Resolutie van het Europees Parlement over de milieuaspecten van duurzame ontwikkeling (2005/2051(INI))
Het Europees Parlement,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 31 mei 2001 over milieubeleid en duurzame ontwikkeling: voorbereiding van de Europese Raad van Göteborg(1),
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 28 februari 2002 over de strategie inzake duurzame ontwikkeling met het oog op de top van Barcelona(2),
- onder verwijzing naar zijn resoluties van 16 mei 2002 over de voorbereiding op de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002(3),
- gezien het werkdocument van de Commissie over de integratie van milieuoverwegingen in het beleid op andere gebieden – een inventaris van het proces van Cardiff (COM(2004)0394),
- gezien de mededeling van de Commissie, genaamd "Herziening 2005 van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling: eerste balans en krachtlijnen voor de toekomst" (COM(2005)0037),
- gezien de conclusies van de Europese Raden van Göteborg (15-16 juni 2001), Barcelona (15-16 maart 2002) en Brussel (16-17 juni 2005),
- gezien de herziene strategie van Lissabon die door de Europese Raad van 22-23 maart 2005 is aangenomen,
- gezien de strategische doelstellingen van de Commissie voor de periode 2005-2009 "Welvaart, solidariteit en veiligheid" (COM(2005)0012),
- gelet op Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(4) en zijn thematische strategieën,
- gelet op artikel 45 van zijn Reglement,
- gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0383/2005),
A. overwegende dat bij de Top van Johannesburg in september 2002 vijf essentiële gebieden zijn aangewezen waarop concrete resultaten moeten worden geboekt: gezondheid, energie, landbouw en biodiversiteit, het beheer van ecosystemen en water en sanering,
B. overwegende dat ondanks de verbintenissen die op de Toppen van Rio in 1992 en Johannesburg in 2002 zijn aangegaan, de ondertekenende landen niet de nodige maatregelen hebben genomen om de huidige trend tot uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en de vervuiling van natuurlijke milieus een halt toe te roepen, waarvoor de achteruitgang van de natuurlijke hulpbronnen en de klimaatwijzigingen de meest zichtbare bewijzen zijn,
C. overwegende dat het aantal klimaatrampen in Europa sinds de jaren negentig meer dan verdubbeld is en dat de opwarming van het klimaat zich zal doorzetten, waarbij steeds meer en steeds tastbaardere elementen de gevolgen hiervan voor onze economie, onze ecosystemen en onze gezondheid aantonen,
D. overwegende dat een nieuwe definitie van groei nodig is, gebaseerd op een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en op een wijziging van de productie- en consumptiewijzen,
E. overwegende dat duurzame ontwikkeling een kwestie van solidariteit is, niet alleen tussen de generaties, maar ook tussen de landen in het Noorden en het Zuiden, en dat de Europese Unie zich bijgevolg voor een keuze betreffende haar ontwikkelingsbeleid gesteld ziet die ervoor moet zorgen dat de bevolking van ontwikkelingslanden een beter leven krijgen terwijl het milieu op aarde behouden blijft,
1. verheugt zich erover dat de Commissie, zoals ze had toegezegd, de balans opmaakt van de strategie voor duurzame ontwikkeling; is ingenomen met de in juni 2005 door de Europese Raad goedgekeurde richtsnoeren voor duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de strategie zo snel mogelijk te herzien op basis van deze richtsnoeren en verzoekt voorts het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad de nodige maatregelen te nemen opdat de genoemde herziening in de eerste helft van 2006 kan worden aangenomen;
2. betreurt dat de herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling niet tegelijk met de tussentijdse herziening van de strategie van Lissabon is uitgevoerd; spreekt de wens uit dat de herziene strategie voor duurzame ontwikkeling de langetermijnstrategie wordt voor Europa, dat hierin het beste beleidsplan wordt vastgesteld om over vijftig jaar een duurzame wereld te verwezenlijken en dat de andere beleidsprocessen op middellange termijn van de Unie, zoals de strategie van Lissabon, in overeenstemming zullen zijn met deze langetermijnstrategie;
3. onderstreept – gezien de beperkte financiële middelen – de noodzaak van een uniforme en doeltreffende procedure voor de continue en systematische begeleiding en controle van beide strategieën;
4. betreurt dat de meeste beleidslijnen in het tweede gedeelte van de mededeling van de Commissie niet beantwoorden aan de omvang van de uitdagingen die volgens het eerste gedeelte van de mededeling moeten worden aangegaan; benadrukt het ontoereikende karakter van bepaalde beleidslijnen, met name inzake de strijd tegen niet-duurzame trends;
De verergering van niet-duurzame trends
5. deelt de vaststelling van de Commissie dat de trends die tegen duurzame ontwikkeling ingaan, verergerd zijn, hiermee doelende op bijvoorbeeld het verkeerde gebruik en de vervuiling van natuurlijke hulpbronnen, minder biodiversiteit, verergering van klimaatwijzigingen, meer ongelijkheid en armoede en accumulatie van overheidsschuld, zowel binnen de Europese Unie als in derde landen;
6. steunt de Commissie in haar oproep om doelstellingen voor de bestrijding van deze negatieve trends vast te leggen; pleit ervoor dat als doelstelling voor de middellange termijn de in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa neergelegde doelstelling in het middelpunt dient komen te staan om een "duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei (...), een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu" te bereiken; pleit ervoor om van dit hogere doel concrete tussendoelstellingen af te leiden;
7. is van mening dat een strategie voor duurzame ontwikkeling de mogelijkheid moet bieden maatregelen toe te passen op een manier die is afgestemd op de eisen van de plaatselijke ontwikkeling en de beperkingen en voorwaarden die voortvloeien uit de desbetreffende territoriale kenmerken;
Klimaatwijzigingen, vervoer, schone energie en beheer van energieverbruik
8. stelt vast dat, ondanks de wetgeving die is aangenomen en de technische vooruitgang die is geboekt door de Europese Unie om luchtvervuiling terug te dringen en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, het gevaar bestaat dat de doelstellingen van het Kyoto-protocol voor 2012 door de Europese Unie niet zullen worden gehaald, omdat er geen adequate maatregelen worden genomen die de toename van het wegverkeer aan banden leggen;
9. is eveneens verontrust over de sterke en snelle toename van het luchtverkeer en van de vervuilende uitstoot in die sector; is van mening dat als er niet snel maatregelen worden genomen, de doelstellingen voor de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen in gevaar zullen komen; dringt er bij de Commissie op aan onverwijld maatregelen te treffen teneinde de gevolgen van het luchtverkeer voor het klimaat te verminderen, door voor de periode 2008-2012 een proefproject voor emissieverhandeling van luchtvaartemissies in te voeren dat alle vluchten naar en van om het even welke luchthaven in de Europese Unie dekt, en ervoor te zorgen dat parallel instrumenten worden gecreëerd om het totale effect van de luchtvaart op het klimaat aan te pakken;
10. nodigt de Commissie en de Raad uit hun inspanningen te intensiveren en de bestaande wetgeving aan te passen op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis, en oplossingen aan te dragen teneinde een aanzienlijke vermindering van de luchtvervuiling te bereiken en de uitstoot van broeikasgassen in de EU tegen 2020 met 30 %, en in 2050 met 80 % (ten opzichte van 1990) terug te brengen, aangezien recente onderzoeken hebben aangetoond dat klimaatwijzigingen alleen kunnen worden beteugeld als de uitstoot in Europa en in de hele wereld sterker wordt verminderd;
11. steunt het voorstel van de Commissie om een groot deel van het wegvervoer door milieuvriendelijkere vervoerwijzen te vervangen; nodigt de Commissie, de verschillende formaties van de Raad en de Europese Raad uit om zo snel mogelijk, maar uiterlijk in 2010 maatregelen te nemen om de verdeling van de vervoerwijzen op het niveau van 1998 te stabiliseren; is over het algemeen van mening dat een milieuvriendelijker mobiliteitsbeleid een grondige beleidswijziging vergt;
12. betreurt dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen door Europa op dit moment volgens studies de biologische capaciteit meer dan twee maal overschrijdt, wat betekent dat Europa onevenredig beslag legt op de aanwezige natuurlijke hulpbronnen te land en in de zee;
13. betreurt dat de meeste lidstaten voor hun energieverbruik zeer afhankelijk van fossiele brandstoffen en kernenergie blijven; ondersteunt de doelstellingen op middellange en lange termijn inzake het marktaandeel van duurzame en schone energie; betreurt het dat de Commissie haar voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de mogelijkheid om een lagere accijns te heffen op bepaalde minerale oliën die biobrandstoffen bevatten en op biobrandstoffen heeft ingetrokken, terwijl het Europees Parlement zich voor die maatregelen heeft uitgesproken;
14. is verheugd over het voornemen van de Commissie om een actieplan voor biomassa in te dienen teneinde het gebruik van biobrandstoffen in plaats van fossiele brandstoffen te bevorderen; vraagt de Commissie maatregelen voor te stellen die oplossingen mogelijk maken voor de ontwikkeling van het verbouwen van bio-energiegewassen in de Europese Unie;
Beheer van de natuurlijke hulpbronnen
15. erkent dat de positieve effecten van het beleid voor de bescherming en het beheer van water van de Europese Unie traag en slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd en op middellange en lange termijn zichtbaarder zullen worden; nodigt alle lidstaten, met name die van West- en Zuid-Europa, alsmede de betrokken sectoren, met name de landbouw en het toerisme, uit maatregelen te nemen om het onttrekken van water aan de natuur te beperken en de watervoorziening voor de verschillende menselijke activiteiten veilig te stellen; roept de Raad en de Commissie op zich de nodige inspanningen te blijven getroosten op het gebied van water en verontreiniging (nitraten, pesticiden, gevaarlijke en bioaccumulerende stoffen en stoffen die de endocriene functies verstoren);
16. moedigt de Europese Unie aan de ambitieuze doelstelling om tussen nu en 2010 het verlies aan biodiversiteit in Europa en de wereld een halt toe te roepen, te realiseren; betreurt dat de aangenomen beslissingen en maatregelen, zowel op Europees als op internationaal niveau, het niet mogelijk maken deze doelstelling tegen de voorziene datum te bereiken en dat talloze planten- en diersoorten met uitsterven worden bedreigd; verzoekt de Commissie dan ook een nieuw, ambitieus en samenhangend Europees actieplan voor te stellen dat voldoende financiële middelen krijgt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van bescherming en herstel van de ecosystemen en de biologische diversiteit in de Europese Unie en in derde landen; is van mening dat er nog meer moet worden gedaan om de bescherming van de biodiversiteit volledig op te nemen in alle relevante beleidsonderdelen van de Unie, in het bijzonder op het gebied van landbouw, regionale ontwikkeling, visserij en ontwikkeling; nodigt de Raad en de Commissie uit erop toe te zien dat er voldoende middelen worden toegewezen aan het netwerk Natura 2000; nodigt de Commissie bovendien uit voor het watermilieu een systeem voor te stellen dat op Natura 2000 geïnspireerd is;
17. verzoekt de Europese Unie en de lidstaten om overeenkomstig de beginselen van Johannesburg en andere Europese beleidsprincipes, in de duurzame ontwikkeling ook het behoud van het natuurlijke milieu en van het landschappelijke, stedelijke en historische erfgoed te betrekken, dat een vertrouwde omgeving en vaak een bron van rijkdom vormt;
18. betreurt de toename van het totale volume afval, met name het verpakkingsafval; verzoekt de Commissie in haar thematische strategie over afval nieuwe bepalingen op te nemen over vermindering bij de bron van de afvalproductie op middellange en lange termijn;
Bodemgebruik
19. verzoekt de uitbreiding van stedelijke gebieden en de verbetering van infrastructuur (wegennet, spoorwegen, havens, luchthavens, kanalen, gas- en olieleidingen, enz.) zodanig uit te voeren dat vruchtbare gronden, bossen en beschermde zones worden gerespecteerd; vraagt de Commissie om, indien zij dat noodzakelijk acht, de bestaande wetgeving aan te scherpen teneinde een optimalisering van de milieueffectbeoordelingen, duurzaamheid van de Trans-Europese netwerken en verwezenlijking van de doelstelling "behoud van de biodiversiteit tussen nu en 2010" te waarborgen;
20. verzoekt de Commissie de bescherming van de bodem op te nemen in de communautaire milieumaatregelen; vestigt opnieuw de aandacht op het uiteindelijke gevolg van elk proces van verslechtering van de bodem, namelijk woestijnvorming, die grote delen van de Unie treft en waarvan de gevolgen in termen van armoede, verlies aan biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaatverandering duidelijk zichtbaar zijn; herinnert aan de fundamentele rol van de bossen voor het vasthouden van de bodem, het voorkomen van erosie, het opnemen van kooldioxide en het voorkomen van overstromingen;
21. steunt het voorstel van de Commissie om een thematische strategie inzake het stedelijk milieu voor te stellen, met als doel een hoger kwaliteitsniveau van de stedelijke zones, om de Europese stadsbewoners een gezonde leefomgeving te bieden, met name inzake de luchtkwaliteit; is van mening dat er op dit vlak drie prioritaire gebieden zijn: de ontwikkeling van openbaar vervoer dat van schone of minder vervuilende technologie gebruikmaakt, de bevordering van duurzaam en milieubewust bouwen en een duurzame stadsontwikkeling die onder meer economische en sociale segregatie en een vermindering van de groene stedelijke gebieden voorkomt;
22. stelt vast dat de Europese Unie ondanks haar verbintenissen er nog altijd niet in is geslaagd groei en de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen van elkaar los te koppelen; nodigt de Commissie uit maatregelen en voorschriften voor te stellen die erop gericht zijn de efficiëntie van hulpbronnen en energie in productie en verbruik tussen nu en 2010 te verviervoudigen en tussen nu en 2025 te vertienvoudigen;
23. benadrukt dat de toenemende schaarste, de vervuiling en de steeds moeilijkere toegankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen een bedreiging vormen voor het behoud van de biodiversiteit en prijsstijgingen met zich zullen meebrengen, waarvan de omvang de economische en sociale systemen van de Europese Unie en derde landen in meerdere of mindere mate zal verstoren, en de risico's op conflicten zullen doen toenemen; betreurt dan ook te moeten vaststellen dat de Commissie en de Europese Unie hierop geen gepaste antwoorden hebben;
Volksgezondheid
24. betreurt de discrepantie tussen de evaluatie van de gevolgen van de milieuvervuiling voor de gezondheid en het bescheiden karakter van de in het kader van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (COM(2004)0416) door de Commissie voorgestelde maatregelen; is van mening dat een dergelijke opstelling geen blijk geeft van een daadwerkelijk duurzaam ontwikkelingsbeleid voor de vermindering van gezondheidsrisico's en een gegarandeerde levensvatbaarheid van onze systemen voor sociale bescherming en gezondheidszorg;
25. is ingenomen met het REACH-voorstel, dat tot doel heeft de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te verbeteren terwijl het concurrentievermogen en de innovativiteit van de Europese chemische sector behouden blijven; blijven; wenst dat er wettelijke bepalingen worden goedgekeurd die dichtbij het oorspronkelijke voorstel van de Commissie liggen; spreekt de hoop uit dat de voorziene datum voor inwerkingtreding van het nieuwe systeem (1 januari 2007) niet wordt uitgesteld;
Internationaal
26. vraagt de lidstaten de kwijtschelding van de schulden ten voordele van de ontwikkelingslanden uit te breiden; is van mening dat dit programma voor kwijtschelding van de schulden gepaard moet gaan met maatregelen voor milieubescherming en mechanismen inzake de overdracht van milieuvriendelijke technologieën;
27. vraagt de Europese Unie om de verplichtingen die zij is aangegaan in het kader van verschillende internationale overeenkomsten na te komen en de noodzakelijke initiatieven te nemen om te bereiken dat de verschillende staten en de internationale gemeenschap de verbintenissen en verplichtingen nakomen die zij zijn aangegaan tijdens de recente mondiale onderhandelingen welke direct of indirect verband houden met de strategie voor duurzame ontwikkeling (Kyoto, Monterrey, Doha, Johannesburg);
28. benadrukt dat de herziene strategie aantoonbaar een zodanige hervorming van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tot doel moet hebben dat het handelsverkeer onderworpen wordt aan de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, aan de internationale verbintenissen voor milieubescherming en aan de naleving van internationale overeenkomsten op sociaal gebied, met inbegrip van de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde normen; nodigt de Europese Unie uit te werken aan de erkenning en de transparante toepassing van het voorzorgsbeginsel binnen de WTO;
29. is verheugd over de resultaten van de Conferentie van Montreal, waarbij alle partijen - met inbegrip van de Verenigde Staten - zich ertoe hebben verplicht klimaatverandering tegen te gaan; herinnert er evenwel aan dat er op dit terrein nog veel vooruitgang moet worden geboekt; verzoekt de staten die zulks nog niet gedaan hebben - met name de Verenigde Staten - het Kyoto-protocol, dat vanaf nu rechtskracht bezit, te ratificeren;
30. vraagt om erkenning op politiek niveau van de invloed van de Europese Unie op het verbruik van de mondiale hulpbronnen – haar "ecologische voetafdruk" – namelijk dat volgens onafhankelijke studies 17 % van de totale vraag van de mensheid naar hulpbronnen afkomstig is uit de Europese Unie, waarvan de bevolking niet meer dan 7 % van de wereldbevolking uitmaakt;
31. dringt erop aan dat de externe dimensie van de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling het algemene kader wordt dat zorgt voor de samenhang van alle communautaire beleid dat van invloed is op de ecologische hulpbronnen en het beleid op het gebied van duurzame ontwikkeling van partnerlanden van de Unie; vraagt bovendien om in die strategie een specifieke evaluatie op te nemen van de middelen waarmee de Europese Unie door haar beleid de ontwikkelingslanden kan helpen om in 2015 de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken;
32. is verheugd over het voorstel van de Commissie over de komende thematische strategie van de Europese Unie voor het milieu en de natuurlijke hulpbronnen, die gericht zou moeten zijn op alle partnerlanden van de Europese Unie (Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en instrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking) teneinde de initiatieven die samenhangen met de externe dimensies van de strategie voor duurzame ontwikkeling te kunnen opnemen in de financiële vooruitzichten 2007-2013;
33. benadrukt dat er een nauwe samenhang bestaat tussen armoede en het milieu, aangezien de allerarmsten vaak de eerste slachtoffers van aantasting van het milieu zijn; stelt vast dat bij de inspanningen die worden geleverd om de armoede terug te dringen, voornamelijk door middel van economische groei, vaak geen rekening wordt gehouden met de noodzaak om milieuoverwegingen mee te nemen in beleidsmaatregelen voor armoedebestrijding; beveelt derhalve aan dat specifieke initiatieven worden genomen om deze verbanden tussen armoede en milieu te bestuderen in het kader van de diverse beleidsonderdelen en programma's en wijst er tevens op dat de correlatie tussen economische groei en verslechtering van het milieu moet worden doorbroken door het bevorderen van duurzame consumptie en productie, teneinde te trachten de problemen van vraag en aanbod in de ontwikkelingslanden op te lossen;
34. nodigt de lidstaten en de Europese Unie uit om binnen de internationale instellingen, voornamelijk binnen de VN, de natuurlijke hulpbronnen, vooral water, te doen erkennen als wereldwijde openbare goederen;
De middelen krijgen om te handelen
35. verheugt zich over de aankondiging door het Britse voorzitterschap van de Europese Unie om het proces van Cardiff nieuw leven in te blazen; nodigt de Raad uit om, met de hulp van de Commissie, daadkrachtige maatregelen te treffen voor de integratie van het milieubehoud in de andere takken van beleid;
36. onderstreept het belang van de integratie van het concept duurzame ontwikkeling in alle takken van het overheidsbeleid op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, en op particulier niveau in het beleid van bedrijven en non-gouvernementele verenigingen en organisaties;
37. brengt in herinnering dat in het Handvest van Aalborg de steden zijn aangewezen als hoofdrolspelers in het streven naar duurzame ontwikkeling; dat het derhalve, om de milieuprestaties van de Europese Unie te verbeteren, onontbeerlijk is een duurzaam en coherent stedenbeleid te bevorderen en goede praktijken op lokaal niveau op brede schaal ingang te doen vinden, in het bijzonder door middel van netwerken die gericht zijn op uitwisseling tussen steden;
38. is verheugd over de invoering door de Commissie van een effectbeoordeling voor al haar beslissingen en wetsvoorstellen; verzoekt de Commissie de milieuaspecten en de sociale aspecten van dit instrument te versterken en er voortaan meer rekening mee te houden; herhaalt dat het slechts om een hulpmiddel voor de politieke besluitvorming gaat dat deze laatste in geen geval kan en mag vervangen;
39. is verheugd over de aanvaarding door de Commissie en door Eurostat van zo'n 150 indicatoren en over hun onderverdeling in drie niveaus om de tenuitvoerlegging van de strategie voor duurzame ontwikkeling en de progressieve verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen te evalueren; nodigt de Commissie en Eurostat uit de indicatoren regelmatig te evalueren en deze zo nodig aan te passen, zodat men een beter beeld van de evolutie van de problemen en het milieu krijgt; verzoekt de Commissie te waarborgen dat in de lijst van veertien indicatoren voor de beoordeling van de voortgang van de strategie van Lissabon beter rekening wordt gehouden met het milieu; is van mening dat in deze lijst ook een indicator voor de biodiversiteit zou moeten worden opgenomen;
Aanmoediging door marktinstrumenten
40. neemt kennis van het voorstel van de Commissie om aan de traditionele reglementaire maatregelen marktinstrumenten toe te voegen, zoals de internalisering van de kosten, ecotaksen, subsidies of een systeem voor de uitwisseling van uitstootquota;
41. ondersteunt de wens van de Commissie om de marktprijzen de werkelijke kostprijs van de economische activiteit te laten weerspiegelen, met name voor het milieu, teneinde het productie- en consumptiepatroon te wijzigen; is van mening dat maatregelen in die zin snel moeten worden genomen en toegepast in de sector van het wegvervoer om het gebruik van het openbaar vervoer te bevorderen;
42. benadrukt dat er bij een dergelijke werkwijze met ieders inkomen rekening moet worden gehouden en dat de bevrediging van behoeften, vrijheden en grondrechten en de kwaliteit van het milieu met elkaar moeten worden verzoend;
43. dringt erop aan dat de Commissie zich bij haar toekomstige voorstellen baseert op de resolutie van het Parlement van 8 september 2005 over de nieuwe perspectieven en de nieuwe uitdagingen voor een duurzaam Europees toerisme(5);
44. benadrukt dat de voorwaarden voor toekenning van EU-subsidies en -steun, in het bijzonder op het gebied van het GLB, moeten bijdragen tot de verwezenlijking van het beleid voor duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat alle subsidies voor niet-duurzame activiteiten, met name op het gebied van energie en landbouw, zo snel mogelijk worden stopgezet;
45. wijst erop dat de toename van de erosie en de verarming van de bodem en de landbouwgrond op termijn ons vermogen om de voedselvoorziening van onze medeburgers te waarborgen, in gevaar brengt; verzoekt derhalve om in het kader van een volgende hervorming van het GLB voor te stellen tot een nieuw evenwicht te komen tussen de verschillende landbouwmethoden en om te kijken naar de experimenten op dat gebied in andere landen; is van mening dat genetisch gemodificeerde planten en organismen op dit moment geen bevredigende oplossing bieden voor de problemen die samenhangen met het gebruik van chemische producten in de landbouw;
46. ondersteunt de invoering van ecotaksen door de lidstaten; benadrukt dat ze, naar het voorbeeld van andere marktinstrumenten, onontbeerlijk zijn voor een efficiënt beleid voor vermindering van de vervuiling;
47. benadrukt dat marktinstrumenten werkelijke mogelijkheden zouden kunnen bieden op het gebied van de bescherming van het milieu; wijst er evenwel op dat deze instrumenten weliswaar noodzakelijk zijn maar niet volstaan om een beleid ter vermindering van de vervuiling en ter bescherming van het milieu te voeren; nodigt de Commissie uit gerichte voorstellen uit te werken;
48. nodigt de Commissie uit om zowel in de Europese Unie als in derde landen en in internationale organisaties de ontwikkeling van de nieuwe, duurzamere economische modellen, namelijk die van sociale en solidaire economie en eerlijke handel, te erkennen, aan te moedigen en te steunen;
Innovaties
49. staat achter het voorstel van de Commissie om te investeren in innovatie inzake milieuvriendelijkere technologieën en in wetenschappelijk en technisch onderzoek dat met milieu- en sociale problemen rekening houdt; betreurt evenwel dat de Commissie geen melding maakt van het percentage van het BBP dat aan investeringen moet worden gedaan om de ontwikkeling van nieuwe milieutechnologieën te ondersteunen;
50. roept ertoe op om het zevende kaderprogramma voor onderzoek dusdanig uit te voeren dat duurzame ontwikkeling op steeds meer gebieden wordt gerealiseerd en bijdraagt tot het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid;
51. benadrukt dat innovaties in de sector milieutechnologieën een belangrijke drijvende kracht zijn achter duurzame ontwikkelingen op milieugebied; wijst evenwel op de beperkingen hiervan en op de noodzaak om maatregelen te nemen die erop gericht zijn de productie-, vervoers- en consumptiepatronen te veranderen, teneinde het hoofd te bieden aan de uitdagingen op milieugebied;
52. roept de Europese Unie ertoe op haar inspanningen te intensiveren en besluiten te nemen die ertoe leiden dat zij in de wereld de economie wordt die het zuinigst omgaat met hulpbronnen en energie; benadrukt dat de Unie door het verwezenlijken van deze doelen een grotere onafhankelijkheid en zekerheid zou kunnen bereiken ten aanzien van de voorziening van hulpbronnen en energie en de koppeling tussen economische groei en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zal kunnen doorbreken;
Toepassing van de beginselen van duurzame ontwikkeling
53. herhaalt dat het beginsel dat de vervuiler betaalt en het voorzorgsbeginsel moeten worden bevestigd als regulerende beginselen van het openbare beleid inzake volksgezondheid, voedselveiligheid, consumentenbescherming en milieubescherming;
54. nodigt de Commissie en de Raad uit grondig na te denken over het vervangingsbeginsel, aangezien dit een krachtige impuls kan zijn voor de stimulering van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologieën die beter zijn voor het milieu en de gezondheid;
Informatie en bewustmaking van burgers en bedrijven
55. is van mening dat milieubescherming gepaard moet gaan met informeren, sensibiliseren en opvoeden; is van oordeel dat de strategie het resultaat moet zijn van een transparant proces waarbij de Europese burgers betrokken zijn, en dat hiervoor de volledige tenuitvoerlegging vereist is van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden(6);
56. nodigt de Commissie en de lidstaten uit met de verdere uitbouw van de milieu-educatie door te gaan en deze een volwaardig onderdeel van het basisonderwijs te maken, en informatie- en sensibiliseringsprogramma's voor volwassenen op te zetten;
57. roept ertoe op de doelstellingen wat betreft de integratie van de gehele beroepsbevolking – onafhankelijk van leeftijd of geslacht – op de arbeidsmarkt te realiseren, en wel met gebruikmaking van de mogelijkheid van levenslang leren, om aldus alle acties in het kader van de strategie voor duurzame ontwikkeling te bevorderen;
58. nodigt uit tot een zodanige uitwerking van levenslang leren dat bij beroepsopleidingen meer rekening wordt gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in productietechnieken en -wijzen; benadrukt dat deze aanpak voor alle werkenden en met name die in loondienst, een belangrijke manier is om zich nieuwe technologieën eigen te maken en zodoende met de arbeidsmarkt mee te evolueren;
59. benadrukt dat de duurzame financiering van de socialezekerheidsstelsels alleen door een sterkere solidariteit tussen de verschillende generaties kan worden gerealiseerd; onderstreept dat het van bijzonder groot belang is de burgers verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen op het gebied van sociale en milieuvraagstukken; wenst dat de factor arbeid in de fiscale stelsels van de lidstaten minder sterk wordt belast; dringt aan op sterkere coördinatie binnen de lidstaten om de sociale uitsluiting terug te dringen, om de sociale zekerheid van alle Europese burgers beter te garanderen en om overal hoge en uniforme ecologische normen te bewerkstelligen;
De thematische strategieën
60. is verheugd over het feit dat de eerste thematische strategieën nu eindelijk gepresenteerd zijn; verzoekt de Commissie er zorg voor te dragen dat alle aangekondigde thematische strategieën zo spoedig mogelijk en uiterlijk in de zomer van 2006 worden aangenomen;
61. neemt met tevredenheid kennis van de aanvaarding of herziening van verschillende communautaire regelingen die verband houden met de bescherming van het milieu; is echter van mening dat vele hiervan, met name de hervorming van het GLB en het visserijbeleid, onvoldoende rekening houden met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en nog steeds een voorkeur voor intensieve productiewijzen uitdragen;
62. verzoekt de Commissie om in het kader van haar voorstel voor de herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling ambitieuzere voorstellen te doen ten aanzien van de follow-up van deze strategie; benadrukt dat de herziene strategie jaarlijks moet worden geëvalueerd, zoals is besloten door de Europese Raad van Göteborg in 2001; dringt erop aan dat die evaluatie halverwege de looptijd van de strategie indien nodig wordt aangevuld met maatregelen en voorstellen om de aanvankelijk gestelde doelen te bereiken; is verheugd over het feit dat het Parlement bij deze evaluatie wordt betrokken;
Conclusies
63. verheugt zich over de bereidheid van de Commissie om maatregelen ten voordele van duurzame ontwikkeling te nemen; betreurt evenwel dat er sprake is van een discrepantie tussen de uitgesproken intenties en de voorgestelde beleidslijnen; is met het oog op de algehele achteruitgang van het milieu van mening dat de prioriteiten bij een herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling niet alleen bij maatregelen ter coördinatie en verbetering van de kennis moeten liggen, maar ook bij de formulering van duidelijke acties en doelstellingen op middellange en lange termijn, van de nodige instrumenten en van een systeem voor periodieke controle, opvolging en evaluatie;
64. is er ten stelligste van overtuigd dat duurzame ontwikkeling voor de Europese Unie een fundamenteel en cruciaal instrument vormt voor de bevordering van de economische en sociale vooruitgang, de levensstandaard van haar burgers verbetert en een nieuwe visie op het beleid ten dienste van de emancipatie van de mensheid mogelijk maakt;
65. dringt erop aan om in de financiële vooruitzichten 2007-2013 in voldoende middelen te voorzien om op de meest uiteenlopende gebieden op gepaste wijze te kunnen reageren op niet-duurzame trends zoals armoede, sociale uitsluiting en de gevolgen van de vergrijzing van de bevolking; onderstreept dat duurzame ontwikkeling derhalve een van de richtsnoeren van het communautair beleid op alle terreinen moet vormen; spreekt de aanbeveling uit om in de financiële vooruitzichten voldoende middelen op te nemen voor de bevordering van volledige werkgelegenheid, maatschappelijke integratie en de uitbanning van armoede alsmede voor de versterking van de sociale, territoriale en economische samenhang;
66. merkt nogmaals op dat de herziene strategie in de eerste plaats inhoudt dat we onze productie- en consumptiepatronen ingrijpend moeten wijzigen en moeten nadenken over de doelstellingen van economische activiteit;
67. brengt in herinnering dat passiviteit steeds grotere directe kosten en gevolgen met zich zal meebrengen, de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie inzake sociale vooruitgang, gezondheid en milieubescherming nog moeilijker zal maken en een zware last op de schouders van toekomstige generaties zal leggen;
68. verzoekt officieel te worden geraadpleegd over het voorstel van de Commissie tot herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling, zodra dit is gepubliceerd;
o o o
69. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.