Resolutie van het Europees Parlement over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk (2004/2205(INI))
Het Europees Parlement,
– gezien de Mededeling van de Commissie over de toepassing van de bepalingen van de volgende richtlijnen inzake veiligheid en gezondheid op het werk: 89/391/EEG (kaderrichtlijn), 89/654/EEG (arbeidsplaatsen), 89/655/EEG (arbeidsmiddelen), 89/656/EEG (persoonlijke beschermingsmiddelen), 90/269/EEG (manueel hanteren van lasten) en 90/270/EEG (beeldschermapparatuur) (COM(2004)0062),
– gezien het werkdocument van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 91/383/EEG ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeid-betrekkingen (SEC(2004)0635),
– gezien het "27-ste jaarlijkse activiteitenverslag van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats 2002" van de Commissie (COM(2004)0539),
– gezien de Mededeling van de Commissie "Zich aanpassen aan de veranderingen in werk en samenleving: een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006" (COM(2002)0118),
– gelet op artikel 112, lid 2, en artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0029/2005),
A. overwegende dat artikel 31, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1) bepaalt dat 'iedere werknemer recht heeft op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden',
B. overwegende dat de Europese Gemeenschap zich in artikel 137, lid 1, onder a), van het EG-Verdrag tot doel heeft gesteld het optreden van de lidstaten op het gebied van de verbetering van met name het arbeidsmilieu te ondersteunen en aan te vullen, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen,
C. overwegende dat artikel 152, lid 1, van het EG-Verdrag bepaalt dat 'bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd',
D. overwegende dat gezondheid en veiligheid op het werk, dat als een aparte kerndoelstelling moet worden gezien, één van de belangrijkste beleidssectoren van de EU is; overwegende dat een veilige en gezonde arbeidsomgeving en arbeidsorganisatie tot de prestatiefactoren van de economie en de samenleving behoren,
E. overwegende dat de Europese arbeidsmarkt en bevolking in vele opzichten zijn veranderd - uitbreiding van de Europese Unie, betere mogelijkheden voor vrij verkeer van ondernemingen en werknemers, flexibele arbeidstijden inclusief deeltijdwerk, fragmentatie van arbeidsmarkten, onderaanneming, tijdelijk en contractarbeid, vergrijzing en inkrimping van de bevolking - en dat dit grote uitdagingen zijn bij het verwezenlijken van de doelstellingvan een economie die meer en betere banen creëert,
F. overwegende het belang van Gemeenschapsmaatregelen op het gebied van arbeidsmilieu in verband met verwezenlijking van het doel van de strategie van Lissabon meer en betere banen te scheppen; overwegende dat een beter arbeidsmilieu niet alleen betere voorwaarden schept voor de Europese werknemers, maar bovendien de productiviteit en de groei in Europa bevordert,
G. overwegende dat de communautaire richtlijnen op de gebieden veiligheid en gezondheidsbescherming niet gelden voor huishoudelijk personeel, dat meestal van het vrouwelijk geslacht is,
H. overwegende dat drie lidstaten van de oorspronkelijke EU-15, ondanks herhaaldelijke oproepen van de Commissie om zulks te doen, verzuimd hebben een nationaal verslag over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 91/383/EEG(2) in te dienen,
1. is verheugd met de door de Commissie gemaakte analyse van de toepassing van gezondheids- en veiligheidswetgeving en met haar beoordeling van de wijze waarop de richtlijnen op de arbeidsplaats worden toegepast en ziet uit naar de evaluatie door de Commissie van de toepassing van de overblijvende bijzondere richtlijnen; wijst op de daling van het aantal arbeidsongevallen, dat een positief resultaat van die toepassing is, en wijst erop dat maatregelen voor gezondheidsbescherming en veiligheid op het werk tot betere arbeidsomstandigheden bijdragen en de productiviteit, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid ten goede komen; betreurt evenwel de late publicatie van het document van de Commissie, aangezien de nationale toepassingsverslagen al in 1997 ingediend moesten zijn; dringt er voorts op aan dat in evaluatieverslagen voortaan nauwkeuriger wordt beoordeeld of de wetgeving inzake gezondheid en veiligheid in de lidstaten werkelijk wordt nageleefd;
2. spreekt zijn waardering uit voor de algemene conclusies van de Commissie, maar is van mening dat er voor de toekomstige strategie van de Gemeenschap inzake de veiligheid en de gezondheid behoefte bestaat aan meer gerichte en systematische oriëntaties; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband te bezien of het mogelijk is de kaderrichtlijn zodanig uit te breiden dat hieronder eveneens buitengesloten groepen vallen zoals zelfstandigen; wijst voorts op de noodzaak bijzondere aandacht te schenken aan de situatie in bepaalde sectoren zoals bouw, visserij en landbouw, alsmede de gezondheidszorg; verzoekt de Commissie voorts onverwijld de tenuitvoerlegging te evalueren van de nieuwe strategie van de Gemeenschap voor het arbeidsmilieu voor de periode 2002-2006;
3. verwelkomt het plan van de Commissie om een studie te laten uitvoeren voor het analyseren en beoordelen van de toepassing van richtlijn 91/383/EEG; steunt het voorstel van de Commissie om één enkel verslag te presenteren over de toepassing van alle 25 richtlijnen in alle 25 lidstaten; roept de Commissie op tot actieve bevordering van harmonisatie en een grotere vergelijkbaarheid van de nationale gegevensverzamelingssystemen, mede met het oog op het verbeteren van het bijeenbrengen van gegevens over een goede risicobeoordeling en -beheersing en over de invloed van 'outsourcing', onderaanneming en atypisch werk ('contingent employment');
4. acht het van fundamenteel belang het systeem voor arbeidsongevallenregistratie te verbeteren, aangezien het ontbreken van betrouwbare, gedeelde statistische gegevens de totstandkoming en adequate tenuitvoerlegging van communautair beleid terzake bemoeilijkt, zeker nu 10 nieuwe lidstaten zijn toegetreden;
5. is van mening dat het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats volledig moet worden betrokken bij de onderhandelingen over en de voorbereidingen van het enig verslag, alsook van de samenstellende verslagen, en dat de nationale verslagen tot stand moeten komen op basis van tripartiete overleg, hetgeen nu niet altijd het geval is;
6. onderstreept de uitermate belangrijke rol van de sociale partners, die krachtens nationale en Europese wetgeving bevoegd en gehouden zijn aan de sociale dialoog deel te nemen; wijst op het belang van versterking van de cultuur van preventie door middel van bevordering van de opname van beroepsgezondheids- en veiligheidsaspecten in basisonderwijs, stageprogramma's en na- en bijscholing; verzoekt de Commissie voorts te werken aan bevordering van de sociale dialoog over gezondheid en veiligheid, en roept de lidstaten op tot bevordering van de maatschappelijke dialoog op de werkplek over het arbeidsmilieu;
7. wijst erop dat Richtlijn 89/391/EEG(3) meer kansen creëert voor de gelijke participatie van werknemers en werkgevers in de ontwikkeling van de strategie voor de preventie en de voortdurende verbetering van de veiligheids- en gezondheidsvoorwaarden; wijst met klem op de noodzaak van een betere vertegenwoordiging van vrouwen in de besturen van vakbonden en werkgeversorganisaties, teneinde ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met hun noden inzake gezondheid en veiligheid, en teneinde te komen tot passende maatregelen voor het verbeteren van de gezondheids- en veiligheidssituatie;
8. wijst op het feit dat volgens recent onderzoek ongeveer 50% van de werknemers in de EU geen toegang heeft tot preventieve diensten, dat de meeste van de bestaande diensten niet multidisciplinair zijn en geen goede afspiegeling zijn van de hiërarchie van preventieve maatregelen in de kaderrichtlijn; roept de Commissie op nauwkeuriger te kijken naar de preventieve systemen in de lidstaten en samen met de bevoegde nationale autoriteiten voorstellen in te dienen voor coherente nationale preventiemaatregelen gebaseerd op een EU-strategie, met prioritaire aandacht voor informatieverschaffing aan werkenden;
9. spoort de lidstaten aan tot het nemen van concrete maatregelen voor het vergroten van de toepassing van de relevante richtlijnen in het MKB en de overheidssector, herbevestigt zijn resolutie van 23 oktober 2002(4), waarin het zijn steun uitspreekt voor de ontwikkeling van richtsnoeren betreffende de toepassing van bestaande richtlijnen - in combinatie met beter opleidingsmateriaal en voorlichting, met name voor het MKB, hoogrisicobedrijfstakken en -situaties met specifieke, aanhoudende en steeds terugkerende risico's; is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd om onderwerpen in verband met de risicopreventie in de opleidingsprogramma's voor het MKB op te nemen; roept de Commissie en de lidstaten op rekening te houden met gender, leeftijd en culturele factoren, wetgeving op een uniforme, efficiënte en equivalente wijze te handhaven en in het bijzonder oog te hebben voor discriminatie op grond van gender, ras of etnische herkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;
10. wijst erop dat de informatie aan het MKB, met name met betrekking tot Richtlijn 89/391/EEG, tekortschiet en verbeterd dient te worden;
11. is van mening dat financiering door de EU van programma's voor de verbetering van de bescherming, informatie en participatie, betrokkenheid bij de maatschappelijke dialoog inzake veiligheid en gezondheid op het werk, enz. van werknemers in het algemeen, en in en voor het MKB in het bijzonder, georganiseerd moet zijn op basis van eenvoudiger procedures, en dat adequate financiering in begrotingsplannen voor dergelijke programma's en projecten op tijd moet worden toegewezen;
12. spoort de lidstaten aan het aantal, de opleiding en de bevoegdheden van arbeidsinspecteurs te verbeteren en te verruimen, en hun opleiding en de kwalificaties te verbreden en uit te breiden; nodigt de Commissie uit de werkzaamheden van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie te bevorderen; is niettemin van oordeel dat arbeidsrisicopreventie niet gebaseerd moet zijn op de rol van de arbeidsinspecteurs, maar ook op samenwerking tussen de sociale actoren, met name ondernemers en werknemers, op de arbeidsplaats;
13. wijst erop dat ondanks een groot aantal succesvolle inbreukprocedures toch nog onvolkomenheden bestaan in een aantal lidstaten (bijv. betreffende de definitie van de bekwaamheden en kennis van het personeel van preventiediensten, de definitie van de veiligheidsverplichtingen van de werkgever en van de werknemers, de omzetting van verschillende richtlijnen); roept de Commissie op door te gaan met het aanhangig maken van inbreukprocedures tegen lidstaten die in gebreke blijven;
14. beklemtoont het cruciale belang van mainstreaming, d.w.z. integratie van de genderproblematiek in de activiteiten en analyses op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, en wijst erop dat in de communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie wordt aangedrongen op integratie van de genderdimensie in het beleid inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk; spoort de lidstaten aan deze dimensie systematisch en doeltreffend te verwezenlijken en te bevorderen;
15. beklemtoont dat de discriminatie waar vrouwen op de arbeidsmarkt en in het arbeidsmilieu mee te maken hebben, van invloed is op hun veiligheid en gezondheid; roept de lidstaten op uitvoering te geven aan Richtlijn 2002/73/EG(5), die betrekking heeft op het elimineren van discriminatie en met name seksuele intimidatie, alsook andere vormen van discriminatie die verband houden met zwangerschap of moederschap; roept de Commissie op om, zodra de richtlijn in nationaal recht is omgezet, een kwaliteits- en vergelijkende beoordeling te maken van de aldus vastgestelde wettelijke bepalingen en de uitwisseling en verspreiding van goede praktijken te bevorderen;
16. roept de Commissie op de specifieke genderproblemen waar vrouwen en mannen mee te kampen hebben, in haar actieprogramma op te nemen en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan:
i)
zorg voor en toezicht op specifieke gezondheids- en veiligheidsproblemen;
ii)
arbeidsgerelateerde risico's en psychologische langetermijnziekten (zoals burn out en depressies) die het gevolg zijn van de dubbele belasting waar mannen en vrouwen mee te maken hebben die proberen een baan en werkzaamheden thuis te combineren, en van de enorme druk op de arbeidsmarkt;
iii)
stress en geweld, mobbing en intimidatie op het werk;
iv)
de tekortschietende aandacht van kwalitatief hoogwaardige preventiediensten voor al deze problemen;
v)
ergonomisch ongezonde arbeidsomstandigheden;
17. wijst op de noodzaak van diepgaander onderzoek naar en betere preventie van beroepsziekten en hierbij naar behoren aandacht te besteden aan psycho-sociale aandoeningen, zonder zich echter uitsluitend hiertoe te beperken;
18. wijst erop dat de communautaire richtlijnen inzake de veiligheid en gezondheid op het werk geen betrekking hebben op huishoudelijke arbeid en de arbeid van meehelpende echtelieden in familiebedrijven, met name in de handel, de sector ambachten en de landbouw; verzoekt de Commissie initiatieven te ontplooien voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van alle werkenden, in het bijzonder door eindelijk voorstellen te doen voor de wijzigingen aan Richtlijn 86/613/EEG(6), waarom het Parlement in zijn resoluties van 21 februari 1997(7) en van 3 juni 2003(8) had gevraagd;
19. maakt zich ernstig zorgen over het buitensporig hoge aantal ongevallen onder werknemers met uitzend- en kortetermijncontracten, dat in enkele lidstaten ten minste twee keer zo hoog is als dat onder werknemers in vaste dienst; wijst erop dat Richtlijn 91/383/EEG als algemene regel bepaalt dat uitzendkrachten dezelfde rechten inzake veiligheid op het werk hebben als andere werknemers, maar dat de richtlijn geen specifieke mechanismen bevat voor de toepassing van dit beginsel in de praktijk; roept de Commissie op hier onverwijld iets aan te doen; verzoekt de regeringen van de lidstaten onverwijld tot overeenstemming te komen over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende tijdelijk personeel;
20. wijst erop dat volgens de meest recente gegevens(9) het aantal ongelukken in sectoren waarin voornamelijk vrouwen werkzaam zijn (licht) stijgt; roept de Commissie en de lidstaten op nieuwe maatregelen te nemen met betrekking tot de specifieke problemen waar vrouwen op hun werk mee worden geconfronteerd; roept de lidstaten op de beroepsgevaren voor vrouwen op te nemen in de indicatoren voor het toezicht op de veiligheid en gezondheid op het werk (nationale meldingen van ongevallen, desbetreffende onderzoeken en studies);
21. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de noodzakelijke specifieke preventieve maatregelen treffen om werknemers in de gezondheidszorg, vanwege het risico van besmetting met potentieel dodelijke ziekteverwekkers in bloed (groep 3 biologische agentia), te beschermen tegen verwondingen veroorzaakt door naalden en andere scherpe medische instrumenten; wijst erop dat hiertoe dienen te behoren passende opleidingen, veilige arbeidspraktijken en medische technologie, inclusief beschermingsmaatregelen tegen scherpe voorwerpen, en dat de richtsnoeren van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (FACTS 29, ISSN 1681-2123) moeten worden gebruikt om het minimumbeschermingsniveau vast te stellen; is desalniettemin van mening dat Richtlijn 2000/54/EG(10) nader moet worden bekeken om in concreto rekening te houden met het risico van het werken met naalden en andere scherpe medische instrumenten;
22. roept de Commissie op de gevaren voor de gezondheid bij de zogenaamde atypische arbeidsovereenkomsten door middel van geëigende maatregelen te verminderen;
23. beklemtoont het belang en de dimensie van de recente uitbreiding en maakt zich ernstige zorgen over het soms lage niveau van toepassing in de nieuwe lidstaten, en wijst erop dat de nieuwe lidstaten over zeer weinig tijd beschikten voor de omzetting en toepassing in de praktijk van wetgeving, terwijl ze gelijktijdig geconfronteerd werden met problemen op het gebied van economische en sociale herstructurering; is van mening dat werknemers in de hele EU ten minste het in de richtlijn vastgestelde beschermingsniveau moeten genieten;
24. wijst erop dat een hoog niveau van bescherming van werkenden zal resulteren in een concurrentienadeel voor de oude lidstaten binnen de Gemeenschap, tenzij erop wordt toegezien dat het acquis communautaire in de nieuwe lidstaten volledig wordt toegepast en de richtlijnen inzake gezondheidsbescherming in de praktijk worden geïmplementeerd;
25. roept de Commissie en de Raad op om, in eerste instantie door middel van het uitwisselen van beproefde procedures en meer samenwerking in alle 25 lidstaten, te hameren op de volledige omzetting van het communautair acquis en, indien nodig, de noodzakelijke maatregelen voor de concrete toepassing te nemen, praktische bijstand te verlenen aan alle lidstaten die de normen niet halen, met name de nieuwe lidstaten, door te voorzien in voldoende middelen, uitwisseling van goede praktijken en ervaring, en door middel van nauwere samenwerking; verzoekt de Commissie in dit verband om, in samenwerking met het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats na te gaan of een afzonderlijke open coördinatiemethode kan worden ingevoerd voor gezondheid en veiligheid op het werk;
26. spoort de Commissie aan onverwijld een actieplan te presenteren met een overzicht van de maatregelen die genomen moeten worden voor het aanpakken van ten minste de problemen die zij in haar eigen analyse schetst, en bij wijze van follow-up zo snel mogelijk een middellange- en langetermijnstrategie te presenteren; verzoekt de Commissie voorts na te gaan of kan worden voorgesteld welzijn op de werkplek, waarvan deel moeten uitmaken alle vormen van risico's zoals spanning, pesterij, terreur en geweld algemeen beschikbaar te stellen; spreekt echter zijn waardering uit voor de initiatieven die de Commissie reeds heeft genomen in verband met seksuele intimidatie en spanning; verzoekt de sociale partners in de lidstaten onderling en op EU-niveau eigen strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van pesterij en geweld op de werkplek, en hierover ervaringen uit te wisselen op basis van het beginsel van de optimale werkmethoden;
27. verzoekt de Commissie om informatie over de actie die zij onderneemt ten aanzien van die lidstaten die verzuimd hebben tijdig de beloofde gegevens te overleggen;
28. geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid over de voorgestelde arbeidstijden en -dienstenrichtlijn, met name wat betreft de intensivering van werk en de mogelijkheden om dit te beperken, het gevaar van extreme flexibiliteit betreffende de arbeidstijd en van individuele opt-outs; spreekt zich uit tegen elke vorm van het herregulering op het gebied van gezondheid en veiligheid die niet zorgt voor een equivalent niveau van bescherming voor alle werknemers in de EU;
29. is verheugd over de inspanningen van de Commissie gericht op het presenteren van wetgevingsvoorstellen voor vereenvoudiging en rationalisering van bestaande richtlijnen op het gebied van gezondheidsbescherming, teneinde hun efficiëntie te vergroten en de kosten van implementatie voor het bedrijfsleven te reduceren;
30. verzoekt de werkgevers en de vakbonden, rekening houdende met hun dubbele verantwoordelijkheid ten opzichte van enerzijds de samenleving en anderzijds het eigen bedrijf, toe te zien op de juiste toepassing van de wetgeving ter bescherming van werkneemsters en hen in het bijzonder in de gelegenheid te stellen hun privé- en beroepsleven te combineren; verzoekt de sociale partners verder passende arbeidsomstandigheden en een passend arbeidsmilieu te creëren voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven;
31. acht het onaanvaardbaar dat drie landen de verplichting om verslag uit te brengen over de toepassing van de bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur niet zijn nagekomen;
32. ziet nog een aanzienlijke behoefte aan specifieke en betere informatie en richtsnoeren, alsook aan technische ondersteuning voor ondernemingen;
33. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.
Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeid-betrekkingen (PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19).
Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1).
Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 269 van 5.10.2002, blz. 15).
Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijnen de gezondheid en veiligheid op het werk (COM(2004)0062). Dit zien we in de textiel- en kledingindustrie, de handel, de reparatiesector, hotels en restaurants, alsmede in de financiële en administratieve sector.
Richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21).