Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2004/0218(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0288/2006

Ingediende teksten :

A6-0288/2006

Debatten :

PV 23/10/2006 - 19
CRE 23/10/2006 - 19

Stemmingen :

PV 24/10/2006 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0431

Aangenomen teksten
PDF 307kWORD 92k
Dinsdag 24 oktober 2006 - Straatsburg
Financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) ***II
P6_TA(2006)0431A6-0288/2006
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) (6284/1/2006 – C6-0226/2006 – 2004/0218(COD))

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad(1) (6284/1/2006 – C6-0226/2006),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2004)0621),

–   gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie (COM(2004)0621/2),

–   gelet op artikel 251, lid 2 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 62 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0288/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt, als geamendeerd door het Parlement;

2.   dringt er bij de Commissie op aan om, ingeval de medewetgevers in tweede lezing geen overeenstemming over LIFE+ bereiken, een oplossing voor te stellen die de financiering mogelijk maakt van activiteiten die tot de institutionele prerogatieven behoren en die vanaf 2007 onder het LIFE+-programma komen te vallen; verzoekt de Commissie voorlopige maatregelen voor te stellen voor projectactiviteiten, teneinde een financieringsgat te vermijden en de continuïteit van het communautaire beleid inzake milieu en duurzame ontwikkeling in 2007 te waarborgen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 238 E van 3.10.2006, blz. 1.
(2) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 451.


Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 24 oktober 2006 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+)
P6_TC2-COD(2004)0218

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Milieubescherming is één van de belangrijkste dimensies van de duurzame ontwikkeling van de Europese Unie. Milieubescherming is een prioriteit voor medefinanciering door de Gemeenschap en dient hoofdzakelijk te worden gefinancierd met de horizontale financiële instrumenten van de Gemeenschap, waaronder het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, het Europees Visserijfonds en het zevende kaderprogramma voor onderzoek.

(2)  Deze communautaire financiële instrumenten bestrijken niet alle prioriteiten op milieugebied. Derhalve is er een financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) nodig om specifieke steun te verlenen voor de ontwikkeling en de uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, met name de doelstellingen van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (6e MAP) vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002(4).

(3)  Deze steun moet worden verstrekt in de vorm van subsidieovereenkomsten en contracten voor overheidsopdrachten overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5).

(4)  Door LIFE+ gefinancierde maatregelen en projecten dienen te voldoen aan bepaalde selectiecriteria, teneinde te waarborgen dat de financiële middelen van de Gemeenschap optimaal worden benut. Maatregelen en projecten dienen te voldoen aan aanvullende selectiecriteria teneinde een Europese meerwaarde te bieden en te voorkomen dat steeds terugkerende activiteiten worden gefinancierd, behalve wanneer zulke activiteiten een duidelijke demonstratieve waarde of een opstartfunctie hebben.

(5)  Op het gebied van natuur en biodiversiteit vormt de uitvoering van het beleid en van de wetgeving van de Gemeenschap als zodanig een kader voor Europese meerwaarde. Maatregelen en projecten op het gebied van beste praktijken of demonstratiemaatregelen en -projecten, met inbegrip van maatregelen en projecten met betrekking tot het beheer en het aanwijzen van Natura 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(6) en Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(7), moeten voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+ in aanmerking komen, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van andere financiële instrumenten van de Gemeenschap. De Commissie dient een evaluatie op te stellen van de bijdrage van deze aanvullende instrumenten voor de financiering van Natura 2000, en wel tijdig vóór de evaluatie van 2008/9 van het financieel kader, zodat de nodige wijzigingen in LIFE+ kunnen worden aangebracht en een hoog niveau van communautaire medefinanciering kan worden gewaarborgd.

(6)  De lidstaten zijn in 2004 in Malahide overeengekomen dat regelingen moeten worden opgesteld om een adequate financiering voor het Natura 2000-netwerk te waarborgen, inclusief cofinanciering door de Gemeenschap. Omdat in het kader van deze verordening alleen maatregelen inzake beste praktijken en demonstratie in verband met het beheer van Natura 2000-locaties zullen worden gefinancierd, moeten de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld via andere instrumenten voor het beheer van het netwerk, waarvan de jaarlijkse kosten worden geraamd op 6 100 000 000 EUR voor de EU als geheel.

(7)  Innoverende maatregelen of projecten dan wel demonstratiemaatregelen of -projecten met betrekking tot communautaire milieudoelstellingen, met inbegrip van de ontwikkeling of verspreiding van beste praktijken, knowhow en technologieën, alsmede maatregelen en projecten gericht op voorlichtingscampagnes en speciale opleiding van personen die betrokken zijn bij bosbrandpreventie moeten in aanmerking komen voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit andere financiële instrumenten van de Gemeenschap.

(8)  Maatregelen en projecten ter ontwikkeling en uitvoering van de communautaire doelstellingen gericht op de breed opgezette, geharmoniseerde en alomvattende bewaking van bossen en milieu-interacties op de lange termijn, moeten in aanmerking komen voor communautaire financiering uit hoofde van LIFE+, tenzij zij in aanmerking komen voor financiering uit andere financiële instrumenten van de Gemeenschap.

(9)  Voor een doeltreffende ontwikkeling en uitvoering van het beleid in het kader van het 6e MAP is steun voor beste praktijken of demonstratiemaatregelen en -projecten voor de ontwikkeling en de uitvoering van het communautaire milieubeleid onontbeerlijk. Het gaat om voorbeelden van innovatieve beleidsaanpak, technologieën, methoden en instrumenten; versterken van de kennis; opbouwen van een competente uitvoeringspraktijk; bevorderen van behoorlijk bestuur, netwerken, sociale leertrajecten en uitwisseling van ervaringen; optimale verspreiding van informatie, bewustmaking en communicatie. Financiële steun in het kader van deze verordening moet derhalve bijdragen tot de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van milieubeleid en milieuwetgeving, alsmede de bekendmaking en verspreiding daarvan in de hele Gemeenschap.

(10)  LIFE+ moet uit drie onderdelen bestaan: LIFE+ Natuur en Biodiversiteit; LIFE+ Milieubeleid en Bestuur; en LIFE+ Informatie en Communicatie. De door LIFE+ gefinancierde maatregelen en projecten kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan één van deze drie onderdelen. Ook kunnen zij deelname van meer dan één lidstaat betreffen. Zij kunnen tevens bijdragen tot de ontwikkeling van strategische benaderingen voor het realiseren van milieudoelstellingen.

(11)  Teneinde haar taken op het gebied van het initiëren van milieubeleidsontwikkeling en -uitvoering te kunnen vervullen, heeft de Commissie middelen van LIFE+ nodig om studies en evaluaties af te ronden, bepaalde diensten te verlenen met het oog op de uitvoering en integratie van milieubeleid en milieuwetgeving, vergaderingen, studiebijeenkomsten en workshops voor deskundigen en belanghebbenden te organiseren, netwerken te vormen en te onderhouden, en computersystemen op te zetten en te onderhouden. Daarnaast zou de Commissie het centraal beheerde deel van de LIFE+-begroting gebruiken om activiteiten te ontplooien op het gebied van voorlichting, publicatie en verspreiding, onder meer via manifestaties, tentoonstellingen en vergelijkbare bewustmakingsactiviteiten, voor de ontwikkelings- en productiekosten van audiovisueel materiaal, en om technische en/of administratieve bijstand te krijgen in verband met selectie, voorbereiding, beheer, monitoring, controle en supervisie van programma's en projecten.

(12)  Niet-gouvernementele organisaties (NGO's) dragen bij tot de ontwikkeling en uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving. Daarom is het wenselijk dat het centraal beheerde deel van de LIFE+-begroting de activiteiten van een aantal naar behoren gekwalificeerde NGO's ondersteunt door op competitieve en transparante wijze jaarlijkse exploitatiesubsidies toe te kennen. Deze NGO's moeten onafhankelijk zijn en mogen geen winstoogmerk hebben, en moeten actief zijn in ten minste drie Europese landen, hetzij alleen hetzij in de vorm van een samenwerkingsverband.

(13)  De ervaring die met bestaande en eerdere instrumenten is opgedaan, heeft de noodzaak verduidelijkt van planning en programmering op meerjarenbasis en van een concentratie van de inspanningen ter bevordering van de bescherming van het milieu door prioritering en de aanwijzing van de activiteitsterreinen waar medefinanciering door de Gemeenschap nut kan hebben.

(14)  De lidstaten dienen nationale jaarlijkse werkprogramma's op te stellen die geen plannen en programma's zijn die voor een aantal sectoren worden opgesteld en een kader bieden voor de goedkeuring van ontwikkelingen in de toekomst, die geen plannen en programma's zijn die uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad moeten worden beoordeeld, en die werkprogramma's mogen niet worden beschouwd als plannen en programma's waarop Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's(8) van toepassing is.

(15)  De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, met inbegrip van de financieringsinstrumenten. LIFE+ moet derhalve complementair zijn met andere financieringsinstrumenten van de Gemeenschap, en de Commissie en de lidstaten moeten die complementariteit op communautair, nationaal, regionaal en lokaal niveau waarborgen.

(16)  Conform de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg (december 1997) en Thessaloniki (juni 2003) dienen de kandidaat-lidstaten en de landen van de westelijke Balkan die betrokken zijn bij het stabilisatie- en associatieproces, in aanmerking te kunnen komen voor deelname aan de communautaire programma's, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende met deze landen gesloten bilaterale overeenkomsten.

(17)  Een aantal bestaande milieu-instrumenten moet worden geconsolideerd, en programmering en beheer moeten worden vereenvoudigd door het opzetten van één enkel gestroomlijnd financieel instrument voor het milieu.

(18)  Ook moet worden gezorgd voor een vlotte overgang, en dienen de monitoring en de financiële controle alsmede de kwalitatieve evaluatie van de via lopende programma's gefinancierde activiteiten na het aflopen daarvan te worden voortgezet.

(19)  Deze verordening stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en goed financieel beheer(9).

(20)  De algemene doelstelling van LIFE+ is bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, en met name de uitvoering van het 6e MAP te ondersteunen. De lidstaten kunnen een Europese meerwaarde bereiken door, in het kader van de communautaire instrumenten, onderling samen te werken teneinde de doelstellingen op nationaal en lokaal niveau dichterbij te brengen, de communautaire doelstellingen te verwezenlijken of kennis in de gehele Gemeenschap uit te wisselen. Aangezien deze doelstelling van LIFE+ niet voldoende door de lidstaten en dus beter door de Gemeenschap kan worden gerealiseerd, kan de Gemeenschap het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(21)  Bij deze verordening worden vele belangrijke besluiten naar de meerjarige strategische programma's en de nationale jaarlijkse werkprogramma's overgeheveld. De kwesties zijn cruciaal voor de afzonderlijke lidstaten en voor hun nationale milieubeleid. Daarom is het aangewezen bepaalde maatregelen te nemen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van 28 juni 1999 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(10), teneinde de lidstaten de keuzemogelijkheid te bieden voorgestelde maatregelen ter bespreking aan de Raad voor te leggen. De regelgevingsprocedure leent zich tevens voor de vaststelling van andere uitvoeringsvoorschriften dan de technische maatregelen die uitdrukkelijk in deze verordening worden genoemd. De regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG dient te gelden voor de vaststelling en eventuele wijziging van de overeenkomstig artikel 6, lid 1 van deze verordening opgestelde strategische meerjarenprogramma's en het aanbrengen van wijzigingen in de bijlage bij deze verordening, waarin belangrijke voorschriften zoals met name de voor financiering in aanmerking komende maatregelen zijn opgenomen, om de twee takken van de begrotingsautoriteit in staat te stellen zulke maatregelen te toetsen alvorens zij worden vastgesteld.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.  Deze verordening stelt een financieringsinstrument voor het milieu ("LIFE+") vast.

2.  De algemene doelstelling van LIFE+ is bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, met inbegrip van de integratie van het milieu in de andere beleidssectoren, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling.

LIFE+ ondersteunt in het bijzonder de uitvoering van het 6e MAP, waaronder de thematische strategieën, en financiële maatregelen en projecten met een Europese meerwaarde in de lidstaten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

   1) "6e MAP": het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap, vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG;
   2) "Financieel Reglement": Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

Artikel 3

Selectiecriteria

1.  De door LIFE+ gefinancierde maatregelen en projecten ondersteunen de verwezenlijking van de in artikel 1, lid 2, genoemde algemene doelstelling. Waar mogelijk versterken door LIFE+ gefinancierde maatregelen en projecten de synergieën tussen de verschillende prioriteiten van het 6e MAP en bevorderen de integratie.

2.  Maatregelen die zijn voorgesteld in de overeenkomstig artikel 6, lid 1, opgestelde strategische meerjarenprogramma's, nationale jaarlijkse werkprogramma's die zijn aangenomen overeenkomstig artikel 6, lid 4, alsmede projecten die in het kader van dergelijke programma's worden uitgevoerd, voldoen aan de volgende criteria. Zij moeten:

   a) van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de in artikel 1, lid 2, neergelegde algemene doelstelling van LIFE+; en
   b) technisch en financieel coherent zijn, haalbaar zijn en een gunstige kosten-batenverhouding hebben.

3.  De Commissie zorgt ervoor dat interregionale en grensoverschrijdende projecten in de nationale jaarlijkse werkprogramma's worden opgenomen, met name indien grensoverschrijdende samenwerking van essentieel belang is om het behoud van soorten te waarborgen.

4.  Bovendien moeten, teneinde een Europese meerwaarde te garanderen en financiering van steeds terugkerende activiteiten te voorkomen, de in de nationale jaarlijkse werkprogramma's voorgestelde maatregelen en de projecten die in het kader van die programma's worden uitgevoerd, ten minste aan één van de volgende criteria voldoen:

   a) maatregelen of projecten zijn op het gebied van beste praktijken dan wel demonstratiemaatregelen of -projecten ter uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG of Richtlijn 92/43/EEG;
   b) innoverende maatregelen of projecten dan wel demonstratiemaatregelen of -projecten zijn met betrekking tot communautaire milieudoelstellingen, met inbegrip van de ontwikkeling of verspreiding van beste praktijken, knowhow of technologieën;
   c) voorlichtingscampagnes zijn en speciale opleiding van personen die betrokken zijn bij bosbrandpreventie;
   d) maatregelen of projecten zijn ter ontwikkeling en uitvoering van de communautaire doelstellingen met betrekking tot de breed opgezette, geharmoniseerde en alomvattende monitoring van bossen en milieu-interacties op de lange termijn.

Artikel 4

Specifieke doelstellingen

1.  LIFE+ bestaat uit drie onderdelen:

–  LIFE+ Natuur en Biodiversiteit,

–  LIFE+ Milieubeleid en Bestuur,

–  LIFE+ Informatie en Communicatie.

2.  De specifieke doelstellingen van LIFE+ Natuur en Biodiversiteit zijn:

   a) bijdragen tot de uitvoering van communautair beleid en wetgeving inzake natuur en biodiversiteit, in het bijzonder ten aanzien van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG met inbegrip van op lokaal en regionaal niveau, alsmede de verdere ontwikkeling en uitvoering van Netwerk Natura 2000, waaronder kustgebieden en mariene habitats en soorten;
   b) bijdragen tot de consolidering van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring en evaluatie van communautair beleid en wetgeving inzake natuur en biodiversiteit;
   c) ondersteuning van het ontwerpen en de uitvoering van beleidsbenaderingen en -instrumenten voor monitoring en evaluatie van de toestand van de natuur en de biodiversiteit en van de factoren, de milieudruk en de reactiemechanismen die hen beïnvloeden, met name in verband met de verwezenlijking van de doelstelling om vóór 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit in de Gemeenschap een halt toe te roepen;
   d) bijdragen tot de ontwikkeling en doelmatige uitvoering van het beleid tegen de bedreiging die de klimaatsverandering vormt voor natuur en biodiversiteit, de resistentie van de ecosystemen tegen klimaatveranderingen versterken en hun aanpassing aan klimaatveranderingen vergemakkelijken;
   e) zorgen voor ondersteuning van een beter milieubestuur, met een bredere participatie van de belanghebbende partijen - met inbegrip van NGO's - in het overleg over en de uitvoering van beleid en wetgeving op het gebied van natuur en biodiversiteit.

3.  De specifieke doelstellingen van LIFE+ Milieubeleid en Bestuur ten aanzien van de doelstellingen van het 6e MAP en voor de prioriteitsgebieden klimaatverandering, milieu en gezondheid en kwaliteit van leven, alsmede natuurlijke hulpbronnen en afvalstoffen zijn:

   a) bijdragen tot de ontwikkeling en demonstratie van innovatieve beleidsbenaderingen, technologieën, methoden en instrumenten;
   b) bijdragen tot de versterking van de kennisbasis voor de ontwikkeling, beoordeling, monitoring en evaluatie van het milieubeleid en de milieuwetgeving;
   c) de ontwikkeling en uitvoering ondersteunen van methoden van de monitoring en evaluatie van de toestand van het milieu en de factoren, de milieudruk en de reactiemechanismen die deze toestand beïnvloeden;
   d) de uitvoering van het communautaire milieubeleid vergemakkelijken, met bijzondere nadruk op de uitvoering op lokaal en regionaal niveau;
   e) zorgen voor ondersteuning van een beter milieubestuur, met een bredere participatie van de belanghebbende partijen - met inbegrip van NGO's - in het overleg over en de uitvoering van het beleid.

4.  De specifieke doelstellingen van LIFE+ Informatie en Communicatie zijn:

   a) informatie verspreiden en de bewustwording ten aanzien van milieuvraagstukken, daaronder begrepen bosbrandpreventie, vergroten;
   b) steun verlenen aan begeleidende maatregelen (zoals informatie, communicatieacties en -campagnes, conferenties en opleiding, daaronder begrepen opleiding inzake bosbrandpreventie).

5.  De bijlage bevat een lijst van in aanmerking komende maatregelen.

Artikel 5

Financieringsvormen

1.  Communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:

   a) financieringsovereenkomsten;
   b) contracten voor overheidsopdrachten.

2.  Communautaire subsidies kunnen worden verstrekt in verschillende vormen, zoals kaderpartnerschapsovereenkomsten, participatie in financieringsmechanismen en fondsen, medefinanciering van subsidies voor huishoudelijke kosten en het uitvoeren van acties. Op subsidies voor huishoudelijke kosten verleend aan organisaties die doelstellingen van algemeen Europees belang nastreven, zijn de bepalingen inzake degressiviteit van het Financieel Reglement niet van toepassing.

3.  Het maximumpercentage van de medefinanciering van subsidies voor het uitvoeren van acties bedraagt 50% van de in aanmerking komende kosten. Bij wijze van uitzondering kan het maximumpercentage van de medefinanciering voor LIFE+ Natuur en Biodiversiteit tot 75% van de in aanmerking komende kosten bedragen in het geval van maatregelen en projecten met betrekking tot prioritaire habitats of soorten ter uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG of Richtlijn 92/43/EEG, voorzover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstelling.

4.  In geval van contracten voor overheidsopdrachten kan de communautaire financiering voor de aankoop van diensten en goederen worden gebruikt. Het kan daarbij onder meer gaan om uitgaven in samenhang met informatie en communicatie, voorbereidende werkzaamheden, uitvoering, monitoring, controles en evaluatie van projecten, beleid, programma's en wetgeving.

Artikel 6

Programmering

1.  De Commissie stelt een eerste strategisch meerjarenprogramma op voor 2007 tot en met 2010, en na een evaluatie aan de hand van de voorgenomen doelstellingen, een tweede strategisch meerjarenprogramma voor 2011 tot en met 2013. In deze programma's worden de belangrijkste doelstellingen, de prioritaire actiegebieden, de soorten maatregelen en de verwachte resultaten van de communautaire financiering omschreven in samenhang met de in de artikelen 1, 3 en 4 genoemde doelstellingen en criteria.

2.  Voor het uitwerken van de in lid 1 bedoelde strategische meerjarenprogramma's dienen de lidstaten bij de Commissie een ontwerp van een nationaal jaarlijks werkprogramma in voor elk jaar van de periode 2007 tot en met 2010 en 2011 tot en met 2013. Voor elk jaar bevatten deze programma's ten minste:

   a) de vaststelling van prioritaire gebieden met inachtneming van de vastgestelde langetermijnbehoeften;
   b) een overzicht van de specifieke nationale doelstellingen;
   c) een beschrijving van de te financieren maatregelen en van de wijze waarop die aan de selectiecriteria van artikel 3 voldoen;
   d) gedetailleerde kostenramingen; en
   e) een beschrijving van het voor de monitoring voorgestelde kader.

De lidstaten nemen in de ontwerpen van hun nationale jaarlijkse werkprogramma's transnationale maatregelen op.

3.  De Commissie raadpleegt de lidstaten over de ontwerpen van strategische meerjarenprogramma's binnen het kader van het in artikel 14, lid 1, bedoelde comité en binnen het kader van het in artikel 20 van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde comité. De programma's worden aangenomen overeenkomstig artikel 15, lid 2 van deze verordening. De strategische meerjarenprogramma's voor 2007 tot en met 2010 worden zo spoedig mogelijk en niet later dan drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aangenomen. De Commissie zorgt voor inspraak van het publiek inzake de ontwerpen van strategische meerjarenprogramma's.

4.  De Commissie pleegt na raadpleging van het in artikel 20 van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde comité met de lidstaten bilateraal overleg over de ontwerpen van nationale jaarlijkse werkprogramma's, teneinde die overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a), van deze verordening aan te nemen. Elke lidstaat dient zo spoedig mogelijk en niet later dan drie maanden na de aanneming van het eerste strategisch meerjarenprogramma, bij de Commissie ontwerpen van nationale jaarlijkse werkprogramma's voor 2007 in. Indien nodig dienen zij nationale jaarlijkse werkprogramma's in voor de volgende jaren, alsmede actualiseringen van reeds ingediende ontwerpen, volgens het overeenkomstig artikel 15, lid 3, onder a), bepaalde tijdschema. De lidstaten zorgen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2003/35/EG(11) voor inspraak van het publiek inzake de ontwerpen van nationale jaarlijkse werkprogramma's.

Desgewenst kunnen de lidstaten de ontwerpen van hun nationale jaarlijkse werkprogramma's voor een aantal of alle jaren die door deze verordening worden bestreken, tegelijkertijd indienen.

5.  De Commissie publiceert regelmatig lijsten van via LIFE+ gefinancierde projecten, inclusief een korte beschrijving van de doelstellingen en bereikte resultaten en een overzicht van de gedane bestedingen. Daartoe maakt zij gebruik van passende media en technologieën, inclusief internet.

Artikel 7

Financiële procedures

De Commissie voert deze verordening uit overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 8

Begunstigden

Openbare en/of privaatrechtelijke organen, actoren en instellingen kunnen LIFE+-financiering ontvangen.

Artikel 9

Deelname van derde landen

Door LIFE+ gefinancierde programma's staan open voor participatie van de volgende landen, op voorwaarde dat aanvullende kredieten ter beschikking worden gesteld:

   a) de EVA-landen die lid zijn geworden van het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 933/1999 van de Raad van 29 april 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk(12);
   b) landen die kandidaat zijn om tot de Europese Unie toe te treden;
   c) de landen van de Westelijke Balkan die bij het stabilisatie- en associatieproces zijn betrokken.

Artikel 10

Complementariteit tussen financiële instrumenten

Uit hoofde van deze verordening worden geen maatregelen gefinancierd die vallen binnen het activiteitsgebied van, of steun voor hetzelfde doel ontvangen uit, een ander communautair financieringsinstrument, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling of het Europees Visserijfonds. De begunstigden van maatregelen krachtens deze verordening stellen de Commissie in kennis van de financiering die zij uit de Gemeenschapsbegroting ontvangen, alsook van hun lopende financieringsaanvragen. De Commissie zorgt voor coördinatie en complementariteit met andere communautaire instrumenten.

Artikel 11

Looptijd en begrotingsmiddelen

1.  Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

2.  De financiële middelen voor de uitvoering van LIFE+ voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013, worden vastgesteld op 1 911 000 000 EUR (prijzen 2004).

3.  De begrotingsmiddelen die worden toegewezen voor de acties waarin deze verordening voorziet, worden jaarlijks opgevoerd in de algemene begroting van de Europese Unie.

De jaarlijkse toewijzingen worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

   4. Ten minste 55% van de begrotingsmiddelen voor LIFE+ worden toegewezen voor steunmaatregelen ter instandhouding van natuur en biodiversiteit.

Artikel 12

Monitoring

1.  Voor door LIFE+ gefinancierde maatregelen en projecten dient de begunstigde bij de Commissie voor de te financieren maatregelen technische en financiële voortgangsverslagen in. Tevens wordt binnen drie maanden na het afsluiten van het project een eindverslag ingediend.

2.  Onverminderd de financiële controles die door de Rekenkamer overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag worden uitgevoerd in overleg met de bevoegde nationale controle-instanties of diensten, en onverminderd eventuele uit hoofde van artikel 279, lid 1, onder b), van het Verdrag uitgevoerde controles, voeren ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie controles ter plaatse, met inbegrip van steekproefsgewijze controles, uit met betrekking tot via LIFE+ gefinancierde projecten, met name om na te gaan of aan de selectiecriteria van artikel 3 is voldaan en te beoordelen in hoeverre zij aan de beleidsdoelstellingen van de EU hebben bijgedragen.

3.  Uit deze verordening voortvloeiende contracten en overeenkomsten voorzien met name in toezicht en financiële controle door de Commissie (of een door haar gemachtigde vertegenwoordiger) alsook in, indien nodig ter plaatse uit te voeren, audits door de Rekenkamer.

4.  Gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling voor een project, houdt de begunstigde van financiële steun alle bewijsstukken met betrekking tot uitgaven voor het project in kwestie ter beschikking van de Commissie.

5.  Op basis van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en steekproefsgewijze controles past de Commissie zo nodig de omvang van de oorspronkelijk toegekende financiële steun of de desbetreffende toekenningsvoorwaarden alsmede het tijdschema van de betalingen aan.

6.  De Commissie doet al het nodige om te verifiëren of gefinancierde maatregelen en projecten correct en in overeenstemming met deze verordening en met het Financieel Reglement worden uitgevoerd.

Artikel 13

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.  De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(13), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden(14) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(15).

2.  Ten aanzien van uit hoofde van LIFE+ gefinancierde communautaire maatregelen wordt overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 onder "onregelmatigheid" verstaan, elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht of elke schending van een contractuele verplichting die bestaat uit een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave.

3.  De Commissie vermindert de voor een project toegekende financiering, schorst de uitbetaling ervan of vordert deze terug indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van deze verordening of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de financiering in kwestie werd toegekend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, het project werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan.

4.  Indien termijnen niet werden gerespecteerd of indien slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang die met de uitvoering van het project wordt gemaakt, verzoekt de Commissie de begunstigde om binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord geeft, kan de Commissie de resterende financiële bijstand schrappen en de terugbetaling van de reeds uitbetaalde bedragen eisen.

5.  Alle niet verschuldigde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente overeenkomstig de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 14

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dit besluit.

4.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 2, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 15

Uitvoeringsbesluiten

1.  De volgende uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure:

   a) besluiten tot aanneming en, indien nodig, tot wijziging van nationale jaarlijkse werkprogramma's die gebaseerd zijn op door de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 2, ingediende ontwerpen; en
   b) besluiten tot vaststelling van voorschriften die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn, voorzover het niet gaat om maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen ervan, in de zin van Besluit 1999/468/EG.

2.  De volgende uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing:

   a) vaststelling en eventueel wijziging van meerjarige strategische programma's die overeenkomstig artikel 6, lid 1 zijn opgesteld; en
   b) toevoeging van maatregelen aan de Bijlage.

3.  De volgende uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 4, bedoelde beheersprocedure:

   a) besluiten tot specificatie van de vorm, de inhoud en de tijdstippen voor de indiening van de nationale jaarlijkse werkprogramma's voor de toepassing van artikel 6, lid 2;
   b) besluiten tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de in artikel 12, lid 1, bedoelde verslagen;
   c) besluiten tot vaststelling van indicatoren om de controle op door LIFE+ gefinancierde maatregelen te ondersteunen.

Artikel 16

Evaluatie

1.  De Commissie zorgt voor een regelmatige monitoring van de meerjarenprogramma's, teneinde hun effect te evalueren.

2.  Uiterlijk op 30 september 2010 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij het in artikel 14, lid 1, bedoelde comité een tussentijdse evaluatie van LIFE+ in. Daarin wordt een balans opgemaakt van de uitvoering van deze verordening in de periode 2007 tot en met 2009. Indien nodig stelt de Commissie, overeenkomstig artikel 15, wijzigingen in de uitvoeringsbesluiten voor.

3.  De Commissie maakt een eindevaluatie van de uitvoering van deze verordening, waarin de bijdrage ervan aan de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving worden beoordeeld, alsmede de wijze waarop de toewijzingen zijn gebruikt. Zij dient deze eindevaluatie uiterlijk op 31 december 2012 in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel voor de verdere ontwikkeling van een exclusief op het milieu gericht financieringsinstrument dat vanaf 2014 van toepassing wordt.

Artikel 17

Vereenvoudiging en consolidatie

1.  Met het oog op vereenvoudiging en consolidatie worden ingetrokken:

   a) Verordening (EG) nr. 1655/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE)(16);
   b) Besluit nr. 1411/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende een communautair samenwerkingskader ter bevordering van duurzame stadsontwikkeling(17);
   c) Besluit nr. 466/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 1 maart 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter ondersteuning van niet-gouvernementele organisaties die voornamelijk werkzaam zijn op het gebied van milieubescherming(18);
   d) Verordening (EG) nr. 2152/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van bossen en milieu-interacties in de Gemeenschap (Forest Focus)(19).

2.  Maatregelen die vóór 31 december 2006 uit hoofde van de in lid 1 vermelde verordeningen en besluiten zijn aangevat, worden daardoor verder beheerst totdat zij zijn voltooid. De bij die verordeningen en besluiten ingestelde comités worden vervangen door het in artikel 14, lid 1 bedoelde comité. Deze verordening wordt gebruikt voor de financiering van alle verplichte monitoring en evaluatie die krachtens die verordeningen en besluiten na hun afloop zijn vereist. Totdat zij zijn voltooid, voldoen de maatregelen aan de technische voorschriften van de in lid 1 genoemde instrumenten.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

VOOR FINANCIERING IN AANMERKING KOMENDE MAATREGELEN

Onverminderd artikel 10 kunnen de volgende maatregelen door LIFE+ worden gefinancierd indien zij aan de selectiecriteria van artikel 3 voldoen:

   a) operationele activiteiten van niet-gouvernementele organisaties die zich hoofdzakelijk bezighouden met de bescherming en verbetering van het milieu op Europese schaal en betrokken zijn bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van communautair beleid en gemeenschapswetgeving;
   b) de ontwikkeling en het onderhoud van netwerken, databases en computersystemen die rechtstreeks gelieerd zijn aan de uitvoering van het communautaire milieubeleid en de communautaire milieuwetgeving, met name om de toegang van het publiek tot milieu-informatie te verbeteren;
   c) studies, onderzoeken, modelontwikkeling en het uitwerken van scenario's;
   d) monitoring, met inbegrip van bossen;
   e) ondersteuning van capaciteitsopbouw en -verbetering;
   f) opleiding, workshops en vergaderingen, met inbegrip van de opleiding van personeel dat deelneemt aan initiatieven op het gebied van bosbrandpreventie;
   g) netwerkvorming en platforms voor beste praktijken;
   h) acties op het gebied van voorlichting en communicatie, waaronder bewustmakingscampagnes en, met name, voorlichtingscampagnes inzake bosbranden;
   i) demonstratie van innoverende beleidsbenaderingen, technologieën, methoden en instrumenten;
  j) specifiek voor het onderdeel Natuur en Biodiversiteit:
   het aanpakken en beheren van gebieden en soorten en gebiedsinrichting, met inbegrip van de verbetering van de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk;
   monitoring van de instandhoudingsstatus, waaronder de uitwerking van procedures en structuren van dergelijke monitoring;
   de ontwikkeling en uitvoering van actieplannen voor de instandhouding van soorten en habitats;
   de uitbreiding van het Natura 2000-netwerk in mariene gebieden;
   de aankoop van land, mits:
   de aankoop bijdraagt tot het handhaven of herstellen van de integriteit van een Natura 2000-gebied;
   de landaankoop de enige of meest efficiënte manier is om de beoogde instandhouding te bereiken;
   het aangekochte land op lange termijn bestemd is voor doelstellingen die in overeenstemming zijn met die van artikel 4, lid 2, en
   de betrokken lidstaat er door middel van overdracht of op andere wijze zorg voor draagt dat deze grond langdurig bestemd blijft voor natuurbeschermingsdoeleinden.

(1) PB C 255 van 14.10.2005, blz. 52.
(2) PB C 231 van 20.9.2005, blz. 72.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 7 juli 2005 (PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 451), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 juni 2006 (PB C 238 E van 3.10.2006, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 24 oktober 2006.
(4) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(7) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
(8) PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.
(9) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(10) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
(11) Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).
(12) PB L 117 van 5.5.1999, blz. 1.
(13) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(14) PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.
(15) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
(16) PB L 192 van 28.7.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1682/2004 (PB L 308 van 5.10.2004, blz. 1).
(17) PB L 191 van 13.7.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 7).
(18) PB L 75 van 16.3.2002, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG.
(19) PB L 324 van 11.12.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 788/2004 (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 17).

Juridische mededeling - Privacybeleid