Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/81/EEG wat betreft de mogelijkheid een verlaagd accijnstarief toe te passen op bepaalde minerale oliën die biobrandstoffen bevatten en op biobrandstoffen (COM(2001) 547 – C5&nbhy;0030/2002 – 2001/0266(CNS))
(Raadplegingsprocedure)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad(COM(2001) 547(1)),
– geraadpleegd door de Raad overeenkomstig artikel 93 van het EG&nbhy;Verdrag (C5&nbhy;0030/2002),
– gelet op artikel 67 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5&nbhy;0218/2002),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG&nbhy;Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;
3. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
4. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;
5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendementen van het Parlement
Amendement 1 OVERWEGING 2 BIS (nieuw)
(2 bis) Het Witboek van de Europese Commissie over het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen1 gaat ervan uit dat tussen 1990 en 2010 de CO2-emissie van de vervoerssector met 50% zal stijgen tot 1.113 miljard ton en stelt hiervoor met name het wegvervoer verantwoordelijk, waarvan 84% van de door het vervoer veroorzaakte CO2-uitstoot afkomstig is. Om ecologische redenen verlangt het Witboek derhalve dat de afhankelijkheid van aardolie (momenteel 98%) in de vervoerssector door de toepassing van alternatieve brandstoffen, zoals biobrandstoffen, verminderd wordt. ________________ 1COM(2001) 370.
Amendement 2 OVERWEGING 4
(4) De mededeling van de Commissie "Duurzame ontwikkeling in Europa voor een betere wereld: Een strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling"6 benadrukt de belangrijke rol van alternatieve brandstoffen, waaronder biobrandstoffen, in de strijd tegen de klimaatverandering en bij de ontwikkeling van schone energiebronnen.
(4) De mededeling van de Commissie "Duurzame ontwikkeling in Europa voor een betere wereld: Een strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling"6 benadrukt de belangrijke rol van alternatieve brandstoffen, waaronder biobrandstoffen, in de strijd tegen de klimaatverandering en bij de ontwikkeling van schone energiebronnen; Daarbij dient er ook aandacht te zijn voor pure, koudgeperste plantaardige olie, zoals koolzaadolie, welke geen chemische bewerking ondergaat en dus milieuvriendelijk geproduceerd kan worden en waarvan de bijproducten bovendien eiwithoudend zijn en als diervoeder gebruikt kunnen worden.
Amendement 3 OVERWEGING 4 BIS (nieuw)
(4 bis) Met het oog op naleving van de ten doel gestelde duurzame ontwikkeling en bescherming van het milieu, dienen in het kader van de politieke keuzes in verband met de bevordering van biobrandstoffen de schadelijke gevolgen voor landbouw, werkgelegenheid en ruimtelijke ordening tot een minimum te worden beperkt,
Amendement 4 OVERWEGING 4 TER (nieuw)
(4 ter) Het mondiale aardolieverbruik zal in het jaar 2020 naar raming 115 miljoen vaten per dag bedragen, in vergelijking met ongeveer 77 miljoen vaten per dag in 2000. 71% van de eindvraag naar aardolie in het jaar 2020 komt daarbij voor rekening van de vervoerssector. Bovendien gaat de Commissie er in haar mededeling: De olievoorziening van de Europese Unie1 van uit dat de afhankelijkheid van de Europese Unie van aardolieimporten van momenteel 75% tot meer dan 85% in het jaar 2020 zal stijgen. _______________ 1COM (2000) 631.
Amendement 21 OVERWEGING 5 BIS (nieuw)
(5 bis) Een intensiever gebruik van biobrandstoffen dient gepaard te gaan met een zorgvuldige analyse van de gevolgen ervan voor het milieu bij aanbouw, verwerking en verbruik van grondstoffen. Een ruimere toepassing lijkt slechts dan wenselijk indien de effecten op het milieu in vergelijking met traditionele brandstoffen duidelijke voordelen bieden. Met name dienen het grondgebruik, de intensivering van de landbouw, de verhouding tot een alternatief duurzaam gebruik van arealen, de waterbescherming, de energie-efficiëntie, het broeikasgaspotentieel en de deeltjesvorming te worden onderzocht.
Amendement 22 OVERWEGING 6 BIS (nieuw)
(6 bis) Ter verwezenlijking van de doelstellingen inzake een duurzame ontwikkeling en met name de terugdringing van de klimaatverandering is het noodzakelijk de prijszetting voor brandstoffen te differentiëren teneinde de ecologische, sociale en economische kosten ervan te internaliseren. Deze verandering op lange termijn dient te worden geschraagd door een herziening op korte termijn van het bestaande wetgevingskader.
Amendement 5 OVERWEGING 7
(7) Het is derhalve dienstig een communautair kader voor accijnsverlagingen ten gunste van biobrandstoffen vast te stellen dat bevorderlijk is voor een beter functioneren van de interne markt en de lidstaten en de marktdeelnemers de passende rechtszekerheid biedt.
(7) Het is derhalve dienstig een communautair kader voor accijnsverlagingen en vrijstellingen ten gunste van biobrandstoffen vast te stellen dat beantwoordt aan de doelstellingen ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen, bevorderlijk is voor een beter functioneren van de interne markt en de lidstaten en de marktdeelnemers de passende rechtszekerheid biedt.
Amendement 6 OVERWEGING 7 BIS (nieuw)
(7 bis) Gunstiger nationale kadervoorwaarden op belastinggebied dienen in de lidstaten waar deze reeds bestaan of reeds zijn ingediend voor 1 januari 2003 te worden gehandhaafd tot de in onderhavige richtlijn voorgestelde kwantitatieve doelen door in de Unie geproduceerde biobrandstoffen bereikt zijn;
Amendement 7 OVERWEGING 10 BIS (nieuw)
(10 bis) Op het ogenblik voldoen niet alle op de markt aangeboden biobrandstoffen aan hoge criteria wat betreft ecologische efficiëntie. In een aantal gevallen gaat de productie gepaard met een zeer hoog energieverbruik en een aanzienlijke uitstoot van klimaatbeïnvloedende gassen. De technologische ontwikkeling zal hierin echter ongetwijfeld verbetering brengen. Daarom dienen het onderzoek en de technologische ontwikkeling op het gebied van de duurzaamheid van biobrandstoffen te worden bevorderd.
Amendement 8 OVERWEGING 16 BIS (nieuw)
(16 bis) In artikel 4, lid 3 van Richtlijn 92/81/EEG wordt bepaald "Het verbruik van minerale oliën binnen een bedrijf dat minerale oliën produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt, voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat"; omwille van de gelijkheid dient er derhalve in te worden voorzien dat het verbruik van biobrandstoffen binnen een landbouwbedrijf dat biobrandstoffen produceert, niet wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt, voor zover het om het verbruik ten behoeve van die productie gaat.
Amendement 9 ARTIKEL 1, PUNT 3 BIS (nieuw) Artikel 4, lid 3 (Richtlijn 92/81/EEG)
(3 bis) Artikel 4, lid 3 wordt als volgt gewijzigd: "3. Het verbruik van minerale oliën binnen een bedrijf dat minerale oliën produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt, voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat. Evenmin wordt het verbruik van biobrandstoffen binnen landbouwbedrijven en hun beroepsorganisaties die biobrandstoffen produceren, beschouwd alseen belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt, voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat. Verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie en met name voor de voortbeweging van motorvoertuigen, wordt echter beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt."
Amendementen 10, 11 en 12 ARTIKEL 1, PUNT 4 Artikel 8 quater, lid 2, alinea 1 en 2 (Richtlijn 92/81/EEG)
2. Het niveau van de belastingen die de lidstaten heffen op de producten die uit in artikel 8 ter bedoelde biobrandstoffen zijn samengesteld of deze bevatten, mag niet lager zijn dan de bij Richtlijn 92/82/EEG vastgestelde minima. Wanneer deze producten zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motorbrandstof, mag het niveau van de belastingen evenwel niet lager liggen dan 50% van het bedrag van de normale accijns die de lidstaat op de overeenkomstige brandstoffen toepast.
2. Het niveau van de belastingen die de lidstaten heffen op de producten die uit in artikel 8 ter bedoelde biobrandstoffen zijn samengesteld of deze bevatten, mag niet lager zijn dan de bij Richtlijn 92/82/EEG vastgestelde minima. Bijzonder lage tarieven dienen te worden vastgesteld voor brandstoffen die voldoen aan bijzonder hoge criteria wat betreft ecologische efficiëntie en een volledige belastingvrijstelling kan worden toegepast op ongemengde biobrandstoffen.
Amendement 13 ARTIKEL 1, PUNT 4 Artikel 8 quater, lid 3 (Richtlijn 92/81/EEG)
3.De lidstaten die op 1 januari 2001 volledige vrijstelling verleenden voor uitsluitend uit biobrandstoffen samengestelde producten, kunnen deze volledige vrijstelling blijven verlenen tot 31 december 2003.
Schrappen
Amendement 14 ARTIKEL 1, PUNT 4 Artikel 8 quinquies, lid 1 (Richtlijn 92/81/EEG)
1. De producten die uit de in artikel 8 ter bedoelde biobrandstoffen zijn samengesteld of deze bevatten, en die worden verbruikt door het lokale openbare passagiersvervoer, inclusief taxi"s, en door voertuigen die onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan vallen, kunnen in aanmerking komen voor een aanvullende verlaging, onder belastingcontrole, die overeenstemt met de in artikel 8 ter bedoelde verlaging.
1. De producten die uit de in artikel 8 ter bedoelde biobrandstoffen zijn samengesteld of deze bevatten, en die worden verbruikt door het openbare passagiersvervoer, inclusief taxi"s, en door voertuigen die onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan vallen, kunnen in aanmerking komen voor een aanvullende verlaging, onder belastingcontrole, die overeenstemt met de in artikel 8 ter bedoelde verlaging.
De lidstaten zenden de Commissie uiterlijk op 31 december 2002 en vervolgens om de twaalf maanden de lijst van overeenkomstig dit onderdeel II bis toegepaste accijnsverlagingen.
De lidstaten zenden de Commissie en het Europees Parlement uiterlijk op 31 december 2002 en vervolgens om de twaalf maanden de lijst van overeenkomstig dit onderdeel II bis toegepaste accijnsverlagingen.
Uiterlijk 31 december 2007 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de fiscale, economische, landbouwkundige, energie-, industriële en milieuaspecten van de overeenkomstig dit onderdeel II bis toegekende verlagingen. Zij brengt eveneens verslag uit over de verdere vrijstellingen en verlagingen die voor biobrandstoffen zijn toegekend overeenkomstig de procedure van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EG. In voorkomend geval dient zij voorstellen tot opheffing, wijziging of verlenging in."
Uiterlijk 31 december 2007 brengt de Commissie bij de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de fiscale, economische, landbouwkundige, energie-, industriële en milieuaspecten van de overeenkomstig dit onderdeel II bis toegekende verlagingen. Zij brengt eveneens verslag uit over de verdere vrijstellingen en verlagingen die voor biobrandstoffen zijn toegekend overeenkomstig de procedure van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG. In voorkomend geval dient zij voorstellen tot opheffing, wijziging of verlenging in."
Amendement 24 ARTIKEL 1, PUNT 4 Artikel 8 nonies bis (nieuw) (richtlijn 92/81/EEG)
Artikel 8 nonies bis Uiterlijk op 31 december 2007 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een mededeling voor over de gedifferentieerde prijszetting voor brandstoffen teneinde de ecologische, sociale en economische kosten ervan te internaliseren. Indien noodzakelijk dient de Commissie daartoe voorstellen in.