Europese Unie,

E.  overwegende dat de gebeurtenissen die de kwijtingprocedure 1996 domineerden ten dele werden veroorzaakt doordat de vorige Commissie in gebreke bleef bij de modernisering van de beheers- en bestuurssystemen en de volledige toepassing van de bestaande regels,

F.  overwegende dat de doelmatigheid van de in het Witboek voorgestelde hervorming in belangrijke mate zal worden beoordeeld aan de hand van de resultaten ten aanzien van het gebruik van middelen en personeel, alsmede aan de hand van de uitvoering en het toezicht op de toepassing van de desbetreffende financiële voorschriften dankzij het gebruik van passende controle- en sanctiemechanismen,

G.  overwegende dat het Parlement, in afwachting van de inwerkingtreding van een nieuw Financieel Reglement, op 5 oktober 2000 zijn standpunt heeft bepaald over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van het Financieel Reglement van 21 december 1977 tot scheiding van de functie van interne audit en de functie van financiële controle vooraf (artikel 24, alinea 5 van het Financieel Reglement) (3) om grijze gebieden en juridische onzekerheden te vermijden,

H.  overwegende dat de specifieke kenmerken van de organisatie- en begrotingsstructuur van de verschillende instellingen en raadgevende organen van de Unie een zekere mate van flexibiliteit rechtvaardigen bij de vaststelling van de nieuwe bepalingen op het gebied van controle- en auditprocedures en dat dit tot uiting moet komen in hun respectieve interne regels, terwijl er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de kernbeginselen van deugdelijk financieel beheer en toezicht in alle instellingen worden toegepast,

Algemene overwegingen

1.  herhaalt zijn standpunt dat een krachtige, transparante en efficiënt optredende Commissie een van de pijlers vormt van de Europese eenwording; is van mening dat het hervormingsproces in een gestaag tempo moet worden doorgevoerd en dat het Parlement - dat dit proces heeft geïnitieerd met zijn besluit over de kwijting 1996 - zijn rol in dit proces op positieve en constructieve wijze grondig en volledig moet spelen;

2.  is verheugd over het feit dat de aanbevelingen van het tweede rapport van het Comité van onafhankelijke deskundigen in grote lijnen zijn overgenomen in de voorstellen van het Witboek, zoals het uitdrukkelijk verlangd had in paragraaf 7 van zijn bovengenoemde resolutie van 19 januari 2000;

3.  is van mening dat de Commissie, binnen het door Parlement en Raad vastgestelde wetgevingskader, haar eigen organisatiestructuur en werkmethoden moet vaststellen en erop moet toezien dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de financiële middelen; herinnert eraan dat het Parlement krachtens de Verdragen controle dient uit te oefenen op de Commissie, op basis van de balans van de activiteiten van de Commissie en met name ten aanzien van de uitvoering van de Gemeenschapsbegroting; benadrukt dat dit onderscheid de controlebevoegdheden van het Parlement niet beperkt, maar het Parlement juist in staat stelt deze doeltreffend uit te oefenen;

4.  neemt er nota van dat de Commissie het menselijk potentieel beter wil afstemmen op de taken die zij moet uitoefenen; herinnert eraan dat het Parlement in paragrafen 2, 15, 18 en 25 van zijn resolutie van 4 mei 1999 over de rekeningen van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1996(4) zelf heeft aangedrongen op een herziening van het personeelsbeheer van de Commissie om het af te stemmen op de politieke prioriteiten, aangezien een aantal van de geconstateerde problemen die behandeld zijn in het kader van de kwijting 1996 te wijten waren aan personeelsgebrek bij de Commissie, waardoor deze de fout beging wezenlijke beheerstaken te delegeren aan externe bureaus voor technische bijstand;

5.  verzoekt de Commissie het Europees Parlement het voorlopige organigram te doen toekomen waarop alle personeelsmutaties zijn aangegeven (pensioneringen, vervroegde uittredingen, interne mutaties, aanwervingen, enz.) voor de periode waarin de hervorming wordt uitgevoerd;

Gedragscodes voor overheidsdiensten

6.  neemt kennis van de opstelling van een reeks gedragscodes voor de Commissie (gedragscode voor Commissieleden, gedragscode voor de betrekkingen tussen de Commissieleden en hun diensten en gedragscode voor de betrekkingen van het personeel van de Commissie met het publiek); herhaalt zijn standpunt dat deze codes een rechtsgrondslag dienen te hebben; roept de Commissie er derhalve toe op de eerste twee bovengenoemde gedragscodes in haar Reglement van orde op te nemen, overeenkomstig artikel 218 van het EG-Verdrag, zoals zij ook gedaan heeft in haar besluit van 17 oktober 2000 tot wijziging van haar Reglement van orde(5) met de derde gedragscode en ook te voorzien in straffen in het geval van inbreuk op deze bepalingen;

7.  is verheugd over het voorstel van de Commissie om in een Interinstitutioneel Akkoord een onafhankelijk permanent comité voor maatstaven bij het openbaar bestuur op te richten; is van mening dat een dergelijk comité uitsluitend een adviserende rol dient te vervullen en dat lidmaatschap van het comité afhankelijk dient te zijn van goedkeuring door het Europees Parlement; is voorts van mening dat dit comité verschillende rollen dient te vervullen voor verschillende groepen binnen de instellingen, en dat met name de onafhankelijkheid van de leden van het Europees Parlement en het Europees Parlement als instelling moet worden gewaarborgd; neemt eveneens nota van de opstelling van sectorale gedragscodes, zoals de ethische normen voor het personeel van de onafhankelijke dienst Technische Audit (Service Indépendant d'Audit interne - SAI) (zie actie 68); dringt erop aan dat de verschillende gedragscodes niet tot verwarring en onduidelijke regels mogen leiden en benadrukt dat deze gedragscodes coherent moeten zijn met de bepalingen van het Statuut (zie acties 55 en 56);

8.  neemt kennis van de opstelling van een verordening betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die volgens de medebeslissingsprocedure moet worden goedgekeurd, en die de bestaande gedragscodes van de drie instellingen op dit gebied zal vervangen; verwerpt het restrictieve karakter van het voorstel van de Commissie en verlangt dat in de bepalingen van de verordening het recht op toegang zoals vastgelegd in artikel 255 van het EG-Verdrag, wordt geëerbiedigd; verwerpt het recente besluit van de Raad om een hele categorie van documenten uit te sluiten van de bestaande regels betreffende de toegang tot documenten;

Kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie

9.  wijst erop dat het Parlement de recente kaderovereenkomst tussen de twee instellingen(6) zal beoordelen op haar merites in de praktijk; onderstreept in dit verband zijn vastbeslotenheid om vast te houden aan zijn recht als bepaald in artikel 197, derde alinea, van het EG-Verdrag, alsmede zijn recht op toegang tot de documenten van de Commissie, ten einde de taak die krachtens artikel 276, lid 2, van het EG-Verdrag op hem rust, zo goed mogelijk uit te voeren;

Verkorting betalingstermijnen

10.  kent een zeer hoge prioriteit toe aan verkorting van de termijnen voor de betaling van facturen, waarbij momenteel vaak onaanvaardbare vertragingen worden opgelopen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat haar doelstelling (uiterlijk in 2002 95% van de betalingen verrichten binnen een termijn van 60 dagen - zie actie 10) zo spoedig mogelijk wordt bereikt; dringt er tevens op aan dat de betrokken schuldeisers rente ontvangen over de verschuldigde bedragen en dat in de auditverslagen speciale aandacht wordt besteed aan vertragingen bij betalingen; verwelkomt de instelling van een register van ontvangen facturen, maar betreurt dat een dergelijk register tot dusver nog niet bestond;

11.  verzoekt de Commissie het Europees Parlement regelmatig op de hoogte te stellen van de vooruitgang die geboekt is op het gebied van de betalingsachterstanden;

Activiteitengestuurd management

12.  geeft zijn volle steun aan de invoering van een systeem van activiteitengestuurd management, waarbij de evaluatie van de beheerssystemen van de DG's van de Commissie door de nieuwe onafhankelijke dienst van Technische Audit (SAI) wordt opgenomen in het plannings- en programmeringsproces van volgende begrotingsjaren;

13.  neemt met belangstelling nota van de publicatie, voor het eerst in januari 2001, van het "jaarlijks activiteitenverslag” (zie actie 13) en verwacht dat deze een nuttige aanvulling vormt op de informatie die verstrekt wordt in de "winst-en-verliesrekening en de financiële balans” als bepaald in artikel 275 van het EG-Verdrag; herhaalt zijn eis dat dit verslag een gedetailleerd financieel memorandum moet bevatten, met inbegrip van het exacte aantal betalingsfouten alsmede jaarlijkse doelstellingen om deze fouten te verminderen;

Externaliseringsstrategie

14.  neemt nota van de stelling van de Commissie dat zij zich moet concentreren op de bevoegdheden die haar verleend zijn krachtens de Verdragen; neemt nota van de criteria die de Commissie hanteert bij het nemen van besluiten over de externalisering van haar activiteiten; acht het, gezien de gevallen die in het kader van de kwijting 1996 aan het licht zijn gebracht, met name noodzakelijk, dat criteria als de kosten-batenverhouding maar ook het vermogen van de Commissie om haar bevoegdheden uit te oefenen op het gebied van de uitvoering van de begroting en de controle op de geëxternaliseerde activiteiten, een doorslaggevende rol spelen,

15.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 26 juli 2000 getiteld "Afstemmen van menselijke hulpbronnen - Middelen om onze doelstellingen te bereiken” (SEC (2000) 2000) met de lijst van activiteiten en taken waarvan de Commissie onderzoekt of zij voor externalisering in aanmerking komen; is tegenstander van externalisering van de activiteiten die verband houden met controle en monitoring; wacht de mededeling van de Commissie over het regelgevingskader van de uitvoerende agentschappen af, alvorens een definitief standpunt over externalisering in te nemen;

Doelmatig beheer

16.  stemt in met de maatregelen ter verbetering van de beheersnormen in de Commissie en ter stimulering van de verantwoordelijkheidsplicht, waarvan het ontbreken ernstig door het Comité van onafhankelijke deskundigen is bekritiseerd:

   -
benoemingen op grond van merites in de hogere rangen (A1 en A2) - een eis van het statuut die ook voor de overige rangen geldt (zie actie 21),
   -
invoering van een proeftijd voor ambtenaren in bovengenoemde rangen en individuele beoordeling van de prestaties (zie actie 22);

17.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de functiebeschrijvingen van alle A1- en A2-ambtenaren op te stellen en het Europees Parlement onverwijld op de hoogte te stellen;

18.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de positieve maatregelen voor de ambtenaren in de hogere rangen ook in de praktijk worden gebracht; betreurt dat niet alle benoemingen onder omstandigheden van volledige transparantie tot stand zijn gekomen;

19.  stelt met tevredenheid vast dat het Witboek tegemoetkomt aan de oproep die het Parlement in zijn bovengenoemde resolutie van 19 januari 2000 aan de Commissie heeft gedaan om over te gaan tot een ingrijpende hervorming van haar personeelsbeleid, met name op het gebied van aanwerving (XII), loopbaanstructuur, beoordeling van het personeel en bevordering (XIII), loopbaanbegeleiding, mobiliteit en onvoldoende prestaties (XIV), opleiding (XV) enz.; merkt op dat voor het merendeel van deze maatregelen wijzigingen van het Statuut vereist zijn, en zal zijn definitieve standpunt in het kader van de desbetreffende procedure bekendmaken;

20.  is, in het kader van de begrotingsprocedure 2001 en de maatregelen vervat in de nota van wijzigingen nr. 1/2001 (12071/2000 - C5-0518/2000 ), bereid zich te buigen over een voorstel voor vervroegde uittreding en verwacht dat een dergelijke maatregel kan worden uitgevoerd met inachtneming van de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren; herinnert eraan dat dergelijke maatregelen de prioritaire doelstellingen van de hervorming geenszins kunnen verbloemen;

21.  erkent dat de Commissie haar activiteiten en prioriteiten moet afstemmen op het beschikbare personeel; verzoekt de Commissie toe te lichten waarom zij voorstelt het personeel dat zich met de controle van de eigen middelen bezighoudt in te krimpen; merkt op dat de lijst met af te bouwen of af te stoten activiteiten in bijlage 3 van bovengenoemde mededeling een indicatieve lijst is waarover nog politieke overeenstemming moet worden bereikt; herinnert eraan dat de Commissie al haar verplichtingen die uit de Verdragen voortvloeien dient na te komen, met inbegrip van het Euratom-Verdrag;

Audit, beheer en financiële controle

22.  onderschrijft volledig dat een echt verantwoordelijkheidsgevoel moet worden gecreëerd onder ambtenaren die besluiten nemen met financiële gevolgen en dat maatregelen die ordonnateurs feitelijk ontmoedigen om de verantwoordelijkheid van transacties op zich te nemen, moeten worden afgeschaft;

23.  wijst nadrukkelijk op het belang om, in het kader van de noodzakelijke decentralisatie van de procedures voor de besluitvorming omtrent en controle op de uitgaven, een duidelijk onderscheid te handhaven tussen betalingsopdracht en betaling;

24.  wijst op paragraaf 37 van zijn bovengenoemde resolutie van 19 januari 2000 en het daarin vervatte verzoek om een externe kamer voor de begrotingsdiscipline in te stellen, die dient te zorgen voor een doeltreffende toepassing van de voorschriften van het Financieel Reglement en het Statuut met betrekking tot de financiële verantwoordelijkheid van ambtenaren en andere personeelsleden voor door hen aangerichte schade; verzoekt de Commissie toe te lichten waarom zij tot op heden niet ingegaan is op dit verzoek;

25.  wijst erop dat het feit dat de verantwoordelijkheid van de directeuren-generaal op het gebied van de interne controle binnen hun directoraat-generaal sterker wordt beklemtoond, de betrokken leden van de Commissie geenszins ontslaat van hun politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren van hun diensten, hetgeen ook in het eerste rapport van het Comité van onafhankelijke deskundigen werd benadrukt;

26.  herinnert de Commissie eraan dat het Parlement, in afwachting van de inwerkingtreding van een nieuw Financieel Reglement, op 5 oktober 2000 een standpunt heeft ingenomen over de wijziging van artikel 24, lid 5 van het huidige Financieel Reglement, opdat geen enkel grijs gebied of juridische onzekerheid kan ontstaan;

27.  neemt met voldoening kennis van het besluit van de Commissie om de financiële controle te decentraliseren bij de afzonderlijke directoraten-generaal, die de voorwaarden als vastgelegd in het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen, alsmede in advies 4/97 van de Rekenkamer(7) en in de brief van de voorzitter van Rekenkamer d.d. 17 februari 2000 over de audit-activiteiten van de Commissie en de overige organen die voor rekening van de Commissie werkzaam zijn, moeten naleven;

28.  neemt nota van de toezegging van de Commissie om het gecentraliseerde visum vooraf te handhaven als bij de inwerkingtreding van het nieuwe Financieel Reglement blijkt dat sommige ordonnateursdiensten niet voldoen aan de hoge normen van de hervorming, en wel zo lang als noodzakelijk; is in dat verband van mening dat de informatie die wordt verstrekt door de Commissie lacunes vertoont omdat nergens wordt aangegeven hoe zij beoordeelt of bovengenoemde diensten het vereiste niveau hebben bereikt; verzoekt de Commissie derhalve deze lacune te dichten; verwacht bovendien dat het nieuwe Financieel Reglement een kwalitatieve verbetering in plaats van een kwantitatieve verbetering zal betekenen van de systemen voor de financiële controle;

29.  verzoekt om vervanging van de alomvattende controles vooraf door gerichte voorafgaande controles op basis van risicoanalyse of op verzoek van de betrokken ordonnateur;

30.  acht het noodzakelijk dat in de nieuwe bepalingen inzake controle en interne audit rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de organisatie- en begrotingsstructuur van de verschillende instellingen en raadgevende organen, hetgeen tot uiting dient te komen in hun respectieve interne regels; is voorts echter van mening dat de kernbeginselen van een deugdelijk financieel beheer en toezicht in alle instellingen moeten worden toegepast;

31.  verlangt dat de Dienst interne audit zo spoedig mogelijk volledig operationeel wordt en dat de auditverslagen zo regelmatig mogelijk verschijnen;

32.  verzoekt de Commissie aan te geven welke concrete en tastbare resultaten zij verwacht om het Parlement te bewijzen dat het met de hervorming de goede kant opgaat;

33.  is verheugd over de aankondiging in het Witboek (actie 96) dat de procedures voor de terugvordering van onterecht betaalde gelden zullen worden herzien;

34.  wijst het eveneens in het Witboek aangekondigde voorstel (actie 66) af om een adviesdienst, met helpdesk-functie, voor financiële onregelmatigheden op te zetten die volgens de Commissie zou moeten worden ingeschakeld bij vergissingen op financieel gebied of bij het vermoeden van onregelmatigheden waarbij geen sprake is van fraude; vreest dat dit voorstel de bevoegdheden van het OLAF ondermijnt en uitholt; wijst de Commissie erop dat dit in strijd zou zijn met de regels waarin de taken en bevoegdheden van het OLAF zijn vastgelegd;

35.  verwacht dat de Raad samen met het Parlement, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, ervoor zal zorgen dat de procedures voor de herziening van het Financieel Reglement en de herziening van het Statuut van de ambtenaren zo spoedig mogelijk gereed zullen zijn;

36.  dringt er bij de Commissie op aan om verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(8) toe te passen op alle communautaire programma's en acties;

37.  wenst dat de bevoegdheid tot vereffening van de rekeningen die voor het EOGFL aan de Commissie is toegekend, wordt uitgebreid tot alle communautaire kredieten die niet door haar diensten worden beheerd, teneinde het Parlement verdere en grotere mogelijkheden tot financiële controle te geven in het kader van zijn rol als begrotingsautoriteit;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 304 van 24.10.2000, blz. 135.
(2) Punten 14, 16 en 17 van de aangenomen teksten.
(3) Punt 5 van de aangenomen teksten.
(4) PB C 279 van 1.10.1999, blz 114.
(5)1 PB L 267 van 20.10.2000, blz 63.
(6) Punt 9 van de aangenomen teksten van 5.7.2000.
(7) PB C 57 van 23.2.1998.
(8) PB L 312 van 23.12.1995, blz.1.


Hervorming van de Commissie: Commissie juridische zaken en interne markt
Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek betreffende de hervorming van de Commissie (aspecten die de Commissie juridische zaken en interne markt aanbelangen) (COM(2000) 200 - C5-0446/2000 - 2000/2216(COS) )
P5_TA(2000)0543A5-0326/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek betreffende de hervorming van de Commissie (COM(2000) 200 - C5-0446/2000 ),

-  gelet op het EG-Verdrag, en met name op artikel 283 daarvan,

-  gezien het advies van de Commissie juridische zaken en interne markt aan de Commissie verzoekschriften inzake het Speciaal Verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van het op eigen initiatief ingestelde onderzoek naar de geheimhouding als onderdeel van de aanwervingsprocedures van de Commissie,

-  gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,

-  onder verwijzing naar zijn andere resoluties van 30 november 2000 over de hervorming van de Commissie(1) ,

-  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0326/2000 ),

A.  overwegende dat het bestaande starre en hiërarchische systeem niet is berekend op de toekomstige doelstellingen van de Commissie en niet voldoet aan haar behoeften en verwachtingen in de personeelssfeer en aanzienlijk moet worden gewijzigd,

B.  overwegende dat de Commissie personeelsstrategieën en vormen van personeelsbeleid moet ontwikkelen waardoor zij in staat wordt gesteld optimale resultaten te bereiken bij haar kerntaken, te weten het concipiëren van beleid, het initiëren van wetgeving en het handhaven van de Gemeenschapswetgeving,

C.  overwegende dat het delegeren van taken d.m.v. externalisering, gepaard gaand met nauwgezet toezicht, transparantie en controle, een essentieel onderdeel vormt van deze strategieën en haar zal helpen haar taken af te stemmen op de beschikbare middelen,

D.  overwegende dat de taken van de Commissie in het kader van de dienstverlening aan de Europese burgers moeten worden uitgevoerd op de hoogst mogelijke prestatie-, doelmatigheids- en gezagsniveaus, met bijzondere aandacht voor onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht,

E.  overwegende dat het verklaarde doel van de hervorming erin bestaat een onafhankelijke, permanente en kwalitatief hoogstaande Europese openbare dienst in stand te houden, die de Commissie in staat stelt haar taken als organisatie van wereldformaat te vervullen en als een modelwerkgever te fungeren,

F.  overwegende dat de ambtenaren verantwoordelijk en aansprakelijk moeten blijven voor hun activiteiten en ook in de toekomst moeten kunnen worden beloond wanneer zij met succes blijken te voldoen aan de gestelde doeleinden of deze overtreffen,

G.  overwegende dat de hervorming op generlei wijze de aandacht mag afleiden van de essentiële verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Commissie zoals die zijn neergelegd in de Verdragen en in de jurisprudentie van het Hof van Justitie,

H.  overwegende dat de hervorming moet worden doorgevoerd in een tijd van zeer snelle veranderingen in termen van werkgeverspraktijken, werknemersverwachtingen en technologische vooruitgang,

I.  overwegende dat het personeelsstatuut (het "Statuut”) moet voorzien in de behoeften van de instellingen en het personeel en hen niet mag hinderen bij de effectieve uitvoering van hun taken,

J.  overwegende dat de thans door het Statuut geboden bescherming en de bijbehorende jurisprudentie van het Hof van Justitie veilig moeten worden gesteld zonder dat het moderniseringsproces mag worden ondermijnd, terwijl individuele personeelsleden aanspraak moeten kunnen blijven maken op de waarborgen die zijn vereist in een Gemeenschap waar de rechtsstaat geldt,

K.  overwegende dat het beginsel van algemene vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving van personeel moet worden gehandhaafd, doch in gemoderniseerde vorm, om een snellere, gerichtere benadering van de aanwerving mogelijk te maken die minder kosten met zich meebrengt,

L.  overwegende dat één van de basiselementen van de hervorming de invoering van een lineaire loopbaanstructuur is, die het personeel de mogelijkheid biedt carrière te maken op basis van verdienste, zonder kunstmatige scheidslijnen in het leven te roepen,

M.  overwegende dat het bij de aanwerving gevoerde beleid van gelijke kansen voor vrouwen en andere ondervertegenwoordigde categorieën en afschaffing van leeftijdsgrenzen als positief moet worden gewaardeerd,

N.  overwegende dat de hervorming van het Statuut dient te resulteren in een lichtere, flexibele, doeltreffende en efficiënte structuur, die beter is aangepast aan een snel veranderende wereld en in staat is tegemoet te komen aan de speciale behoeften van de respectieve communautaire instellingen, met name die van het Parlement,

O.  overwegende dat een succesvolle hervorming essentieel is voor de toekomstige geloofwaardigheid van de Commissie en een krachtige uitwerking zal hebben op de publieke perceptie van de Europese openbare dienst en de EU-instellingen in het algemeen,

P.  overwegende dat het met belangstelling uitziet naar nader uitgewerkte voorstellen tot herziening van het Statuut en de arbeidsvoorwaarden voor de andere personeelsleden, die het nauwgezet zal bestuderen in het licht van de in deze resolutie geformuleerde doelstellingen en voorstellen,

Doelstellingen van de hervorming en te bereiken resultaten

1.  bevestigt nogmaals het principe dat een onafhankelijk en onpartijdig Europees ambtenarenkorps de beste garantie biedt voor het versterken van de rol van de Commissie en de overige instellingen en organen van de Europese Unie en voor het bevorderen van de Europese zaak;

2.  is van mening dat de uit te voeren taken moeten zijn afgestemd op de beschikbare middelen, zodat in de diverse sectoren rond een specifieke reeks van vaardigheden, opleiding en ervaring een consistent beleid kan worden ontwikkeld;

3.  dringt erop aan dat de doelstellingen van de hervorming worden uitgewerkt tot meer specifieke, ambitieuze rendementscriteria die zich kunnen meten met de beste praktijken welke mondiaal voorhanden zijn;

4.  herhaalt het belang van een hervorming van de financiële controle, door ambtenaren een gedelegeerde verantwoordingsplicht te geven en een nieuwe organisatiecultuur te bewerkstelligen, waarin ambtenaren overeengekomen taken toebedeeld krijgen en worden beoordeeld aan de hand van overeengekomen doelstellingen;

5.  onderstreept dat duidelijke doelstellingen, afdoende middelen, zinvolle taken en een stimulerende omgeving van het grootste belang zijn voor het scheppen en handhaven van arbeidsomstandigheden die aantrekkelijk en lonend zijn;

Organisatie- en indelingsstructuur

6.  verzoekt duidelijke functieomschrijvingen op te stellen voor alle ambtenaren en hen duidelijke doelstellingen en afdoende middelen te bieden en van dienovereenkomstige bevoegdheden te voorzien;

7.  is van mening dat via een vereenvoudigde indelings- en organisatiestructuur ruimte moet kunnen worden geschapen voor de erkenning van hoogontwikkelde vaardigheden, alsook voor meer administratieve verantwoordelijkheid, het opzetten van projectteams en intensievere horizontale samenwerking;

8.  verzoekt de voorwaarden voor toegang tot de Europese overheidsdienst kwalitatief te verhogen en is van mening dat de aanwerving voor een loopbaan op aanvullende kwaliteitscriteria gebaseerd moet zijn;

9.  dringt er bij de Commissie op aan haar organisatie af te stemmen op de uit te voeren taken en bij de ontwikkeling van activiteiten niet uit te gaan van de portefeuilleverdeling over een vastgesteld aantal Commissieleden; deze opdracht moet nader worden ingevuld nadat op de IGC een besluit is genomen omtrent de toekomstige structuur van de Commissie;

Personele beoordeling, ontwikkeling en waardering

10.  spreekt zijn steun uit voor de op prestatiebeoordeling gebaseerde strategie, die moet worden ingevoerd als basis van bevordering op grond van verdienste en met inachtneming van de in de Europese Unie algemeen aanvaarde beginselen die de politieke ongebondenheid van de ambtenaren waarborgen;

11.  vertrouwt erop dat de vakbonden geraadpleegd zullen worden over de richtsnoeren voor de beoordeling van werknemers, dat het personeel zal worden betrokken bij de vaststelling van functieprofielen en dat het accent zal komen te liggen op het personele ontwikkelingsaspect van het beoordelingssysteem;

12.  betoogt met klem dat een degelijk systeem van loopbaanbegeleiding effectief bevorderlijk zou moeten zijn voor de interdepartementale en mogelijk interinstitutionele personeelsontwikkeling;

13.  dringt aan op procedures om op te treden tegen consequente wanprestatie (via overplaatsing, herscholing of herindeling); het denkbeeld van een baan voor het leven, ongeacht prestatieniveau, moet verdwijnen;

14.  dringt aan op intensievere opleidingsprogramma's, die volledig zijn geïntegreerd in het personeelsontwikkelingsbeleid;

15.  verwelkomt de nadruk op permanente bijscholing en de mogelijkheid van een interinstitutioneel opleidingscentrum, maar is van mening dat gezien de beperkte beschikbare middelen een kosten-batenanalyse voor een dergelijk centrum noodzakelijk is; wijst er verder op dat het accent tevens moet komen te liggen op opleiding door externe instituten en gezamenlijke opleidingsactiviteiten waarbij ook andere EU-instellingen en nationale regeringen betrokken worden;

16.  benadrukt dat de beoordeling van het personeel grondige scholing vereist, dat deze beoordeling in een sfeer van vertrouwelijkheid moet plaatsvinden en dat jaarlijkse voortgangsgesprekken tussen de beoordeelde en het verantwoordelijke afdelingshoofd er deel van moeten uitmaken;

17.  wijst op het belang van het "stagiaire”programma voor het aanbieden van werkervaring aan jonge mensen; is van mening dat hun arbeidsomstandigheden en verantwoordelijkheden moeten worden herzien als onderdeel van het pakket hervormingen en beveelt aan om hiertoe het door de stagiaires opgestelde document van 28 juni 2000 bij de Commissie in te dienen en als uitgangspunt te gebruiken;

Loopbaanmobiliteit en flexibel personeelsbeheer

18.  is van mening dat het nieuwe indelings- en bevorderingssysteem de mobiliteit moet stimuleren, maar dat tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de behoeften van de instelling vanwege een starre toepassing van het mobiliteitsbeginsel ondergeschikt worden gemaakt aan de toepassing van een principe; stationering in een standplaats buiten de Commissie mag niet ten koste gaan van het carrièreverloop;

19.  dringt aan op uitwisseling van personeel tussen de instellingen, met nationale overheden, regionale instanties en met de particuliere sector en op een gestructureerd programma voor hoogvliegers, waarbij ook moet worden gedacht aan externe detacheringen;

20.  steunt het voorstel tot oprichting van een interinstitutioneel aanwervingsbureau in uitvoerig overleg met alle betrokken instellingen;

21.  is van mening dat de aanwervings-, indelings- en pensioenplanning zo moet worden ingericht dat externe aanwervingen worden vergemakkelijkt en er flexibele contracten voor korte of lange termijn beschikbaar komen en dat doorzichtigheid in de aanwervingsprocedures in ieder geval op de voorgrond moet staan;

22.  is van mening dat in bijzondere personeelsbehoeften moet worden voorzien via een algehele personeelsprogrammering en dat het GCO en de Externe Dienst moeten worden betrokken bij de uitwerking van een algemeen personeelsopbouwprogramma;

Salariëring en arbeidsvoorwaarden

23.  is van mening dat moet worden getracht talentrijke en gemotiveerde mensen aan te trekken, en dat het geboden bezoldigingspakket derhalve moet kunnen concurreren met de particuliere en overheidssector;

24.  is van mening dat de administratie van de Commissie in de eerste plaats moet voldoen aan de criteria die gelden voor een Europese overheidsdienst ten behoeve van de burger;

25.  onderstreept dat het personeel recht heeft op een eenvoudig, inzichtelijk, billijk en voor de buitenwereld transparant systeem van vergoedingen en toelagen, waarbij rekening wordt gehouden met eenieders bijzondere arbeidsomstandigheden en de ongemakken die eraan verbonden zijn; daarbij zijn onverantwoorde extra voordelen ongewenst;

26.  is van mening dat het functionele management in staat moet zijn het personeel te motiveren door middel van prestatiegekoppelde salarissen, binnen een gecodificeerd stelsel van premies, en pleit er in dit verband voor het momenteel bij de ECB gangbare stelsel als voorbeeld te nemen;

27.  stelt met tevredenheid vast dat de Commissie de aandacht vestigt op mogelijkheden om werk en gezin te combineren; is van mening dat het recht op ouderschapsverlof tevens moet worden bestudeerd in het licht van de beste praktijken in de lidstaten;

Pensionering

28.  spreekt zijn steun uit voor de voorstellen voor een permanent, flexibel pensioenstelsel, dat zowel vervroegde uittreding als pensionering op latere leeftijd moet omvatten;

29.  dringt er bij de Commissie op aan zich te beraden over de mogelijkheid tot instelling van een in een fonds ondergebracht systeem van meeneempensioenen ter bevordering van de mobiliteit;

Werkmilieu, gelijke kansen en aanwerving

30.  onderstreept dat het aanwervingsbeleid moet worden gemoderniseerd en gestroomlijnd overeenkomstig de beste praktijken;

31.  is van mening dat de toegang tot functies binnen de instellingen voor vrouwen, etnische minderheden, gehandicapten en mensen met permanent verblijfsrecht in een lidstaat verbeterd moet worden, waarbij leeftijdsdiscriminatie uit de weg moet worden gegaan;

32.  beveelt aan om snel een online personeelssysteem in te voeren dat alle personeelsleden toegang biedt tot uitgebreide informatie inzake hun arbeidsvoorwaarden en de regels op dat gebied, alsmede de mogelijkheid om persoonlijke administratieve aangelegenheden online af te wikkelen;

33.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat gendermainstreaming op alle niveaus en in alle directoraten-generaal en afdelingen wordt vergemakkelijkt, toegepast en geëvalueerd;

34.  verwelkomt het feit dat de Commissie heeft toegezegd de aanbevelingen van de Ombudsman van de EU inzake openheid en het beginsel van behoorlijk bestuur bij de aanwervingsprocedure te zullen opvolgen;

Tuchtprocedure, administratieve klachtenprocedure en klokkenluiden

35.  is het ermee eens dat de structuren en procedures voor de toepassing van sancties efficiënter moeten worden gemaakt, inclusief de gebruikmaking van een onafhankelijk adviseur, en onderschrijft de noodzaak van administratieve verbeteringen op korte termijn, maar dringt tegelijkertijd aan op spoedmaatregelen tot hervorming van het systeem en ter herziening van de bepalingen inzake de persoonlijke financiële aansprakelijkheid van ambtenaren;

36.  pleit voor de instelling van klachtencommissies, met onafhankelijke leden, waardoor personeelsgeschillen snel kunnen worden opgelost zonder dat justitiële instanties hoeven te worden ingeschakeld, echter met behoud van een laatste mogelijkheid van beroep op de rechter;

37.  dringt erop aan dat de rechten en verplichtingen van ambtenaren om misstanden te rapporteren formeel worden vastgelegd en dat een billijk evenwicht tussen de belangen van alle betrokkenen wordt gevonden;

Het Parlement als werkgever

38.  dringt er bij de administratie van het Parlement op aan: een lineaire loopbaanstructuur in te voeren naar het model van die van de Commissie, welke ruimte biedt voor ongecompliceerde interinstitutionele overplaatsingsregelingen; de spoedige oprichting van een aanwervingsbureau te ondersteunen; zijn bestaande procedures voor personeelsevaluatie, alsmede de tuchtprocedures te verbeteren; flexibiliteit en mobiliteit te bevorderen, met name in het licht van zijn cyclische werkbelasting, de personeelsbehoeften van de fracties en de behoefte aan flexibele contracten; mobielere loopbaanstructuren in te stellen; uitwisselingen met EU-instellingen en andere organisaties aan te moedigen, en deel te nemen aan gemeenschappelijke opleidingsprogramma's;

39.  acht het op zijn plaats om het tijdelijk personeel dat voor de fracties werkzaam is op te nemen in een hervorming van het statuut, in het bijzonder rekening houdend met de voorwaarden op het gebied van werkloosheid en vervroegde uittreding;

Implementatie

40.  maant de Commissie ertoe aan haar hervormingen zo snel mogelijk door te voeren teneinde demoralisering van het personeel en teleurstelling bij het publiek te voorkomen;

41.  hecht prioriteit aan de aanpassing van functieomschrijvingen voor alle rangen, de hervorming van het indelingsstelsel en de overschakeling op jaarlijkse beoordelingen, met bevordering op basis van verdienste; de Commissie dient de nieuwe loopbaanontwikkelingsfilosofie onverwijld in praktijk te brengen door invoering van een voorlopig evaluatiesysteem dat vooruitloopt op een formeel akkoord over het Statuut;

42.  roept de Commissie op ten spoedigste met voorstellen te komen tot hervorming van het Statuut;

43.  roept de IGC op zich te beraden over de gevolgen van deze hervorming voor het Verdrag en de jurisprudentie en de noodzakelijke veranderingen aan te brengen om te waarborgen dat de uitvoering van het hervormingspakket geen vertraging oploopt;

Betrokkenheid van personeel en vakbonden

44.  bevestigt dat volledige betrokkenheid van het personeel en de vakbonden van essentieel belang is voor het welslagen van de personeelshervormingen; hoopt dat de vakbonden, personeelscomités en de instellingen bij het bepalen van hun reacties een positieve houding zullen aannemen en de beste vertegenwoordigingspraktijken zullen bestuderen zoals die gebruikelijk zijn in zowel de overheids- als de particuliere sector;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

(1) Punten 14, 15 en 17 van de aangenomen teksten.


Hervorming van de Commissie: Commissie constitutionele zaken
Resolutie van het Europees Parlement over het Witboek over de hervorming van de Commissie (aspecten die de Commissie constitutionele zaken aanbelangen) (COM(2000) 200 - C5-0448/2000 - 2000/2218(COS) )
P5_TA(2000)0544A5-0328/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek van de Commissie (COM(2000) 200 - C5-0448/2000 ),

-  gelet op artikel 213, lid 2 van het EG-Verdrag,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 1999 over de institutionele gevolgen van de goedkeuring door het Europees Parlement van de voordracht van de voorzitter van de Commissie en over de onafhankelijkheid van de leden van de Commissie(1) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 maart 1999 over het ontslag van de Commissie en de benoeming van een nieuwe Commissie(2) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2000 over het te geven gevolg aan het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen over de hervorming van de Commissie(3) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 februari 2000 over het akkoord tussen het Europees Parlement en de Commissie betreffende de modaliteiten voor de toepassing van het besluit van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (1999/468/EG)(4) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 april 2000 met zijn voorstellen voor de Intergouvernementele Conferentie(5) ,

-  gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 30 november 2000 over het Witboek over de hervorming van de Commissie(6) ,

-  gelet op het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A5-0328/2000 ),

A.  overwegende dat de uitgebreide Europese Unie meer dan ooit een krachtige en onafhankelijke Commissie nodig zal hebben, die is belast met de vaststelling en verdediging van het gemeenschappelijk belang, die toeziet op de eerbiediging van de Verdragen en de Europese wetgeving en beschikt over de bevoegdheid wetgevingsinitiatieven in te dienen,

B.  overwegende dat de door de Commissie in haar Witboek voorgestelde richtsnoeren meer zijn dan alleen een antwoord op het door het Comité van onafhankelijke deskundigen geconstateerde gevallen van slecht functioneren,

C.  overwegende dat het dringend noodzakelijk is dat duidelijkere regels worden opgesteld inzake de verantwoordingsplicht en de dienstverlening aan het publiek,

D.  overwegende dat het Witboek in zijn geheel voorstellen bevat om het beheer en de administratieve procedures in de Commissie aanzienlijk te verbeteren, zonder dat echter een politiek algemeen kader voor actie wordt vastgesteld, waarbij de strategische keuze voor de concentratie op de kerntaken van de Commissie wordt verbonden aan het doel de onafhankelijkheid, kracht en effectiviteit van de Commissie zeker te stellen,

E.  desalniettemin overwegende dat de voorstellen van het Witboek in het geheel geen betrekking hebben op de rol van de Commissie op wetgevingsgebied,

F.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Verdragen van Maastricht en Amsterdam overduidelijk de problemen hebben aangetoond bij de uitvoering van de besluiten van de Europese Raad zowel als die van de Raden van ministers op de terreinen die vallen buiten de traditionele communautaire beleidsterreinen, en dat dus is gebleken dat de Commissie de enige instelling is die toezicht kan houden op de coördinatie van de uitvoering van het beleid van de Unie,

G.  overwegende dat daarentegen het feitelijke beheer van de beleidsterreinen van de Unie en van het merendeel van de communautaire kredieten uitgevoerd moet blijven door de overheden van de lidstaten of de door de Commissie en de lidstaten daartoe aangestelde organismen, zodat kan worden geprofiteerd van de voordelen van gedecentraliseerd beheer en door bureaucratie veroorzaakte dupliceringen kunnen worden voorkomen,

H.  gezien de rol die de Verdragen aan het Parlement toekennen ten opzichte van de Commissie,

1.  herhaalt dat het groot belang hecht aan het principe van een krachtige, onafhankelijke, doelmatige, doorzichtige, politiek verantwoordelijke Commissie, die de burgers vertrouwen inboezemt, en wenst dat zij kan beschikken over de financiële, personele en politieke middelen waarmee zij haar institutionele taken en functie, die haar door de Verdragen zijn toegekend, kan vervullen;

2.  wijst erop dat de garantie van onafhankelijkheid van de commissarissen ten opzichte van hun regeringen en persoonlijke belangen eveneens moet gelden voor de leden van hun kabinetten en de samenstelling daarvan;

3.  is verheugd over de hervormingen die in de Commissie al zijn doorgevoerd - met name de nieuwe structuur van de Directoraten-generaal, de nieuwe regels betreffende de kabinetten van de Commissarissen, de afschaffing van het nationaliteitscriterium voor de directeursfuncties en de nieuwe bevoegdheden die de voorzitter zijn toegekend voor het ontslaan van commissarissen;

4.  dringt met klem aan op handhaving van het beginsel van een onafhankelijke en onpartijdige Europese overheid;

5.  betreurt dat de eerste fase van de hervorming van de Commissie niet is voorafgegaan door een diepgaande brainstorming over de problematiek van het Europese bestuur en behoudt zich het recht voor de coherentie te controleren van deze eerste fase met latere fasen, die met name zullen voortvloeien uit het Witboek over het bestuur waarvan de aanneming door de Commissie in de loop van het eerste halfjaar van 2001 is gepland;

6.  is verheugd over de bereidheid van de Commissie om de prioriteiten en behoeften op begrotings- en wetgevingsgebied gedurende de gehele programmeringcyclus beter te coördineren en de noodzakelijke middelen vast te stellen aan de hand van de doelstellingen;

7.  is verheugd over de eerste beslissingen die de Commissie heeft genomen teneinde passende en betere normen vast te stellen voor haar eigen werkzaamheden op basis van het transparantiebeginsel, en in het bijzonder over de onlangs vastgestelde gedragscodes; wenst dat de Commissie deze codificatiewerkzaamheden uitbreidt tot de administratieve procedures;

8.  wijst met klem op de noodzaak dat de Commissie de belangrijkste rol wordt toegewezen bij de voorbereiding en de follow-up van de vergaderingen van de Europese Raad en van alle formaties van de Raad van ministers en verzoekt de Raad en de lidstaten dit beginsel strikt na te leven;

9.  verzoekt de Raad en de lidstaten dringend de Commissie ten volle te betrekken bij de werkzaamheden inzake de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken in het coördinatiecomité als voorzien in artikel 36, lid 2 van het EU-Verdrag;

10.  verzoekt de Commissie om de beginselen van behoorlijk bestuur ook toe te passen op de voorbereiding van de wetgevingsvoorstellen, door opstelling van een interne procedure ter eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel voordat een voorstel voor nieuwe regelgeving wordt opgesteld en waarbij een situatie-overzicht van de chronologie van de procedures wordt bijgehouden, teneinde de duur daarvan te beperken;

11.  is verheugd dat de Commissie de betrekkingen met de sociale partners en andere externe gesprekspartners wil verbeteren en ziet de discussienota "de Commissie en niet-gouvernementele organisaties, bouwen aan een sterker partnerschap” (COM(2000) 11 ) als een eerste stap; is in afwachting van verdere initiatieven in het kader van het Witboek over het Europees bestuur;

12.  verzoekt de Commissie in het kader van het Witboek over het Europees openbaar bestuur en overeenkomstig de reeds door de Commissievoorzitter gedane toezeggingen, de verdeling van de uitvoeringstaken tussen haarzelf en de lidstaten op het subsidiariteitsbeginsel te toetsen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de beleidssectoren en de lidstaten, waarbij in het oog wordt gehouden dat deze verdeling kan verschillen naar beleidssector en naar lidstaten;

13.  dringt erop aan dat de lidstaten hun verantwoordelijkheid inzien om de Commissie bij te staan bij de decentralisatie van het beheer van het beleid van de Unie, waarbij zij zich tevens bereid verklaren om hun eigen overheidsdiensten te onderwerpen aan controle ad hoc door het Europees Parlement en de nationale parlementen en sancties te aanvaarden indien zij falen in het correct beheren van het Uniebeleid;

14.  wenst tevens dat de brainstorming over het bestuur door de drie instellingen als gelegenheid wordt aangegrepen om een gemeenschappelijke doctrine op te stellen voor de uitbesteding, waarbij steeds wanneer wetenschappelijk of technisch onderzoek nodig is of gedecentraliseerd beheer wenselijker lijkt onafhankelijke agentschappen mogen worden opgericht, op voorwaarde dat wordt voorkomen dat de Commissie haar politieke verantwoordelijkheid wordt ontnomen en dat erop wordt toegezien dat zij over de juridische mogelijkheden beschikt om verantwoording af te leggen aan het Parlement en de Raad van de wijze waarop de agentschappen zich van hun taak kwijten;

15.  dringt erop aan dat aan het principe dat de verantwoordelijkheid bij de besluitvorming een politieke verantwoordelijkheid blijft van de Commissie bij de werkzaamheden van de lopende intergouvernementele conferentie strikt de hand wordt gehouden;

16.  dringt aan op ondersteuning van de rol van de Commissie als denktank en institutioneel geheugen van de Unie, en wenst dat meer nadruk wordt gelegd op haar taken beleidsanalyse en planning;

17.  is verheugd dat in het kader van de Cotonou-overeenkomst met de ACS-landen en het besluit van de Commissie van 16 mei 2000 betreffende de hervorming van het management van de externe steun stappen zijn gezet naar een gedecentraliseerd en gecoördineerd extern optreden en verzoekt de Commissie verder een algemene studie op te stellen over het probleem van de externe vertegenwoordiging van de Unie, zowel bij de internationale onderhandelingen en in de internationale organisaties als bij derde landen, en om te ijveren voor de oprichting van een van haar afhankelijke diplomatieke dienst;

18.  constateert dat de aanstelling van een Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en vervolgens de oprichting van organismen voor het defensiebeleid leiden tot de vorming van onnodig elkaar beconcurrerende Europese overheden, zonder dat het probleem van de coördinatie van de acties die de lidstaten zelf uitvoeren, doeltreffend geregeld wordt; is van mening dat de Hoge Vertegenwoordiger op termijn moet worden opgenomen in de Europese Commissie;

19.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de coördinatiemechanismen tussen Parlement, Commissie en Raad algemeen worden aangewend, teneinde de coherentie van de besluitvorming te garanderen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 104 van 14.4.1999, blz. 59.
(2) PB C 177 van 22.6.1999, blz. 19.
(3) PB C 304 van 24.10.2000, blz. 135.
(4) Punt 11 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(6) Punten 14, 15 en 16 van de aangenomen teksten.


Betrekkingen EU/ontwikkelingslanden
Resolutie van het Europees Parlement over de hervorming van de Commissie en de gevolgen ervan voor de doeltreffendheid van de betrekkingen tussen de EU en de ontwikkelingslanden (2000/2051(INI))
P5_TA(2000)0545A5-0337/2000

Het Europees Parlement,

-  gezien het Witboek over de hervorming van de Commissie, (COM(2000) 200 ),

-  gezien de mededelingen van de Commissie van 24 april 2000 (COM(2000) 212 ) over het ontwikkelingsbeleid van de EG, en van 16 mei 2000 over de hervorming van het beheer van de externe hulp (SEC(2000) 814 ),

-  gezien het voorstel van de Commissie van 26 juli 2000 inzake het nieuwe Financieel Reglement (COM(2000) 461 ),

-  onder verwijzing naar zijn resoluties van 21 september 2000 betreffende de complementariteit tussen het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap en van de lidstaten(1) , en van 17 februari 2000 over de samenhang in het communautaire beleid van de Unie(2) ,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 januari 2000 over het te geven gevolg aan het tweede verslag van het Comité van onafhankelijke deskundigen over de hervorming van de Commissie(3) , en de resoluties van 6 juli 2000, ten eerste over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor het financieel beheer van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds in het begrotingsjaar 1998(4) , en ten tweede over de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1998(5) ,

-  gezien de in Titel XX, artikel 177 van het EG-Verdrag geformuleerde doelstellingen,

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A5-0337/2000 ),

A.  overwegende dat de Raad verschillende resoluties heeft aangenomen over de complementariteit en samenhang van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap, en daarbij in het bijzonder denkende aan de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 9 oktober 2000 inzake de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie,

B.  overwegende dat de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid een van de drie grondpijlers van het externe optreden van de Unie zijn en op gelijke voet staan met de doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid en het handelsbeleid,

C.  overwegende dat het internationale ontwikkelingsbeleid de belangrijkste factor is in het externe beleid van de Europese Gemeenschap,

D.  overwegende dat de publieke ontwikkelingshulp van de industrielanden steeds verder is afgenomen en nu niet meer dan 0,22% van het BNP bedraagt, wat veel minder is dan het streefcijfer van 0,7% dat in de VN-resolutie van 1974 over de Nieuwe Economische Wereldorde wordt genoemd,

E.  overwegende dat de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 9 oktober geen verwijzing inhouden naar de verklaring van de Raad over het ontwikkelingsbeleid van de EU en als zodanig geen verwijzing bevatten naar de rol van de uitroeiing van de armoede of naar de internationale ontwikkelingsdoelstellingen,

F.  overwegende dat het communautaire internationale hulpbeleid ingrijpend moet worden gewijzigd om de doeltreffendheid ervan te vergroten,

G.  overwegende dat een dergelijke hervorming moet bestaan uit:

   -
een nieuwe definitie van het ontwikkelingshulpbeleid en de beleidsprioriteiten, waarbij rekening gehouden moet worden met de op internationale topconferenties vastgestelde armoedeuitroeiingsdoelstellingen,
   -
een betere afstemming van de diensten van de Commissie en van het externe beleid van de Gemeenschap, zodat er een helder schema van beleidscoördinatie en -samenhang ontstaat,
   -
een striktere toepassing van artikel 177 van het EG-Verdrag betreffende de complementariteit van het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten enerzijds en de Commissie anderzijds,
   -
een afstemming van het personeel en het volume van de financiële middelen op de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, zodat de Commissie deze op efficiënte wijze kan verwezenlijken,
   -
een ingrijpende wijziging van het beheer van de hulp, zowel ter plaatse als in de hoofdzetel, door o.a.: vereenvoudiging van de procedures, integratie van de samenwerkingscyclus, een evenwichtige structuur van de RELEX-diensten van de Commissie, met één persoon die politiek verantwoordelijk is voor ontwikkelingszaken, en een grotere transparantie in het beheer,

H.  overwegende dat de Commissie de belangrijkste donor van humanitaire hulp ter wereld is en dat zij een aanzienlijk deel van de ontwikkelingshulp rechtstreeks beheert; dat de relatieve groei van het volume van de hulpfondsen niet gepaard is gegaan met de vereiste aanpassingen van het personeel en de beheersmethoden,

I.  overwegende dat de internationale invloed van de EU niet in verhouding staat tot het volume van de financiële middelen die zij besteedt aan ontwikkelingshulp,

J.  betreurende dat de Commissie zich tot op heden, door gebrek aan personeel, heeft geconcentreerd op de uitvoering van beleid en op de beleidsinstrumenten, terwijl de opstelling van het beleid voornamelijk voor rekening kwam van overige internationale instellingen, zoals de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de OESO,

K.  overwegende dat de rijke ervaring van de Commissie met de uitvoering van ontwikkelingsbeleid slechts in zeer beperkte mate is gebruikt en geanalyseerd,

L.  overwegende dat uit externe evaluaties van het hulpbeleid van de Gemeenschap gebleken is dat er problemen zijn ontstaan ten aanzien van de snelheid en de doeltreffendheid bij de uitvoering van programma's en projecten,

M.  overwegende dat de steun van het Europees Parlement en de lidstaten van essentieel belang is om vele problemen omtrent het beheer van de communautaire ontwikkelingshulp op te lossen, met name op het gebied van de begroting en de controleprocedures van de Raad,

1.  wijst erop dat de toezeggingen die de internationale gemeenschap heeft gedaan ter verwezenlijking van de gekwantificeerde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en in concreto uitroeiing van de armoede, een nieuw kader vormen voor de uitstippeling van een ontwikkelingsstrategie waar het communautaire ontwikkelingsbeleid een bijdrage moet leveren;

2.  verzoekt de Commissie de nieuwe opzet van het externe beleid te baseren op een duidelijke en alomvattende verklaring waarin de EU-doelstellingen op het gebied van de externe betrekkingen voor de 21ste eeuw uiteen worden gezet en waarin uitroeiing van de armoede tot overkoepelende doelstelling wordt verheven;

3.  is verheugd dat de Commissie een begin gemaakt heeft met de hervorming van de RELEX-groep, die moet leiden tot een verbetering van het effect van de ontwikkelingshulp en een vergroting van de doeltreffendheid van haar betrekkingen met ontwikkelingslanden met het oog op de uiteindelijke doelstelling: stimuleren van een duurzame ontwikkeling waardoor de armoede wordt uitgeroeid en deze landen integreren in de wereldeconomie;

4.  is echter bezorgd dat de scheiding tussen politieke verantwoordelijkheid en strategische besluitvorming over de uitvoering en follow-up van de programma's leidt tot een marginalisering van het ontwikkelingsbeleid binnen de Commissie; acht het noodzakelijk dat politieke verantwoordelijkheden worden weerspiegeld in de institutionele structuren;

5.  is van mening dat één geïntegreerde Gemeenschapsdienst voor internationale ontwikkeling verantwoordelijk zou moeten zijn voor de gehele samenwerkingscyclus met ontwikkelingslanden, met inbegrip van de desbetreffende programma's voor Afrika, Latijns-Amerika, de Middellandse-Zeelanden en Azië;

6.  is van mening dat er een oplossing gevonden moet worden voor het structurele probleem van het personeelstekort voor het beheer van de ontwikkelingsgelden en zegt toe dat het daartoe in de begroting de benodigde middelen zal opnemen;

7.  dringt erop aan dat voor kleinschalige projecten, die bij evaluaties van de EU-hulp gewoonlijk het best uit de bus komen, in de toekomst toereikend personeel ter beschikking wordt gesteld, teneinde deze projecten te handhaven en qua aantal zelfs uit te breiden;

8.  verzoekt de Raad, als mede-begrotingsautoriteit, ervoor te zorgen dat de financiële middelen beantwoorden aan de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap;

9.  verzoekt de begrotingsautoriteit om in de komende begrotingsjaren in elke operationele begrotingslijn voor ontwikkelingssamenwerking een nader vast te stellen percentage voor administratieve uitgaven op te nemen;

10.  acht het van doorslaggevend belang dat de Commissie met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid over voldoende en naar behoren opgeleid personeel beschikt voor het voorbereiden, analyseren en voorstellen van beleid;

11.  verzoekt de Commissie in het eerste semester van 2001 een verslag voor te leggen over de tenuitvoerlegging van de verschillende onderdelen van de RELEX-hervorming;

12.  is van mening dat de overdracht van bevoegdheden aan de delegaties een gelegenheid biedt om ter plaatse een systeem te creëren voor het beheer van de ontwikkelingsprojecten en voor de toe-eigening en versterking van de capaciteiten; spreekt zich derhalve uit voor een snelle doorvoering van de decentralisatie naar de delegaties, die moeten worden voorzien van de benodigde IT-infrastructuur, terwijl het personeel dat zich bezighoudt met ontwikkelingsbeleid moet worden uitgebreid, alsmede voor een proces van toe-eigening van de projecten en programma's door de begunstigden, met inbegrip van de aanstelling van plaatselijke medewerkers, wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden van behoorlijk bestuur en democratie;

13.  benadrukt dat de voor buitenlandse betrekkingen verantwoordelijke DG's behoefte hebben aan meer en gespecialiseerder personeel, en dat met name moet worden voorzien in opleiding tot programmeringsdeskundige en sectoraal deskundige;

14.  is van mening dat de oprichting van de gemeenschappelijke dienst (SCR) een mislukte poging was om het beheer van de communautaire hulp te rationaliseren, en dat de onduidelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende diensten de effectiviteit ervan heeft ondermijnd; wijst in dit verband op de noodzaak om de samenwerkingscyclus te integreren en is er voorstander van dat de verantwoordelijkheid van de gehele samenwerkingscyclus bij één orgaan ligt en dat er één commissaris politiek verantwoordelijk is, namelijk de voor ontwikkelingssamenwerking bevoegde commissaris; meent dat een en ander de doelmatigheid van het Commissieapparaat en de zichtbaarheid van het optreden van de Commissie op dit gebied zal verbeteren;

15.  verdedigt het specifieke karakter van het communautaire ontwikkelingsbeleid en de toegevoegde waarde ervan en betreurt dat sommige lidstaten voorstander zijn van een hernationalisatie van het ontwikkelingbeleid; is er stellig van overtuigd dat het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten een aanvulling moet zijn op en geen vervanging of duplicaat mag zijn van het ontwikkelingsbeleid van de EU; pleit er verder voor, gezien het belang dat het aan een communautair overheidsbeleid op het gebied van ontwikkeling hecht, dat het hele programmabeheer bij de Commissie komt te liggen en de overheveling daarvan naar externe agentschappen strikt wordt beperkt;

16.  neemt nota van het voornemen om een nieuw orgaan op te richten voor het beheer van de communautaire hulp, dat gebaseerd is op de SCR, die wordt omgezet in een Bureau, en is van mening dat dit moet opereren volgens een model dat overeenstemt met de doelstellingen van grotere doeltreffendheid van de communautaire hulp; het model moet er in ieder geval voor zorgen dat er samenhang zit in de acties van de Commissie en dat zij controle uitoefent op dit orgaan. De politieke controle op de activiteiten van dit orgaan blijft berusten bij het Europees Parlement;

17.  is tevens van mening dat de oprichting van een dergelijk orgaan gepaard moet gaan met een vereenvoudiging van de beheersprocedures, met name ten aanzien van de medefinanciering van projecten door NGO's;

18.  is ervan overtuigd dat NGO's over de capaciteit beschikken om programma's uit te voeren die specifiek gericht zijn op armoedebestrijding en is van mening dat de Commissie dit potentieel meer moet benutten;

19.  is van oordeel dat de EU strategieën moet ontwikkelen om in de begunstigde landen bij te dragen tot een levendige en krachtige civil society; dat de EU op alle gebieden van externe samenwerking moet streven naar samenwerking met het maatschappelijk middenveld, waaronder NGO's en de particuliere sector, teneinde de ontwikkelingsdoelstellingen te realiseren; is van oordeel dat organisaties in het maatschappelijk middenveld moeten worden gezien als onmisbare en onafhankelijke partners van de EU, die een essentiële rol in het ontwikkelingsproces spelen, en dat de EU moet aansporen tot een intensievere beleidsdialoog met het maatschappelijk middenveld en tot grotere samenwerking op programmeringsniveau;

20.  wijst op het belang van een zorgvuldige evaluatie van het effect van de externe hulpprogramma's, om zowel van de positieve als negatieve ervaringen gebruik te maken bij de planning en uitvoering van latere acties; benadrukt de noodzaak om personeel op te leiden dat gespecialiseerd is op dit gebied en om de evaluatie-eenheid te voorzien van voldoende personeel en bevoegdheden om de impact en de doeltreffendheid van het ontwikkelingshulpbeleid te vergroten;

21.  is het ten aanzien van de comitologie met de Commissie eens dat de werkgroepen van de Raad en de comités moeten evolueren en zich moeten concentreren op beleidsoriëntaties, periodieke herziening van strategieën van elk van de landen, sectorale strategieën, en zaken waarover voorafgaand aan internationale beraadslagingen op Europees niveau moet worden overlegd;

22.  is verheugd over het initiatief van de Commissie om alle verordeningen inzake het ontwikkelingsbeleid te herzien om de haalbaarheid te bestuderen van een horizontale verordening waardoor de werkzaamheden van de comités in de programmeringfase kunnen worden geconcentreerd en de systematische herziening van alle projecten kan worden afgeschaft;

23.  benadrukt het belang van "country strategy papers” en NIP's (nationale indicatieve programma's) als instrument ter bevordering van zowel de complementariteit met de lidstaten als de deelname van de begunstigde landen aan de programmering van de samenwerking door middel van dialoog en informatieoverdracht, waardoor het concept van toe-eigening van de ontwikkelingsprojecten door de begunstigde landen in de praktijk wordt gebracht wanneer aan de juiste voorwaarden wordt voldaan;

24.  benadrukt dat de aanwezigheid van de EU in discussiefora over belangrijke onderwerpen voor ontwikkelingseconomieën en de coördinatie van de standpunten van de lidstaten en de EU in de verschillende internationale fora moeten worden versterkt, met name in de instellingen van Bretton Woods en in de Verenigde Naties, waar de beleidsrol van de EU in verhouding moet staan tot de omvang van haar bijdrage;

25.  herinnert eraan dat het Europees Parlement voldoende informatie moet ontvangen alvorens het beleid wordt vastgesteld - en in ieder geval tegelijkertijd met de Raad - over oriëntatie, planning en programmering van het communautaire hulpbeleid, zonder dat dit inhoudt dat het EP zich in de beheerstaken van de Commissie mengt;

26.  is van mening dat bij de nieuwe structuur getracht moet worden samenhang te bewerkstelligen tussen het communautair buitenlands, ontwikkelings-, handels-, landbouw-, visserij-, O&O-beleid en het beleid op het gebied van voedselzekerheid en voedselveiligheid; is van oordeel dat bij het uitstippelen van nieuwe beleidsvormen en toegepaste praktijken evaluaties dienen plaats te vinden van het effect van deze samenhang en dat daarnaast jaarlijks het verslag moet worden gepubliceerd dat aan de Raad en het Parlement dient te worden voorgelegd, conform zijn bovengenoemde resolutie van 17 februari 2000 over de samenhang in het communautaire beleid van de Unie;

27.  dringt erop aan dat het RELEX-hervormingsproces wordt doorgevoerd op een open en transparante wijze en dat het personeel van de betrokken diensten participeert in dit hervormingsproces, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de handhaving tijdens de overgangsperiode van de doelstellingen van een doeltreffend Europees ontwikkelingsbeleid en van de afspraken die met de ontvangende landen zijn gemaakt;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Punt 15 van de aangenomen teksten.
(2) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(3) PB C 304 van 24.10.2000, blz. 135.
(4) Punt 6 van de aangenomen teksten.
(5) Punt 5 van de aangenomen teksten.

Juridische mededeling - Privacybeleid