Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer (COM(2000) 802
- C5-0700/2000
- 2000/0325(COD)
)
(7 bis) Een transponder en een reisdatarecorder (black box) aan boord zijn op zich niet voldoende om ongevallen te voorkomen; Het opleidingsniveau en de bekwaamheid van het personeel aan boord van een schip is van even groot belang; De lidstaten moeten ervoor zorgen dat het personeel aan wal, met name de verkeersbegeleidingsdiensten, kustwachtcentra en reddingsdiensten voldoende bemand zijn en behoorlijk opgeleid;
Amendement 2
Overweging 8
(8)
Nauwkeurige kennis van de gevaarlijke of verontreinigende goederen die zich aan boord van schepen bevinden is van essentieel belang voor de voorbereiding en doeltreffendheid van acties in geval van vervuiling of kans op vervuiling van de zee. De schepen die op weg zijn naar of afkomstig zijn uit de lidstaten moeten deze informatie verstrekken aan de bevoegde instanties of de havenautoriteiten in die lidstaten. Schepen die geen haven in de Gemeenschap aandoen moeten informatie over de hoeveelheid en het soort gevaarlijke goederen die zij vervoeren toesturen aan de meldingssystemen die door de kustautoriteiten van de lidstaten worden gebruikt.
(8)
Nauwkeurige kennis van de gevaarlijke of verontreinigende goederen die zich aan boord van schepen bevinden en van de staat van veiligheid van de schepen zelf
is van essentieel belang voor de voorbereiding en doeltreffendheid van acties in geval van vervuiling of kans op vervuiling van de zee. De schepen die op weg zijn naar of afkomstig zijn uit de lidstaten moeten deze informatie verstrekken aan de bevoegde instanties of de havenautoriteiten in die lidstaten. Schepen die geen haven in de Gemeenschap aandoen, moeten informatie over de hoeveelheid en het soort gevaarlijke goederen die zij vervoeren en over de staat van veiligheid van de schepen zelf
toesturen aan de meldingssystemen die door de kustautoriteiten van de lidstaten worden gebruikt.
Amendement 3
Overweging 11
(11)
Wanneer een lidstaat van oordeel is dat uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee een ernstig risico betekenen voor het milieu, schort hij het vertrek van schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren op totdat de toestand weer normaal is. In het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid moet de lidstaat ervan uitgaan dat er sprake is van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee, wanneer in het beschouwde gebied windkracht 10 op de schaal van Beaufort met bijbehorende toestand van de zee zijn vastgesteld.
(11)
Wanneer de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties
van oordeel zijn
dat uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee een ernstig risico betekenen voor het milieu of het leven en de veiligheid van de bemanning en de passagiers in gevaar brengen, stellen zij de kapitein van een schip dat de haven wil binnen- of uitvaren hiervan op de hoogte en doen zij de kapitein de nodige aanbevelingen. De kapitein moet laten weten of hij die aanbeveling al dan niet opvolgt en moet zijn beslissing motiveren. De door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties behouden het recht om in geval van uitzonderlijk slecht weer en gezien de specifieke situatie in de betrokken haven het vertrek of de aankomst van schepen in een haven op te schorten totdat de toestand weer normaal is. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat schepen die zich bij slecht weer voor hun kusten bevinden, kunnen rekenen op voldoende bijstand van zeesleepboten wanneer zij in moeilijkheden zijn.
Amendement 4
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis) Gezien de kwetsbaarheid van de Oostzee en de verwachte toename van de maritieme activiteit, moet de Europese Unie een verzoek richten tot de IMO om de Golf van Finland en eventueel andere gebieden in de Oostzee te laten vallen onder een door de IMO goedgekeurd verplicht meldingssysteem.
Amendement 5
Overweging 13
(13).
De lidstaten moeten zich wapenen tegen de risico's voor de veiligheid op zee, de plaatselijke bevolking en het milieu die ontstaan door bepaalde situaties op zee en de aanwezigheid van in zee drijvende vlekken verontreinigende stoffen of stukgoederen. Daarom moeten de kapiteins van schepen de kustautoriteiten deze voorvallen melden en daarbij alle passende informatie verstrekken.
(13)
De lidstaten moeten zich wapenen tegen de risico's die
voor de veiligheid op zee, de plaatselijke bevolking en het mariene en kust
milieu kunnen
ontstaan door bepaalde situaties op zee en de aanwezigheid van in zee drijvende vlekken verontreinigende stoffen of stukgoederen. Daarom moeten de kapiteins van schepen de kustautoriteiten deze voorvallen melden en daarbij alle passende informatie verstrekken.
Amendement 6
Overweging 15
(15).
Indien er bij een ongeval op zee geen vluchthavens beschikbaar zijn, kan dit ernstige gevolgen hebben. Derhalve moeten de lidstaten plannen opstellen om in nood verkerende schepen onder zo goed mogelijke omstandigheden in hun havens te ontvangen, indien de situatie dit vereist.
(15).
Indien er bij een ongeval op zee geen vluchthavens of ankerplaatsen
beschikbaar zijn, kan dit ernstige gevolgen hebben. Derhalve moeten de lidstaten plannen opstellen om in nood verkerende schepen onder zo goed mogelijke omstandigheden in hun havens te ontvangen, indien de situatie dit vereist. Een lidstaat of een haven die een schip in nood opvangt, moet kunnen rekenen op een prompte vergoeding van de kosten en de potentiële schade die deze operatie met zich brengt.
Amendement 7
Overweging 19
(19)
Bepaalde bepalingen van deze richtlijn kunnen volgens deze procedure worden gewijzigd om rekening te kunnen houden met de ontwikkeling van de internationale instrumenten en de bij tenuitvoerlegging van deze richtlijn opgedane ervaring.
(19)
Gezien de ontwikkeling van de internationale instrumenten en de bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn opgedane ervaring, kan het nodig zijn om
bepaalde bepalingen van deze richtlijn te wijzigen. Deze wijzigingen worden voorgesteld op basis van de resultaten van het onderzoek naar de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
Amendement 8
Artikel 2, letter c)
c)
scheepsvoorraden en scheepsuitrusting.
c)
bunkerbrandstof voor schepen met een capaciteit van minder dan 5000 ton bunkerbrandstof,
scheepsvoorraden en scheepsuitrusting.
Amendement 9
Artikel 6, lid 1
1.
Schepen die het bevoegdheidsgebied van een verkeersbegeleidingssysteem of een door de IMO goedgekeurd routeringssysteem, dat onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat valt, binnenvaren, moeten, overeenkomstig de geldende regels en procedures, gebruik maken van de verleende diensten, indien deze bestaan, zich houden aan de in het gebied geldende regels, en eventuele instructies opvolgen. Onder vlaggen van derde landen varende schepen kunnen alleen verplicht worden tot deelname aan een verkeersbegeleidingssysteem in zeegebieden binnen de territoriale wateren van de betrokken lidstaat.
1.
Schepen die het bevoegdheidsgebied van een verkeersbegeleidingssysteem of een door de IMO goedgekeurd routeringssysteem, dat onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat valt, binnenvaren, moeten, overeenkomstig de geldende regels en procedures, gebruik maken van de verleende diensten, indien deze bestaan, zich houden aan de in het gebied geldende regels, en eventuele instructies opvolgen. In gebieden buiten de territoriale wateren van de Gemeenschap is deelname aan een verkeersbegeleidingssysteem verplicht voor alle schepen die onder de vlag van een lidstaat varen en alle schepen die een haven in de Gemeenschap aandoen.
Amendement 10
Artikel 7, lid 2
2.
De lidstaten zien erop toe dat ze, binnen termijnen die in overeenstemming zijn met het van
bijlage II-1 bedoelde tijdschema, de beschikking krijgen over apparatuur en walinstallaties waarmee de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen worden ontvangen en gebruikt.
2.
De lidstaten zien erop toe dat ze, binnen termijnen die in overeenstemming zijn met het in
bijlage II-1 bedoelde tijdschema, de beschikking krijgen over apparatuur en walinstallaties waarmee de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen worden ontvangen en gebruikt, doorgegeven worden naar en uitgewisseld worden tussen de kustwachtcentra en de havenautoriteiten van de verschillende lidstaten.
Amendement 11
Artikel 8, alinea 2
Met een reisdatarecorder moeten de relevante gegevens over positie, bewegingen, fysieke toestand, besturing en regeling van het betreffende schip veilig kunnen worden bewaard en gebruikt, en
bij een onderzoek naar een ongeval op zee ter beschikking worden gesteld van de betrokken lidstaat.
Met een reisdatarecorder moeten de relevante gegevens over positie, bewegingen, fysieke toestand, besturing en regeling van het betreffende schip veilig kunnen worden bewaard en gebruikt. Deze gegevens
worden ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaat bij een onderzoek naar een ongeval op zee binnen de communautaire wateren of zullen preventief worden gebruikt om de nodige lering te trekken uit bijna-ongevallen.
Amendement 12
Artikel 10, lid 2
2.
De exploitant, agent of kapitein van een gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerend schip dat van een buiten de Gemeenschap gelegen haven komt en op weg is naar een in de Gemeenschap gelegen haven of naar een ankerplaats in de territoriale wateren van een lidstaat deelt uiterlijk bij de afvaart uit de haven van bevrachting of zodra de haven van bestemming bekend is, indien deze informatie op het moment van de afvaart nog niet beschikbaar is, de in bijlage III bedoelde gegevens mede aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de eerste haven van bestemming of ankerplaats is gelegen.
2.
De exploitant, agent of kapitein van een gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerend schip dat van een buiten de Gemeenschap gelegen haven komt en op weg is naar een in de Gemeenschap gelegen haven of naar een ankerplaats in de territoriale wateren van een lidstaat deelt uiterlijk bij de afvaart uit de haven van bevrachting of zodra de haven van bestemming of de noodzaak te ankeren
bekend is, indien deze informatie op het moment van de afvaart nog niet beschikbaar is, de in bijlage III bedoelde gegevens mede aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de eerste haven van bestemming of ankerplaats is gelegen.
Amendement 13
Artikel 10, lid 5
5.
De gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerende schepen die op doorvaart zijn in de territoriale wateren of
de exclusieve economische zone van de lidstaten,
en die niet op weg zijn naar of komen van een haven in de Gemeenschap, delen aan de kustwachtcentra die een verplicht meldingssysteem als bedoeld in artikel 5, lid 1, gebruiken de hoeveelheid en de IMO-klasse mede van de vervoerde gevaarlijke goederen.
5.
De gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerende schepen die op doorvaart zijn in de territoriale wateren, de exclusieve economische zone of in volle zee voor de kust van een lidstaat
en die niet op weg zijn naar of komen van een haven in de Gemeenschap, delen aan de kustwachtcentra die een verplicht meldingssysteem als bedoeld in artikel 5, lid 1, gebruiken de hoeveelheid en de IMO-klasse mede van de vervoerde gevaarlijke goederen.
Amendement 14
Artikel 14, lid 2
2.
Bij de melding krachtens lid 1 moeten ten minste de volgende gegevens worden verstrekt: identiteit van het schip, positie, haven van vertrek, haven van bestemming, eventueel
het adres waar informatie over de lading kan worden verkregen, aantal opvarenden, bijzonderheden over het incident en alle relevante informatie als bedoeld in IMO-resolutie A.851(20).
2.
Bij de melding krachtens lid 1 moeten ten minste de volgende gegevens worden verstrekt: identiteit van het schip, positie, haven van vertrek, haven van bestemming, het adres waar informatie over de lading kan worden verkregen, aantal opvarenden, bijzonderheden over het incident en alle relevante informatie als bedoeld in IMO-resolutie A.851(20).
Amendement 15
Artikel 15
Wanneer een lidstaat
in geval van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee van mening is dat er groot gevaar bestaat voor verontreiniging van haar zee- of kustgebieden of die van andere lidstaten, moet hij met iedere passende administratieve maatregel verbieden dat schepen die dat gevaar kunnen opleveren de havens in het betreffende gebied verlaten.
Wanneer de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties, die door de lidstaten zijn aangeduid
, in geval van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee van mening zijn
dat er groot gevaar bestaat voor verontreiniging van hun
zee- of kustgebieden of die van andere lidstaten, of dat de veiligheid en het leven van de bemanning en de passagiers bedreigd worden, moeten zij:
Het verbod om uit te varen wordt opgeheven, zodra vaststaat dat het schip de haven kan verlaten zonder dat dit groot gevaar als bedoeld in de eerste alinea met zich meebrengt.
-
de kapitein van een schip dat zich in het betrokken havengebied bevindt en een haven wil binnen- of uitvaren, alle informatie geven over de weersomstandigheden en het gevaar dat die kunnen opleveren voor zijn schip, de lading, de bemanning en de passagiers rekening houdend met het soort schip, haar lading, de aanlegplaats van het schip en de infrastructuur van de betrokken haven en bevelen zij de kapitein aan om al dan niet de haven binnen of uit te varen. De kapitein moet aantonen dat hij de aanbevelingen van de havenautoriteiten ontvangen heeft alvorens de beslissing te nemen al dan niet de haven in het desbetreffende gebied te verlaten of binnen te varen. Hij moet de havenautoriteiten op de hoogte stellen van zijn beslissing en motiveert die beslissing.
-
de nodige middelen en infrastructuur voorzien om schepen in nood assistentie te verlenen en er meer bepaald voor zorgen dat krachtige zeesleepboten permanent beschikbaar zijn en bij verslechterde weersomstandigheden "op station” liggen bij de belangrijke scheepvaartroutes.
-
de passende maatregelen nemen om risicodragende manoeuvres zoals het bunkeren van schepen op zee voor hun kusten zoveel mogelijk te beperken of zonodig te verbieden.
2.
Lid 1 laat het recht van de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties om in geval van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee en rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken haven een verbod op in- of uitvaren in te stellen, onverlet.
3.
Om te bepalen of er sprake is van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee in het beschouwde gebied, beroepen de havenautoriteiten zich op de weerberichten en -voorspellingen van de officiële weerdienst van de betrokken lidstaat.
Amendement 16
Artikel 16, lid 1, alinea 1
1.
In geval van incidenten of ongevallen op zee als bedoeld in artikel 14, nemen de lidstaten, in overeenstemming met het internationaal recht, alle passende maatregelen om de veiligheid op zee, de veiligheid van personen of de bescherming van het mariene milieu te verzekeren.
1.
In geval van incidenten of ongevallen op zee als bedoeld in artikel 14, nemen de lidstaten, in overeenstemming met het internationaal recht, alle passende maatregelen om de veiligheid op zee, de veiligheid van personen of de bescherming van het mariene en kust
milieu te verzekeren.
Amendement 17
Artikel 16, lid 2
2.
De exploitant, de kapitein van het schip en, eventueel,
de eigenaar van de lading zijn verplicht om aan de bevoegde nationale instanties, die dit vragen, hun volle medewerking te geven, teneinde de gevolgen van een incident of een ongeval op zee tot een minimum te beperken.
2.
De exploitant, de kapitein van het schip en de eigenaar van de lading zijn verplicht om aan de bevoegde nationale instanties, die dit vragen, hun volle medewerking te geven, teneinde de gevolgen van een incident of een ongeval op zee tot een minimum te beperken.
Amendement en 18 en 19
Artikel 17
Vluchthavens
Maatregelen ten behoeve van schepen in nood
De lidstaten treffen de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat er op hun grondgebied havens beschikbaar zijn die schepen in nood kunnen opvangen. Voor dat doel stellen zij in overleg met de betrokken partijen plannen op die voor iedere betrokken haven bijzonderheden bevatten over de kenmerken van het gebied, de beschikbare installaties, de operationele en milieubeperkingen en de te volgen procedures bij eventueel gebruik van zo'n plan voor de opvang van met
schepen in nood verbonden procedures.
1.
De lidstaten treffen de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat er op hun grondgebied specifieke en voldoende vluchthavensen ankerplaatsen
beschikbaar zijn zodat schepen in nood in de nabijheid kunnen opgevangen worden. Voor dat doel stellen zij in overleg met de betrokken partijen plannen op die voor iedere betrokken haven en ankerplaats
bijzonderheden bevatten over de kenmerken van het gebied, de beschikbare installaties, de operationele en milieubeperkingen en de te volgen procedures bij eventueel gebruik van zo'n plan voor de opvang van met
schepen in nood verbonden procedures.
De lidstaten verplichten zich ertoe deze vluchthavens te voorzien van sleepboten en reparatiefaciliteiten (droogdokken enz.)
De plannen voor opvang van schepen in nood worden op aanvraag ter beschikking gesteld. De lidstaten informeren de Commissie over de maatregelen die zij krachtens voorgaande alinea genomen hebben.
De plannen voor opvang van schepen in nood worden op aanvraag ter beschikking gesteld. De lidstaten informeren de Commissie binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn
over de maatregelen die zij krachtens voorgaande alinea genomen hebben.
2.
De Commissie, bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. ../.. opgerichte Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart, en de lidstaten werken samen met de Internationale Maritieme Organisatie gemeenschappelijke richtsnoeren uit voor de opvang van schepen in nood en meer in het bijzonder voor vluchthavens en ankerplaatsen.
3.
Een haven in de Gemeenschap die een schip in nood opvangt, moet kunnen rekenen op een prompte vergoeding van de kosten en de potentiële schade die deze operatie met zich brengt.
4.
Een haven in de Gemeenschap kan eisen dat een schip dat deze haven aandoet, aantoont dat het schip en de lading voldoende verzekerd zijn ingeval het in nood verkeert en op zoek is naar een vluchthaven of ankerplaats.
Amendement 20
Artikel 22, lid 5, alinea 1
5.
Wanneer een lidstaat bij een ongeval of een incident op zee als bedoeld in artikel 16 vaststelt dat de maatschappij niet in staat is geweest contact met het schip of de bevoegde operationele instanties op te nemen of te onderhouden, stelt hij de staat die het ISM-certificaat heeft afgegeven of in naam waarvan het ISM-certificaat is afgegeven, daarvan in kennis.
5.
Wanneer een lidstaat bij een ongeval of een incident op zee als bedoeld in artikel 16 vaststelt dat de maatschappij niet in staat is geweest contact met het schip of de bevoegde operationele instanties op te nemen of te onderhouden, stelt hij de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart en
de staat die het ISM-certificaat heeft afgegeven of in naam waarvan het ISM-certificaat is afgegeven, daarvan in kennis.
Amendement 21
Artikel 22 bis (nieuw)
Artikel 22bis Evaluatie
1.
De lidstaten dienen uiterlijk op 1 juli 2003 bij de Commissie een verslag in over de uitvoering van deze richtlijn en meer in het bijzonder over de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 7, 8, 15, 17 en 20.
2.
Op basis van de verslagen van de lidstaten, als bedoeld in lid 1, brengt de Commissie uiterlijk eind 2004 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de lidstaten. In deze verslagen gaat de Commissie na of en in welke mate de bepalingen van de richtlijn, zoals uitgevoerd door de lidstaten, bijdragen tot het verhogen van de veiligheid en efficiëntie van het zeeverkeer en het voorkomen van verontreiniging door schepen.
3.
Op basis van de evaluatie als bedoeld in lid 2, en bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. ../.. opgerichte Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart, onderzoekt de Commissie:
-
of het technisch en economisch haalbaar is om de prestatienormen van een automatisch identificatiesysteem zoals omschreven in artikel 7, lid 1 te verhogen en onderzoekt met name of het wenselijk is het dekkingsgebied van de transponders te vergroten.
-
of de maatregelen voorzien in artikel 17 voldoende zijn om de opvang van schepen in nood door de communautaire havens te garanderen, of er voldoende vluchthavens en ankerplaatsen zijn en of er behoefte is aan een efficiënter systeem ter vergoeding van schade door verontreiniging als gevolg van de opvang van een schip in nood in een vluchthaven of ankerplaats.
-
in welke mate de lidstaten hebben samengewerkt inzake gegevensuitwisseling en in welke mate zij hun systemen van telematicaverbindingen op elkaar hebben afgestemd.
-
of de controle op de tenuitvoerlegging van de richtlijn en het opleggen van sancties door alle lidstaten op dezelfde wijze worden toegepast en of de verschillen tussen de verschillende sancties van toepassing in de lidstaten niet leiden tot marktverstoringen.
4.
Op grond van de opgedane ervaring en met inachtname van de resultaten van de verslagen en onderzoeken overeenkomstig de leden 1, 2 en 3, legt de Commissie, indien nodig, het Europees Parlement en de Raad wijzigingsvoorstellen voor.
Amendement 22
Bijlage I, punt 1, streepje 7, substreepje 2
Kenmerken (zwaar, licht) en geschat volume
van de bunkerbrandstof voor schepen die meer dan 5000 ton bunkerbrandstof meevoeren.
Kenmerken van de bunkerbrandstof en bunkercapaciteit
voor schepen die meer dan 5000 ton bunkerbrandstof meevoeren.
Amendement 23
Bijlage I, punt 1, streepje 7 bis (nieuw)
-
Bijgewerkt verslag van de staat van veiligheid van het schip, opgesteld door het voor de inspectie van het betreffende schip verantwoordelijke classificatiebureau.
Amendement 24
Bijlage 1, punt 2, streepje 2 bis (nieuw)
-
De ijswaardigheid van het schip, indien het vaart in wateren waarin ijs gedurende bepaalde perioden van het jaar een obstakel vormt
Amendement 25
Bijlage II, deel I, punt 2, streepje 3
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 50000 bruto ton of meer: uiterlijk 1 juli 2004
;
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 50000 bruto ton of meer: uiterlijk 1 juli 2003
;
Amendement 26
Bijlage II, deel I, punt 2, streepje 4
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 10000 bruto ton of meer, maar minder dan 50000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2005;
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 10000 bruto ton of meer, maar minder dan 50000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2004;
Amendement 27
Bijlage II, deel I, punt 2, streepje 5
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 3000 bruto ton en meer, maar minder dan 10000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2006
;
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 3000 bruto ton en meer, maar minder dan 10000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2005
;
Amendement 28
Bijlage II, deel I, punt 2, streepje 6
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 300 bruto ton of meer, maar minder dan 3000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2007
.
-
andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 300 bruto ton of meer, maar minder dan 3000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2006
.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer (COM(2000) 802
- C5-0700/2000
- 2000/0325(COD)
)
(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)
Het Europees Parlement,
- gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2000) 802(1)
),
- gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 80, lid 2 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0700/2000
),
- gelet op artikel 67 van zijn Reglement,
- gezien het verslag van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5-0208/2001
),
1. hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.