Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2080(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0264/2006

Ingediende teksten :

A6-0264/2006

Debatten :

Stemmingen :

PV 26/09/2006 - 5.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0360

Aangenomen teksten
PDF 130kWORD 46k
Dinsdag 26 september 2006 - Straatsburg
Media en ontwikkelingsvraagstukken
P6_TA(2006)0360A6-0264/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de media en ontwikkelingsvraagstukken (2006/2080(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) zoals goedgekeurd tijdens de VN-Millenniumtop in New York op 8 september 2000,

–   gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), op 18 december 1979 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen,

–   gezien de Verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling, die op 4 september 2002 werd aangenomen door de Wereldtop over duurzame ontwikkeling,

–   onder verwijzing naar de resolutie over de resultaten van de buitengewone vergadering van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 5 tot 9 juni 2000 "Vrouwen 2000: gelijkheid, ontwikkeling en vrede voor de 21e eeuw", die tijdens de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 12 oktober 2000 in Brussel werd goedgekeurd(1),

–   onder verwijzing naar de resolutie over de rechten van gehandicapten en ouderen in de ACS-landen, die tijdens de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 1 november 2001 in Brussel werd goedgekeurd(2),

–   gelet op artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, artikel 13 van het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens van 1969 en artikel 9 van het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981,

–   gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou, Benin, op 23 juni 2000(3), die op 1 april 2003 van kracht werd, en met name artikel 43 daarvan over informatie- en communicatietechnologieën en de informatiemaatschappij,

–   onder verwijzing naar de op 21 april 2005 in Bamako aangenomen resolutie over de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van primair onderwijs voor allen en gendergelijkheid in de ACS-landen in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 juni 2001 over informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en ontwikkelingslanden(5),

–   gezien de "Beginselverklaring van Genève" en het "Actieplan" van de Wereldtop over de informatiemaatschappij (WSIS), zoals goedgekeurd op 12 december 2003,

–   gezien de "Verklaring van Dakar" over de bevordering van de culturen en cultuurindustrieën van de ACS-landen, die op 20 juni 2003 door de ministers van Cultuur van de ACS-staten werd ondertekend,

–   gezien de door de WSIS op 18 november 2005 goedgekeurde "Verbintenis van Tunis",

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0264/2006),

A.   overwegende dat de taak van de media in de eerste plaats in de verspreiding van informatie bestaat en dat de burgers langs deze weg op doeltreffende wijze worden voorzien van nieuws en informatie over beleidsmaatregelen en activiteiten van de overheid,

B.   overwegende dat de media het belangrijkste middel vormen voor participatie van het publiek in het besluitvormingsproces,

C.   overwegende dat de media op het vlak van de bewustmaking en voorlichting een bijzonder belangrijke rol spelen,

D.   overwegende dat de media kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een land, aangezien ICT's de kwaliteit van het bestaan van de burgers kunnen verbeteren; en dat de media een positieve invloed kunnen hebben op de mentaliteit van de burgers, de cultuur en het sociaal-economische bestel en dat de vorming van het civiele en politieke bewustzijn van de burgers tot een representatiever bestuur kan leiden;

E.   overwegende dat de verbetering van de informatiestromen en de communicatiediensten een noodzakelijke voorwaarde is voor de uitbanning van armoede en dat de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van toegang tot informatie en een vrije pers, een fundamenteel mensenrecht vormt dat mensen in staat stelt om voor hun recht op gezondheid, een schoon milieu en de effectieve uitvoering van armoedebestrijdingsmaatregelen op te komen;

F.   overwegende dat een informatieverbod of ongepaste communicatiestrategieën van de kant van overheden en intergouvernementele organen, wantrouwen, een onjuiste voorstelling van zaken en desinformatie tot gevolg kunnen hebben,

G.   overwegende dat volgens de gegevens van beroepsorganisaties in 2005 63 journalisten werden vermoord en dat in 2006 tot dusver 27 journalisten en 12 medewerkers van de media om het leven werden gebracht, terwijl 135 van hen gevangen worden gehouden;

H.   overwegende dat radio en televisie belangrijke informatie-instrumenten vormen die in de ontwikkelingslanden wijder verspreid zijn dan telefoons of internet en doeltreffender zijn dan kranten;

I.   overwegende dat de plattelandsradio een fundamenteel instrument vormt voor landbouwvoorlichting en plattelandsontwikkeling,

J.   overwegende dat een goed geïnformeerde en onafhankelijke burgermaatschappij (niet-gouvernementele organisaties (NGO's), beroepsorganisaties, onafhankelijke media, onderzoeksinstellingen, enz.) een cruciale rol kan spelen bij het doorbreken van de vicieuze cirkel van geweld en corruptie, door een open debat te bevorderen en een meer verantwoordingsgerichte overheid te eisen;

K.   overwegende dat een vrije pers een centrale voorwaarde is voor de ontwikkeling en de instandhouding van een transparante en verantwoordelijke overheid, duurzame economische groei en vooruitgang in de sociale en politieke ontwikkeling en stabiliteit,

L.   overwegende dat er in meer dan 20 landen in Afrika slechts één krant voorhanden is (tegen een totaal van 1 456 dagbladen in de 25 lidstaten van de EU in 2004), wat gezien het hoge analfabetisme niet verrassend is,

M.   overwegende dat de radio in gebieden waar sprake is van een grote mate van analfabetisme, de meest geschikte communicatietechnologie is, die de meerderheid van de bevolking bereikt, met name benadeelde plattelandsgemeenschappen, vrouwen en kinderen,

N.   overwegende dat minder dan 30% van de uitgezonden televisieprogramma's in de ontwikkelingslanden eigen producties zijn en dat in die landen het investeringsniveau op het gebied van televisie bijzonder laag is,

O.   overwegende dat bioscopen in de ontwikkelingslanden in de afgelopen jaren door zeer grote aantallen toeschouwers werden bezocht,

P.   overwegende dat ICT op vele manieren kan worden ingezet ter ondersteuning van het onderwijs in ontwikkelingslanden en (in het bijzonder dankzij satellietverbindingen) ertoe kan bijdragen sociaal isolement te doorbreken, terwijl traditionelere communicatiemiddelen als radio en televisie kunnen bogen op een breed succes wat betreft onderwijs op afstand tegen lage kosten,

Q.   overwegende dat de computerisering het werk van journalisten in grote mate ondersteunt en dat het bouwen van computernetwerken tussen uiteenlopende gebieden tot grote tijdsbesparingen leidt; overwegende dat internetverbindingen tevens het werk van journalisten vergemakkelijken en hen in staat stellen gebruik te maken van een grotere verscheidenheid aan bronnen en aanvullende informatie en daarnaast veldwerk te blijven verrichten,

1.   erkent de belangrijke rol die de media voor de transparantie van de overheid, de verantwoordingsplicht van en openbare controle op de besluitvormers spelen, doordat zij de vinger leggen op tekortkomingen van het beleid, wanbeheer door ambtenaren, corruptie bij justitie en schandalen in het bedrijfsleven;

2.   roept de Europese Unie (EU), de lidstaten, de toetredingslanden en de ACS-staten op maatschappelijke organisaties, met inbegrip van particuliere ondernemingen, en vooral de media, te betrekken bij de realisatie van de ontwikkelingsdoelstellingen;

3.   acht het belangrijk de dialoog en het overleg tussen de lokale niet-overheidsactoren en de nationale autoriteiten van ontwikkelingslanden te verbeteren op cruciale terreinen zoals de media, teneinde de capaciteit, de verantwoordingsplicht en de transparantie van de openbare instellingen te versterken en de effectiviteit van de publieke sector bij de eerbiediging van de mensenrechten, goed bestuur en bestrijding van corruptie, te verhogen;

4.   benadrukt dat het van belang is de vrijheid van meningsuiting en communicatie systematischer in te bedden in de strategieën en het financieringsbeleid van de ontwikkelingsagenda;

5.   onderstreept het belang van de media bij het bevorderen van respect voor culturele verscheidenheid en het stimuleren van de nationale en internationale culturele ontwikkeling;

6.   stelt dat de media zich niet moeten beperken tot de brede middenstroom, maar dat alternatieve media en informele communicatienetwerken dienen te worden versterkt en een plaats moeten krijgen in elk plan voor de ontwikkeling van de infrastructuur;

7.   roept de Commissie op om prioriteit en ondersteuning te blijven verlenen aan programma's op het gebied van de media die ertoe bijdragen:

   de toegang tot informatie te verbeteren voor bepaalde groepen van de samenleving, zoals vrouwen, jongeren, minderheden, binnenlandse ontheemden en gehandicapten,
   pluralistische media te ontwikkelen,
   journalisten van de radio en de schrijvende pers op te leiden,
   journalisten in ontwikkelingslanden op te leiden in samenwerking met VN-organisaties als UNICEF en UNESCO, internationale journalistenorganisaties als de Internationale Federatie van Journalisten, en de BBC World Service Trust,
   op specifieke doelgroepen gerichte bewustmakingscampagnes te ontwikkelen,
   de doeltreffendheid van de humanitaire hulp te vergroten;

8.   is van mening dat een meer systematische integratie van onafhankelijke media deel moet uitmaken van financieringsprogramma's voor ontwikkeling;

9.   roept ertoe op vrouwen daadwerkelijk toegang tot de media te verlenen, teneinde hun participatie in de productie te versterken en tot de economische ontwikkeling bij te dragen;

10.   onderstreept het centrale belang van de jeugd bij de bevordering en invoering van informatie- en communicatietoepassingen in de ontwikkelingslanden;

11.   verwelkomt en steunt evenementen als:

   de Europese ontwikkelingsdagen die door de Commissie worden georganiseerd als instrument ter versterking van de bewustmaking van het publiek en ter verbetering van de zichtbaarheid ten behoeve van een beter gebruik van ontwikkelingshulp,
   het door de Wereldbank georganiseerde wereldcongres "Communication for Development" dat van 25 t/m 27 oktober 2006 in Rome zal plaatsvinden,
   de Lorenzo Natali-prijs, die door de Commissie wordt verleend ter ondersteuning van journalisten van de schrijvende pers die in reportages over mensenrechten en democratie over ernstige discriminatie in de ontwikkelingslanden berichten,
   de informatiebezoeken, in samenwerking met de vertegenwoordiger voor het buitenlandbeleid van de EU, de heer Javier Solana, van journalisten aan gebieden waar in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) missies naar worden uitgezonden (westelijke Balkan, Oekraïne, Moldavië, enz.), alsook bezoeken van journalisten met het oog op verkiezingswaarneming (bijv. Kongo);

12.   steunt al het overheidsbeleid dat op de bevordering van de publieke radio-omroep, de commerciële, gemeenschaps- en lokale radio is gericht, aangezien de radio algemeen als het meest geschikte en kosteneffectiefste instrument voor de verspreiding van informatie en voor ontwikkeling door communicatie wordt beschouwd;

13.   verzoekt de Commissie bij het ontstaan van conflictsituaties meer aandacht te besteden en meer directe financiële hulp te verlenen aan de onafhankelijke media;

14.   onderstreept de rol van de media in het onderwijs in de ontwikkelingslanden, met name wat betreft de gezondheidszorg (seksuele en reproductieve gezondheid, malaria, enz.), werkgelegenheid, landbouw, handel en duurzaamheid van het milieu, zoals de BBC World Service Trust inzake het gebruik van communicatie ten behoeve van ontwikkeling;

15.   neemt kennis van het probleem van de "personalisering" van het nieuws, waardoor het publiek in de ontwikkelingslanden evengoed kan worden gemanipuleerd als het westers publiek, en moedigt de organisaties die opleidingen voor journalisten verzorgen aan om aan te dringen op de invoering van een minimumsalaris voor medewerkers van de media om hen minder kwetsbaar voor corruptie te maken;

16.   beseft dat onafhankelijke en professionele media een sleutelrol spelen als het erom gaat kennis te verspreiden en gemarginaliseerden een stem te geven, door een discussiecultuur te creëren waarbinnen de mensen minder schroom hebben om kritiek te uiten op overheidsmaatregelen;

17.   steunt NGO's en trusts die investeren in de opleiding van journalisten in ontwikkelingslanden en de arbeidsomstandigheden van mediawerkers verbeteren, opdat zij een echte kans hebben om hun werk veilig en onafhankelijk te doen;

18.   onderstreept het belang van versterking van de sociale en onderwijsvoorzieningen door in betere schoolboeken te investeren en mediaprogramma's te financieren die ook een educatieve inhoud hebben;

19.   roept ertoe op de rol van de media in vredesprocessen en post-conflictsituaties te steunen, aangezien zij ertoe bijdragen het publiek over vredesakkoorden en hun implicaties te informeren en aldus de participatie van het publiek vergemakkelijken;

20.   beklemtoont de doorslaggevende rol van de media bij zowel de bevordering van de bescherming van de mensenrechten in ontwikkelingslanden, alsook bij de bewustmaking van het publiek in de westerse landen en, in het verlengde daarvan, de groei van de humanitaire hulpverlening;

21.   doet een beroep op de regeringen en overheidsinstanties in de hele wereld om met name een eind te maken aan de cultuur van straffeloosheid bij geweld tegen journalisten, door de verantwoordelijken voor aanvallen op mediawerkers op te sporen en te bestraffen en door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen die journalisten in staat stellen de burgers te blijven voorzien van de essentiële kennis en objectieve informatie die een vrije, onafhankelijke pers biedt;

22.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredingslanden, aan de ACS-EU Raad van Ministers, aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en aan de President van de Wereldbank..

(1) PB C 64 van 28.2.2001, blz. 49.
(2) PB C 78 van 2.4.2002, blz. 64.
(3) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst zoals laatstelijk gewijzigd bij de overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).
(4) PB C 272 van 3.11.2005, blz. 17.
(5) PB C 53 E van 28.2.2002, blz. 121.

Juridische mededeling - Privacybeleid