Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2136(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0243/2006

Ingediende teksten :

A6-0243/2006

Debatten :

PV 24/10/2006 - 21
CRE 24/10/2006 - 21

Stemmingen :

PV 25/10/2006 - 6.12
CRE 25/10/2006 - 6.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0450

Aangenomen teksten
PDF 123kWORD 44k
Woensdag 25 oktober 2006 - Straatsburg
Antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen van derde landen tegen de Gemeenschap
P6_TA(2006)0450A6-0243/2006

Resolutie van het Europees Parlement over het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen van derde landen tegen de Gemeenschap (2004) (2006/2136(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien het jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen van derde landen tegen de Gemeenschap (2004) (COM(2005)0594),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 2002 over het Negentiende jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de antidumping- en antisubsidieactiviteiten van de Gemeenschap - Toezicht op de antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsactiviteiten van derde landen(1),

–   onder verwijzing naar zijn ontwerpresoluties van 14 december 1990 over het antidumpingbeleid van de Europese Gemeenschap(2) en van 25 oktober 2001 over openheid en democratie in de internationale handel(3),

–   gezien de verklaring van de Vierde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) die in Doha, Qatar, werd gehouden en waarin, in paragraaf 28, bepalingen zijn opgenomen inzake onderhandelingen over de hervorming van de overeenkomst over de uitvoering van artikel VI van de GATT van 1994 met als doel verduidelijking en verbetering van de discipline,

–   gezien paragraaf 30 van deze verklaring, waarin wordt gewezen op de noodzaak dat het memorandum van overeenstemming over de oplossing van geschillen ("dispute settlement understanding") wordt verbeterd en verduidelijkt,

–   gezien de ministeriële verklaring van de Zesde ministerconferentie van de WTO over het werkprogramma van Doha over ontwikkeling, in het bijzonder de punten 28 en 34, en bijlage D,

–   gezien het Drieëntwintigste jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de activiteiten van de Commissie op het gebied van antidumping, antisubsidie en vrijwaringsmaatregelen (2004) (COM(2005)0360),

–   gelet op artikel 45 en artikel 112, lid 2, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6-0243/2006),

A.   overwegende dat de Europese Unie een van de hoofdrolspelers in de internationale handel is, dat zij een economische grootmacht blijft en dat zij in 2004 de grootste exporteur van goederen was,

B.   overwegende dat door de ontwikkeling van de internationale handel de toegang tot de buitenlandse markten even belangrijk is geworden als de bescherming van de eigen markten tegen oneerlijke handelspraktijken,

C.   overwegende dat de liberalisering van de handel en de toename van het handelsvolume enerzijds de internationale mededinging in de hand werken maar anderzijds het risico doen toenemen dat de uitvoer van een bepaald land het doelwit wordt van handelsbeschermende maatregelen, met alle negatieve gevolgen van dien voor de internationale concurrentiepositie van de Europese ondernemingen,

D.   overwegende dat de Gemeenschap zich met het onlangs herziene programma van Lissabon als doel heeft gesteld de Europese economie sterker te maken door onder meer het concurrentievermogen van de Europese Gemeenschap in de wereldeconomie te versterken,

E.   overwegende dat het concurrentievermogen van de Gemeenschap nauw samenhangt met de verwezenlijking van een zo open en zo billijk mogelijk wereldhandelssysteem,

F.   overwegende dat het concurrentievermogen van de Europese economie zonder enige twijfel nadeel ondervindt van tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen, die indruisen tegen de WTO-regels, zowel binnen als buiten de Gemeenschap,

G.   overwegende dat de Gemeenschap algemeen beschouwd wordt als een van 's werelds meest "matige" gebruikers van handelsbeschermende maatregelen en er bijgevolg alle belang bij heeft dat haar internationale partners hun wetgeving en hun handelspraktijken zoveel mogelijk in overeenstemming brengen met de WTO-regels,

1.   spreekt zijn bezorgdheid uit over de stijging van het aantal gevallen van handelsbescherming zowel door de landen die "traditioneel" hun toevlucht nemen tot deze methodes als door de opkomende landen die lid zijn van de WTO; meent dat in sommige gevallen de regels van de WTO niet volledig zijn geëerbiedigd; verzoekt alle Europese handelspartners de WTO-regels strikt te eerbiedigen om onaanvaardbare economische schade te vermijden;

2.   roept de handelspartners van de Gemeenschap ertoe op de vigerende overeenkomsten en de jurisprudentie van de WTO inzake handelsbeschermingsinstrumenten strikter na te leven naar de geest en de letter, en te weerstaan aan protectionistische neigingen; dringt er meer in het bijzonder op aan dat de antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsonderzoeken transparant en onpartijdig worden gevoerd;

3.   verheugt zich over de bijstand die de Commissie verleent aan de lidstaten en het Europese bedrijfsleven in door derde landen aangespannen zaken wegens handelsbescherming; roept de Commissie er toe op constant toezicht uit te oefenen op de acties die door derde landen worden ondernomen en te verifiëren of deze opportuun en correct zijn;

4.   moedigt de Commissie aan om samen met de betrokken lidstaten maatregelen te nemen ter bescherming van het communautaire bedrijfsleven wanneer zou komen vast te staan dat de regels van de internationale handel niet worden nageleefd;

5.   is van mening dat vele geschillen die voortvloeien uit handelsbeschermende maatregelen in der minne kunnen worden geschikt, tot voldoening van alle betrokken partijen; acht het noodzakelijk dat de Commissie het geschil enkel in laatste instantie voorlegt aan het WTO-orgaan voor de oplossing van geschillen;

6.   spreekt zijn voldoening uit over het succes van het "dispute settlement"-systeem van de WTO, dat het mogelijk heeft gemaakt de multilaterale regels van de internationale handel op een meer coherente manier toe te passen en het systeem zekerder en voorspelbaarder te maken;

7.   verzoekt de Commissie niettemin maatregelen te nemen die de uitvoering van de besluiten van het WTO-orgaan voor de oplossing van geschillen sneller en doeltreffender moeten maken, het ongerechtvaardigde gebruik van vertragingstactieken moeten voorkomen en de toepassing van het internationale handelsrecht zekerder moeten maken;

8.   roept de Commissie ertoe op in de WTO-onderhandelingen er vastberaden voor te blijven ijveren dat de uitvoering van handelsbeschermende maatregelen door andere WTO-leden doeltreffender en minder willekeurig wordt, en daarbij de klemtoon te leggen op de volgende punten:

   a) toepassing van strengere regels op de vijfjarige herzieningen, zodat het verlengen van antidumping- en antisubsidiemaatregelen een uitzondering wordt;
   b) vereenvoudiging van de antidumpingprocedures en beperking van de kosten ervan voor ondernemingen die met de onderzoekende autoriteit samenwerken;
   c) onderzoek naar het openbaar belang en de impact van de maatregelen in kwestie, naar het voorbeeld van wat in de Gemeenschap geldt;
   d) verbetering van de transparantie van de onderzoeken, waardoor misbruiken kunnen worden voorkomen en het recht op verdediging voor de betrokken partijen wordt gewaarborgd;
   e) beperking van de maatregelen tot wat strikt noodzakelijk is om een eind te maken aan de nadelige dumping;
   f) instelling van een - uit deskundigen ter zake bestaande - ad hoc-groep die belast is met het nemen van besluiten betreffende het opstarten van antidumpingonderzoeken en die kan aanbevelen om een onderzoek onmiddellijk te beëindigen als hij vaststelt dat de regels worden geschonden; de ad hoc-groep moet beschikken over heldere richtsnoeren voor de deskundigheid van zijn leden over het onderwerp in kwestie;

9.   betreurt dat, ondanks de disfuncties die zijn vastgesteld in de toepassing van de vrijwaringsmaatregelen, dit punt hoegenaamd niet op de ontwikkelingsagenda van Doha voorkomt;

10.   verzoekt derhalve de Commissie in de WTO te pleiten voor een herziening van de regels betreffende de toepassing van vrijwaringsmaatregelen, om het te vaak en ten onrechte een beroep doen op deze maatregelen te beperken;

11.   verzoekt de Commissie te bezien of het gewenst is de voorschriften voor handelsbeschermende maatregelen (antidumping, antisubsidie) ingrijpend te herzien in het kader van de WTO, ten einde de niet-naleving van globale sociale en milieuakkoorden of internationale overeenkomsten op te nemen als een vorm van dumping of subsidie;

12.   dringt er bij de lidstaten op aan dat zij een gemeenschappelijke aanpak in ruime zin van deze punten blijven handhaven, waardoor op communautair vlak een meer harmonieuze toepassing van deze maatregelen mogelijk kan worden en het aantal acties tegen de Gemeenschap kan worden teruggedrongen doch zonder inspanningen te sparen om een bewustmaking van de problemen in kwestie te bevorderen; gemeenschappelijk optreden in ruime zin mag echter niet worden gebruikt als reden om oneerlijke handelspraktijken van afzonderlijke lidstaten te tolereren;

13.   wijst erop dat de wettige belangen van het op export gerichte midden- en kleinbedrijf in Europa, dat het hoofd moet bieden aan protectionistische praktijken van de importerende landen, uitsluitend doelmatig kunnen worden behartigd via een gemeenschappelijke aanpak in ruime zin;

14.   beveelt de Gemeenschap aan de preferentiële behandeling van handelspartners die de regels van de WTO niet eerbiedigen opnieuw te bekijken, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de Gemeenschap en de wederkerigheid in handelsbetrekkingen;

15.   onderstreept dat de nieuwe regels van de internationale handel alleen dan op instemming van de burgers kunnen rekenen als die regels op een transparante en consequente manier worden toegepast, in lijn met het beginsel van de wettelijkheid zowel binnen als buiten de Gemeenschap;

16.   pleit ervoor de minst ontwikkelde landen die hun industrialisatieproces momenteel op gang brengen een preferentiële behandeling toe te kennen, die hun de mogelijkheid biedt hun ontluikende industrie ("infant industry") te beschermen tegen de risico's van wilde concurrentie uit het buitenland; verlangt echter dat deze afwijking van de algemene principes van de WTO tijdelijk is en de minst ontwikkelde landen van de wereld een reëel voordeel oplevert;

17.   moedigt de implementatie van technische-opleidingsprogramma's aan op het gebied van antidumping- en antisubsidieactiviteiten bestemd voor kandidaat-landen en ontwikkelingslanden die erom verzoeken; spoort de Commissie dan ook aan assistentie en steun te bieden aan ontwikkelingslanden die overstappen op een systeem voor handelsbescherming dat verenigbaar is met de WTO-voorschriften;

18.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 120.
(2) PB C 19 van 28.1.1991, blz. 633.
(3) PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 326.

Juridische mededeling - Privacybeleid