Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 5 april 2006 - Straatsburg
Gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten *
 Programma "Burgers voor Europa" (2007-2013) ***I
 Culturele Hoofdstad van Europa (2007-2019) ***I
 Overgangsregeling die het vrij verkeer van werknemers op de arbeidsmarkten van de Europese Unie beperkt

Gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten *
PDF 225kWORD 58k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het initiatief van het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 2003/170/JBZ betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten (10706/2005 – C6-0255/2005 – 2005/0808(CNS))
P6_TA(2006)0126A6-0064/2006

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland (10706/2005),

–   gelet op artikel 34, lid 2, onder c) van het EU-Verdrag,

–   gelet op artikel 39, lid 1 van het EU-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0255/2005),

–   gelet op de artikelen 93 en 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0064/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het initiatief van het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Raad de tekst van het initiatief dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het initiatief van het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Door het Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
OVERWEGING 1 BIS (nieuw)
(1 bis) Wat IJsland en Noorwegen betreft, is dit besluit, met uitzondering van artikel 1, leden 1 en 2, te beschouwen als een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis1, vallend onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder H, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 19992 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst.
_______________
1 PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
2 PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.
Amendement 2
ARTIKEL 1, PUNT 1
Artikel 1, lid 1, alinea 1 bis (Besluit 2003/170/JBZ)
In dit besluit wordt onder "verbindingsofficier van Europol" verstaan een functionaris van Europol die in een of meer derde landen of bij internationale organisaties wordt gedetacheerd om de samenwerking tussen de autoriteiten van die landen of organisaties, enerzijds, en Europol, anderzijds, te ondersteunen en te coördineren door het onderling uitwisselen van informatie te vergemakkelijken.
In dit besluit wordt onder "verbindingsofficier van Europol" verstaan een functionaris van Europol die in een of meer derde landen of bij internationale organisaties wordt gedetacheerd om de samenwerking, enerzijds tussen de autoriteiten van die landen of organisaties en Europol en anderzijds tussen de door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten gedetacheerde verbindingsofficieren in het derde land of de internationale organisatie waar zij zijn gedetacheerd, te ondersteunen en te coördineren door het onderling uitwisselen van informatie te vergemakkelijken.
Amendement 3
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 1, lid 2, alinea 1 bis (Besluit 2003/170/JBZ)
Dit besluit geldt onverminderd de voorwaarde dat de taken van de verbindingsofficieren van Europol het kader van de Europolovereenkomst, de uitvoeringsregelingen ervan en de samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie niet te buiten mogen gaan.
Dit besluit doet geen afbreuk aan de taken van de verbindingsofficieren van Europol binnen het kader van de Europolovereenkomst, de maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan en de samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie.
Amendement 4
ARTIKEL 1, PUNT 2 BIS (nieuw)
Artikel 2, lid 1 (Besluit 2003/170/JBZ)
2 bis. Artikel 2, lid 1, wordt vervangen door de volgende tekst:
"1. Elke lidstaat ziet er op passende wijze op toe dat enerzijds zijn verbindingsofficieren rechtstreekse contacten leggen en onderhouden met de bevoegde autoriteiten van het gastland of de internationale organisatie met het oog op de bevordering en de bespoediging van verzameling en uitwisseling van informatie, en dat anderzijds zijn verbindingsofficieren zorg dragen voor een onmiddellijke en rechtstreekse uitwisseling van verzamelde informatiegegevens met Europol."
Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 2 TER (nieuw)
Artikel 2, lid 3 (Besluit 2003/170/JBZ)
2 ter. Artikel 2, lid 3, wordt vervangen door de volgende tekst:
"3. De verbindingsofficieren voeren hun taken uit in het kader van hun bevoegdheden en met inachtneming van de bepalingen zoals die zijn opgenomen in het respectieve recht van hun landen, in de Europolovereenkomst en in de overeenkomsten die eventueel zijn gesloten met de gastlanden of de internationale organisaties, met inbegrip van de bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens."
Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 2 QUATER (nieuw)
Artikel 2, lid 3 bis (nieuw) (Besluit 2003/170/JBZ)
2 quater. In artikel 2 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. Wanneer er meerdere verbindingsofficieren zijn die door verschillende lidstaten zijn gedetacheerd in eenzelfde derde land of in eenzelfde internationale organisatie, coördineren zij hun acties en hun werkzaamheden op een zodanige wijze dat overlapping van de werkzaamheden zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daartoe organiseren zij zich op een zodanige wijze dat zij als team werken en streven zij naar de ontwikkeling van betrekkingen met verbindingsofficieren die zijn gedetacheerd in andere landen en waarmee een samenwerking noodzakelijk of zinvol blijkt met het oog op de verzameling, de aanvulling en de koppeling van informatie die verder gaat dan het nationale, multinationale of organisatorische kader waarbinnen zij zijn gedetacheerd."
Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 3
Artikel 4, lid 1, nieuwe zin (Besluit 2003/170/JBZ)
Dergelijke vergaderingen kunnen ook worden belegd op initiatief van een andere lidstaat en met name van lidstaten die in een bepaald land of een bepaalde regio de leiding voor de samenwerking in het kader van de EU op zich hebben genomen.
Dergelijke vergaderingen kunnen ook worden belegd op initiatief van Europol of een andere lidstaat en met name van lidstaten die in een bepaald land of een bepaalde regio de leiding voor de samenwerking in het kader van de EU op zich hebben genomen.
Amendement 8
ARTIKEL 1, PUNT 3 BIS (nieuw)
Artikel 4, lid 2 (Besluit 2003/170/JBZ)
3 bis. Artikel 4, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst:
"3. De lidstaten zorgen ervoor dat hun verbindingsofficieren die gezonden zijn naar hetzelfde derde land of naar de zelfde internationale organisatie, elkaar wederzijds hulp verlenen bij hun contacten met de autoriteiten van het gastland. De lidstaten trachten onderling overeenstemming te bereiken over een verdeling van de te verrichten taken tussen hun verbindingsofficieren die zijn gedetacheerd in eenzelfde derde land of bij eenzelfde internationale organisatie, en zien er daarbij op toe dat het belang van alle lidstaten van de Europese Unie wordt behartigd en op adequate wijze in aanmerking wordt genomen. Indien geen overeenstemming is bereikt over een dergelijke taakverdeling tussen de lidstaten, belasten Europol en zijn verbindingsofficier die eventueel is gedetacheerd in hetzelfde derde land of bij dezelfde internationale organisatie, zich zowel met de invoering als de doeltreffende tenuitvoerlegging daarvan."
Amendement 9
ARTIKEL 1, PUNT 3 TER (nieuw)
Artikel 4, lid 3 (Besluit 2003/170/JBZ)
3 ter. Artikel 4, lid 3, wordt vervangen door de volgende tekst:
"3. De lidstaten geven op bilateraal of multilateraal niveau de verbindingsofficieren die door een van hen zijn gezonden naar een derde land of naar een internationale organisatie, opdracht te waken over de specifieke belangen van één of meerdere lidstaten, en zij houden bij de werkzaamheden meer in het algemeen, het belang van de EU in het oog."
Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 3 QUATER (nieuw)
Artikel 5, lid 1 (Besluit 2003/170/JBZ)
3 quater. Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door de volgende tekst:
"1. De lidstaten zien erop toe dat, met inachtneming van het nationale recht, de Europolovereenkomst, toepasselijke internationale instrumenten alsmede de bepalingen die van toepassing zijn op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, de verbindingsofficieren die door hen gezonden zijn naar een derde land of naar een internationale organisatie, de nationale autoriteiten waaronder zij ressorteren en Europol, informatie verstrekken betreffende ernstige risico's op strafbare feiten ten aanzien van andere lidstaten die niet door eigen verbindingsofficieren vertegenwoordigd zijn in het betrokken derde land of bij de betrokken internationale organisatie. Overeenkomstig hun nationale recht en de Europolovereenkomst, alsmede afhankelijk van de ernst van de risico's, beoordelen de nationale autoriteiten en Europol of het wenselijk is de betrokken lidstaten in kennis te stellen."
Amendement 11
ARTIKEL 1, PUNT 3 QUINQUIES (nieuw)
Artikel 5, lid 2 (Besluit 2003/170/JBZ)
3 quinquies. Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst:
"2. De verbindingsofficieren van de lidstaten die gezonden zijn naar een derde land of naar een internationale organisatie delen, met inachtneming van het nationale recht, de Europolovereenkomst, toepasselijke internationale instrumenten alsmede de bepalingen die van toepassing zijn op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, informatie betreffende ernstige risico's op strafbare feiten ten aanzien van andere lidstaten rechtstreeks mee aan de verbindingsofficieren van die lidstaat en aan Europol, wanneer laatstgenoemde is vertegenwoordigd in het betrokken derde land of bij de betrokken internationale organisatie."
Amendement 12
ARTIKEL 1, PUNT 3 SEXIES (nieuw)
Artikel 5, lid 4 (Besluit 2003/170/JBZ)
3 sexies. Artikel 5, lid 4, wordt vervangen door de volgende tekst:
"4. De lidstaten behandelen elk verzoek als bedoeld in lid 3, met inachtneming van hun nationale recht, de Europolovereenkomst en toepasselijke internationale instrumenten, en delen zo spoedig mogelijk mee of zij het kunnen inwilligen."
Amendement 13
ARTIKEL 1, PUNT 4
Artikel 8, lid 3 (Besluit 2003/170/JBZ)
3.  Lidstaten kunnen, met inachtneming van het nationale recht en van de Europolovereenkomst, een verzoek richten tot Europol om gebruik te kunnen maken van in derde landen of bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren van Europol voor het uitwisselen van relevante informatie. Het verzoek wordt, conform de Europolovereenkomst, tot Europol gericht via de nationale eenheden van de lidstaten.
3.  De lidstaten zorgen er overeenkomstig de Europolovereenkomst zo mogelijk en zo nodig voor dat een verzoek wordt voorgelegd aan Europol, opdat gebruik kan worden gemaakt van zijn in derde landen of bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren teneinde de Europol-kanalen met het oog op de uitwisseling van passende informatie volledig te benutten. Het verzoek wordt, conform de Europolovereenkomst, tot Europol gericht via de nationale eenheden van de lidstaten.

Programma "Burgers voor Europa" (2007-2013) ***I
PDF 379kWORD 136k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Burgers voor Europa" ter bevordering van een actief Europees burgerschap (COM(2005)0116 – C6-0101/2005 – 2005/0041(COD))
P6_TA(2006)0127A6-0076/2006

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0116)(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 151 en 308 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0101/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A6-0076/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   beklemtoont dat de kredieten die in het wetgevingsvoorstel zijn vermeld voor de periode na 2006, afhankelijk zijn van het besluit over het volgende meerjarig financieel kader;

3.   verzoekt de Commissie indien nodig een voorstel in te dienen tot aanpassing van het financiële referentiebedrag voor dit programma, zodra het volgende meerjarig financieel kader is goedgekeurd;

4.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement, in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2006, met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2006/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling voor de periode 2007-2013 van het programma "Europa voor burgers" ter bevordering van actieve Europese waarden, zoals vastgelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, en een actief Europees burgerschap

P6_TC1-COD(2005)0041


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 151 en 308,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het burgerschap van de Unie is ingesteld in het Verdrag en vormt een aanvulling op het nationale burgerschap. Het is een belangrijk middel om het Europese eenwordingsproces te versterken en te beschermen.

(2)  De Gemeenschap moet de burgers ten volle doordringen van hun Europese burgerschap, de voordelen daarvan en de rechten en plichten die met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en in het belang van de cohesie moeten worden bevorderd.

(3)  Gezien de uitslag van enkele referenda over het ontwerp voor een Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa is het bijzonder urgent de Europese burgers volledig bewust te maken van hun Europees burgerschap. Het programma "Europa voor burgers" dient derhalve een aanvulling te zijn op, maar niet te overlappen met het Plan D van de Commissie voor democratie, dialoog en debat.

(4)  Om ervoor te zorgen dat de burgers de Europese integratie ten volle steunen en er ten volle aan deelnemen, moet meer nadruk worden gelegd op hun gemeenschappelijke waarden, geschiedenis en cultuur als sleutelelementen van hun lidmaatschap van een samenleving die, volledig in overeenstemming met het op 7 december 2000 afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op vrijheid, democratie en respect voor mensenrechten, culturele verscheidenheid, verdraagzaamheid en solidariteit is gebaseerd.

(5)  Het bevorderen van actief burgerschap is een sleutelelement voor het versterken van de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid, en voor het bevorderen van integratie, cohesie en ontwikkeling van democratie.

(6)  In het kader van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU moet ervoor worden gezorgd dat de via het programma gesteunde activiteiten alom bekend worden en voelbaar effect sorteren.

(7)  Om Europa dichter bij de burgers te brengen en de burgers de kans te geven om ten volle aan de opbouw van een steeds nabijer Europa deel te nemen moeten alle burgers worden aangesproken en bij transnationale uitwisselingen en samenwerkingsactiviteiten worden betrokken, zodat een samenhorigheidsgevoel ten aanzien van gemeenschappelijke Europese idealen kan worden gecreëerd.

(8)  Immigranten en hun nakomelingen mogen niet worden vergeten. Het is dan ook belangrijk hen te helpen zoveel mogelijk uit hun pas-verworven burgerschap te halen.

(9)  Om de burgers deelgenoot van Europa te maken moeten ze geïnformeerd worden over de concrete rechten die uit het Europees burgerschap voortvloeien, zoals de vrijheid van verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, in het bijzonder na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(5).

(10)  Het Europees Parlement stelde in zijn resolutie van 15 april 1988 over de voorstellen van de Commissie voor maatregelen ter bevordering van de Europese cultuur(6) dat het wenselijk was een grote inspanning te leveren om de betrekkingen tussen de burgers van de diverse lidstaten te intensiveren en dat specifieke steun van de Europese Unie voor de totstandkoming van jumelages tussen gemeenten of steden van verschillende landen van de Gemeenschap zowel gemotiveerd als gewenst is.

(11)  De Europese Raad heeft meermaals erkend dat de Europese Unie en haar instellingen dichter bij de burgers van de lidstaten moeten worden gebracht. Hij heeft de instellingen van de Unie aangemoedigd een open, transparante en regelmatige dialoog met de georganiseerde civiele samenleving te voeren en te bevorderen, en aldus de participatie van de burgers aan het openbare leven en de besluitvorming te bevorderen en de nadruk te leggen op de door de burgers van Europa gedeelde essentiële waarden(7).

(12)  In Besluit 2004/100/EG van 26 januari 2004(8) heeft de Raad een communautair actieprogramma ter bevordering van actief Europees burgerschap (civic participation) ingesteld, waarin wordt bevestigd dat een permanente dialoog met gemeenten, maatschappelijke organisaties en de burgers in het algemeen moet worden bevorderd en de actieve betrokkenheid van de burgers moet worden gesteund. Deze dialoog moet ook open staan voor organisaties die in de Europese Unie woonachtige onderdanen van derde landen vertegenwoordigen. Ook het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 8 juni 2005 over de beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013(9) erop aangedrongen dat een programma voor de participatie van de burger "een prioriteit blijft om (...) Europa dichter bij de burgers te brengen door middel van een bottom-up benadering".

(13)  Burgerprojecten van transnationale en sectoroverschrijdende omvang zijn belangrijke middelen om de burger te bereiken en een Europees bewustzijn, Europese politieke integratie, maatschappelijke betrokkenheid en wederzijds begrip te bevorderen via door burgers en plaatselijke organisaties georganiseerde manifestaties en acties, in het bijzonder projecten die verschillende groepen burgers in staat stellen elkaar te ontmoeten, zoals bibliotheken, stichtingen of amateursportverenigingen, en aldus racisme te bestrijden overeenkomstig het Handvest van de Grondrechten.

(14)  Het delen van een gemeenschappelijk Europees burgerschap moet leiden tot steeds nauwere betrekkingen tussen de burgers van de lidstaten en moet de aandacht hebben van nationale en regionale wetgevers, lokale overheden en allen die tot taak hebben om de burgerschapsrechten op het nationale vlak te beschermen, zoals gezagsdragers die belast zijn met veiligheid en rechtsbescherming, verstrekkers van rechtbijstand zoals ombudsmannen; de Europese Unie heeft er dan ook belang bij de dialoog en uitwisseling van beste ervaringen tussen deze gezagsdragers en hun netwerken van contactpunten op Europees niveau te bevorderen.

(15)  Europese, nationale, regionale en plaatselijke maatschappelijke organisaties zijn belangrijke instrumenten om de burger actief bij de maatschappij te betrekken en zij leveren een bijdrage tot alle aspecten van het gemeenschapsleven. Zij fungeren eveneens als tussenpersonen tussen Europa en zijn burgers. Hun transnationale samenwerking moet daarom worden bevorderd en aangemoedigd door bijzondere aandacht te besteden aan de kandidaatlanden en hen te helpen vergelijkbare organen in het leven te roepen.

(16)  Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen, kunnen het debat op Europees vlak met ideeën en standpunten aanwakkeren. Het verdient daarom ook aanbeveling om, als link tussen de Europese instellingen en de burgers, activiteiten te steunen die een weerspiegeling zijn van hun wil om een Europese identiteit en een Europees burgerschap te creëren, door het vaststellen van procedures met transparante criteria ter bevordering van netwerken voor informatieverschaffing en uitwisseling.

(17)  Het programma moet openstaan voor alle burgers, met inbegrip van onderdanen van derde landen die permanent legaal in een lidstaat verblijven, en er moet dan ook bijzondere aandacht worden geschonken aan de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten in transnationale projecten en activiteiten.

(18)  In de verklaring over sport die is aangenomen door de Europese Raad van Nice (7-9 december 2000), wordt er nadrukkelijk op gewezen dat de Gemeenschap in verband met haar werkzaamheden uit hoofde van de uiteenlopende Verdragsbepalingen rekening moet houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functies die aan sport eigen zijn.

(19)  De kandidaat-lidstaten en de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, worden als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's erkend in overeenstemming met de met hen gesloten overeenkomsten.

(20)  De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft "de agenda van Thessaloniki voor de westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie" goedgekeurd, waarin de landen van de westelijke Balkan worden uitgenodigd aan communautaire programma's en agentschappen deel te nemen. De landen van de westelijke Balkan moeten daarom worden erkend als mogelijke deelnemers aan communautaire programma's.

(21)  Het programma moet regelmatig samen met de Commissie en de lidstaten worden gecontroleerd en onafhankelijk worden geëvalueerd om de aanpassingen mogelijk te maken die nodig zijn om de maatregelen goed uit te kunnen voeren.

(22)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (hierna het Financieel Reglement genoemd)(10) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement(11) beschermen de financiële belangen van de Europese Gemeenschap en moeten worden toegepast. De daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn eenvoud en samenhang bij de keuze van de begrotingsinstrumenten, een beperking van het aantal gevallen waarin de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering en het beheer van de begrotingen, en evenredigheid tussen het bedrag van de subsidies en de administratieve eisen voor de besteding ervan.

(23)  Er moeten ook passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en verloren, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede bedragen te kunnen terugvorderen.

(24)  Bij dit besluit worden voor de gehele looptijd van het programma financiële middelen vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt zijn in de zin van punt 33 van het interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(12).

(25)  Aangezien de doelstellingen van het programma "Europa voor Burgers" niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en wegens het transnationale en multilaterale karakter van de acties en de maatregelen van het programma beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(26)  De voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(13).

(27)  Overeenkomstig Besluit 2004/100/EG moeten overgangsmaatregelen worden genomen om toezicht uit te oefenen op vóór 31 december 2006 begonnen acties,

BESLUITEN:

Artikel 1

Onderwerp en omvang van het programma

1.  Dit besluit stelt het programma "Europa voor burgers" voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 vast.

2.  Het programma draagt bij tot de volgende algemene doelstellingen:

   de burgers de kans geven om samen te werken en deel te nemen aan de opbouw van een steeds nabijer Europa, pluriform, rechtvaardig, democratisch en op de wereld gericht Europa dat verenigd is in en verrijkt door zijn culturele verscheidenheid, en aldus bijdragen aan de ontwikkeling van het concept Europees burgerschap;
   een op erkende gemeenschappelijke waarden, geschiedenis, cultuur en een Europees burgerschap, de bron van de legitimiteit van de instellingen, gebaseerde Europese identiteit ontwikkelen en versterken;
   kennis en begrip tussen de Europese burgers vergroten, en respect en waardering voor de culturele verscheidenheid en meertaligheid stimuleren, waarbij de interculturele dialoog wordt bevorderd met name door bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en alle vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid;
   ervoor zorgen dat met de eisen van het Europese burgerschap meer rekening wordt gehouden door de gekozen, bestuurlijke en burgerhulporganen op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Artikel 2

Specifieke doelstellingen van het programma

Het programma streeft de volgende specifieke doelstellingen na, die aansluiten bij de fundamentele doelstellingen van het Verdrag en die op transnationale basis worden uitgevoerd:

   a) mensen uit plaatselijke gemeenschappen in heel Europa samenbrengen om ervaringen, opvattingen en waarden te delen en uit te wisselen, van de geschiedenis te leren en de toekomst op te bouwen;
   b) acties, debatten en denkoefeningen over het Europees burgerschap en de democratie, gedeelde waarden, gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur bevorderen via de samenwerking in het maatschappelijk middenveld op Europees niveau;
   c) de uitwisseling van ervaringen op het gebied van het Europese burgerschap tussen nationale, regionale en lokale gekozen organen en instanties die zich bezighouden met het verlenen van rechtsbescherming en bestuurlijke bijstand aan burgers, bevorderen door grensoverschrijdende samenwerking en de vorming van Europese netwerken van contactpunten te stimuleren en waar deze reeds bestaat te versterken;
   d) Europa tastbaarder voor de burgers maken door de waarden en successen van Europa te promoten en te huldigen en de herinnering aan het verleden levendig te houden;
   e) de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten stimuleren, waarbij de interculturele dialoog wordt bevorderd en zowel Europa's verscheidenheid als eenheid wordt benadrukt, met bijzondere aandacht voor de activiteiten met lidstaten die onlangs tot de Europese Unie zijn toegetreden.

Artikel 3

Acties

1.  De doelstellingen van het programma worden nagestreefd door steun te verlenen aan de volgende acties, waarover deel I van de bijlage bijzonderheden bevat:

a)  Actieve burgers voor Europa, bestaande uit:

–   jumelages van steden;

–   burgerprojecten en ondersteunende maatregelen.

b)  Een actieve civiele samenleving in Europa, bestaande uit:

–   structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen (denktanks);

–   structurele steun voor maatschappelijke organisaties, verenigingen en netwerken op Europees niveau;

–   steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties de aanzet hebben gegeven.

c)  Samen voor Europa, bestaande uit:

–   evenementen met een hoge zichtbaarheid, zoals herdenkingen, prijzen, artistieke evenementen, Europawijde conferenties;

–   studies, onderzoeken en opiniepeilingen;

–   hulpmiddelen voor informatievoorziening en –verspreiding.

d)  Actief Europees gedenken, bestaande uit:

   steun aan projecten om de gedachtenis aan de slachtoffers van de massadeportatie en -vernietiging door nazi's en stalinisten levendig te houden.

2.  Bij elke actie mag prioriteit worden verleend aan de evenwichtige integratie van burgers en maatschappelijke organisaties uit alle lidstaten, zoals bepaald in de specifieke doelstelling van artikel 2, onder e).

3.  Communautaire maatregelen mogen de vorm hebben van subsidies of overheidsopdrachten.

4.  Communautaire subsidies mogen worden verleend via specifieke vormen, zoals subsidies voor huishoudelijke uitgaven, subsidies voor acties, beurzen en prijzen.

5.  Overheidsopdrachten bestrijken de aankoop van diensten, zoals de organisatie van evenementen, studies en onderzoek, hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding, toezicht en evaluatie.

6.  Alleen begunstigden die aan de voorwaarden van deel II van de bijlage voldoen, komen in aanmerking voor een subsidie van de Gemeenschap.

Artikel 4

Deelname aan het programma

De volgende landen, hierna de "deelnemende landen" genoemd, kunnen aan het programma deelnemen:

   a) de lidstaten;
   b) de EVA-landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst;
   c) de kandidaat-lidstaten die betrokken zijn bij een pretoetredingsstrategie, in overeenstemming met de algemene beginselen en de algemene voorwaarden voor de deelname van deze landen aan communautaire programma's, die respectievelijk in de kaderovereenkomst en de besluiten van de Associatieraden zijn vastgesteld;
   d) de landen van de westelijke Balkan, in overeenstemming met de afspraken die met deze landen moeten worden gemaakt in het kader van de kaderovereenkomsten over de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 5

Toegang tot het programma

Het programma staat open voor alle belanghebbende partijen die de doelen ervan door hun werkzaamheden bevorderen, met name:

   - maatschappelijke en burgergroepen, lokale verenigingen, organisaties en overheden, vormingscentra, centra voor onderzoek naar overheidsbeleid, platformen, netwerken,
   - Europese stichtingen die zich met Europese kwesties bezighouden zoals de Europese Beweging en andere maatschappelijke organisaties.

Teneinde de toegang tot financiering te vergemakkelijken is het evenredigheidsbeginsel van toepassing ten aanzien van de te overleggen documenten en wordt een databank voor de indiening van aanvragen opgericht.

Artikel 6

Samenwerking met internationale organisaties

Het programma kan gezamenlijke activiteiten met en deelneming van op het gebied van actief burgerschap – met name het Europese burgerschap – competente internationale organisaties omvatten, zoals de Raad van Europa of de Unesco, op basis van gezamenlijke bijdragen en overeenkomstig het Financieel Reglement en de regels van elke instelling of organisatie.

Artikel 7

Uitvoeringsmaatregelen

1.  De voor de uitvoering van het programma vereiste maatregelen worden vastgesteld in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 2.

2.  De Commissie kan richtsnoeren voor alle acties in de bijlage opstellen om het programma aan te passen aan wijzigingen van de prioriteiten op het gebied van Europees actief burgerschap.

3.  De Commissie zorgt er in het kader van de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU en via andere informatie-, publicatie- en verspreidingswerkzaamheden voor dat de door het programma gesteunde activiteiten alom bekend zijn en ingrijpende gevolgen hebben.

Artikel 8

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, hierna "het comité" genoemd.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.  Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 9

Samenhang met andere instrumenten van de Gemeenschap en de Europese Unie

1.  De Commissie zorgt voor de samenhang en de complementariteit tussen dit programma en instrumenten op andere actiegebieden van de Gemeenschap, met name onderwijs, beroepsopleidingen, cultuur, jeugd, sport, milieu, audiovisuele en massamedia, grondrechten en vrijheden, sociale integratie, gelijkheid van vrouwen en mannen, bestrijding van alle vormen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat, en bevordering van wetenschappelijk onderzoek en het extern beleid van de Gemeenschap, met name op het niveau van het Europees nabuurschapsbeleid.

2.  Het programma deelt middelen met andere instrumenten van de Gemeenschap en de Unie en houdt zich aan de nieuwe richtsnoeren over voorlichting om acties uit te voeren die aan de doelstellingen van zowel dit programma als deze andere instrumenten beantwoorden.

Artikel 10

Begrotingsmiddelen

1.  Het indicatieve financieel kader voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1, lid 1 vermelde periode van zeven jaar vanaf 1 januari 2007 wordt vastgesteld op 235 000 000 EUR.

2.  De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

3.  De totale administratieve uitgaven voor het programma met inbegrip van de interne en beheerskosten voor het uitvoerend agentschap moeten in verhouding staan tot de in het desbetreffende programma opgenomen taken en zijn afhankelijk van besluiten van de begrotings- en de wetgevende autoriteiten.

Artikel 11

Financiële bepalingen

1.  Krachtens artikel 176, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 kan de Commissie op grond van de eigenschappen van de begunstigden en de aard van de acties besluiten de begunstigden vrij te stellen van de verificatie van de beroepsbekwaamheden en -kwalificaties die vereist zijn om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma tot een goed einde te brengen.

2.  Er wordt financiële steun verleend in de vorm van subsidies aan rechtspersonen en Europese organisaties van nationale openbare instellingen die werkzaam zijn op het gebied van de bescherming van de burgers. Overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Financieel Reglement kunnen in sommige gevallen subsidies aan natuurlijke personen worden toegekend.

3.  De Commissie kan prijzen aan natuurlijke of rechtspersonen toekennen voor in het kader van het programma uitgevoerde acties of projecten.

4.  Overeenkomstig artikel 181 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 en afhankelijk van de aard van de actie kunnen forfaitaire financieringen worden toegestaan en/of tarieven op grond van eenheidskosten worden toegepast.

5.  Subsidies voor huishoudelijke uitgaven die in het kader van dit programma worden verleend aan organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, zoals bedoeld in artikel 162 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002, hebben in overeenstemming met artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement bij verlenging niet automatisch een degressief karakter.

6.  Voor kleine subsidies is medefinanciering in natura toegestaan.

7.  De hoeveelheid informatie mag bij kleine subsidies, zoals studiebeurzen en individuele mobiliteitsbeurzen, worden beperkt.

8.  In specifieke gevallen, zoals het verlenen van een kleine subsidie, hoeft de begunstigde niet aan te tonen over voldoende financiële draagkracht te beschikken om het geplande project of het werkprogramma uit te voeren.

Artikel 12

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.  De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, door doeltreffende controles en de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(14), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden(15), en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(16).

2.  Bij de uit hoofde van het programma gefinancierde acties van de Gemeenschap wordt onder het begrip onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of elke schending van een contractuele verplichting als gevolg van een handeling of een nalaten van een economische actor verstaan die door een ongerechtvaardigde uitgave een nadelig effect heeft of zou kunnen hebben op de algemene begroting van de Gemeenschappen of op de door de Gemeenschappen beheerde budgetten.

3.  De Commissie vermindert de voor een actie toegekende financiële steun, schorst de uitbetaling ervan of vordert ze terug, indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van dit besluit of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de financiële steun in kwestie is toegekend, of indien aan het licht komt dat de actie, zonder dat de toestemming van de Commissie is gevraagd, is gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project.

4.  Indien de termijnen niet worden gerespecteerd of slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang bij de uitvoering van de actie, verzoekt de Commissie de begunstigde om binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord geeft, kan de Commissie de resterende financiële steun schrappen en de terugbetaling van de reeds uitbetaalde bedragen eisen.

5.  Alle ten onrechte uitbetaalde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente overeenkomstig de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 13

Toezicht en evaluatie

1.  De Commissie zorgt voor regelmatig toezicht op het programma. Bij de uitvoering van het programma wordt gebruikgemaakt van de resultaten van het toezicht en het evaluatieproces.

In het kader van het toezicht worden met name de in lid 3, onder a) en c), vermelde verslagen opgesteld.

De specifieke doelstellingen kunnen afhankelijk van de resultaten van de toezichtsverslagen worden herzien.

2.  De Commissie zorgt voor een regelmatige, externe en onafhankelijke evaluatie van het programma en houdt de ter zake bevoegde commissies van het Europees Parlement regelmatig hiervan op de hoogte.

3.  De Commissie legt de volgende documenten aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voor:

   a) een tussentijds evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma, drie jaar na goedkeuring ervan;
   b) een mededeling over de voortzetting van het programma, vier jaar na goedkeuring ervan;
   c) uiterlijk 31 december 2015 een gedetailleerde voortgangsevaluatie over de uitvoering en de resultaten van het programma, na de voltooiing ervan.

Artikel 14

Overgangsbepaling

Acties die overeenkomstig Besluit 2004/100/EG vóór 31 december 2006 worden opgestart, blijven tot de voltooiing ervan aan de bepalingen van dat besluit onderworpen.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

I.  Beschrijving van de acties

Actie 1: Actieve burgers voor Europa

Deze actie omvat dat deel van het programma dat specifiek gericht is op activiteiten waarbij burgers direct of indirect worden betrokken. Deze activiteiten vallen onder twee soorten maatregelen:

Jumelages van steden

Bij deze maatregel gaat het om activiteiten waarbij directe uitwisselingen tussen Europese burgers plaatsvinden of worden bevorderd via activiteiten in het kader van jumelages van steden. Het kan gaan om eenmalige of proefactiviteiten maar ook om gestructureerde, meerjarige overeenkomsten tussen verschillende partners op basis van een meer geprogrammeerde benadering en bestaande uit een reeks activiteiten variërend van bijeenkomsten van burgers bijvoorbeeld door gejumeleerde sportverenigingen georganiseerde manifestaties tot specifieke conferenties of seminars over thema's van gemeenschappelijk belang en publicaties naar aanleiding van activiteiten in het kader van jumelages van steden. Dankzij deze maatregel worden de wederzijdse kennis en het wederzijds begrip tussen burgers en culturen actief bevorderd.

Om deze maatregel te helpen uitvoeren mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de Raad van Europese gemeenten en regio's (CEMR), een orgaan dat een doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft en op het gebied van jumelages van steden actief is.

Burgerprojecten en ondersteunende maatregelen

In het kader van deze maatregel wordt steun verleend aan allerlei transnationale en sectoroverschrijdende projecten waarbij de burgers direct worden betrokken. Voorrang wordt verleend aan projecten ter bevordering van de actieve deelname op plaatselijk niveau door organisaties zoals plaatselijke amateursportverenigingen. De omvang en de reikwijdte van deze projecten hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen. De projecten zullen via innovatieve methoden mogelijke oplossingen voor de vastgestelde problemen bestuderen. Voor projecten in het kader van deze maatregel is een achtergrond van jumelage tussen steden niet vereist. Het gebruik van nieuwe technologieën, vooral informatie- en communicatietechnologieën (ICT), zal worden gestimuleerd. Bij de projecten worden burgers met verschillende achtergronden betrokken. Ze zullen samenwerken en in debat treden over gemeenschappelijke Europese thema's om tot meer wederzijds begrip te komen en de kennis over de Europese integratie aan te scherpen.

Met het oog op betere burgerprojecten moeten ook ondersteunende maatregelen worden ontwikkeld om beste praktijken uit te wisselen, ervaringen tussen plaatselijke en regionale belanghebbenden (inclusief overheden) te bundelen en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen (bijvoorbeeld via opleidingen).

Naar verwachting zal ongeveer 40% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 2: Een actieve civiele samenleving in Europa

Structurele steun voor Europese organisaties die onderzoek naar het overheidsbeleid doen (denktanks)

Organisaties met nieuwe ideeën en standpunten over Europese thema's zijn belangrijke institutionele gesprekspartners die de Europese instellingen onafhankelijke, strategische en sectoroverschrijdende aanbevelingen kunnen doen. Ze kunnen activiteiten ondernemen om met name het debat over het burgerschap van de Europese Unie en de Europese waarden en culturen aan te wakkeren. Deze maatregel beoogt de institutionele capaciteit van deze organisaties te versterken. Het zijn representatieve organisaties die een reële Europese meerwaarde opleveren, belangrijke multipliereffecten genereren en met andere begunstigden van dit programma kunnen samenwerken. Het is in dit verband belangrijk de trans-Europese netwerken te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de vereniging "Groupement d'études et de recherches Notre Europe" en het "Institut für Europäische Politik" uit Berlijn, organen die, een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Structurele steun voor maatschappelijke organisaties op Europees niveau

Maatschappelijke organisaties zijn een belangrijk onderdeel van de sociale, educatieve, culturele en politieke activiteiten voor participatie in de samenleving. Zij zijn nodig en moeten op Europees niveau kunnen opereren en samenwerken. Zij moeten ook via overleg aan beleidsvorming kunnen meedoen. Dankzij deze maatregel beschikken ze over de capaciteit en de stabiliteit om sectoroverschrijdend en horizontaal als transnationale katalysatoren te fungeren voor hun leden en de Europese civiele samenleving en aldus bij te dragen tot de doelen van het programma. Het is in dit verband belangrijk de Trans-Europese netwerken en Europese verenigingen te versterken. Er kunnen subsidies worden verleend op basis van een meerjarig werkprogramma dat een reeks thema's of activiteiten bundelt.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan drie organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven: het Platform van Europese sociale ngo's, de Europese Beweging en de Europese Raad voor vluchtelingen.

Steun voor projecten waartoe maatschappelijke organisaties, verenigingen en netwerken de aanzet hebben gegeven

Maatschappelijke organisaties (niet-gouvernementele organisaties, vakbonden, federaties, denktanks, instellingen die niet-formeel volwassenenonderwijs aanbieden, enzovoort) kunnen via debatten, publicaties, pleitbezorging, opleidingsactiviteiten en andere concrete transnationale projecten burgers bereiken en hun belangen behartigen. De introductie of de voortzetting van een Europese dimensie in de activiteiten van maatschappelijke organisaties stelt deze organisaties in staat hun capaciteiten te vergroten en een breder publiek te bereiken. De directe samenwerking tussen maatschappelijke organisaties uit verschillende lidstaten zal het wederzijds begrip voor verschillende culturen en standpunten ten goede komen en gedeelde zorgen en waarden helpen identificeren. Dit kan in de vorm van afzonderlijke projecten, al staat een benadering op lange termijn borg voor duurzamere effecten en de ontwikkeling van netwerken en synergieën.

Naar verwachting zal ongeveer 38% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 3: Samen voor Europa

Evenementen met een hoge zichtbaarheid

Deze maatregel verleent steun aan door of in samenwerking met de Commissie georganiseerde evenementen van aanzienlijke omvang en reikwijdte die bij de volkeren van Europa weerklank vinden, hun samenhorigheidsgevoel verdiepen, hen bewust van de geschiedenis, de successen en de waarden van de Europese Unie maken, hen bij de interculturele dialoog betrekken en tot de ontwikkeling van hun Europese identiteit bijdragen.

Het gaat onder meer om herdenkingen van historische gebeurtenissen, vieringen van Europese successen, artistieke evenementen, voorlichtingsactiviteiten rond specifieke thema's, Europawijde conferenties, Europese amateursportmanifestaties en de uitreiking van prijzen naar aanleiding van belangrijke prestaties. Het gebruik van nieuwe technologieën, vooral ICT, zal worden gestimuleerd.

Studies

Om meer inzicht te krijgen in het concept actief Europees burgerschap zal de Commissie studies, onderzoeken en opiniepeilingen (Eurobarometer) uitvoeren.

Hulpmiddelen voor informatievoorziening en -verspreiding

Aangezien de aandacht wordt toegespitst op de burgers en de verschillende initiatieven op het gebied van actief burgerschap is er behoefte aan uitgebreide informatie over de activiteiten van het programma, Europese acties met betrekking tot burgerschap en andere relevante initiatieven. Deze informatie zal worden verstrekt via een internetportaal en andere hulpmiddelen. In het bijzonder moet voorrang worden verleend aan informatie over Richtlijn 2004/38/EG, die uiterlijk op 30 april 2006 in de nationale wetgevingen moet zijn omgezet.

Er mag rechtstreeks structurele steun worden verleend aan de "Association Jean Monnet", het "Centre européen Robert Schuman", alsook aan de op nationaal en Europees niveau aaneengesloten "Europahuizen", organen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven.

Naar verwachting zal ongeveer 8% van de totale begroting van het programma aan deze actie worden besteed.

Actie 4: Actief Europees Gedenken

In het kader van deze actie kan steun worden verleend aan de volgende soorten projecten:

   behoud van de voornaamste locaties en gedenktekens in verband met de massadeportaties, de voormalige concentratiekampen en andere grootschalige martel- en -vernietigingslocaties van het nazisme, alsook archieven waarin deze gebeurtenissen worden beschreven en om de herinnering aan de slachtoffers op deze locaties levendig te houden;
   het levend houden van de herinnering aan hen die onder extreme omstandigheden mensen hebben gered uit de Holocaust;
   herinnering aan de slachtoffers van de massavernietiging en -deportatie in verband met het stalinisme, en behoud van de gedenktekens en archieven waarin deze gebeurtenissen worden beschreven.

Projecten in het kader van deze actie moeten een transnationale betekenis hebben of een transnationaal element bevatten en zij moeten bij de volkeren van Europa het begrip van de beginselen democratie, vrijheid en eerbiediging van mensenrechten bevorderen.

II.  Rond de 4% van alle voor dit programma uitgetrokken kredieten is bestemd voor deze actie.

Beheer van het programma

De uitvoering van het programma berust op transparantie en openheid ten aanzien van een grote verscheidenheid van organisaties en projecten. Projecten en activiteiten zullen daarom in de regel via openbare oproepen tot het indienen van voorstellen worden geselecteerd. Afwijkingen zijn alleen in zeer specifieke gevallen mogelijk en in volledige naleving van artikel 168, lid 1, onder c) en d), van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement.

Het programma zal het beginsel van op overeengekomen doelstellingen gebaseerde meerjarige partnerschappen ontwikkelen en op de analyse van de resultaten voortbouwen om wederzijdse voordelen voor de maatschappelijke organisaties en de Europese Unie te waarborgen. De maximumduur voor de verlening van kredieten via een subsidieovereenkomst is in het kader van dit programma beperkt tot drie jaar.

Voor sommige acties, met name ten behoeve van actie 1, is een indirect gecentraliseerd beheer wellicht noodzakelijk. Indien dit voor de tenuitvoerlegging van het programma noodzakelijk is, moet gebruik worden gemaakt van bestaande beheers- en tenuitvoerleggingsinstrumenten en -structuren.

Alle acties worden transnationaal uitgevoerd en bevorderen de mobiliteit van burgers en ideeën in de Europese Unie.

De vastgestelde selectiecriteria worden met de toegepaste beoordelingsschaal ter beschikking gesteld van alle betrokken actoren. Kredietaanvragen worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:

   aansluiting op het doel van het programma;
   hoedanigheid van de overwogen activiteiten;
   mate waarin deze activiteiten waarschijnlijk door de publieke opinie worden overgenomen;
   geografische effecten van de uitgevoerde werkzaamheden;
   mate waarin de burgers betrokken zijn bij de organisatie van de organen in kwestie.

Aanvragers hebben, ongeacht de vraag of zij al dan niet een subsidie hebben ontvangen, het recht op terzake dienende informatie over de redenen van het uiteindelijke besluit.

Het is belangrijk netwerken te vormen en de aandacht op multipliereffecten toe te spitsen (inclusief het gebruik van ICT). Beide aspecten zullen worden weerspiegeld in de soorten activiteiten en de verscheidenheid van organisaties. Interacties en synergieën tussen de verschillende belanghebbenden bij het programma zullen worden bevorderd.

Het programmabudget mag ook de uitgaven dekken voor activiteiten (voorbereidingen, follow-up, toezicht, audits en evaluaties) die rechtstreeks voor het beheer van het programma en de verwezenlijking van de doelstellingen noodzakelijk zijn, en met name de uitgaven voor studies, bijeenkomsten, voorlichtingsactiviteiten, publicaties, ICT-netwerken voor informatie-uitwisseling en andere vormen van administratieve en technische bijstand waartoe de Commissie met het oog op het beheer van het programma heeft besloten.

De Commissie mag zo nodig informatie publiceren en verspreiden. Voor deze activiteiten kunnen subsidies worden verleend. Ze kunnen ook rechtstreeks door de Commissie worden georganiseerd en gefinancierd op basis van dienstencontracten.

III.  Controles en audits

Voor de overeenkomstig artikel 13, lid 1 geselecteerde projecten wordt een auditsysteem op basis van steekproeven opgezet.

De begunstigde van een subsidie houdt alle bewijsstukken van uitgaven gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De begunstigde van een subsidie zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie te onderwerpen aan een audit die rechtstreeks wordt uitgevoerd door haar eigen personeel, dan wel door een bevoegde externe organisatie van haar keuze. Deze audits kunnen worden uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst, en tijdens een periode van vijf jaar na de laatste betaling. De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie besluiten tot terugvordering neemt.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de begunstigde, alsook tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits tot een goed einde te brengen.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang.20060405-P6_TA(2006)0127_NL-p0000002.fig

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.
(2) PB C 28 van 3.2.2006, blz. 29.
(3) PB C 115 van 16.5.2006, blz. 81.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 5 april 2006.
(5) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(6) PB C 122 van 9.5.1988, blz. 38.
(7) Conclusies van de Europese Raden van 7-9 december 2000, 14-15 december 2001 (en de bijgevoegde Verklaring van Laken), 4-5 november 2004 en 16-17 december 2004.
(8) PB L 30 van 4.2.2004, blz. 6.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0224.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1261/2005 (PB L 201 van 2.8.2005, blz. 3).
(12) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(13) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(14) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(15) PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.
(16) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


Culturele Hoofdstad van Europa (2007-2019) ***I
PDF 247kWORD 109k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor de periode 2007 tot 2019 (COM(2005)0209 – C6-0157/2005 – 2005/0102(COD))
P6_TA(2006)0128A6-0061/2006

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0209)(1),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 151 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0157/2005),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0061/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2006 met het oog op de aanneming van Besluit nr. .../2006/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor de periode 2007 tot 2019

P6_TC1-COD(2005)0102


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 151,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Besluit nr. 1419/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) stelde een communautaire actie vast voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor de periode 2005 tot 2019.

(2)  Uit een onderzoek van de resultaten van het evenement "Europese Cultuurstad" tot 2004 is gebleken dat dit evenement een positief effect heeft wat de aandacht in de media betreft, alsook wat de ontwikkeling van cultuur en toerisme en wat de erkenning door de inwoners van het belang van de aanwijzing van hun stad betreft; het evenement is evenwel nog voor verbetering vatbaar, met name wat betreft de langetermijneffecten op de culturele ontwikkeling van de betrokken stad en regio.

(3)  Door het voor steden mogelijk te maken ook de omliggende regio, inclusief eilanden, erbij te betrekken, kan er een breder publiek worden bereikt en kan het effect van het evenement worden versterkt.

(4)  De betrokkenen bij dit evenement hebben gewezen op problemen met de bij Besluit nr. 1419/1999/EG vastgestelde selectieprocedure en hebben aanbevolen dat toezicht zou worden gehouden op de voorstellen, in het bijzonder om hun Europese dimensie te versterken, dat de concurrentie zou worden verbeterd en dat de rol van de jury opnieuw zou worden gedefinieerd.

(5)  Gezien het belang en het effect van het evenement Culturele Hoofdstad van Europa moet een gemengde selectieprocedure worden ingesteld waarbij nationale en Europese niveaus worden betrokken en moet een belangrijke toezichts- en adviserende factor worden ingebouwd, om een nationale component op te nemen en de Europese dimensie te versterken.

(6)  De voorbereidingsfase van het evenement is van cruciaal belang voor het succes ervan in overeenstemming met de doelstellingen van de actie.

(7)  Om de Europese toegevoegde waarde van de actie te garanderen, is na de toewijzing een toezichtsfase nodig, waarin ten eerste wordt gelet op de naleving van de vastgestelde criteria van het cultuurprogramma en ten tweede deskundig advies en ondersteuning worden geboden.

(8)  Er dient een jury van zes nationale en zeven Europese deskundigen te worden gevormd; de hele jury, bestaande uit dertien leden, (de "jury") ziet toe op de selectiefase tot aan de aanwijzing van de stad; alleen de zeven Europese deskundigen van de jury (zij worden het "toezichts- en adviespanel") zien toe op de toezichtsprocedure en geven advies aan de hoofdstad tijdens de toezichtsfase tot aan het evenement.

(9)  Als hulpmiddel en ondersteuning, zowel voor de steden die zich kandidaat stellen als voor de aangewezen steden, moet een website aangaande het thema "Culturele Hoofdsteden van Europa" (kandidatuur, selectie, uitvoering, links) in het leven worden geroepen, die door de Commissie voortdurend wordt onderhouden en regelmatig wordt geactualiseerd.

(10)  Het is belangrijk om de verbreiding van goede praktijken te stimuleren, in het bijzonder om de Europese toegevoegde waarde van de actie te garanderen. Daarom dienen netwerken van eerdere officiële Culturele Hoofdsteden van Europa te worden aangemoedigd om een constructieve rol te spelen door hun ervaringen en beste praktijken te delen met toekomstige Culturele Hoofdsteden van Europa, met name op basis van uitwisselingen tijdens de voorbereidingsfase.

(11)  Het is belangrijk de kwaliteit van het programma wat de doelstellingen en de criteria van de actie en in het bijzonder de Europese toegevoegde waarde betreft te belonen door een prijs toe te kennen, in de vorm van een geldelijke bijdrage.

(12)  Om het langetermijneffect van de Culturele Hoofdstad te verzekeren, is het wenselijk dat het initiatief, de structuren en de mogelijkheden die erdoor worden gecreëerd, worden gebruikt als basis voor een blijvende culturele ontwikkelingsstrategie voor de betreffende steden.

(13)  Om derde landen ook in staat te stellen deel te nemen aan Europese culturele initiatieven, dient de Europese Cultuurmaand(5), of een soortgelijk initiatief, te worden onderzocht.

(14)  De afwikkeling van de aanwijzingsprocedure die in dit besluit is vastgesteld vergt zes jaar; voor de jaren 2011 en 2012 kan die termijn niet worden gerespecteerd aangezien dit besluit in 2007 in werking treedt. Voor die jaren wordt voorzien in een aanwijzingsprocedure zoals vastgesteld bij Besluit nr. 1419/1999/EG.

(15)  Duidelijkheidshalve moet Besluit nr. 1419/1999/EG door dit besluit worden ingetrokken en vervangen.

BESLUITEN:

Artikel 1

Onderwerp

Een communautaire actie "Culturele Hoofdstad van Europa" wordt hierbij vastgesteld teneinde de rijkdom, de verscheidenheid en de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese culturen voor het voetlicht te brengen en ertoe bij te dragen dat de Europese burgers elkaar beter leren kennen.

Artikel 2

Toegang tot de actie

1.  Steden in lidstaten, alsmede in de landen die na 31 december 2006 tot de Europese Unie toetreden, kunnen bij toerbeurt voor één jaar als Culturele Hoofdstad van Europa worden aangewezen, in de volgorde van de lijst in de bijlage.

2.  In elke lidstaat die voorkomt op de in de bijlage vermelde lijst wordt één stad aangewezen.

In onderlinge overeenstemming kunnen de betrokken lidstaten deze chronologische volgorde wijzigen.

Artikel 3

Kandidaturen

1.  Elke kandidatuur moet een cultureel programma met een Europese dimensie omvatten dat hoofdzakelijk gebaseerd is op culturele samenwerking overeenkomstig de doelstellingen en acties als bedoeld in artikel 151 van het Verdrag.

2.  Het culturele programma van het evenement moet speciaal voor het jaar als Culturele Hoofdstad van Europa worden gecreëerd en moet de Europese toegevoegde waarde voor het voetlicht brengen overeenkomstig de criteria van artikel 4.

3.  Het programma moet consistent zijn met de nationale cultuurstrategie of het nationale beleid van de desbetreffende lidstaat, of, conform de institutionele inrichting van de lidstaat, met de regionale cultuurstrategieën, op voorwaarde dat die strategie of dat beleid niet het aantal steden beperkt dat conform dit besluit als Culturele Hoofdstad kan worden aangewezen.

4.  Het programma duurt één jaar. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de aangewezen steden voor een kortere periode kiezen.

Er moet een samenhang bestaan tussen de programma's van de voor hetzelfde jaar aangewezen steden.

De steden kunnen besluiten hun programma open te stellen voor participatie van de omliggende regio.

Artikel 4

Criteria voor kandidaatstelling

Het culturele programma moet voldoen aan de volgende criteria, die in twee categorieën zijn onderverdeeld: "De Europese dimensie" en "Stad en burgers".

Wat de categorie "De Europese dimensie" betreft, moet het programma:

   a) de samenwerking tussen culturele actoren, kunstenaars en steden in de desbetreffende lidstaat en in andere lidstaten in alle culturele sectoren bevorderen,
   b) de aandacht vestigen op de rijke culturele diversiteit in Europa,
   c) de gemeenschappelijke aspecten van Europese culturen naar voren brengen.

Wat de categorie "Stad en burgers" betreft, moet het programma:

   a) de deelname van de burgers die in de stad en de omgeving wonen, bevorderen en zowel hun belangstelling wekken als die van burgers uit het buitenland,
   b) haalbaar zijn en integrerend deel uitmaken van de culturele en sociale ontwikkeling van de stad op lange termijn.

Artikel 5

Indiening van kandidaturen

1.  Uiterlijk zes jaar voor het desbetreffende evenement een aanvang moet nemen publiceert elk van de betrokken lidstaten een oproep tot het indienen van kandidaturen.

Deze oproepen tot het indienen van kandidaturen, die bedoeld zijn voor de steden die kandidaat zijn voor de titel, moeten de criteria van artikel 4 van dit besluit en de leidraad die beschikbaar is op de website van de Commissie, vermelden.

De uiterste datum voor indiening van kandidaturen voor elk van die oproepen is uiterlijk tien maanden na de publicatie van de oproep.

De kandidaturen die in het kader van deze oproepen worden ingediend, moeten het programma schetsen dat de kandidaat-steden tijdens dat jaar willen verwezenlijken.

2.  De betrokken lidstaat moet de Commissie in kennis stellen van de kandidaturen.

Artikel 6

Jury

1.  Er wordt een jury samengesteld om de voorstellen van de kandidaat-steden te onderzoeken en de voordracht van één stad door de betrokken lidstaat aan te bevelen.

2.  De jury bestaat uit 13 leden. Zeven leden worden door de Europese instellingen voorgedragen: twee door het Europees Parlement, twee door de Raad, twee door de Commissie en een door het Comité van de Regio's. De overige zes leden worden door de betrokken lidstaat voorgedragen, in overleg met de Commissie. De lidstaat zal daarna de jury formeel benoemen. De jury wijst haar voorzitter aan uit de leden die door het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's zijn voorgedragen.

3.  Deze juryleden zijn onafhankelijke deskundigen die zich ten opzichte van de steden die op de oproep tot het indienen van kandidaturen hebben gereageerd, niet in een belangenconflict bevinden en die beschikken over een aanzienlijke ervaring en deskundigheid in de culturele sector, in de culturele ontwikkeling van steden of in de organisatie van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa".

De zeven door de Europese instellingen voorgedragen leden worden voor drie jaar benoemd. Ter afwijking worden in het eerste jaar waarin dit besluit in werking is twee deskundigen voor een jaar aangewezen door de Commissie, twee deskundigen voor twee jaar door het Europees Parlement, twee deskundigen voor drie jaar door de Raad en één deskundige voor drie jaar door het Comité van de Regio's.

Artikel 7

Preselectie

1.  Elk van de betrokken lidstaten roept uiterlijk vijf jaar voor de geplande aanvang van het evenement de in artikel 6 bedoelde jury bijeen.

2.  Elke jury evalueert overeenkomstig de criteria van artikel 4 de voorstellen van de steden die op de oproepen tot het indienen van kandidaturen hebben gereageerd.

De jury stelt een shortlist op van kandidaten die verder in aanmerking moeten worden genomen en stelt een verslag op over de voorstellen van de kandaat-steden en aanbevelingen voor de kandidaten op de shortlist.

De jury legt het verslag over aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie. Elke betrokken lidstaat keurt de shortlist die is gebaseerd op rapporten van de jury formeel goed.

Artikel 8

Definitieve selectie

1.  De steden op de shortlist vullen hun voorstel aan en sturen het aangevulde voorstel naar de betrokken lidstaat, die het vervolgens doorstuurt naar de Commissie.

2.  Negen maanden na de preselectievergadering roept elk van de betrokken lidstaten de desbetreffende jury bijeen voor de definitieve selectie.

De jury toetst de gewijzigde programma's van de steden op de shortlist aan de criteria van deze actie en aan de aanbevelingen die tijdens de preselectievergadering zijn gedaan.

De jury stelt een verslag op over de programma's van de kandidaten op de shortlist, alsook een aanbeveling voor de voordracht van één stad om Culturele Hoofdstad van Europa te worden.

Het verslag bevat ook aanbevelingen aan de geselecteerde stad met betrekking tot de vooruitgang en de ontwikkelingen die tegen een bepaald jaar verwezenlijkt moeten zijn indien zij door de Raad als Culturele Hoofdstad van Europa wordt aangewezen.

Het verslag wordt overgelegd aan de betrokken lidstaat en aan de Commissie. Het wordt op de internetsite van de Commissie gepubliceerd.

Artikel 9

Aanwijzing

1.  Uiterlijk vier jaar voor het evenement een aanvang moet nemen draagt elk van de betrokken lidstaten een stad voor om Culturele Hoofdstad van Europa te worden en deelt dit mee aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's.

De voordracht moet vergezeld gaan van een verantwoording van de beslissing op grond van de verslagen van de jury.

Bij de voordracht wordt rekening gehouden met de aanbevelingen van de jury.

2.  Het Europees Parlement kan uiterlijk drie maanden na de ontvangst van de voordrachten door de betrokken lidstaten een advies aan de Commissie doen toekomen.

Op grond van een aanbeveling van de Commissie die is opgesteld in het licht van het advies van het Europees Parlement en de verantwoordingen op basis van de verslagen van de jury's wijst de Raad officieel de steden in kwestie aan als Culturele Hoofdsteden van Europa voor het jaar waarvoor zij zijn voorgedragen.

Artikel 10

Toezichts- en adviespanel

1.  Er wordt een toezichts- en adviespanel ingesteld dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van de doelstellingen en de criteria van de actie en dat de culturele hoofdsteden vanaf het moment dat ze worden aangewezen tot het begin van het evenement Culturele Hoofdstad van Europa ondersteunt en adviseert.

2.  Het panel zal bestaan uit de zeven deskundigen die door het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's zijn voorgedragen als bedoeld in artikel 6, lid 2. Daarnaast mag de desbetreffende lidstaat een waarnemer voor dit panel voordragen.

3.  De steden in kwestie doen de Commissie drie maanden voor elke vergadering van het panel een voortgangsverslag toekomen.

4.  De Commissie roept het panel en de vertegenwoordigers van de stad in kwestie bijeen. Het panel wordt tweemaal bijeengeroepen om de voorbereidingen voor het evenement te inventariseren en daarbij advies te verlenen, teneinde de steden bij de ontwikkeling van een kwaliteitsprogramma met een sterke Europese dimensie bij te staan. De eerste vergadering van het panel vindt ten minste twee jaar voor het evenement plaats. De tweede vergadering vindt ten minste acht maanden voor het evenement plaats.

5.  Na elke vergadering stelt het panel een verslag op over de stand van zaken van de voorbereidingen voor het evenement, alsmede een lijst van te nemen stappen. In deze verslagen moet vooral worden gelet op de Europese toegevoegde waarde van het evenement conform de criteria die in artikel 4 en in de aanbevelingen in de verslagen van de jury en het toezichts- en adviespanel zijn vastgelegd.

6.  Deze verslagen worden de Commissie en de desbetreffende steden en lidstaten toegezonden. Ze worden tevens op de website van de Commissie bekendgemaakt.

Artikel 11

Prijs

Op basis van het verslag dat het toezichts- en adviespanel na zijn tweede vergadering als bedoeld in artikel 10, lid 4 (acht maanden voor het evenement) heeft uitgebracht, reikt de Commissie ter ere van Melina Mercouri een prijs uit aan de aangewezen steden die aan de in artikel 4 vastgelegde criteria voldoen en die de door de jury en het toezichts- en adviespanel aangedragen aanbevelingen hebben opgevolgd. Deze prijs bestaat uit een geldbedrag dat uiterlijk drie maanden voor het begin van het desbetreffende jaar wordt uitgekeerd.

Artikel 12

Evaluatie

Elk jaar verzekert de Commissie een externe en onafhankelijke evaluatie van de resultaten van het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" van het voorgaande jaar overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde doelstellingen en de criteria van de actie.

De Commissie presenteert uiterlijk aan het eind van het jaar volgend op het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" een verslag over die evaluatie aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's.

Artikel 13

Intrekking

Besluit nr. 1419/1999/EG wordt hierbij ingetrokken. Dat besluit zal echter wel van toepassing blijven op die steden die zijn aangewezen als Culturele Hoofdsteden voor de jaren 2007, 2008 en 2009.

Artikel 14

Overgangsbepalingen

1.  De steden die voor 2010 zijn aangewezen als Culturele Hoofdstad van Europa op grond van Besluit nr. 1419/1999/EG worden onderworpen aan de toezichtsprocedure vastgesteld in artikel 10 van dit besluit. De Commissie zal op grond van artikel 11 van dit besluit een prijs toekennen aan de aangewezen steden.

2.  In afwijking van artikelen 3 tot en met 9 geldt voor de aanwijzing van de Culturele Hoofdsteden van Europa voor de jaren 2011 en 2012 de volgende besluitvormingsprocedure:

1)  Steden in lidstaten worden als Culturele Hoofdsteden van Europa aangewezen, bij toerbeurt in de volgorde van de lijst in de bijlage.

2)  Elke lidstaat dient om beurten zijn voordracht voor één of meer steden in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio's.

3)  Deze voordracht gebeurt uiterlijk vier jaar voor de geplande aanvang van het desbetreffende evenement en kan vergezeld gaan van een aanbeveling van de betrokken lidstaat.

4)  Elk jaar stelt de Commissie een jury samen die een verslag opstelt over de voordracht of voordrachten getoetst aan de doelstellingen en eigenschappen van deze actie.

5)  De jury is samengesteld uit zeven toonaangevende onafhankelijke personen die deskundig zijn in de culturele sector; twee van hen worden aangewezen door het Europees Parlement, twee door de Raad, twee door de Commissie en één door het Comité van de Regio's.

6)  De jury dient haar verslag in bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad.

7)  Het Europees Parlement kan uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verslag een advies over de voordracht of voordrachten aan de Commissie doen toekomen.

8)  Op grond van een aanbeveling van de Commissie, die is opgesteld in het licht van het advies van het Europees Parlement en van het verslag van de jury, wijst de Raad officieel de desbetreffende stad aan als Culturele Hoofdstad van Europa voor het jaar waarvoor zij werd voorgedragen.

3.  In afwijking van artikel 4, zullen de criteria vastgelegd in artikel 3 en bijlage II bij Besluit nr. 1419/1999/EG van toepassing zijn op de Culturele Hoofdsteden van 2010, 2011 en 2012, tenzij de betreffende stad besluit haar programma te baseren op de criteria zoals vastgelegd in artikel 4.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van artikel 5, dat tegelijkertijd met de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing zal worden.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Volgorde bij het voordragen van een "Culturele Hoofdstad van Europa(6)"

2007

Luxemburg

Roemenië(7)

2008

Verenigd Koninkrijk

2009

Oostenrijk

Litouwen

2010

Duitsland

Hongarije

2011

Finland

Estland

2012

Portugal

Slovenië

2013

Frankrijk

Slowakije

2014

Zweden

Letland

2015

België

Tsjechië

2016

Spanje

Polen

2017

Denemarken

Cyprus

2018

Nederland

Malta

2019

Italië

Bulgarije(8)

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.
(2) Advies van 17 november 2005 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 5 april 2006.
(4) PB L 166 van 1.7.1999, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 649/2005/EG (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 20).
(5) Conclusies van de ministers van Cultuur, in het kader van de Raad bijeen, van 18 mei 1990 over toekomstige verkiesbaarheid als "Cultuurstad van Europa" en over een speciale Europese Cultuurmaandmanifestatie (PB C 162 van 3.7.1990, blz. 1).
(6) Ierland mocht in 2005 een "Culturele Hoofdstad van Europa" aanwijzen, Griekenland in 2006.
(7) Onder de voorwaarden van Besluit nr. 1419/1999/EG is de Roemeense stad Sibiu aangewezen als Culturele Hoofdstad van Europa voor het jaar 2007.
(8) Afhankelijk van toetreding tot de EU zal Bulgarije meedoen aan het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" van 2019.


Overgangsregeling die het vrij verkeer van werknemers op de arbeidsmarkten van de Europese Unie beperkt
PDF 132kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement over de overgangsregeling die het vrij verkeer van werknemers op de arbeidsmarkten van de Europese Unie beperkt (2006/2036(INI))
P6_TA(2006)0129A6-0069/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 2, eerste streepje van het EU-Verdrag,

–   gelet op artikel 3, lid 1, letter c), en de artikelen 12 en 39 van het EG-Verdrag,

–   gelet op het toetredingsverdrag dat op 16 april 2003 is ondertekend door de lidstaten van de EU-15, enerzijds, en door de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, anderzijds (het toetredingsverdrag)(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 februari 2006, getiteld 'Verslag over het functioneren van de overgangsregelingen als vastgesteld in het toetredingsverdrag van 2003 (periode 1 mei 2004 - 30 april 2006)' (COM(2006)0048),

–   onder verwijzing naar de tijdens zijn op 5 en 6 december 2005 gehouden vergadering van het uitvoerend comité van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) aangenomen resolutie, getiteld 'Naar vrij verkeer van werknemers in een uitgebreide Europese Unie',

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het rapport van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0069/2006),

A.   overwegende dat het vrij verkeer van werknemers een van de vier fundamentele vrijheden van het EG-Verdrag is en ook een manier is waarop de solidariteit tussen de EU-15 en de nieuwe lidstaten tot uitdrukking komt, en overwegende dat het vrij verkeer van personen een recht is maar niet mag dienen om massale stromen van arbeidskrachten en andere personen op gang te brengen,

B.   overwegende dat het toetredingsverdrag voorziet in de mogelijkheid tot invoering van een overgangsregeling voor het vrij verkeer van werknemers in drie fasen (2 + 3 + 2 jaar),

C.   overwegende dat 12 lidstaten van de EU-15 in mei 2004 een beperking van het vrij verkeer van werknemers uit acht nieuwe lidstaten hebben aangenomen en als reactie daarop drie van de nieuwe lidstaten eveneens het vrij verkeer hebben beperkt, en overwegende dat Duitsland en Oostenrijk van de mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om de vrijheid van diensten in bepaalde sectoren te beperken en die beperkingen met de overgangsregelingen voor het vrij verkeer van werknemers hebben verbonden,

D.   overwegende dat er in een "standstillbepaling" wordt voorzien dat wanneer een oude lidstaat de toegang tot zijn arbeidsmarkt tijdens de overgangsregeling beheerst met behulp van nationale wetgeving, de inwoners uit de nieuwe lidstaten niet mogen worden geconfronteerd met ernstigere beperkingen dan werden toegepast op de dag van ondertekening van het toetredingsverdrag; dat deze regel van toepassing is op de toegang op basis van nationale bepalingen of bilaterale akkoorden,

E.   overwegende dat de standstillbepaling er ook in voorziet dat de lidstaten van de EU-15 een voorkeursregel(2) in acht moeten nemen op grond waarvan inwoners van de nieuwe lidstaten voorrang hebben boven inwoners van derde landen wanneer er een baan wordt aangeboden aan een burger van een land buiten de EU-15,

F.   overwegende dat er mondiale problemen bestaan waaraan de EU niet kan ontkomen, met name opkomende economische machten, zoals China en Zuidoost-Azië, en de ouder wordende bevolking in Europa, die op termijn kunnen leiden tot de ineenstorting van de financiering van de systemen voor sociale zekerheid; dat het derhalve noodzakelijk is dat de EU haar concurrentiepositie verbetert en meer banen creëert, waarvoor een grotere mobiliteit binnen de uitgebreide EU is vereist,

G.   overwegende dat de Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid (2005-2008) terecht benadrukt dat het noodzakelijk is om beleid in te voeren dat de professionele en geografische mobiliteit bevoordeelt, en dat er in richtsnoer nummer 20 van de werkgelegenheidsrichtsnoeren(3) wordt verzocht de reactiviteit van de arbeidsmarkt te verbeteren door in het kader van de verdragen obstakels voor de mobiliteit van werknemers in de hele EU uit de weg te ruimen,

H.   overwegende dat het jaar 2006 tot Europees jaar van de mobiliteit van werknemers is uitgeroepen,

I.   overwegende dat Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen(4) een juridisch kader vaststelt om aan degenen die legaal en reeds lange tijd in een lidstaat verblijven de mogelijkheid te bieden de status van langdurig ingezetene te verwerven, waarbij deze personen in bepaalde omstandigheden ook in een andere lidstaat mogen werken,

J.   overwegende dat Richtlijn 2003/109/EG langdurig ingezeten onderdanen van derde landen in sommige gevallen een voordeliger status inzake hun verblijfsrechten toekent, alsmede betere toegang tot de arbeidsmarkten van de EU-15 dan inwoners van acht van de nieuwe lidstaten, en benadrukkend dat de solidariteit met werknemers uit derde landen niet tot discriminatie van de werknemers uit de nieuwe lidstaten mag leiden,

K.   overwegende dat de EU-15 op grond van de voorkeursregel bij de aanbieding van elke baan aan een burger van een land buiten de EU-15 voorrang moeten geven aan burgers van de nieuwe lidstaten en dat er zo spoedig mogelijk procedurele regels voor de tenuitvoerlegging van de voorkeursregel moeten worden opgesteld,

L.   overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 21 december 2005, getiteld 'Beleidsplan legale migratie' (COM(2005)0669), wordt verklaard dat de situatie op de arbeidsmarkten van de EU-lidstaten wordt gekenmerkt door structurele spanningen die zich uiten in de gelijktijdige aanwezigheid van hoge werkloosheid en een groot tekort aan arbeidskrachten, en dat het voor het oplossen van deze spanningen noodzakelijk is om maatregelen aan te nemen die een verhoogde flexibiliteit, een grotere mobiliteit en een betere aanpassingscapaciteit aan de markten verzekeren,

M.   overwegende dat het door de structurele spanningen waaronder de Europese economieën gebukt gaan in een aantal gevallen moeilijk is te voorzien in de behoefte aan arbeidskrachten in bepaalde sectoren door alleen uit de reserves van de nationale arbeidsmarkt te putten,

N.   overwegende dat migratie uit de nieuwe lidstaten voordelige effecten heeft op de economieën van de lidstaten die hun arbeidsmarkt hebben opengesteld, omdat deze de concurrentiepositie van bedrijven verbetert, zwartwerk vermindert, bijdraagt aan een verhoging van het niveau van de economische groei en aan het ontstaan van nieuwe banen, en er in het land van ontvangst voor zorgt dat het budget kan profiteren van hogere fiscale inkomsten,

O.   overwegende dat niet alleen naar de positieve effecten van de opening van de arbeidsmarkt in de EU-15 moet worden gekeken maar ook moet worden onderzocht welke positieve en negatieve effecten economische migratie op de nieuwe lidstaten heeft,

P.   overwegende dat het feit dat werknemers uit de nieuwe lidstaten in de EU-15-lidstaten nog steeds niet de kans op legale tewerkstelling aangeboden krijgen, nog meer illegale arbeid, grijze economie en uitbuiting van de werknemers in de hand heeft gewerkt,

Q.   overwegende dat migratie een zeer gevoelig politiek thema is in de EU en dat er dus een grote behoefte bestaat aan adequate informatieverstrekking aan Europese burgers over de grondslagen en praktische gevolgen van het vrij verkeer van werknemers binnen de EU,

R.   overwegende dat er door onvoldoende en slecht gestandaardiseerde gegevens over de intracommunautaire migratie momenteel geen adequate statistische instrumenten bestaan die de Europese instellingen en de lidstaten in staat stellen de voornaamste trends en de verschillende omstandigheden op de arbeidsmarkten van de uitgebreide EU te volgen,

S.   overwegende dat de versnipperde statistische gegevens die door de lidstaten werden verzameld, aangeven dat de migratiestroom binnen de EU-15 duidelijk hoger is dan de stroom uit de nieuwe lidstaten, zowel in absolute cijfers als op het niveau van de gegevens naar bevolking in de werkende leeftijd; dat de migratie afkomstig uit de nieuwe lidstaten geen aanzienlijke druk op de arbeidsmarkten van de EU-15 zet,

T.   overwegende dat de statistische gegevens van de lidstaten ook aantonen dat de migratie uit derde landen qua volume de migratiestroom binnen de EU ruim overschrijdt, zowel binnen de EU-15 als binnen de uitgebreide EU,

U.   overwegende dat het, om het vertrouwen van de burgers voor het openstellen van de arbeidsmarkten van de EU-15 te winnen, van essentieel belang is het nationale en EG-arbeidsrecht te eerbiedigen en met kracht toe te passen,

V.   overwegende dat een beslissing van de betrokken lidstaten om de in het kader van de overgangsregeling opgelegde beperkingen op te heffen, een duidelijk signaal zou zijn van solidariteit tussen de burgers van West- en Oost-Europa, die vele decennia lang om onaanvaardbare redenen van elkaar waren gescheiden,

W.   overwegende dat de lidstaten van de EU-15 voor 1 mei 2006 de Commissie formeel zullen moeten inlichten over hun voornemen om de beperkende maatregelen te laten gelden voor een nieuwe periode van drie jaar,

X.   overwegende dat de sociale partners, met name de EVV en de Unie van industriefederaties in de Europese Gemeenschap, zich ondubbelzinnig voor een zo spoedig mogelijke opheffing van de momenteel in het kader van de overgangsregeling geldende beperkingen hebben uitgesproken,

1.   roept de lidstaten op de van kracht zijnde overgangsmaatregelen af te schaffen, gezien de afwezigheid van spanningen op de arbeidsmarkten van de lidstaten die voor een openstelling zonder beperkingen hebben gekozen, en gezien het feit dat de vrees voor een massale immigratiestroom niet gerechtvaardigd blijkt te zijn;

2.   suggereert de lidstaten die kiezen voor een verlenging van de overgangsmaatregelen dit te doen op basis van een grondige analyse van de bedreiging voor hun arbeidsmarkt die uitgaat van elke afzonderlijke nieuwe lidstaat;

3.   stelt vast dat de overgangsperioden tot aanzienlijk meer zwartwerk en schijnzelfstandigheid bijdragen en in bepaalde regio's in toegenomen mate de lonen onder druk zetten, tot oneerlijke arbeidsvoorwaarden leiden en tot discriminatie en de uitbuiting van migrerende werknemers bijdragen;

4.   roept de lidstaten op om de "standstillbepaling" en de voorkeursregel ten uitvoer te leggen, op grond waarvan burgers uit de nieuwe lidstaten voorrang hebben boven burgers van derde landen wanneer er een vacature is;

5.   roept de Commissie op de inbreukprocedure van artikel 226 van het EG-Verdrag onmiddellijk in te leiden tegen elke lidstaat die zijn verplichtingen niet nakomt welke op grond van de artikelen 12, 39 of 42 van het EG-Verdrag of de "standstillbepaling" van het toetredingsverdrag op hem neerkomen;

6.   betreurt het dat meerdere lidstaten wetsbepalingen of administratieve maatregelen toepassen waarvan kan worden gezegd dat deze het vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten zwaardere beperkingen opleggen dan ten tijde van de ondertekening van het toetredingsverdrag werden opgelegd; concludeert dat deze beperkingen van de toegang van burgers uit nieuwe lidstaten tot de arbeidsmarkten van de EU-15 verder reiken dan is toegestaan in het kader van de overgangsregeling;

7.   betreurt het dat er lidstaten zijn waarin nog steeds bepalingen of administratieve maatregelen van kracht zijn die als discriminatie tussen werknemers kunnen worden beschouwd;

8.   verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het arbeidsrecht strikt wordt toegepast om zo een gelijke behandeling van alle EU-werknemers, een eerlijke concurrentiestrijd tussen bedrijven en het voorkomen van sociale dumping te verzekeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat migrerende werknemers hun fundamentele rechten en plichten kennen, met name wat betreft de non-discriminatiewetgeving overeenkomstig artikel 13 van het EG-Verdrag;

9.   verzoekt de Commissie en de lidstaten met nadruk hun inspanningen op te drijven om te garanderen dat bestaande gemeenschapswetgeving, arbeidsrechtelijke normen en met name de bepalingen van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(5) naar behoren worden uitgevoerd, waar nodig door de administratieve samenwerking te versterken;

10.   verzoekt de Commissie de grensoverschrijdende samenwerking tussen de arbeidsinspectiediensten van de lidstaten te versterken en de mogelijkheid te onderzoeken om een Europees netwerk voor samenwerking tussen die diensten (Sociaal Europol) tot stand te brengen;

11.   roept de Commissie, de lidstaten, de sociale partners en andere gespecialiseerde organen in de publieke en private sector op een eerlijke, doorzichtige procedure in te stellen die burgers van de nieuwe lidstaten in staat stelt werk te vinden onder fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en in een gezonde, veilige omgeving;

12.   verzoekt de Commissie en de Raad uiterlijk tegen januari 2009 gestandaardiseerde statistieken over migratie binnen de EU op te stellen, een systeem voor systematisch toezicht op de migratie van werknemers binnen de EU te ontwikkelen en de voor die activiteiten noodzakelijke financiële middelen beschikbaar te stellen;

13.   verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten een informatiecampagne te lanceren voor het brede publiek, om zo de burgers beter te informeren over de grondslagen en gevolgen van het vrij verkeer van werknemers binnen de EU en discriminatie gebaseerd op nationaliteit, ras of elke andere discriminatie die krachtens artikel 13 van het EG-Verdrag verboden is, te helpen bestrijden;

14.   verzoekt de EU-15 om over te gaan tot een adequate raadpleging van de sociale partners volgens de vereisten van de nationale gebruiken en praktijken voordat zij een beslissing nemen over het beëindigen of verlengen van overgangsregelingen met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten;

15.   verzoekt de lidstaten die de overgangsregelingen willen verlengen, gedurende de volgende fase reeds de nodige voorwaarden te scheppen opdat na 2009 de overgangsregelingen niet nog eens zouden moeten worden verlengd;

16.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten, de toetredingslanden en de kandidaat-lidstaten.

(1) PB L 236 van 23.9.2003, blz. 17.
(2) Lijst bedoeld in artikel 24 van de toetredingsakte – zie voor de Tsjechische Republiek Bijlage V, paragraaf 14; zie voor de Republiek Estland Bijlage VI, paragraaf 14; zie voor de Republiek Letland Bijlage VII, paragraaf 14; zie voor de Republiek Litouwen Bijlage IX, paragraaf 14; zie voor de Republiek Hongarije Bijlage X, paragraaf 14; zie voor de Republiek Polen Bijlage XII, paragraaf 14; zie voor de Republiek Slovenië Bijlage XIII, paragraaf 14; zie voor de Slowaakse Republiek Bijlage XIV, paragraaf 14.
(3) Beschikking 2005/600/EG van de Raad van 12 juli 2005 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 205 van 6.8.2005, blz. 21).
(4) PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.
(5) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid