Resolutie van het Europees Parlement over Afghanistan: uitdagingen en vooruitzichten voor de toekomst (2003/2121(INI)
Het Europees Parlement,
– onder verwijzing naar zijn vele vorige resoluties over Afghanistan en zeer recent zijn resoluties van 13 december 2001(1), 5 september 2002(2) en 15 januari 2003(3),
– gezien de Conferentie van Bonn van 4-5 december 2001, die een tijdschema en een stappenplan voor het herstel van de vrede en de veiligheid en de wederopbouw van Afghanistan heeft opgesteld,
– gezien de in de Overeenkomst van Bonn van 5 december 2001 geformuleerde eis dat uiterlijk twee jaar na de bijeenkomst van de nood-Loya Jirga, die in juni 2002 plaatsvond, nationale verkiezingen dienen te worden gehouden,
– gezien de onlangs afgeronde constitutionele Loya Jirga (Grote Vergadering van stamhoofden), die in december 2003/januari 2004 in Kabul bijeenkwam om de ontwerpgrondwet te bespreken en goed te keuren met het oog op de organisatie van presidentsverkiezingen in 2004, en gezien de op 4 januari 2004 door de constitutionele Loya Jirga goedgekeurde grondwet voor Afghanistan,
– gezien de verklaring van het fungerend voorzitterschap van de Raad van 6 januari 2004 namens de Europese Unie over de goedkeuring van een grondwet voor Afghanistan(4),
– gezien de vele resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de situatie in Afghanistan die sinds 2001 zijn aangenomen,
– gezien de Verklaring van Brussel die is goedgekeurd op 5 december 2001 ter afronding van de Top van de Afghaanse vrouwen en de Verklaring van solidariteit met de Afghaanse vrouwen,
– gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN, ingediend op 23 juli 2003, over de situatie in Afghanistan en de implicaties daarvan voor de internationale vrede en veiligheid,
– gezien de verklaring van goede nabuurschap, op 22 december 2002 in Kabul ondertekend door het Afghaanse Overgangsbestuur en de regeringen van China, Iran, Pakistan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan, en de verbintenis die alle buurlanden van Afghanistan bij die gelegenheid zijn aangegaan om zich niet in de binnenlandse aangelegenheden van Afghanistan te mengen,
– gezien het presidentieel decreet van december 2002 waardoor de basis werd gelegd voor de vorming van een Afghaans nationaal leger,
– gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002(5) tot vaststelling van specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, het Al Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr.467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan, en gezien Verordening (EG) nr.561/2003 van de Raad van 27 maart 2003(6) tot wijziging van Verordening (EG) nr.881/2002, met betrekking tot uitzonderingen op de bevriezing van tegoeden en economische middelen,
– gezien de aanneming van de begroting van de Europese Unie voor 2004,
– gezien het voorstel van de Commissie om, als onderdeel van haar maatregelen ten bedrage van 400 miljoen EUR voor Afghanistan voor 2003-2004, een vierde wederopbouwprogramma te financieren met een begroting van 79,5 miljoen EUR met het oog op de verbetering van de levensomstandigheden van de Afghaanse bevolking, met inbegrip van de teruggekeerde vluchtelingen, door een veiliger omgeving te creëren en het economisch herstel te ondersteunen, en de hulp, te verlenen via ECHO, ten bedrage van 11,53 miljoen EUR, die de Commissie in oktober 2003 heeft goedgekeurd om de slachtoffers van de aanhoudende humanitaire crisis in Afghanistan te helpen,
– gezien het bezoek van een EP-delegatie ad hoc aan Kabul, Bagram, Kandahar en Mazar-I-Sharif in juni 2003 en het vervolgbezoek van de rapporteur in oktober/november 2003,
– gelet op artikel 163 van het Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0035/2004),
A. overwegende dat in de bovengenoemde Overeenkomst van Bonn de bakens werden uitgezet naar een stabiele en democratisch gekozen Afghaanse regering tegen 2004 en aan het Overgangsbestuur en zijn mogelijke opvolger, de Islamitische Overgangsstaat Afghanistan, de bevoegdheid werd gegeven om een nieuwe, de wetten respecterende staat tot stand te brengen; overwegende dat in de Overeenkomst het belang wordt onderstreept van de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de vrouwenrechten, de eerlijke behandeling van alle minderheden, de aanpak van drugs, drugsproductie en drugssmokkel en het scheppen van een omgeving waarin de normen van vrijheid en eerlijkheid overheersen,
B. overwegende dat de Wereldbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank en het UNDP in 2002 de behoeften voor de wederopbouw van Afghanistan samen op 13 à 19 miljard dollar hebben geraamd; overwegende dat de internationale gemeenschap op het strategische forum op hoog niveau in Brussel (17 maart 2003) voor de wederopbouw van Afghanistan 2 miljard dollar heeft beloofd; overwegende dat de Europese Unie in januari 2003 op de donorconferentie in Tokio 1 miljard EUR, gespreid over een periode van vijf jaar (ongeveer 200 miljoen EUR per jaar), heeft beloofd, maar dat het totale bedrag dat de Commissie in haar voorontwerp van begroting voor 2004 heeft uitgetrokken, lager is dan het bedrag voor 2003, maar niet het extra pakket van 50 miljoen EUR voor humanitaire steun omvat,
C. overwegende dat de verslechterende veiligheidssituatie de grootste bedreiging vormt voor de bevolking van Afghanistan en voor de inspanningen van de Afghaanse en internationale NGO's die steun verlenen voor de wederopbouw, rehabilitatie en ontwikkelingsinitiatieven, en voor het vredesproces in het algemeen, en overwegende dat die inspanningen zonder veiligheid in gevaar komen,
D. overwegende dat de inspanningen op het gebied van de wederopbouw in het recente verleden werden gehinderd door het toenemende aantal aanvallen op hulporganisaties; overwegende dat de heer Lakhdar Brahimi,speciaal afgezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Afghanistan in zijn toespraak in de VN-Veiligheidsraad (15 januari 2004) heeft aangegeven dat steeds meer delen van het land moeilijk te bereiken zijn; verder overwegende dat het opnieuw opduiken, in delen van Afghanistan, van niet-democratische groeperingen, zoals de Taliban en andere antiregeringskrachten, die een vruchtbare voedingsbodem vinden in gebieden waar de wederopbouw nog geen tastbare vorm heeft aangenomen, een ernstige reden tot ongerustheid is omdat deze ontwikkeling zou kunnen leiden tot de heropleving van een fundamentalistisch regime in Afghanistan,
E. overwegende dat de overheersing van het Afghaanse politieke landschap door gewapende milities met politieke bedoelingen en individuele leiders zonder een duidelijke wil tot nationale verzoening en eensgezindheid een belangrijke hinderpaal is voor de uitvoering van de Overeenkomst van Bonn; overwegende dat zonder algemeen proces van ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van voormalige strijders in de samenleving (DDR-proces)en de oprichting van een neutraal nationaal leger, nationale politie en inlichtingendienst geen enkel essentieel element van dat politieke proces op zinvolle wijze kan worden uitgevoerd,
F. overwegende dat uit een onderzoek van het VN-bureau voor drugs en criminaliteit blijkt dat Afghanistan in 2003 drie vierde van de illegale opium in de wereld produceerde en dat het inkomen van de Afghaanse opiumboeren en –smokkelaars ongeveer 2,3 miljard dollar bedroeg, het equivalent van de helft van het legitieme BBP van het land; overwegende dat wordt aangenomen dat het grootste deel van dat bedrag naar de militaire leiders en provinciale bestuurders gaat; overwegende dat politieke stabiliteit en veiligheid alleen mogelijk zijn als de opiumproductie daalt en economische alternatieven worden ontwikkeld voor boeren ter vervanging van opiumteelt; overwegende dat de illegale opiumproductie van Afghanistan, terwijl de wereldgemeenschap het misbruik van verdovende middelen bestrijdt, een negatieve invloed heeft op de bereidheid van individuele regeringen een economische bijdrage te leveren aan de wederopbouw van het land;
G. overwegende dat Afghanistan in de komende maanden een kritieke fase ingaat op de weg naar nationale verzoening en politieke normalisering en dat die grote uitdaging moet worden aangepakt voordat de volgende stap in het proces van Bonn, namelijk de verkiezingen van 2004, wordt ondernomen,
H. overwegende dat in resolutie 1510 van de VN-Veiligheidsraad, die op 12 oktober 2003 met algemene stemmen werd aangenomen, met de uitbreiding van ISAF buiten Kabul wordt ingestemd; beklemtonend dat de overdraging van het commando van de ISAF op de NAVO een versterking van het multilaterale kader van deze strijdmacht betekent; overwegende dat de uitbreiding van de internationale vredesmacht een essentieel element is in de ondersteuning van de Afghaanse autoriteiten door de internationale gemeenschap,
I. overwegende dat de eerste grondwet van Afghanistan van het post-Taliban-tijdperk door de Loya Jirga is goedgekeurd en in een presidentieel stelsel voorziet; overwegende dat deze grondwet ongerustheid wekt, voornamelijk over de overheersende rol van de islamitische wet, de beperkingen van de mensenrechten en de individuele vrijheden, de beknotting van de rechten van de vrouw, het ontbreken van adequate controle en toetsing, het ontbreken van een commissie voor justitie en een commissie voor de overheidsdiensten en van een uitdrukkelijke verwijzing naar civiele controle op de strijdkrachten en de veiligheidsdiensten,
J. overwegende dat gepland was de registratie van de kiezers op 1 december 2003 in de steden, en eind februari 2004 buiten de steden van start te laten gaan, en overwegende dat dit registratieproces onvermijdelijk door geldgebrek zal worden gehinderd; overwegende dat het aantal registratieteams van 200 tot 70 à 100 teams is gedaald; overwegende dat het onwaarschijnlijk lijkt dat het registratieproces op tijd voor de verkiezingen in juni 2004 kan worden afgerond en dat enkele maanden uitstel daarom onvermijdelijk lijkt; overwegende dat de scheidend speciale afgezant van de VN , Lakhdar Brahimi, en VN-secretaris-generaal Kofi Annan beide gewaarschuwd hebben dat het registreren van kiezers voor nationale verkiezingen onmogelijk is wanneer een groot aantal gebieden onveilig zijn voor VN-teams, tegelijkertijd wijzend op het belang van het feit dat de verkiezingen zo snel mogelijk worden gehouden,
K. overwegende dat twee jaar na het einde van het antidemocratische en islamitische Talibanregime de situatie van vrouwen en meisjes lichtjes is verbeterd, maar in vele opzichten nog steeds onbevredigend is; overwegende dat, vooral in plattelandsgebieden, aan vrouwen en meisjes nog altijd hun basisrechten wordt ontzegd; overwegende dat nog steeds grote bezorgdheid heerst over het aanhoudende geweld tegen vrouwen en meisjes, zowel in de samenleving in het algemeen als in het gezin, waardoor onbeschrijflijk lijden wordt veroorzaakt en vrouwen hun fundamentele mensenrechten wordt ontzegd; overwegende dat dit probleem essentieel zal zijn voor de aard van de toekomstige regering en samenleving van Afghanistan,
L. gelet op de vooruitgang die - slechts twee jaar na de val van het Taliban-regime - bereikt is met betrekking tot de positie van de vrouw en overwegende dat deze ontwikkeling nog heel wat tijd zal vergen gezien de psychologische trauma's die veroorzaakt zijn door het barbaarse optreden van de Taliban,
M. overwegende dat het Talibanregime zich gedurende de tijd dat het aan de macht was schuldig maakte aan de meest doelbewuste vormen van schending van de rechten van de vrouw die in de moderne tijd zijn voorgekomen en een apartheidsregeling voor mannen en vrouwen invoerde die de identiteit van de vrouw volkomen verloochende; overwegende dat het Talibanregime thans weliswaar verdwenen is, maar dat de opvattingen over vrouwen grotendeels nog ongewijzigd zijn; overwegende dat de Afghaanse autoriteiten, de internationale gemeenschap en de EU alles in het werk moeten stellen om deze opvattingen te veranderen; overwegende dat het, wil men dat de Afghaanse samenleving zich in de juiste richting ontwikkelt, noodzakelijk is dat allen worden gestimuleerd aan het democratische proces deel te nemen; overwegende dat het van bijzonder belang is dat de vrouwen, die het slachtoffer waren van stelselmatige en structurele schending van hun rechten, kunnen deelnemen aan de discussie over de vraag welke vorm de toekomstige Afghaanse samenleving moet krijgen; overwegende dat het noodzakelijk is de rechten van de vrouw te bevestigen en te versterken,
N. overwegende dat de integratie van de vrouw in de Afghaanse samenleving en de erkenning van haar fundamentele rechten essentiële voorwaarden zijn voor de handhaving van de vrede en voor de uitvoering van het proces van wederopbouw en ontwikkeling van het land,
1. onderstreept dat de internationale gemeenschap de plicht heeft de stabiliteit, vrede en democratische en economische ontwikkeling, alsook de bevrijding van de vrouwen in Afghanistan te bevorderen; is ervan overtuigd dat op internationaal niveau in de toekomst aan die steun prioriteit moet worden verleend;
2. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de vicieuze cirkel van het gebrek aan veiligheid en de vaart van de wederopbouw; erkent de behoefte aan provinciale strategieën, in het bijzonder voor het zuiden van het land; is ingenomen met de inspanningen die op dit ogenblik op dat terrein worden geleverd door UNAMA (VN-missie voor bijstand in Afghanistan);
3. waarschuwt tegen de aanwending van buitensporig geweld door het Amerikaanse leger tegen veronderstelde terroristische doelen, die de dood van burgers, waaronder ook kinderen, tot gevolg heeft gehad; is van oordeel dat deze acties ertoe zouden kunnen leiden dat de Afghaanse bevolking zich gaat afwenden van het democratiserings- en normaliseringsproces;
4. onderstreept dat de steun voor de economische en sociale wederopbouw gericht moet zijn op volgende prioriteiten:
-
kwaliteitsonderwijs voor jongens én meisjes,
-
gezondheidszorg, in het bijzonder voor vrouwen en kinderen,
-
verbetering van de infrastructuur (wegen, elektriciteit, stromend water),
-
herstel van irrigatiesystemen in landbouwgebieden om de teelt van andere gewassen dan opium mogelijk te maken;
5. pleit voor de uitbouw van een open, kwalitatief onderwijssysteem – uitgaande van de staat met steun van de internationale gemeenschap – dat een brede waaier aan vakken aanbiedt en zo een alternatief vormt voor de madrassa's (koranscholen) die fungeren als bolwerken van moslimextremisme, en waar Taliban-militanten worden gerecruteerd;
6. is ingenomen met de uitbreiding van de onder NAVO-bevel opererende ISAF (International Security Assistance Force) buiten Kabul en onderstreept het belang van een snelle overgang van planning naar uitvoering; ondersteunt het denkbeeld dat de toekomstige provinciale wederopbouwteams, die binnenkort buiten Kabul zouden moeten worden ingezet, ook belast zouden moeten worden met steun aan de wederopbouw van het land, afgezien van hun kerntaak om de veiligheid te verzekeren; meent dat een van de hoofdprioriteiten van de ISAF moet zijn aandacht te schenken aan de opleiding van een professionele Afghaanse politie en leger en aan het DDR-proces;
7. merkt op dat de enige nieuwe operatie tot dusver die van Duitse militairen rondom Kunduz is geweest; deelt de bezorgdheid van de scheidend speciale afgezant van de VN, Lakhdar Brahimi, dat het VN-personeel gedwongen zou kunnen worden zijn werkzaamheden te beëindigen indien de veiligheidssituatie niet verbetert; verzoekt de lidstaten om een opvoering van hun inspanningen ten einde de ISAF te versterken;
8. is ingenomen met de goedkeuring van de grondwet door de Loya Jirga en beschouwt dit als een belangrijke stap voor de versterking van de overgangsregering van het land onder president Karzai, alsook als een elementaire voorwaarde voor democratische verkiezingen in juni van dit jaar; erkent dat deze grondwet rekening houdt met alle bevolkingsgroepen van het land en aldus zal bijdragen tot de stabilisering van de staatsstructuren, op voorwaarde dat ze in de politieke realiteit wordt toegepast; geeft zich rekenschap van de noodzaak van een effectief centraal gezag; is verheugd dat specifiek wordt verwezen naar de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; maakt zich echter onverminderd zorgen over de volgende punten: beperking van de godsdienstvrijheid en het recht op vrije meningsuiting en het feit dat de Afghaanse onafhankelijke mensenrechtencommissie (AIHCR) niet in rechte kan optreden en niet het recht heeft om schendingen van de mensenrechten voor de rechtbank te brengen; is van mening dat de politieke neutraliteit van de strijdkrachten, de politie en de inlichtingendiensten en de onderwerping daarvan aan civiele controle dienen te worden gegarandeerd, evenals de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de overheidsdiensten; wenst dat er aan deze schendingen een einde zal komen wanneer de grondwet in de toekomst zal worden toegepast;
9. is ingenomen met de ratificatie van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen door het Afghaanse Overgangsbestuur op 5 maart 2003; verzoekt het Afghaanse Overgangsbestuur om regelmatig, in het openbaar en in onomwonden termen geweld tegen vrouwen en meisjes te veroordelen, ook wanneer dit binnen de familiekring plaatsvindt; onderstreept dat dringend maatregelen nodig zijn om de rechten van vrouwen te beschermen en dat die in wetsherzieningen en politieke hervormingen dienen te worden opgenomen en vooral ook middelen van verhaal, die het vrouwen mogelijk maken om uit situaties van seksueel misbruik of een gedwongen huwelijk te ontsnappen; verzoekt het Afghaanse Overgangsbestuur om het initiatief te nemen tot een proces van openbare raadpleging dat moet uitmonden in een alomvattende strategie, waarmee het land zich tot prioriteit stelt een oplossing te vinden voor het probleem van het geweld tegen vrouwen en meisjes, en verzoekt de Raad en de Commissie om actieve steun te verlenen aan een dergelijk initiatief; verzoekt de Commissie in dat verband met klem geld ter beschikking te stellen om maatregelen te nemen en uit te voeren om het vermogen van het land om de rechten van vrouwen en meisjes te beschermen te versterken;
10. meent dat de politieke wederopbouw een belangrijk onderdeel van de algemene inspanningen op het gebied van wederopbouw is, en dat die ook de versterking van de democratische instellingen en krachten moet omvatten; onderstreept dat de politieke partijen die opkomen voor democratie en mensenrechten de basis voor het politieke proces dienen te vormen; maakt zich zorgen over de aanhoudende vertraging bij de registratie van politieke partijen; spoort president Karzai ertoe aan werk te maken van zijn initiatief om een "gematigd kamp voor een hervormingsagenda" tot stand te brengen om het vredesproces te ondersteunen;
11. geeft uitdrukking aan zijn verontrusting over ernstige tekortkomingen in de grondwet, zoals:
-
het ontbreken van een scheiding der machten, welke tot uitdrukking komt in het feit dat alle macht geconcentreerd is bij de president, terwijl de wetgevende macht over te geringe bevoegdheden beschikt;
-
de grote rol van de islam, en met name het feit dat religieuze autoriteiten het recht zullen hebben om toezicht uit te oefenen op het onderwijs en te beslissen hoe de onderwijsmiddelen zullen worden besteed (art. 17, 45 en 54) en het feit dat het recht op vrije meningsuiting en politieke organisatie kan worden ingeperkt met een beroep op de islam (art. 3 en 34);
-
de povere rechten van vrouwen en minderheidsgroeperingen, die tot uitdrukking komen in het feit dat de staat geen duidelijke wettelijke verplichting heeft om discriminatie te bestrijden;
12. vestigt de aandacht op het feit dat identificatie op grond van etnische groepering een centrale rol speelt in het hedendaagse politieke leven in Afghanistan; maakt zich daarom zorgen over het feit dat vertegenwoordiging van de etnische groeperingen en een substantiële machtsdeling in de politieke en veiligheidsbeleidsorganen op dit moment onvoldoende uit de verf komen; is ervan overtuigd dat Afghanistan behoefte heeft aan een parlementair systeem dat kan garanderen dat de regionale, etnische en godsdienstige verscheidenheid van het land in de machtsstructuren tot uitdrukking komt;
13. wijst erop dat in de ontwerpgrondwet geen aandacht wordt geschonken aan de toekomstige betrekkingen tussen de centrale regering en de provincies; is ervan overtuigd dat iedere poging om een centraal gezag op te leggen aan een in etnisch, regionaal en religieus opzicht zo verscheidene bevolking alleen maar tot een verscherping van de interne scheidslijnen zou leiden; dringt er daarom op aan dat in de grondwet moet worden voorzien in representatieve provinciale regeringen, wier verantwoordingsplicht tegenover de centrale regering duidelijk zou moeten worden vastgelegd;
14. maakt zich zorgen over de onophoudelijke dreiging voor de wederopbouw en hervorming van het land die uitgaat van de plaatselijke commandanten of krijgsheren;
15. is van oordeel dat het, wil men dat Afghanistan zich zal kunnen ontwikkelen tot een goed functionerende democratie, absoluut noodzakelijk is dat zoveel mogelijk mensen deelnemen aan het politieke proces; is van mening dat op grond van de traditionele opvattingen over de rol van de vrouw in de Afghaanse samenleving in de allereerste plaats hun deelneming aan dit proces moet worden gegarandeerd, gesteund en versterkt; doet daarom een beroep op alle politieke krachten in Afghanistan om de rol van de vrouw te erkennen, in het bijzonder door invoering van specifieke programma's die vrouwen stimuleren om deel te nemen aan het politieke leven, zowel in hun rol van kiezers als van kandidaten op alle niveaus;
16. wenst dat de nieuwe grondwet volledige garanties bevat inzake de rechten van vrouwen; verzoekt het Afghaanse Overgangsbestuur zo spoedig mogelijk maatregelen te nemen die het vrouwen mogelijk maakt zich vrij te bewegen, vormen en symbolen van hun onderdrukking terug te dringen, zich te ontwikkelen, voor hun gezondheid te zorgen en te werken, en verzoekt het Overgangsbestuur zijn goedkeuring te geven aan wettelijke voorschriften waarin de gelijkheid van mannen en vrouwen op alle gebieden wordt erkend;
17. dringt er met klem op aan dat iedereen die misdaden tegen de menselijkheid heeft begaan in Afghanistan, in het bijzonder tegen vrouwen, wordt berecht;
18. verzoekt de Raad en de Commissie om met spoed aan het Afghaanse Overgangsbestuur steun te verlenen bij de oprichting van een het gehele land omspannend systeem van veilige toevluchtshuizen en ondersteunende diensten, en ook bij de invoering van rechtshulp om het getraumatiseerde vrouwen en meisjes mogelijk te maken aan geweld en repressie te ontsnappen;
19. is ingenomen met het feit dat president Karzai op 12 oktober 2003 de wet op de politieke partijen heeft ondertekend; is ook ingenomen met de bepaling dat een partij geen gewapende arm mag hebben; acht het belangrijk dat de bepaling dat politieke partijen geen buitenlandse financiering mogen krijgen niet belet dat de internationale gemeenschap in het algemeen en de EU in het bijzonder steun verlenen voor de ontwikkeling van een pluralistisch partijstelsel; wijst erop dat, hoewel de VN ongetwijfeld een hoofdrol zal spelen in de logistieke voorbereiding van de verkiezingen, de EU-steun voor de civiele samenleving een potentiële vector kan zijn om de educatie van burgers te helpen bevorderen, rekening houdend met de bijzondere situatie en behoeften van vrouwen; herinnert aan en spreekt zijn steun uit voor het voorstel van de Commissie om een EU-waarnemersmissie naar de verkiezingen in Afghanistan te sturen;
20. is ingenomen met het optreden van de delegatie van de Commissie in Kabul en moedigt deze aan haar activiteiten voort te zetten, vooral bij het ondersteunen van de opstelling van een kiezersregister met het oog op de komende verkiezingen; is eveneens ingenomen met het optreden van de speciale afgezant van de EU voor Afghanistan, de heer Francesc Vendrell;
21. onderstreept dat het dringend noodzakelijk is vooruitgang te boeken bij de demilitarisering van Kabul, in overeenstemming met de bepalingen van de Overeenkomst van Bonn; is er voorts van overtuigd dat geleidelijk ook alle andere provincies moeten worden gedemilitariseerd; is in dat verband ingenomen met de huidige inspanningen van ISAF en de internationale gemeenschap om de zware wapens uit Kabul weg te halen;
22. meent dat het Afghaanse Nieuwe Begin-programma (Afghanistan New Beginnings Program (ANBP) Aghaz Nau), een initiatief van de Verenigde Naties dat pas zeer onlangs in Kunduz en Gardez van start ging, een eerste stap is in het DDR-proces, dat duidelijk dient te worden bespoedigd en spoedig meer moet worden dan een reeks louter symbolische handelingen; verzoekt de Commissie en de Raad, via de speciale afgezant van de EU voor Afghanistan het scheppen van banen voor de gedemobiliseerde strijders aan te wijzen en te ondersteunen als onderdeel van regionale ontwikkelingsstrategieën op lange termijn; dringt er bij de Verenigde Naties op aan ervoor te zorgen dat dit programma niet wordt ingepalmd door een van de Afghaanse facties en haar strijdmacht;
23. vestigt de aandacht op het feit dat het bedrag dat de internationale donorengemeenschap voor steun voor de wederopbouw in de volgende vier jaar heeft toegezegd, veel kleiner is dan nodig, en dat internationale donoren in sommige gevallen minder hebben gegeven dan ze hadden beloofd; meent dat het feit dat op de EU-begroting 2004 (in vergelijking met 2003) voor Afghanistan een kleiner bedrag wordt uitgetrokken, een verkeerd signaal is voor de Afghaanse regering en bevolking; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten meer middelen toe te wijzen voor de recurrente begroting van het Afghaanse Overgangsbestuur omdat dit van het grootste belang is voor de vestiging van het gezag van het Afghaanse Overgangsbestuur als nationaal bestuursorgaan;
24. verzoekt de Commissie rekening te houden met het feit dat dringend op efficiënte en onbureaucratische wijze financiële steun moet worden verleend voor de civiele en economische rehabilitatie van Afghanistan, en meent dat de door het gebruik van het snellereactiemechanisme opgedane ervaring verder moet worden ontwikkeld; onderstreept het belang van transparantie bij de uitbetaling van de middelen en van een betere zichtbaarheid van de EU-steun in het land; verzoekt in dit verband de Commissie om de oprichting in overweging te nemen van een Europees Agentschap voor de Wederopbouw in Afghanistan, naar analogie van het agentschap dat in Kosovo is opgericht;
25. moedigt het Afghaanse Overgangsbestuur aan om krachtige en doeltreffende maatregelen te nemen tegen corruptie en verduistering om eventueel misbruik van internationale gelden te voorkomen en aldus te beletten dat de bevolking haar vertrouwen in het vredesproces en de wederopbouw verliest;
26. acht het onontbeerlijk meer financiële steun te verlenen voor de registratie en educatie van de kiezers om de verkiezingen niet nog langer te moeten uitstellen; onderstreept dat het voor de EU van het grootste belang is financieel bij te dragen aan de voorbereidende werkzaamheden die nu eindelijk aan de gang zijn, en verzoekt de Commissie verder nadruk te blijven leggen op en steun te verlenen voor programma's op de volgende gebieden :
—
Media
-
verbetering van de toegang tot informatie voor minderheden, met inbegrip van in eigen land ontheemde mensen,
-
de ontwikkeling van pluralistische media,
-
opleiding van journalisten van radio en schrijvende pers,
-
ondersteuning van de propagandacampagnes van de politieke partijen.
—
Informatiecampagnes voor het publiek
—
Burgerparticipatie
-
opleiding van opleiders op het gebied van actieve democratie, rechtsstaat en verdediging in rechte
-
debatten in politieke partijen en NGO's;
27. meent dat grotere inspanningen nodig zijn om lokale geschillen over land en water, maar ook etnische en familiegeschillen, aan te pakken omdat die bijdragen aan een sfeer van onzekerheid doordat een functionerend rechtsstelsel en een professioneel opgeleide politiemacht ontbreken; meent dat de verzoening tussen de gemeenschappen een onderdeel moet zijn van elke strategie op weg naar een vreedzamere toekomst; verzoekt de Raad en de Commissie daarom:
-
meer middelen beschikbaar te stellen voor specifiek op verzoening gerichte programma's en bredere programma's om met de gemeenschappen aan sociale ontwikkeling te werken;
-
verder steun te verlenen voor vredeseducatie door de NGO's en voor de ontwikkeling van educatief materiaal;
-
NGO-initiatieven te ondersteunen die erop gericht zijn de traditionele systemen inclusiever en democratischer te maken;
-
NGO-initiatieven te ondersteunen die erop gericht zijn de lokale capaciteiten te ontwikkelen en te ondersteunen (door bijvoorbeeld opleiding en inschakeling van lokaal personeel en de plaatselijke verwerving van geneesmiddelen en voertuigen);
-
steun te verlenen voor de ontwikkeling van een doeltreffende en realistische nationale onderwijsstrategie voor jongens en meisjes;
-
steun te verlenen aan de restauratie en het terugvinden van objecten uit het Nationaal Museum van Afghanistan te Kabul als verenigend symbool van nationale trots voor het Afghaanse volk;
28. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de recente scherpe stijging van de illegale opiumproductie in Afghanistan waardoor de macht en de invloed van de krijgsheren in de betrokken provincies wordt versterkt en het land op een kruispunt terecht dreigt te komen waar het de weg van een opiumeconomie kan inslaan als door de Afghaanse regering, de getroffen landen en de internationale gemeenschap geen krachtige maatregelen worden genomen; is ingenomen met de conclusies van de ministerconferentie over drugsroutes van Centraal-Azië naar Europa van mei 2003 in Parijs, waar landen die met drugs uit Afghanistan te maken hebben, ertoe werden aangespoord nationale strategieën vast te stellen om het aanbod en de vraag te doen dalen en om één enkel leidinggevend orgaan in te stellen om de nationale beleidsmaatregelen te coördineren, maar onderstreept nogmaals dat prioriteit moet worden gegeven aan het herstel van de irrigatiekanalen, omdat dit het enige middel is om een herstel te bewerkstelligen van culturen die een alternatief vormen voor de papaverteelt; vindt dat in overweging moet worden genomen om de gehele opiumoogst op te kopen en te vernietigen met gebruikmaking van fondsen van internationale donors en de middelen die als gevolg van deze actie bespaard kunnen worden op het niveau van de internationale agentschappen ter bestrijding van de drughandel;
29. herinnert eraan dat het Parlement voor 2004 een bedrag van 15 miljoen EUR voor de wederopbouw in de reserve heeft geplaatst in afwachting van een alomvattend programma van de Commissie voor drugsbestrijding en stimulering van levensvatbare alternatieve gewassen teneinde nieuwe mogelijkheden voor de boeren te creëren en de uitvoer van drugs te voorkomen;
30. vraagt de Commissie dat zij een kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie presenteert van de resultaten van de programma's en de communautaire steun die reeds op het terrein worden toegepast, met name voor wat betreft de verbetering van de levensvoorwaarden en de situatie van de Afghaanse vrouwen;
31. onderstreept dat de veilige en vrijwillige terugkeer van de Afghaanse vluchtelingen en ontheemden naar hun woonplaatsen voor Afghanistan en zijn buurlanden een hoge prioriteit moet zijn, en vraagt adequate middelen en een volgehouden inspanning van de internationale gemeenschap in het algemeen en de EU in het bijzonder; is ervan overtuigd dat een gefaseerde en gecoördineerde inspanning nodig is die afgestemd is op het vermogen van de ontvangende gemeenschappen en doelgroepen om die middelen op te nemen; verneemt echter met verbijstering dat het Bureau van de Hoge VN-commissaris voor vluchtelingen (UNHCR) zijn vrijwillige repatriëringscentra voor Afghanen in Pakistan, als rechtstreeks gevolg van de almaar slechtere veiligheidssituatie aldaar, tijdelijk heeft gesloten;
32. verzoekt de Verenigde Naties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis en het Afghaanse Overgangsbestuur een onderzoek in te stellen naar de massamoord op gedetineerden in de streek van Shebergan in november 2001 en potentiële getuigen de nodige bescherming te bieden;
33. verzoekt de Verenigde Naties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis en het Afghaanse Overgangsbestuur een onderzoek in te stellen naar alle gevallen van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en genocide die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden;
34. vraagt duidelijkheid inzake de toekomst van Afghanistan in het regionale energiebeleid, en in het bijzonder inzake de aanleg van olie- en gaspijpleidingen vanuit Centraal-Azië door Afghanistan;
35. verzoekt de EU met de Verenigde Staten het probleem aan te snijden van de toekenning aan alle gedetineerden, in het bijzonder die in Guantanamo en Bagram, van de rechten die uit het Verdrag van Genève voortvloeien; verzoekt de Verenigde Naties en het Afghaanse Overgangsbestuur die rechten te verlenen aan alle gevangenen die tijdens de strijd tegen de Taliban gevangen werden genomen, en de gedetineerden in Afghanistan onder de controle van het Afghaanse Overgangsbestuur te plaatsen;
36. meent dat stabiliteit en vergaande democratisering van de hele regio voorwaarden zijn voor het bereiken van politieke normalisering in Afghanistan en geeft in dit verband uiting aan zijn bezorgdheid over de rol van buurland Pakistan en de ontoereikende pogingen van de Pakistaanse regering om constructief bij te dragen aan vrede en wederopbouw in Afghanistan;
37. acht het van het allergrootste belang dat de nabuurlanden, en met name Pakistan en India, de territoriale onschendbaarheid van Afghanistan erkennen, zich onthouden van inmenging in de interne aangelegenheden van dit land en een eind maken aan alle, openlijke of verborgen, steun aan de een of andere politieke of gewapende factie in Afghanistan; dringt er met name bij Pakistan op aan om onmiddellijke en effectieve maatregelen te nemen om te verhinderen dat tegen de regering agerende Afghaanse politieke en militaire formaties en leiders het Pakistaanse grondgebied gebruiken als toevluchtsoord en uitgangsbasis voor operaties tegen de Afghaanse regering en de coalitiestrijdkrachten en tegen internationale en lokale ontwikkelingshulpwerkers;
38. is er verheugd over dat wordt nagedacht over voortzetting van het Petersberg-proces nadat de verkiezingen zijn gehouden en over de daarmee verband houdende plannen van de internationale gemeenschap in de loop van 2004 een verdere Afghanistan-conferentie te houden; is ervan overtuigd dat de tot dusverre parallel lopende processen tot behoud van de vrede en economische wederopbouw nauwer moeten worden gecoördineerd; dringt daarbij aan op vaststelling van een meerjarig kaderprogramma om de verbintenis van de internationale gemeenschap te zorgen voor veiligheid, democratisering en wederopbouw in Afghanistan vast te leggen; acht het daarbij absoluut noodzakelijk een concreet programma en een tijdschema voor een doeltreffende en uitgebreide ontwapening uit te werken en dit van de noodzakelijk financiële middelen te voorzien;
39. spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de verslechterende veiligheidssituatie in het zuiden en zuidoosten van het land, met name in de provincies Gardez, Paktia en Paktika, waardoor niet alleen het leven van de plaatselijke burgerbevolking bedreigd wordt, maar ook de wederopbouw en de humanitaire hulp in gevaar worden gebracht; is bezorgd over de mogelijkheid dat deze situatie nog verder zal verslechteren, waardoor het welslagen van het thans in gang gezette proces van opstelling van een nieuwe grondwet en voorbereiding van verkiezingen in gevaar zou worden gebracht; onderstreept de noodzaak dat de internationale troepen en het nieuwe Afghaanse Nationale Leger de veiligheid in deze gebieden verzekeren;
40. komt tot de conclusie dat Afghanistan niet opnieuw door de rest van de wereld mag worden vergeten, zowel uit humanitair oogpunt als wegens zijn geostrategisch belang en in het licht van de lessen die de geschiedenis ons heeft geleerd;
41. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.