Resolutie van het Europees Parlement over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (2004/2198(INI))
Het Europees Parlement,
– onder verwijzing naar zijn resoluties over vroegere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),
– gezien het jaarverslag van de Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en fraudebestrijding (COM(2004)0573), met inbegrip van de bijlagen (SEC(2004)1058 en SEC(2004)1059),
– gezien de mededeling van de Commissie "Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen - fraudebestrijding - Actieplan 2004-2005" (COM(2004)0544),
– gezien het activiteitenverslag van OLAFvoor het in juni 2004 afgelopen verslagjaar(1),
– gezien het activiteitenverslag van de Raad van toezicht van OLAF(2) voor de verslagperiode van juni 2003 tot juli 2004,
– gezien het jaarverslag van de Europese Rekenkamer over het begrotingsjaar 2003(3),
– gelet op artikel 276, lid 3 en artikel 280, lid 5 van het EG-Verdrag,
– gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0151/2005),
Omvang van de gemelde onregelmatigheden en fraudegevallen
1. stelt vast dat de lidstaten in 2003 op het gebied van eigen middelen, landbouwuitgaven en structurele beleidsmaatregelen onregelmatigheden en fraudegevallen voor een bedrag van in totaal 922 miljoen EUR hebben gemeld; de door de lidstaten naar Brussel gezonden cijfers kunnen als volgt worden uitgesplitst:
-
eigen middelen: 269, 9 miljoen EUR (2002: 341,9 miljoen EUR),
-
EOGFL-garantie: 169,7 miljoen EUR (2002: 198,1 miljoen EUR),
-
structurele beleidsmaatregelen: 482,2 miljoen EUR (2002: 614, 1 miljoen EUR);
2. stelt vast dat de gemelde schade in 2002 een totaalvolume van 1,15 miljard EUR had en daarmee groter was dan in 2003; herinnert eraan dat de betekenis van dergelijke schommelingen van het schadevolume tussen twee jaren niet overgewaardeerd mag worden en dat hierop een groot aantal factoren van invloed kan zijn;
3. onderstreept evenwel dat over een langere periode beschouwd het schadevolume bij het EOGFL duidelijk afneemt, terwijl de structuurfondsen een forse stijging te zien geven; zo bedroeg in 2000 het gemelde schadevolume bij het EOGFL nog 474,6 miljoen EUR, terwijl het cijfer bij de structuurfondsen in 2000 slechts 114,3 miljoen EUR was; inmiddels hebben beide sectoren qua relatieve betekenis bijna elkaars plaats in de fraudestatistiek ingenomen;
4. verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de systemen voor de controle op en het beheer van de structuurfondsen te verbeteren, teneinde te bereiken dat enerzijds het gevaar van fraude wezenlijk wordt verminderd en anderzijds de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1681/94(4) volledig worden uitgevoerd, vooral met betrekking tot de procedure voor tijdige, duidelijke en volledige kennisgevingen;
5. stelt vast dat OLAF in de verslagperiode 637 nieuwe gevallen heeft geregistreerd en dat de financiële consequenties van alle gevallen die op 30 juni 2004 nog voorwerp van lopend onderzoek waren, geraamd zijn op 1,37 miljard EUR;
6. stelt voorts vast dat de omvang van de schade als gevolg van alle gevallen ten aanzien waarvan OLAF aan het einde van de verslagperiode (juli 2003-juni 2004) vervolgmaatregelen heeft genomen, 1,76 miljard EUR bedroeg(5);
7. stelt vast dat aan het eind van de OLAF-verslagperiode 55 onderzoeken in de nieuwe lidstaten en toetredingslanden gaande waren, waarbij het vooral ging om de sectoren externe steun, sigaretten en landbouw; onderstreept in dit verband het nut van het coördinatiesysteem fraudebestrijding;
8. betreurt dat tot op heden de vergelijkbaarheid van de door de Commissie en OLAF ingediende verslagen te wensen overlaat, en is verheugd over de geplande harmonisatie van de verslagperioden;
Terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde middelen
9. herinnert eraan dat op het gebied van de eigen middelen, de landbouwuitgaven en de structurele beleidsmaatregelen in totaal 3 miljard EUR uit 2003 en voorgaande jaren moet worden teruggevorderd(6);
10. pleit voor een vereenvoudiging van de definities van soorten fraude en opsporingsmethoden; verzoekt de Commissie en OLAF een zodanige verdeling van de taken in de landbouwsector overeen te komen dat OLAF voortaan verantwoordelijk is voor het onderzoek en het directoraat-generaal landbouw en plattelandsontwikkeling (DG AGRI) voor terugvorderingen;
11. wijst eveneens op het speciale verslag nr. 3/2004 van de Europese Rekenkamer over de terugvordering van onregelmatige betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(7): tussen 1971 en september 2004 zijn in deze sector onregelmatigheden voor een bedrag van 3,1 miljard EUR gemeld; 626 miljoen EUR (20,2%) is teruggevorderd van de ontvangers, 156 miljoen EUR (5%) kwam ten laste van het EOGFL en 144 miljoen EUR (4,6%) ten laste van de lidstaten; hieruit volgt dat nog 2,2 miljard EUR (70%) teruggevorderd zou moeten worden;
12. onderstreept dat in de eerste plaats de lidstaten verantwoordelijk zijn voor een snelle en efficiënte terugvordering van verloren gegane begrotingsmiddelen; betreurt het dat de lidstaten zich tot op heden niet genoeg van deze verantwoordelijkheid hebben gekweten en met name hun verplichtingen inzake verslaglegging jegens de Commissie slechts onvolledig nakomen;
13. is verheugd over het werk van de task force "terugvordering", die zich bezighoudt met de uitstaande bedragen in de landbouwsector en tot maart 2005 ongeveer 4 000 gevallen moet wegwerken; is in dit verband dankbaar voor het speciale verslag nr. 3/2004 van de Europese Rekenkamer over de terugvordering van onregelmatige betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
14. spreekt zijn lof uit over de vooruitgang die de task force "terugvordering" inmiddels heeft geboekt; zo is vastgesteld dat van de 2,18 miljard EUR 812 miljoen EUR door lopende rechtszaken is geblokkeerd en dat 247 miljoen EUR door de lidstaten als oninbaar wordt aangemerkt (bijvoorbeeld als gevolg van faillissement); hieruit volgt dat op dit moment 1,12 miljard EUR teruggevorderd zou moeten worden;
15. vindt het verheugend dat door een concrete toetsing van afzonderlijke gevallen het terug te vorderen bedrag van 1,12 miljard EUR verder is teruggebracht tot 765 miljoen EUR (bijvoorbeeld door het vermijden van dubbele vermeldingen);
16. stelt vast dat volgens de analyse van de task force van het genoemde bedrag van 765 miljoen EUR 115 miljoen EUR ten laste dient te komen van het EOGFL, en 650 miljoen EUR ten laste van de lidstaten; de lidstaten zijn hiervan reeds schriftelijk op de hoogte gesteld;
17. uit zijn kritiek op het feit dat vaak de landen waar de gemelde onregelmatigheden de grootste financiële schade vertegenwoordigen (2003: Spanje 112 367 457 EUR, Italië 16 896 556 EUR en Frankrijk 12 221 826 EUR) ook het laagste terugvorderingspercentage laten zien (2003: Spanje 4,9%, Italië 13,9% en Frankrijk 15,6%); bij de uitvoerrestituties is Spanje verantwoordelijk voor bijna 50% van de totale schade (2003: 8 694 350 EUR van in totaal 17 514 557 EUR), maar heeft het slechts 9,3% teruggevorderd;
18. hoopt dat de task force die in 2003 is opgericht om de gevallen van vóór 1999 te bestuderen, een deel van de achterstand zal weten op te lossen;
19. herinnert opnieuw(8) aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat reeds in zijn arrest van 11 oktober 1990 (zaak C-34/89, Italiaanse Republiek tegen de Commissie(9)) de lidstaten heeft opgeroepen om de algemene zorgvuldigheidsplicht in acht te nemen;
20. is van mening dat het niet terugvorderen van onregelmatige betalingen binnen vier jaar (door middel van bestuurlijke maatregelen) respectievelijk binnen acht jaar (langs gerechtelijke weg) een grove schending van de zorgvuldigheidsplicht is; het betrokken land dient dan te worden verplicht om het verschuldigde bedrag zelf op te brengen; op deze wijze zouden de lidstaten ertoe kunnen worden aangezet in een vroeg stadium de verantwoordelijkheid op zich te nemen en pro-actief fouten te corrigeren; een dergelijke benadering zou het werk van de Commissie vereenvoudigen, die tegenover het Parlement rekenschap verschuldigd is; is daarom ingenomen met de voorstellen van de Commissie, die in deze richting gaan(10);
21. is voorts verheugd over het voornemen van de Commissie om het stelsel van de "zwarte lijst" te verbeteren en verzoekt de Commissie alle opties te onderzoeken om dit instrument om te vormen tot een doeltreffend middel voor de fraudebestrijding en eventueel verder te laten reiken dan het landbouwgebied; Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk maken reeds van deze mogelijkheid gebruik;
22. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie verslag uit te brengen over de tekortkomingen van het systeem van de "zwarte lijst" (Verordening (EG) nr. 1469/95 van de Raad van 22 juni 1995 betreffende de te nemen maatregelen ten aanzien van de begunstigden van verrichtingen gefínancierd uit het EOGFL, afdeling Garantie(11));
23. wenst dat dit verslag de aanzet geeft tot een herziening, hetzij om het systeem ingrijpend te wijzigen hetzij om het te vervangen door een doeltreffender instrument;
24. vindt het zorgwekkend dat een aantal lidstaten, in het bijzonder Duitsland, Frankrijk en Spanje, niet binnen de gestelde termijnen voldoen aan hun verplichting tot verslaglegging; pas na twee jaar is 90% van de gevallen aan de Commissie gemeld, hetgeen de kans op terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen schaadt;
25. wijst erop dat blijkens het meest recente activiteitenverslag van OLAF de onderzoekers de schade als gevolg van alle gevallen die OLAF de afgelopen vijf jaar heeft behandeld, op 5,34 miljard EUR hebben geschat; stelt vast dat daarvan tot dusverre een bedrag van ongeveer 100 miljoen EUR teruggevorderd kon worden, hetgeen slechts 1,87% van het geraamde schadebedrag uitmaakt; verwacht van OLAF een analyse van de oorzaken van dit lage terugvorderingspercentage bij de door OLAF behandelde gevallen;
Fraude met versneden boter
26. herinnert eraan dat de financiële schade die de Gemeenschap heeft geleden als gevolg van de in 1999 aan het licht gekomen "Italburro-zaak" (versneden boter), becijferd wordt op meer dan 100 miljoen EUR, en vindt het zorgwekkend dat tot nu toe minder dan 10% van dit bedrag door de lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk) is teruggevorderd, hetgeen als een ernstige schending van de zorgvuldigheidsplicht door de lidstaten zou kunnen worden aangemerkt;
27. heeft kritiek op het feit dat er tot op heden geen duidelijkheid bestaat omtrent de gezondheidsrisico's die wellicht een gevolg zijn geweest van het versnijden van boter; herinnert er verder aan dat het geknoei met boter eigenlijk toevallig in het kader van onderzoek naar maffiamoorden is ontdekt, en dat er blijkbaar geen routinecontroles bestaan om dergelijke manipulaties te voorkomen; verwacht van de Commissie voorstellen waarin zij aangeeft hoe gezondheidsrisico's als gevolg van geknoei met levensmiddelen doeltreffend kunnen worden tegengegaan;
28. verzoekt de Commissie daarom uiterlijk 31 oktober 2005 een verslag in te dienen over de stand van zaken bij de strafrechtelijke en terugvorderingsprocedures en over de eventuele gezondheidsrisico's en daarin ook voorstellen op te nemen voor een doeltreffend optreden tegen gezondheidsrisico's als gevolg van geknoei met levensmiddelen; herinnert eraan dat de lidstaten in 2000, toen de affaire bekend werd, tegenover de Commissie geweigerd hebben deze inzichten openbaar te maken;
29. merkt met verbazing op dat de Duitse overheid slechts een terugvorderingseis van 141 737 EUR heeft opgelegd aan de betrokken bedrijven, die deze vordering inmiddels aanvechten, en dat het Belgische en het Franse openbaar ministerie vijf jaar na dato zelfs nog geen strafzaak hebben geopend;
Bestrijding van sigarettensmokkel
30. wijst erop dat volgens ramingen van de lidstaten in 2003 als gevolg van sigarettensmokkel circa 200 miljoen EUR minder aan eigen middelen is geïnd en dat de totale schade waarschijnlijk nog veel groter is;
31. is in dit verband uiterst verheugd over het akkoord inzake de bestrijding van sigarettensmokkel dat is gesloten tussen de Commissie (samen met België, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Finland) en Philip Morris International (PMI); spreekt in dit verband zijn lof uit over de succesvolle wijze waarop de Commissie met OLAF heeft samengewerkt en is ingenomen met de doorslaggevende operationele ondersteuning door de OLAF-task force "bestrijding sigarettensmokkel"; de overeenkomst voorziet in maatregelen om op lange termijn een einde te maken aan de sigarettensmokkel, alsmede in het bijleggen van de conflicten tussen de Gemeenschap en de onderneming; verder zal PMI over een periode van twaalf jaar ongeveer 1,25 miljard dollar betalen aan de Gemeenschap en de lidstaten; verzoekt de lidstaten en de Commissie deze betalingen te gebruiken voor de financiering van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van sigarettensmokkel, waaronder het tegengaan van namaakproducten; verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor de besteding van een aanzienlijk deel van deze inkomsten en, zo nodig, een voorontwerp van gewijzigde begroting in te dienen en een rechtsgrondslag voor te stellen;
32. juicht het toe dat ook Ierland, Malta en Oostenrijk tot het akkoord zijn toegetreden; verzoekt alle overige lidstaten zich bij het akkoord aan te sluiten; verzoekt de Commissie naar een dergelijk akkoord ook met andere sigarettenfabrikanten te streven; de lidstaten dienen ervan af te zien met de sigarettenfabrikanten over eigen akkoorden te onderhandelen, omdat de Commissie over een betere onderhandelingsmarge beschikt;
33. spreekt de waarschuwing uit dat enerzijds een toename van de belastingdruk op sigaretten tot een verandering van het consumptiepatroon leidt (bijvoorbeeld een verschuiving naar goedkope producten), en dat anderzijds hoge tabaksbelastingtarieven een extra prikkel tot criminele handelingen (bijvoorbeeld smokkel of namaak van sigaretten) bieden;
34. stelt vast dat de kleinschalige illegale handel (vooral met nagemaakte sigaretten) toeneemt en dat de bestrijding daarvan aanzienlijke moeilijkheden met zich brengt;
35. wijst erop dat de smokkelwegen die sigarettensmokkelaars benutten, net zo goed door drugs- en andere smokkelaars kunnen worden benut;
36. wijst erop dat het prijsverschil tussen sigaretten uit de oude en de nieuwe lidstaten het smokkelen aantrekkelijk maakt, temeer daar er weliswaar overgangstermijnen bestaan in de vorm van kwantitatieve beperkingen bij de invoer van tabaksproducten bij particuliere reizen van de nieuwe naar de oude lidstaten, maar dat reizigers en voertuigen nog slechts steekproefsgewijze kunnen worden gecontroleerd;
37. acht het daarom noodzakelijk de procedure voor administratieve bijstand en de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde instanties in de lidstaten, maar ook mondiaal verder te verbeteren; voorts dienen vacatures bij de opsporingsdienst van de douane te worden vervuld en moeten douaneposten versterkt worden voorzien van mobiele brigades, die de lidstaten zouden kunnen financieren met middelen uit het PMI-akkoord;
38. neemt met spijt nota van het feit dat de instanties van de lidstaten hun kennis over vervalste sigaretten en smokkelactiviteiten via smokkeldraaischijven (bijvoorbeeld Zuidoost-Azië) niet aan OLAF doorgeven; verzoekt de lidstaten om op basis van artikel 280 van het EG-Verdrag na te gaan hoe aan OLAF toegang tot deze kennis kan worden verschaft door middel van administratieve samenwerking; verzoekt de Rekenkamer om spoedig advies uit te brengen over het voorstel voor een verbetering van de administratieve samenwerking tussen OLAF en de lidstaten; verzoekt in dit verband ook na te gaan of het nut kan hebben om ter observatie van smokkeldraaischijven dependances van OLAF op te zetten;
39. wijst erop dat de ervaringen die tot dusverre zijn opgedaan met gezamenlijke douaneacties (JCO's - Joint Customs Operations) hebben uitgewezen dat een betere samenwerking tussen de diensten van de lidstaten voordelen biedt; spreekt de aanbeveling uit om aan deze samenwerking een duurzaam karakter te geven in de vorm van permanente task forces, en Europol sterker te betrekken bij de bestrijding van deze vorm van internationaal georganiseerde criminaliteit;
40. verzoekt de Commissie daarenboven een zodanige uitbreiding van het mandaat van het Europese Agentschap voor de operationele samenwerking aan de buitengrenzen in overweging te nemen dat ook het douaneonderzoek daaronder komt te vallen;
Samenwerking met Zwitserland
41. is verheugd over de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds over de fraudebestrijding(12); feliciteert allen, met inbegrip van OLAF, die bij het opstellen van de overeenkomst betrokken waren; het in de overeenkomst bepaalde bestrijkt veel aspecten die in het tweede protocol bij de overeenkomst inzake de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen zijn opgenomen, met name de bepalingen inzake administratieve bijstand, huiszoeking, beslaglegging en verbeurdverklaring; spreekt er zijn onbegrip over uit dat dit protocol, dat uit het jaar 1997 stamt, door drie oude lidstaten - Italië, Luxemburg en Oostenrijk - nog steeds niet is geratificeerd;
42. verzoekt de Tsjechische Republiek, Cyprus, Letland, Hongarije, Malta, Polen en Slovenië, bovengenoemd protocol spoedig te ratificeren, zoals Estland (3 februari 2005), Litouwen (28 mei 2004) en Slowakije (30 september 2004) hebben gedaan;
43. streeft in dit verband naar spoedige goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten(13);
Overdracht van taken van de Europese overheid aan particuliere firma's
44. herinnert eraan dat als uitvloeisel van diverse affaires waarbij particuliere contractanten van de Commissie soms met medeweten en goedkeuring van de bevoegde ambtenaren middelen incorrect hebben besteed en gunningsprocedures hebben gemanipuleerd (ECHO-affaire, MED-affaire), al eind 1998 de volgende bepaling in het Financieel Reglement is toegevoegd: "De Commissie en de andere instellingen kunnen, ongeacht de vorm of de reden, aan externe instanties of organen geen taken in verband met de uitvoering van de begroting toevertrouwen als die gepaard gaan met taken van de Europese overheidsdienst, met name op het punt van hun bevoegdheid tot het verlenen van overheidsopdrachten."(14);
45. acht het niet aanvaardbaar dat de Commissie in november 1999 niettemin regels voor dienstverlenings-, leverings- en bouwcontracten in het kader van de samenwerking ten behoeve van derde landen heeft goedgekeurd die de mogelijkheid boden gebruik te maken van zogeheten inkoopbureaus, die vervolgens aanbestedingen organiseerden, contracten ondertekenden en betalingen aan de uiteindelijke begunstigden verrichtten;
46. verwacht van de Commissie dat zij uiterlijk op 1 september 2005 een lijst overlegt met alle contracten die sinds 2000 met dergelijke inkoopbureaus zijn gesloten; deze lijst dient ook gegevens te bevatten over de duur van de contracten, de gunningsprocedure en de hoogte van de betalingen;
Prioriteiten en perspectieven voor de werkzaamheden van OLAF
47. herinnert eraan dat ook voor OLAF het subsidiariteitsbeginsel geldt, d.w.z. dat het zich moet concentreren op de terreinen waarop de diensten van de lidstaten geen bevoegdheid hebben of uit zichzelf niet voldoende inspanningen leveren;
48. onderstreept tegen deze achtergrond - onverminderd het ingrijpen van OLAF volgens het subsidiariteitsbeginsel op de overige operationele gebieden - opnieuw dat prioriteit moet worden toegekend aan onderzoeken binnen de organen en instellingen en in verband met de uitgaven die de Commissie rechtstreeks beheert;
49. wijst erop dat het Verdrag inzake een grondwet voor Europa in artikel III-274 bepaalt dat ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, op de grondslag van Eurojust een Europees Openbaar Ministerie kan worden ingesteld;
50. onderstreept dat dit perspectief bij het debat over de verdere ontwikkeling van OLAF in aanmerking moet worden genomen; verwacht van Commissie en Raad dat zij voor 31 december 2005 concrete voorstellen indienen over de toekomstige rol van OLAF in verhouding tot het Europees Openbaar Ministerie en Eurojust;
OLAF-onderzoeken en bescherming van de fundamentele vrijheden
51. herinnert aan overweging 10 van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(15) (hierna: de OLAF-verordenin) dat bij onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volledig geëerbiedigd moeten worden;
52. verzoekt de Commissie en OLAF om volledige eerbiediging van de persvrijheid, zoals deze in de lidstaten wettelijk gewaarborgd wordt en verankerd is in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met inbegrip van de relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens over de bescherming van journalistieke bronnen;
53. neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat volgens de inschatting van het Comité van toezicht de thans door OLAF gehanteerde en door hemzelf vastgelegde procedureregels voor onderzoeken ("OLAF-Manual") mogelijkerwijze niet voldoende zijn om de rechten van bij onderzoeken betrokken personen te waarborgen en dat het gevaar bestaat dat onderzoeksresultaten in sommige gevallen voor de rechtbank geen stand houden; verzoekt derhalve de Commissie om in het kader van de ophanden zijnde hervorming van OLAF dienovereenkomstige wetgevingsvoorstellen in te dienen waarmee dit bezwaar wordt verholpen en zowel de rechtszekerheid als de rechtsbescherming worden gewaarborgd;
OLAF en de ombudsman
54. onderstreept het belang van het Hof van Justitie voor de naleving en uitlegging bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht en voor haar rechterlijke taken uit hoofde van artikel 255 van het Verdrag, alsmede van het werk van de ombudsman, waar het gaat om het onderkennen en beëindigen van gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen;
55. neemt kennis van het standpunt van de directeur-generaal van OLAF d.d. 8 maart 2005, volgens welk zich OLAF in procedure 2485/2004/GG niet in staat acht om de ontwerpaanbeveling van de ombudsman te volgen en toe te geven dat het in zijn verweer tegenover de ombudsman in het kader van de onderzoekingen van laatstgenoemde over klacht 1840/2002/GG onjuiste en misleidende gegevens heeft verstrekt;
56. verwacht van de Commissie dat zij in het licht van het speciale verslag van de ombudsman van 12 mei 2005 en het standpunt dat het Parlement terzake nog moet innemen, de nodige stappen neemt om eventueel de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen en de geloofwaardigheid van OLAF te herstellen;
Procedure voor de benoeming van de directeur-generaal van OLAF
57. is verheugd over het besluit van de Commissie om de functie van directeur-generaal van OLAF na een openbare publicatie in het Publicatieblad te vervullen, opdat een echte en geloofwaardige selectie kan plaatsvinden om aan de directeur-generaal een geldig mandaat en een toereikende geloofwaardigheid te verschaffen;
58. neemt nota van het besluit van de Commissie (1691ste vergadering) van 22 februari 2005 om de vorige directeur-generaal van OLAF te verzoeken de lopende zaken waar te nemen, totdat een besluit over de vervulling van de functie is genomen;
59. is van mening dat het beter zou zijn geweest als de Commissie in overleg met het Parlement en de Raad een interim-directeur had benoemd, die niet beperkt zou zijn geweest in zijn vrijheid van handelen; is van mening dat in de OLAF-verordening bepalingen moeten worden opgenomen betreffende de benoeming van een interim-directeur;
60. herinnert eraan dat het reeds in paragraaf 55 van zijn resolutie van 4 december 2003 over het verslag van de Commissie over de evaluatie van de werkzaamheden van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(16) heeft aangedrongen op tijdige openbare publicatie van de functie van directeur-generaal van OLAF, en dat de nu ontstane vertraging alleen is toe te schrijven aan de Commissie, die veel te lang werkeloos is gebleven totdat de nodige procedurele stappen zijn ondernomen;
61. acht het nu bijzonder belangrijk dat er geen verdere onnodige vertraging optreedt en dat zo snel mogelijk een besluit wordt genomen over de vervulling van de functie;
62. onderstreept dat de Commissie op grond van artikel 12 van de OLAF-verordening de lijst van kandidaten met de vereiste kwalificaties pas kan opstellen na een positief advies van het Comité van toezicht van OLAF en dat dit comité dus de mogelijkheid moet hebben om alle binnenkomende kandidaturen te toetsen en te beoordelen, alvorens de Commissie op basis hiervan de lijst van geschikte kandidaten opstelt;
63. onderstreept dat de Commissie de directeur-generaal van OLAF in overleg met het Parlement en de Raad benoemt en dat er dus overeenstemming moet worden bereikt; herinnert eraan dat deze regeling is getroffen omdat de vergaande bevoegdheden van de directeur-generaal van OLAF (instellen en afronden van onderzoeken, doorzenden van informatie aan de nationale justitiële autoriteiten) niet alleen betrekking hebben op leden en medewerkers van de Commissie, maar ook op het Parlement, de Raad en de overige instellingen en organen van de Gemeenschap;
64. verwacht dat de betrokken instellingen in dezelfde mate neutraliteit, transparantie en eerlijkheid aan de dag leggen bij het besluit over de nieuwe directeur-generaal van OLAF, om voorvallen zoals bij de eerste benoeming te voorkomen(17);
Verslag en adviezen van de Rekenkamer
65. verwacht dat het lang geleden aangekondigde speciale verslag van de Rekenkamer tijdig beschikbaar is, zodat de daarin opgenomen resultaten kunnen worden meegenomen bij de hoorzitting met de kandidaten voor de functie van directeur;
66. verzoekt de Rekenkamer in de adviezen die zij op grond van artikel 280 van het EG-Verdrag uitbrengt over de voorliggende wetgevingsvoorstellen, met name in te gaan op de volgende vragen:
a)
Hoe kan de onafhankelijke onderzoeksfunctie van OLAF worden versterkt?
b)
Kunnen de relevante onderzoeksbevoegdheden van OLAF in één rechtstekst worden samengevat?
Follow-up van opmerkingen en eisen uit voorgaande jaren
67. verzoekt OLAF de in november 2004 begonnen dialoog over de informatie waarin het Parlement in verband met zijn werkzaamheden inzage krijgt, te hervatten, om na te gaan hoe recht kan worden gedaan aan de controlebevoegdheden van het Parlement met gelijktijdige waarborgen voor de vertrouwelijkheid van OLAF-onderzoeken;
68. stelt vast dat de Eurostat-task force in de verslagperiode van OLAF 14 gevallen heeft behandeld: vier externe en tien interne onderzoeken, waarvan er negen in juni 2004 nog niet waren afgerond; vijf onderzoeksresultaten zijn doorgegeven aan de Luxemburgse respectievelijk Franse instanties belast met de strafrechtelijke vervolging; verwacht uiterlijk op 1 oktober 2005 een voortgangsverslag van de Commissie en OLAF;
69. stelt vast dat volgens een gerechtelijke uitspraak in de vertegenwoordiging van de Commissie in Wenen dienstverbanden hebben bestaan waarbij de geldende sociale en arbeidsvoorschriften zijn omzeild; vraagt tot welk resultaat het OLAF-onderzoek is gekomen en welke maatregelen de Commissie heeft genomen; vraagt verder hoe hoog de kosten voor de Commissie al zijn opgelopen, doordat zij processen voor de arbeidsrechtbank heeft verloren en ex post sociale premies heeft moeten afdragen; vraagt voorts welke kosten er verder nog zouden kunnen ontstaan;
70. is verheugd over de ontwikkelingen die zich in enkele lidstaten voordoen, zoals de invoering van nieuwe wettelijke bepalingen inzake sancties bij onregelmatigheden;
71. neemt er nota van dat het waarschijnlijke misbruik van middelen uit het Leonardo da Vinci-programma is onderzocht(18) en dat het dossier is overhandigd aan het Roemeense Openbaar Ministerie;
72. neemt er nota van dat er bij de uitvoer van levende runderen naar Libanon(19) in het verleden sprake is geweest van misbruik van exportrestituties en dat Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk incassovorderingen hebben doen uitgaan;
73. betreurt het dat de Commissie tot dusverre heeft nagelaten een overzicht op te stellen, waaruit blijkt welke internationale adviesfirma's op het gebied van directe en indirecte uitgaven voor de Commissie hebben gewerkt(20); verwacht uiterlijk op 1 juli 2005 alsnog een overzicht te ontvangen;
74. herinnert de Commissie eraan dat haar is verzocht een mededeling aan het Parlement voor te leggen waarin zij onderzoekt hoe een gezamenlijk rechtskader zou kunnen worden gecreëerd voor de verschillende rechtsinstrumenten waarvan bij onderzoeken van OLAF gebruik wordt gemaakt(21);
75. neemt met bezorgdheid kennis van berichten in de pers dat OLAF heeft vastgesteld dat er door wanbeheer binnen de Commissie bij de renovatie van het Berlaymontgebouw een schadepost van naar verluidt 180 miljoen EUR zou zijn ontstaan; verzoekt OLAF om opheldering te verschaffen over de exacte situatie; verwacht dat de Commissie uiterlijk op 1 september 2005 aangeeft welke stappen zij op basis van het relevante OLAF-verslag heeft ondernomen;
76. is teleurgesteld over de negatieve reactie van de Commissie op paragraaf 123 in zijn resolutie van 21 april 2004(22) over de verlening van kwijting aan de Commissie voor het jaar 2002, waarin staat "dat de Commissie gedoogt dat bij vergissing of opzettelijk vals gedeclareerde goederen worden geacht niet onder de regeling voor het douanevervoer te vallen, met als gevolg dat geen beroep kan worden gedaan op garantie, dat de papieren naar het EU-land van binnenkomst moeten worden teruggestuurd en dat de fraudebestrijding wordt bemoeilijkt"; verzoekt de Commissie opnieuw onmiddellijk een einde te maken aan deze praktijk en een overeenkomstige wijziging van het douanewetboek voor te stellen;
77. is van mening dat het de taak van de Commissie begrotingscontrole is toezicht uit te oefenen op de uitgaven van de Unie, en dat deze commissie de mogelijkheid moet hebben te bepalen of betalingen volgens het Financieel Reglement worden verricht, en politieke doelstellingen vast te stellen; beveelt daarom aan dat het Bureau die commissie toestemming geeft om delegaties bestaande uit een klein aantal van haar leden uit te zenden om informatie te vergaren, zelfs wanneer zij in naar behoren gemotiveerde gevallen buiten het grondgebied van de Unie moeten reizen;
o o o
78. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Comité van toezicht van OLAF alsmede aan OLAF.
Verordening (EG) nr. 1681/94 van de Commissie van 11 juli 1994 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het structuurbeleid en terugvordering van in dat kader onverschuldigd betaalde bedragen, alsmede betreffende de inrichting van een informatiesysteem op dit gebied (PB L 178 van 12.7.1994, blz. 43).
De financiële schade als gevolg van alle door OLAF en zijn voorganger onderzochte gevallen wordt geraamd op 5,34 miljard EUR (zie SEC(2004)1370, bijlage II).
Volgens het Case Management System van OLAF is tussen 1999 en 2004 100 miljoen EUR teruggevorderd, hetgeen neerkomt op 1,87% van de financiële schade in dezelfde periode, die geraamd wordt op 5,34 miljard EUR.
Zie paragraaf 22 van zijn resolutie van 30.3.2004 over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en de fraudebestrijding, jaarverslag 2002 (PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 435).
Onderstreept dat een situatie zoals in 1999 moet worden voorkomen, toen er twijfel is geuit over de eerlijkheid van de procedure en een kandidaat zijn sollicitatie heeft ingetrokken, nadat de secretaris-generaal van de Commissie zich van tevoren positief had uitgelaten over bepaalde kandidaten.