Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 1 december 2005 - Brussel
Aanvullend protocol bij de Overeenkomst EG/Republiek Zuid-Afrika inzake handel, ontwikkeling en samenwerking in verband met de uitbreiding ***
 Rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid
 Verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Andrzej Pęczak
 Verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Giovanni Claudio Fava
 Ontwerp van gewijzigde begroting 6/2005 (Amendement)
 Ontwerp van gewijzigde begroting 6/2005
 Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline
 Vervaardiging van farmaceutische producten die bestemd zijn voor landen met volksgezondheidsproblemen ***I
 Bestrijding van aviaire influenza *
 Uitgaven op veterinair gebied *
 Euro (juridisch kader voor de uitbreiding van de Eurozone) *
 Wijziging gemeenschappelijk BTW-stelsel wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het normale tarief *
 Nadere voorschriften voor de teruggave van de BTW aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen *
 Europese regelgevende agentschappen
 Voorbereiding van de WTO-conferentie
 Mensenrechten
 Olympisch bestand
 Ontwikkeling en sport
 Richtsnoeren voor de goedkeuring van de Europese Commissie
 Toepassing van de communautaire mededingingsregels op het zeevervoer *
 Europese elektronische-communicatieregelgeving en -markten *
 BTW voor arbeidsintensieve diensten

Aanvullend protocol bij de Overeenkomst EG/Republiek Zuid-Afrika inzake handel, ontwikkeling en samenwerking in verband met de uitbreiding ***
PDF 102kWORD 32k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van het aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Republiek Zuid-Afrika anderzijds in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (COM(2005)0372 - C6-0350/2005 - 2005/0152(AVC))
P6_TA(2005)0447A6-0328/2005

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2005)0372)(1),

–   gezien Besluit nr. 2005/206/EG van de Raad van 28 februari 2005(2) betreffende de ondertekening en voorlopige toepassing van het bovengenoemde protocol,

–   gezien het door de Raad krachtens artikel 300, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 310 en artikel 300, lid 2, eerste alinea van het EG-Verdrag ingediende instemmingsverzoek (C6-0350/2005),

–   gelet op de artikelen 75 en 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0328/2005),

1.   stemt in met de sluiting van het bovengenoemde protocol;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Zuid-Afrika.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.
(2) PB L 68 van 15.3.2005, blz. 32.


Rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid
PDF 122kWORD 42k
Resolutie van het Europees Parlement over de rol van "Euroregio's" bij de ontwikkeling van het regionaal beleid (2004/2257(INI))
P6_TA(2005)0448A6-0311/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 87, lid 3 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 158 van het EG-Verdrag,

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (COM(2004)0628),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (COM(2004)0495),

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (COM(2004)0492),

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds (COM(2004)0494),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van een Europese groepering voor grensoverschrijdende samenwerking (EGGS) (COM(2004)0496),

–   gezien de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten van de Raad van Europa (Madrid, 21 mei 1980) en de bijbehorende Aanvullende Protocollen, en het Europees Handvest inzake de plaatselijke autonomie van de Raad van Europa (Straatsburg, 15 oktober 1985),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0311/2005),

A.   overwegende dat de uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004 tot 25 lidstaten heeft geleid tot grotere verschillen tussen Europese regio's, dat de komende uitbreidingen die verschillen nog verder kunnen vergroten; overwegende dat de uitbreiding tevens heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het aantal grensregio's; voorts overwegende dat de Euroregio's een beslissende bijdrage hebben geleverd aan het overstijgen van de grenzen in Europa, het opbouwen van goede burenrelaties, het bijeenbrengen van mensen aan weerszijden van de grenzen en het wegnemen van vooroordelen, met name via grensoverschrijdende samenwerking op plaatselijk en regionaal niveau,

B.   overwegende dat de onderlinge regionale verschillen in de uitgebreide Unie moeten worden verminderd en moeten worden aangepakt met behulp van een doelmatig cohesiebeleid, ten behoeve van een harmonieuze ontwikkeling binnen de EU,

C.   overwegende dat duurzame ontwikkeling van grensoverschrijdende samenwerking een eis is van een doelmatig cohesiebeleid en Europese integratie, evenals het definitief overwinnen van de huidige moeilijkheden bij het financieren van gezamenlijke projecten waarvan plaatselijke autoriteiten en regio's aan beide zijden van een grens gelijkelijk profiteren,

D.   overwegende dat Euroregio's en vergelijkbare structuren belangrijke instrumenten van grensoverschrijdende samenwerking zijn, doch niettemin verder moeten worden ontwikkeld en verbeterd, en dat ze een zekere juridische status moeten bezitten,

E.   overwegende dat het uiteindelijke doel van Euroregio's de bevordering is van grensoverschrijdende samenwerking tussen grensregio's, plaatselijke instanties en regionale autoriteiten, alsmede sociale partners en alle andere actoren, die niet noodzakelijkerwijs lidstaat hoeven zijn van de Europese Unie, inzake aspecten als cultuur, onderwijs, toerisme, economische vraagstukken, of andere aspecten van het dagelijks leven,

F.   overwegende dat de vereniging van Europese grensregio's diverse verslagen heeft opgesteld over de stand van de grensoverschrijdende samenwerking in Europa en studies naar een grensoverschrijdend wettelijk instrument voor de decentrale samenwerking van de Europese Commissie en het Comité van de Regio's heeft voorbereid,

1.   is van oordeel dat grensoverschrijdende samenwerking van fundamenteel belang is voor de Europese cohesie en integratie, en derhalve breed moet worden ondersteund;

2.   verzoekt de lidstaten zich in te zetten voor het gebruik van Euroregio's als een van de instrumenten voor grensoverschrijdende samenwerking;

3.   wijst erop dat Euroregio's of vergelijkbare structuren belangrijke grensoverschrijdende taken vervullen, zoals:

   - voorlichting van en dienstverlening aan de burger, instellingen en regionale en plaatselijke autoriteiten,
   - verzamelpunt voor gemeenschappelijke waarden, doelstellingen en strategieën,
   - drijvende kracht voor de oplossing van grensoverschrijdende problemen, en
   - spreekbuis voor alle grensoverschrijdende aangelegenheden;

4.   merkt op dat de Euroregio's een spilfunctie voor alle grensoverschrijdende betrekkingen, contacten, kennisoverdrachten, de operationele programma's en projecten vervullen en dat zij een duidelijke juridische status dienen te bezitten om hun werk te kunnen verrichten;

5.   benadrukt dat grensoverschrijdende samenwerking een passende benadering is voor het oplossen van dagelijkse problemen aan weerszijden van de grens, met name op economisch, maatschappelijk, cultureel en milieugebied;

6.   benadrukt dat grensoverschrijdende samenwerking een aanzienlijke bijdrage levert aan de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon, te weten door:

   - gezamenlijke innovatie en onderzoek,
   - grensoverschrijdende O&O-netwerken, en
   - de uitwisseling van beste praktijken en ervaringen;

7.   merkt op dat Euroregio's de proximiteitsbanden versterken door projecten rond de uitwisseling van plaatselijke beste praktijken; acht het daarom van bijzonder belang dat steun in de vorm van microprojecten, waarin de mededeling van de Commissie inzake INTERREG III(1), voorziet, onder de Structuurfondsen blijft gehandhaafd;

8.   wijst op de lopende wetgevingsinitiatieven met het oog op een EGGS, waarmee beoogd wordt de instrumenten voor grensoverschrijdende samenwerking te vereenvoudigen (de activiteiten vergemakkelijken, de procedures rationaliseren en de exploitatiekosten reduceren), en zo een platform voor Euroregio's te ontwikkelen;

9.   benadrukt de noodzaak prioriteit toe te kennen aan het wegnemen van de onderlinge verschillen tussen regio's in de nieuwe lidstaten en die in de oude lidstaten;

10.   benadrukt de noodzaak het concept van Euroregio's en soortgelijke, niet noodzakelijkerwijs met wetgevende bevoegdheden toegeruste structuren, uit te breiden met talloze facetten van samenwerking; stelt voor als mogelijke terreinen van gemeenschappelijk belang de bevordering van cultuur, onderwijs, toerisme en economische aangelegenheden alsmede, indien van toepassing, de bestrijding van georganiseerde misdaad, drugshandel en fraude, in nauwe samenwerking met de desbetreffende nationale instanties;

11.   wijst op de noodzaak van integratie tussen geprogrammeerde projecten in landen die aan elkaar grenzen;

12.   verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de instrumenten van grensoverschrijdende samenwerking te vereenvoudigen;

13.   wenst dat Euroregio's en vergelijkbare structuren, zoals voorgesteld in het juridische kader van de EGGS, met ingang van 2007 en in samenwerking met de nationale instanties, ook de mogelijkheden krijgen voor de uitwerking, de tenuitvoerlegging en het beheer van grensoverschrijdende programma's binnen de EU, evenals van programma's in de sfeer van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument respectievelijk het Instrument voor pre-toetredingssteun (IPA-programma);

14.   benadrukt het belang van grensoverschrijdende samenwerking in Euroregio's voor lidstaten met natuurlijke handicaps, met inbegrip van kleine eilandstaten;

15.   benadrukt de noodzaak van steun voor grensoverschrijdende samenwerking en voor de oprichting van Euroregio's, die regio's in het gevoelige gebied van het Midden-Oosten omvatten, met het oog op de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen, stabiliteit, veiligheid en economische belangen in een geest van wederzijds respect en voordeel;

16.   vestigt de aandacht op paragraaf 1, onder xxvii van zijn resolutie over het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds(2) aangenomen op 6 juli 2005 en verzoekt de Commissie naar analogie te voorzien in de modaliteiten voor een premiestelsel in de vorm van een "communautaire kwaliteits- en effectiviteitsreserve" die zich specifiek richt op stimulansen ter bevordering van maatregelen die grensoverschrijdende effecten hebben of die kunnen aansluiten op de bestaande infrastructuur in de Euroregio's;

17.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Mededeling van de Commissie aan de lidstaten van 2 september 2004, tot vaststelling van richtsnoeren voor een communautair initiatief betreffende Trans-Europese samenwerking ter stimulering van een harmonieuze en evenwichtige ontwikkeling van de Europese ruimte ‐ INTERREG III (PB C 226, 10.9.2004, blz.2)
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0278.


Verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Andrzej Pęczak
PDF 196kWORD 35k
Besluit van het Europees Parlement over het verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Andrzej Pęczak, voormalig lid van het Europees Parlement (2005/2128(IMM))
P6_TA(2005)0449A6-0330/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien het verzoek van Andrzej Pęczak om verdediging van zijn immuniteit in het kader van een strafrechtelijke procedure bij de districtsrechtbank te Łódź, Polen, dat op 18 april 2005 werd ingediend en van de ontvangst waarvan ter plenaire vergadering kennis werd gegeven op 25 mei 2005,

–   gelet op de artikelen 8, 9 en 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–   gelet op de artikelen 6, lid 3, en 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0330/2005),

A.   overwegende dat Andrzej Pęczak op 23 september 2001 in het Poolse parlement (Sejm) werd verkozen en dat hij na de totstandkoming van het toetredingsverdrag op 16 april 2003 waarnemer werd; overwegende dat hij van 1 mei 2004 tot 19 juli 2004 lid van het Europees Parlement was en dat zijn ambtstermijn in het Poolse parlement op 19 oktober 2005 afliep,

B.   overwegende dat Andrzej Pęczak zich erover beklaagt dat het Poolse openbaar ministerie in deze zaak in strijd met de wet heeft gehandeld en dat de besluiten van de districtsrechtbank met betrekking tot zijn detentie en arrestatie, evenals de daaropvolgende verlengingen van de voorlopige aanhouding, om politieke redenen genomen zijn,

C.   overwegende dat Andrzej Pęczak zich erover beklaagt dat de genoemde strafzaak tegen hem in strijd is met het vermoeden van onschuld en dat de voorwaarden van zijn detentie en arrestatie hem onvoldoende gelegenheid geven om zich te verdedigen,

D.   overwegende dat Andrzej Pęczak zich erover beklaagt dat de procedure waarbij de Sejm zijn immuniteit ophief, "niet rechtsgeldig" was en gebaseerd was op publicaties in de media, en dat zijn aan diverse personen (waaronder de Ombudsman) gerichte verzoeken om actie geen effect hadden,

E.   overwegende dat uit de verkregen informatie niet kan worden afgeleid dat Andrzej Pęczak door de parlementaire immuniteit beschermd wordt in verband met de onder de aandacht van de voorzitter van het Europees Parlement gebrachte verzoeken,

1.   besluit de immuniteit en de voorrechten van Andrzej Pęczak niet te verdedigen.

(1) Zie Jurisprudentie van het Hof 1964, blz. 407, zaak 101/63 (Wagner/Fohrmann en Krier) en Jur. 1986, blz. 2403, zaak 149/85 (Wybot/Faure).


Verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Giovanni Claudio Fava
PDF 104kWORD 31k
Besluit van het Europees Parlement over het verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Giovanni Claudio Fava (2005/2174(IMM))
P6_TA(2005)0450A6-0331/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien het verzoek van Giovanni Claudio Fava om verdediging van zijn immuniteit, dat op 1 juli 2005 werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 6 juli 2005 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–   na Giovanni Claudio Fava te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 7, lid 3 van zijn Reglement,

–   gelet op de artikelen 9 en 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en op artikel 6, lid 2 van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–   gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1964 en 10 juli 1986(1),

–   gelet op artikel 6, lid 3 en artikel 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0331/2005),

1.   besluit de immuniteit en de voorrechten van Giovanni Claudio Fava te verdedigen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de terzake bevoegde autoriteiten van de Italiaanse Republiek.

(1) Zie Jurisprudentie van het Hof 1964, blz. 407, zaak 101/63 (Wagner/Fohrmann en Krier) en Jur. 1986, blz. 2403, zaak 149/85 (Wybot/Faure).


Ontwerp van gewijzigde begroting 6/2005 (Amendement)
PDF 119kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, Afdeling IV - Hof van Justitie - Instelling van het Gerecht voor Ambtenarenzaken, zoals gewijzigd door de Raad (C6-0404/2005 – 2005/2159(BUD))
P6_TA(2005)0451A6-0336/2005

Amendement 1

AFDELING IV - Hof van Justitie

Lijst van het aantal ambten: Oprichting van 2 vaste B*3-posten, 2 vaste C*1-posten en 4 tijdelijke B*3-posten.

Personeel in actieve dienst

Lijn

Begroting 2005

OGB 6/2005

Amendement

Begroting 2005 + OGB 6

(zoals gewijzigd)

Vastleggingen

Vastleggingen

Vastleggingen

Vastleggingen

1 1 0 0

Basissalarissen

111 633 022

111 964 022

+73 000

112 037 022

1 1 0 1

Gezinstoelagen

8 940 000

8 967 000

+6 000

8 973 000

1 1 0 2

Ontheemdingstoelagen en toelagen voor verblijf in het buitenland (inclusief artikel 97 van het EGKS-statuut)

17 770 000

17 823 000

+12 000

17 835 000

1 1 3 0

Ziektekostenverzekering

3 890 000

3 902 000

+3 000

3 905 000

1 1 8 1

Reiskosten (inclusief gezinsleden)

42 000

45 000

+2 000

47 000

1 1 8 2

Inrichtingsvergoedingen bij aanstelling, overplaatsing en beëindiging van de dienst

1 170 000

1 223 000

+30 000

1 253 000

1 1 8 3

Verhuiskosten

217 000

238 000

+10 000

248 000

1 1 8 4

Tijdelijke dagvergoedingen

956 000

1 008 000

+23 000

1 031 000

1 1 9 1

Voorziening

1 973 000

1 242 000

-159 000

1 083 000

MOTIVERING

Oprichting van 8 posten (2 vaste B*3-posten, 2 vaste C*1-posten en 4 tijdelijke B*3-posten) die de Raad niet heeft goedgekeurd, en opnieuw opnemen van de bedragen van het voorontwerp van gewijzigde begroting 7/2005.


Ontwerp van gewijzigde begroting 6/2005
PDF 199kWORD 33k
Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, Afdeling IV - Hof van Justitie - Instelling van het Gerecht voor Ambtenarenzaken, zoals gewijzigd door de Raad (C6-0404/2005 – 2005/2159(BUD))
P6_TA(2005)0452A6-0336/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 272, lid 6 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 177 van het Euratom-Verdrag,

–   gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(1), en met name op de artikelen 37 en 38 daarvan,

–   gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, definitief vastgesteld op 16 december 2004(2),

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(3),

–   gezien het voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, ingediend door de Commissie op 5 september 2005 (COM(2005)0419),

–   gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005, opgesteld door de Raad op 3 oktober 2005 (12180/2005 – C6-0304/2005),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2005 over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2005, Afdeling IV - Hof van Justitie - Oprichting van het Gerecht voor Ambtenarenzaken(4),

–   gezien zijn amendement van 25 oktober 2005 op het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005(5),

–   gezien de verwerping door de Raad van 21 november 2005 van het door het Parlement aangenomen amendement op het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2005 (SGS5/13784),

–   gelet op artikel 69 en Bijlage IV van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0336/2005),

1.   neemt kennis van de tweede lezing van de Raad;

2.   bevestigt zijn in eerste lezing genomen besluit;

3.   verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat de Gewijzigde begroting nr. 6/2005 definitief is aangenomen en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie.

(1) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 60 van 8.3.2005, blz. 1.
(3) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord gewijzigd bij Besluit 2005/708/EG (PB L 269 van 14.10.2005, blz. 24).
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0392.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0391.


Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline
PDF 113kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement over het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (2005/2237(INI))
P6_TA(2005)0453A6-0356/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op het EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 272,

–   gezien de mededelingen van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 26 februari 2004 getiteld "Bouwen aan de gemeenschappelijke toekomst - Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013 COM(2004)0101 en van 14 juli 2004 getiteld "Financiële vooruitzichten 2007-2013" COM(2004)0487 en het werkdocument van de Commissie van 12 april 2005 over technische aanpassingen aan het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader 2007-2013 SEC(2005)0494,

–   gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(1), in het bijzonder artikel 26,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juni 2005 over beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A6-0356/2005),

A.   overwegende dat de huidige financiële vooruitzichten in principe in 2006 aflopen,

B.   overwegende dat de communautaire wetgeving voor meerjarenprogramma's met financiële gevolgen vanaf 2007 moet worden vernieuwd,

C.   overwegende dat de huidige financiële vooruitzichten een onderdeel zijn van het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure en alleen kunnen worden vastgesteld als beide takken van de begrotingsautoriteit het erover eens worden,

D.   overwegende dat in geval van het ontbreken van financiële vooruitzichten artikel 272 van het Verdrag in jaarlijkse begrotingen voorziet,

E.   overwegende dat het een onderhandelingspositie heeft vastgesteld met zijn politieke prioriteiten voor de volgende financiële vooruitzichten evenals een voorstel voor een nieuwe opzet van de EU-begroting en een kwalitatief betere uitvoering van de begroting door middel van betere procedures,

1.   bevestigt nogmaals zijn standpunt zoals aangenomen in zijn resolutie van 8 juni 2005;

2.   bevestigt dat het alles zal doen om een akkoord over de volgende financiële vooruitzichten en het volgende Interinstitutioneel Akkoord te bereiken, dat berekend blijft op de taken en ambities van de Europese Unie voor een nieuwe meerjarenperiode;

3.   deelt de bezorgdheid van de Commissie dat tijdig een akkoord moet worden bereikt om de programma's te kunnen voortzetten en herzien en de volgende periode tijdig voor de begrotingsprocedure voor 2007 (april 2007) te kunnen voorbereiden;

4.   neemt kennis van het schrijven van voorzitter Barroso van 20 oktober 2005 aangaande de bijdrage van de Commissie aan de laatste fase van de onderhandelingen en is van mening dat een aantal aspecten van deze voorstellen nuttig zijn, maar herinnert de Commissie en de Raad aan het belang van alle kwalitatieve elementen in zijn bovenvernoemde resolutie van 8 juni 2005 ter aanvulling van de financiële vooruitzichten voor 2007-2013 en acht het voor de nieuwe financiële vooruitzichten essentieel dat deze elementen in het Interinstitutioneel Akkoord worden opgenomen;

5.   verzoekt de Commissie een formeel voorstel voor herziening van het Interinstitutioneel Akkoord in te dienen, waarin zijn voorstellen inzake reserves, flexibiliteit en andere kwalitatieve elementen van zijn bovenvernoemde resolutie van 8 juni 2005 worden verwerkt;

6.   beklemtoont dat er geen nieuwe financiële vooruitzichten tot stand kunnen komen zonder overeenstemming over een Interinstitutioneel Akkoord; herinnert eraan dat het Parlement het in dit verband eens is geworden over een aantal punten die niet voor onderhandeling vatbaar zijn, zoals invoering van een herzieningsclausule, reserves met het oog op flexibiliteit, kwalitatieve verbetering van de uitvoering door middel van herziening van het Financieel Reglement, vermindering van de administratieve rompslomp, certificering door de lidstaten en eerbiediging van de rechten van het Parlement wat de externe programma's betreft;

7.   stelt vast dat de meningsverschillen die een overeenkomst binnen de Europese Raad van 17 juni 2005 verhinderden niet zozeer betrekking hadden op het niveau of de verdeling van de uitgaven als wel op de wijze van financiering daarvan, hetgeen bevestigt dat een algemeen akkoord over de financiële vooruitzichten een akkoord moet omvatten over het beginsel van een hervorming van het huidige stelsel van eigen middelen;

8.   verzoekt de Raad in zijn gemeenschappelijk standpunt en onderhandelingsmandaat uitdrukking te geven aan zijn serieuze bereidheid tot onderhandelen door niet alleen een voorstel te doen voor een financieel kader, maar ook voorstellen te doen voor het verbeteren van de structuur van de begroting en de kwaliteit van de uitvoering van de begroting, en over het toepassen van de Strategie van Lissabon, naar het voorbeeld van de onderhandelingspositie van het Parlement;

9.   wijst de Raad erop dat er geen financiële vooruitzichten en geen Interinstitutioneel Akkoord tot stand kunnen komen als het Europees Parlement en de Raad het niet eens worden; wijst er voorts nogmaals op dat het zijn onderhandelingspositie al tijdig op 8 juni 2005 heeft bepaald en dat het dan ook elke poging van de hand zal wijzen om het Parlement de schuld te geven van vertraging bij het bereiken van een akkoord;

10.   herinnert de Raad eraan dat bij het ontbreken van een financieel kader voor 2007-2013 en een nieuw Interinstitutioneel Akkoord de financiële behoeften van de Europese Unie, met inbegrip van de behoeften voor de meerjarenprogramma's, gewaarborgd kunnen worden overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag of overeenkomstig een gewijzigd artikel 26 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999;

11.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2005/708/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 269 van 14.10.2005, blz. 24).
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0224.


Vervaardiging van farmaceutische producten die bestemd zijn voor landen met volksgezondheidsproblemen ***I
PDF 259kWORD 79k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen (COM(2004)0737 – C6-0168/2004 – 2004/0258(COD))
P6_TA(2005)0454A6-0242/2005

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0737)(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 95 en 133 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0168/2004),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie juridische zaken (A6-0242/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement, in eerste lezing vastgesteld op 1 december 2005, met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen

P6_TC1-COD(2004)0258


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95 en 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 14 november 2001 heeft de vierde ministersconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de verklaring van Doha betreffende de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: TRIPS-overeenkomst) en volksgezondheid aangenomen. In de verklaring wordt ieder WTO-lid het recht toegekend om dwanglicenties te verlenen en de gronden te bepalen waarop dergelijke licenties worden verleend. Voorts wordt erkend dat WTO-leden met onvoldoende of geen productiecapaciteit in de farmaceutische sector problemen kunnen hebben om effectief gebruik te maken van dwanglicenties.

(2)  Op 30 augustus 2003 heeft de Algemene Raad van de WTO, in het licht van de door zijn voorzitter voorgelezen verklaring, een besluit inzake de tenuitvoerlegging van punt 6 van de Verklaring van Doha inzake de TRIPS-overeenkomst en volksgezondheid (hierna "het besluit" genoemd) vastgesteld. In het besluit wordt onder bepaalde voorwaarden afgezien van bepaalde in de TRIPS-overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de verlening van dwanglicenties om tegemoet te komen aan de behoeften van WTO-leden met onvoldoende productiecapaciteit.

(3)  Gezien de actieve rol van de Gemeenschap bij de vaststelling van het besluit, haar toezegging aan de WTO om volledig mee te werken aan de tenuitvoerlegging ervan en haar oproep aan alle WTO-leden om de voorwaarden te scheppen die voor een doeltreffende toepassing van het door het besluit ingevoerde systeem noodzakelijk zijn, is het belangrijk dat de Gemeenschap het besluit in haar rechtsorde opneemt.

(4)  Een eenvormige tenuitvoerlegging van het besluit is noodzakelijk om te zorgen dat de voorwaarden voor de verlening van dwanglicenties voor de vervaardiging en de verkoop van farmaceutische producten, indien deze producten zijn bestemd voor uitvoer, in alle lidstaten hetzelfde zijn en om concurrentievervalsing voor de marktdeelnemers op de interne markt te voorkomen. Ook moeten uniforme regels worden toepast om te voorkomen dat farmaceutische producten die overeenkomstig het besluit zijn vervaardigd, op het grondgebied van de Gemeenschap worden heringevoerd.

(5)  Deze verordening moet bijdragen aan de bredere Europese en internationale inspanningen om de volksgezondheidsproblemen van de minst ontwikkelde landen en andere ontwikkelingslanden aan te pakken, en vooral om de toegang te vergemakkelijken tot betaalbare geneesmiddelen die veilig en doeltreffend zijn, met inbegrip van combinaties in een vaste dosis, en waarvan de kwaliteit is gewaarborgd. In dat verband staan de procedures van de communautaire farmaceutische wetgeving houdende garanties betreffende de wetenschappelijke kwaliteit van dergelijke producten, ter beschikking, in het bijzonder die van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau(4).

(6)  Aangezien het door deze verordening ingevoerde dwanglicentiesysteem is bedoeld om volksgezondheidsproblemen aan te pakken, moet het te goeder trouw worden gebruikt. Dit systeem mag door landen niet voor industriële of handelsbeleidsdoelen worden gebruikt. Deze verordening is bedoeld om een veilig wettelijk kader te scheppen en om rechtszaken te vermijden.

(7)  Aangezien deze verordening deel uitmaakt van bredere inspanningen ten behoeve van de toegang tot betaalbare geneesmiddelen voor ontwikkelingslanden, worden aanvullende maatregelen uiteengezet in het Actieprogramma van de Commissie 'Versnelde actie ter bestrijding van HIV/aids, malaria en tuberculose in het kader van de armoedebestrijding' en de Mededeling van de Commissie 'Een coherent Europees beleidskader voor externe maatregelen tegen HIV/aids, malaria en tuberculose'. Er is dringend behoefte aan permanente vooruitgang, met inbegrip van maatregelen ter ondersteuning van het onderzoek voor het bestrijden van deze ziekten en voor het vergroten van capaciteit in ontwikkelingslanden.

(8)  Producten die overeenkomstig deze verordening worden vervaardigd, mogen uitsluitend terechtkomen bij degenen die deze nodig hebben, en niet worden bestemd voor anderen dan voor wie zij bedoeld waren. De verlening van dwanglicenties op grond van deze verordening moet daarom voor de licentiehouder worden verbonden aan duidelijke voorwaarden ten aanzien van de onder de licentie vallende handelingen, de identificatie van de onder de licentie vervaardigde farmaceutische producten en de landen waarnaar deze producten worden uitgevoerd.

(9)  De douane aan de buitengrenzen moet de mogelijkheid hebben om op te treden wanneer wordt getracht producten die onder dwanglicentie voor uitvoer zijn vervaardigd en verkocht opnieuw op het grondgebied van de Gemeenschap te in te voeren.

(10)  In het geval onder dwanglicentie vervaardigde farmaceutische producten krachtens deze verordening in beslag zijn genomen, kan de bevoegde autoriteit, overeenkomstig de nationale wetgeving en om te garanderen dat van de in beslag genomen producten het beoogde gebruik wordt gemaakt, beslissen de producten naar het betrokken invoerende land te zenden overeenkomstig de verleende dwanglicentie.

(11)  Om overproductie en mogelijke verlegging in de handel van producten niet in de hand te werken, moeten de bevoegde autoriteiten rekening houden met bestaande dwanglicenties voor dezelfde producten en landen, en met door de aanvrager gemelde parallelle aanvragen.

(12)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, en vooral de vaststelling van geharmoniseerde procedures voor de verlening van dwanglicenties die bijdragen aan de effectieve tenuitvoerlegging van het bij het besluit ingevoerde systeem niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt als gevolg van de mogelijkheden die de uitvoerende landen krachtens het besluit ter beschikking staan, en derhalve vanwege de potentiële gevolgen voor marktdeelnemers op de interne markt beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(13)  De Gemeenschap erkent de grote wenselijkheid van bevordering van technologie-overdracht en van opbouw van capaciteit in landen met onvoldoende of helemaal geen productiecapaciteit in de farmaceutische sector, teneinde de vervaardiging van farmaceutische producten door die landen te vergemakkelijken en te vergroten.

(14)  Om te zorgen voor een efficiënte verwerking van aanvragen voor dwanglicenties krachtens deze verordening moeten de lidstaten louter formele of administratieve voorschriften kunnen vaststellen, zoals regels betreffende de taal van de aanvraag, het te gebruiken formulier, de identificatie van het octrooi of de octrooien en/of het aanvullende beschermingscertificaat of de aanvullende beschermingscertificaten waarvoor de dwanglicentie wordt aangevraagd, en regels betreffende elektronische aanvragen.

(15)  De eenvoudige formule voor het vaststellen van de vergoeding is bedoeld ter versnelling van het proces van verlening van een dwanglicentie in geval van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzondere dringende aard of in geval van niet-commercieel gebruik door de overheid overeenkomstig artikel 31, onder b), van de TRIPS-overeenkomst. Het percentage van 4% kan gebruikt worden als een referentiepunt voor besprekingen over een passende vergoeding in andere dan de hierboven genoemde gevallen.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening wordt een procedure ingesteld voor de verlening van dwanglicenties voor octrooien en aanvullende beschermingscertificaten voor de vervaardiging en de verkoop van farmaceutische producten indien deze producten zijn bestemd voor uitvoer naar in aanmerking komende invoerende landen die dergelijke producten nodig hebben om hun problemen op het gebied van de volksgezondheid aan te pakken.

De lidstaten verlenen een dwanglicentie aan eenieder die een aanvraag overeenkomstig artikel 6 indient mits de voorwaarden in de artikelen 6 tot en met 10 worden nageleefd.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

   1) "farmaceutisch product": ieder product uit de farmaceutische sector, met inbegrip van geneesmiddelen in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(5), alsmede werkzame bestanddelen en diagnosesets ex vivo;
   2) "houder van het recht": de houder van ieder octrooi of aanvullend beschermingscertificaat waarvoor op grond van deze verordening een dwanglicentie is aangevraagd;
   3) "invoerend land": het land waarnaar het farmaceutische product zal worden uitgevoerd;
   4) "bevoegde autoriteit": in de zin van de artikelen 1 tot en met 11, 16 en 17, is elke nationale autoriteit die bevoegd is om krachtens deze verordening in een bepaalde lidstaat dwanglicenties te verlenen.

Artikel 3

Bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2, onder 4), is die welke op grond van het nationale octrooirecht bevoegd is voor de verlening van dwanglicenties, tenzij de lidstaat anders bepaalt.

De lidstaten delen de Commissie mee welke bevoegde autoriteit in de zin van in artikel 2, onder 4), is aangewezen.

De mededelingen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

In aanmerking komende invoerende landen

De volgende landen komen in aanmerking als invoerend land:

   a) elk minst-ontwikkeld land dat als zodanig voorkomt op de lijst van de Verenigde Naties;
   b) elk WTO-lid, ander dan de onder a) bedoelde minst-ontwikkelde landen/leden, dat de TRIPS-raad zijn voornemen heeft meegedeeld het systeem als importeur te gebruiken en dat daarbij heeft aangegeven of het ten volle of ten dele van het systeem gebruik zal maken;
   c) ieder land dat geen WTO-lid is, maar voorkomt op de lijst van het Development Assistance Committee van de OESO van landen met een laag inkomen met een bruto nationaal product per hoofd van de bevolking van minder dan 745 USD, en dat de Commissie zijn voornemen heeft meegedeeld het systeem als importeur te gebruiken en dat daarbij heeft aangegeven of het ten volle of ten dele van het systeem gebruik zal maken.

Wanneer een WTO-lid de WTO echter heeft meegedeeld het systeem niet als invoerend WTO-lid te zullen gebruiken, kan het niet als invoerend land in aanmerking komen.

Artikel 5

Uitbreiding met minst-ontwikkelde en ontwikkelingslanden die geen WTO-lid zijn

Voor invoerende landen die geen WTO-lid zijn en die volgens artikel 4 in aanmerking komen, gelden de volgende bepalingen:

   a) het invoerend land doet de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling rechtstreeks aan de Commissie;
   b) het invoerend land doet in de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling de toezegging, dat het het systeem zal gebruiken om problemen op het gebied van de volksgezondheid aan te pakken en niet als een instrument voor het verwezenlijken van industriële of handelsbeleidsdoelen, en dat het de in punt 4 van het besluit bedoelde maatregelen zal vaststellen;

c)   de bevoegde autoriteit kan, op verzoek van de houder van het recht of, indien de nationale wetgeving zulks toestaat, op eigen initiatief, een krachtens dit artikel verleende dwanglicentie beëindigen, indien het invoerend land zich niet aan de onder b) bedoelde toezeggingen heeft gehouden. Alvorens een dwanglicentie te beëindigen, neemt de bevoegde autoriteit de opmerkingen van de in artikel 6, lid 3, onder f), bedoelde instanties in aanmerking.

Artikel 6

Aanvraag van een dwanglicentie

1.  Eenieder kan uit hoofde van deze verordening een aanvraag voor een dwanglicentie indienen bij een bevoegde autoriteit in de lidstaat of lidstaten waar de octrooien of aanvullende beschermingscertificaten toepasselijk zijn en betrekking hebben op zijn voorgenomen productie- en verkoopactiviteiten voor uitvoer.

2.  Indien de aanvrager van een dwanglicentie in meer dan een land bij de autoriteiten een aanvraag voor hetzelfde product indient, vermeldt hij dit in elke aanvraag, onder opgave van de hoeveelheden en de betrokken invoerende landen.

3.  De in lid 1 bedoelde aanvraag omvat de volgende gegevens:

   a) de naam en contactgegevens van de aanvrager of van de gemachtigde of vertegenwoordiger die door de aanvrager is aangewezen om hem bij de bevoegde autoriteiten te vertegenwoordigen;
   b) de algemene benaming van het farmaceutische product of de farmaceutische producten die de aanvrager onder de dwanglicentie voor uitvoer wil vervaardigen en verkopen;
   c) de hoeveelheid van het farmaceutische product die de aanvrager onder de dwanglicentie wil vervaardigen;
   d) het invoerende land of de invoerende landen;
   e) indien van toepassing, het bewijs van voorafgaande onderhandelingen met de houder van het recht ingevolge artikel 9;
  f) het bewijs van een specifiek verzoek door:

en onder vermelding van de gewenste hoeveelheid van het product.
   i) gevolmachtigde vertegenwoordigers van het invoerende land of de invoerende landen; of
   ii) een niet-gouvernementele organisatie, handelend met formele goedkeuring van één of meer invoerende landen; of
   (iii) VN-organisaties of andere internationale gezondheidsorganisaties, handelend met formele goedkeuring van één of meer invoerende landen;

4.  Louter formele of administratieve voorschriften die noodzakelijk zijn voor een efficiënte verwerking van de aanvraag kunnen in nationale wetgeving worden vastgesteld. Dergelijke voorschriften resulteren niet in onnodige kosten of lasten voor de aanvrager en maken de procedure voor het verlenen van dwanglicenties krachtens deze verordening in geen geval zwaarder dan de procedure voor het verlenen van andere dwanglicenties krachtens nationale wetgeving.

Artikel 7

Rechten van de houder van het recht

De bevoegde autoriteit stelt de houder van het recht onverwijld in kennis van de indiening van een aanvraag voor een dwanglicentie. Alvorens de dwanglicentie te verlenen, stelt zij de houder van het recht in de gelegenheid zijn opmerkingen betreffende de aanvraag te maken en haar alle relevante informatie betreffende de aanvraag te doen toekomen.

Artikel 8

Verificatie

1.  De bevoegde autoriteit gaat na of

of

   a) elk in de aanvraag genoemd invoerend land dat WTO-lid is, overeenkomstig het besluit aan de WTO mededeling heeft gedaan;
  b) elk in de aanvraag genoemd invoerend land dat geen WTO-lid is, overeenkomstig deze verordening aan de Commissie mededeling heeft gedaan over elk in de aanvraag genoemd product, onder vermelding van de volgende gegevens:
   i) de namen en verwachte noodzakelijke hoeveelheden van het producten of de producten;
   ii) tenzij het invoerende land een minst ontwikkeld land is, een verklaring dat het invoerende land heeft vastgesteld dat het onvoldoende of geen productiecapaciteit in de farmaceutische sector heeft voor het product/de producten in kwestie op een van de wijzen die zijn aangegeven in de bijlage bij het besluit;
   iii) voorzover op een farmaceutisch product op het grondgebied van het invoerende land een octrooi rust, een verklaring dat dit invoerend land een dwanglicentie heeft verleend of wil verlenen voor de invoer van het betrokken product overeenkomstig artikel 31 van de TRIPS-overeenkomst en de bepalingen van het besluit.

Dit lid laat de flexibiliteit onverlet waarover de minst ontwikkelde landen in het kader van het besluit van de TRIPS-raad van 27 juni 2002 beschikken.

2.  De bevoegde autoriteit gaat na of de in de aanvraag genoemde hoeveelheid van het product de door het invoerende land dat lid van de WTO is, of de invoerende landen die lid van de WTO zijn, gemelde hoeveelheid, of de hoeveelheid die aan de Commissie is gemeld door een invoerend land dat geen WTO-lid is, niet overschrijdt, en of de totale hoeveelheid van het product die door enig invoerend land mag worden geproduceerd de door dat WTO-lid aan de WTO gemelde hoeveelheid, dan wel de hoeveelheid die aan de Commissie is gemeld door dat invoerende land dat geen WTO-lid is, niet significant overschrijdt, waarbij andere, elders verleende dwanglicenties in aanmerking worden genomen.

Artikel 9

Voorafgaande onderhandelingen

1.  De aanvrager levert de bevoegde autoriteit het bewijs dat hij pogingen heeft gedaan om van de houder van het recht toestemming te verkrijgen en dat deze pogingen niet binnen een periode van 30 dagen voor de indiening van de aanvraag zijn geslaagd.

2.  De voorwaarde van lid 1 is niet van toepassing in geval van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzonder dringende aard of in geval van niet-commercieel gebruik door de overheid overeenkomstig artikel 31, onder b) van de TRIPS-overeenkomst.

Artikel 10

Dwanglicentievoorwaarden

1.  De verleende licentie is niet-overdraagbaar, behalve tezamen met dat gedeelte van de onderneming of de goodwill die de licentie geniet, en niet-exclusief. De licentie bevat de in de leden 2 tot en met 9 vervatte bijzondere voorwaarden die door de licentiehouder moeten worden vervuld.

2.  De hoeveelheid onder licentie vervaardigde producten mag niet meer bedragen dan de hoeveelheid die noodzakelijk is om te voorzien in de behoeften van het invoerende land of de invoerende landen die in de aanvraag worden genoemd, waarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid producten die worden vervaardigd onder andere, elders verleende dwanglicenties.

3.  De duur van de licentie wordt vermeld.

4.  De licentie blijft strikt beperkt tot alle handelingen die nodig zijn voor de vervaardiging van het betrokken product met het oog op uitvoer en distributie in het land of de landen die in de aanvraag worden genoemd. Een onder de dwanglicentie vervaardigd of ingevoerd product mag niet te koop worden aangeboden of in de handel worden gebracht in een ander land dan het in de aanvraag genoemde land, tenzij het invoerend land de in punt 6, onder i), van het besluit genoemde mogelijkheden inroept om uit te voeren naar andere leden van een regionale handelsovereenkomst met dezelfde gezondheidsproblemen.

5.  Producten die onder de licentie zijn vervaardigd, moeten door een bijzondere etikettering of markering duidelijk kenbaar gemaakt worden als producten die overeenkomstig deze verordening zijn vervaardigd. De producten moeten door een speciale verpakking en/of een speciale kleur of vorm worden onderscheiden van de door de houder van het recht vervaardigde producten, mits zulks realiseerbaar is en de prijs niet aanmerkelijk opvoert. Op de verpakking en alle daarmee samenhangende documentatie wordt aangegeven dat het product het voorwerp van een dwanglicentie krachtens deze verordening is, onder vermelding van de naam van de bevoegde autoriteit en een eventueel referentienummer ter identificatie, en met de duidelijke kanttekening dat het product uitsluitend bestemd is voor uitvoer naar en distributie in het betrokken invoerende land of de betrokken invoerende landen. Nadere bijzonderheden over de kenmerken van het product worden voor de douaneautoriteiten van de lidstaten toegankelijk gemaakt.

6.  Voorafgaand aan de verzending naar de in de aanvraag genoemde invoerende landen maakt de licentiehouder op een website de volgende informatie bekend:

   a) de onder de licentie te leveren hoeveelheden en de invoerende landen waaraan zij worden geleverd;
   b) de onderscheidende kenmerken van de betrokken producten.

Het adres van de website wordt aan de bevoegde autoriteit meegedeeld.

7.  Indien op de onder de dwanglicentie vallende producten een octrooi van toepassing is in de in de aanvraag genoemde invoerende landen, mogen de producten uitsluitend worden uitgevoerd indien deze landen een dwanglicentie voor de invoer, verkoop en/of distributie van de producten hebben verleend.

8.  De bevoegde autoriteit kan, op verzoek van de houder van het recht of, indien de nationale wetgeving zulks toestaat, op eigen initiatief, toegang tot de boekhouding van de licentiehouder verlangen, met als enig doel te controleren of aan de licentievoorwaarden, en met name die in verband met de eindbestemming van de producten, is voldaan. De boekhouding bevat het bewijs van uitvoer van het product, in de vorm van een door de betrokken douaneautoriteit gecertificeerde exportverklaring, en het bewijs van invoer van één van de in artikel 6, lid 3, onder f), bedoelde instanties.

9.  De licentiehouder is verantwoordelijk voor de betaling van een passende vergoeding aan de houder van het recht die door de bevoegde autoriteit wordt vastgesteld, als volgt:

   a) in de in artikel 9, lid 2, bedoelde gevallen wordt de vergoeding vastgesteld op ten hoogste 4% van de totale door of namens het invoerende land te betalen prijs;
   b) in alle andere gevallen wordt de vergoeding vastgesteld rekening houdende met de economische waarde van het gebruik dat onder de licentie aan het invoerende landen of de invoerende landen is toegestaan, alsook met humanitaire of niet-commerciële omstandigheden die verband houden met het verlenen van de licentie.

10.  De licentievoorwaarden gelden onverminderd de methode van distributie in het invoerend land.

Distributie kan bijvoorbeeld geschieden door één van de in artikel 6, lid 3, onder f), bedoelde instanties en volgens commerciële dan wel niet-commerciële voorwaarden; de distributie kan ook gratis zijn.

Artikel 11

Afwijzing van de aanvraag

De bevoegde autoriteit wijst een aanvraag af indien niet aan alle voorwaarden van de artikelen 6 tot en met 9 is voldaan, of indien de aanvraag niet de elementen bevat die nodig zijn om de bevoegde autoriteit in staat te stellen de licentie te verlenen overeenkomstig artikel 10. Alvorens een aanvraag af te wijzen, stelt de bevoegde autoriteit de aanvrager in de gelegenheid de situatie te herstellen en te worden gehoord.

Artikel 12

Kennisgeving

Wanneer een dwanglicentie is verleend, stelt de lidstaat de TRIPS-raad middels de Commissie in kennis van de licentieverlening en de daaraan verbonden specifieke voorwaarden.

De verstrekte informatie omvat de volgende gegevens over de licentie:

   a) de naam en het adres van de licentiehouder;
   b) de betrokken producten;
   c) de te leveren hoeveelheid;
   d) het land of de landen waarnaar de producten zullen worden geëxporteerd;
   e) de duur van de licentie;
   f) het adres van de in artikel 10, lid 6, genoemde website.

Artikel 13

Invoerverbod

1.  Het is verboden producten die vervaardigd zijn onder een dwanglicentie die is verleend krachtens het besluit en/of deze verordening in de Gemeenschap in te voeren met het doel ze in het vrije verkeer te brengen, weder uit te voeren of onder een schorsingsregeling, in een vrije zone of in een vrij entrepot te plaatsen.

2.  Lid 1 is niet van toepassing bij de wederuitvoer naar het in de aanvraag en op de verpakking en de bijbehorende documentatie van het product genoemde invoerende land of bij het onder een regeling voor douanevervoer of een regeling douane-entrepot plaatsen of het in een vrije zone of een vrij entrepot plaatsen met het oog op wederuitvoer naar dat invoerende land.

Artikel 14

Actie door douaneautoriteiten

1.  Indien er voldoende reden is om aan te nemen dat producten die vervaardigd zijn onder een dwanglicentie die is verleend krachtens het besluit en/of deze verordening, in strijd met artikel 13, lid 1, in de Gemeenschap worden ingevoerd, schorsen de douaneautoriteiten de vrijgave van de betrokken producten of houden zij deze vast totdat de bevoegde autoriteit een besluit over de aard van de goederen heeft genomen. De lidstaten zien erop toe dat een instantie over de bevoegdheid beschikt om te bepalen of er sprake is van een dergelijke invoer. De termijn van de schorsing of het vasthouden bedraagt ten hoogste tien werkdagen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, in welk geval de termijn met maximaal tien werkdagen mag worden verlengd. Bij het verstrijken van deze termijn worden de producten vrijgegeven, mits alle douaneformaliteiten zijn vervuld.

2.  De bevoegde autoriteit, de houder van het recht en de producent of de exporteur van de betrokken producten worden onverwijld in kennis gesteld van de schorsing van de vrijgave of het vasthouden van de producten en ontvangen alle beschikbare informatie over de betrokken producten. Er wordt naar behoren rekening gehouden met de nationale regels inzake bescherming van persoonsgegevens, commerciële en industriële geheimhouding en professionele en administratieve vertrouwelijkheid.

De importeur, en in voorkomend geval de exporteur, krijgt voldoende gelegenheid om de bevoegde autoriteit de informatie te verstrekken die hij voor de producten relevant acht.

3.  Indien wordt bevestigd dat de producten waarvan de vrijgave door de douaneautoriteiten is geschorst of die door hen worden vastgehouden, in strijd met het verbod in artikel 13, lid 1, bestemd waren voor de invoer in de Gemeenschap, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat deze producten overeenkomstig de nationale wetgeving in beslag worden genomen en vernietigd.

4.  De kosten van de schorsing, het vasthouden of de beslagname van producten komen voor rekening van de importeur. Indien zij niet op de importeur kunnen worden verhaald, kunnen zij overeenkomstig het nationale recht worden ingevorderd van eenieder die voor de poging tot illegale invoer aansprakelijk is.

5.  Indien later wordt vastgesteld dat de producten waarvan de vrijgave door de douaneautoriteiten is geschorst of die door deze worden vastgehouden, niet in strijd zijn met het verbod in artikel 13, lid 1, geeft de douaneautoriteit deze producten vrij voor de geadresseerde, op voorwaarde dat alle douaneformaliteiten zijn vervuld.

6.  De bevoegde autoriteit stelt de Commissie op de hoogte van de krachtens deze verordening genomen besluiten tot inbeslagname of vernietiging.

Artikel 15

Uitzondering voor persoonlijke bagage

De artikelen 13 en 14 zijn niet van toepassing op goederen van niet-commerciële aard die zich met het oog op persoonlijk gebruik in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, binnen de beperkingen die zijn vastgesteld met betrekking tot vrijstelling van douanerechten.

Artikel 16

Beëindiging of herziening van de licentie

1.  Behoudens een passende bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de licentiehouder, kan een krachtens deze verordening verleende dwanglicentie worden beëindigd door een beslissing van de bevoegde autoriteit of door een van de in artikel 17 genoemde instanties indien de licentiehouder zich niet aan de voorwaarden van de licentie houdt.

De bevoegde autoriteit mag op gemotiveerd verzoek van de houder van het recht of de licentiehouder onderzoeken of de voorwaarden van de licentie in acht worden genomen. Dit onderzoek wordt indien van toepassing gebaseerd op de in het invoerende land gemaakte evaluatie.

2.  De beëindiging van een krachtens deze verordening verleende licentie wordt meegedeeld aan de TRIPS-raad middels de Commissie.

3.  Na de beëindiging van de licentie is de bevoegde autoriteit of enige andere door de lidstaat aangewezen instantie gemachtigd een redelijke termijn vast te stellen waarbinnen de licentiehouder zorgt dat elk product in zijn bezit of bewaring, onder zijn beschikkingsbevoegdheid of toezicht op zijn kosten wordt verstuurd naar in nood verkerende landen zoals bedoeld in artikel 4, of, zoals voorgeschreven door de bevoegde autoriteit of enige andere door de lidstaat aangewezen instantie, op andere wijze wordt verwijderd, in overleg met de houder van het recht.

4.  Indien het invoerende land meedeelt dat de hoeveelheid van het farmaceutisch product onvoldoende is geworden om aan zijn behoeften te voldoen, kan de bevoegde autoriteit, op verzoek van de licentiehouder, de licentievoorwaarden aanpassen en toestaan dat de extra hoeveelheden die voor de behoeften van het betrokken invoerende land nodig zijn, worden vervaardigd en uitgevoerd. In deze gevallen wordt de aanvraag van de licentiehouder volgens een vereenvoudigde en versnelde procedure behandeld, waarbij de in artikel 6, lid 3, onder a) en b), bedoelde gegevens niet zijn vereist, op voorwaarde dat de oorspronkelijke dwanglicentie door de licentiehouder wordt geïdentificeerd. In gevallen waarin artikel 9, lid 1, van toepassing is, maar de afwijking van artikel 9, lid 2, niet, is geen verder bewijs van onderhandeling met de houder van het recht vereist, op voorwaarde dat de gevraagde extra hoeveelheid niet méér bedraagt dan 25% van de in de oorspronkelijke licentie toegekende hoeveelheid.

In gevallen waarin artikel 9, lid 2, van toepassing is, is geen bewijs van onderhandeling met de houder van het recht vereist.

Artikel 17

Bezwaren

1.  Bezwaren tegen beslissingen van de bevoegde autoriteit en geschillen over het voldoen aan de voorwaarden van de licentie worden voorgelegd aan de op grond van het nationale recht bevoegde, passende instantie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit en/of de in lid 1 bedoelde instantie de bevoegdheid hebben te beslissen dat een bezwaar tegen een beslissing tot verlening van een dwanglicentie opschortende werking heeft.

Artikel 18

Veiligheid en efficiëntie van geneesmiddelen

1.  Indien een aanvraag voor een dwanglicentie betrekking heeft op een geneesmiddel, mag de aanvrager gebruik maken van:

   a) de procedure inzake wetenschappelijk advies van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 726/2004 of van
   b) vergelijkbare procedures overeenkomstig het nationale recht, zoals wetenschappelijke adviezen of uitvoervergunningen, die uitsluitend bestemd zijn voor buiten de Gemeenschap gelegen markten.

2.  Indien een verzoek inzake een van de eerdergenoemde procedures betrekking heeft op een geneesmiddel dat generiek is ten opzichte van een referentiegeneesmiddel dat toegelaten is, of geweest is krachtens artikel 6 van Richtlijn 2001/83/EG, zijn de beschermingstermijnen die genoemd worden in artikel 14, lid 11 van Verordening (EG) nr. 726/2004 en in artikel 10, leden 1 en 5 van Richtlijn 2001/83/EG niet van toepassing.

Artikel 19

Herziening

Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, en vervolgens om de drie jaar, legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag voor over de werking van deze verordening, met inbegrip van geëigende plannen voor wijzigingen. Het verslag behandelt in het bijzonder:

   a) de toepassing van artikel 10, lid 9, over de vaststelling van de vergoeding van de houder van het recht;
   b) de toepassing van de vereenvoudigde en versnelde procedure zoals bedoeld in artikel 16, lid 4;
   c) de geëigendheid van de vereisten van artikel 10, lid 5, om verlegging van het handelsverkeer te voorkomen, en
   d) de bijdrage van deze verordening aan de uitvoering van het door het besluit ingevoerde systeem.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat

Gedaan te , op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.
(2) PB C 286 van 17.11.2005, blz. 4.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 1.12.2005.
(4) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/24/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 85).


Bestrijding van aviaire influenza *
PDF 461kWORD 255k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza (COM(2005)0171 – C6-0195/2005 – 2005/0062(CNS))
P6_TA(2005)0455A6-0327/2005

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0171)(1),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0195/2005),

–   gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0327/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 1
(1)  Aviaire influenza is een ernstige, uiterst besmettelijke virusziekte bij pluimvee en overige vogels, die wordt veroorzaakt door verschillende soorten influenzavirussen. Deze virussen kunnen ook overgaan op zoogdieren, met inbegrip van varkens en mensen.
(1)  Aviaire influenza is een ernstige, uiterst besmettelijke virusziekte bij pluimvee en overige vogels, die wordt veroorzaakt door verschillende soorten influenzavirussen. Deze virussen kunnen ook overgaan op zoogdieren, met inbegrip van varkens en mensen, en worden door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) als een ernstige bedreiging van de menselijke gezondheid beschouwd, omdat zij tot de uitbraak van een influenzapandemie kunnen leiden.
Amendement 2
Overweging 7
(7)  De besmetting met bepaalde stammen van aviaire influenzavirussen kan bij als huisdier gehouden vogels uitbraken met de omvang van een epizoötie veroorzaken, die tot een dusdanige mortaliteit en schade voor het pluimveebestand leiden dat hierdoor met name de rentabiliteit van de pluimveehouderij als geheel gevaar kan lopen. Het aviaire influenzavirus is overdraagbaar op mensen en kan een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormen.
(7)  De besmetting met bepaalde stammen van aviaire influenzavirussen kan bij als huisdier gehouden vogels uitbraken met de omvang van een epizoötie veroorzaken, die tot een dusdanige mortaliteit en schade voor het pluimveebestand leiden dat hierdoor de pluimveehouderij als geheel gevaar kan lopen. Het aviaire influenzavirus is overdraagbaar op mensen en het uitbreken van een menselijke influenzapandemie die het gevolg is van een vogelvirus, wordt door de WHO als een grote bedreiging voor de volksgezondheid beschouwd.
Amendement 3
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis) De lidstaten dienen steun te verlenen voor de intensivering van de logistieke bijstand, waaronder inspecties op verzoek, aan buurlanden en landen waar aviaire influenza heerst, om hen te helpen hun risicobeoordelings- en beheersingscapaciteit te verbeteren, met name waar het gaat om laboratoriumcapaciteit en gevalideerde methodologieën met kwaliteitsborging, in overeenstemming met internationaal overeengekomen normen, een verbeterd gebruik van vaccins tegen epidemieën en een gericht gebruik van geschikte antivirale middelen, om een commercieel onpartijdige en deugdelijke risicobeheersing op kosten-batenbasis te verwezenlijken.
Amendement 4
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter) De lidstaten moeten steun verlenen ter versterking van de onderzoeksactiviteiten in de EU, om een beter inzicht te verkrijgen in het verband tussen virologische mechanismen voor aanpassing, d.w.z. mutatie, recombinatie of hergroepering, met risicobeoordeling en routes van specifieke overdracht tussen soorten, alsmede methodologieën, in het bijzonder met het oog op de ontwikkeling van langdurig beschikbare vaccins die werkzaam zijn op meerdere subtypes.
Amendement 5
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater) Samenwerking tussen veterinaire en volksgezondheidsautoriteiten inzake humane en zoönotische influenza moet worden versterkt, en controle in laboratoria, gewaarborgd door middel van een duurzaam budget en een vaste rechtsgrondslag, evenals de inzet van referentielaboratoria van de Gemeenschap, die over bevoegdheden beschikken in beide sectoren, omvatten.
Amendement 6
Overweging 9
(9)  De Gemeenschapwetgeving voor de bestrijding van aviaire influenza dient de lidstaten de mogelijkheid te geven om op adequate en flexibele wijze ziektebestrijdingsmaatregelen te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de aan de verschillende virusstammen verbonden risico's en het waarschijnlijke sociaal-economische effect van de maatregelen op de landbouwsector en andere betrokken sectoren en er tegelijkertijd zorg voor wordt gedragen dat de maatregelen voor ieder afzonderlijk ziektescenario het meest geschikt zijn.
(9)  De Gemeenschapwetgeving voor de bestrijding van aviaire influenza dient de lidstaten de mogelijkheid te geven om op adequate en flexibele wijze ziektebestrijdingsmaatregelen te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de aan de verschillende virusstammen verbonden risico's en het waarschijnlijke sociaal-economische effect van de maatregelen op de landbouwsector en andere betrokken sectoren en er tegelijkertijd zorg voor wordt gedragen dat de maatregelen voor ieder afzonderlijk ziektescenario het meest geschikt zijn en gecoördineerd worden.
Amendement 7
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis) De reactie van de Europese Unie en de lidstaten wordt bepaald overeenkomstig de internationale richtsnoeren en in nauwe samenwerking met de relevante internationale organen (d.w.z. de WHO, de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE)).
Amendement 8
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter) Het bestrijden van aviaire influenza en een eventuele toekomstige grieppandemie heeft voor de lidstaten een grensoverschrijdende dimensie en daarom moeten er voorbereidings- en rampenplannen worden opgesteld met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en van de gezondheid van dieren.
Amendement 9
Overweging 10
(10)  Met het oog op het voorkomen van en anticiperen op de volksgezondheidsproblemen die het gevolg kunnen zijn van aviaire influenza moeten de diensten voor de dier- en volksgezondheid in de lidstaten streven naar een effectieve communicatie en nauwe samenwerking, zodat de bevoegde instanties zo nodig de juiste maatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid kunnen nemen.
(10)  Met het oog op het voorkomen van en anticiperen op de volksgezondheidsproblemen die het gevolg kunnen zijn van aviaire influenza zijn een effectieve en gecoördineerde communicatie ter versterking van het vertrouwen van het publiek en nauwe samenwerking tussen de diensten voor de dier- en volksgezondheid in de lidstaten absoluut noodzakelijk, zodat de bevoegde instanties de juiste maatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid kunnen nemen en de betrokken maatregelen en de voorbereidings- en rampenplannen onderling beter gecoördineerd kunnen worden. In deze rampenplannen moeten middelen worden opgenomen om in geval van een epidemie snel te kunnen optreden.
Amendement 10
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis) Met het oog op een maximale doeltreffendheid en minimale kosten dienen de Gemeenschap en de lidstaten gezamenlijk de migratie van wilde vogels te observeren en onderzoek te doen naar de mate van gevaar dat zij vormen als het gaat om de verspreiding van aviaire influenza in de EU en andere relevante gebieden.
Amendement 11
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter) De Gemeenschap en de lidstaten moeten derde landen die met het uitbreken van aviaire influenza te maken hebben, helpen bij de bestrijding van deze ziekte. De betrokken landen moeten worden bijgestaan met expertise en geldelijke steun via de daarvoor aangewezen programma's, in nauwe samenwerking met de betrokken internationale organisaties (FAO, OIE en WHO).
Amendement 12
Overweging 11
(11)  Gezien de mogelijkheid dat laagpathogene aviaire influenzavirussen kunnen muteren in hoogpathogene, moeten er maatregelen worden getroffen om de besmetting van pluimvee vroegtijdig op het spoor te komen, zodat snel opgetreden kan worden en de vereiste maatregelen kunnen worden genomen, waaronder een systeem voor actieve bewaking door de lidstaten. Die bewaking dient plaats te vinden aan de hand van algemene richtsnoeren, die in het licht van nieuwe kennis en ontwikkelingen op dit terrein aangepast moeten worden.
(11)  Gezien de mogelijkheid dat laagpathogene aviaire influenzavirussen kunnen muteren in hoogpathogene, moeten er maatregelen worden getroffen om de besmetting van pluimvee en andere dieren evenals mensen vroegtijdig op het spoor te komen, zodat snel opgetreden kan worden en de vereiste maatregelen kunnen worden genomen, waaronder een systeem voor actieve bewaking door de lidstaten. Die bewaking dient plaats te vinden aan de hand van algemene richtsnoeren, die in het licht van nieuwe kennis en ontwikkelingen op dit terrein aangepast moeten worden.
Amendement 13
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis) De Commissie moet het wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe vaccins tegen vogelgriep in de lidstaten coördineren om wetenschapsmensen aan te moedigen vaccins te ontwikkelen die:
a) beschermen tegen meervoudige stammen van het aviaire influenzavirus,
b) effectief zijn voor alle relevante vogelsoorten,
c) oraal kunnen worden toegediend.
Mondeling amendement
Overweging 11 ter (nieuw)
Jagers in Europa dienen aangemoedigd te worden ondersteuning te bieden bij het toezicht op uitbraken van aviaire influenza bij wilde vogels door de bevoegde autoriteiten in te lichten wanneer zij vermoeden dat vogels besmet zijn.
Amendement 14
Overweging 12
(12)  Bij iedere verdenking van besmetting met aviaire influenza op grond van klinische of laboratoriumonderzoeken of om een andere reden die aanleiding geeft tot de verdenking van besmetting dienen er onmiddellijk officiële onderzoeken te worden uitgevoerd, zodat er zo nodig snel en doeltreffend kan worden ingegrepen. Deze maatregelen moeten, zodra de besmetting bevestigd wordt, zodanig verscherpt worden dat onder andere de door besmetting getroffen bedrijven of bedrijven waar besmetting dreigt, worden geruimd.
(12)  Bij iedere verdenking van besmetting met aviaire influenza op grond van klinische of laboratoriumonderzoeken of om een andere reden die aanleiding geeft tot de verdenking van besmetting dienen er onmiddellijk officiële onderzoeken te worden uitgevoerd, zodat er automatisch snel en doeltreffend kan worden ingegrepen in het kader van het snellereactiesysteem van de EU voor de gezondheid en veiligheid in de voedselketen. Deze maatregelen moeten, zodra de besmetting bevestigd wordt, zodanig verscherpt worden dat onder andere de door besmetting getroffen bedrijven of bedrijven waar besmetting dreigt, worden geruimd. De officiële onderzoeken dienen klinisch en laboratoriumonderzoek te omvatten op het gebied van dier- en menselijke gezondheid.
Amendement 15
Overweging 13
(13)  Indien besmetting met laagpathogeen aviair influenzavirus wordt aangetoond, of indien de aanwezigheid van het virus in het geval van serologische aanwijzingen voor besmetting niet door virusisolatietests kan worden bevestigd, kan de bestrijding met andere methoden dan de voor hoogpathogene aviaire influenzavirussen voorgeschreven maatregelen plaatsvinden, gezien de verschillende risiconiveau van deze beide situaties.
(13)  Indien besmetting met laagpathogeen aviair influenzavirus wordt aangetoond, of indien de aanwezigheid van het virus in het geval van serologische aanwijzingen voor besmetting niet door virusisolatietests kan worden bevestigd, moet de bestrijding met andere methoden dan de voor hoogpathogene aviaire influenzavirussen voorgeschreven maatregelen plaatsvinden, gezien de verschillende risiconiveau van deze beide situaties.
Amendement 16
Overweging 14
(14)  Bij het nemen van ziektebestrijdingsmaatregelen en met name bij het instellen van beperkingsgebieden moeten ook de dichtheid van de pluimveepopulatie en andere risicofactoren in het gebied waar de besmetting is vastgesteld, in aanmerking worden genomen.
(14)  Bij het nemen van ziektebestrijdingsmaatregelen en met name bij het instellen van beperkingsgebieden moeten ook de dichtheid van de pluimveepopulatie en andere risicofactoren in het gebied waar de besmetting is vastgesteld, zoals de nabijheid van waterrijke gebieden die trekvogels aantrekken, in aanmerking worden genomen.
Amendement 17
Overweging 17
(17)  Vaccinatie tegen aviaire influenza kan een doeltreffende aanvulling zijn van ziektebestrijdingsmaatregelen, waardoor massaal doden en vernietigen van pluimvee en andere vogels voorkomen kunnen worden. Volgens de huidige stand van kennis kan vaccinatie niet alleen nuttig zijn in noodsituaties, maar ook ter voorkoming van ziekte in situaties waarin een groter risico bestaat dat aviaire influenzavirussen worden ingesleept door in het wild levende dieren of andere bronnen. Daarom dienen er maatregelen ten behoeve van zowel beschermende als noodvaccinaties te worden genomen.
(17)  Controles, steekproefsgewijze screeningtests bij dieren en vaccinatie tegen aviaire influenza kunnen een doeltreffende aanvulling zijn van ziektebestrijdingsmaatregelen, waardoor massaal doden en vernietigen van pluimvee en andere vogels voorkomen kunnen worden. Volgens de huidige stand van kennis kan vaccinatie niet alleen nuttig zijn in noodsituaties, maar ook ter voorkoming van ziekte in situaties waarin een groter risico bestaat dat aviaire influenzavirussen worden ingesleept door in het wild levende dieren of andere bronnen. Daarom dienen er maatregelen ten behoeve van controles, steekproefsgewijze screeningtests bij dieren en beschermende alsmede noodvaccinaties te worden genomen.
Amendement 18
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis.) De Commissie moet zo goed mogelijk gebruik maken van de beschikbare middelen voor de ontwikkeling van vaccins en testmethodes. Het onderzoek op dit gebied moet aansluiten bij de DIVA-strategie en moet gericht zijn op vereenvoudiging van de controle van de ziekte en de verkoop van producten afkomstig van ingeënte dieren.
Amendement 19
Overweging 19
(19)  De Gemeenschap en de lidstaten dienen ook over de mogelijkheid te beschikken om vaccinvoorraden aan te leggen om in het geval van nood pluimvee en andere vogels mee te enten.
(19)  De Gemeenschap en de lidstaten dienen vaccinvoorraden aan te leggen om in het geval van nood pluimvee en andere vogels mee te enten.
Amendement 20
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis.) Om de last voor de begroting van de EU tengevolge van de financiële bijstand aan de lidstaten door de uitvoering van deze richtlijn te beperken, moet de Commissie het publiek objectieve informatie verstrekken over de veiligheid van het eten van vlees afkomstig van ingeënte dieren, dat net zo veilig is als het eten van vlees afkomstig van niet-ingeënte dieren, bij correcte toepassing van de vaccinatie.
Amendement 21
Overweging 20
(20)  De nodige voorschriften moeten worden vastgesteld om te garanderen dat voor de diagnose van aviaire influenza gebruik wordt gemaakt van geharmoniseerde procedures en methoden, zoals bijvoorbeeld de diensten van een communautair referentielaboratorium en van referentielaboratoria in de lidstaten.
(20)  De nodige voorschriften moeten worden vastgesteld en dringend ten uitvoer gelegd om te garanderen dat voor de diagnose van aviaire influenza gebruik wordt gemaakt van geharmoniseerde procedures en methoden, zoals bijvoorbeeld de diensten van een communautair referentielaboratorium en van referentielaboratoria in de lidstaten en de buurlanden van de EU.
Amendement 22
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis) Er moeten maatregelen worden getroffen om de samenwerking te verzekeren tussen het referentielaboratorium van de Gemeenschap, referentielaboratoria in de lidstaten en hun tegenhangers voor humane influenza (d.w.z. het referentielaboratorium van de Gemeenschap voor humane influenza en de nationale laboratoria voor humane influenza waarnaar wordt verwezen in bijlage VIII, punt 2, letter c), onder v).
Amendement 23
Overweging 20 ter (nieuw)
(20 ter) De Gemeenschap en de lidstaten moeten zorgen voor betere samenwerking en versterkte inspanningen op het gebied van de ontwikkeling van vaccins en testmethodes.
Amendement 24
Overweging 21
(21)  Om in door een of meer uitbraken van aviaire influenza ontstane noodsituaties doeltreffend te kunnen optreden, moeten de lidstaten de noodzakelijke voorbereidingen treffen, met name door het opstellen van rampenplannen en de oprichting van ziektebestrijdingscentra. In dergelijke rampenplannen moet ook aandacht uitgaan naar het risico dat aviaire influenza voor de gezondheid van de werknemers in de pluimveehouderij en overig personeel oplevert.
(21)  Om in door een of meer uitbraken van aviaire influenza ontstane noodsituaties doeltreffend te kunnen optreden, moeten de lidstaten de noodzakelijke voorbereidingen treffen, met name door het opstellen van rampenplannen en de oprichting van gecoördineerde ziektebestrijdingscentra. In dergelijke rampenplannen moet ook aandacht uitgaan naar het risico dat aviaire influenza voor de gezondheid van de werknemers in de pluimveehouderij en overig personeel oplevert, en rekening worden gehouden met de nationale voorbereidings- en rampenplannen.
Amendement 25
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis) De Commissie en de lidstaten moeten een actieplan opstellen en steunen voor de landen die geen buurlanden zijn van de EU waar uitbraken hebben plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn op het voorkomen van de ziekte in Europa.
Amendement 26
Overweging 21 ter (nieuw)
(21 ter) Op basis van verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding1 is het van essentieel belang dat de Commissie en de lidstaten met het centrum samenwerken om te komen tot maatregelen ter bestrijding van de aviaire influenza en voorbereidings- en rampenplannen opstellen.
________________
1 PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1.
Amendement 27
Overweging 21 quater (nieuw)
(21 quater) De Commissie moet met de lidstaten werken aan de harmonisering van de kostenverdeling tussen de nationale overheden en de landbouwsector bij de medefinanciering door de lidstaten van de kosten van uitbraken van besmettelijke dierziektes.
Amendement 28
Overweging 21 quinquies (nieuw)
(21 quinquies) Om de last voor de begroting van de EU tengevolge van de financiële bijstand aan de lidstaten door de uitvoering van deze richtlijn te beperken, moet de Commissie zich actief inzetten om de actoren in de vleessector ertoe aan te zetten mee te werken aan de niet-gedifferentieerde verkoop van vlees afkomstig van ingeënte dieren.
Amendement 29
Overweging 21 sexies (nieuw)
(21 sexies) Om de last voor de begroting van de EU tengevolge van de financiële bijstand aan de lidstaten door de uitvoering van deze richtlijn te beperken, moet de Commissie zich actief inzetten voor het wijzigen van de OIE-regelgeving inzake handelsbeperkingen bij de toepassing van inentingen.
Amendement 30
Overweging 22
(22)  Als er tijdens de in Beschikking 2000/666/EG van de Commissie van 16 oktober 2000 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, alsmede van quarantainevoorschriften bedoelde invoer aviaire influenza in een quarantainevoorziening of -station wordt ontdekt, dient dit aan de Commissie te worden gemeld. Meldingen in de zin van Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap komen bij uitbraken in de lidstaten echter niet in aanmerking.
(22)  Als er tijdens de in Beschikking 2000/666/EG van de Commissie van 16 oktober 2000 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vogels, met uitzondering van pluimvee, alsmede van quarantainevoorschriften bedoelde invoer aviaire influenza in een quarantainevoorziening of -station wordt ontdekt, dient dit aan de Commissie te worden gemeld. De lidstaten moeten hun controles van zowel de legale als illegale invoer van wilde vogels opvoeren om het risico van verspreiding van aviaire influenza door invoer van wilde vogels te beperken. Meldingen in de zin van Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap komen bij uitbraken in de lidstaten echter niet in aanmerking.
Amendement 31
Overweging 23
(23)  Reinigen en ontsmetten dienen een integrerend deel uit te maken van het communautaire beleid inzake de bestrijding van aviaire influenza. Ontsmettingsmiddelen moeten gebruikt worden in overeenstemming met Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden.
(23)  Reinigen en ontsmetten dienen één van de integrerende delen uit te maken van het communautaire beleid inzake de bestrijding van aviaire influenza. Ontsmettingsmiddelen moeten gebruikt worden in overeenstemming met Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden.
Amendement 32
Overweging 29
(29)  In deze richtlijn is vastgelegd welke bestrijdingsmaatregelen minimaal moeten worden genomen bij een uitbraak van aviaire influenza bij pluimvee en andere vogels. Het staat de lidstaten echter vrij stringentere bestuursrechtelijke en sanitaire maatregelen vast te stellen op het binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende gebied. Voorts bepaalt de richtlijn dat de autoriteiten van de lidstaten maatregelen mogen nemen die in de juiste verhouding staan tot het aan de diverse ziektesituaties verbonden gezondheidsrisico.
(29)  In deze richtlijn is vastgelegd welke bestrijdingsmaatregelen minimaal moeten worden genomen bij een uitbraak van aviaire influenza bij pluimvee en andere vogels. Het staat de lidstaten echter vrij stringentere bestuursrechtelijke en sanitaire maatregelen vast te stellen op het binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende gebied. Voorts bepaalt de richtlijn dat de autoriteiten van de lidstaten maatregelen dienen te nemen die in de juiste verhouding staan tot het aan de diverse ziektesituaties verbonden gezondheidsrisico.
Amendement 33
Overweging 30
(30)  Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het, teneinde de fundamentele doelstelling van het waarborgen van de ontwikkeling van de pluimveehouderij en het leveren van een bijdrage aan de bescherming van de diergezondheid te verwezenlijken, noodzakelijk en passend voorschriften inzake specifieke maatregelen en minimummaatregelen voor de preventie en bestrijding van aviaire influenza te regelen. Deze richtlijn gaat overeenkomstig artikel 5, alinea 3, van het Verdrag niet verder dan wat nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.
(30)  Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het, teneinde de fundamentele doelstelling van het leveren van een bijdrage aan de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid te verwezenlijken en het waarborgen van de ontwikkeling van de pluimveehouderij, noodzakelijk en passend voorschriften inzake specifieke maatregelen en minimummaatregelen voor de preventie en bestrijding van aviaire influenza te regelen. Deze richtlijn gaat overeenkomstig artikel 5, alinea 3, van het Verdrag niet verder dan wat nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 34
Overweging 32 bis (nieuw)
(32 bis) De Commissie en de lidstaten hebben de taak om het publiek via alle beschikbare media voor te lichten over de epizoötische en epidemiologische bedreigingen.
Amendement 35
Artikel 3, lid 7, letter b bis) (nieuw)
b bis) voor wetenschappelijke doeleinden of doeleinden in verband met het behoud van bedreigde soorten of officieel geregistreerde zeldzame rassen van pluimvee of andere vogels, zoals een circus, een dierentuin of een wildpark.
Amendement 36
Artikel 3, punt 15, letter b)
b) die bij een of meer nieuwe uitbraken van aviaire influenza klinische symptomen, postmortemlaesies of reacties op in overeenstemming met artikel 51, lid 3, eerste alinea, erkende laboratoria (hierna 'erkend laboratorium' genoemd) uitgevoerde laboratoriumtests vertonen, die met de diagnose van aviaire influenza van het diagnosehandboek overeenstemmen;
b) die bij een of meer nieuwe uitbraken van aviaire influenza hetzij klinische symptomen, hetzij postmortemlaesies hetzij reacties op in overeenstemming met artikel 51, lid 3, eerste alinea, erkende laboratoria (hierna 'erkend laboratorium' genoemd) uitgevoerde laboratoriumtests vertonen, die met de diagnose van aviaire influenza van het diagnosehandboek overeenstemmen;
Amendement 37
Artikel 3, punt 30
(30) "uitbraak": een bedrijf waar de aanwezigheid van aviaire influenza door de bevoegde autoriteit is bevestigd;
(30) "uitbraak": een bedrijf met pluimvee of andere vogels waar de aanwezigheid van aviaire influenza door de bevoegde autoriteit is bevestigd;
Amendement 38
Artikel 3, punt 35
35. 'karkassen': pluimvee en andere vogels die zijn gestorven of gedood.
35. 'karkassen': pluimvee en andere vogels die zijn gestorven of gedood als gevolg van vermoede of bevestigde aviaire influenza.
Amendement 125
Artikel 3, punt 35 bis (nieuw)
35 bis. "adequate bioveiligheidsmaatregelen": maatregelen die ontworpen zijn om het risico van verspreiding van besmettelijke stoffen te beperken;
Amendement 39
Artikel 4, lid 1, letter a)
a) de prevalentie van besmetting met het virus van aviaire influenza, subtypes H5 en H7, bij diverse soorten pluimvee te kunnen opsporen,
a) de prevalentie van besmetting met het virus van aviaire influenza, subtypes H5 en H7, bij diverse soorten pluimvee en zoogdieren te kunnen opsporen,
Amendement 40
Artikel 4, lid 1, letter a bis) (nieuw)
a bis) controles en steekproefsgewijze screeningtests door de bevoegde autoriteiten te laten uitvoeren;
Amendement 41
Artikel 4, lid 3 bis (nieuw)
3 bis. De Commissie voorziet het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding van informatie over de toepassing van de jaarlijkse toezichtprogramma's.
Amendement 42
Artikel 5, lid 1
1.  De lidstaten stellen de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis van gevallen van besmet pluimvee, besmette andere vogels of pluimvee en andere vogels die van besmetting verdacht worden.
1.  De lidstaten stellen de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis van gevallen van besmet pluimvee, besmette andere vogels of pluimvee en andere vogels die van besmetting verdacht worden, ongeacht de aard of het pathogeen karakter van het virus dat dit heeft veroorzaakt.
Amendement 43
Artikel 5, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Commissie verstrekt het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding van alle beknopte gegevens over de indiening van verslagen en kennisgevingen als bedoeld in bijlage II.
Amendement 44
Artikel 6, lid 4
4.  Indien uit het epizoötiologisch onderzoek blijkt dat de aviaire influenza mogelijkerwijze ingesleept is uit of zich verspreid heeft naar andere lidstaten, worden de Commissie en de andere betrokken lidstaten onmiddellijk van alle bevindingen van het onderzoek op de hoogte gesteld.
4.  Indien uit het epizoötiologisch onderzoek blijkt dat de aviaire influenza mogelijkerwijze ingesleept is uit of zich verspreid heeft naar andere lidstaten, worden de Commissie, de andere betrokken lidstaten en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding onmiddellijk van alle bevindingen van het onderzoek op de hoogte gesteld.
Amendement 45
Artikel 7, lid 2, letter b)
b) opstelling van een lijst per categorie van het geschatte aantal stuks pluimvee en andere vogels en alle gedomesticeerde zoogdieren op het bedrijf die reeds ziek, gestorven of waarschijnlijk besmet zijn; deze lijst wordt dagelijks bijgewerkt zodat rekening wordt gehouden met alle gedurende de vermoedelijke uitbraak geboren en gestorven dieren en wordt desgevraagd overgelegd aan de bevoegde autoriteit;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 46
Artikel 7, lid 2, letter f)
f) geen eieren mogen van het bedrijf worden afgevoerd, met uitzondering van eieren – met inbegrip van broedeieren – die met toestemming van de bevoegde autoriteit rechtstreeks worden gezonden naar een inrichting voor de bereiding van eiproducten overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, sectie X, van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en worden gehanteerd en behandeld in overeenstemming met hoofdstuk IX van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004; een dergelijke toestemming van de bevoegde autoriteit moet voldoen aan de voorschriften van bijlage II bij deze richtlijn;
f) geen eieren mogen van het bedrijf worden afgevoerd;
Amendement 47
Artikel 10, lid 2, alinea 1
2.  De verplaatsingen van pluimvee, andere vogels en eieren en de met de pluimveehouderij verband houdende verplaatsing van voertuigen kunnen in een groot gebied of in een gehele lidstaat tijdelijk beperkt worden.
2.  De verplaatsingen van pluimvee, andere vogels en eieren en de met de pluimveehouderij verband houdende verplaatsing van voertuigen kunnen in een groot gebied of in een gehele lidstaat tijdelijk beperkt worden, in afwachting van het verloop van het epidemiologisch onderzoek en het verkrijgen van de resultaten van het laboratoriumonderzoek.
Amendement 48
Artikel 10, lid 3, alinea 2
Indien de omstandigheden dit toelaten, kan de toepassing van deze maatregelen evenwel tot van besmetting verdacht pluimvee en de productie-eenheden daarvan beperkt blijven.
Schrappen
Amendement 49
Artikel 11, lid 2, alinea 1
2.  Alle pluimvee en andere vogels op het bedrijf waarbij de aanwezigheid van HPAI is bevestigd worden onmiddellijk onder officieel toezicht gedood. Bij het doden wordt zodanig te werk gegaan dat het risico van verspreiding van aviaire influenza wordt voorkomen, met name tijdens het vervoer en het doden en in overeenstemming met Richtlijn 93/119/EEG van de Raad.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 50
Artikel 11, lid 5, alinea 2
De bevoegde autoriteit mag evenwel toestaan dat consumptie-eieren rechtstreeks worden gezonden naar een inrichting voor de bereiding van eiproducten overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, sectie X van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en worden gehanteerd en behandeld in overeenstemming met hoofdstuk XI van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004. Dergelijke toestemmingen voldoen aan de voorschriften van bijlage III bij deze richtlijn.
Schrappen
Amendement 51
Artikel 13, lid 2, letter b)
b) in overeenstemming met het diagnosehandboek verder bewaakt en getest worden totdat uit de laboratoriumtests blijkt dat zij niet langer een significant risico opleveren voor de verdere verspreiding van HAAI; en
b) in overeenstemming met het diagnosehandboek verder bewaakt en getest worden en niet van het terrein van oorsprong worden verwijderd totdat uit de laboratoriumtests blijkt dat zij niet langer een significant risico opleveren voor de verdere verspreiding van HPAI; en
Amendement 52
Artikel 16, lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Onmiddellijk na het uitbreken van HPAI op een pluimveehouderij die geen commercieel pluimveebedrijf is, kan de bevoegde autoriteit een beschermings- en een toezichtgebied instellen op basis van een risicobeoordeling en rekening houdend met ten minste de criteria vervat in bijlage V.
Amendement 53
Artikel 16, lid 2, letter c)
c) de ligging van het bedrijf en de afstand ten opzichte van andere bedrijven;
c) de ligging van het bedrijf en de afstand en dichtheid ten opzichte van andere bedrijven, alsmede de dichtheid van de pluimveepopulatie;
Amendement 54
Artikel 16, lid 2, letter e)
e) de aanwezige voorzieningen en het personeel voor de controle op verplaatsingen van pluimvee en andere vogels, hun karkassen, mest, strooisel (nieuw of gebruikt) binnen de beschermings- en toezichtsgebieden, vooral wanneer het pluimvee en de andere vogels die gedood en verwijderd moeten worden van het bedrijf van herkomst moeten worden afgevoerd.
Schrappen
Amendement 55
Artikel 16, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Indien de uitbraak van HPAI is beperkt tot een niet-commerciële houderij/houderij van hobby-vogels, circus, dierentuin, winkel met hobby-vogels, wildpark, of een omheind gebied waar andere vogels worden gehouden voor wetenschappelijke doeleinden of doeleinden in verband met het behoud van bedreigde soorten of officieel geregistreerde zeldzame rassen van andere vogels die geen pluimvee vormen, kan de bevoegde autoriteit, na een diergeneeskundige beoordeling, voor zover nodig afwijken van de bepalingen van afdelingen 3 tot 5 betreffende het instellen van het beschermings- en toezichtgebied en de daarin te treffen maatregelen, mits dergelijke afwijkingen de ziektebestrijding niet in gevaar brengen.
Amendement 56
Artikel 16, lid 3
3.  De bevoegde autoriteit kan met inachtneming van de in lid 2 genoemde criteria verdere beperkingsgebieden rond of naast de beschermings- en toezichtsgebieden instellen.
3.  Indien de bevoegde autoriteit over aanwijzingen beschikt dat het risico op verspreiding van HPAI niet tot de beschermings- en toezichtsgebieden kan worden beperkt, kan zij met inachtneming van de in lid 2 genoemde criteria verdere beperkingsgebieden rond of naast de beschermings- en toezichtsgebieden instellen.
Amendement 57
Artikel 16, lid 4
4.  Als een beschermings-, toezichts- of verder beperkingsgebied op het grondgebied van verschillende lidstaten is gelegen, bakenen de bevoegde autoriteiten van de getroffen lidstaten het gebied in onderling overleg af.
4.  Als een beschermings-, toezichts- of verder beperkingsgebied op het grondgebied van verschillende lidstaten is gelegen, bakenen de bevoegde autoriteiten van de getroffen lidstaten het gebied in onderling overleg af. Dit geldt ook voor directe buurlanden van de EU.
Amendement 58
Artikel 19, letter h)
h) ter bevordering van de bewaking en bestrijding van de ziekte houdt de eigenaar een register bij van alle personen die het bedrijf bezoeken; dit wordt desgevraagd aan de bevoegde autoriteit overgelegd
h) ter bevordering van de bewaking en bestrijding van de ziekte houdt de eigenaar een register bij van alle personen die het bedrijf of duidelijk afgebakende gebieden bezoeken, binnen een niet-commerciële houderij waar ook in gevangenschap gehouden vogels zijn, zoals dierentuinen of wildparken; dit wordt desgevraagd aan de bevoegde autoriteit overgelegd.
Amendement 59
Artikel 23, inleidende formule
In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit onder de volgende voorwaarden het vervoer van pluimvee voor onmiddellijke slacht toestaan:
In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit, met instemming van de eigenaar en het aangewezen slachthuis, onder de volgende voorwaarden het vervoer van pluimvee voor onmiddellijke slacht toestaan:
Amendement 60
Artikel 24, lid 1, inleidende formule
1.  In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit onder de volgende voorwaarden toestaan dat eendagskuikens rechtstreeks vervoerd worden naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar geen ander pluimvee wordt gehouden en bij voorkeur buiten de beschermings- en toezichtsgebieden gelegen:
1.  In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit onder de volgende voorwaarden toestaan dat eendagskuikens rechtstreeks vervoerd worden naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee wordt gehouden en bij voorkeur buiten de beschermings- en toezichtsgebieden gelegen:
Amendement 61
Artikel 25, inleidende formule
In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit onder de volgende voorwaarden toestaan dat legrijp pluimvee rechtstreeks vervoerd wordt naar een binnen het beschermings- en toezichtsgebied gelegen bedrijf of een stal op dat bedrijf, waar geen ander pluimvee wordt gehouden:
In afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit onder de volgende voorwaarden toestaan dat legrijp pluimvee rechtstreeks vervoerd wordt naar een binnen het beschermings- en toezichtsgebied gelegen bedrijf of een stal op dat bedrijf, of op basis van een risicobeoordeling naar een buiten dat gebied gelegen bedrijf waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee wordt gehouden:
Amendement 62
Artikel 26, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Bij wijze van afwijking van artikel 22 kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor het vervoer van eieren met inbegrip van broedeieren naar een inrichting voor de bereiding van eierproducten overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van sectie X van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en te worden gehanteerd en behandeld in overeenstemming met hoofdstuk XI van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004.
Amendement 63
Artikel 30, letter c), inleidende formule
c) de verplaatsing van pluimvee legrijp pluimvee, eendagskuikens, broed- en consumptie-eieren naar buiten het toezichtsgebied gelegen bedrijven, slachthuizen of pakstations is verboden; de bevoegde autoriteit kan evenwel toestemming verlenen voor het rechtstreekse vervoer van:
c) de verplaatsing van pluimvee legrijp pluimvee, eendagskuikens, broed- en consumptie-eieren naar binnen of buiten het toezichtsgebied gelegen bedrijven, slachthuizen, pakstations of verwerkingscentra is verboden; de bevoegde autoriteit kan evenwel toestemming verlenen voor het rechtstreekse vervoer van:
Amendement 64
Artikel 30, letter c), punt ii)
ii) legrijp pluimvee naar een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar geen ander pluimvee aanwezig is; het bedrijf wordt na de aankomst van het legrijp pluimvee onder officieel toezicht geplaatst;
ii) legrijp pluimvee naar een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee aanwezig is; het bedrijf wordt na de aankomst van het legrijp pluimvee onder officieel toezicht geplaatst;
Amendement 65
Artikel 30, letter c), punt iii), eerste streepje
- naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar geen ander pluimvee wordt gehouden, mits adequate bioveiligheidsmaatregelen worden genomen en het bedrijf na het vervoer onder officieel toezicht wordt geplaatst, of
- naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee wordt gehouden, mits adequate bioveiligheidsmaatregelen worden genomen en het bedrijf na het vervoer onder officieel toezicht wordt geplaatst, of
Amendement 66
Artikel 30, letter c), punt v bis) (nieuw)
v bis) eieren met inbegrip van broedeieren naar een inrichting voor de bereiding van eierproducten overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van sectie X van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en te worden gehanteerd en behandeld in overeenstemming met hoofdstuk XI van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004.
Amendement 67
Artikel 38, letter a)
a) pluimvee en andere vogels mogen pas minimaal 24 uur na de voltooiing van de onder b) genoemde reiniging en ontsmetting overeenkomstig artikel 49 in het slachthuis of de grensinspectieposten binnengebracht worden of op het vervoermiddel geladen worden; bij grensinspectieposten kan dit verbod ook worden toegepast op andere dieren;
a) pluimvee en andere vogels mogen pas minimaal 24 uur na de voltooiing van de onder b) genoemde reiniging en ontsmetting overeenkomstig artikel 49 in het slachthuis binnengebracht worden of op het vervoermiddel geladen worden; bij grensinspectieposten kan een gelijkaardig verbod van 48 uur worden aangewend en ook worden toegepast op andere dieren;
Amendement 68
Artikel 38, letter b)
b) de reiniging en ontsmetting van de gebouwen, het materieel en de voertuigen vinden in overeenstemming met artikel 49 plaats onder toezicht van de officiële dierenarts;
b) de reiniging en ontsmetting van de gebouwen, het materieel en de voertuigen vinden in overeenstemming met artikel 49 plaats onder toezicht van de officiële dierenarts en wordt gevolgd door afgifte van een gezondheidsgarantiecertificaat;
Amendement 119
Artikel 39, lid 1
1.  Onverminderd de maatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder a, b), c), e), g) en h), waarborgt de bevoegde autoriteit dat bij uitbraken van LPAI de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel bedoelde maatregelen aan de hand van een risicobeoordeling en met inachtneming van ten minste de in bijlage V vastgelegde criteria worden genomen.
1.  Onverminderd de maatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder a, b), c), e), g) en h), waarborgt de bevoegde autoriteit dat bij uitbraken van LPAI de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel bedoelde maatregelen worden genomen.
Amendement 120
Artikel 39, lid 2
2.  De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat alle pluimvee op het bedrijf en alle andere vogels van de soorten waarbij LPAI is bevestigd, worden geruimd onder officieel toezicht en op zodanige wijze dat de verspreiding van aviaire influenza wordt voorkomen.
2.  De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat alle pluimvee op het bedrijf en alle andere vogels van de soorten waarbij LPAI is bevestigd, worden gedood onder officieel toezicht en op zodanige wijze dat de verspreiding van aviaire influenza wordt voorkomen.
Afhankelijk van het risico van verdere verspreiding van aviaire influenza kunnen ook andere vogels op het bedrijf en op bedrijven die op grond van het epizoötiologische onderzoek als contactbedrijf kunnen worden beschouwd, geruimd worden.
Afhankelijk van het risico van verdere verspreiding van aviaire influenza worden ook andere vogels op het bedrijf en op bedrijven die als contactbedrijf kunnen worden beschouwd, gedood.
Vóór de ruiming mogen pluimvee en andere vogels alleen met toestemming van de bevoegde autoriteit het bedrijf binnenkomen of het verlaten.
Vóór het doden mogen pluimvee en andere vogels alleen met toestemming van de bevoegde autoriteit het bedrijf binnenkomen of het verlaten.
Amendement 122
Artikel 39, lid 5, letter c)
c) vóór de ruiming overeenkomstig lid 2 op het bedrijf aanwezige en nog gelegde consumptie-eieren worden vervoerd naar een aangewezen pakstation, behandeld of verwijderd;
c) vóór het doden overeenkomstig lid 2 op het bedrijf aanwezige en nog gelegde consumptie-eieren worden op het bedrijf verwijderd;
Amendement 124
Artikel 39, lid 6
6.  De bevoegde autoriteit kan aanvullende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van LPAI nemen, zoals de vaststelling van de bestemming en de behandeling van de eieren en de behandeling van het geslachte vlees, mits de in lid 3, onder b), vermelde procedure wordt gevolgd.
schrappen
Amendement 69
Artikel 43
Onmiddellijk na een uitbraak van LPAI bakent de bevoegde autoriteit een beperkingsgebied met een straal van ten minste drie kilometer rond het bedrijf af.
Onmiddellijk na een uitbraak van LPAI bakent de bevoegde autoriteit een beperkingsgebied met een straal van ten minste drie kilometer rond het bedrijf af, of treft andere passende maatregelen aan de hand van een risicobeoordeling.
Amendement 70
Artikel 44, lid 1, letter d), punt ii)
ii) legrijp pluimvee naar een bedrijf onder officiële bewaking in dezelfde lidstaat waar geen ander pluimvee aanwezig is; het bedrijf wordt na de aankomst van het legrijp pluimvee onder officiële bewaking geplaatst;
ii) legrijp pluimvee naar een bedrijf onder officiële bewaking in dezelfde lidstaat waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee aanwezig is; het bedrijf wordt na de aankomst van het legrijp pluimvee onder officiële bewaking geplaatst;
Amendement 71
Artikel 44, lid 1, letter d), punt iii), eerste streepje
- naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar geen ander pluimvee wordt gehouden, mits adequate bioveiligheidsmaatregelen worden genomen en het bedrijf na het vervoer onder officieel toezicht wordt geplaatst; of
- naar een bedrijf of een stal op een bedrijf in dezelfde lidstaat, waar behoudens uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit geen ander pluimvee wordt gehouden, mits adequate bioveiligheidsmaatregelen worden genomen en het bedrijf na het vervoer onder officieel toezicht wordt geplaatst; of
Amendement 72
Artikel 44, lid 1, letter d), punt v bis) (nieuw)
v bis) eieren met inbegrip van broedeieren naar een inrichting voor de bereiding van eierproducten overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van sectie X van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en te worden gehanteerd en behandeld in overeenstemming met hoofdstuk XI van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004;
Amendement 73
Artikel 46, lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Indien LPAI op een enkel bedrijf wordt bevestigd, kan de bevoegde autoriteit aan de hand van een risicobeoordeling afwijken van sommige of alle maatregelen overeenkomstig de artikelen 43 en 44.
Amendement 74
Hoofdstuk V bis (nieuw) (na artikel 46)
Hoofdstuk V bis
TE TREFFEN MAATREGELEN IN GEVAL VAN SEROLOGISCHE DETECTIE VAN LPAI Of HPAI DIE NIET KAN WORDEN BEVESTIGD DOOR MIDDEL VAN ISOLERING VAN HET VIRUS OF DOOR PCR-TESTS
Artikel 46 bis
Nemen van maatregelen aan de hand van risicobeoordeling
Onverminderd de maatregelen als bepaald in artikel 7, lid 2, onder a), b), c), e), g) en h) zorgt de bevoegde autoriteit dat in geval van serologische detectie van LPAI of HPAI die niet kan worden bevestigd door isolering van het virus of door PCR-tests, passende maatregelen worden genomen aan de hand van een risicobeoordeling. De bevoegde autoriteit stelt de Commissie hiervan op de hoogte.
Amendement 75
Artikel 47, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. In dit kader worden er van tevoren noodplannen voor het geval van menselijke besmetting opgesteld. Deze noodplannen hebben tot doel:
- de nodige coördinatie tussen de lidstaten te verzekeren,
- paniek onder de bevolking te voorkomen,
- verplaatsingen tegen te gaan die zouden kunnen plaatsvinden als zich werkelijk ernstige gevaren voordoen,
- de prioritair te isoleren gebieden te bepalen,
- de prioritair te vaccineren bevolkingsgroepen te inventariseren,
- ervoor te zorgen dat de producten voor de bestrijding van de epidemie rechtvaardig en aan iedereen worden verdeeld.
Amendement 76
Artikel 47, lid 2 ter (nieuw)
2 ter. In het geval van een uitbraak van een influenzapandemie in de EU of in buurlanden, moet de Commissie binnen vierentwintig uur crisismaatregelen kunnen nemen, zoals quarantaine en desinfectie-maatregelen op luchthavens bij vluchten uit bepaalde regio's en reisbeperkingen.
Amendement 77
Artikel 47, lid 2 quater (nieuw)
2 quater. De Commissie dient te bevorderen dat voldoende antivirale middelen en vaccins beschikbaar zijn voor degenen die aan het virus worden blootgesteld in het geval van een uitbraak in een of meerdere lidstaten.
Amendement 78
Artikel 47, lid 2 quinquies (nieuw)
2 quinquies. De lidstaten en de Commissie zien er op toe dat, in het geval van een pandemie, de beschikbare antivirale middelen en vaccins effectief worden verdeeld over de lidstaten en landen grenzend aan de EU.
Amendement 79
Artikel 47, lid 3 bis (nieuw)
3 bis. De lidstaten zien toe:
- op een doeltreffend systeem van risicocommunicatie ten behoeve van boeren, werknemers in de pluimveesector en het publiek, gebaseerd op een geharmoniseerde strategie en een actieplan van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor dierlijke en menselijke gezondheid op lokaal, nationaal en communautair niveau;
- dat ruimers van pluimvee beschermende kleding dragen en als voorzorgsmaatregel antivirale geneesmiddelen nemen; vaccinatie tegen de normale jaarlijkse influenza moet worden aangemoedigd om de kans te verminderen dat deze hoogrisi-cogroep besmet wordt met zowel een aviair als een humaan virus, en zo de virussen de kans geeft genen uit te wisselen en pandemische virusstammen te produceren.
Amendement 80
Artikel 47, lid 3 ter (nieuw)
3 ter. De lidstaten zien toe op:
- de beschikbaarheid van een noodvoorraad antivirale middelen, zodat in geval van een pandemie snel profylactisch$e bescherming kan worden geboden aan alle personen die binnen de EU de grootste kans op blootstelling hebben;
- voldoende capaciteit voor de productie van vaccins, zodat alle personen met de grootste kans op blootstelling in geval van een pandemie preventief tegen het virus in kwestie kunnen worden ingeënt, zo nodig door verhoging van de dosis seizoensgebonden menselijk griepvaccin.
De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van de omvang van de noodvoorraden antivirale middelen en van de capaciteit voor de productie van vaccins, om de Commissie bij te staan bij de opstelling van communautaire snellereactieplannen voor de distributie van antivirale middelen tussen de lidstaten in geval van een pandemie. Voor de berekening van de omvang van de voorraden antivirale middelen en de vereiste capaciteit voor de productie van vaccins wordt gebruik gemaakt van deugdelijke epidemiologische modellen.
Amendement 81
Artikel 47, lid 3 quater (nieuw)
3 quater. De Commissie stelt volgens de in artikel 65, lid 3 bedoelde procedure communautaire voorbereidingsplannen op voor de distributie van vaccins en antivirale middelen tussen de lidstaten in het geval van een pandemie. In deze plannen wordt uitgegaan van de omvang en locatie van de voorraden antivirale middelen en de productiecapaciteiten voor vaccins in de lidstaten. De plannen voorzien in de toewijzing van vaccins en antivirale middelen aan alle personen in de EU met de grootste kans op besmetting met aviaire influenza. Deze plannen worden binnen een jaar na vaststelling van deze richtlijn openbaar gemaakt.
Amendement 82
Artikel 47, lid 4 bis (nieuw)
4 bis. De lidstaten zorgen voor communicatie en coördinatie met de Commissie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding in verband met de voorbereidings- en rampenplannen gericht op de bestrijding van een eventuele influenzapandemie, overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 65, lid 3.
Amendement 83
Artikel 49, letter b bis) (nieuw)
b bis) zodra de reiniging en de desinfectie zijn voltooid, wordt er een certificaat afgegeven dat garandeert dat de gebouwen en terreinen, de voertuigen of grensposten voldoen aan de vereiste gezondheidsvoorwaarden voor een hervatting van de normale activiteiten;
Amendement 84
Artikel 50, lid 5
5.  De herbevolking met pluimvee van contactbedrijven vindt plaats in overeenstemming met de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit.
5.  De herbevolking met pluimvee van contactbedrijven vindt plaats in overeenstemming met de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit, op basis van een risicobeoordeling.
Amendement 85
Artikel 51, lid 1, alinea 2
Het diagnosehandboek wordt volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn goedgekeurd. Latere wijzigingen van het handboek worden overeenkomstig dezelfde procedure vastgelegd.
Het diagnosehandboek wordt volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn goedgekeurd. Latere wijzigingen van het handboek worden overeenkomstig dezelfde procedure vastgelegd.
Amendement 86
Artikel 52, lid 3 bis (nieuw)
3 bis. De Commissie zorgt voor communicatie en samenwerking tussen het referentielaboratorium van de Gemeenschap en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding.
Amendement 87
Artikel 53, lid 1, onder a)
a) vaccinatie tegen aviaire influenza op hun grondgebied verboden is, met uitzondering van vaccinaties overeenkomstig de afdelingen 2 en 3
a) vaccinatie tegen aviaire influenza op hun grondgebied verboden is, met uitzondering van vaccinaties overeenkomstig de afdelingen 2 en 3 en uitgezonderd indien internationale dreiging van vogelpest door de FAO wordt voorzien of indien een lidstaat voornemens is tijdelijk extra maatregelen voor pluimvee in te voeren.
Amendement 88
Artikel 54, alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten kunnen ook tot noodvaccinatie van pluimvee en andere vogels besluiten overeenkomstig de onderhavige afdeling, indien de aanwezigheid van de ziekte in een buurland is bevestigd en er een aanzienlijk risico bestaat dat de ziekte zich naar de EU zal uitbreiden.
Amendement 89
Artikel 57, lid 2, onder b)
b) het geografische gebied waar de beschermende vaccinatie moet worden uitgevoerd en het aantal bedrijven in het desbetreffende gebied;
b) het geografische gebied of risicogroep waar de beschermende vaccinatie moet worden uitgevoerd en het aantal bedrijven in het desbetreffende gebied;
Amendement 90
Artikel 57, lid 2, letter i)
i) de te verrichten klinische en laboratoriumtests op de bedrijven waar beschermende vaccinaties moeten worden uitgevoerd en op andere, in het vaccinatiegebied gelegen bedrijven om de epizoötiologische situatie, de effectiviteit van de beschermende vaccinatiecampagne en het toezicht op verplaatsingen van aan vaccinatie onderworpen pluimvee en andere vogels te controleren.
i) de te verrichten klinische en laboratoriumtests op de bedrijven waar beschermende vaccinaties moeten worden uitgevoerd en op andere, in het vaccinatiegebied gelegen bedrijven om de epizoötiologische situatie, de effectiviteit van de beschermende vaccinatiecampagne en het toezicht op verplaatsingen van aan vaccinatie onderworpen pluimvee en andere vogels te controleren. Zo nodig kan het plan verwijzen naar de bepalingen omtrent het testen van bedrijven in het nationale programma voor toezicht op aviaire influenza.
Amendement 91
Artikel 57, lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Lidstaten met vogels met een hoge waarde uit het oogpunt van natuurbehoud of een hoge genetische of wetenschappelijke waarde zijn met toestemming van de Commissie bevoegd om preventieve vaccins aan te schaffen en te gebruiken zonder naar de Commissie te verwijzen.
Amendement 92
Artikel 57 bis (nieuw)
Artikel 57 bis
Gedifferentieerde beschermende vaccinatie
De lidstaten stellen specifieke plannen voor beschermende vaccinatie op voor dieren in dierentuinen en voor officieel geregistreerde zeldzame rassen pluimvee en andere vogels overeenkomstig artikel 57, ten einde het onnodig doden van dergelijke dieren te voorkomen. Voor dergelijke gevaccineerde dieren kunnen specifieke beperkingen wat betreft verplaatsing gelden.
Amendement 93
Artikel 58, lid 2, alinea 2
De goedkeuring van het programma voor beschermende vaccinatie kan ook betrekking hebben op maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van pluimvee of andere vogels en de producten ervan. Deze maatregelen kunnen beperkingen betreffende specifieke compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere vogels en de instelling van beperkingsgebieden omvatten.
De goedkeuring van het programma voor beschermende vaccinatie kan ook betrekking hebben op maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van pluimvee of andere vogels. Deze maatregelen kunnen beperkingen betreffende specifieke compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere vogels en de instelling van beperkingsgebieden omvatten.
Amendement 94
Artikel 58, lid 2 a (nieuw)
2a. De commissie staat lidstaten toe tijdelijk beschermende vaccinatie te gebruiken voor risicogroepen en -gebieden, indien er een dreigende internationale situatie ontstaat, als alternatief voor een algehele ophokplicht, zonder dat dit leidt tot beperkingen van de communautaire handel.
Amendement 95
Artikel 58 bis (nieuw)
Artikel 58 bis
Verbod op reclame voor en etikettering van vlees, in verband met de kenmerken van vaccinatie tegen aviaire influenza van dieren waarvan het vlees afkomstig is
Het is supermarkten en andere bedrijven verboden te adverteren voor vlees en/of vlees te etiketteren op basis van de kenmerken van vaccinatie tegen aviaire influenza van dieren waarvan het vlees afkomstig is.
Amendement 96
Artikel 59, lid 1
1.  Volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure kan een communautaire vaccinbank opgericht worden.
1.  Volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure wordt er een communautaire vaccinbank opgericht.
Amendement 97
Artikel 59, lid 2 bis (nieuw)
2 bis. De Europese Unie verleent logistieke en financiële bijstand ter ondersteuning van de ontwikkeling van vaccins. Zij waarborgt tevens de snelle en onbelemmerde uitvoer van de vervaardigde vaccins vanuit de producerende landen naar de andere landen van de Europese Unie.
Amendement 98
Artikel 59, lid 3, alinea 1
3.  De Commissie kan, wanneer dat in het belang is van de gemeenschap, vaccins leveren aan derde landen.
3.  De Commissie kan, wanneer dat in het belang is van de gemeenschap, vaccins leveren aan derde landen, en ziet het als zijn taak om met alle ten dienste staande middelen, waar mogelijk in samenwerking met internationale organisaties, derde landen bij te staan die niet of ontoereikend in staat zijn een uitbraak van aviaire influenza doeltreffend te bestrijden.
Amendement 99
Artikel 63, lid 1
1.  De lidstaten stellen in overeenstemming met bijlage X een rampenplan op met de nationale maatregelen die moeten worden genomen in geval van een uitbraak en leggen dit aan de Commissie ter goedkeuring voor.
1.  De lidstaten stellen in overeenstemming met bijlage X een rampenplan op met de nationale maatregelen die moeten worden genomen in geval van een uitbraak en leggen dit aan de Commissie ter goedkeuring voor. In dit plan wordt rekening gehouden met nationale voorbereidings- en rampenplannen voor influenzapandemieën.
Amendement 100
Artikel 63, lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Een actieplan specifiek voor de Europese instellingen dient te worden opgesteld in het geval dat reisbeperkingen internationale bijeenkomsten, zoals die van de Raad en het Parlement, verhinderen.
Amendement 101
Artikel 63, lid 5
5.  Onverminderd de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde maatregelen kunnen volgens de procedure van artikel 65, lid 2, verdere voorschriften voor een snelle en doeltreffende uitroeiing van aviaire influenza worden vastgesteld, waaronder bepalingen betreffende ziektebestrijdingscentra, groepen van deskundigen en real-time-alarmoefeningen.
5.  Onverminderd de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde maatregelen worden volgens de procedure van artikel 65, lid 2, verdere voorschriften voor een snelle en doeltreffende uitroeiing van aviaire influenza vastgesteld, waaronder bepalingen betreffende ziektebestrijdingscentra, groepen van deskundigen en real-time-alarmoefeningen. De lidstaten stellen hun rampenplannen bij overeenkomstig de resultaten van de real-time testen en doen deze bijstellingen aan Commissie toekomen.
Amendement 102
Artikel 63, lid 5 bis (nieuw)
5 bis. Naast de rampenplannen stellen de lidstaten doeltreffende voorbereidingsplannen op om paraat te staan voor een menselijke pandemie. Deze plannen bevatten voorschriften inzake de productie, opslag en distributie van antivirale middelen aan de meest kwetsbare personen. de coördinatie van de inspanningen met het oog op de ontwikkeling en massaproductie van vaccins en verplichte real-time-alarmoefeningen, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking bij het crisisbeheer, bijvoorbeeld stelselmatige virologische screening van de luchtfilters in vliegtuigen. De nationale voorbereidingsplannen, de resultaten van real-time-simulaties alsmede de actualiseringen van de plannen naar aanleiding van real-time-simulaties worden aan de Commissie meegedeeld en binnen zes maanden na vaststelling van deze richtlijn openbaar gemaakt.
Amendement 103
Artikel 65, lid 2, alinea 2
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt twee maanden.
Amendement 104
Artikel 67, lid 2
2.  In afwachting van de toepassing van deze richtlijn kunnen verdere overgangsbepalingen betreffende de bestrijding van aviaire influenza volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure worden aangenomen.
2.  In afwachting van de toepassing van deze richtlijn kunnen maatregelen met het oog op de overgang naar de bepalingen van deze richtlijn betreffende de bestrijding van aviaire influenza volgens de in artikel 65, lid 2, vermelde procedure worden uitgevoerd.
Amendement 105
Artikel 68 bis (nieuw)
Artikel 68 bis
Liaison met de OIE
De Commissie begint binnen de OIE gesprekken over uitbreiding in internationaal verband van maatregelen ter bestrijding van en toezicht op aviaire influenza zoals ook door de Europese Unie zijn genomen, en over de eis betreffende een systematische verklaring van LPAI. De Commissie zal tevens onderhandelingen voeren over de invoering van een verplicht systeem voor toezicht op wilde vogels. De Commissie legt aan de internationale organisatie voorstellen terzake voor.
Amendement 106
Bijlage III
Deze bijlage schrappen.
Amendement 107
Bijlage V, letter c bis) (nieuw)
c bis) dichtheid van het pluimvee;
Amendement 108
Bijlage VI, paragraaf 1, onder b)
b) de te gebruiken ontsmettingsmiddelen en de concentraties daarvan worden officieel door de bevoegde autoriteit goedgekeurd om te garanderen dat het virus van aviaire influenza wordt vernietigd;
b) de te gebruiken ontsmettingsmethoden en procedures, c.q. ontsmettingsmiddelen en concentraties daarvan worden officieel door de bevoegde autoriteit goedgekeurd om te garanderen dat het virus van aviaire influenza wordt vernietigd;
Amendement 109
Bijlage VI, paragraaf 2, onder a), punt ii)
ii) karkassen van pluimvee of andere vogels moeten met een ontsmettingsmiddel worden besproeid;
ii) karkassen van pluimvee of andere vogels moeten met een ontsmettingsmiddel worden besproeid of middels een andere door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde methode, zoals compostering, worden ontsmet.
Amendement 110
Bijlage VI, punt 2), letter a), punt v)
v) weefselresten die zijn gevallen of bloed dat is gemorst tijdens het doden of slachten of tijdens de postmortemkeuring en waardoor gebouwen, bedrijfsterreinen, instrumenten, enz. kunnen zijn besmet, moeten zorgvuldig worden verzameld en samen met de karkassen van het pluimvee of de andere vogels worden verwijderd;
v) weefselresten die zijn gevallen of bloed dat is gemorst tijdens het doden of tijdens de postmortemkeuring en waardoor gebouwen, bedrijfsterreinen, instrumenten, enz. kunnen zijn besmet, moeten zorgvuldig worden verzameld en samen met de karkassen van het pluimvee of de andere vogels worden verwijderd;
Amendement 111
Bijlage IX, punt 2, letter b), punt iii)
iii) worden in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar:
iii) worden in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
- gedurende ten minste drie weken geen pluimvee is gehouden; en
- reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
Amendement 112
Bijlage IX, punt 2, letter c), punt iii)
iii) wordt in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar gedurende ten minste drie weken geen pluimvee is gehouden en reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
iii) wordt in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
Amendement 113
Bijlage IX, punt 3, letter b), punt ii)
ii) worden in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar:
ii) worden in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
- gedurende ten minste drie weken geen pluimvee is gehouden; en
- reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
Amendement 114
Bijlage IX, punt 4, letter b), punt iii)
iii) worden in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar:
Schrappen
- gedurende ten minste drie weken geen pluimvee is gehouden; en
- reiniging en ontsmetting volgens de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit hebben plaatsgevonden;
Amendement 115
Bijlage IX, punt 4, letter c), punt iii)
iii) wordt in een pluimveehok of -stal ondergebracht waar gedurende ten minste drie weken geen pluimvee is gehouden en reiniging en ontsmetting hebben plaatsgevonden;
Schrappen
Amendement 116
Bijlage X, inleidende formule
Rampenplannen voldoen ten minste aan de onderstaande criteria:
Rampenplannen zijn gebaseerd op wetenschappelijke risicobeoordeling, worden op afdoende wijze gefinancierd en voldoen ten minste aan de onderstaande criteria:
Amendement 117
Bijlage X, lid 4 bis (nieuw)
4 bis. De bevoegde autoriteit moet een sociaal-economische effectrapportage uitvoeren ter beoordeling van de gevolgen van het rampenbestrijdingsplan voor de bredere agrarische economie.
Amendement 118
Bijlage X, sectie 13
13.  Een nauwe samenwerking tussen de bevoegde instanties op veterinair gebied en op het terrein van de volksgezondheid en het milieu dient te worden geregeld.
13.  Een nauwe samenwerking tussen de bevoegde instanties op veterinair gebied en op het terrein van de volksgezondheid en het milieu dient te worden geregeld, met name om een deugdelijke risicocommunicatie ten behoeve van boeren, werknemers in de pluimveesector en het publiek te waarborgen.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Uitgaven op veterinair gebied *
PDF 221kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (COM(2005)0171 – C6-0196/2005 – 2005/0063(CNS))
P6_TA(2005)0456A6-0326/2005

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0171)(1),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0196/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0326/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
OVERWEGING 4
(4)  In het licht van de goedkeuring van Richtlijn xxx moet Beschikking 90/424/EEG worden gewijzigd, zodat de Gemeenschap ook financiële steun kan verlenen voor uitroeiingsmaatregelen van de lidstaten ter bestrijding van laagpathogene virusstammen van aviaire influenza die in hoogpathogene stammen kunnen muteren.
(4)  In het licht van de goedkeuring van Richtlijn 2005/.../EG moet Beschikking 90/424/EEG worden gewijzigd, zodat de Gemeenschap ook financiële steun kan verlenen voor uitroeiingsmaatregelen van de lidstaten ter bestrijding van laagpathogene virusstammen van aviaire influenza die in hoogpathogene stammen kunnen muteren. Als gevolg van dit mutatiegevaar is het passend om zowel voor gevallen van laagpathogene aviaire influenza (LPAI) als voor gevallen van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) te voorzien in financiële steun van de Gemeenschap van hetzelfde niveau.
Amendement 2
OVERWEGING 5 BIS (NIEUW)
(5 bis) De eventuele gevolgen van een epidemie van aviaire influenza voor de volksgezondheid vereisen dat het beleid meer wordt toegespitst op preventie en toezicht, te beginnen bij het in kaart brengen van de risicogebieden in iedere lidstaat en het uitvoeren van een periodieke (maandelijks) en systematische serologische bewaking in deze gebieden, waarvan de resultaten aan de directe verantwoordelijken worden bekendgemaakt.
Amendement 3
OVERWEGING 5 TER (NIEUW)
(5 ter) Er moeten onmiddellijk maatregelen worden genomen ter ondersteuning van de ontwikkeling van het onderzoek naar het oraal vaccin voor de verschillende varianten van het virus en de toepassing ervan in de gevallen waarin het vaccin nodig is.
Amendement 4
ARTIKEL 1, PUNT -1 (nieuw)
Artikel 1, alinea's 2 bis, 2 ter en 2 quater (nieuw) (Beschikking 90/424/EEG)
(-1) In artikel 1 worden na alinea 2 de volgende drie alinea's ingevoegd:
De Commissie bestudeert de oprichting van een Europees diergezondheidsfonds, aangezien de begrotingsmiddelen bij het uitbreken van een nieuwe epidemie waarschijnlijk ontoereikend zijn. Dit fonds moet de kosten van uitbraken van besmettelijke dierziekten dekken. Veehouders en andere getroffenen en bedrijven in de Europese Unie kunnen in dit fonds een bijdrage storten.
De Commissie stelt een voorstel op om de verdeling van de kosten in verband met uitbraken van besmettelijke dierziekten over de landbouwsectoren en de regeringen in de lidstaten te harmoniseren.
De Verordeningen (EEG) nr. 2759/751, (EEG) nr. 2771/752, (EEG) nr. 2777/753, (EG) nr. 1254/19994, (EG) nr. 1255/19995 en (EG) nr. 2529/20016 betreffende buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de markt worden aangepast aan Beschikking 90/424/EEG van de Raad, zoals gewijzigd.
________________
1 Verordening (EEG) nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees (PB L 282 van 1.11.1975, blz. 1).
2 Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49).
3 Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77).
4 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21).
5 Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk- en zuivelproducten (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48).
6 Verordening (EG) nr. 2529/2001 van de Raad van 19 december 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees (PB L 341 van 22.12.2001, blz. 3).
Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 1, LETTER b)
Artikel 3 bis, lid 2, streepje 1 (Beschikking 90/424/EEG)
- "het slachten van de dieren van de voor de ziekte vatbare soorten die lijden aan de ziekte of ermee besmet zijn, dan wel er vermoedelijk aan lijden of ermee besmet zijn, en destructie van die dieren, en in geval van aviaire influenza, destructie van de eieren,"
- "het slachten van de dieren van de voor de ziekte vatbare soorten die lijden aan de ziekte of ermee besmet zijn, dan wel er vermoedelijk aan lijden of ermee besmet zijn, en destructie van die dieren, en in geval van aviaire influenza, destructie van de eieren en het verlies aan waarde wanneer voor eieren of pluimvee andere toepassingen worden gevonden, waarbij de inkomsten hieruit lager liggen dan de normale waarde van de eieren of het pluimvee",
Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 1 (Beschikking 90/424/EEG)
1.  Dit artikel is van toepassing wanneer zich op het grondgebied van een lidstaat aviaire influenza voordoet.
1.  Dit artikel is van toepassing wanneer zich op het grondgebied van een lidstaat aviaire influenza voordoet; het heeft ook betrekking op de communautaire steun aan maatregelen die zijn gericht op preventie en op samenwerking met en technische bijstand aan derde landen.
Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, punt 2 (Beschikking 90/424/EEG)
2.  De betrokken lidstaat komt voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van aviaire influenza in aanmerking, als de minimale bestrijdingsmaatregelen van Richtlijn xxx volledig en doeltreffend overeenkomstig de relevante communautaire wetgeving zijn uitgevoerd en – bij het doden van de dieren van de voor de ziekte vatbare soorten die lijden aan de ziekte of ermee besmet zijn, dan wel er vermoedelijk aan lijden of ermee besmet zijn – de veehouders onmiddellijk en passend zijn schadeloosgesteld.
2.  De betrokken lidstaat komt voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de uitroeiing van aviaire influenza in aanmerking, als de minimale bestrijdingsmaatregelen van Richtlijn 2005/.../EG volledig en doeltreffend overeenkomstig de relevante communautaire wetgeving zijn uitgevoerd en – bij het doden van de dieren van de voor de ziekte vatbare soorten, de destructie van eieren en het verlies aan waarde wanneer voor eieren of pluimvee andere toepassingen worden gevonden, waarbij de inkomsten hieruit lager liggen dan de normale waarde van de eieren of het pluimvee en die lijden aan de ziekte of ermee besmet zijn, dan wel er vermoedelijk aan lijden of ermee besmet zijn – de veehouders onmiddellijk en passend zijn schadeloosgesteld. Dit houdt onder andere in dat een onderscheid moet worden gemaakt wanneer compensatie wordt verleend voor uiteenlopende soorten eieren.
Amendement 8
ARTIKEL 1, LID 2
Artikel 3 bis, lid 2 bis (nieuw) (Beschikking 90/424/EEG)
2 bis. De lidstaten ontvangen bijstand van de Gemeenschap voor de ontwikkeling van een systeem voor toezicht op en/of bestrijding van de ziekte, met inbegrip van diagnose in laboratoria, onderzoek naar de adequate vaccins, studies, bijeenkomsten van deskundigen, voorlichtingsmaatregelen en publicaties, en alle maatregelen voor het onderzoeken van de invloed van de verplaatsingen van trekvogels op de verspreiding van besmettelijke ziekten in Europa en het observeren van de trekroutes van vogels.
Amendement 9
ARTIKEL 1, LID 2
Artikel 3 bis, lid 3, eerste streepje (Beschikking 90/424/EEG)
- bij hoogpathogene aviaire influenza 50 % en bij laagpathogene influenza 30 % van de kosten van de lidstaat voor de schadeloosstelling van de veehouders voor het doden, de destructie van de dieren, de destructie van de dierproducten, het reinigen en het ontsmetten van het bedrijf en het materiaal, de destructie van besmet voer en de destructie van besmet materiaal, voor zover het materiaal niet kan worden ontsmet,
- bij hoogpathogene aviaire influenza 50% en bij laagpathogene influenza eveneens 50% van de kosten van de lidstaat voor de schadeloosstelling van de veehouders voor het doden, de destructie van de dieren, de destructie van de dierproducten, de destructie van eieren en het verlies aan waarde wanneer voor eieren of pluimvee andere toepassingen worden gevonden, waarbij de inkomsten hieruit lager liggen dan de normale waarde van de eieren of het pluimvee, het reinigen en het ontsmetten van het bedrijf en het materiaal, de destructie van besmet voer en de destructie van besmet materiaal, voor zover het materiaal niet kan worden ontsmet,
Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 3 bis, lid 3, streepje 2 bis (nieuw) (Beschikking 90/424/EEG)
- 100% van de vaccinatiekosten.
Amendement 11
Artikel 1, lid 2
Artikel 3 bis, lid 3 bis (nieuw) (Beschikking 90/424/EEG)
3 bis. De Gemeenschap steunt ook de ontwikkeling van acties op het gebied van samenwerking met en technische bijstand aan derde landen, met name in Azië, teneinde preventie en opsporing te garanderen in de landen van herkomst van aviaire influenza.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Euro (juridisch kader voor de uitbreiding van de Eurozone) *
PDF 210kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 974/98 over de invoering van de euro (COM(2005)0357 – C6-0374/2005 – 2005/0145(CNS))
P6_TA(2005)0457A6-0329/2005

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0357)(1),

–   geraadpleegd door de Raad overeenkomstig het EG-Verdrag (C6-0374/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0329/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
OVERWEGING 3 BIS (nieuw)
(3 bis) Het is verstandig om een lijst van deelnemende lidstaten op te stellen, die kan worden aangevuld zodra nieuwe lidstaten de euro als hun nationale munteenheid invoeren.
Amendement 2
OVERWEGING 5
(5)  Indien een lidstaat van oordeel is dat een overgangsperiode niet noodzakelijk is, worden de eurobankbiljetten en –munten in deze lidstaat wettig betaalmiddel op de datum waarop de euro wordt ingevoerd. Een dergelijke lidstaat moet evenwel over de mogelijkheid beschikken om te voorzien in een periode van één jaar voor de geleidelijke afschaffing van de nationale munteenheid, waarin het zou zijn toegestaan om in nieuwe rechtsinstrumenten naar de nationale munteenheid te blijven verwijzen. Dit zou de economische subjecten in deze lidstaten meer tijd geven om de invoering van de euro voor te bereiden, waardoor de overgang vlotter zal verlopen.
(5)  Een overgangsperiode kan tot nul worden teruggebracht indien een lidstaat van oordeel is dat een langere overgangsperiode niet nodig is. In dat geval worden de eurobankbiljetten en -munten in deze lidstaat wettig betaalmiddel op de datum waarop de euro wordt ingevoerd. Een dergelijke lidstaat moet evenwel over de mogelijkheid beschikken om te voorzien in een periode van één jaar voor de geleidelijke afschaffing van de nationale munteenheid, waarin het zou zijn toegestaan om in nieuwe rechtsinstrumenten naar de nationale munteenheid te blijven verwijzen. Dit zou de economische subjecten in deze lidstaten meer tijd geven om de invoering van de euro voor te bereiden, waardoor de overgang vlotter zal verlopen.
Amendement 3
OVERWEGING 5 BIS (nieuw)
(5 bis) De landen die in de toekomst tot de eurozone willen toetreden, moeten in een vroeg stadium een nationaal plan opstellen voor de invoering van de eurobankbiljetten en -munten en voor de inname van de oude nationale bankbiljetten en munten. Zij moeten voorts een evenwichtige en actieve communicatiestrategie ontwikkelen die op burgers, bedrijven, klanten en leveranciers gericht is. In het kader van deze plannen moeten zij ook in overweging nemen een strategie voor de dubbele aanduiding van prijzen en bedragen in euro en de nationale munteenheid ontwikkelingen die geruime tijd voor de overgangsperiode zou kunnen beginnen en op een passend later tijdstip kan worden afgesloten, zodat de burgers voldoende tijd krijgen om zich aan te passen aan de nieuwe waardeschaal.
Amendement 4
OVERWEGING 6
(6)  Banken moeten worden verplicht om - tot bepaalde maxima - tijdens de periode van dubbele omloop bankbiljetten en muntstukken die in de nationale munteenheden luiden kosteloos in eurobankbiljetten en –munten om te wisselen.
(6)  Banken moeten worden verplicht om binnen een periode van ten hoogste drie maanden na afloop van de periode van dubbele omloop bankbiljetten en muntstukken die in de nationale munteenheden luiden kosteloos in eurobankbiljetten en -munten om te wisselen.
Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 1
Artikel 1, letter h) (Verordening (EG) nr. 974/98/EG)
h) "overgangsperiode": de periode die ingaat op 00u00 van de datum waarop de euro wordt ingevoerd en eindigt op 00u00 van de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld;
h) "overgangsperiode": de periode die ingaat op 00u00 van de datum waarop de euro wordt ingevoerd en eindigt op 00u00 van de datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld, en die niet langer dan één jaar mag duren;
Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 8, LETTER A)
Artikel 15, leden 1 en 2 (Verordening (EG) nr. 974/98/EG)
a) in de leden 1 en 2 worden de woorden "na het einde van de overgangsperiode" vervangen door de woorden "met ingang van de respectieve datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld";
a) in de leden 1 en 2 worden de woorden "na het einde van de overgangsperiode" vervangen door de woorden "met ingang van de respectieve datum waarop naar de chartale euro wordt omgeschakeld". De woorden "in de deelnemende lidstaten die de euro na 1 januari 2002 invoeren, duurt deze periode maximaal twee maanden" worden in lid 1 na de woorden "met ingang van de respectieve datum naar de euro wordt omgeschakeld" en aan het eind van lid 2 toegevoegd.
Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 8, LETTER B)
Artikel 15, lid 3, alinea 1 (Verordening (EG) nr. 974/98/EG)
3.  Tijdens de in lid 1 omschreven periode wisselen banken in de deelnemende lidstaten die de euro na 1 januari 2002 invoeren, de nationale bankbiljetten en munten van hun klanten, kosteloos en onbeperkt tot een in de nationale wetgeving vast te stellen maximum om in bankbiljetten en munten in euro. Banken kunnen een voorafgaande kennisgeving vereisen als de uitwisseling een door de bank vastgesteld maximum overschrijdt dat met een gebruikelijk bedrag overeenstemt.
3.  Binnen een periode van maximaal drie maanden na afloop van de dubbele omloopfase wisselen banken in de deelnemende lidstaten die de euro na 1 januari 2002 invoeren, de nationale bankbiljetten en munten van hun klanten, kosteloos en onbeperkt tot een in de nationale wetgeving vast te stellen maximum om in bankbiljetten en munten in euro. Banken kunnen een voorafgaande kennisgeving vereisen als de uitwisseling een door de bank vastgesteld maximum overschrijdt dat met een gebruikelijk bedrag overeenstemt.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Wijziging gemeenschappelijk BTW-stelsel wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het normale tarief *
PDF 203kWORD 40k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de geldigheidsduur van de minimumhoogte van het normale tarief (COM(2005)0136 – C6-0113/2005 – 2005/0051(CNS))
P6_TA(2005)0458A6-0323/2005

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0136)(1),

–   gelet op artikel 93 van het EG-Verdrag op grond waarvan de Raad het Parlement heeft geraadpleegd (C6-0113/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0323/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
ARTIKEL 1
Artikel 12, lid 3, onder a), alinea 1 (Richtlijn 77/388/EEG)
Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde wordt door elke lidstaat vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor leveringen van goederen en voor diensten gelijk is. Vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 mag het normale tarief niet lager zijn dan 15%.
Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde wordt door elke lidstaat vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor leveringen van goederen en voor diensten gelijk is. Vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 mag het normale tarief niet lager zijn dan 15% en niet hoger dan 25%.
Amendement 2
ARTIKEL 3 BIS (nieuw)
Artikel 3 bis
De Commissie zal een algemene evaluatie doorvoeren van de macro-economische effecten van impliciete en gewone BTW-tarieven en de gevolgen voor de begrotingsinkomsten van de EU-lidstaten tot 1 januari 2007.
Tijdens deze evaluatie gaat de aandacht naar het bieden van gelijke mogelijkheden aan de lidstaten voor de toepassing van lagere btw-tarieven op goederen en diensten.

(1) Nog niet gepubliceerd in het PB.


Nadere voorschriften voor de teruggave van de BTW aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen *
PDF 201kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 77/388/EEG vastgestelde teruggave van de BTW aan belastingplichtigen die niet in het binnenland maar in een andere lidstaat zijn gevestigd (COM(2004)0728 – C6-0251/2005 – 2005/0807(CNS))
P6_TA(2005)0459A6-0324/2005

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2004)0728)(1),

–   gelet op artikel 93 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0251/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0324/2005),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel zoals geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Artikel 7, lid 1
1.  De lidstaat waar de BTW werd geheven, deelt zijn beschikking op het verzoek om teruggaaf aan de aanvrager mee uiterlijk drie maanden na de indiening van het desbetreffende verzoek.
1.  De lidstaat waar de BTW werd geheven, deelt zijn beschikking op het verzoek om teruggaaf aan de aanvrager mee uiterlijk drie maanden na de indiening van het desbetreffende verzoek. De lidstaat van vestiging brengt de lidstaat van teruggave op de hoogte wanneer de belastingplichtige het verzoek om teruggave van BTW bij de bevoegde belastingautoriteit indient.
Amendement 2
Artikel 7, lid 1, alinea 1 bis (nieuw)
De termijn van drie maanden vangt aan op het tijdstip dat de belastingautoriteit in de lidstaat van teruggave van de belastingautoriteit in de lidstaat van vestiging de elektronische teruggavegegevens ontvangt met betrekking tot de belastingplichtige, die hiervan automatisch op de hoogte wordt gebracht.
Amendement 3
Artikel 7, lid 3, onder 2 ter (nieuw)
De uiterste termijn voor de uitbetaling van de teruggave is één week na afloop van de beslistermijn van drie maanden.
Amendement 4
Artikel 7, lid 4, onder 1
4.   In specifieke gevallen kan een lidstaat waar de BTW werd geheven, tot uiterlijk drie maanden na de indiening van het verzoek om aanvullende inlichtingen verzoeken. Na het verstrijken van die termijn kan niet meer om aanvullende inlichtingen worden verzocht.
4.   Wanneer de belastingautoriteit in de lidstaat van teruggave om nader onderzoek vraagt, kan de beslistermijn voor het bepalen of de belastingplichtige wel of geen recht op teruggave heeft, worden verlengd. Tussen het verzoek en de uitbetaling van de teruggave mogen echter niet meer dan vier maanden verstrijken.

(1) Nog niet verschenen in het PB.


Europese regelgevende agentschappen
PDF 116kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen
P6_TA(2005)0460B6-0634/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van de Commissie (COM(2005)0059),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 2004 over de mededeling van de Commissie "Kader voor Europese regelgevende agentschappen"(1),

–   onder verwijzing naar de door de Intergouvernementele Conferentie van Nice aangenomen verklaring ad artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap inzake de plicht van de communautaire instellingen tot loyale samenwerking,

–   gezien het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van 11 oktober 2005 inzake het voorstel van verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees observatie- en informatienetwerk wat betreft de ambtstermijn van de directeur,

–   gezien de door de Commissie constitutionele zaken en de Begrotingscommissie samen ingediende vraag voor mondeling antwoord aan de Raad en de beantwoording door de Raad op de vergadering van 15 november 2005,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de in zijn resolutie van 13 januari 2004 vervatte overwegingen voor het grootste deel nog steeds geldig zijn, namelijk dat vooral rationalisering en vereenvoudiging van de structuur van de huidige en toekomstige agentschappen onontbeerlijk is met het oog op de duidelijkheid, de doorzichtigheid en de rechtszekerheid, maar ook in het licht van een Unie van 25 lidstaten en meer, en dat voor de oprichting van nieuwe agentschappen de meest strikte criteria moeten worden gehanteerd, o.a. voor wat betreft doel en gegrondheid van hun activiteiten,

B.   overwegende dat de Commissie door het indienen van haar ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord het verzoek van het Parlement heeft ingewilligd om vóór goedkeuring van een kaderverordening een interinstitutioneel akkoord te sluiten, waarin de desbetreffende gemeenschappelijke richtsnoeren duidelijk worden vastgesteld,

C.   overwegende dat in voornoemde verklaring aangaande artikel 10 van het Verdrag wordt gesteld dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie interinstitutionele akkoorden kunnen sluiten, wanneer zulks in het kader van hun verplichting tot loyale samenwerking noodzakelijk blijkt om de toepassing van de bepalingen van het Verdrag te vergemakkelijken,

1.   is ingenomen met de indiening van het ontwerp door de Commissie;

2.   betreurt dat de Raad niet bereid is te onderhandelen over de sluiting van een akkoord op grond van het ontwerp van de Commissie;

3.   verzoekt de Commissie te blijven proberen om de Raad op andere gedachten te brengen;

4.   wijst erop dat het bij de behandeling van toekomstige voorstellen tot oprichting van agentschappen vooral zal letten op de volgende beginselen:

   a) de oprichting van een agentschap vindt plaats via de gewone wetgevingsprocedure, dus over het algemeen via de medebeslissingsprocedure, en toepassing van de procedure van artikel 308 van het Verdrag blijft tot de uitzonderingsgevallen beperkt waarvoor de verdragsbepalingen over de desbetreffende materie onvoldoende rechtsgrondslag bieden;
   b) elk voorstel tot oprichting van een agentschap gaat gepaard met een kosten-batenbeoordeling en een exacte beoordeling van de gevolgen, die ook de rentabiliteit van een nieuw agentschap in vergelijking met de uitvoering van deze taken door diensten van de Commissie zelf aantoont;
   c) de feitelijke autonomie die het agentschap voor de te verrichten taken moet krijgen, heft de politieke verantwoordelijkheid van de Commissie voor zijn activiteiten niet op;
   d) de wijze waarop de Commissie, het uitvoerend orgaan, in de regel dus de directeur, selecteert en benoemt, dient deze eisen van politieke verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht te respecteren;
   e) het Parlement oefent een "ex ante-controle" in de vorm van een hoorzitting met de kandidaat of kandidaten voor de functie van directeur uit, een "ex post-controle" in de vorm van de kwijting voor de uitvoering van de begroting, alsmede een lopende controle d.m.v. toezicht op de activiteiten van het agentschap door zijn ter zake bevoegde commissies; over een verlenging van de ambtstermijn van de directeur kan alleen de raad van bestuur een besluit nemen op grond van een beoordeling van de eerste ambtstermijn van de directeur;
   f) in het toezichthoudend orgaan, de Raad van Bestuur, vaardigt de Raad een aantal erkende deskundigen af, die het Parlement voor hun benoeming op een hoorzitting kan uitnodigen wanneer het dit noodzakelijk acht; deze vertegenwoordigers worden in een aantal afgevaardigd, dat in een redelijke relatie staat tot de taken en het belang van het agentschap waarbij op de lange termijn uit overwegingen van doeltreffendheid een verkleining van de Raad van Bestuur wordt nagestreefd. Zolang het aantal vertegenwoordigers in de Raad van Bestuur overeenkomt met het aantal lidstaten, duidt het Parlement zelf twee leden aan voor de Raad van Bestuur
   g) tegen activiteiten van het agentschap die rechtsgevolgen hebben voor derden, kan een administratief beroep worden ingediend bij de Commissie, die hiervoor een oplossing kan vinden; het besluit van de Commissie kan worden aangevochten voor het Hof van Justitie;

5.   is bezorgd over de voortdurende stijging van decentrale agentschappen (thans 23 in vergelijking met vijf agentschappen in 1995) omdat daardoor het risico dreigt dat de uitvoerende rol van de Commissie uitgekleed en versnipperd wordt door een stortvloed van instanties die voor het grootste deel op een intergouvernementele manier werkzaam zijn, en wenst derhalve tenminste tijdens de bezinningsperiode voor het ratificatieproces van het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa dat geen nieuwe agentschappen worden opgericht;

6.   is tegen de achtergrond van de toenemende kosten van de decentrale agentschappen voor de begroting van de Gemeenschap ingenomen met het feit dat de Commissie volgens het ontwerp moet worden verplicht elk voorstel voor de oprichting van een agentschap te onderbouwen met een effectenanalyse, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de grondbeginselen van subsidiariteit en evenredigheid, maar ook een zo volledig mogelijke ex ante-beoordeling van de te verwachten kosten voor controle en coördinatie, alsmede van de gevolgen voor de menselijke hulpbronnen en de beheerskosten moet behelzen;

7.   stelt vast dat de agentschappen weliswaar uit de communautaire begroting worden gefinancierd maar dat het toch door de lidstaten afgevaardigde vertegenwoordigers in de raden van bestuur zijn die politieke besluiten nemen die de uitvoering van het communautaire recht betreffen;

8.   betreurt dat de Commissie blijkbaar niet bereid is een duidelijk overzicht van de financiële gevolgen van het bestaan en de verdere ontwikkeling van bestaande agentschappen voor de periode van de volgende financiële vooruitzichten over te leggen;

9.   verlangt dat een plafond voor de beheerskosten van de agentschappen als beginsel in de interinstitutionele akkoorden worden opgenomen, dat vergelijkbaar is met het plafond dat voor de Commissie moet worden toegepast;

10.   verlangt, anders dan in de ontwerptekst, dat het interinstitutioneel akkoord geleidelijk aan wordt toegepast op de reeds bestaande agentschappen;

11.   verzoekt de conferentie van commissievoorzitters in het kader van het toezicht op de activiteiten van de agentschappen een balans op te maken van de samenwerking tussen de permanente commissies, die bevoegd zijn voor agentschappen - de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole - en de in juli 1998 aangenomen "richtsnoeren" te actualiseren;

12.   verzoekt zijn Commissie constitutionele zaken de verdere ontwikkelingen in verband met het ontwerp van de Commissie op de voet te volgen en zonodig opnieuw aan het Parlement voor te leggen;

13.   nodigt de voorzitters en de rapporteurs van de Commissie constitutionele zaken en van de Begrotingscommissie uit op politiek niveau informele contacten te leggen met vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, teneinde te achterhalen wat de ontwikkelingen zijn in de Raad met betrekking tot horizontale maatregelen voor de toekomstige structuur van regelgevende agentschappen;

14.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 92 E van 16.4.2004, blz. 119.


Voorbereiding van de WTO-conferentie
PDF 128kWORD 44k
Resolutie van het Europees Parlement over de voorbereiding van de zesde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hong Kong
P6_TA(2005)0461RC-B6-0619/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien de conclusies van de Raad inzake de Doha-ontwikkelingsagenda van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 18 oktober 2005,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 mei 2005 over de evaluatie van de Doha-ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004(1),

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over de ministersconferenties van de WTO, inzonderheid die van 25 oktober 2001(2) en van 3 juli 2003(3),

–   gezien het besluit dat is goedgekeurd op de Algemene Raad over het Doha-werkprogramma op 1 augustus 2004,

–   gezien de ministersverklaring van Doha over de WTO van 14 november 2001,

–   gezien de resultaten van de vergadering van november 2004 van de parlementaire conferentie over de WTO, gezamenlijk georganiseerd door de Interparlementaire Unie en het Europees Parlement,

–   gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name de artikelen 36, 27 en 133,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het multilaterale handelsstelsel zoals verankerd in de WTO, aanzienlijk heeft bijgedragen tot economisch groei, ontwikkeling en werkgelegenheid in de afgelopen 50 jaar, waarbij de continenten echter in verschillende mate hebben geprofiteerd en veel ontwikkelingslanden in het geheel niet,

B.   overwegende dat internationale handel een belangrijke rol kan spelen bij het bevorderen van economische ontwikkeling en het verlichten van armoede; overwegende dat de WTO-ministers doordrongen zijn van de noodzaak dat alle mensen profiteren van de toegenomen kansen en welzijn waar het multilateraal handelsstelsel voor zorgt, en zich ertoe hebben verplicht de behoeften en belangen van ontwikkelingslanden, en dan vooral die van de minst ontwikkelde, centraal te stellen in het Doha-werkprogramma; in dit verband opmerkend dat een verbeterde markttoegang, evenwichtige regelgeving en gerichte, duurzaam gefinancierde technische bijstand en programma's voor capaciteitsopbouw van groot belang zijn,

C.   overwegende dat de Algemene Raad op 1 augustus 2004 de ministersverklaringen en -besluiten van Doha opnieuw heeft bevestigd alsook de volledige bereidheid van alle lidstaten om hieraan uitvoering te geven en een kader op te zetten voor onderhandelingen om het Doha-werkprogramma volledig af te ronden en de in Doha gestarte onderhandelingen met succes te beklinken,

D.   overwegende dat het belangrijkste doel van de ontwikkelingsagenda van Doha de economische vooruitgang van ontwikkelingslanden is, en dat dit doel dan ook bij alle onderdelen van de onderhandelingen op de voorgrond zou moeten staan, teneinde tot werkelijke en duurzame ontwikkelingsresultaten te komen; overwegende dat economische netto-winsten als resultaat van onderhandelingen met name ten goede moeten komen aan de minst ontwikkelde landen (MOL's), teneinde het bereiken van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen dichterbij te brengen,

E.   wijzend op de bijdrage die een geslaagd resultaat kan leveren aan werkgelegenheid, groei en veiligheid in Europa dankzij de extra kansen voor EU-exporteurs in een welvarender en open wereldeconomie en dankzij de voordelen van een stabielere wereld,

Algemeen

1.   acht het van wezenlijk belang dat de Ronde van Doha slaagt, ten einde het multilaterale handelsstelsel om de vooruitgang en harmonieuze ontwikkeling van de wereldeconomie te waarborgen; onderstreept opnieuw dat het er een sterke voorstander van is de ontwikkeling in het middelpunt van de Ronde van Doha te plaatsen en onderstreept dat de onderhandelingen verder in het teken van de uitbanning van armoede en een eerlijker verdeling van de voordelen van globalisatie moeten staan; betreurt het dat de vooruitgang bij de aan Hong Kong voorafgaande onderhandelingen tot nog toe zo traag verloopt;

2.   verzoekt de Commissie en de overige handelspartners om zich te houden aan het ambitieuze programma van de Doha-ontwikkelingsagenda met volledige eerbiediging van de ontwikkelingsdimensie; maakt zich ernstig ongerust over de ingrijpende en ondermijnende uitwerking van de mislukkingen op het multilateraal handelstelsel; bepleit derhalve een constructieve zesde ministersconferentie in Hong Kong die moet zorgen voor een succesvolle afronding van de Doha-ontwikkelingsagenda in 2006;

3.   onderstreept dat de resultaten van de Doha-ontwikkelingsagenda evenwichtig moeten zijn en verplichtingen in iedere sector van de Ronde van Doha moeten omvatten;

4.   roept alle direct betrokkenen, vooral alle ontwikkelde en verder voortgeschreden landen, ertoe op zich in de aanloop naar Hong Kong van hun verantwoordelijkheden te kwijten om de Ronde dichter bij een geslaagde afsluiting te brengen; is van oordeel dat alle partijen zich al naargelang hun ontwikkelingsstadium en onderhandelingspositie dienen in te spannen;

Landbouw

5.   herinnert eraan dat de in Hong Kong bereikte resultaten op het gebied van landbouw de geleidelijke en gelijktijdig door alle bij de WTO aangesloten ontwikkelde landen uitgevoerde afschaffing van uitvoersubsidies moeten omvatten, waaronder die in de vorm van voedselhulp dan wel via staatshandelsondernemingen en andere uitvoersubsidies;

6.   onderstreept dat een aanzienlijke vermindering van tot handelsverstoring leidende binnenlandse steun en ook een belangrijke verbetering van de markttoegang evenzeer nodig zijn en herhaalt in dit verband dat het de hervorming van het GLB steunt;

7.   benadrukt dat het specifieke multifunctionele karakter van de EU-landbouw bij de handelsonderhandelingen moet nageleefd worden; onderstreept de nadruk van de EU op niet-handelsoverwegingen ter waarborging van de voedselkwaliteit en -veiligheid, de milieubescherming, werkgelegenheid op het platteland en ontwikkeling;

8.   roept ertoe op om in de lopende Ronde de daadwerkelijke erkenning van geografische aanduidingen overeen te komen, als factor ten behoeve van regionale ontwikkeling en als middel om culturele tradities in stand te houden;

9.   hamert erop hoe belangrijk het is om met volledige eerbiediging van de beginselen van de Ronde van Doha een oplossing voor gevoelige producten te vinden; dringt erop aan dat een doeltreffende oplossing voor katoen wordt gevonden; benadrukt in dit verband dat alle uitvoergerelateerde steun voor katoen in de ontwikkelde landen tegen het einde van 2010 moet zijn afgeschaft en roept met name de VS op om het voorbeeld van de EU te volgen bij de hervorming van de katoenmarkt;

Markttoegang voor niet-landbouwproducten (NAMA)

10.   meent dat het tempo van de WTO-onderhandelingen inzake NAMA zo snel mogelijk moet worden opgevoerd; meent dat handelsbelemmeringen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, maar ook tussen ontwikkelingslanden onderling, een duurzame ontwikkeling in de weg staan; is van mening dat het voor een verder geleidelijk aan opengooien van de zuid-zuidmarkt broodnodig is dat de meer ontwikkelde landen hun verantwoordelijkheid nemen bij het openstellen van hun markten voor de MOL's; is van mening dat het probleem van uitholling van preferenties eveneens moet worden aangepakt;

11.   dringt erop aan dat de formule die wordt overeengekomen bij de NAMA-onderhandelingen ten volle overeenstemt met het beginsel van minder dan volledige wederkerigheid weerspiegelt en de situatie dat de ontwikkelingslanden over het algemeen hoge industriële tarieven hanteren die aanzienlijke inkomsten voor hun begrotingen opleveren, weergeeft; benadrukt dat de formule een deugdelijke bescherming van jonge industrieën mogelijk moet maken, de industrialisering en de economische diversifiëring bevordert en de werkgelegenheid waarborgt, met name voor de MOL's;

12.   constateert dat het van strategisch belang is dat alle handelspartners, wanneer daar reden toe is, eveneens hun niet-tarifaire belemmeringen wegnemen omdat deze toegang tot de markt hinderen en dat nog meer blijven doen wanneer er nog meer wordt gesneden in tarifaire belemmeringen;

Diensten

13.   wijst erop dat de ministersconferentie van Hong Kong de basis moet leggen voor een ambitieuze overeenkomst inzake de handel in diensten, waarbij enerzijds de markttoegang voor dienstverleners van de EU wordt vergroot en anderzijds het vermogen van alle WTO-leden intact wordt gelaten overeenkomstig de GATS-overeenkomst hun dienstensectoren te reguleren; overwegende dat de EU er een groot belang bij heeft de exportkansen voor dienstverleners uit te breiden; is van mening dat er op dit terrein substantiële vooruitgang moet worden geboekt, waarbij echter een voorbehoud moet worden gemaakt voor gezondheidszorg, onderwijs en audiovisuele diensten;

14.   steunt het herziene aanbod van de EU van januari 2005 en dringt er bij de ontwikkelde en opkomende WTO-leden op aan om dezelfde bereidheid te tonen en gelijkaardige voorstellen te doen; omdat de vooruitgang bij de Doha-onderhandelingen tot dusver zo traag opschiet, moet onderzocht worden of een extra aanpak nodig is voor verdere openstelling van de dienstenmarkt, waarbij rekening dient te worden gehouden met de belangen van de minst ontwikkelde landen; dringt aan op meer doorzichtigheid bij de GATS-onderhandelingen;

Ontwikkelingskwesties

15.   is stellig van mening dat handel, gekoppeld aan steun en schuldenverlichting, van wezenlijk belang is voor het behalen van de millenniumdoelstellingen 2015; wenst daarom concrete resultaten ten aanzien van de ontwikkelingsaspecten van de Doha-ronde en wel al tijdens de ministersconferentie van Hong Kong; toepassing van speciale en differentiële behandeling dient een integraal onderdeel te vormen van de WTO-overeenkomsten;

16.   dringt er bij alle industrielanden op aan hun markten open te stellen via tarieven en quota voor goederen uit de MOL's, zoals de Europese Unie nu al doet, in het bijzonder als resultaat van het "alles behalve wapens"-initiatief; ondersteunt ten volle het idee van een "gratis ronde" voor de minst ontwikkelde en kwetsbare landen; beklemtoont dat hiervan een belangrijke stimulans kan uitgaan voor de handel tussen noord en zuid;

17.   benadrukt dat de minst ontwikkelde landen nooit zullen kunnen profiteren van de openstelling van de markten van de meer ontwikkelde landen tenzij deze maatregelen vergezeld gaan van handelsgerelateerde technische steun;

18.   roept op tot de invoering van een coherente "steun voor handel"-faciliteit voor ontwikkelingslanden die steun nodig hebben bij de opbouw van capaciteit die vereist is om voordeel te halen uit de verbeteringen van de markttoegang en handelsregelgeving om te zetten in voordelen en die hen ook in staat stelt hun productiebases te diversifiëren, douane-inkomsten te vervangen door andere belastinginkomsten en om de binnen de WTO aangegane verplichtingen na te komen;

19.   roept op tot het zo spoedig mogelijk vinden van een permanente oplossing op het gebied van TRIPs (handelsgerelateerde aspecten van intellectuele-eigendomsrechten) en TRIMS (handelsgerelateerde investeringsmaatregelen) om de toegang tot medicijnen te waarborgen voor landen die geen productiecapaciteit hebben en te maken hebben met problemen op het gebied van de volksgezondheid;

Overige onderwerpen

20.   verzoekt de ministersconferentie van Hong Kong om ook aanzienlijke vooruitgang te boeken bij enkele andere onderwerpen; legt de nadruk op het belang van handelsfacilitering voor het versterken van de handel in goederen en diensten tussen landen, vooral ontwikkelingslanden; bepleit verheldering en verbetering van de douaneprocedures, en daarbij aanzienlijk te snijden in de bureaucratie;

21.   benadrukt het belang van concrete resultaten inzake het creëren van krachtiger multilaterale regels op het terrein van antidumping, subsidies en compensatiemaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de ontwikkelingslanden en MOL's; bepleit vooruitgang op het gebied van de TRIPS en een optreden tegen namaak en piraterij; realisatie daarvan versterkt het multilaterale handelsstelsel;

22.   onderstreept het belang bij de Ronde van Doha rekening te houden met niet-handelsgerelateerde bezorgdheden als sociale, milieu- en culturele vraagstukken en wijst erop dat het ontbreken van een debat over werkgelegenheidsvraagstukken en sociale kwesties een negatieve invloed zou kunnen hebben voor de steun onder de burgers in landen die WTO-lid zijn ten behoeve van vooruitgang in Hong Kong;

23.   wenst dat er bij de onderhandelingen over handel en milieu passende manieren worden gevonden om ervoor te zorgen dat alle handelsregels coherentie vertonen met de handelsgerelateerde maatregelen die vervat zijn in de multilaterale milieuovereenkomsten (Multilateral Environmental Agreements);

Hervorming van de WTO en transparantie

24.   verzoekt de Commissie volledig geïnformeerd te worden, zowel voor als tijdens de ministersconferentie te Hong Kong, alsook tijdens de onderhandelingen, en deel te nemen aan een geregelde dialoog over de wezenlijke elementen van het onderhandelingsmandaat van de EU; wijst nogmaals op het recht dat is verkregen aan het einde van de Ronde van Uruguay om de resultaten van de daaropvolgende rondes te onderwerpen aan goedkeuring door het Europees Parlement;

25.   legt de nadruk op het belang om de steun van het publiek en politieke steun te behouden voor het multilaterale handelsstelsel van de WTO; onderstreept dat betere voorlichting van het publiek en een discussie over de hervorming van de WTO-organisatie broodnodig zijn;

26.   dringt aan op een broodnodige WTO-hervorming, waaronder een verbetering van de onderhandelingsprocedures om tot meer efficiëntie en doorzichtigheid evenals een bepaalde mate van consensus onder de WTO-leden te komen; onderstreept daarbij ook het belang van een hervorming van het WTO-mechanisme voor het beslechten van geschillen;

o
o   o

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0182.
(2) PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 321.
(3) PB C 74 E van 2.3.2004, blz. 861.


Mensenrechten
PDF 134kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in Cambodja, Laos en Vietnam
P6_TA(2005)0462RC-B6-0622/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien het EU-jaarverslag over de mensenrechten 2005,

–   onder verwijzing naar zijn vorige resoluties over Cambodja, Laos en Vietnam, en met name zijn resolutie van 28 april 2005 over de mensenrechten in de wereld in 2004(1),

–   gelet op de samenwerkingsovereenkomsten van 1997 tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en het Koninkrijk Cambodja en de Democratische Volksrepubliek Laos anderzijds, en de samenwerkingsovereenkomst van 1995 tussen de EU en de Socialistische Republiek Vietnam,

–   gelet op de EU-richtlijnen inzake de bescherming van voorvechters van de mensenrechten, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 14 juni 2004,

–   gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.   erkent de belangrijke vooruitgang die de drie landen in de afgelopen jaren in hun sociaal-economische ontwikkeling hebben bereikt, en ondersteunt hun streven om met regionale en niet-regionale partners in multilaterale fora tot samenwerking te komen,

B.   ondersteunt de acties van de Europese Unie, haar lidstaten en andere leden van de internationale gemeenschap om steun te geven aan overheidsprogramma's ter vermindering van de armoede,

C.   betreurt het feit dat de economische en sociale hervormingen nog niet vergezeld gaan door adequate hervormingen op het gebied van politieke en burgerrechten,

D.   is verheugd over het feit in juni 2005 de eerste bijeenkomsten plaatsvonden van de EU-Vietnam- en EU-Laos-werkgroepen voor de opbouw van instituties, bestuurlijke hervormingen, overheidsbeleid en mensenrechten, maar is van oordeel dat de situatie op het gebied van de fundamentele rechten tot op heden bezorgdheid blijft wekken,

Cambodja

E.   overwegende dat de Nationale Vergadering van het Koninkrijk Cambodja op 3 februari 2005 de parlementaire immuniteit van drie leden van de partij Sam Rainsy heeft opgeheven, namelijk van voorzitter Sam Rainsy, Chea Poch en Cheam Channy,

F.   overwegende dat Cheam Channy en zijn adjunct Khom Piseth voor een militaire rechtbank zijn gebracht, ondanks het feit dat burgers overeenkomstig het nationale Cambodjaanse recht niet door militaire rechtbanken kunnen worden berecht,

G.   overwegende dat de rechten van de verdediging door dit militair tribunaal werden geschonden en Cheam Channy werd veroordeeld tot een zevenjarige gevangenisstraf en vervolgens uit zijn parlementair mandaat werd ontzet,

H.   overwegende dat de situatie van vrouwen in Cambodja bijzonder zorgwekkend is, omdat zij op verschillende gebieden met discriminatie en ernstige moeilijkheden worden geconfronteerd, zoals wordt geconstateerd in zijn resolutie van 13 januari 2005 over vrouwen- en kinderhandel in Cambodja(2),

I.   overwegende dat de opheffing van de parlementaire immuniteit van deze drie oppositieleden van het Parlement, de recente arrestaties en gevangenhouding van journalisten (Mam Sonando, directeur van het radiostation Beehive), onderwijzers (Rong Chhun, voorzitter van de Onafhankelijke Onderwijzersvereniging van Cambodja) en de aanklachten tegen Chea Mony, de voorzitter van de Vrije Vakvereniging, Men Nath, de voorzitter van de Vereniging van ambtenaren en Ea Channa, een lid van de Studentenbeweging voor Democratie, symptomatisch zijn voor een algehele verslechtering op het gebied van de burgerlijke vrijheden in Cambodja en voor de campagne tegen politieke tegenstanders,

J.   overwegende dat er geen garanties bestaan betreffende de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Cambodjaanse rechtsstelsel en derhalve betreffende zijn vermogen de processen van de Rode-Khmerleiders in de speciaal daarvoor opgerichte rechtbank zonder politieke inmenging te laten verlopen,

Laos

K.   overwegende dat de autoriteiten van de Democratische Volksrepubliek Laos, ondanks krachtige druk van de Europese Unie, internationale organisaties en andere leden van de internationale gemeenschap, hun aanvallen op de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van vereniging, van vergadering en van godsdienst voortzetten,

L.   overwegende dat van de internationale media en mensenrechtenorganisaties berichten blijven komen over schendingen van de rechten van het Lao-Hmong volk, dat in een dramatische humanitaire situatie blijft verkeren,

M.   overwegende dat de voornaamste leiders van de vreedzame Beweging van 26 oktober 1999, die op democratische hervormingen aandrongen, Thongpraseuth Keuakoun, Seng-Aloun Phengphanh, Bouavanh Chanmanivong en Keochay, zich nog steeds in gevangenschap bevinden en dat een andere leider van deze beweging, Khamphouvieng Sisa-At, na mishandeling en uitputting in gevangenschap is overleden,

N.   overwegende dat buitenlandse waarnemers, met name die van Amnesty International, het recht is ontzegd het grondgebied van Laos vrijelijk te betreden,

Vietnam

O.   verheugd over de aanneming door Vietnam in juni 2005 van een "Master Plan en actieplan inzake de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Vietnam tot 2010", en over de toegenomen bereidheid van de regering om vraagstukken op het gebied van de mensenrechten te bespreken,

P.   de substantiële vooruitgang erkennend die de Socialistische Republiek Vietnam op het gebied van economische en sociale rechten heeft gemaakt, zoals blijkt uit sociale indicatoren en de humanitaire ontwikkelingsindex van de UNDP,

Q.   overwegende dat de Vietnamese autoriteiten nog steeds beperkingen opleggen aan de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, met name door invoering van een cyber-politiemacht in 2004 en het gevangen zetten van cyber-dissidenten, onder wie Nguyen Dan Que, Pham Hong Son, Nguyen Vu Binh en Nguyen Khac Toan, op beschuldiging van spionage, alleen omdat ze informatie op het internet hadden gezet,

R.   overwegende dat de inheemse minderheden die op de hoge bergplateau's in het midden en het noorden leven, met name de Montagnards, te lijden hebben onder discriminatie en maatregelen zoals confisquering van land van de voorvaderen of religieuze onderdrukking,

S.   overwegende dat de Verenigde boeddhistische kerk van Vietnam sinds 1975 stelselmatig is vervolgd wegens haar inzet voor godsdienstvrijheid, mensenrechten en democratische hervormingen; overwegende dat zij sinds 1981 verboden is, haar eigendommen zijn geconfisqueerd, haar scholen, universiteiten, sociale en culturele instellingen zijn vernietigd, en dat patriarch Thich Huyen Quang van deze kerk en zijn plaatsvervanger Thich Quang Do op willekeurige gronden bijna 25 jaar gevangen zijn gehouden,

T.   overwegende dat de leden van plaatselijke comité's van de Verenigde boeddhistische kerk van Vietnam die in 2005 in negen provincies van Centraal- en Zuid-Vietnam zijn opgezet aan stelselmatige pesterijen door de politie werden blootgesteld wegens het verlenen van hulp aan mensen in deze arme provincies, en dat de tot deze kerk behorende monnik Thich Vien Phuong veroordeeld is tot betaling van een boete die overeenkomt met het basisloon van 43 maanden, uitsluitend wegens het filmen van een oproep tot eerbiediging van mensenrechten en democratie in Vietnam, die door Thich Quang Do in april 2005 naar de Commissie van de VN voor de mensenrechten werd opgestuurd,

U.   overwegende dat de boeddhistische monnik Thich Thien Minh, die onlangs na 26 jaar detentie uit een heropvoedingskamp werd ontslagen, verslag heeft uitgebracht over de erbarmelijke omstandigheden waaronder gevangenen in kamp Z30A in Xuan Loc worden vastgehouden, met name de rooms-katholieke priesters Pham Minh Tri en Nguyen Duc Vinh, die meer dan 18 jaar hebben vastgezeten, en een lid van de boeddhistische hoa hao-sekte, Ngo Quang Vinh, die 87 jaar oud is,

V.   overwegende dat in 2004 een nieuwe verordening inzake geloof en religie werd ingevoerd voor de codificatie van alle aspecten van godsdienstig leven, maar dat een groot aantal beperkingen die aan de Verenigde boeddhistische kerk van Vietnam en de protestantse kerken, waaronder de mennonitische kerk, zijn opgelegd, gehandhaafd zijn gebleven,

W.   overwegende dat de commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties aanbevelingen (ref. CCPR/CO/75/VNM van 26 juli 2002) aan de Vietnamese autoriteiten heeft gedaan in verband met de ontwikkelingsstrategie voor het rechtsstelsel, een gedeeltelijk door donorlanden, waaronder een aantal lidstaten van de Europese Unie, gefinancierd 10-jarenplan,

Cambodja

1.   brengt zijn steun tot uiting aan de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor mensenrechten in Cambodja en dringt aan op zo spoedig mogelijke inrichting van het onafhankelijke Rode-Khmertribunaal, zoals met de VN in juni 2003 overeengekomen;

2.   dringt bij de Cambodjaanse autoriteiten aan op:

   - onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Cheam Channy, teruggave van zijn parlementair mandaat en herstel van de parlementaire immuniteit van Sam Rainsy en de twee andere vertegenwoordigers van zijn partij, waarop reeds werd aangedrongen in de resolutie van het EP van 10 maart 2005 over Cambodja(3) en door de Interparlementaire Unie in haar resolutie van 19 oktober 2005;
   - doorvoering van politieke en institutionele hervormingen om te komen tot een democratische staat die zich houdt aan de regels van de rechtsstaat en gebaseerd is op de eerbiediging van de fundamentele vrijheden;
   - blijkgeving van de wil over te gaan tot een doeltreffende bestrijding van de endemische misstanden als corruptie, ontbossing op grote schaal resulterend in volksverhuizingen, en de industrie van het sekstoerisme en een eind te maken aan de huidige cultuur straffeloosheid en allen die verantwoordelijk zijn voor de bovengenoemde praktijken voor de rechter te brengen;

3.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan een werkgroep voor de opbouw van instituties, administratieve hervorming, openbaar bestuur en mensenrechten in te stellen, en over de resultaten daarvan verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

4.   stelt onder andere voor een ad hoc-delegatie van het Europees Parlement zo spoedig mogelijk een bezoek aan Cambodja te laten brengen voor een evaluatie van de situatie van gevangengehouden parlementsleden, vertegenwoordigers van de media en vakbondsleiders in dit land en om een eind te maken aan de detentie van alle politieke gevangenen;

Laos

5.   doet een beroep op de Laotiaanse autoriteiten om:

   - over te gaan tot vrijlating van alle politieke gevangenen en personen die om gewetensbezwaren gevangen worden gehouden, onder wie de leiders van de Beweging van 26 oktober 1999, de christenen die gevangen worden gehouden omdat zij geen afstand hebben genomen van hun geloof, de Hmong en met met name Thao Moua en Pa Phue Khang, de gidsen die in dienst waren van Europese journalisten en die in 2003 werden gearresteerd;
   - om zo snel mogelijk alle noodzakelijke hervormingen op te stellen en uit te voeren, die vereist zijn om het land te democratiseren, de vrije meningsuiting van de politieke oppositie op vredevolle wijze te verzekeren en te zorgen voor het spoedig houden van meerpartijen-verkiezingen onder internationaal toezicht, met het oog op nationale verzoening;
   - programma's uit te voeren die de integratie van de Lao-Hmongbevolking en andere etnische en religieuze minderheden in de Laotiaanse samenleving mogelijk moeten maken, met behoud van de sociale en politieke rechten van deze groeperingen, teneinde hun menserechtensituatie en leefomstandigheden zo snel mogelijk te verbeteren;
   - gespecialiseerde agentschappen van de VN en vertegenwoordigers van humanitaire organisaties onbeperkte toegang toe te staan, zodat deze een bezoek kunnen brengen aan politieke gevangenen, de Hmongbevolking en religieuze minderheden in Laos;
   - onverwijld over te gaan tot ratificatie van het Internationale Convenant inzake burgerlijke en politieke rechten;

6.   verzoekt de Commissie de situatie van de Lao-Hmonggemeenschap nauwkeurig in het oog te houden, alsook de overheidsprogramma's die bestemd zijn voor de etnische minderheden;

Vietnam

7.   doet een beroep op de Vietnamese autoriteiten om:

   - ter gelegenheid van de 30ste verjaardag van het einde van de Vietnamoorlog over te gaan tot het voeren van een werkelijke dialoog waarbij alle delen van de bevolking bij de economische, sociale, intellectuele en politieke ontwikkeling van Vietnam worden betrokken;
   - politieke en institutionele hervormingen door te voeren die uitmonden in democratie en toepassing van de regels van de rechtsstaat, te beginnen met instemming met een meerpartijenstelsel en waarborging van de vrijheid van meningsuiting voor allen;
   - de ontwikkelingsstrategie voor het rechtsstelsel toe te passen overeenkomstig de aanbevelingen van de commissie voor de mensenrechten van de VN en de bepalingen van het internationale convenant inzake burgerlijke en politieke rechten;
   - een eind te maken aan alle vormen van onderdrukking van de leden van de Verenigde boeddhistische kerk van Vietnam en het bestaan van laatstgenoemde kerk en dat van andere niet-erkende kerken in het land officieel te erkennen;
   - alle Vietnamese politieke gevangenen vrij te laten, alsook de personen die om gewetensbezwaren gevangen worden gehouden omdat ze op wettige en vreedzame wijze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrije meningsvorming, recht op vrije meningsuiting, persvrijheid en godsdienstvrijheid, met name Thich Huyen Quang en Thich Quang Do, die door de Verenigde Naties worden beschouwd als slachtoffers van detentie op willekeurige gronden(4);
   - volledige gebruikmaking te garanderen van de fundamentele rechten zoals deze zijn vastgelegd in de Vietnamese grondwet en het internationale convenant inzake burgerlijke en politieke rechten, met name door de opbouw van een werkelijke vrije pers toe te staan;
   - te zorgen voor de veilige repatriëring, krachtens de overeenkomst tussen Cambodja, Vietnam en de UNHCR, van de Montagnards die Vietnam ontvluchtten en een goed toezicht op de situatie van de teruggekeerde vluchtelingen door de UNHCR en internationale NGO's toe te staan;

Algemeen

8.   ondersteunt de door de Commissie te financieren projecten ter bevordering van de ontwikkeling van het journalisme en voor de ontwikkeling van programma's voor de opbouw van capaciteiten in de nationale vergadering in Laos, en steunt eveneens de activiteiten in Vietnam die voortkomen uit de werkgroep inzake het opbouwen van instituties, administratieve hervorming, goed bestuur en mensenrechten;

9.   verzoekt de Raad en de Commissie volledig te worden betrokken bij de werkzaamheden van de EU-Vietnam en EU-Laos-werkgroepen inzake de opbouw van instituties, administratieve hervorming, goed bestuur en mensenrechten;

10.   verzoekt de Raad en de Commissie om een nauwkeurige beoordeling van het sinds de ondertekening van de associatie- en samenwerkingsovereenkomsten in Cambodja, Laos en Vietnam gevoerde beleid onder toepassing van artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomsten, dat inhoudt dat eerbiediging van de democratische beginselen en fundamentele rechten essentiële elementen zijn van de overeenkomsten, en het Europees Parlement op de hoogte te stellen van de resultaten;

o
o   o

11.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regeringen en parlementen van Laos, Vietnam en Cambodja.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0150.
(2) PB C 247 E van 6.10.2005, blz. 161.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0081.
(4) Werkgroep inzake gevangenhouding op willekeurige gronden, advies 18/2005, 26 mei 2005.


Olympisch bestand
PDF 113kWORD 36k
Resolutie van het Europees Parlement over het olympisch bestand tijdens de Olympische Winterspelen in Turijn in 2006
P6_TA(2005)0463B6-0618/2005

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 1 april 2004 over een olympisch bestand(1),

–   gezien de in 2003 door de Verenigde Naties unaniem aangenomen resolutie over het bouwen aan een vreedzame en betere wereld door middel van sport en het olympisch ideaal",

–   gezien de in de Millenniumverklaring gedane oproep tot inachtneming van het olympisch bestand,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van juli 2005 van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), het organisatiecomité van de Olympische Winterspelen in Turijn en de Italiaanse autoriteiten, waarin zij toezeggen zich in te zetten voor de naleving van het olympisch bestand, voor de veiligheid van de Spelen en een breed opgezet programma van evenementen dat burgers van de hele wereld in de gelegenheid stelt na te denken over het olympisch bestand en de waarden die dit bestand belichaamt te bevorderen,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de 20ste Olympische en Paralympische Winterspelen van 10 tot 26 februari 2006 plaatsvinden in Europa, in Turijn,

B.   overwegende dat het idee van een olympisch bestand (ekecheiria) teruggrijpt op een oude Griekse traditie, namelijk het staken van alle vijandelijkheden tijdens de Olympische Spelen,

C.   overwegende dat het olympisch bestand in het moderne tijdperk de uiting is van de wil van de mensheid een wereld tot stand te brengen die gebaseerd is op de beginselen van eerlijke competitie, menselijkheid, broederlijkheid en verdraagzaamheid, en dat het dus een brug vormt tussen de oude traditie en de grote uitdagingen van de hedendaagse wereld: instandhouding van een globale vrede, multiculturele dialoog, begrip en samenwerking tussen de volkeren,

D.   overwegende dat de vredesduif, met op de achtergrond de traditionele olympische vlam, het symbool is van het olympisch bestand, waarbij de duif een van de idealen van de olympische beweging belichaamt (de sport als een middel om een vreedzame en betere wereld tot stand te brengen) en de vlam de warmte symboliseert die de olympische spelen de mensen in de hele wereld brengt,

E.   overwegende dat de Olympische Spelen, de Olympische Winterspelen en de Paralympische Spelen, waarvan jongeren de pioniers zijn, de duurzaamheid van het atletische ideaal moeten garanderen en de geest van het door onze cultuur en beschaving verschafte erfgoed weerspiegelen, en dat het bestand een model is van eerbiediging van het ideaal van het vreedzaam samenleven van de volkeren,

1.   is verheugd over de activiteiten van de Werkgroep sport voor ontwikkeling en vrede van de Verenigde Naties, die de idealen van het olympisch bestand overal in de wereld omzet in concrete acties;

2.   verwelkomt de door de Verenigde Naties ondernomen pogingen om te verkrijgen dat een staakt-het-vuren in acht wordt genomen in de regio's waar oorlog wordt gevoerd, en roept de betrokken partijen ertoe op gedurende de Olympische Spelen een bestand in acht te nemen;

3.   spoort de Commissie ertoe aan in haar acties op het gebied van ontwikkeling en vredeshandhaving en bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen meer het accent te leggen op de door de sport geboden mogelijkheden;

4.   verwelkomt de actie van de internationale stichting olympisch bestand en is van oordeel dat de Europese Unie daaraan actief moet deelnemen;

5.   verzoekt de Raad alle lidstaten, toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en buurlanden, alsmede alle landen die deelnemen aan de Olympische en Paralympische Winterspelen in Turijn, ertoe aan te sporen het olympisch bestand gedurende de Olympische Spelen, en ook daarna, in acht te nemen;

6.   spoort de Raad en de Commissie ertoe aan het IOC te steunen bij zijn inspanningen om via de sport vrede en wederzijds begrip te bevorderen;

7.   herinnert de Raad aan zijn toezegging deze kwestie om de twee jaar opnieuw te behandelen en naar aanleiding van de Olympische en Paralympische Winterspelen in Turijn in 2006 zijn steun aan het olympisch bestand te bevestigen;

8.   verzoekt de Raad en de Commissie bij te dragen aan de naleving van het bestand tijdens de Olympische Winterspelen in Turijn door een speciale manifestatie te organiseren, die in het Europees Parlement kan plaatsvinden;

9.   verbindt zich ertoe al het mogelijke te doen om bij te dragen aan de naleving van het olympisch bestand en de totstandbrenging van vrede in de wereld;

10.   verzoekt de Raad en de Commissie vertegenwoordigers naar Turijn te sturen bij de openings- en sluitingsceremonie van de Olympische Winterspelen in Turijn in 2006;

11.   verzoekt de Raad en de Commissie er bij het IOC en het organisatiecomité van de Spelen in Turijn op aan te dringen dat de vlag van de Europese Unie duidelijk wordt afgebeeld in de signalering waarin de organiserende stad naar aanleiding van de Spelen zal voorzien, en wordt toegevoegd aan de vlaggen die worden gehesen daar waar de wedstrijden plaatsvinden;

12.   is van oordeel dat het olympisch bestand meer behelst dan alleen maar een oproep tot een kortstondige onderbreking van vijandelijkheden, en verwelkomt wat dat betreft de in Turijn, Jeruzalem en Sarajevo genomen educatieve en interconfessionele initiatieven;

13.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de landen die deelnemen aan de Olympische Winterspelen en Paralympische Spelen in Turijn, alsmede aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité.

(1) PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 816.


Ontwikkeling en sport
PDF 113kWORD 36k
Ontwerpresolutie van het Europees Parlement over ontwikkelingshulp en sport
P6_TA(2005)0464B6-0633/2005

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar Resolutie 58/5 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 17 november 2003 over sport als middel ter bevordering van onderwijs, gezondheid, ontwikkeling en vrede,

–   gelet op het VN-Verdrag van 1989 inzake de rechten van het kind,

–   gezien de Verklaring van Magglingen van 18 februari 2003 door de Internationale Conferentie over Sport en Ontwikkeling,

–   gezien het verslag over de Volgende Stap-conferentie die op 13 en 14 november 2003 is gehouden in Amsterdam,

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat 2005 het Internationaal Jaar van de Verenigde Naties is voor sport en lichamelijke opvoeding,

B.   overwegende dat een van de doelen van het Internationaal Jaar erin gelegen is de juiste voorwaarden te scheppen voor meer ontwikkelingsprogramma's en -projecten op de grondslag van sport,

C.   overwegende dat projecten op het gebied van lichamelijke opvoeding en sport een bijdrage kunnen leveren tot verwezenlijking van de Millennium Ontwikkelingsdoelen, met name inzake sectoren zoals gezondheid, onderwijs, maatschappelijke krachtenbundeling, gelijkheid van man en vrouw, milieu en vrede onder de mensen,

D.   overwegende dat sport een positieve rol kan spelen bij maatschappelijke integratie en samenhang, dialoog tussen culturen, inzicht in het milieu en herintegratie van kinderen in situaties na conflicten, bij voorbeeld kindsoldaten,

E.   overwegende dat sportprojecten in het kader van ontwikkelingshulp weinig kosten en veel opleveren,

F.   overwegende dat kinderen volgens het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht hebben om te spelen,

G.   overwegende dat er in ontwikkelingslanden 60 miljoen gehandicapten leven; dat de belangen en problemen van gehandicapten in ontwikkelingslanden veelal op ontoereikende wijze worden aangepakt,

H.   overwegende dat in het UNDP-verslag over de ontwikkeling van de mens (IPPT) wordt gesteld dat ontwikkeling zonder specifieke maatregelen om voor vrouwen participatie op basis van gelijkheid mogelijk te maken, het ontwikkelingsproces voor iedereen verstoort,

1.   is verheugd over het feit dat 2005 door de Verenigde Naties is uitgeroepen tot internationaal jaar van sport en lichamelijke opvoeding, daar sport en lichamelijke opvoeding uitstekende middelen zijn om onderwijs, gezondheid, ontwikkeling en vrede te bevorderen, met name voor kwetsbare groepen in de samenleving zoals kinderen en gehandicapten;

2.   wijst met nadruk op de belangrijke opvoedkundige en sociale functies van sport en de betekenis ervan, niet alleen voor de lichamelijke ontwikkeling, maar ook omdat het maatschappelijke waarden kan bevorderen, zoals het vermogen in een ploeg te spelen, eerlijke wedijver, samenwerking, verdraagzaamheid en solidariteit;

3.   erkent de maatschappelijke betekenis van sportorganisaties, die onlosmakelijk deel vormen van de maatschappij en waarin mensen samenkomen van alle klassen, intellectuele en culturele achtergronden, van de basis tot en met de elite;

4.   wijst erop dat de beschikbaarheid van sport zelf moet worden ontwikkeld, wil sport doelmatig zijn voor de ontwikkeling;

5.   wijst erop dat sportprojecten een universeel middel kunnen zijn voor de opbouw van vermogen in onderwijs, gezondheid in het algemeen, HIV/Aids-preventie, totstandbrenging van vrede en ter bestrijding van maatschappelijke uitsluiting, geweld, diverse vormen van ongelijkheid, racisme en vreemdelingenhaat;

6.   verzoekt de Commissie te overwegen ontwikkelingsprogramma's en -projecten op de grondslag van sport te steunen door middel van een specifieke begroting;

7.   verzoekt de Commissie te bevorderen dat de resultaten worden onderzocht van projecten die in verband met ontwikkeling en sport verwezenlijkt zijn door ontwikkelings- en sportorganisaties, de mogelijkheden van beleid in deze sector en de eventuele rol die EU, lidstaten en/of NGO's kunnen spelen op het gebied van ontwikkeling en sport;

8.   verzoekt de Commissie programma's op te zetten ter vergroting van kennis en ervaring van leraren lichamelijke opvoeding in de sector ontwikkeling via sport;

9.   verzoekt de Raad sport en ontwikkeling uitdrukkelijk op te nemen in het nationaal beleid ter beperking van de armoede, en verzoekt Raad en Commissie met nationale en internationale sportorganisaties samen te werken om deze doelen te bereiken;

10.   erkent het volwaardige recht van vrouwen om vrij deel te nemen aan sportactiviteiten en moedigt vrouwen aan intensiever aan sport deel te nemen en omschrijft de gelijkheid van mannen en vrouwen als een doel in sport voor ontwikkelingsinitiatieven en wijst er met nadruk op dat de Wereldconferenties Vrouwen en Sport in de hele wereld aanzienlijke vooruitgang hebben opgeleverd op het gebied van vrouwensport;

11.   moedigt internationale en nationale sportorganen en organisaties die banden hebben met sport aan samenwerkingsinitiatieven en ontwikkelingsprojecten op te zetten en ten uitvoer te leggen die verenigbaar zijn met het onderwijs dat op ieder niveau wordt gegeven om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te verwezenlijken;

12.   verzoekt om bijzondere aandacht voor de toegankelijkheid van sportactiviteiten en alle aspecten van het leven voor gehandicapten, gezien het belang ervan voor revalidatie en maatschappelijke integratie van gehandicapten, door bij voorbeeld zorgpersoneel op plaatselijk niveau in te zetten en door plaatselijke gemeenschappen in staat te stellen in actie te komen door middel van meer deskundigheid en ondersteunende instrumenten;

13.   dringt erop aan dat journalisten worden opgeleid om stereotypen, discriminatie en racisme te weren uit verslagen over sportevenementen;

14.   moedigt organisatoren en sponsors van internationale sportmanifestaties aan te investeren in plaatselijke gemeenschappen in ontwikkelingslanden;

15.   is verheugd over de Wereldtop inzake lichamelijke opvoeding die op 2 en 3 december 2005 in Magglingen, Zwitserland wordt gehouden;

16.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de ACS-EU Raad van ministers en de Paritaire Parlementaire Vergadering, de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie.


Richtsnoeren voor de goedkeuring van de Europese Commissie
PDF 121kWORD 41k
Resolutie van het Europees Parlement over de richtsnoeren voor de goedkeuring van de Europese Commissie (2005/2024(INI))
P6_TA(2005)0465A6-0179/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 213 en 214 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 126 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie(1),

–   gelet op de artikelen I-26, I-27, I-28, III-348 en III-350 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, en gelet op verklaring 7 betreffende artikel 27 van de Grondwet voor Europa gehecht aan de Slotakte van de Intergouvernementele I-Conferentie,

–   gelet op artikel 10 van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen(2),

–   gelet op het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie van 26 mei 2005(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2004 over de verkiezing van de nieuwe Commissie(4),

–   gelet op artikel 45 en de artikelen 98 en 99 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken

(A6-0179/2005),

A.   overwegende dat de parlementaire hoorzittingen met kandidaten voor de Commissie, die voor het eerst in 1994 zijn gehouden en sindsdien een verdere ontwikkeling hebben doorgemaakt, een legitimiteit hebben verkregen die niet alleen door het Parlement en de Commissie, maar ook door de Raad en de lidstaten volledig wordt geaccepteerd,

B.   overwegende dat de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie in belangrijke mate wordt bevorderd door een proces van parlementaire goedkeuring, dat een open, eerlijk en consequent karakter heeft en in het kader waarvan elke kandidaat-commissaris het Parlement alle relevante informatie verstrekt,

C.   overwegende dat het, gezien de opgedane ervaringen en met het oog op toekomstige constitutionele hervorming, thans wenselijk is om de wijze waarop het Parlement de Commissie goedkeurt te herzien,

1.   hecht zijn goedkeuring aan de navolgende beginselen, criteria en modaliteiten voor zijn stemming van goedkeuring over de gehele Commissie als college:

Criteria voor de beoordeling

(a) beoordeelt het Parlement de kandidaat-commissarissen op grond van hun algemene bekwaamheid, Europese inzet en de waarborgen die zij bieden voor onafhankelijkheid. Het beoordeelt de kennis van de desbetreffende portefeuille en de communicatieve vaardigheden.

(b) Het Parlement houdt in het bijzonder rekening met het genderevenwicht. Het kan een uitspraak doen over de verdeling van de portefeuilleverantwoordelijkheden door de verkozen voorzitter.

(c) Het Parlement kan alle informatie inwinnen die relevant is om tot een besluit te komen over de bekwaamheid van de kandidaten. Het verwacht volledige openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op financiële belangen.

Hoorzittingen

(d) Elke kandidaat-commissaris wordt verzocht om voor een hoorzitting van drie uur te verschijnen voor de bevoegde parlementaire commissie of commissies. De hoorzittingen zijn openbaar.

(e) De hoorzittingen worden gezamenlijk georganiseerd door de Conferentie van voorzitters en de Conferentie van commissievoorzitters. In gevallen waarin portefeuilles elkaar overlappen worden passende regelingen getroffen om de relevante commissies bij de procedure te betrekken. Er kunnen zich drie gevallen voordoen:

- de portefeuille van de kandidaat-commissaris valt onder het werkterrein van een enkele parlementaire commissie; in dat geval wordt de kandidaat-commissaris alleen gehoord door die parlementaire commissie;

- de portefeuille van de kandidaat-commissaris valt in min of meer gelijke proporties onder de werkterreinen van meerdere parlementaire commissies; in dat geval wordt de kandidaat-commissaris gehoord door die parlementaire commissies gezamenlijk;

- de portefeuille van de kandidaat-commissaris valt grotendeels onder het werkterrein van een enkele parlementaire commissie en zijdelings onder de werkterreinen van een of meer andere parlementaire commissies; in dat geval wordt de kandidaat-commissaris gehoord door de ten principale bevoegde parlementaire commissie die de andere parlementaire commissie of commissies uitnodigt om deel te nemen aan de hoorzitting.

De verkozen voorzitter van de Commissie wordt uitvoerig geraadpleegd met betrekking tot de organisatie.

(f) De parlementaire commissies leggen de kandidaat-commissarissen tijdig voor de hoorzittingen schriftelijke vragen voor. Het aantal inhoudelijke schriftelijke vragen wordt beperkt tot vijf per bevoegde parlementaire commissie.

(g) De hoorzittingen vinden plaats in omstandigheden en onder voorwaarden die waarborgen dat de kandidaat-commissarissen een gelijke en eerlijke mogelijkheid krijgen om zichzelf en hun standpunten voor het voetlicht te brengen.

(h) De kandidaat-commissarissen worden verzocht een inleidende mondelinge verklaring af te leggen van maximaal twintig minuten. Het verloop van de hoorzittingen heeft tot doel een brede politieke dialoog tussen de kandidaat-commissarissen en de leden van het Parlement tot stand te brengen. Voor het einde van de hoorzitting worden de kandidaat-commissarissen in de gelegenheid gesteld om een korte afsluitende verklaring af te leggen.

Evaluatie

(i) Binnen 24 uur wordt een video-opname met index van de hoorzittingen openbaar gemaakt.

(j) De commissies komen na de hoorzitting onverwijld bijeen voor het maken van hun evaluatie van de individuele kandidaat-commissarissen. Deze vergaderingen vinden achter gesloten deuren plaats. De commissies worden verzocht te verklaren of de kandidaat-commissarissen geschikt zijn om zitting te nemen in de Europese Commissie en om de hen toebedachte taken te vervullen. Indien een commissie er niet in slaagt ten aanzien van elk van deze twee punten consensus te bereiken, brengt haar voorzitter de twee vragen uiteindelijk ter fine van een besluit in stemming. De evaluatieverklaringen worden openbaar gemaakt en gepresenteerd in een gezamenlijke vergadering van de Conferentie van voorzitters en de Conferentie van commissievoorzitters die achter gesloten deuren plaatsvindt. Na een gedachtewisseling en tenzij zij besluiten extra informatie in te winnen, verklaren de Conferentie van voorzitters en de conferentie van commissievoorzitters de hoorzittingen voor gesloten.

(k) De verkozen voorzitter van de Commissie presenteert het gehele college van commissarissen tijdens een plenaire vergadering van het Parlement. De presentatie wordt gevolgd door een debat. Alle fracties of tenminste 37 leden kunnen een ontwerpresolutie indienen tot besluit van het debat. Na de stemming over de ontwerpresolutie stemt het Parlement over de goedkeuring of afwijzing van de benoeming van de voorzitter en de overige leden van de Commissie als college. Het Parlement besluit in een hoofdelijke stemming bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De stemming kan tot de volgende plenaire vergadering worden uitgesteld.

2. hecht zijn goedkeuring aan de navolgende modaliteiten, die moeten worden toegepast in geval van een wijziging in de samenstelling van of de verdeling van de portefeuilles in de Commissie gedurende haar ambtstermijn:

(a) Wanneer een plaats vacant wordt door ontslag, gedwongen terugtreden of overlijden, nodigt het Parlement onverwijld de kandidaat voor het lidmaatschap van de Commissie uit om deel te nemen aan een hoorzitting overeenkomstig dezelfde voorwaarden als die welke zijn vastgesteld in paragraaf 1.

(b) In geval van toetreding van een nieuwe lidstaat nodigt het Parlement diens kandidaat-commissaris uit deel te nemen aan een hoorzitting onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vastgesteld in paragraaf 1.

(c) In geval van een ingrijpende herschikking van portefeuilles worden de betrokken commissarissen uitgenodigd om voor het aanvaarden van hun nieuwe verantwoordelijkheden te verschijnen voor de bevoegde parlementaire commissies.

3.   verzoekt de Raad, teneinde de voorbereiding van de goedkeuring van de Commissie te vergemakkelijken, het tijdstip van de volgende verkiezingen voor het Parlement te vervroegen van juni naar mei 2009;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie voor te leggen aan de voor het Reglement bevoegde commissie teneinde tijdig vóór de volgende Parlementsverkiezingen voorstellen te doen voor de vereiste wijzigingen van het Reglement;

5.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Europese Raad en de Raad.

(1) Als gewijzigd bij artikel 4 van het Protocol betreffende de uitbreiding bij het Verdrag van Nice, als gewijzigd bij artikel 45 van de Toetredingsakte 2003.
(2) PB L 278 van 8.10.1976, blz. 5. Akte als gewijzigd door Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad (PB L 283 van 21.10.2002, blz. 1).
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0194, Bijlage.
(4) PB C 201 E van 18.8.2005, blz. 113.


Toepassing van de communautaire mededingingsregels op het zeevervoer *
PDF 133kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van de communautaire mededingingsregels op het zeevervoer (2005/2033(INI))
P6_TA(2005)0466A6-0314/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 81, 82, 83, 85 en 86 van het Verdrag,

–   gezien het Witboek over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op het zeevervoer (COM(2004)0675),

–   gezien het Witboek "Het Europees vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen" (COM(2001)0370),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, waarin de Commissie wordt verzocht "de liberalisering te bespoedigen in sectoren zoals gas, elektriciteit, postdiensten en vervoer",

–   gezien Verordening (EEG) nr. 954/79(1) die een kader omvat voor een met het EG-Verdrag verenigbare toepassing van de Gedragscode voor lijnvaartconferences,

–   gezien Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 (thans 81 en 82) van het Verdrag op het zeevervoer(2),

–   gezien Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer)(3),

–   gezien Verordening (EG) nr. 823/2000 van de Commissie van 19 april 2000 houdende toepassing van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen lijnvaartondernemingen (consortia)(4),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(5),

–   gezien het discussiestuk van de Commissie van 13 juli 2005 over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86,

–   gezien het definitieve rapport van het door ICF Consulting verrichte "Onderzoek naar economische bijstand voor de lijnvaart" (Economic Assistance Study on Liner Shipping) van mei 2005, uitgevoerd in opdracht van het Directoraat-generaal Energie en vervoer van de Commissie,

-   gezien de studie "De toepassing van de mededingingsregels op de lijnvaart", die de firma Global Insight in opdracht van het Directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie heeft verricht en die op 8 november 2005 is uitgebracht,

–   gezien het overlegdocument van de Commissie van 27 maart 2003 over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(6) en van het Comité van de Regio's(7) inzake het Witboek over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86,

–   gezien de gedragscode voor lijnvaartconferences van de VN-Conferentie voor Handel en Ontwikkeling van 1974,

–   gezien het verslag van het secretariaat van de OESO, getiteld "Mededingingsbeleid ten aanzien van lijnvaartondernemingen" van 16 april 2002,

–   gezien de brief van de European Liners Affairs Association (ELAA) over de "herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86: voorstel voor een nieuwe regelgevingsstructuur" van 6 augustus 2004,

–   gezien het rapport van de Erasmus-universiteit Rotterdam van 12 november 2003 over de door haar geboden ondersteuning bij de verwerking van de reacties op het overlegdocument van de Commissie over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0314/2005),

A.   overwegende dat de Europese zeevaart een voortdurend in ontwikkeling zijnde sector is op een zeer sterk gemondialiseerde en concurrerende markt met nieuwe vormen van samenwerking, fusies en partnerschappen, die de omstandigheden en voorwaarden op de markt voor zeevervoer permanent veranderen, waarbij de tendens gaat in de richting van concentratie van enkele grote scheepvaartondernemingen,

B.   overwegende dat het zeevervoer tot nu toe in twee grote categorieën uiteenvalt: a) de lijnvaartondernemingen, d.w.z. geprogrammeerde verbindingen en b) de zogenaamde "tramp vessel services", d.w.z. niet-geprogrammeerde verbindingen, waarbij de eerste categorie sinds 1875 georganiseerd is in het systeem van lijnvaartconferences en de tweede categorie niet geprogrammeerd plaatsvindt en de vrachttarieven onderwerp zijn van vrije onderhandelingen op basis van vraag en aanbod,

C.   overwegende dat met de gedragscode van de lijnvaartconferences van de VN-Conferentie voor Handel en Ontwikkeling de stabiliserende rol van de conferences is erkend,

D.   overwegende dat in Verordening (EEG) nr. 4056/86 conferences van de bepalingen van het mededingingsbeleid worden vrijgesteld (artikelen 81 en 82 van het Verdrag) én tegelijkertijd vrije transacties worden toegestaan, hetgeen betekent dat inhoudelijke concurrentie door outsiders is gegarandeerd, terwijl de zeevervoersdiensten met "tramp vessels" en de cabotagediensten (zeevervoer uitsluitend tussen havens in dezelfde lidstaat) worden vrijgesteld van de toepassing van de communautaire mededingingsregels (Verordening (EG) nr. 1/2003),

E.   overwegende dat er inmiddels nog andere samenwerkingsvormen zijn ontstaan, zoals consortia van lijnvaartondernemingen, waarvoor ook een groepsvrijstelling bestaat (Verordening (EG) nr. 823/2000, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 611/2005(8)); overwegende evenwel dat het toepassingsgebied daarvan niet hetzelfde is, omdat op grond van de verordening er geen referentietarieven mogen worden vastgesteld,

F.   overwegende dat de reeds negentien jaar bestaande uitzondering voor de lijnvaartconferences een belangrijke regulerende rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van de internationale handel en dat het huidige systeem van conferences veel "liberaler" is dan in het verleden, mét behoud van de voordelen van geregelde lijndiensten tegen concurrerende vrachttarieven,

G.   overwegende dat in de periode 1997-2004 het volume van de internationale handel via lijnvaartconferences spectaculair is toegenomen in relatie tot de grote conferencesystemen, maar ook aanzienlijk (met enkele fluctuaties) in relatie tot de kleine conferencesystemen,

H.   overwegende dat de Commissie met betrekking tot de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86 concludeert dat:

   a) de vrijstelling van de conferences voor de lijnvaart niet langer gerechtvaardigd is;
   b) de uitzondering van de toepassing van de mededingingsregels op zeevervoersdiensten met "tramp vessels" en zeecabotagediensten niet gerechtvaardigd is;
   c) er geen geldige reden is om de bepalingen inzake de technische overeenkomsten en inzake conflicterende rechtsregels te handhaven en dat deze derhalve zouden moeten worden afgeschaft,
   I. overwegende dat de meeste belanghebbende partijen voorstander zijn van herziening van het huidige stelsel met het oog op prijsstabiliteit, doeltreffende en hoogwaardige diensten en instandhouding van het concurrentievermogen van de lijnvaartondernemingen en kleine en middelgrote scheepvaartondernemingen,

J.   overwegende dat de consultancyfirma Global Insight op initiatief van de Commissie een effectstudie heeft verricht om na te gaan wat de gevolgen zouden zijn als de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 4056/86 wordt ingetrokken en wordt vervangen door een stelsel dat is gebaseerd op het alternatieve voorstel van de ELAA,

Algemeen

1.   verzoekt de Commissie en alle belanghebbende partijen in te zien dat met de herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86 het behoud en de bevordering en uitbreiding van een levensvatbare en concurrerende Europese zeevaart wordt beoogd in het kader van de strategie van Lissabon en in overeenstemming met de strategie voor het vervoersbeleid zoals aangegeven in het Witboek en de programma's Marco Polo I en Marco Polo II, en dat dit van cruciaal belang is aangezien er nieuwe scheepvaartmachten ten tonele zijn verschenen, namelijk China, Zuid-Korea en Taiwan;

2.   verzoekt de Commissie serieus rekening te houden met de gevolgen van een mogelijk alternatief systeem voor de hele sector van het zeevervoer, d.w.z. de leden en de niet-leden van de scheepvaartconferences, maar ook hun concurrenten (onafhankelijke partijen), hun klanten (verladers) en de eindgebruikers;

3.   constateert dat de conclusies van de studie van de firma Global Insight geen eenduidige grondslag vormen voor de intrekking van de groepsvrijstelling voor lijnvaartconferences, aangezien ook hierin geen oplossing wordt geboden voor de in voorgaande studies gesignaleerde tekortkomingen op het vlak van toepassingssfeer en gegevens; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden in haar nieuwe voorstel en dit voorstel te bespreken met de belanghebbende partijen, het Parlement en de Raad;

4.   verzoekt de Commissie om in geval van herziening van Verordening (EEG) nr. 4056/86 rekening te houden met de bestaande juridische en operationele stelsels in andere landen (VS, Australië, Japan, Canada), aangezien elke Europese afwijking van deze stelsels tot destabiliserende sociaal-economische tendensen op mondiaal niveau zou kunnen leiden en protectionistische maatregelen kan uitlokken;

5.   onderstreept de waarschijnlijkheid van negatieve gevolgen in geval van een algemene verandering van het systeem, niet zozeer voor de grote scheepvaartmaatschappijen in de koopvaardijsector, maar met name voor de kleine en middelgrote ondernemingen, en benadrukt dat niet kan worden aangetoond dat een eventuele afschaffing van de lijnvaartconferences een daling van de prijzen tot gevolg zal hebben;

6.   wijst erop dat een volledige liberalisering mét afschaffing van de uitzonderingen van de lijnvaartconferences van Verordening (EEG) nr. 4056/86 dienovereenkomstige veranderingen noodzakelijk maakt van Verordening (EG) nr. 823/2000, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 611/2005, die voorziet in een groepsvrijstelling voor consortia van lijnvaartondernemingen;

7.   is van mening dat er bij iedere regulering van de sector rekening zal moeten worden gehouden met de eigenschappen van regio's met specifieke beperkingen, zoals de regio's van het type als genoemd in artikel 299, lid 2 van het Verdrag, die afhankelijk zijn van een permanent aanbod van diensten met specifieke kenmerken;

8.   onderstreept, voorzover verenigbaar met het communautaire mededingingsrecht, het belang van steeds meer vormen van samenwerking, zoals kaderovereenkomsten, die de vervoerders (leden en niet-leden van conferences) in staat stellen hun concurrentiegedrag op de markt ten aanzien van de vrachttarieven en andere dienstverleningsvoorwaarden op flexibele wijze te coördineren;

Lijnvaartconferences

9.   concludeert, op grond van de jurisprudentie van het Gerecht van Eerste Aanleg (Gevoegde Zaken T-191/98 en T-212/98 tot en met 214/98, Atlantic Container e.a. tegen Commissie(9), "zaak TACA") dat de regulering van de schepencapaciteit alleen is toegestaan op voorwaarde dat er geen kunstmatige vraag wordt gecreëerd in combinatie met hogere vrachttarieven en alleen als de bevoegdheid van de conferences om de vrachttarieven vast te stellen in belangrijke mate is beperkt en aldus, al ware het slechts gedeeltelijk, wordt voldaan aan de vier cumulatieve criteria van artikel 81 van het Verdrag;

10.   wijst erop dat met Verordening (EEG) nr. 4056/86 weliswaar het systeem van gesloten conferences wordt bekrachtigd, maar ook wordt ingestemd met vrije transacties, hetgeen betekent dat inhoudelijke concurrentie door outsiders is gegarandeerd en dat geen andere beperkingen van de concurrentie door de lijnvaartconferences wordt toegestaan;

11.   steunt het voornemen van de Commissie om Verordening (EEG) nr. 4056/86 te herzien - en niet in te trekken - met de bedoeling om voor verenigbaarheid met de mededingingsregels te zorgen, met name door het niet langer mogelijk te maken dat de vrachttarieven rechtstreeks worden vastgelegd maar toe te laten dat er een referentietarief vastgelegd wordt door de scheepvaartconferenties, of een prijsindex in een vervangingssysteem, in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, en te zorgen dat de meerkosten en aanverwante kosten op transparante wijze en na overleg met de verladers berekend worden; onderstreept dat elke herziening garanties moet bieden voor de stabiliteit van de vrachttarieven, de hoge kwaliteit van de diensten en eerlijke concurrentieverhoudingen voor alle ondernemingen, ongeacht hun omvang;

12.   is van mening dat het voorstel van de ELAA interessante onderdelen bevat - vooral met de opstelling van een prijsindex en de oprichting van discussieforums die openstaan voor vervoerders, verladers en andere belanghebbenden in de sector - die door de Commissie in overeenstemming met de concurrentieregels gebruikt zouden moeten worden bij het opstellen van een herziene verordening en dat zo een nieuwe verordening een beperkte looptijd van bijvoorbeeld vijf jaar zou kunnen hebben, waarna een evaluatie kan plaatsvinden; is van oordeel dat deze punten moeten worden getoetst op conformiteit met de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 81 van het Verdrag;

13.   meent, welke alternatieve oplossing er ook aangenomen wordt, dat er een overgangsperiode moet zijn zodat alle belanghebbenden (vervoerders, verladers en andere bedrijven in de sector) gelegenheid krijgen om zich met de nieuwe regelgeving vertrouwd te maken;

14.   verzoekt de Commissie om in het kader van haar bevoegdheden en op basis van de toezeggingen op grond van de Gedragscode voor lijnvaartconferences met de overige partijen in overleg te treden alvorens een voorstel tot herziening of intrekking van Verordening (EEG) nr. 4056/86 in te dienen; is van mening dat in dit overleg moet worden gezocht naar de beste methode van aanpassing voor de lidstaten (die dan nog altijd bilaterale verplichtingen hebben uit hoofde van de gedragscode) aan de mogelijke nieuwe juridische status, teneinde nadelige gevolgen te voorkomen;

Zeevervoerdiensten met "tramp vessels" en cabotagediensten

15.   wijst erop dat de trampsector voor het overgrootste deel ongereguleerd is en functioneert op basis van de regels van eerlijke mededinging; ondersteunt het voorstel van de Commissie om deze diensten onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 te brengen;

16.   acht het in het belang van de juridische zekerheid en duidelijkheid dat de Commissie, binnen één uniform proces, richtsnoeren ontwikkelt voor de toetsing op overeenstemming met de mededingingsregels van groepssamenwerkingsovereenkomsten (bulk pools) en gespecialiseerde diensten (specialised trades), echter met dien verstande dat zij daarmee moet wachten tot de voorstellen zijn gepubliceerd en de betrokken partijen zijn geraadpleegd;

17.   wijst erop dat de cabotagesector op grond van Verordening (EEG) nr. 3577/92 reeds is gedereguleerd; is van mening dat de intracommunautaire handel tussen de lidstaten niet wordt beïnvloed omdat deze diensten worden verricht tussen havens in dezelfde lidstaat (artikelen 81 en 82 van het Verdrag) en dat er derhalve geen noodzaak of juridische verplichting bestaat om deze sector onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1/2003 te brengen;

Zuiver technische overeenkomsten

18.   verzoekt de Commissie af te zien van het voorstel tot afschaffing van het bepaalde in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 4056/86 met betrekking tot de wettelijkheid van technische overeenkomsten, omdat de handhaving van een duidelijk juridisch kader voor overeenkomsten met een technisch karakter bijdraagt tot rechtszekerheid en een betere oriëntatie voor de aanbieders van deze diensten;

Conflicterende rechtsregels

19.   verzoekt de Commissie af te zien van het voorstel tot intrekking van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 4056/86, waarin wordt voorzien in onderhandelingen in geval van conflicten tussen het Gemeenschapsrecht en het recht van derde landen, met name in het licht van de door de Commissie voorgenomen herziening van het mededingingsrecht voor het zeevervoer;

o
o   o

20.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 121 van 17.5.1979, blz. 1.
(2) PB L 378 van 31.12.1986, blz. 4.
(3) PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.
(4) PB L 100 van 20.4.2000, blz. 24.
(5) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.
(6) PB C 157 van 28.6.2005, blz. 130.
(7) PB C 231 van 20.9.2005, blz. 38.
(8) Verordening (EG) nr. 611/2005 van de Commissie van 20 april 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 823/2000 houdende toepassing van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen lijnvaartondernemingen (consortia) (PB L 101 van 21.4.2005, blz. 10).
(9) Jurispr. [2003] II-3275.


Europese elektronische-communicatieregelgeving en -markten *
PDF 221kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement over de Europese elektronische-communicatieregelgeving en –markten in 2004 (2005/2052(INI))
P6_TA(2005)0467A6-0305/2005

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie "De Europese elektronische-communicatieregelgeving en –markten in 2004" (COM(2004)0759),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005,

–   gezien het verslag van de Groep op hoog niveau voor de strategie van Lissabon, van november 2004,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2003 over het achtste verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het pakket telecommunicatieregelgeving(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 februari 2003 over de volledige uitrol van het mobiele communicatiesysteem van de derde generatie(2),

–   gezien Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn)(3),

–   gezien Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn)(4),

–   gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)(5),

–   gezien Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)(6),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000,

–   gezien het Besluit van de Commissie van 29 juli 2002 tot oprichting van de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektronische communicatienetwerken en diensten(7),

–   gelet op artikel 45 van zijn reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0305/2005),

A.   overwegende dat de omzettings- en uitvoeringsprocedures van de lidstaten voor communautaire wetgeving onderling verschillen, hetgeen nadelig is voor de totstandkoming van een echte interne markt van de elektronische communicatie,

B.   overwegende dat de Commissie een sleutelrol speelt in de tenuitvoerlegging en de correcte toepassing van het regelgevingskader,

C.   overwegende dat de Commissie inbreukprocedures kan inleiden tegen lidstaten die de toepasselijke wetgeving niet of verkeerd toepassen,

D.   overwegende dat, volgens de procedure van artikel 7 van de kaderrichtlijn, de Commissie de maatregelen die de nationale regelgevende instanties (NRI's) van plan zijn te nemen aan een evaluatie onderwerpt,

E.   overwegende dat de kaderrichtlijn de regelgevende instanties voorziet van een soepel instrument waarmee de regelgever op de markt kan tussenkomen wanneer het vrije spel van de concurrentie in het gedrang dreigt te komen,

F.   overwegende dat deze eigenschappen van de regelgeving van groot belang zijn omdat ze ervoor zorgen dat de regelgever correct kan optreden op een evoluerende markt, die wordt gekenmerkt door de recente technologische innovatie die de mogelijkheid zal bieden de Europese consument nieuwe diensten aan te bieden,

G.   overwegende dat dit regelgevingsmodel het toelaat de toepassing van de rechtsmiddelen op basis van het evenredigheidsbeginsel aan te passen en de reguleringsverplichtingen terug te schroeven wanneer dat op grond van de ontwikkeling van de mededinging is gerechtvaardigd,

H.   overwegende dat de NRI's hun besluit om op de markt te interveniëren in volstrekte onafhankelijkheid nemen en dat hun interventies moeten beantwoorden aan het criterium van de proportionaliteit ten aanzien van het nagestreefde doel,

I.   overwegende dat de procedures van beroep tegen besluiten van de NRI's lang zijn en dat kan worden vastgesteld dat in sommige lidstaten de besluiten van de NRI's systematisch worden opgeschort in afwachting van de afloop van het beroep,

J.   overwegende dat vertragingen bij de tenuitvoerlegging en de marktanalyse een ernstige belemmering vormen voor de totstandbrenging van de interne markt van de elektronische communicatie, verhinderen dat de bedrijven van de diverse lidstaten in homogene omstandigheden kunnen opereren en voor onzekerheid wat betreft de tijdens de overgangsperiode aangenomen regelgevingsmethode zorgen,

K.   overwegende dat een duidelijk regelgevend kader de voorwaarden schept die de marktspelers ertoe aanmoedigen meer te investeren, hetgeen onontbeerlijk is opdat de Europese industrie van de elektronische communicatie een leidersplaats kan innemen op de internationale markt,

L.   overwegende dat de Commissie er door haar interpretatie en toepassing van de regelgeving met betrekking tot de infrastructuur voor elektronische communicatie aanzienlijk toe kan bijdragen het pluralisme in de media te waarborgen en te bevorderen,

M.   overwegende dat de tarieven voor telefoongesprekken naar en uit het buitenland ondanks de maatregelen die de nationale regelgevingsautoriteiten hebben genomen om de buitensporig hoge roamingkosten in de EU te verminderen, nog steeds te hoog zijn, en gezien de risico's van concurrentieverstorende prijsafspraken en misbruik van dominante marktposities,

N.   overwegende dat een correct gereguleerde eenheidsmarkt voor alle consumenten de voorwaarden voor billijke diensten en prijzen kan garanderen door hun de nodige transparantie en betrouwbaarheid te bieden,

O.   overwegende dat het wetgevingskader mede het ontstaan en het voortbestaan van pluralisme in de media bepaalt,

P.   overwegende dat de Commissie in haar Witboek over diensten van algemeen belang (COM(2004)0374) stelt dat de doelstelling een open en concurrerende interne markt tot stand te brengen, verenigbaar is met de doelstelling diensten van algemeen belang te ontwikkelen, en dat het derhalve van cruciaal belang is voorwaarden voor billijke diensten en prijzen te garanderen opdat een interne telecommunicatiemarkt tot stand komt die het gehele Europese grondgebied omvat, teneinde, in overeenstemming met een prioriteit van de Europese Unie, de digitale kloof te verkleinen,

1.   deelt de bezorgdheid die de Commissie in bovenvermelde mededeling tot uiting brengt; zegt zijn volle steun toe aan de Commissie in haar rol als motor en initiatiefneemster van de regelgeving, zowel wat betreft de correcte interpretatie van de nieuwe regeling, als om een geharmoniseerde en met de doelstellingen van de regelgeving inzake elektronische communicatie overeenstemmende toepassing te garanderen door middel van een snel en constant toezicht;

Institutioneel kader

2.   acht het raadzaam een institutionele discussie op gang te brengen die een tweevoudig doel beoogt: enerzijds de versterking en de verduidelijking zowel van het Europese institutionele model op het gebied van de elektronische communicatie als van het desbetreffende regelgevingskader en anderzijds het uitwerken van de beste oplossingen om dat doel te bereiken;

Commissie

3.   verlangt derhalve dat de rol van de Commissie versterkt wordt en onderstreept nogmaals dat de Commissie de sleutelrol speelt als hoedster van de communautaire wetgeving, terwijl de Europese groep van regelgevende instanties (ERG) de Commissie ook in de toekomst als raadgevend- en adviesorgaan in overeenstemming met Besluit 2002/627/EG terzijde dient te staan, ten behoeve van een consequente en samenhangende uitvoering van het regelgevingskader overeenkomstig artikel 7, lid 2 van de kaderrichtlijn;

4.   ondersteunt ten volle het optreden van de Commissie zowel wat de procedures betreft tegen lidstaten die in gebreke blijven als op het vlak van de analyse van de kennisgevingen die de NRI's haar overeenkomstig artikel 7 van de kaderrichtlijn doen toekomen; verzoekt de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat initiatieven betreffende de nationale markten de totstandkoming van de interne markt van de elektronische communicatie niet belemmeren;

ERG

5.   onderstreept dat de samenstelling en de taken van de ERG en van de groep van onafhankelijke regelgevers (IRG) tot op zekere hoogte samenvallen en dat er bijgevolg voor moet worden gezorgd dat beide niet naast elkaar heen werken, met ieder zijn beperkte administratieve middelen; beveelt daartoe aan dat de ERG en de IRG geleidelijk aan worden gefuseerd;

6.   acht het noodzakelijk dat de ERG zich beperkt tot zijn adviserende taken, waarbij alle belanghebbende partijen op een zo volledige en transparant mogelijke manier worden betrokken, en zich van de taken kwijt die hem uitdrukkelijk krachtens het regelgevingskader zijn toegewezen;

Parlement

7.   verzoekt de Commissie haar jaarverslag over de uitvoering van het regelgevingskader zodra het is goedgekeurd, alsook alle andere verslagen betreffende de analyse van het functioneren van de elektronische-communicatiemarkt dadelijk aan het Parlement te doen toekomen, zodat het Parlement tijdig bij de monitoring kan worden betrokken;

8.   is verheugd over de snelle stijging van de marktpenetratie van breedband; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van haar toezichthoudende activiteiten betreffende de ontwikkeling van de breedbandsector en haar optreden in dit verband;

Lidstaten en NRI's

9.   betreurt dat enkele lidstaten het regelgevingskader nog niet volledig in nationale wetgeving hebben omgezet of niet correct hebben toegepast; verzoekt deze lidstaten zich onmiddellijk te schikken naar de communautaire elektronische-communicatiewetgeving;

10.   verzoekt de lidstaten de werkzaamheden van de NRI's, waarvan de schaarse middelen niet volstaan om zich snel van hun taken te kwijten, adequaat te ondersteunen; verlangt eveneens dat de lidstaten maatregelen treffen om de duur van de beroepsprocedures tegen besluiten van de NRI's in te korten;

11.   verzoekt de lidstaten de absolute onafhankelijkheid van de NRI's te garanderen en verzoekt de Commissie hierop toe te zien en het Parlement op de hoogte te houden;

12.   moedigt de NRI's en de Commissie wat de voorgestelde verplichtingen betreft aan betere effectbeoordelingen en vergelijkende analyses van hun nut en doeltreffendheid voor de markten uit te voeren;

13.   verzoekt de lidstaten de beginselen van transparantie en proportionaliteit in acht te nemen en alle administratieve lasten die worden opgelegd aan de marktspelers op het gebied van de machtiging van diensten te rechtvaardigen en daarbij de openbare belangen te eerbiedigen; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk controles op dit gebied op te zetten;

14.   onderstreept het belang van een gepaste toewijzing van frequenties voor diensten van algemeen belang, van open, transparante en niet-discriminerende procedures alsook van voldoende soepelheid bij de toewijzing van radiofrequenties en de toekenning van vergunningen;

15.   beveelt de lidstaten, de Commissie en de NRI's aan er rekening mee te houden dat het regelgevingskader van dien aard moet zijn dat het investeringen aantrekt en beschermt; onderstreept dat infrastructuurinvesteringen moeten worden bevorderd, met name in de breedbandsector, de mobiele telefonie van de derde generatie en de andere nieuwe markten, en dat daarbij rekening dient te worden gehouden met diensten van algemeen economisch belang;

16.   onderstreept dat het, ondanks de aan verandering onderhevige technologie, noodzakelijk is om gereguleerde diensten te waarborgen, met name als het gaat om het toegangsnet; acht het derhalve van groot belang vast te houden aan de mogelijkheid om alternatieve exploitanten op billijke en redelijke voorwaarden toegang te verschaffen tot de nieuwe infrastructuur;

17.   herinnert eraan dat de regelgeving moet worden toegespitst op het wegwerken van alle factoren die de eerlijke concurrentie belemmeren, en dat daarbij extra aandacht moet uitgaan naar het bevorderen van de ontwikkeling van de nieuwe markten en gelijke kansen voor alle marktdeelnemers;

18.   herinnert eraan dat de ontwikkeling van de mobiele telefonie van de derde generatie soms belemmerd wordt door nationale en plaatselijke regels betreffende machtigingen voor de installatie van infrastructuur en door strenge criteria inzake het verlenen van vergunningen; dringt er dan ook bij de bevoegde autoriteiten op aan dat zij een oplossing voor deze situatie zouden uitwerken en alle factoren die de volle ontwikkeling van de 3G-communicaties belemmeren, uit de weg zouden ruimen;

19.   verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat bij de keuze van de vestigingsplaats voor installaties voor het mobiele telefonienetwerk volksgezondheids- en milieufactoren in aanmerking worden genomen en transparante stedenbouwkundige procedures worden gevolgd; verzoekt de Commissie te waarborgen dat zij toezicht houdt op deze activiteiten en daarover regelmatig aan het Europees Parlement verslag uitbrengt; onderstreept de noodzaak informatie over stralingswaarden publiek te maken;

20.   is verheugd over de vrijwillig opgestelde voorschriften om consumenten tegen ongevraagde reclame te beschermen en roept op tot een EU-wijde omzetting van de opt-inregels;

21.   benadrukt, gezien de groeiende vraag naar het bewaren van gegevens, het belang van gegevensbescherming; wijst op de aloude samenwerking tussen aanbieders van e-communicatie en de wethandhavingsautoriteiten binnen een duidelijk wettelijk kader en gebaseerd op een aanpak om alles per geval te bekijken; erkent dat opgelegde verplichtingen voor het registreren van gegevens ten koste van de burgerlijke vrijheden zouden kunnen gaan en voor de exploitanten een behoorlijke kostenpost zouden zijn; meent tot slot dat het Europees Parlement over iedere bepaling betreffende gegevensregistratie zou moeten meebeslissen;

Industrie en consumenten

22.   onderstreept dat de sector van de communicatie- en informatietechnologie een drijvende kracht van de Europese economie is en in aanzienlijke mate bijdraagt aan de groei en de schepping van werkgelegenheid;

23.   wijst erop dat de Europese wetgeving betreffende elektronische communicatie tot doel heeft de concurrentie tussen de bedrijven te bevorderen en tegelijk een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen;

24.   verzoekt de Commissie om ten behoeve van de consumentenbescherming een jaarlijkse studie uit te voeren en aan het Parlement voor te leggen waarin minimaal de volgende parameters worden geanalyseerd: de transparantie van de facturering, de contractuele garanties en trends wat betreft prijzen en markten, zowel voor breedband als voor vaste en mobiele telefonie;

25.   is verheugd over de uitbreiding van de ongebundelde aansluitnetten, maar benadrukt dat er verdere ontwikkeling nodig is om een concurrentiële markt voor de consumenten te verzekeren;

26.   verzoekt de verleners van telecommunicatiediensten bij de keuze, de prijsbepaling, de voordelen in termen van kwaliteit van de telecommunicatiediensten en de toegankelijkheid rekening te houden met de belangen van de gehandicapte gebruikers; verzoekt de regelgevingsinstanties bij de beoordeling van de dienstverlening het advies in te winnen van de vertegenwoordigers van de gehandicapten;

27.   verzoekt verleners van 3G-communicatiediensten de prijs-dienstverhouding dusdanig op te stellen dat zoveel mogelijk mensen op zoveel mogelijk plaatsen breedband kunnen ontvangen, om zo een eind te maken aan de geografische beperkingen van breedband;

28.   acht het van wezenlijk belang dat de exploitanten een transparant prijsbeleid voeren en dat de consument volledig en duidelijk geïnformeerd wordt over de aangeboden diensten en de prijzen ervan, met name wat de kosten betreft; volgt, wat betreft de internationale roamingdiensten, zeer nauwlettend de recente procedures van de Commissie betreffende de regels van het Verdrag over misbruik van machtspositie (artikel 82) en de "mededeling van punten van bezwaar"; verzoekt de Commissie en de lidstaten te analyseren welke structurele veranderingen nodig zijn om gepaste en transparante roamingtarieven te kunnen waarborgen; roept voorts de Raad ertoe op de Commissie de opdracht te geven een actieplan op te stellen, met inbegrip van een tijdschema, dat erop is gericht de consumenten zo goedkoop en zo spoedig mogelijk te genieten van internationale roaming, in geheel Europa en met continuïteit van de dienstverlening;

29.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de NRI's alles in het werk te stellen opdat verdere voortgang kan worden geboekt op het vlak van de overdraagbaarheid van vaste en mobiele nummers, alsook wat de terminatietarieven voor mobiele gesprekken betreft;

30.   wijst erop dat een goed werkend systeem voor de overdraagbaarheid van mobiele telefoonnummers van vitaal belang is voor een gezonde concurrentie tussen mobieletelefonieaanbieders; benadrukt derhalve dat het overdragen van een nummer in iedere lidstaat weinig of niets mag kosten en dat dit proces in sommige lidstaten minder traag zou moeten verlopen;

31.   roept de Commissie op maatregelen te treffen om de tarieven voor beëindiging van mobiele-telefoniecontracten te verlagen, aangezien deze in veel lidstaten nog steeds erg hoog zijn en aan de eigenlijke kosten zouden moeten worden gekoppeld;

32.   herinnert eraan dat de Commissie in haar witboek over de diensten van algemeen belang verklaart dat de doelstelling van de totstandbrenging van een open en concurrentiële interne markt verenigbaar is met die van de ontwikkeling van toegankelijke, kwalitatief hoogstaande en betaalbare diensten van algemeen belang, en wijst er op dat bij de regelgeving derhalve met beide doelstellingen rekening dient te worden gehouden;

33.   wacht de uitkomst af van een onderzoek naar de manier waarop de lidstaten de doelstellingen van algemeen belang interpreteren bij het opleggen van doorgifteverplichtingen ("must carry");

34.   juicht het initiatief van de Commissie toe om de transparantie in de sector van de internationale roaming te bevorderen, waardoor de consumenten nuttige informatie krijgen over de retailtarieven van de diverse exploitanten van mobiele telefonie in de EU-lidstaten, en roept de verleners van telecommunicatiediensten met name op de roamingtarieven te verlagen, opdat de economische en sociale samenwerking tussen de lidstaten niet door hoge kosten wordt belemmerd; roept de Commissie op nieuwe initiatieven te ontwikkelen teneinde de hoge kosten van grensoverschrijdend telefoonverkeer te doen zakken, opdat spoedig een echte interne markt voor consumenten met betaalbare roamingtarieven voor mobiele telefonie kan ontstaan;

35.   wijst erop dat alle Europese burgers toegang tot de diensten van de informatiemaatschappij moeten hebben, en dat dit betekent dat consumentenvriendelijke regelgeving moet worden toegepast om de digitale kloof te verkleinen, met name voor gehandicapten en ouderen; is van oordeel dat de ondersteuning van een algemene Europese norm ten behoeve van interoperabiliteit van diensten, transmissieplatforms en terminals een cruciale bijdrage tot het behalen van die doelstelling betekent;

36.   verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe de verschillende nationale markten in deze sector kunnen worden ontwikkeld tot een interne markt zonder grenzen en met een gemeenschappelijke wet- en regelgeving opdat de exploitanten op één markt kunnen handelen en concurreren;

o
o   o

37.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de Europese groep van regelgevende instanties en de toepasselijke nationale regelgevende instanties.

(1) PB C 87 E van 7.4.2004, blz. 65.
(2) PB C 43 E van 19.2.2004, blz. 260.
(3) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.
(5) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(6) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(7) PB L 200 van 30.7.2002, blz. 38.


BTW voor arbeidsintensieve diensten
PDF 115kWORD 34k
Resolutie van het Europees Parlement over het aflopen van Richtlijn 1999/85/EG betreffende verlaagde BTW-tarieven voor arbeidsintensieve diensten
P6_TA(2005)0468B6-0630/2005

Het Europees Parlement,

–   gelet op de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Wenen van 11 en 12 december 1998, waarin de Commissie werd verzocht de lidstaten die dat willen in de gelegenheid te stellen te experimenteren met verlaagde BTW-tarieven voor arbeidsintensieve diensten die niet bloot staan aan grensoverschrijdende concurrentie teneinde de werkgelegenheid te bevorderen,

–   gezien Richtlijn 1999/85/EG van de Raad van 22 oktober 1999 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat de mogelijkheid betreft om bij wijze van experiment op arbeidsintensieve diensten een verlaagd BTW-tarief toe te passen(1),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het experiment met een verlaagd BTW-tarief voor bepaalde arbeidsintensieve diensten (COM(2003)0309),

–   gelet op zijn standpunt van 15 januari 2004 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met het oog op verlenging van de mogelijkheid voor de lidstaten om verlaagde BTW-tarieven toe te passen voor bepaalde arbeidsintensieve diensten(2),

–   gelet op zijn standpunt van 4 december 2003 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat de verlaagde BTW-tarieven betreft(3),

–   gelet op zijn standpunt van 14 december 2004 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot aanpassing van Richtlijn 77/388/EEG wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije(4),

–   gelet op artikel 108, lid 5 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat dit experiment met een formule van verlaagde BTW-tarieven strikt beperkt was in de tijd en alleen betrekking had op de diensten die zijn beschreven in de nieuwe bijlage K welke is toegevoegd aan Richtlijn 77/388/EEG(5), en overwegende dat deze bepalingen op 31 december 2005 komen te vervallen,

B.   overwegende dat Richtlijn 1999/85/EG bepaalt dat de deelnemende lidstaten een uitvoerig verslag moeten opstellen met een algehele evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregelen uit een oogpunt van schepping van werkgelegenheid en efficiëntie, en dat de Commissie een algemeen evaluatieverslag moet voorleggen,

C.   overwegende dat deze regeling in 1999 als tijdelijke maatregel is ingevoerd, o.a. met het doel de werkgelegenheid te bevorderen en de zwarte economie terug te dringen, dat duidelijk was aangegeven dat de regeling na drie jaar zou aflopen en dat zij niettemin sindsdien is verlengd,

D.   overwegende dat de Commissie ook een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat de verlaagde BTW-tarieven betreft heeft ingediend (COM(2003)0397), dat beoogt de lidstaten gelijke kansen te bieden om op bepaalde gebieden verlaagde tarieven toe te passen, alsmede de talrijke afwijkingen die momenteel in sommige lidstaten van toepassing zijn te rationaliseren, welk voorstel momenteel in de Raad geblokkeerd is,

E.   overwegende dat het moeilijk zou zijn een bruusk einde te maken aan maatregelen waaraan de ondernemingen gewend zijn geraakt,

F.   overwegende dat de lidstaten gelijke kansen zouden moeten worden geboden om in bepaalde sectoren verlaagde BTW-tarieven toe te passen en een sociaal en cultureel beleid te voeren dat gekenmerkt wordt door een flexibel stelsel van indirecte belasting,

G.   overwegende dat de bepalingen over de toepassing van verlaagde BTW-tarieven berusten op het beginsel van de vrijde keuze, dat zij een facultatief karakter dragen en niet leiden tot grensoverschrijdende concurrentievervalsing op grote schaal,

1.   dringt er bij de Raad op aan het experiment voort te zetten tot eind 2006, wanneer de Commissie een algemene evaluatie zou moeten voorleggen, gebaseerd op de gegevens die tijdens de hele periode van het experiment zijn verzameld; stelt voor dat in deze nieuwe evaluatie rekening wordt gehouden met het netto aantal gecreëerde banen en met het mechanisme dat daartoe heeft geleid, teneinde een goed overzicht te krijgen van de economische impact;

2.   is van mening dat het experiment niet lang genoeg in werking is geweest om juist te kunnen worden beoordeeld en dat de in 2003 gepresenteerde beoordeling op onvoldoende gegevens was gebaseerd;

3.   dringt erop aan dat rekening wordt gehouden met de alarmerende situatie die zal ontstaan door het vervallen van de bepalingen in kwestie en een onmiddellijke overgang op de standaard BTW-tarieven; prijsverhogingen en een negatief effect op de werkgelegenheid in de betreffende sectoren zullen het gevolg zijn; verzoekt de Commissie en de Raad passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat op 1 januari 2006 een situatie van rechtsonzekerheid ontstaat;

4.   pleit ervoor dat, in aansluiting op de evaluatie, de sectoren die bevredigende resultaten vertonen, worden opgenomen in bijlage H van Richtlijn 77/388/EEG, waardoor deze uitzonderingen een permanent karakter krijgen, en verzoekt de Commissie een voorstel voor geleidelijke afschaffing van de afwijkingen in te dienen voor de sectoren die geen positieve resultaten hebben laten zien;

5.   verzoekt de Raad onverwijld het voorstel voor een richtlijn waarop zijn voornoemd standpunt van 14 december 2004 betrekking had, goed te keuren dat de nieuwe lidstaten toestaat voor bepaalde arbeidsintensieve diensten verlaagde tarieven toe te passen, als zij zulks wensen, waardoor een eind zal komen aan de huidige discriminerende situatie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 277 van 28.10.1999, blz. 34.
(2) PB C 92 E van 16.4.2004, blz. 382.
(3) PB C 89 E van 14.4.2004, blz. 138.
(4) PB C 226 E van 15.9.2005, blz. 49.
(5) PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid