Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0266/2006

Ingediende teksten :

A6-0266/2006

Debatten :

PV 27/09/2006 - 13
CRE 27/09/2006 - 13

Stemmingen :

PV 28/09/2006 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0390

Aangenomen teksten
PDF 218kWORD 70k
Donderdag 28 september 2006 - Straatsburg
Verbetering economische situatie van de visserijsector
P6_TA(2006)0390A6-0266/2006

Resolutie van het Europees Parlement over de verbetering van de economische situatie van de visserijsector (2006/2110(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB)van december 2002, en met name zijn resolutie van 17 januari 2002 over het Groenboek van de Commissie over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1),

–   gezien zijn positie van 6 juli 2005 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake het Europees Visserijfonds(2),

–   gezien de Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2006 betreffende de "verbetering van de economische situatie in de visserijsector" (COM(2006)0103),

–   gezien de hoorzitting die de Commissie visserij op 3 mei 2006 heeft georganiseerd, over de gevolgen van de prijsverhoging van brandstoffen voor de Europese visserij-industrie,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0266/2006),

A.   overwegende dat de visserijsector van strategisch belang is voor de sociaal-economische situatie, de publieke voorziening van visproducten en het evenwicht van de voedselbalans in de lidstaten en in de Europese Unie zelf, alsook dat deze sector een belangrijke rol speelt voor de sociaal-economische welvaart van de kustgebieden, de lokale ontwikkeling, de werkgelegenheid, het behoud of het scheppen van economische activiteiten met werkgelegenheid op verschillende niveaus, de voorziening van verse vis en het behoud van lokale culturele tradities,

B.   overwegende dat er een GVB bestaat, waarvan kosten op een verantwoorde manier moeten worden gefinancierd, meer bepaald de beslissingen en maatregelen die op dit gebied genomen worden,

C.   overwegende dat de maximumgrenzen van het financieel kader 2007-2013 in acht moeten worden genomen, hoewel voor de visserijsector meer begrotingskredieten hadden moeten zijn uitgetrokken,

D.   overwegende dat de verschillende vloten van de lidstaten in 2004 bijna 90 000 vaartuigen telden en ongeveer 190 000 vissers rechtstreeks een baan verschaften,

E..   overwegende dat het GVB rekening moet houden met de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten op het gebied van de vloten, de segmenten van de vloten, de vissoorten waarop wordt gevist, het vistuig, de productiviteit, de voorkeuren van de consumenten en de hoeveelheden verbruikte vis per inwoner, naast de specifieke kenmerken van de visserijactiviteit die voortvloeien uit de sociale structuur van deze activiteit en het structureel en natuurlijk onderscheid tussen de verschillende visgebieden,

F.   overwegende dat de duurzaamheid van de visbestanden van essentieel belang is om op lange termijn de visserij-activiteit en de leefbaarheid van de visserijsector te garanderen,

G.   overwegende dat de visserij vooral geconcentreerd is in gebieden met een kwetsbare economie – die meestal onder doelstelling 1 vallen – en dat de crisis die de sector doormaakt, aanzienlijke gevolgen heeft voor de economische en sociale samenhang in deze gebieden,

H.   overwegende dat het GVB de duurzame ontwikkeling van de visserij-industrie moet ondersteunen,

I.   overwegende dat het inkomensniveau van de bevolking die van de visserij leeft, in sommige visserijsectoren aanzienlijk lager ligt dan dat van andere bevolkingsgroepen en dat deze ongelijkheid nog wordt verergerd door het feit dat het inkomen afhankelijk is van de onzekerheden van de visserij, van de schommelende handelswaarde van vis en van bepaalde productiekosten; dat het communautaire beleid derhalve de bevolking die van de visserij leeft, een aanvaardbare levensstandaard moeten bieden door bijvoorbeeld het evenwicht tussen het inkomen en de uitgaven van bedrijven te verbeteren,

J.   overwegende dat de onzekerheid betreffende het inkomen en de lonen in de visserijsector afhankelijk is van de commerciële voorwaarden in de sector, van de prijsvorming bij de eerste verkoop en van het onregelmatige karakter van de activiteit, wat het in stand houden van bepaalde nationale en communautaire overheidssteun noodzakelijk maakt,

K.   overwegende dat de stijging van de brandstofprijzen rechtstreeks van negatieve invloed is op de inkomens van bemanningsleden gezien het verband tussen de lonen enerzijds en de inkomsten uit de eerste vangstverkoop anderzijds, waarbij sprake is van een daling die kan oplopen tot 25%,

L.   overwegende dat de economische situatie van een groot aantal visserijbedrijven de laatste jaren dusdanig sterk is achteruitgegaan dat velen onder hen hun activiteit hebben stopgezet wegens een tekort aan inkomsten met alle sociaal-economische gevolgen vandien,

M.   overwegende dat de inkomensdaling enerzijds te wijten is aan de beperkingen die de visserij worden opgelegd (capaciteitsvermindering, TAC's, quota, zones waar niet mag worden gevist, plannen voor het herstel van de visbestanden en beperking van het aantal dagen waarop gevist mag worden) en anderzijds, aan de lage prijzen bij de eerste verkoop, bepaald door de structuur van de sector (zwak aanbod, toenemende concentratie van de vraag, slechte verdeling van de toegevoegde waarde, geleidelijke toename van de invoer van visproducten, toename van de productie via aquacultuur),

N.   overwegende dat alle vloten te lijden hebben onder de economische en sociale crisis in de visserij, zij het in uiteenlopende mate,

O.   overwegende dat de visserijsector tijdens het laatste decennium een daling heeft gekend van 35% van het totaal aantal banen, 20% van het aantal vaartuigen en 28% van de vangsthoeveelheden, ondanks de pogingen die in het kader van de herziening van het GVB in 2002 zijn ondernomen om deze trend te keren,

P.   overwegende dat de economische levensvatbaarheid van de visserijsector alleen gegarandeerd kan worden als de aanpassing van deze sector geflankeerd wordt door sociaal-economische maatregelen die er met name op gericht zijn het hoogste veiligheidsniveau te bereiken via een modernisering van de vloten, voor een hoog opleidingsniveau van de werknemers in de sector te zorgen en de arbeids- en levensomstandigheden van degenen die van de zee leven, te verbeteren,

Q.   overwegende dat het tekort op de handelsbalans van visproducten met derde landen de laatste jaren gestadig toeneemt en dat de EU nu meer dan 40 % van de visproducten die zij verbruikt, invoert,

R.   overwegende dat het door de verkoopdynamiek niet mogelijk is de wisselende kostenfactoren op te vangen met de prijszetting en dat de gemiddelde prijzen bij de eerste verkoop stagneren of zelfs gedaald zijn sinds 2000 zonder dat dit een prijsdaling voor de eindverbruiker van verse vis tot gevolg heeft,

S.   overwegende dat de huidige gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor visproducten niet heeft geleid tot een verbetering van de prijzen bij de eerste verkoop, noch tot een betere verdeling van de toegevoegde waarde in de totstandkoming van de waardeketen in de sector,

T.   overwegende dat de aanpassing van de omvang van de vloot aan de bestaande visbestanden geleid heeft tot een ongedifferentieerde buitenbedrijfstelling van vaartuigen waarbij geen rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van de respectievelijke vloten, noch met de visbestanden en de behoeften van de consumenten van vis in elke lidstaat, wat aanzienlijke economische en sociale gevolgen heeft gehad,

U.   overwegende dat de vermindering van de visserij-inspanning sommige lidstaten meer dan andere heeft geraakt en dat sommige lidstaten vlootreducties hebben doorgevoerd die boven het communautaire gemiddelde liggen en dat in andere lidstaten daarentegen de visserij-inspanning is verhoogd,

V.   overwegende dat het verbod op bepaalde visserijmethoden automatisch tot het verdwijnen van diverse ambachtelijke visbedrijven zal leiden, met alle belangrijke sociaal-economische gevolgen van dien,

W.   overwegende dat de stijging van de brandstofprijzen tijdens de laatste drie jaar bijzonder negatieve gevolgen heeft gehad voor de visserijsector en de bestaande crisis, de manoeuvreerruimte en economische leefbaarheid van de sector duidelijk heeft verergerd, met een aanzienlijke daling van het inkomen van de vissers als gevolg,

X.   overwegende dat de brandstofprijzen tussen 2004 en 2006 bijna verdubbeld zijn en dat ze in sommige segmenten van de sector bijna de helft van de werkingskosten van de visserijbedrijven vertegenwoordigen,

Y.   overwegende dat bepaalde studies hebben uitgewezen dat de stijging van de brandstofprijzen het failliet van duizenden visserijbedrijven en mogelijk het verlies van duizenden banen tot gevolg kan hebben,

Z.   overwegende dat de lidstaten specifieke maatregelen hebben genomen om hun vissersvloot te compenseren voor de stijging van de brandstofprijzen, onder andere door de instelling van garantiefondsen en een betere kredietverlening,

AA.   overwegende dat de tendens van stijgende brandstofprijzen structureel van aard is,

AB.   overwegende dat de Commissie met betrekking tot de vrijstelling van kennisgeving van overheidssteun voorstelt de "de minimis"-regel voor de visserijsector over een periode van drie jaar per ontvanger tot ongeveer 30 000 EUR te verhogen, d.w.z. een lager bedrag dan voor andere bedrijfssectoren geldt,

AC.   overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 naar aanleiding van het Commissievoorstel het Europees Visserijfonds (EVF) over de periode 2007-2013 van ongeveer 4,9 miljard EUR tot ongeveer 3,8 miljard EUR heeft verlaagd, waarmee hij ervoor gezorgd heeft dat de communautaire kredieten voor de visserijsector nog ontoereikender zijn geworden,

AD.   overwegende dat de politieke overeenkomst over het EVF die op 19 juni 2006 in Luxemburg werd bereikt in de Raad Landbouw en visserij geen rekening houdt met de belangrijke aspecten van het standpunt van 6 juli 2005 en Commissievoorstellen omvat die voorkomen in haar voornoemde mededeling,

De mededeling van de Commissie

1.   betreurt het late tijdstip waarop de Commissie haar mededeling heeft gepubliceerd, alsook haar manifest gebrek aan ambitie; vindt de voorgestelde oplossingen immers ontoereikend en sommige ervan zelfs ongeschikt gezien de omvang en ernst van de crisis die de sector momenteel doormaakt en die de Commissie overigens zelf vaststelt en kenschetst;

2.   betreurt dat het aanbevolen beleid de sociaal-economische achteruitgang van de sector door de enorme stijging van de brandstofprijzen als voorwendsel gebruikt om de buitenbedrijfstelling en definitieve stopzetting van de activiteit van vissersvaartuigen te bevorderen;

3.   betreurt het dat de voorgestelde maatregelen geen daadwerkelijke sociaal-economische dimensie omvatten en dat het daarentegen maatregelen zijn die geen rekening houden met de gevolgen van hun toepassing voor de bemanningsleden van vissersvaartuigen;

4.   vestigt de aandacht op het feit dat de mededeling van de Commissie geen consequente analyse omvat van de huidige situatie van de visserij-industrie en de visserij-inspanning in het bijzonder;

5.   onderstreept dat een groot aantal van de geformuleerde voorstellen in het beste geval op korte en lange termijn slechts verwaarloosbare gevolgen zullen hebben voor de economische situatie van de visserijsector;

Onmiddellijke maatregelen

6.   betreurt dat de Commissie in het kader van de reddings- en herstructureringssteun gekant blijft tegen de eventuele uitkering van een compensatievergoeding en van exploitatiesteun; bevestigt nogmaals dat het derhalve noodzakelijk is onmiddellijk concrete maatregelen te nemen om de hoge instabiliteit van de brandstofprijzen in de sector weg te nemen, onder andere met tegemoetkomingen in de brandstofkosten; verzoekt daartoe om de instelling van een garantiefonds, met cofinanciering van de Gemeenschap, teneinde de stabiliteit van de brandstofprijzen te garanderen, alsook om de toekenning van een voorlopige compensatievergoeding aan de visserijbedrijven in kwestie;

7.   acht het noodzakelijk alle mogelijkheden en financiële marges in de Gemeenschapsbegroting voor het jaar 2006 te benutten voor de financiering van uitzonderlijke steunmaatregelen voor de sector, opdat deze laatste in staat zou zijn de moeilijkheden die voortvloeien uit de stijging van de brandstofprijzen te overwinnen, voorzover er geen andere maatregelen zijn genomen;

8.   verzoekt de Commissie zich te buigen over de voorstellen van de visserijsector om een kader in het leven te roepen waarbinnen visserijbedrijven belastingvoordelen worden toegekend ten einde de concurrentiepositie van de EU-vloot die buiten de communautaire wateren opereert, te garanderen omdat deze vloot op dezelfde markten moet concurreren met vaartuigen uit derde landen alhoewel de kosten van een communautair vaartuig meer dan 300% hoger kunnen liggen dan voor die van andere vloten;

9.   verzoekt de Commissie om de huidige crisis die voortvloeit uit de stijging van de brandstofprijzen als een niet te voorziene gebeurtenis te beschouwen overeenkomstig de bepalingen in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999, waarin de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden van de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector(4), zijn vastgesteld, en beheerd worden door het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV), waardoor dezelfde kortetermijnsteun kan worden verleend als in het geval van tijdelijke stopzetting van de activiteit, zonder voorwaarden betreffende een beperking van de capaciteit of van de visbestanden; herinnert aan de vele beloften die in dit kader reeds lang geleden zijn gedaan;

10.   verzoekt de Commissie dringend de geldigheid van de reddingssteun tot twaalf maanden te verlengen;

11.   benadrukt dat overheidssteun eveneens gericht moet zijn op de behartiging van de belangen van de bemanning van de vaartuigen, waarbij tegemoet wordt gekomen aan hun behoeften en een oplossing voor hun problemen wordt gevonden;

12.   spreekt zijn teleurstelling uit over de recent door de Commissie aangekondigde wetgeving waarbij het plafond van de "de minimis"-steun voor de visserijsector over een periode van drie jaar slechts tot 30 000 EUR wordt opgetrokken; wijst erop dat de visserijsector en de overheid van vele lidstaten erop hebben aangedrongen dit steunbedrag tot 100 000 EUR te verhogen en vergelijkt dit cijfer met het maximumbedrag dat onlangs voor andere bedrijfssectoren is overeenkomen, namelijk 200 000 EUR; benadrukt de gedane beloften inzake de verhoging van het bedrag van de "de minimis"-regel en verzoekt de Commissie de onlangs goedgekeurde overeenkomst zo spoedig mogelijk in opwaartse zin te herzien;

13.   verzoekt de Commissie vervroegde steun in het kader van het FIOV of het EVF toe te staan met het oog op het aanleggen van financieringslijnen die de toename van de werkingskosten tot een minimum kunnen beperken;

Maatregelen met effect op middellange en lange termijn
Vernieuwing en modernisering van de vloot

14.   neemt kennis van het voorstel van de Commissie om in het kader van de toekomstige herstructureringsprogramma's te investeren in aanpassingen van de vistuigen, in de aanschaf van uitrustingen en de vervanging van motoren, teneinde bij te dragen tot de omschakeling alsook tot een efficiënter en spaarzamer gebruik van energie;

15.   is van mening dat de herstructureringsplannen van bepaalde lidstaten een essentieel onderdeel van de herstructurering van de visserijsector moeten uitmaken;

16.   is van mening dat de Commissie en de lidstaten een volledig plan moeten goedkeuren om het energieverbruik van de vissersvloot te verminderen via de ontwikkeling van minder energieverbruikend vistuig en schonere machines, en, op de langere termijn, door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen;

17.   betreurt het gebrek aan visie waarmee in het kader van het EVF de steun voor vervanging van motoren wordt aangepakt; is van oordeel dat deze maatregelen, zoals steun voor vervanging van motoren van vaartuigen die langer zijn dan 12 meter te onderwerpen aan de voorwaarde dat dit gepaard moet gaan met een vermindering van 20% van het motorvermogen, bepaalde visserijpraktijken zo goed als kansloos maken, gevolgen voor de veiligheid kunnen hebben, en daarnaast tot meer fraude kunnen leiden doordat te weinig motorvermogen wordt opgegeven;

18.   dringt erop aan dat het EVF steun moet blijven verlenen voor vernieuwing en modernisering van de vissersvloot – meer bepaald wat betreft de vervanging van motoren om veiligheidsredenen of met het oog op milieuvriendelijkheid en brandstofbesparing –, die in eerste instantie ten goede moet komen aan de kleinschalige kustvaart- en ambachtelijke visserij alsook aan de vervanging van vaartuigen die meer dan 20 jaar oud zijn en waarvan de veilige werking niet meer gegarandeerd is;

Kustvisserij

19.   verzoekt de Commissie het specifiek karakter van de kleinschalige kustvisserij en de ambachtelijke visserij in het kader van het GVB te willen erkennen, te onderzoeken welke van de bestaande instrumenten geschikt zijn om te beantwoorden aan de behoeften van de sector en ze, indien nodig, aan te passen;

20.   verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een gemeenschappelijk steunprogramma voor de kleinschalige kustvisserij en de ambachtelijke visserij, dat de acties helpt coördineren en de financiering via andere bestaande instrumenten in goede banen leidt, teneinde de specifieke problemen in dit segment van de sector te verhelpen;

Marketing

21.   verheugt zich erover dat de Commissie van plan is een grondige evaluatie te maken van de huidige GMO voor visserijproducten; onderstreept dat het noodzakelijk is deze marktordening uitgebreid te herzien om de handel van vis en visproducten te verbeteren en de toegevoegde waarde te verhogen;

22.   acht het noodzakelijk de vissers in sterkere mate te betrekken bij de verwerking en het op de markt brengen van hun producten, zodat de basis voor hun inkomen wordt verbreed en hun levensstandaard wordt verbeterd; verzoekt de Commissie hiertoe voorstellen voor herziening van de GMO voor visserijproducten in te dienen, met name betreffende mechanismen die de verkoopprijs bij de eerste verkoop kan verhogen en een billijke en juiste verdeling van de toegevoegde waarde op de waardeketen kan bewerkstelligen;

23.   geeft uiting aan zijn teleurstelling omdat de visserijsector de mogelijkheden om de concurrentiepositie in het kader van de huidige GMO te verbeteren in veel gevallen niet voldoende heeft uitgebuit en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de nationale overheidsorganen en de diverse producentenorganisaties zo veel mogelijk publiciteit te geven aan deze mogelijkheden en aan andere mogelijkheden die eventueel in het kader van een toekomstige herziening van de GMO zouden worden geboden;

24.   acht het belangrijk de goedkeuring van alternatieve vormen van interventie te overwegen, gelijkaardig aan de garantieprijzen en maximale winstpercentages, opdat de toegevoegde waarde beter wordt verdeeld en de marge van de tussenpersonen wordt beperkt;

25.   onderstreept dat de structuurfondsen moeten bijdragen aan de modernisering en ontwikkeling van infrastructuren voor de handel in de visserijsector;

26.   steunt het initiatief betreffende de vaststelling van een gedragscode inzake de handel in communautaire visserijproducten;

27.   onderschrijft dat een ecologische etikettering een differentiatie van de producten zou kunnen vergemakkelijken en een duurzame handel in visserijproducten kan bevorderen;

28.   verzoekt de Commissie een studie te maken van mechanismen – helpen van de consumenten bijvoorbeeld – die het op de markt brengen van verwerkte visserijproducten met een grotere toegevoegde waarde (met name conserven) kunnen bevorderen, zoals bij bepaalde landbouwproducten het geval is;

29.   verzoekt de Commissie dringend werk te maken van de externe promotie van communautaire visserijproducten, zoals de conserven, door hun verspreiding op internationale tentoonstellingen en beurzen te financieren;

30.   vindt het belangrijk dat de Commissie nagaat wat het effect is van de communautaire en ingevoerde aquacultuurproductie op de prijs van de vis, meer bepaald op de prijzen bij de eerste verkoop;

31.   verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de ingevoerde visproducten die op de interne markt worden verhandeld, aan dezelfde verplichtingen te onderwerpen als de visserijproducten die uit de Gemeenschap afkomstig zijn;

32.   is van mening dat een investering in de verbetering van de visverwerking aan boord, met name door steun voor investeringen in koelsystemen, de eerste verkoopprijzen kan helpen verbeteren;

Financiële kwesties

33.   is bezorgd over het tekort aan financiële middelen voor de visserijsector in het financieel kader 2007-2013, meer bepaald voor het EVF, en vindt het onontbeerlijk dat er meer middelen worden uitgetrokken om de huidige crisis in de sector te kunnen opvangen;

Duurzaamheid van de visbestanden

34.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de maatregelen ter bescherming van het mariene milieu en het herstel van de visbestanden op een meer globale manier te benaderen en aandacht te besteden aan de andere factoren die een ingrijpende invloed uitoefenen op het mariene milieu en de situatie van de visbestanden (vervuiling aan de kust en in volle zee, afvalwater van industrie en landbouw, baggerwerken in mariene gronden of maritiem vervoer) als aanvulling op de bestaande beheermethodes; verzoekt de Commissie op dit vlak een gemeenschappelijk initiatief te nemen;

35.   merkt op dat er een evenwicht moet zijn tussen de sociaal-economische situatie enerzijds en de ecologische duurzaamheid anderzijds, en dat het tevens noodzakelijk is een steun- of compensatieregeling te in te voeren voor de vissers die te lijden hebben onder de sociaal-economische gevolgen van de plannen tot herstel van de visbestanden of andere maatregelen die bedoeld zijn om de ecosystemen beter te beschermen, met name in de kansarme regio's;

36.   wijst erop dat het noodzakelijk is een wettelijk kader op te stellen om de visserij-inspanning af te stemmen op de beschikbare bronnen, waarbij speciaal moet worden gedacht aan het probleem van grote vangsten door grote vaartuigen met groot vistuig in kleine visserijzones;

37.   onderstreept dat een vermindering van de visserij-inspanning en -capaciteit moet worden doorgevoerd met het oog op het behoud van de visserijsector op lange termijn;

38.   is ervan overtuigd dat de sociaal-economische problemen waarmee de Europese visserijsector wordt geconfronteerd niet kunnen worden opgelost zonder een beter beheer van de visserijactiviteiten die tot een herstel van de visbestanden moet leiden omdat er van visserij geen sprake kan zijn als er geen vis is;

39.   onderstreept dat bij het afstemmen van de nationale vissersvloten op de bestaande visbestanden rekening dient te worden gehouden met de reeds verminderde visserij-inspanning;

40.   herinnert eraan dat alle maatregelen voor het herstel van de visbestanden in overleg met de vissers moeten worden beslist en op wetenschappelijk onderzoek op het gebied van visserij moeten zijn gebaseerd;

41.   verzoekt de Commissie onderscheid te maken tussen visserijmethoden en de wijze waarop ze worden gebruikt; benadrukt dat bepaalde visserijmethoden die bij gebruik op industriële schaal als schadelijk worden beschouwd, in het kader van ambachtelijke activiteiten voor een duurzame visserij kunnen zorgen en op deze wijze de thans tot verdwijnen gedoemde visserijgemeenschappen in stand kunnen houden;

42.   verzoekt de Commissie ervan uit te gaan dat de diverse visserijactiviteiten niet los van elkaar staan maar deel uitmaken van een algemeen systeem voor de exploitatie van deze hulpbron (op het niveau van een gegeven geografische regio); benadrukt dat restrictieve maatregelen (verbod of beperking) voor een van deze activiteiten een verstoring van het evenwicht teweeg brengen, waarbij de visserij-inspanning naar andere vissoorten wordt overgeheveld, met alle belangrijke sociaal-economische gevolgen van dien voor de visserijgemeenschappen en een overbevissing van bepaalde vissoorten die reeds volledig worden geëxploiteerd;

Illegale visvangst

43.   vindt het belangrijk dat er maatregelen worden genomen om de strijd tegen illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visvangst op te voeren; dringt er bij de lidstaten op aan hun controlemechanismen op dit vlak te versterken; is van mening dat meer toezicht aan de EU-grenzen noodzakelijk is om te voorkomen dat illegaal gevangen vis in de Unie wordt ingevoerd;

44.   verzoekt de Commissie om in het kader van het huidige GVB de bepalingen te herzien die betrekking hebben op illegale, niet-gemelde en ongeregelde vangsten; is van mening dat er urgent behoefte bestaat aan regelingen die moeten voorkomen dat een aanmerkelijk deel van de vangst in zee wordt teruggeworpen;

Onderzoek

45.   onderstreept het belang van onderzoek en investeringen via het EVF en het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, met het oog op een lager en efficiënter energieverbruik in de sector;

46.   vindt het belangrijk de mogelijkheden voor de overschakeling op een ander type brandstof alsook de mogelijke synergieën met de landbouwsector op het gebied van energie te onderzoeken;

47.   benadrukt dat de mariene hulpbronnen en de visserij in het Zevende Kaderprogramma van de Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie duidelijke prioriteit moeten krijgen en dat daar voldoende middelen voor moeten worden uitgetrokken;

Beheer van het GVB

48.  Inspraak bij het beheer van het GVB

48. neemt kennis van de voorstellen van de Commissie betreffende economisch visserijbeheer, maar wijst erop dat de verdeling van quota en visserijrechten tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoort;

49.   wijst erop dat de regionale adviesraden een belangrijke rol kunnen spelen door de vissers te betrekken in het besluitvormingsproces van het GVB; onderstreept dat deze adviesraden voor hun werking communautaire steun moeten ontvangen, waarvan de omvang over vijf jaar opnieuw moet worden geëvalueerd;

50.   acht ondersteuning nodig van de verenigingen en beroepsorganisaties van de vissers die bereid zijn bij de toepassing van het GVB verantwoordelijkheid op zich te nemen (cobeheer);

51.   wenst dat het GVB verder gedecentraliseerd wordt, opdat de vissers, de organisaties die hen vertegenwoordigen en de vissersgemeenschappen meer inspraak krijgen in het GVB en in de verbetering van het visserijbeheer;

52.   constateert dat het noodzakelijk is de visserijmarkt beter te reguleren via een doeltreffend controlesysteem, ecologische etikettering en de invoering van een specifiek wetboek voor de visserijsector;

o
o   o

53.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 271 E van 7.11.2002, blz. 401.
(2) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 324.
(3) PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.
(4) PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10.

Juridische mededeling - Privacybeleid