Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2046(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0290/2006

Ingediende teksten :

A6-0290/2006

Debatten :

PV 11/10/2006 - 19
CRE 11/10/2006 - 19

Stemmingen :

PV 12/10/2006 - 7.25
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0417

Aangenomen teksten
PDF 162kWORD 81k
Donderdag 12 oktober 2006 - Brussel
Communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010
P6_TA(2006)0417A6-0290/2006

Resolutie van het Europees Parlement over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 (2006/2046(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 (COM(2006)0013) (hierna: het actieplan),

–   gezien het werkdocument van de Commissie over een communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren en de bijbehorende effectbeoordeling (COM (2006)0014 en SEC (2006)0065),

–   gezien het protocol bij het EG-Verdrag (Verdrag van Amsterdam) betreffende de bescherming en het welzijn van dieren,

–   gelet op Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt(1),

–   gezien de communautaire regelingen inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren,

–   gezien het momenteel in voorbereiding zijnde zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie (2007 tot 2013) (COM(2005)0119) (hierna: Zevende kaderprogramma),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Europese Voorjaarsraad, getiteld "Samen werken aan werkgelegenheid en groei - Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie" (COM(2005)0024),

–   gezien de richtsnoeren van de Commissie van 15 juni 2005 over de effectbeoordeling (SEC(2005)0791),

–   gezien het aan de Commissie gegeven mandaat voor de WTO-onderhandelingen op het gebied van de landbouw, zoals vastgelegd in het voorstel van de Commissie voor de modaliteiten van de landbouwonderhandelingen in de WTO (document 625/02) van januari 2003,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0290/2006),

A.   overwegende dat alle inspanningen voor de bescherming en het welzijn van dieren moeten uitgaan van het beginsel dat dieren wezens met gevoel zijn en dat met hun specifieke behoeften rekening moet worden gehouden en ook dat dierenbescherming in de 21e eeuw een uiting van menselijkheid is en een uitdaging voor de Europese beschaving en cultuur,

B.   overwegende dat Europa gedurende de afgelopen jaren een omvangrijk geheel van wetgeving inzake dierenbescherming heeft ingevoerd en inmiddels een van de hoogste niveaus van dierenbescherming ter wereld heeft bereikt, en dat het Europees Parlement herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat het dit proces als essentieel beschouwt, omdat een hoog niveau van dierenbescherming in Europa beantwoordt aan de vraag van het publiek naar ethisch en sociaal onproblematische producten,

C.   overwegende dat de dierenbescherming zich over een aantal beleidsterreinen uitstrekt en een groot aantal verschillende ethische, sociale, politieke en economische vragen opwerpt, en dat de dierenbescherming zich niet mag beperken tot de bescherming en het welzijn van proefdieren of landbouwdieren, maar voor alle dieren moet gelden,

D.   overwegende dat er een samenhang bestaat tussen dierenbescherming, diergezondheid en productveiligheid, en dat alternatieve testmethoden en een hoog niveau van dierenbescherming van teelt tot slacht positieve effecten kunnen hebben op de veiligheid en kwaliteit van de producten,

E.   overwegende dat de verdere ontwikkeling van de dierenbescherming in de Gemeenschap vraagt om intensiever onderzoek, integratie van dierenbeschermingsaspecten in alle relevante effectbeoordelingen en participatie van alle belangengroepen in het besluitvormingsproces, en dat transparantie, acceptatie en een uniforme toepassing en handhaving van de bestaande voorschriften op alle niveaus de voorwaarden vormen voor een succesvolle Europese dierenbeschermingsstrategie,

F.   overwegende dat een goede dierenbeschermingsstrategie zich ook ten doel moet stellen tegemoet te komen aan de hogere kosten van dierenbescherming, en dat een ambitieus dierenbeschermingsbeleid dat eenzijdig door de Europese Unie wordt ontwikkeld en dat niet vergezeld gaat van een Europese en wereldwijde dialoog en een actieve voorlichting in binnen- en buitenland over de voordelen van strenge dierenbeschermingsnormen slechts weinig succesvol kan zijn,

G.   overwegende dat het Europese dierenbeschermingsbeleid beslist geflankeerd moet worden door een samenhangend handelsbeleid, waarbij erkend moet worden dat, ondanks de inspanningen van de EU, dierenwelzijn noch in de kaderovereenkomst van juli 2004, noch in andere essentiële documenten van de Doha-ronde van de WTO-onderhandelingen een rol speelt, en dat het derhalve geen zin heeft nieuwe normen voor dierenwelzijn te introduceren die negatieve effecten kunnen hebben op de internationale concurrentiepositie van onze producenten, zolang er geen fundamentele verandering komt in de houding van de voornaamste partners van de EU in de WTO,

H.   overwegende dat erkenning van de zogenaamde niet-handelsoverwegingen, waaronder dierenwelzijn valt, geen prioriteit is geweest voor de Commissie bij de WTO-onderhandelingen; overwegende dat de erkenning van niet-handelsoverwegingen bijgevolg naar verwachting geen deel zal uitmaken van welke slotovereenkomst dan ook, tenzij de Commissie haar koers bij de onderhandelingen drastisch verandert,

I.   overwegende dat een agressieve strategie ter bescherming van de landbouwdieren die zich beperkt tot de Europese markt, het risico in zich draagt dat een deel van de Europese producenten het loodje zal leggen,

J.   overwegende dat iedere harmonisatie van de bescherming van landbouwdieren in de Europese Unie gepaard moet gaan met een regelgeving voor de import die op hetzelfde doel gericht is, om te voorkomen dat de Europese producenten op de Europese markt in een nadelige positie komen te verkeren,

K.   overwegende dat de toepassing van het principe van de 3 v's (vervangen, vermijden en verfijnen), dat het gebruik van dieren ten behoeve van onderzoek, wetenschap en markttoelating moet terugdringen, een hoeksteen vormt van het Europese dierenbeschermingsbeleid,

1.   verwelkomt het communautaire actieplan inzake de dierenbescherming voor de periode 2006 - 2010, dat voor het eerst het protocol over de dierenbescherming bij het Verdrag van Amsterdam omzet in een geïntegreerd totaalconcept voor de verdere ontwikkeling van de dierenbescherming in Europa;

2.   neemt met verontrusting ter kennis dat de Commissie zich slechts voorneemt "ernaar te streven" dat volledig rekening wordt gehouden met dierenwelzijn in aanverwante beleidsgebieden;

3.   acht het absoluut noodzakelijk een procedure in te voeren om te evalueren in hoeverre het dierenwelzijnsbeleid van de EU voldoet aan de wettelijke verplichtingen die zijn vastgelegd in het aan het Verdrag gehechte Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren;

4.   is van oordeel dat een betere dierenbescherming een permanente plicht van de Gemeenschap is en roept daarom de Commissie op tijdig over de resultaten te berichten en daarop voortbouwend met een mededeling te komen met betrekking tot de voortzetting van het actieplan na 2010;

5.   roept de Commissie en de lidstaten op om binnen de grenzen van hun bevoegdheden de dierenbescherming verder te ontwikkelen en hierbij ook de bescherming en het welzijn van alle dieren volledig te betrekken; roept de Commissie op om zich in er voor in te zetten dat beerbiggen in geheel Europa vanaf hun zevende levensdag onder verdoving worden gecastreerd;

6.   betreurt dat het Europees beleid inzake dierenwelzijn tot dusverre bijna uitsluitend het accent heeft gelegd op het welzijn en de bescherming van landbouwdieren;

7.   is verheugd over het streven van de Commissie naar ontwikkeling en verbetering van de wettelijke voorschriften voor de dierenbescherming, naar verdere integratie van dierenbeschermingsaspecten in alle communautaire beleidsterreinen en naar benutting van het gehele spectrum van mogelijke maatregelen (wetgeving, vrijwillige richtsnoeren voor goede praktijken, opleiding, subsidies, onderzoek, enz.), met als doel om op alle niveaus van de omgang met dieren een hoog niveau van dierenbescherming te waarborgen; acht het in dit verband van primair belang de aanzet tot wetgeving, voorzover deze gerechtvaardigd is, te beperken tot een gemeenschappelijke basis waarop vrijwillige aanvullende initiatieven met de dienovereenkomstige ad hoc-etikettering kunnen worden ontwikkeld;

8.   onderstreept dat het voor het verbeteren van bestaande of het opstellen van nieuwe normen voor de bescherming en het welzijn van dieren noodzakelijk is tot overeenstemming te komen over een prioriteitenlijst die duidelijk aangeeft welke diersoorten prioriteit moeten krijgen en waar de problemen liggen; is van oordeel dat een dergelijke prioriteitenlijst voor de komende jaren de volgende diersoorten moet omvatten: melkkoeien, volwassen runderen, aquacultuurdieren, mestvarkens en kalkoenen;

9.   is van mening dat aangezien elk van deze mechanismen een verschillende rol zal spelen, onderzoek op beleidsniveau van fundamenteel belang zal zijn om deze rollen vast te leggen en ze duidelijk te maken aan de betrokkenen;

10.   merkt op dat menig beleidsterrein van de EU van invloed is op het dierenwelzijn, zonder in het actieplan aan bod te komen, zoals duurzame ontwikkeling, de CITES-overeenkomst(2) en handels- en verkoopnormen; onderstreept hoe belangrijk het is om bij alle relevante beleidsterreinen met de belangen van dieren rekening te houden;

11.   wijst erop dat bij het invoeren van hogere normen voor de bescherming van het welzijn van dieren rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van de individuele regio's van de EU;

12.   onderstreept dat de Commissie de toepassing van alle momenteel geldende wettelijke bepalingen van de EU inzake dierenbescherming moet waarborgen, en dat deze ook in de toekomst gehandhaafd moeten worden;

13.   roept de Commissie en de lidstaten op bij alle voorschriften ook te letten op een uniforme toepassing en handhaving in de Europese Unie op basis van de cross compliance-regels en in geval van overtredingen consequent op te treden om bij de bevolking vertrouwen te verwerven in de bestaande regelingen en een eerlijke concurrentie in de Europese Unie te verzekeren;

14.   acht het noodzakelijk dat maatregelen ter verbetering van het welzijn van dieren ook vanuit het oogpunt van de sociaal-economische effecten worden bezien;

15.   roept de Commissie op voor alle maatregelen op het gebied van dierenbescherming systematisch relevante effectbeoordelingen uit te voeren; alle effectbeoordelingen van nieuwe dierenbeschermingsnormen moeten de totaliteit van ethische, maatschappelijke en economische effecten in aanmerking nemen en uitgaan van de laatste stand van de wetenschap, de praktische ervaringen en de ontwikkelingen op internationaal niveau; voorts moeten ze de positieve effecten aangeven en uitvoerig ingaan op de wisselwerkingen tussen de diverse factoren, zoals bijvoorbeeld dierenbescherming, duurzaamheid, diergezondheid, milieu en productkwaliteit;

16.   erkent dat hoge dierenwelzijnsnormen leiden tot extra kosten voor de boeren en is van mening dat specifieke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de productie wordt verplaatst naar landen met lagere normen; roept de Commissie derhalve op in alle effectbeoordelingen rekening te houden met het aspect van de baanzekerheid; overeenkomstig de herziene agenda van Lissabon is een nauwkeurige analyse van de kosten van nieuwe voorstellen en hun gevolgen voor de positie van de betrokken economische en wetenschappelijke kringen in de internationale mededinging onmisbaar;

17.   wijst erop dat de acceptatie van de dierenbeschermingsregels bij de verantwoordelijke personen groter wordt wanneer passende aanpassingstermijnen worden gesteld, rekening wordt gehouden met de bestands- en bedrijfsgrootte en geen onnodige bureaucratische verplichtingen worden opgelegd voor controle en documentatie; de mogelijkheden om hiertoe gebruik te maken van moderne technologieën en processen moeten goed worden onderzocht;

18.   beklemtoont dat er een nauwe wisselwerking is tussen dierenbescherming en diergezondheid, zodat de toepassing van het actieplan waar mogelijk zodanig plaatsvindt dat een betere dierenbescherming positieve gevolgen oplevert voor de diergezondheid en dat in het diergezondheidsbeleid steeds ook gestreefd wordt naar verbeteringen van de dierenbescherming, waarbij deze verbeteringen ook meetbaar moeten zijn;

19.   roept de Commissie op bij de bestrijding van dierepidemieën meer rekening te houden met aspecten van dierenbescherming; inentingen op regionaal niveau in noodgevallen verdienen principieel de voorkeur boven het afmaken van grote aantallen gezonde dieren als bestrijdingsmiddel; hoewel erkend moet worden dat er in de diverse lidstaten verschillend gedacht wordt over vaccinatie en dat dit gevolgen kan hebben voor de handel;waar technisch mogelijk dient er bovendien meer ruimte te zijn voor het preventief inzetten van vaccinatie; roept de Commissie ertoe op zich er nog meer voor in te spannen dat de betreffende verdragen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (Office International des Epizooties, OIE) dienovereenkomstig worden aangepast, zodat er minder beperkingen zijn voor de handel in producten afkomstig van gevaccineerde dieren;

20.   verwelkomt het feit dat ook in het gemeenschappelijk landbouwbeleid meer rekening wordt gehouden met dierenbescherming, maar wijst erop dat de bureaucratische kosten hiervan reeds nu veel te hoog zijn; betreurt voorts dat de besnoeiing van de middelen voor het plattelandontwikkelingsbeleid de financiering van steun voor de veehouders voor de aanpassing aan de communautaire wetgeving inzake dierenwelzijn in de praktijk zal bemoeilijken; betreurt dat pluimvee- en varkenshouders niet gecompenseerd worden voor het naleven van de communautaire wetgeving inzake dierenwelzijn in het kader van de regelingen betreffende de inachtneming van randvoorwaarden;

21.   roept de Commissie en de lidstaten op in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid positieve overweging te geven aan de inzet van alle instrumenten die voor de dierenbescherming ter beschikking staan;

22.   wijst op het feit dat de EU-regels inzake het vervoer van dieren (Verordening (EG) nr. 1/2005(3) en Richtlijn 95/29/EG(4)) in de praktijk vaak met voeten worden getreden, vooral de regels voor rustpauzes en voor de water- en voedselvoorziening aan de dieren; roept de Raad en de Commissie derhalve op de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de lidstaten vaker en beter controleren of de EU-regels wel worden nageleefd;

23.   wijst erop dat voor het vervoer van dieren beslist wetenschappelijk onderbouwde indicatoren van het dierenwelzijn (geschikte techniek, tijdplannen, geschoolde medewerkers) moeten worden ingevoerd en in acht genomen; en dat bij het vaststellen van deze indicatoren rekening moet worden gehouden met de klimatologische verschillen tussen de lidstaten, vanwege het verschillend aanpassingsniveau van de dieren aan de omgeving; verzoekt derhalve de Commissie het onderzoek te stimuleren, om objectieve en specifieke technische parameters te kunnen definiëren en invoeren waarmee het welzijn van dieren tijdens vervoer beter bepaald kan worden, en voorts integrale certificatiesystemen uit te werken die ook rekening houden met de invloed welke de uiteenlopende klimatologische en structurele kenmerken van de Europese regio's kunnen hebben op de dieren, de wijze en de duur van het vervoer;

24.   wijst erop dat de Commissie uiterlijk in 2010 een verslag moet voorleggen aan het Europees Parlement en de Raad over de minimale ruimte en de maximale reistijden voor dieren die vervoerd worden, vergezeld van passende wetgevende voorstellen;

25.   is van mening dat steun voor het principe van de 3 v's en steun voor toekomstige trends in het onderzoek betreffende dierenwelzijn twee verschillende zaken zijn, en dat Doelstelling 4 van het actieplan om deze reden in twee doelstellingen moet worden gesplitst;

26.   verwelkomt de aangekondigde onderzoeksinspanningen op het terrein van de dierenbescherming; dit onderzoek moet zich naast een algemene verbreding van de beschikbare kennis concentreren op het ontwikkelen van eenvoudig hanteerbare en transparante indicatoren voor dierenwelzijn, certificerings- en etiketteringssystemen en alternatieven voor dierproeven (principe van de 3 v's);

27.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat, wanneer adequate, wetenschappelijk bewezen indicatoren zijn ontwikkeld, deze zoveel als mogelijk is worden verwerkt in de bestaande en in nieuwe wetgeving inzake dierenbescherming; met andere woorden, de voorkeur moet worden gegeven aan voorschriften voor doelstellingen boven voorschriften voor middelen;

28.   verlangt van de Commissie dat iedere toekomstige herziening van de wetgeving over dierenwelzijn wordt gebaseerd op objectieve indicatoren, om willekeurige besluiten die ongerechtvaardigde economische repercussies hebben voor de veetelers te voorkomen;

29.   roept de Commissie en de lidstaten op te waarborgen dat in verband met het zevende kaderprogramma voor onderzoek voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor onderzoek betreffende de bescherming en het welzijn van alle dieren, om de doelstellingen van het actieprogramma ook daadwerkelijk te realiseren; dringt erop aan dat speciale nadruk wordt gelegd op het onderzoek naar objectieve indicatoren van dierenwelzijn en dat bij het vaststellen van deze indicatoren rekening wordt gehouden met de klimatologische verscheidenheid binnen de Europese Unie;

30.   roept de Commissie ertoe op het onderzoek naar en de ontwikkeling van elektronische systemen voor de identificatie van dieren te ondersteunen;

31.   roept de Commissie op te waarborgen dat technologieplatforms en onderzoeksactiviteiten uit het zesde kaderprogramma voor onderzoek, die een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieprogramma, zoals bijvoorbeeld "PredTox", ook in het zevende kaderprogramma voor onderzoek op informele wijze kunnen worden voortgezet;

32.   acht het noodzakelijk dat het principe van de 3 v's volledig wordt gerespecteerd en verwelkomt de inspanningen van de Commissie om voort te bouwen op Richtlijn 86/609/EEG; moedigt de Commissie aan om de desbetreffende wetgevingsvoorstellen nog in 2006 te presenteren en verwacht dat de Commissie in dat verband zal aangeven hoe een uniforme handhaving en controle op de voorschriften kan worden gewaarborgd;

33.   is van mening dat bij de voorgestelde herziening van de communautaire wetgeving inzake dierproeven ervoor gezorgd moet worden dat het toepassingsgebied van Richtlijn 86/609/EEG wordt uitgebreid tot het fundamenteel onderzoek en het onderzoek waarbij dieren voor pedagogische doeleinden worden gebruikt;

34.   dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bijdragen van het bedrijfsleven aan de vervanging van dierproeven die zijn goedgekeurd door het Europees partnerschap inzake alternatieve benaderingen doeltreffend zijn, openstaan voor nadere controle en op tijd beschikbaar worden gesteld; roept de Commissie op de bepalingen voor het gemeenschappelijk gebruik van gegevens over proeven met gewervelde dieren en het voorkomen van het dupliceren van dierproeven te verbeteren, deze toe te passen op alle gebieden waarop proefnemingen met dieren plaatsvinden en ze op te nemen in alle wetgeving die dierproeven voorschrijft; ook het gemeenschappelijk gebruik van gegevens van niet-gepubliceerde en negatieve studies valt hieronder;

35.   roept de Commissie op zich op internationaal niveau, met name in de WTO en in de OIE in te zetten voor één en hetzelfde normatief niveau voor de eisen in verband met dierenbescherming en dierproeven bij markttoelatingen en te ijveren voor de erkenning van in Europa gevalideerde methoden van bescherming; is van mening dat de ontwikkeling, validatie en aanvaarding van methodes zonder dierproeven versneld moet worden en dat in iedere fase meer geld, personeel en administratieve ondersteuning ter beschikking moet worden gesteld, om tot een zo spoedig mogelijke vervanging van dierproeven door alternatieve methodes te komen;

36.   roept de regelgevende instanties van de EU op de niet-dierproeven die al door het ECVAM (Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden) zijn gevalideerd, onverwijld te aanvaarden;

37.   is zich ervan bewust dat wetenschappelijk onderzoek van ondermaatse kwaliteit zowel onethisch is als een verspilling van middelen, en is van mening dat de EU moet eisen dat alle tests op veiligheid voor mens en milieu - zowel nieuwe als herziene en bestaande - volledig gevalideerd zijn overeenkomstig de moderne standaards, voordat zij in het kader van communautaire wetgeving of strategieën verplicht worden gesteld, worden aanbevolen of goedgekeurd;

38.   roept de Commissie op om alvorens over te gaan tot de oprichting van een nieuwe communautaire instelling voor de dierenbescherming te zorgen voor een betere onderlinge integratie van de bestaande communautaire instellingen die actief zijn op het gebied van de dierenbescherming;

39.   verwelkomt de inspanningen van de Commissie voor de ontwikkeling van en het onderzoek naar een etikettering voor dierenwelzijn, omdat deze de consument in staat stelt een geïnformeerde aankoopbeslissing te nemen; tevens moet gestreefd worden naar etikettering van verwerkingsproducten;

40.   is van mening dat de consumenten geïnformeerd moeten worden en erop voorbereid moeten zijn dat voor producten afkomstig van boerderijen met hogere dierenwelzijnsnormen hogere prijzen dienen te worden betaald, en dat deze producten dienovereenkomstig gemerkt moeten worden;

41.   is van mening dat het voor 2008 voorziene verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de mogelijkheid van een verplicht etiketteringssysteem voor pluimveevlees en pluimveevleesproducten, gebaseerd op de naleving van de dierenbeschermingsnormen, zich in het bijzonder moet concentreren op de naleving van normen die boven de minimumeisen uitgaan; een etiketteringsprogramma dat gebaseerd is op normen die boven het wettelijk minimum liggen, zou het bekende probleem oplossen van consumenten die een uit bijzonder diervriendelijke productie voortkomend product zouden willen kopen, maar dit in de winkel niet kunnen herkennen;

42.   roept de Commissie op te waarborgen dat de etikettering doorzichtig, goed begrijpelijk en betrouwbaar is; een "EU-etiket", waarop bijvoorbeeld vermeld zou staan "geproduceerd overeenkomstig de dierenbeschermingsnormen van de EU" en - voor producten die niet aan die normen voldoen - "niet overeenkomstig de dierenbeschermingsnormen van de EU geproduceerd", zou reeds de garantie bieden dat voldaan is aan een eenvoudige, voor alle in Europa verkochte producten verplichte standaard van dierenbescherming; in geval de bescherming verder gaat dan wat is vastgelegd in de minimumnormen, zou een speciale vermelding op het etiket de consument beter inzicht geven in de extra inspanningen die de producent zich heeft getroost, en zou meer druk uitoefenen op de handelspartners om de Europese dierenbeschermingsnormen over te nemen en Europa zou daardoor zijn dierenbeschermingsnormen in de hele wereld kunnen exporteren; benadrukt de rol van particuliere labels, vooral waar het gaat om hogere dierenwelzijnsnormen;

43.   verlangt dat de toekenning van financiële steun door de Commissie voor nationale informatie- en commercialisatiemaatregelen voor dierlijke levensmiddelen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1071/2005(5) van de Commissie plaatsvindt op basis van dierwaardige productienormen; de door Commissie in het Actieplan aangekondigde opstelling van Europese kwaliteitsnormen voor producten uit diervriendelijke productiesystemen dient derhalve met voorrang te worden aangepakt;

44.   neemt met instemming kennis van het voornemen het voor de consumenten makkelijker te maken de voorgestelde marketing- en informatiesystemen te herkennen, maar wijst tevens op de noodzaak de toepassing ervan voor allen die deel hebben aan de voedselketen te vergemakkelijken;

45.   steunt principieel de aangekondigde ontwikkeling van en het onderzoek naar geïntegreerde en uniforme indicatoren van dierenbescherming; deze moeten wetenschappelijk solide onderbouwd, objectief, meetbaar en herhaalbaar zijn en bijdragen aan de transparantie van de dierenbeschermingsnormen; ook is integratie van diergezondheidsaspecten noodzakelijk; geïntegreerde en uniforme indicatoren kunnen de controle vergemakkelijken, de bureaucratische lasten terugbrengen en leiden tot voor alle lidstaten vergelijkbare wetenschappelijke resultaten;

46.   roept de Commissie op de ontwikkeling van en het onderzoek naar geïntegreerde indicatoren van dierenbescherming binnen 3 jaar rond te krijgen;

47.   roept de Commissie op de aangekondigde communicatiestrategie zo snel mogelijk voor te leggen en consequent toe te passen; het actieplan kan alleen dan succes hebben wanneer alle actoren voldoende op de hoogte zijn van de voordelen die het huidige en het toekomstige hoge niveau van dierenbescherming in Europa heeft voor zowel dieren als producten;

48.   is van mening dat het potentieel van regelingen met hoge welzijnsnormen die beogen de bescherming van dieren te verbeteren, wordt ondermijnd door de concurrentie van goedkopere producten waarbij welzijnsnormen zijn toegepast welke niet hoger liggen dan het wettelijk minimum, en dat derhalve een wettelijk kader nodig is dat minimumnormen voor een gegarandeerde kwaliteit vastlegt;

49.   roept de Commissie en de lidstaten op hun inspanningen met het oog op de voorlichting aan de consument, te vergroten; de bestaande subsidie-instrumenten dienen te worden onderzocht in het licht van de mogelijkheden om de desbetreffende marketing- en voorlichtingscampagnes te faciliteren;

50.   verwelkomt de oprichting van een informatieplatform over dierenbescherming, dat de uitwisseling van informatie over actuele ontwikkelingen in de dierenbescherming, de stand van de wetenschappelijke kennis en met name ook van beste praktijken zal kunnen bevorderen;

51.   deelt de mening dat een Europese strategie nodig is voor de bevordering van de communicatie over het thema dierenbescherming in de Europese Unie en in derde landen, om de burgers inzicht te geven in de onderscheiden systemen die bestaan in de veeteelt, alsmede in de kosten en de voordelen van strengere dierenbeschermingsnormen; dit dient op onafhankelijke wijze en onder auspiciën van het daartoe voorgestelde centrum of laboratorium te geschieden;

52.   roept de Commissie en de lidstaten op voldoende middelen ter beschikking te stellen voor opleiding, bijscholing en advisering, bijvoorbeeld uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

53.   is van mening dat, op een moment waarop een brede liberalisering van de toegangsvoorwaarden tot de landbouwmarkten wordt gepland, de invoering van nieuwe hogere normen in de EU van 25, zonder standaardisering in de WTO, zou kunnen leiden tot afname van het concurrentievermogen van de communautaire productie;

54.   betreurt dat sommige onderdelen van de voedselproductie worden verplaatst naar landen buiten de EU, als reactie op de normen inzake dierenwelzijn en dierenbescherming die hier gelden, en dringt er bij de Commissie op aan de omvang van deze trend te evalueren;

55.   verzoekt de Commissie compensatie te verlenen voor de financiële verliezen van communautaire producenten die door het toepassen van de dierenwelzijnsmaatregelen hogere productiekosten hebben;

56.   wijst erop dat hogere dierenbeschermingsnormen in vele gevallen tot extra kosten leiden; in de vrije wereldhandel spelen aspecten van dierenbescherming tot nu toe echter slechts een ondergeschikte rol, wat tot "dumping van dierenwelzijn" kan leiden, en daarmee tot nadelen voor de Europese producenten in Europa en op markten in derde landen; stelt derhalve voor een instrument voor gekwalificeerde markttoegang te creëren dat voorkomt dat de dierenwelzijnsnormen van de EU worden ondermijnd; er zouden heffingen moeten worden opgelegd voor producten die niet voldoen aan de EU-normen;

57.   verwelkomt derhalve alle maatregelen en initiatieven van de Commissie die bevorderlijk zijn voor een internationale consensus over hoge dierenbeschermingsnormen; er moet beslist en met voorrang worden gestreefd naar een verdere ontwikkeling van de dierenbeschermingsnormen in het kader van de OIE en naar juridische erkenning daarvan door de WTO, in het belang van een zo hoog mogelijk, uniform niveau van dierenbescherming over de hele wereld; verzoekt de Commissie in de tussentijd de concurrentievervalsingen waaronder de communautaire producenten te lijden hebben niet door nieuwe dwingende, gedetailleerde en uniforme normen nog te vergroten;

58.   vraagt de Commissie zich te beijveren voor de expliciete erkenning van de hoge standaard van de dierenwelzijnsregels van de EU in de komende herzieningen van de overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de WTO en eventuele andere relevante WTO-overeenkomsten;

59.   betreurt dat dierenwelzijn geen deel uitmaakt van de huidige onderhandelingsronde van de WTO; dringt erop aan dat de Commissie de Europese normen verdedigt, echter in het bewustzijn van de extra kosten die de producenten van de EU hebben als gevolg van de naleving van deze normen;

60.   pleit nadrukkelijk voor een versterking van de dierenbescherming in het kader van de WTO; roept de Commissie op zich in het kader van de Doha-ronde krachtig ervoor in te zetten dat dierenbescherming op de onderhandelingsagenda wordt opgenomen als "niet-handelsoverweging" en dat subsidies voor dierenbescherming in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid en het randvoorwaardenbeleid volledig worden toegelaten tot de "green box";

61.   verzoekt de Commissie te streven naar erkenning van de niet-handelsoverwegingen in het kader van de WTO, of naar meer consensus op internationaal niveau wat betreft dierenbeschermingsnormen, alvorens de wetgeving inzake dierenbescherming in de Europese Unie aan te scherpen;

62.   wijst erop dat de handelsregels van de WTO de validatie van productiesystemen niet beperken, zoals wordt geïmpliceerd door de oorspronkelijke bewoordingen van de Mededeling, en dat het derhalve mogelijk en wenselijk is productiesystemen te valideren die aanzienlijk hogere welzijnsnormen aanhouden dan de minimumvereisten;

63.   steunt de Commissie in haar inspanningen om in aanvulling op de multilaterale strategie ook in bilaterale overeenkomsten (bijvoorbeeld met Chili en Canada) over handel en veterinaire voorschriften te streven naar vastlegging van dierenbeschermingsnormen en de dialoog met derde landen en hun vertegenwoordigers over thema's in verband met dierenbescherming te versterken;

64.   is van mening dat in alle huidige en toekomstige bilaterale akkoorden met derde landen in verband met sanitaire en fytosanitaire maatregelen doelstellingen moeten worden opgenomen die garanderen dat dierproducten uit derde landen worden geproduceerd conform dierenwelzijnsnormen die ten minste vergelijkbaar zijn met die van de EU en dat deze normen aan de Europese consument worden meegedeeld;

65.   roept de Commissie en de lidstaten ertoe op actie te ondernemen om de importeurs van dierlijke producten in de Europese Unie ertoe aan te sporen van hun leveranciers te eisen dat zij op zijn minst het wettelijk niveau van de dierenwelzijnsnormen van de EU in acht nemen;

66.   verwelkomt de aangekondigde dialoog met de ontwikkelingslanden over de extra marktkansen die hoge dierenbeschermingsnormen hen kunnen bieden; verzoekt de Commissie de ontwikkelingslanden te helpen, als onderdeel van bestaande en nieuwe steunprogramma's voor handel te voldoen aan de dierenbeschermingsnormen;

67.   verwelkomt de inspanningen van de Commissie om ontwikkelingslanden door middel van handelsgerelateerde bijstand in staat te stellen bij te dragen tot de totstandkoming van een internationale standaard;

68.   juicht het werk toe dat de Commissie via projecten voor handelsgerelateerde technische bijstand met ontwikkelingslanden heeft verricht, bijvoorbeeld door hun deskundigen te helpen vergaderingen over internationale normering bij te wonen en door technische deskundigen uit de EU naar ontwikkelingslanden te sturen; merkt op dat vertegenwoordigers uit derde landen reeds kunnen deelnemen aan EU-opleidingen over de tenuitvoerlegging van de EU-regels voor dierenwelzijn die voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden georganiseerd en is van mening dat de ontwikkelingslanden handelsmogelijkheden alleen ten volle kunnen benutten als de Gemeenschap verzoeken om analyse, opleiding, onderzoek en financiële steun honoreert en dit zowel via bi- als multilaterale ontwikkelingsinitiatieven; is voorts van mening dat deze landen direct de vruchten plukken van de verbetering van het dierenwelzijn, zowel financieel als qua voedselproductie en milieubescherming;

69.   is van mening dat de beslissing van de Gemeenschap om de invoer van met hormonen behandeld rundvlees te verbieden, volledig door wetenschappelijke studies wordt gestaafd; dringt er bij Canada en de Verenigde Staten op aan hun ongerechtvaardigde, met de WTO onverenigbare sancties op Europese goederen onverwijld op te heffen;

70.   verwelkomt het voorgestelde verbod op de invoer, uitvoer, verhandeling en verwerking van honden- en kattenbont; roept de Commissie op een totaalverbod op de invoer van zeehondenproducten en van "producten van wreedheid" uit derde landen in te stellen, zoals bont van levend gevilde dieren, bont van fokkerijen die niet onder veterinaire controle staan en farmaceutische producten op basis van bedreigde soorten, evenals op invoer uit alle landen waar de productienormen zo laag zijn dat deze het milieu en de biodiversiteit in gevaar brengen;

71.   roept de Commissie ertoe op voorstellen in te dienen om het tijdelijk verbod op de invoer in de EU van gevangen in het wild levende vogels permanent te maken, zulks om ethische, gezondheids- en welzijnsredenen;

72.   vreest dat de handel in exotische dieren de biodiversiteit en het dierenwelzijn in gevaar brengt; meent daarom dat bij het uitstippelen van het dierenwelzijnbeleid met het oog op de grensoverschrijdende problemen waarnaar in de mededeling wordt verwezen, ook rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor de biodiversiteit;

73.   spreekt zijn bezorgdheid uit over het lijden van vechtdieren; roept de Europese Gemeenschap ertoe op om door middel van nationale of communautaire wetgeving - wat per geval het meest passend is - een einde te maken aan honden- en hanengevechten, en ervoor te zorgen dat degenen die daarbij betrokken zijn geen staats- of overheidssubsidie ontvangen voor hun activiteiten;

74.   is van mening dat de voor 2010 voorziene indiening van een verslag door de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad over de invloed van genetische parameters op het welzijn van broedkippen en slachtkippen vergezeld moet gaan van passende wetgevende voorstellen;

75.   is van mening dat de voor 2009 voorziene indiening van een verslag bij het Europees Parlement en de Raad over de bescherming van mestvarkens vergezeld moet gaan van passende wetgevingsvoorstellen;

76.   wenst dat Bulgarije en Roemenië zich nu reeds aansluiten bij de doelstellingen van de Gemeenschap inzake dierenbescherming en alle bestaande wetgeving van de EU inzake dierenwelzijn overnemen en uitvoeren vóór januari 2007, of, indien in hun toetredingsverdragen in een overgangsperiode is voorzien, tenminste binnen die periode;

77.   is van mening dat de Commissie vóór de opname van een nieuwe lidstaat in de Europese Unie dient te controleren of de dierenbeschermingswetgeving van de Unie naar behoren in nationaal recht is omgezet en of de voorgeschreven nationale controles adequaat worden uitgevoerd;

78.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1.
(2) Overeenkomst van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten.
(3) Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).
(4) Richtlijn 95/29/EG van de Raad van 29 juni 1995 tot wijziging van Richtlijn 91/628/EEG inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (PB L 148 van 30.6.1995, blz. 52).
(5) Verordening (EG) nr. 1071/2005 van de Commissie van 1 juli 2005 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt (PB L 179 van 11.7.2005, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid