Nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten ***I
4k
25k
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijnen 94/19/EG, 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG en 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten (6429/1/2005 - C6-0051/2005 - 2003/0263(COD))
(Medebeslissingsprocedure)
De rectificatie werd aangenomen.
Voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten ***II
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (11652/2/2004 – C6-0188/2004 – 2003/0302(COD))
– gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (11652/2/2004 – C6-0188/2004),
– gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003)0741)(2),
– gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,
– gelet op artikel 62 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0012/2005),
1. hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 8 maart 2005 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2005 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas(5) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandbrenging van een interne markt voor gas. Het is nu nodig te zorgen voor structurele wijzigingen van het regelgevend kader om de resterende belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt, met name met betrekking tot de handel in gas, aan te pakken. Er zijn bijkomende technische regels nodig, met name betreffende derdentoegangsdiensten, principes voor het capaciteitsallocatiemechanisme, congestiebeheersprocedures en transparantie-eisen.
(2) De ervaring met de uitvoering en voortgangscontrole van een eerste pakket Richtsnoeren voor goede praktijk dat in 2002 is vastgesteld door het Europees Regelgevend Forum voor gas ("het forum") leert dat, teneinde de volledige uitvoering van deze regels in alle lidstaten te verzekeren en in de praktijk een minimumwaarborg voor gelijke voorwaarden op het gebied van markttoegang te verschaffen, ervoor dient te worden gezorgd dat deze wettelijk afdwingbaar worden.
(3) Een tweede pakket gemeenschappelijke regels "de tweede Richtsnoeren voor goede praktijk" is vastgesteld op de vergadering van het forum van 24-25 september 2003. Deze verordening moet derhalve, op basis van deze richtsnoeren, basisprincipes en regels vaststellen betreffende nettoegang en derdentoegangsdiensten, congestiebeheer, transparantie, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.
(4) Artikel 15 van Richtlijn 2003/55/EG biedt de mogelijkheid tot een gecombineerde transmissie- en distributiesysteembeheerder. Derhalve hoeft uit hoofde van deze verordening geen wijziging te worden aangebracht in de organisatie van de nationale transmissie- en distributiesystemen die stroken met de relevante bepalingen van Richtlijn 2003/55/EG, en met name artikel 15 daarvan.
(5) Hogedrukpijpleidingen die plaatselijke distributeurs met het gasnet verbinden en die niet in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie worden gebruikt, vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening.
(6) Er moeten criteria worden vastgesteld voor de berekening van de tarieven voor toegang tot het net opdat deze tarieven volledig voldoen aan het beginsel van niet-discriminatie en aan de behoeften van een goed functionerende interne markt. Daarbij moet ten volle rekening worden gehouden met de noodzakelijke systeemintegriteit. Bovendien moeten de tarieven een afspiegeling vormen van de werkelijke kosten, voorzover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij wordt gelet op een redelijke winst op de investeringen, en, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met de benchmarking van de tarieven door de regelgevende instanties.
(7) Bij de berekening van de tarieven voor de toegang tot netten is het van belang dat rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten, voorzover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, en met de noodzaak om een redelijke winst op de investeringen te genereren en stimulansen te scheppen voor de aanleg van nieuwe infrastructuur. In dat verband zal, met name als er sprake is van daadwerkelijke concurrentie tussen pijpleidingen, de benchmarking van tarieven door de regelgevende instanties een relevant punt van overweging zijn.
(8) Het gebruik van marktgerichte regelingen, zoals veilingen, om tarieven vast te stellen moet stroken met de bepalingen van Richtlijn 2003/55/EG.
(9) Een gemeenschappelijk minimumpakket van derdentoegangsdiensten is nodig om in de hele Gemeenschap in de praktijk voor een gemeenschappelijke minimumtoegangsnorm te zorgen, teneinde te waarborgen dat derdentoegangsdiensten voldoende compatibel zijn en de voordelen van een goed functionerende interne markt voor gas kunnen worden benut.
(10) Verwijzingen naar geharmoniseerde transportcontracten in de context van niet-discriminerende toegang tot het net van transmissiesysteembeheerders houden niet in dat de termen en voorwaarden van de transportcontracten van een bepaalde transmissiesysteembeheerder in een lidstaat dezelfde moeten zijn als die van een andere transmissiesysteembeheerder in die lidstaat of in een andere lidstaat, behoudens waar minimumeisen zijn vastgesteld waaraan alle transportcontracten moeten voldoen.
(11) Het beheer van contractuele congestie van netten is een belangrijke kwestie bij de voltooiing van de interne gasmarkt. Er moeten gemeenschappelijke regels worden ontwikkeld die de noodzaak om ongebruikte capaciteit vrij te maken, in overeenstemming met het principe "use-it-or-lose-it", in balans brengen met de rechten van de bezitters van de capaciteit om deze waar nodig, te gebruiken en tegelijkertijd de liquiditeit van de capaciteit te verhogen.
(12) Hoewel de fysieke congestie van de netten momenteel zelden een probleem is in de Gemeenschap kan het er in de toekomst een worden. Het is derhalve belangrijk het basisprincipe vast te stellen voor de allocatie van capaciteit op overbelaste netten.
(13) Opdat netgebruikers effectieve toegang tot gasnetten kunnen verkrijgen, hebben zij informatie nodig over met name technische eisen en beschikbare capaciteit, teneinde te kunnen profiteren van zakelijke mogelijkheden die zich in het kader van de interne markt voordoen. Er zijn gemeenschappelijke minimumnormen betreffende dergelijke transparantie-eisen nodig. Deze informatie kan in verschillende vormen, onder meer elektronisch, worden bekendgemaakt.
(14) Door de transmissiesysteembeheerders beheerde niet-discriminerende en transparante balanceringssystemen voor gas zijn belangrijke mechanismen, met name voor nieuwkomers op de markt, die het mogelijk moeilijker hebben om hun totale verkoopportefeuille in balans te houden dan gevestigde ondernemingen binnen een relevante markt. Derhalve moeten regels worden vastgesteld die garanderen dat de transmissiesysteembeheerders dergelijke mechanismen beheren op een wijze die verenigbaar is met niet-discriminerende, transparante en effectieve toegangsvoorwaarden voor het net.
(15) Het verhandelen van primaire rechten op capaciteit vormt een belangrijk onderdeel van het ontwikkelen van een concurrerende markt en het creëren van liquiditeit. In deze verordening moeten derhalve basisregels op dit gebied worden vastgesteld.
(16) Er moet voor worden gezorgd dat bedrijven die capaciteitsrechten verwerven, deze aan andere toegelaten bedrijven kunnen doorverkopen, teneinde voldoende liquiditeit op de capaciteitsmarkt te waarborgen. Dat belet echter niet dat een systeem wordt gehanteerd waarbij capaciteit die gedurende een bepaalde, op nationaal niveau vastgestelde, tijd niet wordt gebruikt, opnieuw op vaste basis op de markt beschikbaar wordt gesteld.
(17) De nationale regelgevende instanties moeten erop toezien dat de in deze verordening neergelegde regels en de op basis van deze verordening vastgestelde richtsnoeren in acht worden genomen.
(18) In de bij deze verordening gevoegde richtsnoeren worden specifieke gedetailleerde uitvoeringsbepalingen vastgesteld op basis van de tweede "Richtsnoeren voor goede praktijk". Deze regels zullen zich in de loop der tijd waar nodig ontwikkelen, rekening houdend met de verschillen tussen de nationale gassystemen.
(19) De Commissie dient, alvorens voor te stellen de als bijlage bij de verordening opgenomen richtsnoeren te wijzigen, vooraf alle betrokken partijen waarvoor deze richtsnoeren relevant zijn - vertegenwoordigd door de beroepsorganisaties - en de lidstaten in het forum te raadplegen. Ook zal zij de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas om een bijdrage verzoeken.
(20) Van de lidstaten en de bevoegde nationale instanties moet worden verlangd dat zij de Commissie relevante informatie verstrekken. Dergelijke informatie moet door de Commissie vertrouwelijk worden behandeld.
(21) Deze verordening en de in overeenstemming hiermee vastgestelde richtsnoeren laten de toepassing van de communautaire concurrentieregels onverlet.
(22) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(6).
(23) Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van eerlijke regels betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van de verordening beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Deze verordening heeft als doel niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor aardgastransmissiesystemen, rekening houdend met de specificiteit van nationale en regionale markten, teneinde de goede werking van de interne gasmarkt te verzekeren.
Dit doel omvat onder meer de vaststelling van geharmoniseerde principes betreffende de tarieven voor de toegang tot het net, of betreffende de methoden voor de berekening daarvan, de instelling van derdentoegangsdiensten, de vaststelling van geharmoniseerde beginselen voor capaciteitsallocatie en congestiebeheer, de bepaling van transparantie-eisen, balanceringsregels en tarieven voor onbalans, alsmede de bevordering van capaciteitsverhandeling.
2. De lidstaten kunnen overeenkomstig Richtlijn 2003/55/EG een entiteit of instantie instellen voor de uitoefening van een of meer normaliter aan de transmissiesysteembeheerder toegewezen functies; de eisen van deze verordening zijn daarop van toepassing.
Artikel 2
Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
1)
"transmissie": het transport van aardgas door een net dat vooral bestaat uit hogedrukpijpleidingen, met uitzondering van een upstreampijpleidingnet en van het gedeelte van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt, met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
2)
"transportcontract": een contract tussen een transmissiesysteembeheerder en een netgebruiker voor de uitvoering van de transmissie;
3)
"capaciteit": de maximale flow, uitgedrukt in normale kubieke meter per tijdseenheid of in energie-eenheid per tijdseenheid, waarop de netgebruiker op grond van het transportcontract recht heeft;
4)
"ongebruikte capaciteit": de vaste capaciteit die een netgebruiker op grond van een transportcontract heeft verworven, maar op het moment van het contractueel vastgelegde aflopen van de termijn niet heeft genomineerd;
5)
"congestiebeheer": beheer van de capaciteitsportefeuille van de transmissiesysteembeheerder met het oog op het optimale en maximale gebruik van de technische capaciteit en de tijdige detectie van toekomstige congestie- en saturatiepunten;
6)
"secundaire markt": de markt van de niet op de primaire markt verhandelde capaciteit;
7)
"nominatie": het vooraf opgeven door de netgebruiker aan de transmissiesysteembeheerder van de werkelijke flow die hij wil invoeden op of onttrekken aan het systeem;
8)
"hernominatie": het achteraf melden van een gecorrigeerde nominatie;
9)
"systeemintegriteit": elke situatie met betrekking tot een transmissienet, met inbegrip van de noodzakelijke transmissiefaciliteiten, waarin de druk en de kwaliteit van het aardgas binnen de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde minimum- en maximumgrenzen blijven, zodat de transmissie van aardgas uit een technisch oogpunt gegarandeerd is;
10)
"balanceringsperiode": periode waarbinnen het onttrekken van een hoeveelheid aardgas, uitgedrukt in eenheden energie, door elke netgebruiker moet worden gecompenseerd door middel van het invoeden van dezelfde hoeveelheid aardgas op het transmissienet in overeenstemming met het transportcontract of de netcode;
11)
"netgebruiker": een afnemer of mogelijke afnemer van een transmissiesysteembeheerder en, mits zulks nodig is om de functies met betrekking tot de transmissie uit te voeren, de transmissiebeheerder zelf;
12)
"afschakelbare diensten": door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot afschakelbare capaciteit aangeboden diensten;
13)
"afschakelbare capaciteit": gastransmissiecapaciteit die door de transmissiesysteembeheerder kan worden afgeschakeld overeenkomstig de voorwaarden van het transportcontract;
14)
"langetermijndiensten": door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van één jaar of meer;
15)
"kortetermijndiensten": door de transmissiesysteembeheerder aangeboden diensten met een duur van minder dan één jaar;
16)
"vaste capaciteit": door de transmissiesysteembeheerder contractueel als niet-afschakelbaar gegarandeerde gastransmissiecapaciteit;
17)
"vaste diensten": door de transmissiesysteembeheerder met betrekking tot vaste capaciteit aangeboden diensten;
18)
"technische capaciteit": de maximale vaste capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan de netgebruikers kan aanbieden, rekening houdend met de systeemintegriteit en de operationele eisen van het transmissienet;
19)
"gecontracteerde capaciteit": capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan een netgebruiker heeft gealloceerd door middel van een transportcontract;
20)
"beschikbare capaciteit": het deel van de technische capaciteit dat niet is gealloceerd en op een gegeven moment nog beschikbaar is voor het systeem;
21)
"contractuele congestie": een situatie waarbij het niveau van de vraag naar vaste capaciteit groter is dan de technische capaciteit;
22)
"primaire markt": de markt van de direct door de transmissiesysteembeheerder verhandelde capaciteit;
23)
"fysieke congestie": een situatie waarbij op een bepaald tijdstip het niveau van de vraag naar werkelijke leveringen groter is dan de technische capaciteit.
2. De definities in artikel 2 van Richtlijn 2003/55/EG die relevant zijn voor de toepassing van deze verordening zijn eveneens van toepassing, met uitzondering van de definitie van "transmissie" in artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2003/55/EG.
Artikel 3
Tarieven voor de toegang tot netten
1. De door de transmissiesysteembeheerders toegepaste tarieven, of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden die zijn goedgekeurd door de regelgevende instanties overeenkomstig artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2003/55/EG, alsmede de tarieven die worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 18, lid 1, van die richtlijn, zijn transparant, houden rekening met de noodzaak van systeemintegriteit en verbetering ervan en zijn een afspiegeling van de werkelijke kosten, voorzover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij tevens wordt gelet op de nodige winst op de investeringen en in voorkomende gevallen met inachtneming van de benchmarking van tarieven door de regelgevende instanties. De tarieven of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden zijn niet-discriminerend.
De lidstaten kunnen besluiten dat de tarieven ook kunnen worden vastgesteld aan de hand van marktgerichte regelingen, zoals veilingen, mits dergelijke regelingen en de eruit voortvloeiende inkomsten door de regelgevende instantie worden goedgekeurd.
De tarieven, of de methoden voor de berekening daarvan, zijn bevorderlijk voor de efficiënte handel in gas en voor de concurrentie en zijn tegelijk gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en op het bieden van stimulansen voor investeringen en het handhaven of creëren van interoperabele transmissienetten.
2. De tarieven voor de toegang tot netten werken niet beperkend op de marktliquiditeit of verstorend voor de grensoverschrijdende handel van de verschillende transmissiesystemen. Indien verschillen in de tariefstructuren of balanceringsmechanismen de handel tussen transmissiesystemen zouden belemmeren, streven transmissiesysteembeheerders onverminderd artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2003/55/EG, in nauwe samenwerking met de betrokken nationale instanties, actief naar de convergentie van tariefstructuren en tariefbeginselen, ook met betrekking tot balancering.
Artikel 4
Derdentoegangsdiensten
1. Transmissiesysteembeheerders waarborgen:
a)
dat ze op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aanbieden. Met name wanneer een transmissiesysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een door de bevoegde instantie volgens de procedure van artikel 25 van Richtlijn 2003/55/EG goedgekeurde gemeenschappelijke netcode;
b)
dat zij zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aanbieden. De prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;
c)
dat zij de netgebruikers zowel lange- als kortetermijndiensten aanbieden.
2. Transportcontracten met niet-standaardaanvangsdata of van een kortere duur dan een standaard transportcontract van een jaar, resulteren niet in willekeurig hogere of lagere tarieven die niet de marktwaarde van de dienst weerspiegelen overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, vermelde principes.
3. Zo nodig kunnen derdentoegangsdiensten afhankelijk worden gesteld van passende garanties van netgebruikers voor wat betreft de kredietwaardigheid van deze gebruikers. Zulke garanties mogen geen oneerlijke marktbelemmering vormen en moeten niet-discriminerend, transparant en proportioneel zijn.
Artikel 5
Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie
en procedures voor congestiebeheer
1. Marktdeelnemers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 6, lid 3, wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.
2. Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie, welke
a)
passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de technische capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken;
b)
zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs en tevens flexibel en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen;
c)
compatibel zijn met de nettoegangsregelingen van de lidstaten.
3. Wanneer transmissiesysteembeheerders nieuwe transportcontracten sluiten of nieuwe onderhandelingen over bestaande transportcontracten voeren, wordt in deze contracten rekening gehouden met de volgende principes:
a)
in geval van contractuele congestie biedt de transmissiesysteembeheerder ongebruikte capaciteit op de primaire markt aan, ten minste op "day-ahead"-basis en afschakelbaar;
b)
netgebruikers die hun ongebruikte gecontracteerde capaciteit op de secundaire markt willen doorverkopen of -verhuren, hebben daartoe het recht. De lidstaten kunnen kennisgeving of informatieverstrekking aan de transmissiesysteembeheerder door de netgebruikers verlangen.
4. Wanneer capaciteit die krachtens bestaande transportcontracten gecontracteerd is, ongebruikt blijft en zich contractuele congestie voordoet, passen de transmissiesysteembeheerders lid 3 toe tenzij daardoor inbreuk zou worden gemaakt op de eisen van de bestaande transportcontracten. Indien daardoor inbreuk zou worden gemaakt op bestaande transportcontracten, richten de transmissiesysteembeheerders een verzoek tot de netgebruiker om, in overleg met de bevoegde instanties, overeenkomstig lid 3, ongebruikte capaciteit op de secundaire markt te gebruiken.
5. In geval van fysieke congestie worden door de transmissiesysteembeheerder of, in voorkomend geval, de regelgevende instanties niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie toegepast.
Artikel 6
Transparantie-eisen
1. De transmissiesysteembeheerders publiceren gedetailleerde informatie betreffende de diensten die zij aanbieden en de toegepaste relevante voorwaarden alsook de technische informatie die nodig is opdat netgebruikers effectieve nettoegang verkrijgen.
2. Om transparante, objectieve en niet-discriminerende tarieven te garanderen en een efficiënt gebruik van het gasnet te bevorderen, publiceren de transmissiesysteembeheerders of de relevante nationale instanties beknopte en voldoende gedetailleerde informatie over tariefderivatie, methodologie en structuur.
3. Met betrekking tot de aangeboden diensten publiceert iedere transmissiesysteembeheerder voor alle relevante punten, waaronder de entry- en exitpunten, regelmatig, voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze numerieke informatie over technische, gecontracteerde en beschikbare capaciteit.
4. De relevante punten van een transmissiesysteem waarover de informatie moet worden gepubliceerd, worden door de bevoegde instanties na overleg met de netgebruikers goedgekeurd.
5. Wanneer een transmissiesysteembeheerder van oordeel is dat hij om redenen van vertrouwelijkheid niet gerechtigd is alle vereiste gegevens te publiceren, vraagt hij de bevoegde instanties om toestemming om de publicatie met betrekking tot het punt of de punten in kwestie te beperken.
De bevoegde instanties verlenen of weigeren toestemming per geval, en houden daarbij in het bijzonder rekening met de noodzaak de legitieme commerciële vertrouwelijkheid in acht te nemen en het doel een concurrerende interne gasmarkt tot stand te brengen. Indien er toestemming wordt verleend, wordt de beschikbare capaciteit gepubliceerd zonder vermelding van de numerieke data die inbreuk zouden maken op de vertrouwelijkheid.
Er wordt geen toestemming als bedoeld in dit lid verleend indien drie of meer netgebruikers capaciteit hebben gecontracteerd op hetzelfde punt.
6. De transmissiesysteembeheerders publiceren de krachtens deze verordening vereiste informatie altijd op een zinvolle, duidelijk meetbare en goed toegankelijke manier en op niet-discriminerende basis.
Artikel 7
Balanceringsregels en tarieven voor onbalans
1. De balanceringsregels worden ontworpen op eerlijke, niet-discriminerende en transparante wijze en zijn gebaseerd op objectieve criteria. De balanceringsregels zijn een afspiegeling van de werkelijke systeembehoeften, rekening houdend met de voor de transmissiesysteembeheerder beschikbare hulpmiddelen.
2. Bij niet-marktgerichte balanceringssystemen worden de tolerantiewaarden zo ontworpen dat ze ofwel de seizoensgebondenheid weerspiegelen ofwel hoger uitvallen dan de tolerantiewaarden die uit de seizoensgebondenheid zouden resulteren, en dat ze de werkelijke technische capaciteit van het transmissiesysteem weerspiegelen. De tolerantiewaarden zijn een afspiegeling van de werkelijke systeembehoeften, rekening houdend met de voor de transmissiesysteembeheerder beschikbare hulpmiddelen.
3. De tarieven voor onbalans zijn zoveel mogelijk kostengeoriënteerd en stimuleren in voorkomende gevallen de netgebruikers om hun invoeding en onttrekking van gas te balanceren. Zij zijn gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en houden geen belemmering in voor het betreden van de markt door nieuwkomers.
De methoden voor de berekening van de tarieven voor onbalans en de definitieve tarieven worden gepubliceerd door de bevoegde instanties of de transmissiesysteembeheerder, naar gelang van het geval.
4. De transmissiesysteembeheerders kunnen boetetarieven opleggen aan de netgebruikers van wie de invoeding op en onttrekking aan het transmissiesysteem niet in balans is overeenkomstig de in lid 1 bedoelde balanceringsregels.
5. De boetetarieven die de werkelijk gemaakte balanceringskosten overschrijden, voorzover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, worden bij de berekening van de tarieven in aanmerking genomen, zodanig dat het voordeel van balancering niet wordt beperkt. Zij worden door de bevoegde instanties goedgekeurd.
6. Om de netgebruikers in staat te stellen tijdig corrigerende maatregelen te nemen, verstrekken de transmissiesysteembeheerders voldoende, tijdige en betrouwbare online-informatie over de balanceringsstatus van de netgebruikers. Het niveau van de verstrekte informatie is een afspiegeling van het niveau van de informatie die de transmissiesysteembeheerder tot zijn beschikking heeft. De eventueel voor het verstrekken van deze informatie toegepaste tarieven worden door de bevoegde instanties goedgekeurd en door de transmissiesysteembeheerder gepubliceerd.
7. De lidstaten zien erop toe dat de transmissiesysteembeheerders streven naar harmonisatie van de balanceringsstelsels en naar stroomlijning van de structuren en de niveaus van de balanceringstarieven om de handel in gas te bevorderen.
Artikel 8
Verhandeling van capaciteitsrechten
Iedere transmissiesysteembeheerder onderneemt redelijke stappen om mogelijk te maken en te bevorderen dat capaciteitsrechten vrij verhandelbaar zijn. Ieder van deze transmissiesysteembeheerders ontwikkelt geharmoniseerde transportcontracten en procedures op de primaire markt om de secundaire handel in capaciteit te bevorderen en erkent de overdracht van primaire capaciteitsrechten voorzover daarvan door netgebruikers kennisgeving is gedaan. Van deze geharmoniseerde transportcontracten en procedures wordt aan de regelgevende instanties kennisgeving gedaan.
Artikel 9
Richtsnoeren
1. In voorkomend geval worden in de richtsnoeren inzake de minimaal vereiste harmonisatie voor het bereiken van het doel van deze verordening, de volgende punten gespecificeerd:
a)
de nadere bijzonderheden van de derdentoegangsdiensten, inclusief de aard, duur en andere eisen betreffende deze diensten, in overeenstemming met artikel 4;
b)
de nadere bijzonderheden met betrekking tot de principes die aan de mechanismen voor capaciteitsallocatie ten grondslag liggen en betreffende de toepassing van procedures voor congestiebeheer, in overeenstemming met artikel 5;
c)
de nadere gegevens betreffende de definitie van de technische informatie die nodig is opdat de netgebruikers effectieve toegang kunnen verkrijgen tot het systeem en de definitie van alle voor de transparantie-eisen relevante punten, inclusief de op alle relevante punten te publiceren informatie en het tijdschema voor de publicatie van deze informatie, in overeenstemming met artikel 6.
2. De richtsnoeren betreffende de in lid 1 genoemde kwesties zijn opgenomen in de bijlage. Zij kunnen door de Commissie worden gewijzigd; dit gebeurt volgens de procedure van artikel 14, lid 2.
3. Bij de toepassing en de wijziging van de krachtens deze verordening aangenomen richtsnoeren wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de nationale gassystemen. Derhalve zullen geen uniforme voorwaarden voor de toegang van derden op communautair niveau vereist zijn. Er kunnen evenwel minimumeisen worden gesteld waaraan moet worden voldaan om de voor een interne gasmarkt noodzakelijke niet-discriminerende en transparante voorwaarden voor nettoegang te verwezenlijken; deze minimumeisen kunnen vervolgens worden toegepast in het licht van de verschillen tussen de nationale gassystemen.
Artikel 10
Regelgevende instanties
Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening vergewissen de krachtens artikel 25 van Richtlijn 2003/55/EG ingestelde regelgevende instanties van de lidstaten zich ervan, dat deze verordening en de ingevolge artikel 9 van deze verordening vastgestelde richtsnoeren worden nageleefd.
In voorkomend geval werken zij onderling en met de Commissie samen.
Artikel 11
Informatieverstrekking
De lidstaten en de regelgevende instanties verstrekken de Commissie op verzoek alle voor de toepassing van artikel 9 noodzakelijke informatie.
De Commissie stelt een redelijke termijn vast waarbinnen de informatie moet worden verstrekt rekening houdend met de complexiteit en de urgentie van de vereiste informatie.
Artikel 12
Recht van de lidstaten om meer gedetailleerde maatregelen te treffen
Deze verordening laat de rechten van de lidstaten onverlet om maatregelen te handhaven of in te voeren die meer gedetailleerde voorschriften bevatten dan in deze verordening en de in artikel 9 bedoelde richtsnoeren.
Artikel 13
Sancties
1. De lidstaten stellen de sancties vast die bij een overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering ervan. De beoogde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie de desbetreffende bepalingen uiterlijk op 1 juli 2006 mee en melden haar onverwijld alle eventuele latere wijzigingen.
2. Sancties krachtens lid 1 zijn niet van strafrechtelijke aard.
Artikel 14
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is opgericht bij artikel 30 van Richtlijn 2003/55/EG.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 15
Verslag van de Commissie
De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van deze verordening. In het verslag dat zij uitbrengt krachtens artikel 31, lid 3, van Richtlijn 2003/55/EG, rapporteert de Commissie tevens over de ervaringen die bij de toepassing van deze verordening zijn opgedaan. Met name wordt in het verslag onderzocht in hoeverre de verordening succesvol is geweest in het bewerkstelligen van niet-discriminerende en kostengeoriënteerde nettoegangsvoorwaarden voor gastransmissienetten teneinde bij te dragen tot een veelzijdig aanbod voor de consument in een goed functionerende interne markt en tot leveringszekerheid op lange termijn. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van passende voorstellen en/of aanbevelingen.
Artikel 16
Ontheffingen en vrijstellingen
Deze verordening is niet van toepassing op:
a)
in de lidstaten gelegen aardgastransmissiesystemen, voor de duur van ontheffingen die zijn verleend uit hoofde van artikel 28 van Richtlijn 2003/55/EG; lidstaten waaraan krachtens artikel 28 van Richtlijn 2003/55/EG ontheffingen zijn verleend en die de Commissie derhalve kunnen verzoeken om tijdelijke afwijking van de toepassing van deze verordening, en wel voor een periode van ten hoogste twee jaar vanaf de datum waarop de in dit punt bedoelde ontheffing verstrijkt;
b)
de in artikel 22, leden 1 en 2, van Richtlijn 2003/55/EG bedoelde interconnectoren tussen lidstaten, alsmede aanzienlijke capaciteitsverhogingen van bestaande infrastructuur en wijzigingen van die infrastructuur die het mogelijk maken nieuwe bronnen voor de levering van gas te ontwikkelen, die zijn ontheven van de toepassing van de artikelen 18, 19 en 20 en van artikel 25, leden 2, 3 en 4, van die richtlijn, voor de duur van de ontheffing van de onder dit punt vermelde bepalingen; of
c)
aardgastransmissiesystemen waarvoor krachtens artikel 27 van Richtlijn 2003/55/EG ontheffingen zijn verleend.
Artikel 17
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006, met uitzondering van de tweede zin van artikel 9, lid 2, die van toepassing is met ingang van 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE
RICHTSNOEREN BETREFFENDE
1.
DERDENTOEGANGSDIENSTEN,
2. PRINCIPES DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET MECHANISME VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER EN DE TOEPASSING VAN PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER IN GEVAL VAN CONTRACTUELE CONGESTIE, EN
3. DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TE KUNNEN VERKRIJGEN TOT HET SYSTEEM EN DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIE-EISEN RELEVANTE PUNTEN, INCLUSIEF DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA AAN DE HAND WAARVAN DEZE INFORMATIE MOET WORDEN GEPUBLICEERD
1. DERDENTOEGANGSDIENSTEN
(1) De transmissiesysteembeheerders bieden vaste en afschakelbare diensten aan met een minimumduur van één dag.
(2) De geharmoniseerde transportcontracten en gemeenschappelijke netcode worden ontworpen op een wijze die bevorderlijk is voor de handel in en het hergebruik van de door de netgebruikers gecontracteerde capaciteit zonder de vrijgave van capaciteit te belemmeren.
(3) De transmissiesysteembeheerders ontwikkelen netcodes en geharmoniseerde contracten nadat zij naar behoren overleg hebben gepleegd met de netgebruikers.
(4) De transmissiesysteembeheerders implementeren gestandaardiseerde nominatie- en hernominatieprocedures. Zij ontwikkelen informatiesystemen en elektronische communicatiemiddelen om adequate gegevens te verstrekken aan de netgebruikers en om transacties zoals nominaties, capaciteitscontractering en overdracht van capaciteitsrechten tussen netgebruikers te vereenvoudigen.
(5) De transmissiesysteembeheerders harmoniseren geformaliseerde aanvraagprocedures en reactietermijnen overeenkomstig de beste branchepraktijk met het doel de reactietijden te minimaliseren. Na overleg met de relevante netwerkgebruikers voorzien zij uiterlijk 1 juli 2006 in on-linecapaciteitsboekings- en confirmatiesystemen via beeldscherm alsook in nominatie- en hernominatieprocedures.
(6) De transmissiesysteembeheerders rekenen de netgebruikers niet afzonderlijk de informatieaanvragen en transacties aan die verband houden met hun transportcontracten en die worden uitgevoerd overeenkomstig de standaardregels en -procedures.
(7) Informatieaanvragen die buitengewone of excessieve uitgaven vereisen zoals haalbaarheidsstudies mogen afzonderlijk worden aangerekend, mits de kosten naar behoren kunnen worden aangetoond.
(8) De transmissiesysteembeheerders werken met andere transmissiesysteembeheerders samen bij het coördineren van het onderhoud van hun respectieve netwerken teneinde elke storing van de transmissiediensten aan netgebruikers en transmissiesysteembeheerders in andere gebieden zoveel mogelijk te beperken en teneinde te zorgen voor gelijke voordelen met betrekking tot de leveringszekerheid, ook in het transitverkeer.
(9) De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste eenmaal per jaar, binnen een vooraf bepaalde termijn, alle geplande onderhoudsperiodes die van invloed kunnen zijn op de uit de transportcontracten voortvloeiende rechten van de netgebruikers alsmede desbetreffende operationele informatie, met een adequate vooraankondiging. Dit houdt in dat onverwijld en op niet-discriminerende basis alle wijzigingen van geplande onderhoudsperiodes worden gepubliceerd en dat niet-gepland onderhoud wordt bekendgemaakt zodra de transmissiesysteembeheerders over deze informatie beschikken. Gedurende de onderhoudsperioden publiceren de transmissiesysteembeheerders regelmatig geactualiseerde informatie betreffende nadere bijzonderheden over het onderhoud, alsmede de verwachte duur en het effect ervan.
(10) De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke onderhouds- en flowstoringen die zich hebben voorgedaan en stellen dit op verzoek ter beschikking van de bevoegde instantie. Deze informatie wordt op verzoek eveneens ter beschikking gesteld van degenen die door een storing zijn getroffen.
2. PRINCIPES DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET MECHANISME VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER EN TOEPASSING VAN PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER IN GEVAL VAN CONTRACTUELE CONGESTIE
2.1. PRINCIPES DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN HET MECHANISME VOOR CAPACITEITSALLOCATIE EN DE PROCEDURES VOOR CONGESTIEBEHEER
(1) Het mechanisme voor capaciteitsallocatie en de procedures voor congestiebeheer zijn bevorderlijk voor de ontwikkeling van concurrentie en de liquide verhandeling van capaciteit en zijn compatibel met de marktmechanismen, inclusief de spotmarkten en trading hubs. Zij zijn flexibel en aanpasbaar aan veranderende marktomstandigheden.
(2) In deze mechanismen en procedures wordt rekening gehouden met de integriteit van het betrokken systeem en met de leveringszekerheid.
(3) Deze mechanismen en procedures belemmeren de toetreding van nieuwe marktdeelnemers niet en creëren evenmin overmatige hinderpalen voor het betreden van de markt. Zij beletten niet dat de marktdeelnemers, inclusief nieuwe marktdeelnemers en bedrijven met een klein marktaandeel, effectief concurreren.
(4) Door middel van deze mechanismen en procedures worden passende economische signalen gegeven voor de efficiënte en maximale benutting van technische capaciteit en worden investeringen in nieuwe infrastructuur aangemoedigd.
(5) Netgebruikers worden ingelicht over het soort omstandigheden dat de beschikbaarheid van gecontracteerde capaciteit kan beïnvloeden. De informatie over afschakeling dient overeen te komen met het informatieniveau waarover de transmissiesysteembeheerder beschikt.
(6) Indien het om systeemintegriteitsredenen moeilijk is de contractuele leveringsverplichtingen na te komen, brengen de transmissiesysteembeheerders de netgebruikers op de hoogte en zoeken ze onverwijld een niet-discriminerende oplossing.
De transmissiesysteembeheerders raadplegen netgebruikers over procedures alvorens deze uit te voeren en komen deze met de regelgevende instantie overeen.
2.2. PROCEDURES voor congestiebeheer in geval van contractuele congestie
(1) Ingeval gecontracteerde capaciteit niet wordt gebruikt, stellen de transmissiesysteembeheerders deze capaciteit op afschakelbare basis beschikbaar op de primaire markt via contracten van verschillende duur, mits deze capaciteit door de relevante netgebruiker (capaciteitshouder) niet tegen een redelijke prijs wordt aangeboden op de secundaire markt.
(2) Inkomsten uit vrijgegeven afschakelbare capaciteit worden gedeeld overeenkomstig de door de relevante regelgevende instantie vastgestelde of goedgekeurde regels. De regels zijn verenigbaar met de eis van een effectief en efficiënt gebruik van het systeem.
(3) Een redelijke prijs voor vrijgegeven afschakelbare capaciteit kan door de relevante regelgevende instanties worden bepaald, rekening houdend met de heersende specifieke omstandigheden.
(4) Waar passend doen de transmissiesysteembeheerders wat redelijkerwijs mogelijk is om ten minste een gedeelte van de ongebruikte capaciteit als vaste capaciteit aan de markt aan te bieden.
3. DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TOT HET SYSTEEM TE KUNNEN VERKRIJGEN EN DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIE-EISEN RELEVANTE PUNTEN, INCLUSIEF DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA AAN DE HAND WAARVAN DEZE INFORMATIE MOET WORDEN GEPUBLICEERD
3.1. DEFINITIE VAN DE TECHNISCHE INFORMATIE DIE NETGEBRUIKERS NODIG HEBBEN OM EFFECTIEVE TOEGANG TOT HET SYSTEEM TE KUNNEN VERKRIJGEN
De transmissiesysteembeheerders publiceren ten minste de volgende informatie over hun systemen en diensten:
a)
Een gedetailleerde en uitvoerige beschrijving van de verschillende aangeboden diensten en de bijbehorende tarieven;
b)
De verschillende types transportcontracten die voor deze diensten beschikbaar zijn en, in voorkomend geval, de netcode en/of de standaardvoorwaarden waarin de rechten en verantwoordelijkheden van alle netgebruikers worden beschreven, inclusief de geharmoniseerde transportcontracten en andere relevante documenten;
c)
De geharmoniseerde procedures die worden toegepast wanneer gebruik wordt gemaakt van het transmissiesysteem, inclusief de definitie van kernbegrippen;
d)
Voorzieningen inzake capaciteitsallocatie, congestiebeheer en ter voorkoming van hamsteren; procedures voor hergebruik;
e)
De regels die ten aanzien van de transmissiesysteembeheerder van toepassing zijn op de handel in capaciteit op de secundaire markt;
f)
In voorkomende gevallen de flexibiliteits- en tolerantiewaarden die zonder afzonderlijke vergoeding in het transport en de andere diensten inbegrepen zijn, alsook de daar bovenop aangeboden flexibiliteit en de overeenkomstige tarieven;
g)
Een gedetailleerde beschrijving van het gassysteem van de transmissiesysteembeheerder met vermelding van alle relevante punten die zijn systeem interconnecteren met dat van andere transmissiesysteembeheerders en/of gasinfrastructuur zoals LNG (vloeibaar aardgas) en infrastructuur die nodig is voor het aanbieden van ondersteunende diensten als bedoeld in artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2003/55/EG;
h)
Informatie over gaskwaliteit en drukeisen;
i)
De regels voor verbinding met het door de transmissiesysteembeheerder geëxploiteerde systeem;
j)
Alle - tijdig verstrekte - informatie betreffende voorgestelde en/of werkelijke wijzigingen van de diensten of voorwaarden, inclusief de onder a) tot i) opgenomen onderdelen.
3.2. DEFINITIE VAN ALLE VOOR DE TRANSPARANTIE-EISEN RELEVANTE PUNTEN
Tot de relevante punten behoren ten minste:
a)
Alle entrypunten van een door een transmissiesysteembeheerder geëxploiteerd net;
b)
De belangrijkste exitpunten en -zones die ten minste 50% van de totale exitcapaciteit van het net van een bepaalde transmissiesysteembeheerder bestrijken, evenals alle exitpunten en -zones die meer dan 2% van de totale exitcapaciteit van het net bestrijken;
c)
Alle punten die de verschillende netten van de transmissiesysteembeheerders interconnecteren;
d)
Alle punten die het net van een transmissiesysteembeheerder verbinden met een LNG-terminal;
e)
Alle essentiële punten binnen het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder inclusief de verbindingspunten met gashubs. Als essentieel gelden alle punten waar zich, naar de ervaring leert, fysieke congestie kan voordoen;
f)
Alle punten die het net van een gegeven transmissiesysteembeheerder verbinden met de infrastructuur voor het aanbieden van ondersteunende diensten in de zin van artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2003/55/EG.
3.3. DE OP ALLE RELEVANTE PUNTEN TE PUBLICEREN INFORMATIE EN HET TIJDSCHEMA VOOR DE PUBLICATIE VAN DEZE INFORMATIE
(1) Op alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders op het internet regelmatig/voortschrijdend en op een gebruikersvriendelijke gestandaardiseerde wijze de volgende informatie over de dagelijkse capaciteitssituatie:
a)
de maximale technische capaciteit voor flows in beide richtingen;
b)
de totale gecontracteerde en afschakelbare capaciteit;
c)
de beschikbare capaciteit.
(2) Voor alle relevante punten publiceren de transmissiesysteembeheerders ten minste 18 maanden van te voren de beschikbare capaciteiten en actualiseren zij deze informatie ten minste elke maand of frequenter indien nieuwe informatie beschikbaar wordt.
(3) De transmissiesysteembeheerders publiceren voor alle relevante punten dagelijks actualiseringen betreffende de beschikbaarheid van kortetermijndiensten (dag van te voren en week van te voren) op basis van onder meer nominaties, geldende contractuele verbintenissen en regelmatige langetermijnvoorspellingen (een termijn van ten hoogste tien jaar) van beschikbare capaciteiten op jaarbasis.
(4) De transmissiesysteembeheerders publiceren voor de afgelopen drie jaar voortschrijdend historische maximale en minimale maandelijkse capaciteitsgebruikspercentages en jaarlijkse gemiddelde flows op alle relevante punten.
(5) De transmissiesysteembeheerders houden dagelijks een logboek bij van de werkelijke geaggregeerde flows gedurende ten minste drie maanden.
(6) De transmissiesysteembeheerders registreren alle capaciteitscontracten en andere relevante informatie met betrekking tot het berekenen zowel als het verschaffen van toegang tot de beschikbare capaciteiten; de relevante nationale instanties hebben inzage in deze registraties voor de vervulling van hun taken.
(7) De transmissiesysteembeheerders verschaffen gebruikersvriendelijke instrumenten voor het berekenen van de tarieven voor de beschikbare diensten en voor het on-line verifiëren van de beschikbare capaciteit.
(8) Voorzover de transmissiesysteembeheerders niet in staat zijn de informatie te publiceren in overeenstemming met de punten 1, 3 en 7, plegen zij overleg met hun relevante nationale instanties en stellen zij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 31 december 2006, een actieplan op voor de uitvoering.
Standpunt van het Europees Parlement van 20 april 2004 (nog niet in het PB bekendgemaakt), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 november 2004 (PB C 25 E van 1.2.2005, blz. 44) en standpunt van het Europees Parlement van 8 maart 2005.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (12062/3/2004 – C6-0189/2004 – 2003/0184(COD))
– gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (12062/3/2004 – C6-0189/2004),
– gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2003)0468)(2),
– gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2004)0314)(3),
– gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,
– gelet op artikel 67 van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0003/2005),
1. hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;
2. neemt kennis van de verklaring van de Commissie over Bijlage II bis(4) bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 met betrekking tot het gemeenschappelijk standpunt van de Raad;
3. constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;
4. verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;
5. verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;
6. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake een communautaire vergunning voor luchtverkeersleiders (COM(2004)0473 – C6-0076/2004 – 2004/0146(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0473)(1),
– gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 80, lid 2 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0076/2004),
– gelet op artikel 51 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0038/2005),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 maart 2005 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/.../EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een communautaire vergunning voor luchtverkeersleiders
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 71,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) De tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim vereist de invoering van een meer gedetailleerde regelgeving, met name betreffende regelingen voor de vergunningverlening aan luchtverkeersleiders, om de hoogste verantwoordelijkheids- en bekwaamheidsnormen te waarborgen, de beschikbaarheid van luchtverkeersleiders te verbeteren en de wederzijdse erkenning van vergunningen te bevorderen, zoals bepaald in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim ("de luchtvaartnavigatiedienstenverordening")(5), één en ander in het streven naar een algemene verbetering van de veiligheid van de luchtvaart en de bekwaamheden van het personeel.
(2) Door de invoering van een dergelijke communautaire vergunning wordt de specifieke rol onderkend die luchtverkeersleiders vervullen bij een veilige vluchtafhandeling. De vaststelling van Europese bekwaamheidsnormen zal eveneens de versnippering op dit gebied verminderen en zorgen voor een efficiëntere organisatie van het werk in het kader van een toenemende regionale samenwerking tussen verleners van luchtvaartnavigatiediensten. Deze richtlijn is bijgevolg een wezenlijk onderdeel van de wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim.
(3) Een richtlijn is het meest aangewezen instrument om bekwaamheidseisen vast te stellen waarbij de beslissing over de wijze waarop de gemeenschappelijk overeengekomen normen moeten worden gehaald aan de lidstaten wordt overgelaten.
(4)Zoals blijkt uit de analyses van recente vliegongevallen, hangt de veiligheid af van de betrouwbaarheid van elke schakel van het luchtverkeersbeheer (LVB). Dit impliceert dat doeltreffender moet worden gewaakt over de bekwaamheden van het personeel dat werkzaam is op dit gebied. Na de tenuitvoerlegging van deze richtlijn dient de Gemeenschap een initiatief te starten om het vergunning- en kwalificatiesysteem voor beroepen in de veiligheidsketen van het luchtverkeersbeheer te regelen.
(5) Deze richtlijn dient voort te bouwen op bestaande internationale normen. De Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) heeft bepalingen inzake de vergunningverlening aan luchtverkeersleiders, inclusief eisen inzake talenkennis, vastgesteld. De Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), die werd opgericht bij het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart van 13 december 1960, heeft reglementaire voorschriften inzake veiligheid (Eurocontrol Safety Regulatory Requirements) vastgesteld. Overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 550/2004 worden bij deze richtlijn de eisen van Eurocontrol Safety Regulatory Requirement No 5 die relevant zijn voor luchtverkeersleiders in communautaire wetgeving omgezet.
(6) De bijzondere kenmerken van het luchtverkeer in de Gemeenschap vereisen een doeltreffende toepassing van communautaire bekwaamheidsnormen voor luchtverkeersleiders die in dienst zijn van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die zich bezighouden met het algemene luchtvervoer.
(7)Het communautair vergunningenstelsel dient ervoor te zorgen dat luchtverkeersleiders aan wie een vergunning is verleend, voldoende zijn opgeleid in veiligheids-, beveiligings- en crisismanagementtechnieken.
(8)De geldigheid van vergunningen die conform de nationale wetgeving vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn afgegeven, mag niet ter discussie worden gesteld.
(9) Wanneer de lidstaten maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de communautaire eisen worden nageleefd, dienen de met het toezicht en de controle op de naleving belaste autoriteiten in voldoende mate onafhankelijk te zijn van de aanbieders van opleidingen. Deze autoriteiten moeten tevens in staat zijn hun taken op efficiënte wijze te vervullen.
(10) De verlening van luchtvaartnavigatiediensten vereist hooggekwalificeerd personeel waarvan de bekwaamheden op verschillende manieren kunnen worden aangetoond. Voor de luchtverkeersleiding is dit de communautaire vergunning, die dient te worden gezien als een soort diploma van individuele luchtverkeersleiders. De bevoegdverklaring op een vergunning geeft het type luchtverkeersleidingsdiensten aan dat een luchtverkeersleider gerechtigd is te verlenen. Daarnaast geven de aantekeningen op de vergunning de specifieke bevoegdheden van de luchtverkeersleider weer, alsook de machtiging van de toezichthoudende instantie om diensten te verlenen ten behoeve van een bepaalde sector of groep van sectoren. Daarom moeten de autoriteiten in staat zijn bij de afgifte van vergunningen of de verlenging van aantekeningen de bevoegdheden van de luchtverkeersleiders te beoordelen; ook moeten zij bij twijfel aan die bevoegdheden de vergunning kunnen opschorten door de aantekeningen op de vergunning in te trekken. Billijkheidshalve mag in de richtlijn niet worden bepaald dat een incident automatisch leidt tot opschorting van de vergunning. Intrekking van de vergunning moet het uiterste middel zijn in extreme gevallen die losstaan van eventuele twijfels aan de bevoegdheid.
(11) Om het vertrouwen van de lidstaten in elkaars vergunningenstelsels te vergroten zijn communautaire regels voor het verkrijgen en behouden van vergunningen onmisbaar. Daarom is het van belang de voorwaarden voor de kwalificatie, de bekwaamheden en de toegang tot het beroep van luchtverkeersleider op het hoogste niveau te harmoniseren. Dit moet resulteren in veilige en hoogwaardige luchtverkeersleidingsdiensten en in de erkenning van vergunningen in de hele Gemeenschap, die op haar beurt het vrije verkeer moet stimuleren en de beschikbaarheid van luchtverkeersleiders moet vergroten.
(12) Om de bevoegdheden in de hele Gemeenschap onderling vergelijkbaar te maken moeten zij op een duidelijke en algemeen aanvaarde wijze worden gestructureerd. Dit zal de veiligheid helpen waarborgen, niet alleen binnen het door een verlener van luchtvaartnavigatiediensten gecontroleerde luchtruim, maar ook en met name op het raakvlak tussen het ressort van verschillende dienstverleners.
(13) De doelstellingen van de initiële opleiding zijn beschreven in de op verzoek van de leden van Eurocontrol ontwikkelde richtsnoeren en worden als adequate normen beschouwd. Voor opleidingen voor luchtverkeersleidingseenheden moet het gebrek aan algemeen aanvaarde normen worden gecompenseerd door een reeks maatregelen, waaronder de goedkeuring van examinatoren, die hoge bekwaamheidsnormen moeten garanderen. Dit is des te belangrijker daar opleidingen voor luchtverkeersleidingseenheden zeer kostbaar en veiligheidskritisch zijn.
(14) Bij veel incidenten en ongevallen speelt communicatie een doorslaggevende rol. Daarom heeft de ICAO eisen inzake talenkennis vastgesteld. Deze richtlijn is het instrument waarmee deze internationaal aanvaarde normen kunnen worden gehandhaafd.
(15) Op verzoek van de lidstaten van Eurocontrol zijn medische eisen ontwikkeld, die als een aanvaardbaar handhavingsmiddel worden beschouwd.
(16) Certificering van aanbieders van opleidingen dient te worden beschouwd als een van de veiligheidskritische pijlers onder de kwaliteit van opleidingen. Opleiding dient als een vergelijkbare dienst te worden beschouwd als luchtvaartnavigatiediensten, die eveneens aan een certificeringsproces worden onderworpen. Deze richtlijn moet het mogelijk maken opleidingen te certificeren per type, per pakket opleidingsdiensten of per pakket opleidings- en luchtvaartnavigatiediensten, zonder de specifieke kenmerken van de opleiding uit het oog te verliezen. Ook moet een passende aanpak worden gevolgd ten aanzien van opleidingsinstellingen die voorbereiden op het behalen van militaire vergunningen, zodat ook militaire luchtverkeersleiders zoveel mogelijk onder toepassing van de richtlijn vallen.
(17) Deze richtlijn bevestigt de constante jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie op het gebied van de wederzijdse erkenning van diploma's en het vrije verkeer van werknemers. Het proportionaliteitsbeginsel, de noodzaak van een gelijkwaardigheidstoetsing, de gegrondheid van het opleggen van compenserende maatregelen en de instelling van passende beroepsprocedures zijn basisprincipes waarvan de toepassing op de sector luchtverkeersbeheer sterker moet worden geprofileerd.
(18) Het beroep van luchtverkeersleider krijgt te maken met technische innovaties die vereisen dat de bevoegdheden van de betrokkenen regelmatig op peil worden gebracht. De richtlijn moet het mogelijk maken via de comitéprocedure de nodige aanpassingen aan de technische ontwikkelingen en de wetenschappelijke vooruitgang uit te voeren.
(19) Verder kan deze richtlijn van invloed zijn op de dagelijkse werkpraktijk van de luchtverkeersleiders. De sociale partners moeten op passende wijze worden geïnformeerd en geraadpleegd over alle maatregelen met grote maatschappelijke consequenties. Het Comité voor de sectoriële dialoog, dat is ingesteld bij Besluit 98/500/EG van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de oprichting van Comités voor de sectoriële dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau(6), werd dan ook geraadpleegd en zal ook verder voor alle toekomstige ontwikkelingen worden geraadpleegd.
(20) De lidstaten dienen regels vast te stellen inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat deze ten uitvoer worden gelegd. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.
(21) De voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen dienen te worden getroffen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7).
(22)Voor het verlengen van bestaande vergunningen overeenkomstig de bepalingen inzake de voorwaarden voor handhaving van de geldigheid van bevoegdverklaringen en aantekeningen wordt een omzettingstermijn van twee jaar toereikend geacht, aangezien deze bepalingen aansluiten bij bestaande internationale verplichtingen. Voor de taalkenniseisen evenwel dient een bijkomende omzettingstermijn van twee jaar te worden toegekend.
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Doel en reikwijdte
1. Deze richtlijn heeft als doel de veiligheidsnormen te verhogen en het functioneren van het communautaire luchtverkeersleidingssysteem te verbeteren door het verlenen van een communautaire vergunning voor luchtverkeersleiders.
In deze vergunning worden de voorwaarden voor toegang tot en uitoefening van het beroep van luchtverkeersleider vastgesteld.
2. Deze richtlijn is van toepassing op aanvragers van een leervergunning voor luchtverkeersleiders en op luchtverkeersleiders die hun werkzaamheden uitoefenen onder de verantwoordelijkheid van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die hoofdzakelijk in het algemene luchtverkeer actief zijn.
Artikel 2
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
"luchtverkeersleider": een persoon die gerechtigd is luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen, hetzij onder toezicht van een instructeur voor on-the-job training, hetzij zelfstandig;
2.
"luchtverkeersleidingsdienst": een dienst die wordt verleend ter voorkoming van botsingen tussen vliegtuigen en op het manoeuvreerterrein tussen vliegtuigen en obstakels, alsook om de doorstroming van het luchtverkeer te versnellen en ordelijk te laten verlopen;
3.
"verlener van luchtvaartnavigatiediensten": iedere openbare of particuliere rechtspersoon die luchtvaartnavigatiediensten levert ten behoeve van het algemene luchtverkeer;
4.
"vergunning": een certificaat, onder welke benaming dan ook, dat overeenkomstig deze richtlijn is afgegeven en van aantekeningen is voorzien, en de rechtmatige houder machtigt luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen overeenkomstig de daarin vermelde rechten;
5.
"bevoegdverklaring": de op een vergunning aangebrachte of daarmee samenhangende en van de vergunning deel uitmakende machtiging waarin melding wordt gemaakt van op de vergunning betrekking hebbende bijzondere voorwaarden, rechten of beperkingen; op een vergunning moet ten minste een van de volgende bevoegdverklaringen voorkomen:
a)
controle luchtvaartterrein – visueel (aerodrome control visual);
b)
controle luchtvaartterrein - op instrumenten (aerodrome control instrument);
c)
controle nadering – conventioneel (approach control procedural);
d)
controle nadering – radarbegeleiding (approach control surveillance);
e)
controle gebied – conventioneel (area control procedural);
f)
controle gebied – radarbegeleiding (area control surveillance);
6.
"aantekening": de op een vergunning aangebrachte machtiging, met name in de vorm van:
a)
een aantekening bij de bevoegdverklaring, waarin de specifiek op de bevoegdverklaring betrekking hebbende voorwaarden, rechten of beperkingen worden vermeld;
b)
een aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid, waarin de ICAO-locatie-indicator wordt aangegeven alsook de sectoren en/of werkplekken waarvoor de houder van de vergunning bevoegd is;
c)
een aantekening betreffende de talenkennis, waarin de taalkundige vaardigheden van de houder worden aangegeven, en
d)
een aantekening betreffende de instructiebevoegdheid, waarin de bevoegdheid om on-the-job training te geven wordt vermeld;
de aantekening kan betrekking hebben op een bevoegdverklaring of op de vergunning en maakt daar deel van uit;
7.
"ICAO-locatie-indicator": de uit vier letters bestaande code die is samengesteld overeenkomstig de door de ICAO in haar handboek DOC 7910 gegeven regels en is toegewezen aan de locatie van een vast luchtverkeersstation;
8.
"sector": een deel van een luchtverkeersleidingsgebied en/of van een vluchtinformatiegebied/hoger vluchtinformatiegebied;
9.
"opleiding": het geheel van theoretische cursussen, praktijkoefeningen, inclusief simulatie, en on-the-job training voor het verkrijgen en behouden van de vereiste bekwaamheden voor het verlenen van veilige luchtverkeersleidingsdiensten van hoge kwaliteit; de opleiding omvat:
a)
een initiële opleiding, die bestaat uit een basisopleiding en een opleiding met het oog op de bevoegdverklaring en leidt tot de toekenning van een leerlingvergunning;
b)
opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid, die bestaat uit een overgangsopleiding, gevolgd door een on-the-job training, en leidt tot de toekenning van een vergunning van luchtverkeersleider;
c)
voortgezette opleiding, om de geldigheid van de aantekeningen op de vergunning te handhaven;
d)
opleiding van instructeurs voor het geven van on-the-job training, die leidt tot het verkrijgen van de aantekening betreffende de instructiebevoegdheid;
e)
opleiding van examinatoren en beoordelaars;
f)
taalcursussen;
10.
"aanbieder van opleidingen": een organisatie die door de nationale toezichthoudende instantie is gecertificeerd voor het aanbieden van een of meer opleidingstypes als bedoeld in dit artikel, en die daartoe gerechtigd is opleidingscursussen, opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden of bekwaamhedenprogramma's voor luchtverkeersleidingseenheden ter goedkeuring voor te leggen;
11.
"bekwaamheidseisen overeenkomstig de doelstellingen van de richtsnoeren voor de gemeenschappelijke kerninhoud en de doelstellingen van de opleiding voor luchtverkeersleiders": de voor luchtverkeersleiders in opleiding geldende doelstellingen inzake basisopleiding en opleiding met het oog op de bevoegdverklaring, zoals omschreven in het Eurocontrol-document "Guidelines for Common Core Content and Training for Air Traffic Controllers" Training (Phase 1:Revised), HRS/TSP-002-GUI-01, tweede editie van 20.7.2001, en in het Eurocontrol-document "Guidelines for Common Core Content and Training for Air Traffic Controllers" Training (Phase II), HUM.ET1.ST05.1000-GUI-02, eerste editie van 20.7.2000;
12. "eisen van de Europese medische geschiktheidsklasse 3 voor luchtverkeersleiders": de eisen die zijn vastgesteld in het Eurocontrol-document Requirements for European Class 3 Medical Certification of Air Traffic Controllers, HUM.ET1.ST08.10000-STD-02, eerste editie van 31.1.2003;
13.
"bekwaamhedenprogramma voor een luchtverkeersleidingseenheid": een erkend programma waarin de methode is omschreven waarmee de eenheid de bekwaamheid van haar vergunninghouders op peil houdt;
14.
"geneesmiddelen": zowel op als zonder recept verkrijgbare medicijnen;
15.
"psychoactieve stoffen": alcohol, opioïden, cannabinoïden, sedativa, hypnotica, cocaïne, andere psychostimulantia, hallucinogene middelen en vluchtige oplosmiddelen, met uitzondering van koffie en tabak.
Artikel 3
Nationale toezichthoudende instanties
1. De lidstaten wijzen een of meer organisaties aan als hun nationale toezichthoudende instantie of richten deze op met het oog op het vervullen van de bij de richtlijn aan die instantie toegewezen taken.
2. De nationale toezichthoudende instanties zijn onafhankelijk van de aanbieders van opleidingen en verleners van luchtvaartnavigatiediensten. Deze onafhankelijkheid wordt gerealiseerd door ten minste op functioneel niveau een adequate scheiding tussen de nationale toezichthoudende instanties en de aanbieders van opleidingen en verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan te brengen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale toezichthoudende instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uitoefenen.
3. De lidstaten doen de Commissie de namen en adressen van de nationale toezichthoudende instanties alsook eventuele wijzigingen daarin toekomen en stellen haar in kennis van de overeenkomstig lid 2 getroffen maatregelen.
Artikel 4
Principes van de vergunningverlening
1.De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat luchtverkeersleiders en flow managers voldoende zijn opgeleid in veiligheid, beveiliging en crisismanagement.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat luchtverkeersleidingsdiensten alleen door luchtverkeersleiders met een overeenkomstig deze richtlijn afgegeven vergunning worden verleend.
3. Een vergunning wordt verleend aan een ieder die bekwaam is om als luchtverkeersleider of leerling-luchtverkeersleider op te treden.
4. Bij de verlening van een vergunning wordt daarin het volgende opgenomen:
a)
een of meer bevoegdverklaringen wanneer het een vergunning voor een leerling-luchtverkeersleider betreft en,
b)
een of meer bevoegdverklaringen en aantekeningen wanneer het een vergunning voor een luchtverkeersleider betreft.
5. Aanvragers van een vergunning moeten aantonen dat zij bekwaam zijn om als luchtverkeersleider of leerling-luchtverkeersleider op te treden. De bewijzen waaruit hun bekwaamheid moet blijken moeten betrekking hebben op kennis, ervaring, vaardigheden en talenkennis.
6. De vergunning blijft eigendom van degene aan wie zij is verleend en wordt door deze ondertekend.
De vergunning kan worden opgeschort wanneer er twijfel bestaat aan de bekwaamheid van de luchtverkeersleider of in geval van grove nalatigheid. Zij kan alleen bij misbruik worden ingetrokken.
7. De vergunning van leerling-luchtverkeersleider machtigt de houder luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen onder toezicht van een instructeur voor on-the-job training. Daartoe omvat de leerlingvergunning een bevoegdverklaring die aangeeft voor welk type luchtverkeersleidingsdiensten de houder van de vergunning wordt opgeleid.
8. Een vergunning is alleen geldig wanneer zij een geldig medisch certificaat omvat.
Artikel 5
Voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning
1. Vergunningen voor leerling-luchtverkeersleiders die tenminste één bevoegdverklaring bevatten worden verleend aan aanvragers die:
a)
houder zijn van tenminste een diploma middelbaar onderwijs of een diploma dat toegang geeft tot de universiteit;
b)
met succes een cursus initiële opleiding met betrekking tot de bevoegdverklaring of aantekening in kwestie, met inbegrip van een praktische en een simulatieopleiding, zoals vermeld in deel A van bijlage I bij deze richtlijn, hebben afgerond;
c)
in het bezit zijn van een geldig medisch certificaat; en
d)
blijk hebben gegeven van een passend niveau van taalkundige vaardigheden overeenkomstig de in bijlage II vermelde eisen.
2. Vergunningen voor luchtverkeersleiders die de bevoegdverklaringen waarvoor de opleiding met succes is afgerond alsook de nodige aantekeningen bevatten worden verleend aan aanvragers die:
a)
tenminste 21 jaar oud zijn; de lidstaten kunnen echter een procedure instellen om van deze eis af te wijken, met name wanneer de aanvrager in de loop van zijn opleiding heeft aangetoond dat hij over de nodige bekwaamheden beschikt om voor een veilig verloop van de werkzaamheden te zorgen;
b)
houder zijn van een leerlingvergunning, een erkende opleidingscursus voor luchtverkeersleidingseenheden hebben voltooid en geslaagd zijn voor de vereiste examens of beoordelingen overeenkomstig de in deel B van bijlage I vermelde eisen;
c)
in het bezit zijn van een geldig medisch certificaat; en
d)
blijk hebben gegeven van een passend niveau van taalkundige vaardigheden overeenkomstig de in bijlage II vermelde eisen.
3. De aantekening op de vergunning die vereist is voor instructeurs voor on-the-job training wordt verleend aan de houders van een vergunning van luchtverkeersleider die:
a)
in de onmiddellijk voorafgaande periodes, waarvan de duur wordt vastgesteld door de nationale toezichthoudende instantie, de rechten hebben uitgeoefend die verbonden zijn aan de bevoegdverklaring en de aantekening op grond waarvan zij in de betrokken luchtverkeersleidingseenheid als instructeur mogen optreden; en
b)
met succes een erkende cursus voor instructeurs voor on-the-job training hebben afgerond, in de loop waarvan de vereiste kennis en pedagogische vaardigheden zijn getoetst door middel van passende examens.
Artikel 6
Voorwaarden voor handhaving van de geldigheid van bevoegdverklaringen en aantekeningen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de geldigheidsduur van de aantekening met 12 maanden wordt verlengd indien de verlener van luchtvaartnavigatiediensten aantoont dat:
a)
de aanvrager in de voorbije twaalf maanden de aan de vergunning verbonden rechten gedurende een minimumaantal uren, zoals aangegeven in het goedgekeurde bekwaamhedenprogramma voor de luchtverkeersleidingseenheid, heeft uitgeoefend;
b)
de bevoegdheid van de aanvrager om de aan de aantekening verbonden rechten uit te oefenen is beoordeeld aan de hand van de in deel C van bijlage I vermelde normen; en
c)
de aanvrager in het bezit is van een geldig medisch certificaat.
2. Onverminderd lid 1, heeft de aantekening voor instructeurs voor on-the-job training een geldigheidsduur van 36 maanden, die kan worden verlengd.
3. De houder van een bevoegdverklaring die gedurende enige periode van vijf jaar geen luchtverkeersleidingsdiensten heeft verleend krachtens een met die bevoegdverklaring samenhangende aantekening kan de aan die bevoegdverklaring verbonden rechten slechts uitoefenen wanneer hij voldoet aan beoordelings- en opleidingseisen die waarborgen dat de houder over de nodige bekwaamheden beschikt om aan een opleiding voor de luchtverkeersleidingseenheid voor die bevoegdverklaring te beginnen.
4. Onverminderd lid 3, is een aantekening voor een luchtverkeersleidingseenheid niet langer geldig indien de houder in de loop van de in het bekwaamhedenprogramma voor de luchtverkeersleidingseenheid aangegeven periodes niet gedurende een minimumaantal uren luchtverkeersleidingsdiensten heeft verleend krachtens die aantekening.
5. Het minimumaantal werkuren, exclusief instructietaken, dat vereist is voor handhaving van de geldigheid van de aantekening kan voor instructeurs voor on-the-job training worden verlaagd naar rato van de tijd die zij besteden aan de opleiding van leerlingen op de werkplekken waarvoor de verlenging wordt aangevraagd.
Artikel 7
Bevoegdverklaringen en aantekeningen voor luchtverkeersleiders
1. Vergunningen bevatten een of meer bevoegdverklaringen zoals omschreven in lid 2 tot en met lid 7 die het type diensten aangeven dat door de houder van de vergunning mag worden verleend. Behalve door de in dit artikel bedoelde aantekeningen wordt de bevoegdverklaring gevalideerd door de aantekening inzake de talenkennis, de ICAO-locatie-indicator en de vermelding van de luchtverkeersleidingseenheid, de werkplek, de sector of de groep van sectoren.
2. De bevoegdverklaring "controle luchtvaartterrein – visueel" (Aerodrome Control Visual - ADV) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van het luchtvaartterreinverkeer op een luchtvaartterrein dat niet over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op instrumenten beschikt.
3. De bevoegdverklaring "controle luchtvaartterein – op instrumenten" (aerodrome control instrument - ADI) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van het luchtvaartterreinverkeer op een luchtvaartterrein dat over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op instrumenten beschikt, en moet ten minste voorzien zijn van een van de volgende aantekeningen:
a)
de aantekening "verkeerstorencontrole" (Tower Control - TWR), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen wanneer de luchtvaartterreincontrole vanuit één operationele positie wordt verzorgd;
b)
de aantekening "controle bewegingen op de grond" (Ground Movement Control - GMC), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is de controle op de bewegingen op de grond te verzorgen;
c)
de aantekening "radarbegeleiding bewegingen op de grond" (Ground Movement Surveillance - GMS), verleend naast de aantekening "controle bewegingen op de grond" of "verkeerstorencontrole", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is de controle op de bewegingen op de grond te verzorgen met behulp van grondverkeersleidingssystemen;
d)
de aantekening "luchtcontrole" (Air Control - AIR), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is de luchtcontrole te verzorgen;
e)
de aantekening "radarcontrole luchtvaartterrein" (Aerodrome Radar Control - RAD), verleend naast de aantekening "luchtcontrole" of "verkeerstorencontrole", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is de luchtvaartterreincontrole te verzorgen met behulp van radarbegeleidingsapparatuur.
4. De bevoegdverklaring "controle nadering – conventioneel" (Approach Control Procedural - APP) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen zonder hulp van radarbegeleidingsapparatuur.
5. De bevoegdverklaring "controle nadering – radarbegeleiding" (Approach Control Surveillance - APS) geeft aan dat de houder van een vergunning bevoegd is een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen ten behoeve van aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen met behulp van radarbegeleidingsapparatuur, en moet ten minste voorzien zijn van een van de volgende aantekeningen:
a)
de aantekening "radar" (RAD), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is een naderingsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van primaire en/of secundaire radarapparatuur;
b)
de aantekening "precisienadering met radar" (Precision Approach Radar - PAR), verleend naast de aantekening "radar", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen in het laatste stadium van de nadering van de landingsbaan vanaf de grond gecontroleerde precisienaderingen te verzorgen met behulp van precisienaderingsradar;
c)
de aantekening "nadering met radarbegeleiding" (Surveillance Radar Approach - SRA), verleend naast de aantekening "radar", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen in het laatste stadium van de nadering van de landingsbaan vanaf de grond gecontroleerde niet-precisienaderingen te verzorgen met behulp van radarbegeleiding;
d)
de aantekening "automatisch afhankelijk toezicht" (Automatic Dependent Surveillance - ADS), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is een naderingsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van automatisch afhankelijk toezicht;
e)
de aantekening "naderingsluchtverkeersleiding" (Terminal Control - TCL), verleend naast de aantekening "radar" of "automatisch afhankelijk toezicht", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen die in een bepaald naderingsluchtverkeersleidingsgebied en/of aangrenzende sectoren opereren luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen met behulp van radarbegeleiding.
6. De bevoegdverklaring "controle gebied – conventioneel" (Area Control Procedural - ACP) geeft aan dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen zonder radarbegeleiding.
7. De bevoegdverklaring "controle gebied – radarbegeleiding" (Area Control Surveillance - ACS) geeft aan dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen een luchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van radarbegeleiding, en moet ten minste voorzien zijn van een van de volgende aantekeningen:
a)
de aantekening "radar" (RAD), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is een gebiedsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van radarbegeleiding;
b)
de aantekening "automatisch afhankelijk toezicht" (Automatic Dependent Surveillance - ADS), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is een gebiedsluchtverkeersleidingsdienst te verlenen met behulp van automatisch afhankelijk toezicht;
c)
de aantekening "naderingsluchtverkeersleiding" (Terminal Control - TCL), verleend naast de aantekening "radar" of "automatisch afhankelijk toezicht", die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen die in een bepaald naderingsluchtverkeersleidingsgebied en/of aangrenzende sectoren opereren luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen met behulp van radarbegeleiding;
d)
de aantekening "oceaancontrole" (Oceanic Control - OCL), die aangeeft dat de vergunninghouder bevoegd is om ten behoeve van vliegtuigen die in een oceaanluchtverkeersleidingsgebied opereren luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen.
8. Onverminderd lid 1, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen die zich alleen voordoen als gevolg van specifieke kenmerken van het luchtverkeer in het onder hun verantwoordelijkheid vallende luchtruim, nationale aantekeningen ontwikkelen. Dergelijke aantekeningen moeten objectief gerechtvaardigd, niet-discriminerend, proportioneel en transparant zijn en mogen niet tot een inperking van het vrij verkeer van de luchtverkeersleiders leiden.
9. De aantekening "instructeur voor on-the-job training" geeft aan dat de vergunninghouder bevoegd is om opleidingen en toezicht te verzorgen in een operationele luchtverkeersleidingseenheid op gebieden waarvoor een geldige bevoegdverklaring voorhanden is.
10. Wijzigingen in dit artikel in verband met de wetenschappelijke of technische vooruitgang worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.
Artikel 8
Eisen inzake talenkennis
1. De lidstaten zorgen ervoor dat luchtverkeersleiders kunnen aantonen dat zij op een voldoende hoog niveau Engels kunnen spreken en begrijpen. Hun taalkennis moet beantwoorden aan de beoordelingsschaal in bijlage II. Zij moet tenminste niveau 4 van de in die bijlage vermelde taalkenniseisen bereiken.
2. Wijzigingen in dit artikel en in bijlage II in verband met de wetenschappelijke of technische vooruitgang worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.
3. De taalkennis van de aanvrager wordt met vaste tussenpozen formeel getoetst, behalve bij aanvragers met aantoonbare taalkennis op niveau 6.
De tussenpoos bedraagt maximaal 3 jaar voor aanvragers met aantoonbare taalkennis op niveau 4 en maximaal 6 jaar voor aanvragers met aantoonbare taalkennis op niveau 5.
4. De lidstaten kunnen eisen inzake kennis van de plaatselijke taal stellen wanneer dit noodzakelijk voor de veiligheid wordt geacht. Niettegenstaande lid 1 kunnen de lidstaten in bepaalde gevallen en om veiligheidsredenen niveau 5 van de ICAO-taalkennistest voor Engels en/of de plaatselijke taal verlangen, wanneer de operationele omstandigheden voor de kwalificatie of de aantekening in kwestie zulks rechtvaardigen. Een dergelijke eis moet met redenen worden omkleed, niet-discriminerend, proportioneel en transparant zijn.
5. Het bewijs van de taalkennis wordt in de vergunning opgenomen in de vorm van een specifieke aantekening inzake de taalkennis.
Artikel 9
Medische eisen
1. Medische certificaten worden afgegeven overeenkomstig de eisen van de Europese medische geschiktheidsklasse 3 voor luchtverkeersleiders.
Door de nationale toezichthoudende instantie erkende medische beoordelaars stellen rapporten op op basis van die eisen.
Bij de keuring wordt terdege rekening gehouden met de leeftijd van de aanvrager en met de specifieke kenmerken van de werkplek, overeenkomstig het proportionaliteitsbeginsel.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat doeltreffende beroepsprocedures worden ingevoerd om te waarborgen dat de gekeurden een eerlijke behandeling krijgen en dat de verleners van luchtvaartnavigatiediensten de nodige maatregelen treffen wanneer vergunninghouders geen geldig medisch certificaat verkrijgen.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat procedures worden vastgesteld voor de behandeling van gevallen van verminderde medische geschiktheid en om vergunninghouders in staat te stellen hun werkgevers in te lichten dat zij zich bewust worden van een achteruitgang in hun medische geschiktheid of onder de invloed zijn van psychoactieve stoffen of geneesmiddelen, waardoor zij mogelijk niet langer in staat zijn de aan de vergunning verbonden rechten uit te oefenen, zodat de verleners van luchtvaartnavigatiediensten toezicht kunnen houden om misbruik van psychoactieve stoffen door de luchtverkeersleiders te voorkomen en advies kunnen verstrekken aan luchtverkeersleiders die medicijnen nemen.
4. Wijzigingen in de verwijzing in artikel 2, punt 12, in verband met de wetenschappelijke of technische vooruitgang worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.
Artikel 10
Certificering van aanbieders van opleidingen
1. Voor het verzorgen van opleidingen voor luchtverkeersleiders binnen de Gemeenschap is certificering door de nationale toezichthoudende instanties een voorwaarde.
2. De certificeringseisen hebben betrekking op de technische en operationele bekwaamheden alsook op het vermogen om op pedagogisch doelmatige wijze opleidingscursussen te organiseren zoals vermeld in punt 1) van bijlage III.
3. Certificeringsaanvragen moeten worden ingediend bij de nationale toezichthoudende instanties van de lidstaat waar de aanvrager zijn hoofdvestiging en in voorkomend geval zijn maatschappelijke zetel heeft.
De nationale toezichthoudende instanties geven een certificaat af wanneer aan de in punt 1) van bijlage III vermelde eisen is voldaan.
Certificaten kunnen worden afgegeven voor elk type opleiding zoals omschreven in artikel 2, punt 9, of in combinatie met andere luchtvaartnavigatiediensten, in welk geval de opleiding en de luchtvaartnavigatiedienst als één dienstenpakket worden gecertificeerd.
4. In de certificaten worden de rechten en verplichtingen van de aanbieders van opleidingen beschreven.
Certificering is alleen onderworpen aan de in de punten 2) en 3) van bijlage III vermelde voorwaarden. Deze voorwaarden moeten objectief gerechtvaardigd, niet-discriminerend, proportioneel en transparant zijn.
5. De nationale toezichthoudende instanties zien toe op de naleving van de aan de certificaten verbonden eisen en voorwaarden. Indien een nationale toezichthoudende instantie vaststelt dat de houder van een certificaat niet langer aan de eisen of voorwaarden voldoet, neemt zij passende maatregelen, die intrekking van het certificaat kunnen omvatten.
6. Een lidstaat moet elk in een andere lidstaat afgegeven certificaat erkennen.
Artikel 11
Boekhoudbeheer van aanbieders van opleidingen
1.Aanbieders van opleidingen publiceren een jaarverslag en onderwerpen zich regelmatig aan een onafhankelijke financiële accountantscontrole. Voorzover de rechtsvorm van de aanbieders van opleidingen zulks toelaat, moeten de rekeningen voldoen aan de door de Gemeenschap vastgesteld internationale boekhoudnormen.
2. Wanneer zij verschillende types opleidingen verzorgen specificeren de aanbieders in hun interne boekhouding de relevante kosten en inkomsten van de opleidingsdiensten en voeren zij in voorkomend geval geconsolideerde rekeningen voor andere, niet opleidinggerelateerde diensten, zoals vereist zou zijn indien de betrokken diensten door afzonderlijke ondernemingen werden verleend.
3. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die gerechtigd zijn toegang te verkrijgen tot de rekeningen van de aanbieders van opleidingen.
4. De lidstaten kunnen de overgangbepalingen van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1606/2002(8) toepassen op onder die verordening vallende aanbieders van opleidingen.
5. Aanbieders die opleidingen verzorgen die leiden tot de verlening van militaire vergunningen worden vrijgesteld van de in de leden 1 en 2 vermelde verplichtingen.
Artikel 12
Garantie voor de naleving van de bekwaamheidsnormen
1. Om de bekwaamheidsniveaus te garanderen die onmisbaar zijn voor luchtverkeersleiders om hun taak volgens hoge veiligheidsnormen te vervullen, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale toezichthoudende instanties toezicht en controle uitoefenen op hun opleiding.
Deze verantwoordelijkheid omvat het volgende:
a)
het verlenen, up-to-date houden, opschorten en intrekken van vergunningen;
b)
certificering van aanbieders van opleidingen;
c)
goedkeuring van opleidingscursussen, opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden en bekwaamhedenprogramma's voor luchtverkeersleidingseenheden;
d)
goedkeuring van examinatoren die de bekwaamheid toetsen;
e)
het houden van toezicht en audits op het opleidingssysteem; en
f)
vaststelling van passende beroeps- en kennisgevingsprocedures.
2. De nationale toezichthoudende instanties zetten een databank op waarin de bevoegdheden van alle vergunninghouders en de geldigheidsdata van hun aantekeningen worden opgeslagen. In dit verband houden de operationele eenheden van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten aantekening van de daadwerkelijk in de sector, groep van sectoren of operationele eenheden gewerkte uren voor elke in de eenheid werkzame vergunninghouder, en verstrekken zij deze gegevens aan de nationale toezichthoudende instanties indien deze daarom verzoeken.
3. De nationale toezichthoudende instanties verlenen hun goedkeuring aan de vergunninghouders die bevoegd zijn om op te treden als examinator voor toetsing of als beoordelaar van de bekwaamheden voor het geven van opleidingen ten behoeve van luchtverkeersleidingseenheden en van voortgezette opleidingen. De goedkeuring geldt voor een periode van drie jaar, die kan worden verlengd.
4. De nationale toezichthoudende instanties voeren regelmatig een audit uit op alle onderdelen van het vergunningensysteem ten einde een effectieve naleving van de in deze richtlijn vastgestelde normen te garanderen.
Naast deze regelmatige audit kunnen de nationale toezichthoudende instanties bezoeken ter plaatse organiseren om na te gaan of deze richtlijn daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd en de daarin vervatte normen worden nageleefd.
De nationale toezichthoudende instanties doen de Commissie jaarlijks een verslag over de toepassing van deze richtlijn toekomen, vergezeld van de resultaten van de audits.
5. De nationale toezichthoudende instanties kunnen besluiten de in lid 4 bedoelde auditwerkzaamheden en inspecties geheel of gedeeltelijk te delegeren aan erkende organisaties als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 550/2004.
Artikel 13
Wederzijdse erkenning van vergunningen van luchtverkeersleiders
1. Elke lidstaat erkent de overeenkomstig deze richtlijn door de nationale toezichthoudende instantie van een andere lidstaat verleende vergunningen en bijbehorende bevoegdverklaringen en aantekeningen.
2. Om de aangevraagde aantekening te kunnen verlenen, verlangen de nationale toezichthoudende instanties van de aanvrager te voldoen aan de aan de aantekening verbonden bijzondere voorwaarden, onder vermelding van de eenheid, de sector of de werkplek. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid tussen de aantekeningen waarover de aanvrager reeds beschikt en die welke hij dient te verwerven, houdt de verlener van luchtvaartnavigatiediensten bij de opstelling van het opleidingsplan voor de luchtverkeersleidingseenheid terdege rekening met de door de aanvrager verworven bekwaamheden en ervaring.
3. Indien de aanvrager houder is van een door een derde land van een aantekening voorziene vergunning of een militaire vergunning van een lidstaat, kan de nationale toezichthoudende instantie van de aanvrager verlangen te voldoen aan de aan het verkrijgen van de betrokken bevoegdverklaring en aantekening verbonden voorwaarden. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de vergunning wordt terdege rekening gehouden met de overeenkomstig de internationale normen verkregen bevoegdheden.
4. Uiterlijk vier weken na de indiening van de bewijsstukken, onder voorbehoud van de uit een eventueel beroep voortvloeiende extra termijn, verlenen de nationale toezichthoudende instanties hun goedkeuring aan en nemen een met redenen omkleed besluit over het opleidingsplan voor de luchtverkeersleidingseenheid met de voorgestelde opleiding voor de aanvrager. Bij hun besluitvorming zorgen de nationale toezichthoudende instanties ervoor dat het non-discriminatie- en het proportionaliteitsbeginsel in acht worden genomen.
5.De nationale toezichthoudende instanties vergewissen zich ervan dat de rechten en plichten van de arbeidsrelatie tussen de kandidaat en de werkgever in overeenstemming zijn met de nationale bepalingen die van toepassing zijn op luchtverkeersleiders van het land waar de kandidaat zijn werkzaamheden verricht.
Artikel 14
Comité
1. De Commissie wordt geassisteerd door het bij artikel 5 van Verordening (EG) nr. 549/2004(9) ingestelde Comité voor het gemeenschappelijk luchtruim.
2. In de gevallen waarin naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 daarvan, van toepassing.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 15
Sancties
De lidstaten streven naar volledige harmonisatie van sancties op overtredingen van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen vast en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. De sancties waarin wordt voorzien moeten doeltreffend en evenredig zijn, en een afschrikkende werking hebben. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op ...(10) de in artikel 16 vermelde datum in kennis van de desbetreffende bepalingen, en delen haar onverwijld eventuele latere wijzigingen daarop mede.
Artikel 16
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... (11) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen en een correlatietabel tussen die bepalingen en de onderhavige richtlijn.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 17
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 8 is van toepassing met ingang van ...(12)*.
Artikel 18
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De Voorzitter De Voorzitter
BIJLAGE I
OPLEIDINGSEISEN
DEEL A
VEREISTEN VOOR DE INITIËLE OPLEIDING TOT LUCHTVERKEERSLEIDER
Het doel van de initiële opleiding is te garanderen dat de personen die een opleiding tot luchtverkeersleider volgen ten minste voldoen aan de bekwaamheidsvereisten die zijn vastgesteld in de richtsnoeren voor de gemeenschappelijke kerninhoud en de doelstellingen van de opleiding voor luchtverkeersleiders ("Guidelines for Common Core Content and Training Objectives for Air Traffic Controllers" Training"), zodat ze in staat zijn het luchtverkeer veilig, snel en efficiënt te leiden. Wijzigingen van de in artikel 2, lid 11, gedefinieerde termen ten gevolge van de technische of wetenschappelijke vooruitgang, moeten overeenkomstig de procedure van artikel 14, lid 2, worden goedgekeurd.
De initiële opleiding heeft betrekking op de volgende thema's: luchtvaartwetgeving, luchtverkeersbeheer, inclusief procedures voor samenwerking tussen militaire en burgerluchtvaart, meteorologie, navigatie, luchtvaartuigen en beginselen van de luchtvaart, inclusief heldere communicatie tussen luchtverkeersleiders en piloten, menselijke factoren, uitrusting en systemen, beroepsomgeving, ongewone en noodsituaties, systeemdefecten, talenkennis, inclusief radiotelefoniejargon.
Tijdens de opleiding met betrekking tot deze thema's worden de kandidaten voorbereid op de verschillende types luchtverkeersdiensten en worden de veiligheidsaspecten extra in de verf gezet. De initiële opleiding bestaat uit theorie en praktijk, inclusief simulaties. De duur van de initiële opleiding wordt vastgesteld in de goedgekeurde opleidingsplannen. De bekwaamheden die de kandidaten tijdens deze opleiding verwerven, stellen hen in staat complexe en drukke verkeerssituaties in goede banen te leiden en vergemakkelijken de overgang naar de opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid. De bekwaamheden die de kanditaten tijdens de initiële opleiding hebben verworven, worden beoordeeld aan de hand van examens.
DEEL B
VEREISTEN INZAKE DE OPLEIDING VAN LUCHTVERKEERSLEIDERS VOOR EEN LUCHTVERKEERSLEIDINGSEENHEID
In de opleidingsplannen voor luchtverkeersleidingseenheden worden de processen en het tijdschema die kandidaat-luchtverkeersleiders in staat moeten stellen om, onder toezicht van een on-the-job instructeur, de procedures voor de eenheid op het lokale gebied toe te passen, in detail uiteengezet. In het goedgekeurde plan moeten alle elementen van het systeem voor bekwaamheidsbeoordeling aan bod komen, zoals werkregelingen, voortgangsbeoordeling en examens, samen met de procedures voor aanmelding bij de nationale toezichthoudende instanties.
De duur van de opleiding voor een luchtverkeersleidingseenheid wordt bepaald in het opleidingsplan voor de eenheid. De vereiste bekwaamheden worden beoordeeld aan de hand van examens of op basis van permanente beoordeling door neutrale en objectieve examinatoren of beoordelaars. De nationale toezichthoudende instanties voorzien in beroepsmogelijkheden om de eerlijke behandeling van de kandidaten te garanderen.
DEEL C
VEREISTEN INZAKE VOORTGEZETTE OPLEIDING VOOR LUCHTVERKEERSLEIDERS
De bevoegdverklaringsaantekeningen en aantekeningen voor een luchtverkeersleidingseenheid op de vergunningen van luchtverkeersleiders blijven geldig wanneer de luchtverkeersleider een goedgekeurde voortgezette opleiding volgt. Deze opleiding heeft tot doel de luchtverkeersleiders inzetbaar te houden en bestaat uit herhalingscursussen, een opleiding om met noodsituaties te leren omgaan en eventueel een taalopleiding.
De voortgezette opleiding bestaat uit theorie- en praktijkcursussen en uit simulaties. De opleider stelt overzichten van de vaardigheden van de eenheden op, waarin gedetailleerd is aangegeven welke processen, personeelsleden en tijdschema's nodig zijn om de voortgezette opleiding te verstrekken en om de vaardigheden aan te tonen. Deze overzichten worden minstens om de drie jaar herzien en goedgekeurd. De duur van de voortgezette opleiding wordt bepaald op basis van de functionele behoeften van de luchtverkeersleiders van de eenheid, met name met het oog op een wijziging of een geplande wijziging van de procedures of apparatuur of met het oog op de algemene veiligheidseisen. De vaardigheden van elke luchtverkeersleider worden minstens om de drie jaar beoordeeld. De dienstverlener op het vlak van luchtvaartnavigatie moet er op toezien dat vergunninghouders ook gelijk worden behandeld wanneer de geldigheid van hun aantekeningen niet kan worden verlengd.
BIJLAGE II
VEREISTEN INZAKE TALENKENNIS
De in artikel 8 vastgestelde vereisten inzake talenkennis gelden zowel voor het gebruik van jargon als van gewone taal. Om aan de vereisten inzake talenkennis te voldoen, moet uit de beoordeling blijken dat de aanvrager of houders van een vergunning minstens operationeel niveau 4 van de in deze bijlage opgenomen beoordelingsschaal heeft bereikt.
De desbetreffende personen beschikken over de nodige talenkennis wanneer zij in staat zijn:
a)
doeltreffend te communiceren in situaties waarbij alleen de stem hoorbaar is (telefoon/radiotelefoon) of in persoonlijke gesprekken;
b)
accuraat en duidelijk te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's;
c)
passende communicatiestrategieën te gebruiken om boodschappen uit te wisselen en om misverstanden te herkennen en op te lossen (bv. informatie controleren, bevestigen of verduidelijken) in een algemene of werkgerelateerde context;
d)
succesvol en relatief gemakkelijk de taalkundige problemen op te lossen die gepaard gaan met complicaties of onverwachte gebeurtenissen die zich voordoen in het kader van een gewone werksituatie of een communicatieve taak waarmee zij vertrouwd zijn; en
e)
taalvarianten of accenten te gebruiken die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.
Schaal voor de beoordeling van talenkennis: niveaus uitstekend, zeer goed en operationeel
Niveau
Uitspraak
taalvarianten en/of accenten die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.
Structuur
De relevante grammaticale structuren en zinspatronen worden bepaald door op de taken afgestemde taalfuncties.
Woordenschat
Vlotheid
Begrip
Interacties
Uitstekend
6
Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen nooit de verstaanbaarheid in het gedrang.
Constante goede beheersing van zowel eenvoudige als complexe grammaticale structuren en zinspatronen.
De spreker beschikt over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over een breed gamma van bekende en onbekende thema's. De woordenschat is idiomatisch, genuanceerd en registergevoelig.
De spreker moet in staat zijn om op een vlotte en natuurlijke wijze een uitgebreid gesprek te voeren en om stylistische effecten te creëren (bijvoorbeeld om iets te benadrukken) door middel van variaties in zijn taalgebruik. De spreker moet spontaan gebruik maken van passende connectoren.
De spreker geeft blijk van een constant goed begrip in bijna alle contexten, inclusief begrip van taalkundige en culturele subtiliteiten.
De spreker interageert gemakkelijk in bijna alle situaties. Hij is gevoelig voor verbale en niet-verbale signalen en weet gepast op deze signalen te reageren.
Zeer goed
5
Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen uiterst zelden de verstaanbaarheid in het gedrang.
Constante goede beheersing van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. De spreker waagt zich ook aan complexe structuren, maar maakt hierbij nog fouten die soms de betekenis in het gedrang brengen.
De spreker beschikt over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's. De spreker maakt consistent en succesvol gebruik van parafrases. Zijn woordenschat is soms idiomatisch.
De spreker moet in staat zijn om betrekkelijk vlot een uitgebreid gesprek te voeren over bekende thema's. Hij is nog niet in staat stylistische effecten te creëren door variaties in zijn taalgebruik. Hij maakt wel al gebruik van passende connectoren.
De spreker geeft blijk van een goed begrip van gewone, concrete en werkgerelateerde thema's en een veelal goed begrip wanneer hij geconfronteerd wordt met een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid. Hij is in staat een breed gamma aan spraakvariëteiten (dialecten en/of accenten) of taalregisters te begrijpen.
De spreker reageert onmiddellijk, gepast en informatief. Hij weet de spreker/luisteraar-verhouding doeltreffend te beheren.
Operationeel
Niveau 4
Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn weliswaar beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker, maar brengen zelden de verstaanbaarheid in het gedrang.
De spreker maakt creatief gebruik van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. Hij beheerst deze over het algemeen goed. Hij maakt nog fouten, met name in ongewone of onverwachte omstandigheden, maar de betekenis heeft zelden te lijden onder deze fouten.
De spreker beschikt in de meeste gevallen over een voldoende grote en accurate woordenschat om doeltreffend te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's. Wanneer de spreker in onbekende of onverwachte omstandigheden niet over de nodige woordenschat beschikt, maakt hij vaak succesvol gebruik van parafrases.
De spreker produceert taaluitingen tegen een passend tempo. De overgangen van ingestudeerde of formulaire taaluitingen naar spontane interactie verloopt soms minder vlot, maar dit belemmert de effectieve comunicatie niet. De spreker maakt reeds in beperkte mate gebruik van connectoren. Eventuele stopwoorden leiden de aandacht niet af.
De spreker geeft in de meeste gevallen blijk van een goed begrip van gewone, concrete en werkgerelateerde thema's, wanneer het gebruikte accent of de gebruikte taalvariëteit voldoende begrijpelijk is voor een internationale gemeenschap van taalgebruikers. Wanneer de spreker wordt geconfronteerd met een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid, duurt het soms langer alvorens hij de taaluiting begrijpt of heeft hij verduidelijkingsstrategieën nodig.
De spreker reageert veelal onmiddellijk, gepast en informatief. Hij kan gesprekken aanknopen en deze op gang houden, zelfs als hij met onverwachte omstandigheden wordt geconfronteerd. Hij gaat op passende wijze om met duidelijke misverstanden door deze te verifiëren, te bevestigen of te verduidelijken.
Schaal voor de beoordeling van talenkennis: niveaus Pre-operationeel, elementair en pre-elementair
Niveau
Uitspraak
Taalvarianten en/of accenten die verstaanbaar zijn voor de luchtvaartgemeenschap.
Structuur
De relevante grammaticale structuren en zinspatronen worden bepaald door op de taken afgestemde taalfuncties.
Woordenschat
Vlotheid
Begrip
Interacties
Pre-
operationeel
3
Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker en brengen regelmatig de verstaanbaarheid in het gedrang.
De spreker heeft in voorspelbare situaties niet altijd een goede beheersing van eenvoudige grammaticale structuren en zinspatronen. De betekenis heeft vaak te lijden onder deze fouten.
De spreker beschikt vaak over een voldoende grote en accurate woordenschat om te communiceren over gewone, concrete en werkgerelateerde thema's, maar zijn woordenschat is beperkt en zijn woordkeuze is vaak niet de juiste. Hij is vaak niet in staat om succesvol te parafraseren wanneer hij niet over de juiste woordenschat beschikt.
De spreker produceert taalfragmenten, maar drukt deze vaak niet goed uit en maakt ook niet goed gebruik van pauzes. Aarzelingen of trage taalverwerking kunnen doeltreffende communicatie belemmeren. Stopwoorden leiden soms de aandacht af.
De spreker geeft vaak blijk van een accuraat begripsvermogen wanneer het om gewone, concrete en werkgerelateerde thema's gaat, voorzover de gebruikte accenten en taalvariëteiten voldoende begrijpelijk zijn voor een internationale gemeenschap van taalgebruikers. Het is mogelijk dat de spreker een taalkundige complicatie of een onverwachte omstandigheid niet begrijpt.
De spreker reageert soms onmiddellijk, gepast en informatief. In voorspelbare situaties kan hij betrekkelijk gemakkelijk gesprekken over bekende thema's aanknopen en deze op gang houden. Hij slaagt daar in het algemeen niet in als hij met onverwachte gebeurtenissen wordt geconfronteerd.
Elementair
2
Uitspraak, klemtoon, ritme en intonatie zijn sterk beïnvloed door de eerste taal of regionale taalvariant van de spreker en brengen regelmatig de verstaanbaarheid in het gedrang.
De spreker beheerst enkel een paar eenvoudige, gememoriseerde grammaticale structuren en zinspatronen.
De spreker heeft een beperkte woordenschat die enkel bestaat uit geïsoleerde woorden en gememoriseerde zinnen.
De spreker is in staat zeer korte, geïsoleerde en gememoriseerde taalfragmenten te produceren, maar maakt daarbij frequent gebruik van pauzes en stopwoorden om uitdrukkingen te zoeken en minder gebruikelijke woorden uit te spreken.
De spreker begrijpt alleen geïsoleerde, gememoriseerde zinnen, voorzover ze zorgvuldig en traag worden uitgesproken.
De spreker heeft veel tijd nodig om te antwoorden en het antwoord is vaak ontoereikend. De interactie blijft beperkt tot eenvoudige routineuze uitwisselingen.
Pre-
elementair
1
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
De spreker bevindt zich op een niveau onder het elementaire niveau.
Opmerking: Voor communicatie via radiotelefonie is minstens het operationeel niveau (niveau 4) vereist. De niveaus 1 tot en met 3 hebben respectievelijk betrekking op de pre-elementaire, elementaire, en pre-operationele niveaus van talenkennis. Deze drie niveaus beantwoorden niet aan de ICAO-vereisten inzake talenkennis. De niveaus 5 en 6 (zeer goed en uitstekend) zijn hoger dan de minimumnorm. Deze schaal doet dienst als de maatstaf voor opleidingen en tests en helpt de kandidaten bij het bereiken van het operationele ICAO-niveau (niveau 4).
BIJLAGE III
VEREISTEN EN VOORWAARDEN VOOR CERTIFICATEN VOOR AANBIEDERS VAN OPLEIDINGEN
1) De in de artikelen 10 en 11 vermelde vereisten hebben met name betrekking op:
a)
de inhoud, organisatie en duur van de cursussen,
b)
de wijze waarop de examens worden georganiseerd,
c)
de kwaliteit en ervaring van de instructeurs en het onderwijzend personeel,
d)
de faciliteiten, apparatuur en accomodatie van de opleider,
e)
het systeem en de processen voor kwaliteitsbeheer,
f)
de kwaliteit van de diensten,
g)
de financiële sterkte,
h)
de aansprakelijkheid en verzekering,
i)
de eigendomsverhoudingen en de organisatiestructuur.
2) Op de certificaten moet het volgende zijn vermeld:
a)
de nationale toezichthoudende instantie die het certificaat heeft afgegeven,
b)
de aanvrager (naam en adres),
c)
het type diensten waarop het certificaat betrekking heeft,
d)
een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de eisen van punt 1),
e)
de datum van afgifte en de geldigheidstermijn van het certificaat.
3) Eventueel mogen ook aanvullende voorwaarden aan het certificaat worden gesteld, met betrekking tot:
a)
de operationele specificaties van de diensten in kwestie,
b)
het tijdstip waarop de diensten kunnen worden verleend,
c)
andere wettelijke voorwaarden die niet specifiek zijn voor luchtvaartnavigatiediensten, zoals de voorwaarden voor opschorting of intrekking van het certificaat.
Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 over de toepassing van de internationale boekhoudnormen (PB L 243 van 11.9.2002, blz.1).
Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1).
– gelet op de artikelen 266 en 267 van het EG-Verdrag, waarbij de Europese Investeringsbank (EIB) wordt ingesteld, en het aan het Verdrag gehechte Protocol betreffende het statuut van de Europese Investeringsbank,
– gelet op het besluit van zijn Conferentie van voorzitters van 15 mei 1996 om jaarlijks in de ter zake bevoegde commissie een bespreking over de prioriteiten van de leningen, het jaarverslag en de toekomstige oriëntering van de EIB te houden,
– gezien het activiteitenverslag 2003 van de EIB-groep, het activiteitenplan 2004-2006 van deze groep, het jaarverslag 2003 van het Europees Investeringsfonds (EIF); de jaarverslagen van het Controlecomité over het boekjaar 2003 en de reactie daarop van de directie, alsmede het debat dat op 23 november 2004 in de ter zake bevoegde commissie gehouden is met de president van de EIB,
– gezien de verklaring over het bestuur van de EIB van 2 juni 2004,
– gezien de opmerkingen in het jaarverslag 2003 van de Rekenkamer,
– gezien de samenwerkingsovereenkomst Commissie/EIB van januari 2000,
– gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, van de Europese Raad van Göteborg van 15 en 16 juni 2001 en van de Europese Raad van Brussel van 12 en 13 december 2003,
– gezien zijn resolutie van 22 april 2004 over het activiteitenverslag 2002 van de Europese Investeringsbank(1),
– gelet op artikel 112, lid 2, en artikel 45 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0032/2005),
A. overwegende dat de EIB een openbare bank is, die door het EG-Verdrag is ingesteld als belangrijkste financiële instelling van de Europese Unie voor de verwezenlijking van haar doelstellingen, via haar investeringen en de investeringen die zij vrijmaakt; dat de bijdrage van de EIB aan deze doelstellingen opnieuw werd bevestigd door de Europese Raden van Lissabon en Göteborg; dat deze Raden de grote lijnen van deze doelstellingen hebben bepaald: t.w. een economie met een concurrentievermogen dat berust op kennis en sociale samenhang, met naleving van lokale en mondiale milieubeperkingen,
B. overwegende dat de Unie zich tijdens deze Raden tot doel heeft gesteld om de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden, waarbij een duurzame economische groei leidt tot meer en betere banen, een hechtere sociale samenhang en de naleving van milieubeperkingen; dat deze doelstelling aanzienlijke investeringen veronderstelt; dat het belang van de rol van de EIB ook wordt onderkend voor de tenuitvoerlegging van het Groei-initiatief; dat het Europees Parlement eveneens het bijzondere belang heeft onderstreept van de financiering uit eigen middelen van het risicokapitaal, het midden- en kleinbedrijf (MKB) en het menselijk kapitaal,
C. overwegende dat er aanzienlijke verschillen zijn bij de vraag naar en de verlening van kredieten aan het MKB in de verschillende lidstaten,
D. overwegende dat de leningen die in 2003 werden toegekend 46,6 miljard euro bedroegen, waarvan 37,3 miljard voor de lidstaten van de Unie (80%), 5,7 miljard voor de toegetreden landen en de kandidaat-landen voor toetreding, 3,6 miljard voor partnerlanden, met name 2,1 miljard voor landen van het Euro-mediterraan partnerschap en 0,5 miljard voor de ACS- en LGO-landen, waarbij ongeveer 40% van deze leningen door intermediaire banken werd doorgevoerd,
E. overwegende dat het belang van de EIB in het geheel van instellingen van de Unie, en de hoeveelheid kredieten die zij beheert en vrijmaakt, waarvan sommige afkomstig zijn uit de begroting van de Unie, een rechtvaardiging vormen voor de dialoog die zij nastreeft met het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en voor de evaluatie door de Rekenkamer en (waar het financiële middelen van de Unie betreft) door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),
F. overwegende dat de EIB een belangrijke rol speelt en een multiplicatorfunctie heeft bij de mobilisering van andere financieringsbronnen, doordat zij deelneming van de particuliere sector en een gedeeld risico bevordert, met name met behulp van risicokapitaalinstrumenten en het toestaan van garanties,
1. feliciteert de EIB met het activiteitenverslag 2003, en met de algemene verbetering van de transparantie van de informatie die de EIB ter beschikking stelt van het publiek, en verheugt zich over de kwaliteit van de relaties die met de EIB werden aangeknoopt;
Doelstellingen
2. nodigt de EIB ertoe uit door te gaan met haar steun aan de tenuitvoerlegging van de strategie, zoals vastgesteld door de Raden van Lissabon en Göteborg, met name via haar initiatief "Innovatie 2010", evenals met haar steun aan het groei-initiatief, via de financiering van infrastructuurprogramma's en programma's voor onderzoek en ontwikkeling, en de vrijmaking van publieke en particuliere middelen; stelt de EIB voor om nauwer samen te werken met de Commissie en de Europese Centrale Bank om de bedrijfseconomische regels voor de ontwikkeling van bijbehorende leningen vast te leggen zonder dat daarbij de houdbaarheid van de openbare schuld van de lidstaten in het gedrang komt;
3. moedigt de EIB aan om voorrang te geven aan de financiering van trans-Europese netwerken; steunt de EIB in haar beslissing om meer te investeren in de sector van duurzame energie en om de preventie van de uitstoot van broeikasgassen te beschouwen als een essentieel element bij de keuze van te ondersteunen projecten;
4. wenst de EIB geluk met de ontwikkeling van leningen aan kleine ondernemingen; nodigt de EIB uit om eveneens aandacht te besteden aan de sector van de sociale economie en van de "buurtdiensten" die, gezien de demografische ontwikkeling, van groot belang zijn om een optimale deelname aan het actieve leven en een optimale sociale samenhang te garanderen;
5. verzoekt de EIB het verstrekken van kredieten aan het MKB in de landen te verbeteren die met het oog op EIB-kredieten een achterstand hebben, om de aanmerkelijke verschillen tussen de afzonderlijke lidstaten te verkleinen;
6. vestigt de aandacht op het Internationaal jaar van de microkredieten van de Verenigde Naties en verzoekt de EIB dit aspect bij haar planning voor 2005 te betrekken;
7. verzoekt de EIB een pakket nauwkeurige maatregelen vast te stellen waarmee de kwantitatieve criteria voor de beoordeling van projecten vastgelegd worden, die aan haar worden voorgelegd, alsmede de systematische evaluatie van de bereikte resultaten, om de feitelijke bijdrage daarvan aan de strategie van Lissabon te kunnen beoordelen;
8. erkent het economisch en sociaal effect van de activiteiten van de EIB voor de groei van het MKB en de werkgelegenheid, maar verzoekt de EIB dit effect te vergroten door de administratieve structuren voor de toegang van het MKB tot risicokapitaal te verbeteren en de toegang tot haar activiteiten via lokale en regionale financiële partners te bevorderen;
Criteria en evaluatie
9. wenst de EIB geluk met de vooruitgang die de laatste jaren werd gemaakt bij de selectieve bepaling van de te ondersteunen projecten in het kader van de doelstellingen van de Unie; verzoekt de EIB haar criteria te verduidelijken en streng te zijn in de evaluatie van de resultaten ten aanzien van de doelstellingen;
10. verlangt nadrukkelijk dat de grote administratieve belasting van het MKB en de banken wordt verminderd, zodat zij een groter beroep kunnen doen op EIF-kapitaal; verzoekt met klem dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het initiatief "Innovatie 2010" en dat de drempel voor projecten terzake wordt verlaagd;
11. is ingenomen met het voornemen van de EIB om een bijdrage aan de strategie van Lissabon te leveren; wijst op de belangrijke rol die het EIF via het initiatief "Innovatie 2010" levert en verzoekt de EIB haar functie als financiële motor voor de modernisering van de Unie te consolideren, met name door de ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek en vooral steun voor sectoren op het gebied van de geavanceerde technologie;
12. nodigt de EIB uit om, wanneer zij buiten de Unie optreedt, de criteria van haar interventies, afgezien van de zeer algemene opdracht van de Commissie, te preciseren op basis van de aanbevelingen van het Europese Parlement inzake samenwerking en de aanbevelingen van de Wereldbank en de andere ontwikkelingsbanken;
13. ondersteunt de inspanningen van de EIB om haar coördinatie met de Commissie te verbeteren via een Joint Working Group; stelt voor deze coördinatie te formaliseren en tot het Europese Parlement zelf uit te breiden;
14. nodigt de EIB uit om een diepgaander onderzoek te voeren naar de reële bijdrage van de investeringen van de Unie en van de EIB aan de regionale ontwikkeling en om relevante indicatoren vast te leggen, zoals haar eigen afdeling Evaluatie van de operaties aanbeveelt;
15. beveelt de EIB aan om de definitieve toewijzingscriteria van haar globale leningen beter te blijven bepalen, en nodigt de EIB uit om een transparante procedure in te stellen voor nauwkeurige controle en een evaluatie van het gebruik dat ervan gemaakt werd door de intermediaire banken, zodat het mogelijk wordt om na te gaan of de kwaliteit van de leningen van de EIB werkelijk ten goede komt aan de uiteindelijke ontvangers ervan; is van mening dat de EIB een actieve rol moet spelen bij de controle en eventueel bevordering en verlening van algemene kredieten;
16. verzoekt de Rekenkamer zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden voor de door de EIB verstrekte kredieten c.q. de subsidies die zij over de verschillende projecten dient te verdelen, er niet toe leiden dat bepaalde begunstigden indirect profiteren van ongerechtvaardigde subsidies, hoewel zij zouden kunnen terugvallen op financieringen van de markt; verzoekt de EIB de Rekenkamer onbeperkte toegang tot alle voor dit doel noodzakelijke informatie te geven, met inbegrip - voor zover dat nodig is - van vertrouwelijke commerciële informatie c.q. informatie die vanuit de optiek van de markt gevoelig is;
Transparantie en verantwoordingsplicht
17. feliciteert de EIB met de vooruitgang die zij gemaakt heeft in de dialoog met het publiek en met de niet-gouvernementele organisaties (NGO's), en met de publicatie van haar verslagen over het milieu en over de sociale evaluatie van haar projecten in de ontwikkelingslanden;
18. beveelt het opzetten van een speciale voorlichtingscampagne over de werkzaamheden van de EIB ten gunste van het MKB in de nieuwe lidstaten aan;
19. verheugt zich over de voorstellen inzake transparantie die op 15 juni 2004 door de Raad van bewind werden aangenomen; is bereid om actief deel te nemen aan de raadplegingsprocedure die in dit verslag is voorzien, samen met de tenuitvoerlegging van het VN-verdrag betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus); onderstreept dat het belangrijk is rekening te houden met alle vragen die tijdens die raadpleging door de instellingen en de NGO's worden geformuleerd;
20. meent dat er meer aandacht moet gaan naar de verbetering van de boekhoudcontrole van de EIB, conform de aanbevelingen van de jaarverslagen van het controlecomité en die van de afdeling Evaluatie van de operaties; is van mening dat het Europees Parlement daarbij betrokken dient te worden;
21. is verheugd, gezien de terugkerende beschuldigingen in de media over mogelijke belangenconflicten op het niveau van de directie van de EIB, dat deze nadere inlichtingen over deze kwestie heeft verstrekt nadat het terzake bevoegde EIB-comité voornoemd verslag A6-0032/2005 had aangenomen; is ingenomen met de wijzigingen in de statuten en het reglement van orde van de EIB op bestuursgebied, die per 1 mei 2004 zijn ingevoerd bij gelegenheid van de uitbreiding van de Europese Unie met de tien nieuwe lidstaten; betuigt zijn bijval met de publicatie op de website van de EIB van het geheel van gedragscodes die van toepassing zijn op de besluitvormingsorganen van de EIB;
22. verzoekt de EIB het Europees Parlement en het publiek jaarlijks een schriftelijke samenvatting te blijven verstrekken van de maatregelen die ter verbetering van haar functioneren conform de vorenvermelde resolutie ter zake van het Europees Parlement, van 22 april 2004, concreet zijn uitgevoerd; erkent evenwel dat het noodzakelijk is te blijven nadenken over de middelen ter verbetering van de controle door de EIB - zowel in het kader van het inzetten van haar eigen middelen alsook in het kader van de inzet van middelen die haar uit de begroting van de Europese Unie worden toegewezen;
o o o
23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de EIB.