Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (COM(2005)0646 – C6-0443/2005 – 2005/0260(COD))
(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2005)0646)(1),
– gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 47, lid 2 en 55 van het EGVerdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0443/2005),
– gelet op artikel 51 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0399/2006),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 december 2006 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2007/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en artikel 55,
Gelet op het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Richtlijn 89/552/EEG(4) coördineert bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten. Nieuwe transmissietechnologieën voor audiovisuele mediadiensten maken evenwel een aanpassing van dit wettelijke kader noodzakelijk zodat rekening kan worden gehouden met de verspreiding van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en de effecten van structurele veranderingen, en technologische ontwikkelingen op businessmodellen, in het bijzonder de financiering van commerciële omroep, en kan worden gezorgd voor optimale concurrentievoorwaarden en rechtszekerheid voor Europese informatietechnologie en Europese mediabedrijven en -diensten, alsmede voor eerbiediging van de culturele en taalverscheidenheid. De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moeten zo onopdringerig en eenvoudig mogelijk zijn, om nieuwe en bestaande audiovisuele mediadiensten in staat te stellen zich te ontwikkelen en te bloeien, zodat het scheppen van werkgelegenheid, economische groei, innovatie en culturele diversiteit worden bevorderd.
(2) De wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten worden al gecoördineerd door Richtlijn 89/552/EEG, terwijl de regels voor activiteiten zoals mediadiensten op aanvraag slechts voor wat betreft de verspreiding op grond van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische - communicatienetwerken en -diensten(5) (Kaderrichtlijn) en voor wat betreft de uitwisseling op grond van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel")(6) voor de elektronische handel zijn gecoördineerd; wat betreft de inhoudseisen voor de nieuwe audiovisuele mediadiensten is tot dusverre het recht van de lidstaten van toepassing. Enkele van deze discrepanties belemmeren het vrij verkeer van deze diensten in de Europese Unie en kunnen de concurrentie op de interne markt vervalsen.
(3) Audiovisuele mediadiensten zijn zowel cultuurgoederen als economische goederen. Het toenemende belang ervan voor de samenleving, de democratie - met name ten aanzien van het waarborgen van informatievrijheid, diversiteit van opinies en mediapluralisme -, het onderwijs en de cultuur rechtvaardigt de toepassing en het doen naleven van bijzondere voorschriften voor deze diensten,met name tot behoud van de fundamentele vrijheden en rechten die zijn vervat in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerlijke en politieke vrijheden, en teneinde de bescherming van minderjarigen, kwetsbare personen en gehandicapten te garanderen.
(4)In zijn resoluties van 1 december 2005 over de voorbereiding van de zesde ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Hong Kong(7) en van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de ministersconferentie van de WTO in Hongkong(8) verlangt het Europees Parlement dat fundamentele diensten van openbaar belang, zoals gezondheidszorg, onderwijs en audiovisuele diensten, worden uitgesloten van de liberalisering in het kader van de GATS-onderhandelingen. In zijn resolutie van 27 april 2006 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van diversiteit van cultuuruitingen(9), keurde het Europees Parlement het UNESCO-Verdrag goed, waarin met name staat dat "culturele activiteiten, goederen en diensten zowel een economisch als een cultureel aspect hebben, daar ze dragers zijn van identiteiten, waarden en betekenissen, en bijgevolg niet behandeld mogen worden als hadden ze uitsluitend een commerciële waarde".
(5)Voorlichting op het gebied van de media moet de burgers de middelen verschaffen om het steeds groter wordende volume aan informatie waarmee zij worden overstelpt, kritisch te interpreteren en te gebruiken, conform Aanbeveling 1466(2000) van de Raad van Europa. Dit leerproces zal de burgers in staat stellen boodschappen te formuleren en de media te selecteren die het best geschikt zijn voor hun communicatie, zodat ze hun recht op informatievrijheid en meningsuiting ten volle kunnen uitoefenen.
(6) Traditionele audiovisuele mediadiensten - zoals televisie - en de in opkomst zijnde audiovisuele mediadiensten op aanvraag bieden een aanzienlijk werkgelegenheidspotentieel in de Europese Unie, met name in kleine en middelgrote bedrijven, en stimuleren de economische groei en de investeringen. Gezien het belang van een eerlijk speelveld en een echte Europese markt voor de omroep, dienen de fundamentele beginselen van de interne markt, zoals de mededingingswet en het principe van gelijke behandeling, in acht te worden genomen om te waarborgen dat op de mediamarkten sprake is van transparantie en voorspelbaarheid en te zorgen voor lage toegangsdrempels.
(7) Europese bedrijven die audiovisuele mediadiensten aanbieden, worden met rechtsonzekerheid en een oneerlijk speelveld geconfronteerd als gevolg van de wettelijke regelingen ten aanzien van de nieuwe diensten op aanvraag, zodat het noodzakelijk is, teneinde concurrentievervalsing te voorkomen, de rechtszekerheid te vergroten, bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en het ontstaan van één enkele informatieruimte te vergemakkelijken, voor alle audiovisuele mediadiensten, zowel lineaire als non-lineaire, ongeacht of deze volgens een vast programmaschema of op aanvraag worden uitgezonden, tenminste een basispakket van gecoördineerde voorschriften vast te stellen, om o.a. een toereikend niveau van bescherming voor minderjarigen, kwetsbare personen en gehandicapten, alsmede de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden te waarborgen. De grondbeginselen van Richtlijn 89/552/EEG, namelijk het beginsel van de uitzendende staat en gemeenschappelijke minimumnormen, hebben hun nut bewezen en moeten dan ook worden gehandhaafd.
(8) De Commissie heeft een mededeling vastgesteld over de toekomst van het Europese audiovisuele regelgevingsbeleid(10), waarin zij benadrukt dat het regelgevingsbeleid in deze sector bepaalde algemene belangen dient te waarborgen, zoals de culturele verscheidenheid, het recht op informatie, de behoefte aan pluralisme in de media, de bescherming van minderjarigen, de bescherming van de consument en maatregelen ter verhoging van de bewustheid en de mediavaardigheden van het publiek en het beginsel van universele toegang voor alle categorieën van het publiek, waaronder de meest benadeelden, nu en in de toekomst.
(9)Het naast elkaar bestaan van particuliere en openbare omroepen is van groot belang voor de audiovisuele mediamarkt, waar openbare omroepen in dezelfde mate kunnen profiteren van de voordelen van de digitale economie.
(10)Het beginsel van het land van oorsprong is van cruciaal belang voor het ontstaan van een pan-Europese audiovisuele markt met een sterke industrie die Europese inhoud produceert. Bovendien waarborgt dit beginsel het recht van de kijker een keuze te kunnen maken uit een grote verscheidenheid van Europese programma's.
(11) De Commissie heeft het initiatief "i2010: de Europese informatiemaatschappij"(11) vastgesteld, dat de groei en de werkgelegenheid in de informatiemaatschappij en de media-industrie moet waarborgen. i2010 is een totaalstrategie die de productie van Europese inhoud, de ontwikkeling van de digitale economie en de integratie van ICT moet stimuleren tegen de achtergrond van de convergentie van informatie- en mediadiensten, -netwerken en -apparatuur, door alle EU-beleidsinstrumenten te moderniseren en te benutten: regelgeving, onderzoek en partnerschappen met de industrie. De Commissie heeft toegezegd om in het kader van de interne markt een samenhangend raamwerk te zullen creëren voor de diensten van de informatiemaatschappij en mediadiensten door het wetgevingskader voor audiovisuele diensten te moderniseren, allereerst door in 2005 een voorstel voor de modernisering van Richtlijn 89/552/EEG in te dienen en dit om te zetten in een richtlijn voor audiovisuele mediadiensten. De doelstelling van i2010 zal in principe worden bereikt door de sectoren in staat te stellen te groeien met een minimale regelgeving en kleine startende ondernemingen, die rijkdom en werkgelegenheid creëren voor de toekomst, in staat te stellen om te groeien, te innoveren en werkgelegenheid te scheppen op een geliberaliseerde markt.
(12) Op 6 september 2005 heeft het Europees Parlement een Resolutie aanvaard over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, voor de periode 2001-2002(12). In die resolutie wordt, zoals ook in de resoluties over Televisie zonder grenzen van 4 september 2003(13), aangedrongen op aanpassing van Richtlijn 89/552/EEG aan structurele veranderingen en technologische ontwikkelingen, zij het met behoud van de uitgangspunten ervan, welke nog steeds geldig zijn. Bovendien ondersteunt zij in principe de algemene aanpak van basisvoorschriften voor alle audiovisuele mediadiensten en aanvullende voorschriften voor lineaire ("omroep"-)diensten.
(13) Deze richtlijn is meer in overeenstemming met fundamentele rechten en beoogt aan te sluiten bij de beginselen, rechten en vrijheden die in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd, met name in artikel 11. In dit verband dienen de lidstaten een of meerdere onafhankelijke regulerende autoriteiten in te stellen zo zij dat nog niet hebben gedaan. Deze autoriteiten moeten borg staan voor de eerbiediging van grondrechten bij de levering van audiovisuele mediadiensten. Het staat aan de lidstaten om te beslissen of het niet wenselijker is om één regulerende autoriteit voor alle audiovisuele mediadiensten in te stellen dan wel meerdere afzonderlijke autoriteiten voor elke categorie van (lineaire en niet-lineaire) diensten. Overigens belet niets in deze richtlijn de lidstaten om hun grondwettelijke of bestuursrechtelijke regels inzake persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in de media toe te passen.
(14)De eis dat de lidstaat van oorsprong dient te zorgen voor de naleving van het nationale recht als gecoördineerd door deze richtlijn is voldoende om, voor wat het Gemeenschapsrecht betreft, het vrije verkeer van audiovisuele mediadiensten te waarborgen, zonder tweede controle op dezelfde gronden in de lidstaat van ontvangst; de lidstaat van ontvangst kan evenwel bij uitzondering en onder specifieke voorwaarden van deze eis afwijken in geval van ernstige inbreuken op de artikelen 3 quinquies, 3 sexies en 22, leden 1 en 2 van Richtlijn 89/552/EEG in aanmerking nemende dat eerbiediging van de grondrechten een integrerend deel is van de algemene rechtsbeginselen van de communautaire rechtsorde.
(15)De Kaderrichtlijn heeft een samenhangend rechtskader in het leven geroepen voor alle transmissienetwerken en -diensten, doch laat op grond van artikel 1, lid 3, de maatregelen onverlet die op communautair of nationaal niveau zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft de regulering van inhoud en het audiovisueel beleid, teneinde de regulering van de transmissie te scheiden van de regulering van de inhoud.
(16)De e-commerce-richtlijn bevat geen specifieke inhoudelijk bepalingen voor audiovisuele mediadiensten en laat het aan de lidstaten over per geval te beoordelen of, met inachtneming van een kennisgevingsprocedure, moet worden afgeweken van het land-van-oorsprong-beginsel voor bepaalde kwesties van algemeen belang. Doordat aanvullende minimumnormen voor niet-lineaire audiovisuele mediadiensten met het oog op bescherming van minderjarigen en ter bevordering van de culturele verscheidenheid worden opgelegd, wordt het terrein van het geharmoniseerde gemeenschapsrecht door deze richtlijn vergroot. In zoverre bouwt deze richtlijn op deze terreinen voort op de e-commerce-richtlijn met een regeling voor een specifieke subgroep van diensten van niet-lineaire audiovisuele mediadiensten, die van bijzondere betekenis zijn voor de samenleving en gekenmerkt worden door hun culturele dimensie. Voor deze diensten is de mate van coördinatie van nationale regelingen sterker en de interne markt completer.
(17) Geen van de bepalingen van deze richtlijn mag de lidstaten verplichten of aanmoedigen om nieuwe stelsels van vergunningen of administratieve machtigingen voor enigerlei audiovisuele media in te voeren.
(18) De definitie van audiovisuele mediadiensten omvat alle audiovisuele massamediadiensten waarvan de inhoud geschikt is voor televisie-uitzendingen, ongeacht het platform waarop zij worden geleverd en ongeacht of de redactionele benadering en de verantwoordelijkheid van de aanbieder doorklinken in een programmaschema of in een keuzeoverzicht. Het bereik ervan beperkt zich evenwel tot diensten zoals gedefinieerd door het Verdrag, waardoor het op alle vormen van economische activiteit betrekking heeft, met inbegrip van die van openbare dienstverleningsbedrijven. Het economische element moet significant zijn om toepassing van deze richtlijn te rechtvaardigen. Economische activiteiten worden normaliter tegen vergoeding verricht, zijn bedoeld voor een bepaalde periode en worden gekenmerkt door een zekere continuïteit; de beoordeling van het economische element dient onderworpen te zijn aan de normen en regels van het land van oorsprong. De definitie van audiovisuele mediadiensten heeft dan ook geen betrekking op niet-economische activiteiten die normaliter niet tegen vergoeding worden verricht, zoals weblogs en andere door de gebruiker gegenereerde inhoud, en elke vorm van privé communicatie, zoals e-mails en particuliere websites.
(19) De definitie van audiovisuele mediadiensten bestrijkt massamedia met redactionele verantwoordelijkheid voor zover zij ter informatie, vermaak of educatie van het grote publiek dienen, omvat audiovisuele commerciële mededelingen, maar heeft geen betrekking op welke vorm van particuliere correspondentie dan ook, zoals e-mails die aan een beperkt aantal ontvangers worden gezonden. Niet onder de definitie vallen ook alle diensten waarbij de verspreiding van audiovisuele inhoud niet het hoofddoel is, d.w.z. waarbij audiovisuele inhoud een zuiver bijkomstig aspect is. Voorbeelden hiervan zijn websites die weliswaar audiovisuele elementen bevatten maar enkel en alleen ter ondersteuning, zoals grafische animaties, kleine advertentiespots of informatie in verband met een product of niet-audiovisuele dienst. Overeenkomstig de e-commerce-richtlijn strekt de definitie zich evenmin uit tot kansspelen met een inzet die een geldwaarde vertegenwoordigt, waaronder loterijen en weddenschappen, mits het hoofddoel daarvan niet gelegen is in de verspreiding van audiovisuele inhoud. Daaronder vallen ook online-spelen en zoekmachines, zolang deze niet het hoofddoel van de audiovisuele mediadiensten uitmaken.
(20) Tot de televisieomroepdiensten, d.w.z. lineaire diensten, behoren op dit moment met name analoge en digitale televisie, live streaming, webcasting en de naar een later tijdstip verschoven videoafroep, terwijl bijvoorbeeld video-on-demand tot de diensten op afroep, d.w.z. niet-lineaire diensten, moet worden gerekend. Bij lineaire audiovisuele mediadiensten of televisie-omroepdiensten die door dezelfde aanbieder van mediadiensten ook rechtstreeks of op een later tijdstip als niet-lineaire dienst worden aangeboden, wordt alleen de lineaire uitzending geacht te voldoen aan de voorwaarden van deze richtlijn. Wanneer diverse soorten diensten parallel worden aangeboden, zonder dat een deel ervan duidelijk ondergeschikt is aan een ander, dient de onderhavige richtlijn te worden toegepast op de duidelijk te onderscheiden delen van de dienst die voldoen aan alle criteria van een audiovisuele mediadienst.
(21)De in deze richtlijn gegeven definities, inzonderheid die van televisieomroep en lineaire en niet-lineaire diensten, zijn uitsluitend bestemd voor de toepassing van deze richtlijn en Richtlijn 89/552/EEG en zijn niet van invloed op de onderliggende rechten die beschermd worden door de wetgeving inzake auteursrechten en naburige rechten. De draagwijdte en het stelsel van deze rechten worden niet beïnvloed door deze definities, en blijven onder een aparte regeling in de relevante wetgeving vallen.
(22) Deze richtlijn heeft geen betrekking op elektronische versies van kranten en tijdschriften.
(23)Voor wat betreft deze richtlijn verwijst de term "audiovisueel" naar bewegende beelden met of zonder geluid, waardoor deze wel betrekking heeft op stomme films, maar niet op de doorgifte van geluid of radiodiensten.
(24)Een audiovisuele mediadienst bestaat uit programma's, d.w.z. een aaneengesloten rij van bewegende beelden met of zonder geluid, onder redactionele verantwoordelijkheid, die ofwel door een aanbieder van mediadiensten volgens een vast tijdschema worden uitgezonden ofwel in een catalogus zijn samengesteld.
(25) Het begrip redactionele verantwoordelijkheid is essentieel voor de rol van de aanbieder van mediadiensten en derhalve ook voor de definitie van audiovisuele mediadiensten. "Redactionele verantwoordelijkheid" betekent verantwoordelijkheid voor de samenstelling en ordening, op professionele basis, van de inhoud van een audiovisueel aanbod. Dit kan gelden voor een afzonderlijk inhoudselement of voor een verzameling inhoudselementen. Deze redactionele verantwoordelijkheid geldt voor de opstelling van het programmaschema, in geval van televisieprogramma's, of voor de samenstelling van de programmacatalogus, in geval van niet-lineaire diensten. Deze richtlijn laat de aansprakelijkheidsvrijstellingen van de e-commerce-richtlijn onverlet.
(26)De zuiver technische verstrekking, langs terrestrische weg of via satelliet, van een audiovisuele mediadienst verleent op zichzelf niet de status van mediadienstaanbieder in de zin van deze richtlijn; hetzelfde beginsel geldt indien een besluit inzake selectie wordt getroffen, op voorwaarde dat een derde partij onder de jurisdictie van een lidstaat duidelijk de redactionele verantwoordelijkheid daarvoor draagt.
(27)Aan de criteria in de definitie van audiovisuele mediadiensten, zoals vermeld in artikel 1, punt a) van Richtlijn 89/552/EEG en verder toegelicht in de overwegingen 18 tot en met 26 van deze richtlijn, moet tegelijkertijd worden voldaan.
(28) Naast reclame en telewinkelen wordt het ruimere begrip audiovisuele commerciële communicatie geïntroduceerd. Dit omvat beelden, al dan niet met geluid, die worden uitgezonden als deel van een audiovisuele mediadienst en deel uitmaken van programma's of programma's vergezellen en die dienen om direct of indirect de goederen, diensten of het imago te promoten van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een economische activiteit bedrijft, zodat de kosteloos uitgezonden spots van de overheid en charitatieve instanties er niet onder vallen.
(29) Het land-van-oorsprong-beginsel blijft het kernpunt van Richtlijn 89/552/EEG, aangezien het essentieel is voor de totstandbrenging van een interne markt. Dit beginsel moet daarom voor alle audiovisuele mediadiensten gelden teneinde de aanbieders van mediadiensten de rechtszekerheid te bieden die zij nodig hebben als grondslag voor nieuwe businessmodellen en de ontwikkeling van deze diensten. Het is tevens essentieel voor het vrij verkeer van informatie en audiovisuele programma's in de interne markt. De toepassing van dit beginsel mag de inaanmerkingneming van de criteria inzake de oorsprong van de middelen van een dienst niet uitsluiten, teneinde de voorwaarden voor eerlijke concurrentie te waarborgen.
(30)Om een sterke, concurrerende en geïntegreerde Europese audiovisuele bedrijfstak te bevorderen en het pluralisme van de media in de gehele Europese Unie te versterken, blijft het van wezenlijk belang dat slechts één enkele lidstaat jurisdictie heeft over een aanbieder van audiovisuele mediadiensten en dat pluralisme op informatiegebied een fundamenteel beginsel is van de Europese Unie.
(31)Het is derhalve van essentieel belang dat de lidstaten voorkomen dat dominerende posities ontstaan, die zouden leiden tot beperking van het pluralisme en tot restricties van de vrijheid van de media-informatie, en van de mediasector als geheel, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om niet-discriminerende toegang tot aanbiedingen van audiovisuele mediadiensten welke van openbaar belang zijn te verzekeren (bijvoorbeeld door de "must carry"-regeling).
(32) Vanwege de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van digitale satellietuitzendingen, dienen de bijkomende criteria te worden aangepast teneinde een adequate regelgeving en doeltreffende toepassing daarvan te garanderen en de marktspelers werkelijk greep te geven op de inhoud van een audiovisuele mediadienst.
(33) Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op diensten die aan het brede publiek in de Europese Unie worden aangeboden, dient zij uitsluitend te gelden voor audiovisuele mediadiensten die direct of indirect door het publiek in een of meer lidstaten met standaardapparatuur voor de consument kunnen worden ontvangen. De definitie van "standaardapparatuur voor de consument" dient aan de bevoegde nationale instanties te worden overgelaten.
(34) In de artikelen 43 tot en met 48 van het Verdrag is het fundamentele recht op vrijheid van vestiging neergelegd. Daarom staat het de aanbieders van audiovisuele mediadiensten in het algemeen vrij te bepalen in welke lidstaten zij zich vestigen. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft voorts benadrukt dat "het Verdrag een onderneming immers niet verbiedt gebruik te maken van de vrijheid van dienstverrichting wanneer zij in de lidstaat waarin zij is gevestigd, geen diensten aanbiedt"(14).
(35) De lidstaten moeten op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden strengere maatregelen kunnen toepassen op aanbieders van mediadiensten die onder hun rechtsbevoegdheid vallen, er evenwel op toeziend dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met het communautaire mededingingsrecht. Teneinde ervoor te zorgen dat dergelijke voorschriften niet worden omzeild, vormt een codificatie van de rechtspraak van het Hof van Justitie(15), gecombineerd met een doeltreffendere procedure een passende oplossing, waarbij rekening wordt gehouden met de overwegingen van de lidstaten zonder de juiste toepassing van het land-van-oorsprong-beginsel ter discussie te stellen.
(36)Om per geval aan te tonen dat een in een andere lidstaat gevestigde aanbieder van mediadiensten bepalingen omzeilt, kan een lidstaat indicatoren aanvoeren, zoals de herkomst van de reclame- en/of abonnementsgelden, de hoofdtaal van de dienst en het bestaan van programma's of commerciële communicatie die specifiek zijn gericht op het publiek van de lidstaat van ontvangst.
(37) Krachtens deze richtlijn mogen de lidstaten niettemin, onverminderd de toepassing van het land-van-oorsprong-beginsel, maatregelen nemen die het vrij verkeer van televisie-uitzendingen of niet-lineaire audiovisuele mediadiensten beperken, doch enkel onder bepaalde voorwaarden die in artikel 2 bis van Richtlijn 89/552/EEG zijn genoemd en overeenkomstig de in deze richtlijn vastgelegde procedure. Het Europees Hof van Justitie heeft steeds gesteld dat elke beperking van de vrijheid van dienstverrichting, zoals een eventuele afwijking van een van de grondbeginselen van het Verdrag, op restrictieve wijze moet worden uitgelegd(16). Bijzondere aandacht dient te gaan naar de bescherming van minderjarigen en de volksgezondheid, hoewel toetsing vooraf van ideeën en meningen onder geen enkele omstandigheid toelaatbaar mag zijn. Wat betreft de niet-lineaire audiovisuele diensten komt de mogelijkheid van een lidstaat om maatregelen te nemen krachtens artikel 2 bis van Richtlijn 89/552/EEG in de plaats van de maatregelen die tot dusverre op grond van artikel 3, lid 4 en/of artikel 12, lid 3 van de e-commerce richtlijn door de betrokken lidstaat konden worden genomen op het door de artikelen 3 quinquies en 3 sexies van Richtlijn 89/552/EEG gecoördineerde gebied.
(38) In haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement getiteld Betere regelgeving met het oog op economische groei en meer banen in de Europese Unie(17) heeft de Commissie benadrukt dat een zorgvuldige analyse van de passende regelgevingsaanpak moet worden gemaakt, waarbij in het bijzonder moet worden bepaald of voor de betrokken sector en het betrokken probleem wetgeving de voorkeur moet krijgen of dat alternatieven zoals coregulering en zelfregulering overweging verdienen. De ervaring heeft voorts uitgewezen dat zowel coregulerings- als zelfreguleringsinstrumenten die zijn opgezet overeenkomstig de verschillende wetgevingstradities van de lidstaten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming. Maatregelen tot verwezenlijking van doelen van openbaar belang in de opkomende sector van audiovisuele mediadiensten zullen doelmatiger zijn als zij worden genomen met actieve steun van de aanbieders van diensten zelf. Zelfregulering is op deze manier een soort vrijwillig initiatief dat economische actoren, de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties of verenigingen in staat stelt onderling voor zichzelf gezamenlijke richtsnoeren vast te stellen. De lidstaten moeten, overeenkomstig hun uiteenlopende juridische tradities, de doelmatige rol erkennen die doelmatige zelfregulering kan spelen als aanvulling op de wetgeving en de bestaande gerechtelijke en/of bestuursrechtelijke mechanismen en de nuttige bijdrage die zij kan leveren tot verwezenlijking van de doelen van deze richtlijn. Zelfregulering kan dus een alternatieve manier zijn om bepaalde voorschriften van deze richtlijn toe te passen, maar kan niet volledig in de plaats treden van de verplichting van de nationale wetgever. Coregulering in haar minimale vorm verschaft de "juridische schakel" tussen zelfregulering en de nationale wetgever overeenkomstig de juridische tradities van de lidstaten.
(39)Het kernelement van "coregulering" wordt gevormd door reguleringsinstrumenten die gebaseerd zijn op de samenwerking van overheidsorganen en zelfreguleringsinstrumenten en op nationaal niveau zeer divers worden aangeduid en gestructureerd. De praktische inrichting van dergelijke instrumenten weerspiegelt de specifieke traditie van de mediaregulering in de individuele lidstaten. Stelsels van co-regulering hebben gemeen dat van oudsher publieke taken en doelen worden omgezet in samenwerking met de actoren waarop de regulering betrekking heeft. Op grond van een opdracht of een machtiging van de overheid moeten de belanghebbenden zelf het bereiken van de reguleringsdoelen garanderen. Het fundament is altijd een publiek rechtskader, dat eisen op het punt van inhoud, organisatie en procedure omvat. Daarop voortbordurend stellen de belanghebbende groepen verdere criteria, regels en instrumenten vast, waarbij zij zelf controle uitoefenen op de naleving. Door de op deze manier vastgestelde vorm van zelfregulering kan gerichte vakkennis van administratieve taken zonder omwegen worden benut en kunnen bureaucratische procedures worden voorkomen. Een voorwaarde is dat alle of tenminste de belangrijkste actoren eraan deelnemen of haar erkennen. Het functioneren van coregulering wordt gewaarborgd door een combinatie van voorwaarden waaraan de belanghebbende groepen moeten voldoen en de mogelijkheid van overheidsoptreden ingeval niet aan de voorwaarden wordt voldaan.
(40) Omroeporganisaties kunnen op basis van exclusiviteit de rechten verwerven op de uitzending van bepaalde evenementen van openbaar belang. Het is evenwel essentieel het pluralisme te bevorderen door de diversiteit van de nieuwsproductie- en -programmering in de gehele Europese Unie te bevorderen en door de beginselen van artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie in acht te nemen.
(41) Teneinde het fundamentele recht op informatievergaring te waarborgen en de belangen van de kijkers in de Europese Unie volledig en afdoende te beschermen, dienen zij die de exclusieve rechten bezitten op de uitzending van het verslag van een evenement van groot belang voor het publiek, derhalve andere omroeporganisaties en namens omroeporganisaties optredende bemiddelingsagentschappen het recht te geven fragmenten van dat verslag te gebruiken voor hun algemene nieuwsprogramma's op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, zij het met inachtneming van die exclusieve rechten. Deze voorwaarden dienen tijdig voor het evenement van openbaar belang te worden bekendgemaakt teneinde anderen de gelegenheid te geven van dit recht gebruik te maken. In het algemeen mogen dergelijke fragmenten niet: langer zijn dan 90 seconden; worden uitgezonden voordat het evenement is afgelopen, of voor sportevenementen niet voor het einde van de wedstrijden van de dag - afhankelijk van wat het eerste komt; later dan 36 uur na afloop van het evenement worden uitgezonden; worden gebruikt om een openbaar archief op te zetten; worden uitgezonden zonder het logo of ander identificatieteken van de gastheeromroep; worden gebruikt in niet-lineaire diensten, behalve wanneer zij door dezelfde aanbieder van mediadiensten live of in uitgesteld relais worden aangeboden. Het recht op grensoverschrijdende toegang tot nieuws is alleen van toepassing waar het noodzakelijk is; bijgevolg dient ingeval een andere omroeporganisatie in dezelfde lidstaat exclusieve rechten heeft verworven voor het desbetreffende evenement, bij deze omroeporganisatie te worden verzocht om toegang. Voor pan-Europese omroeporganisaties is de wetgeving van de lidstaat waar het evenement plaatsheeft, van toepassing.
(42)Mediageletterdheid heeft betrekking op de vaardigheden, de kennis en het inzicht waarover consumenten moeten beschikken om doeltreffend gebruik te kunnen maken van media. Mediageletterde mensen zijn in staat geïnformeerde keuzes te maken, de aard van inhoud en diensten te begrijpen, hun voordeel te doen met het volledige scala aan mogelijkheden die de nieuwe communicatietechnologieën bieden en beter in staat zichzelf en hun gezinnen te beschermen tegen schadelijk of aanstootgevend materiaal. Het is derhalve van cruciaal belang dat lidstaten en nationale regelgevende instanties de ontwikkeling van mediageletterdheid in alle lagen van de samenleving actief bevorderen en regelmatig onderzoek uitvoeren om dit proces te volgen en hun aanpak van de regulering van media-inhoud te onderbouwen.
(43) Niet-lineaire diensten verschillen van lineaire diensten in de keuze en de invloed van de gebruiker en in de gevolgen ervan voor de samenleving(18). Dit rechtvaardigt dat minder strenge wetgeving wordt vastgesteld voor niet-lineaire diensten, die uitsluitend aan de basisvoorschriften van de artikelen 3 quater tot en met 3 nonies van Richtlijn 89/552/EEG hoeven te voldoen.
(44) Vanwege het specifieke karakter van audiovisuele mediadiensten, in het bijzonder het effect van deze diensten op de meningsvorming, is het essentieel voor de gebruikers dat zij exact weten wie voor de inhoud van deze diensten verantwoordelijk is. Daarom is het van belang dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gebruikers toegang hebben tot de informatie over de manieren waarop de redactionele verantwoordelijkheid voor de inhoud wordt uitgeoefend en door wie. Het is aan de lidstaten om de praktische bijzonderheden te bepalen van de methode waarop deze doelstelling kan worden bereikt zonder daarbij andere relevante bepalingen van het Gemeenschapsrecht te schenden.
(45) Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de in de onderhavige richtlijn beoogde maatregelen niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstelling van de goede werking van de interne markt te verwezenlijken. Waar het nodig is op communautair niveau op te treden en teneinde zeker te stellen dat werkelijk een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten wordt gerealiseerd, dient Richtlijn 89/552/EEG een hoog beschermingsniveau te bevorderen wat betreft doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van minderjarigen, de rechten van gehandicapten en de menselijke waardigheid.
(46) De verspreiding van schadelijke inhoud en gedrag via audiovisuele mediadiensten blijft een bron van zorg voor de wetgever, de industrie en ouders. In dit verband lijkt het noodzakelijk niet alleen kinderen op te voeden, maar ook hun ouders, onderwijzers en opvoedkundigen, zodat ze zo goed mogelijk gebruik kunnen maken van alle communicatiemedia, met name audiovisuele mediadiensten, ongeacht de wijze van levering. Er zullen bovendien nieuwe uitdagingen bijkomen, met name in verband met nieuwe platforms en nieuwe producten. Derhalve is het noodzakelijk voorschriften in te voeren ten aanzien van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en inzake de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten en in audiovisuele commerciële communicatie, reclame, televerkoop, sponsoring, productplaatsing en bij iedere andere technisch denkbare communicatievorm.
(47)De lidstaten dienen een kritische omgang met de media in de diverse nationale leerplannen en het aanbod voor verdere scholing te verzekeren.
(48) Er dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen enerzijds de maatregelen ter bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en anderzijds het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie is neergelegd. Het doel van deze maatregelen moet echter zijn minderjarigen en de menselijke waardigheid een adequate bescherming, met name wat betreft niet-lineaire diensten, te bieden, door middel van een verplichting om vóór uitzending duidelijk het bijzondere karakter van bepaalde programma's aan te geven, overeenkomstig zowel artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat erkent dat de menselijke waardigheid onaantastbaar is en moet worden geëerbiedigd en beschermd, als overeenkomstig artikel 24 van het Handvest, waarin is vermeld dat kinderen recht hebben op de bescherming en zorg die nodig zijn voor hun welzijn en dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
(49)Minderjarigen en kwetsbare personen of personen met een, vooral geestelijke, handicap kunnen bijzonder worden aangegrepen of psychisch of psychologisch worden geschokt of in verwarring gebracht door programma's waarin scènes met verbaal, fysiek of moreel geweld voorkomen, of door scènes die de menselijke waardigheid aantasten of aanzetten tot rassenhaat of enige andere vorm van discriminatie. Waar de bescherming van al deze personen tot de doelen van deze richtlijn behoort, worden de lidstaten sterk aangemoedigd om de aanbieders van audiovisuele mediadiensten van dit gebod te doordringen en hen te verplichten om vóór uitzending duidelijk op de bijzondere aard van zulke programma's te attenderen.
(50) De bepalingen van deze richtlijn inzake de bescherming van minderjarigen en de openbare orde vereisen geen voorafgaande controle van audiovisuele mediadiensten in het kader van de toepassing van deze maatregelen.
(51) Artikel 151, lid 4, van het Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening moet houden met culturele aspecten. Met name dient de verscheidenheid van haar culturen en talen te worden eerbiedigd en bevorderd, en het wederzijds begrip te worden aangemoedigd.
(52) Lineaire audiovisuele mediadiensten kunnen gedeeltelijk worden vervangen door niet-lineaire diensten. Derhalve moeten zij, waar dit uitvoerbaar is, de vervaardiging en verspreiding van Europese producties op doeltreffende wijze promoten om aldus een bijdrage te leveren aan de bevordering van de culturele verscheidenheid. Deze ondersteuning van Europese producties kan de vorm krijgen van bijvoorbeeld een minimumaandeel Europese producties dat evenredig is aan het commercieel resultaat, een minimumaandeel Europese producties in catalogi van video's op aanvraag of een aantrekkelijke presentatie van Europese producties in elektronische programmagidsen. Het is van belang de toepassing van de bepalingen inzake het promoten van Europese producties via audiovisuele mediadiensten regelmatig te evalueren. Binnen het bestek van de in artikel 3 septies, lid 3, van Richtlijn 89/552/EEG bedoelde rapportage dienen de lidstaten tevens rekening te houden met in het bijzonder de financiële bijdrage van zulke diensten aan de vervaardiging van en de verwerving van de rechten op Europese producties, met het aandeel Europese producties in de catalogus van audiovisuele mediadiensten, alsmede met de feitelijke consumptie van de door dergelijke diensten aangeboden Europese producties door de gebruikers. In de rapportage moet ook naar evenredigheid aandacht worden geschonken aan de producties van onafhankelijke producenten.
(53)Personen die audiovisuele mediadiensten uitsluitend bundelen of doorgeven of pakketten van dergelijke diensten te koop aanbieden, zonder daarvoor redactionele verantwoordelijkheid te dragen, mogen niet als aanbieders van mediadiensten worden beschouwd. Het zuivere bundelen, doorgeven of doorverkopen van inhoud, waarvoor men zelf geen redactionele verantwoordelijkheid draagt, valt dus niet onder deze richtlijn.
(54) Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 4 van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd, dienen de lidstaten passende maatregelen te nemen om omroeporganisaties ertoe aan te zetten een voldoende groot aandeel Europese coproducties en andere Europese producties van buitenlandse oorsprong in hun programmering opnemen.
(55)Aanbieders van mediadiensten dienen in hun diensten ook de producties van onafhankelijke producenten op te nemen, met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit herhalingen van deze producties, en een eerlijke toewijzing van de producentenrechten.
(56) Het is van belang te garanderen dat cinematografische werken worden uitgezonden in de tussen de rechthebbenden en de aanbieders van audiovisuele diensten overeengekomen periodes.
(57) Door de beschikbaarheid van niet-lineaire diensten worden de keuzemogelijkheden voor de consument groter. De lidstaten moeten daarom in hun nationale leerplannen en programma's voor voortgezette opleiding zorgen voor voldoende voorlichting over kritisch gebruik van de media, opdat gedetailleerde voorschriften over commerciële audiovisuele communicatie niet noodzakelijk worden. Gedetailleerde voorschriften voor audiovisuele commerciële communicatie bij niet-lineaire diensten lijken derhalve niet gerechtvaardigd en vanuit technisch oogpunt evenmin zinvol. Toch dient alle audiovisuele commerciële communicatie niet alleen aan de identificatievoorschriften te voldoen, maar ook aan een basisset van kwalitatieve voorschriften die moeten waarborgen dat zij in overeenstemming zijn met duidelijke doelstellingen van het overheidsbeleid.
(58)Het recht op wederwoord is een rechtsmiddel dat bijzonder geschikt is voor het online-milieu, omdat de betwiste informatie onmiddellijk kan worden gecorrigeerd. Van dit recht moet echter binnen een passende termijn na de motivering van de eis gebruik worden gemaakt, en wel op een tijdstip en een wijze, die in verband met het programma waarop de eis betrekking heeft, passend lijkt. Aan het wederwoord dient met name dezelfde betekenis te worden toegekend als aan de betwiste informatie, zodat dezelfde gebruikerskring met hetzelfde effect wordt bereikt.
(59) Zoals de Commissie in haar interpretatieve mededeling over bepaalde aspecten van de bepalingen van de richtlijn "Televisie zonder grenzen"(19) inzake reclame heeft erkend, heeft de ontwikkeling van nieuwe reclametechnieken en marketing-innovaties tot nieuwe, doeltreffende mogelijkheden voor commerciële communicatie via traditionele omroepdiensten geleid, waardoor deze beter in staat zijn op voet van gelijkheid met diensten op aanvraag te concurreren. Deze interpretatieve mededeling blijft van kracht voor zover zij verwijst naar de bepalingen van Richtlijn 89/552/EEG die door deze richtlijn ongemoeid worden gelaten.
(60) Commerciële en technologische ontwikkelingen geven gebruikers meer keuzemogelijkheden en verantwoordelijkheid bij de omgang met audiovisuele mediadiensten. De regelgeving dient, teneinde in de juiste verhouding tot de doelstellingen van algemeen belang te blijven staan, een zekere mate van flexibiliteit te bieden ten aanzien van lineaire audiovisuele mediadiensten: het scheidingsbeginsel dient beperkt te blijven tot reclame en telewinkelen, productplaatsing moet onder bepaalde omstandigheden en in bepaalde, op basis van een positieve lijst vastgestelde gevallen mogelijk zijn en enkele beperkingen dienen te worden afgeschaft. Wanneer productplaatsing evenwel als sluikreclame moet worden beschouwd, dient deze te worden verboden. Het scheidingsbeginsel mag het gebruik van nieuwe reclametechnieken niet onmogelijk maken.
(61)Deze richtlijn moet consistent zijn met het bestaande Gemeenschapsrecht. In geval van strijdigheid tussen deze richtlijn en een ander communautair instrument dat specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een audiovisuele mediadienst regel, dienen de bepalingen van deze richtlijn voorrang te hebben. Deze richtlijn is daarmee een aanvulling op het communautair acquis. Daarom is Richtlijn 2005/29/EG(20), de onder deze richtlijn vallende activiteiten daargelaten, van toepassing op oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende en agressieve praktijken die in audiovisuele mediadiensten worden toegepast. Omdat Richtlijn 2003/33/EG(21), die reclame en sponsoring voor sigaretten en andere tabaksproducten in gedrukte media, diensten van de informatiemaatschappij en radio-uitzendingen verbiedt, Richtlijn 89/552/EEG onverlet laat, dient verder de relatie tussen Richtlijn 2003/33/EG en Richtlijn 89/552/EEG, gelet op de bijzondere eigenschappen van audiovisuele mediadiensten, na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn ongewijzigd te blijven. Artikel 88, lid 1, van Richtlijn 2001/83/EG(22), dat publieksreclame voor bepaalde geneesmiddelen verbiedt, laat, zoals bepaald in lid 5 van dat artikel, artikel 14 van Richtlijn 89/552/EEG onverlet; de relatie tussen Richtlijn 2001/83/EG en Richtlijn 89/552/EEG mag door de inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn niet worden gewijzigd. Voorts laat deze richtlijn Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen(23) onverlet.
(62)Gezien het toegenomen gebruik van nieuwe technologieën, zoals persoonlijke videorecorders en het grotere aanbod van kanalen, zijn gedetailleerde voorschriften voor de onderbreking van programma's door reclamespots met het oog op de bescherming van de kijker niet langer gerechtvaardigd. Deze richtlijn geeft omroeporganisaties meer flexibiliteit bij de onderbreking van programma's, voor zover de integriteit daarvan hierdoor niet op ongerechtvaardigde wijze wordt aangetast.
(63) De richtlijn dient het eigen karakter van het Europese televisielandschap te beschermen. Programma's mogen alleen voor reclame en telewinkelen worden onderbroken als dat zodanig gebeurt dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de integriteit en waarde van het programma, waarbij rekening wordt gehouden met natuurlijke pauzes en de duur en aard van het programma, of aan de rechten van rechthebbenden.
(64) De daglimiet voor de hoeveelheid reclame had een overwegend theoretisch karakter. De uurlimiet is belangrijker, aangezien deze ook voor de periodes met de hoogste kijkdichtheid geldt. Daarom dient de daglimiet te worden afgeschaft terwijl de uurlimiet voor reclame- en telewinkelspots moet worden gehandhaafd; ook de kwantitatieve beperkingen aan de zendtijd voor telewinkel- en reclamekanalen lijkt niet langer gerechtvaardigd nu de consument meer keuze heeft. Het maximum van 20% reclame per klokuur blijft evenwel van toepassing, behalve voor reclamevormen die meer tijd vergen, zoals telepromotie en telewinkelprogramma's waarvoor vanwege de inherente eigenschappen en presentatiewijze meer tijd nodig is(24).
(65) Sluikreclame is een praktijk die door deze richtlijn wordt verboden vanwege de negatieve effecten ervan op de consument. Het verbod op sluikreclame is niet van toepassing op rechtmatige productplaatsing binnen de door de richtlijn gestelde grenzen.
(66) Productplaatsing is een gegeven in cinematografische werken en in audiovisuele producties voor televisie, maar de lidstaten hebben uiteenlopende voorschriften voor deze praktijk vastgesteld. Teneinde voor een eerlijk speelveld te zorgen en dus het concurrentievermogen van de Europese media-industrie te verbeteren, is het noodzakelijk voorschriften voor productplaatsing vast te stellen. Relevant is een positieve lijst die productplaatsing toestaat voor soorten inhoud waarvan de opinievormende functie geen belangrijke plaats inneemt, en in gevallen waarin voor de productplaatsing geen of slechts een geringe tegenprestatie is verricht. Onder de definitie van productplaatsing valt elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van opname van of verwijzing naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in een programma, gewoonlijk tegen betaling of soortgelijke vergoeding. Zij kan bestaan uit de terbeschikkingstelling van diensten of voorwerpen met een geldelijke waarde voor de aanschaf waarvan de ontvanger anders eigen financiële, personele of materiële middelen had moeten inzetten. Voor productplaatsing dienen dezelfde kwalitatieve voorschriften en beperkingen te gelden als voor reclame. Zij dient bovendien te voldoen aan specifieke eisen. De redactionele verantwoordelijkheid en de onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten mogen niet worden aangetast. Met name mag door het betrekken van het product in de handeling van het programma niet de indruk ontstaan dat het product wordt gesteund door het programma of door de acteurs. Voorts mag het product geen "ongegronde aandacht" krijgen, d.w.z. aandacht die niet gerechtvaardigd wordt door de redactionele eisen van het programma of door de noodzaak van uitbeelding van de werkelijkheid. Ongegronde aandacht kan ook blijken uit het herhaaldelijk in beeld verschijnen van de merken, goederen of diensten in kwestie of uit de manier waarop zij onder de aandacht worden gebracht. In dit verband moet eveneens rekening worden gehouden met de inhoud van de programma's, waarin zij worden opgenomen.
(67)Productiehulp is het om redactionele redenen, zonder vergoeding of soortgelijke tegenprestatie, vermelden of vertonen van goederen of diensten. Teneinde een afbakening ten opzichte van productplaatsing in de zin van deze richtlijn te bereiken, dient het wettelijke kader voor de toepassing van de in alle programmaformaten toegestane productiehulp te worden verduidelijkt.
(68)Er is sprake van ongegronde aandacht wanneer producten door terugkerende vertoning van het merk, het goed of de dienst of door de wijze waarop ze in het kader van productiehulp of productplaatsing optreden, overdreven aandacht krijgen, waarbij rekening moet worden gehouden met de inhoud van het programma waarin zij voorkomen.
(69) De regelgevingsinstanties moeten onafhankelijk zijn van de nationale overheid, evenals van aanbieders van audiovisuele mediadiensten zodat zij hun werk op onvooringenomen en transparante wijze kunnen doen en kunnen bijdragen tot pluralisme. Er is nauwe samenwerking tussen de nationale regelgevingsinstanties en de Commissie noodzakelijk om te garanderen dat deze richtlijn correct wordt toegepast. Nauwe samenwerking tussen lidstaten en tussen nationale regelgevingsinstanties is eveneens bijzonder belangrijk met betrekking tot de invloed die in een bepaalde lidstaat gevestigde omroepen kunnen hebben in een andere lidstaat. Indien de nationale wetgeving voorziet in vergunningenprocedures en er meer dan één lidstaat bij betrokken is, is het wenselijk dat de contacten tussen de diverse instanties plaatsvinden alvorens er vergunningen worden verleend. Deze samenwerking moet alle terreinen omvatten die worden gecoördineerd door Richtlijn 89/552/EEG en met name de artikelen 2, 2 bis en 3 daarvan.
(70)Clturele verscheidenheid, vrijheid van meningsuiting en pluralisme van communicatiemiddelen zijn belangrijke aspecten van de Europese audiovisuele sector en derhalve onmisbare voorwaarden voor democratie en verscheidenheid.
(71)Het recht van gehandicapten, ouderen en niet-EU-burgers met een andere moedertaal dan de taal van hun gastland om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de gemeenschap, conform de artikelen 25 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is onlosmakelijk verbonden met de beschikbaarheid van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De toegankelijkheid van audiovisuele mediadiensten omvat, maar is niet beperkt tot gebarentaal, ondertiteling, akoestische beeldbeschrijving en gemakkelijk te begrijpen programmering,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 89/552/EEG wordt als volgt gewijzigd:
(1) De titel wordt vervangen door:
"
Richtlijn 2007/.../EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de levering van audiovisuele mediadiensten (richtlijn Audiovisuele mediadiensten).
"
(2) Artikel 1 wordt vervangen door:
"
Artikel 1
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a)
"audiovisuele mediadienst": een dienst in de zin van de artikelen 49 en 50 van het Verdrag die wordt geleverd onder redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten met als hoofddoel de levering van programma's die bestaan uit bewegende beelden met of zonder geluid ter informatie, vermaak of educatie aan het brede publiek via elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG en/of van audiovisuele commerciële communicatie. Deze definitie is niet van toepassing op diensten waarbij de levering van audiovisuele inhoud een zuiver bijkomstig aspect is en niet het hoofddoel van de dienst, noch op de pers in gedrukte of elektronische vorm;
b)
"aanbieder van mediadiensten": de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt opgezet. Deze definitie is niet van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen die uitsluitend inhoud doorgeven, terwijl derden de redactionele verantwoordelijkheid ervoor dragen;
c)
"televisie-uitzending" of "lineaire dienst": een audiovisuele mediadienst waarbij een chronologische opeenvolging van programma's wordt doorgegeven aan een onbepaald aantal mogelijke kijkers op het tijdstip dat de aanbieder van de mediadienst heeft bepaald overeenkomstig een vast programmaschema;
d)
"omroeporganisatie": een aanbieder van lineaire audiovisuele mediadiensten;
e)
"dienst op aanvraag" of "niet-lineaire dienst": een audiovisuele mediadienst die bestaat uit een door een aanbieder van mediadiensten redactioneel bewerkt of samengesteld aanbod van audiovisuele inhoud waarbij de gebruiker een individueel verzoek doet om uitzending op het tijdstip van zijn keuze van een bepaald programma dat hij heeft gekozen uit de aangeboden inhoud, of die niet valt onder de definitie van een lineaire dienst als bedoeld onder c);
f)
"audiovisuele commerciële communicatie": bewegende beelden, al dan niet met geluid, die als onderdeel van een audiovisuele mediadienst of - bijvoorbeeld bij zenders die gewijd zijn aan telewinkelen - als audiovisuele mediadienst worden doorgegeven met de bedoeling om direct of indirect de goederen, diensten of het imago van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een economische activiteit bedrijft, te promoten;
g)
"televisiereclame": de door een overheidsbedrijf of particuliere onderneming tegen betaling of soortgelijke vergoeding dan wel ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden boodschap - in welke vorm dan ook - in verband met de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep, ter bevordering van de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;
h)
"sluikreclame": het vermelden of vertonen van goederen, diensten, naam, handelsmerk of activiteiten van een producent van goederen of een aanbieder van diensten in programma's, indien dit door de aanbieder van de mediadienst wordt gedaan met de bedoeling reclame te maken en het publiek kan worden misleid omtrent de aard van deze vermelding c.q. vertoning. Deze bedoeling wordt met name geacht aanwezig te zijn indien de vermelding c.q. vertoning tegen betaling of soortgelijke vergoeding geschiedt;
i)
"productintegratie" en "themaplaatsing": het optreden van enigerlei onderneming in het scenario van een film of een verhaal, gericht op promotie van met name een product, een dienst of een merk;
j)
"sponsoring": elke bijdrage van een overheidsbedrijf, particuliere onderneming of natuurlijk persoon die geen audiovisuele mediadiensten levert of audiovisuele producties vervaardigt, aan de directe of indirecte financiering van audiovisuele mediadiensten met het doel zijn naam, handelsmerk, imago, activiteiten of realisaties meer bekendheid te geven;
k)
"telepromotie": vorm van reclame bestaande in het vertonen van goederen of diensten, of een gesproken of visuele presentatie van de goederen of diensten van een producent van goederen of een aanbieder van diensten, die wordt uitgezonden als onderdeel van een programma om tegen vergoeding de afzet van de gepresenteerde of getoonde goederen en diensten te bevorderen;
l)
"telewinkelen": rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek die worden uitgezonden met het oog op de levering tegen betaling van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;
m)
"productplaatsing": elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van opname van of verwijzing naar een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in een audiovisuele mediadienst, al dan niet tegen betaling of soortgelijke vergoeding aan de aanbieder van de mediadiensten. Deze definitie is echter niet van toepassing op mededelingen die een gevolg zijn van onafhankelijke redactionele beslissingen om, zonder dat deze ongegronde aandacht krijgen, producten te gebruiken die een integraal onderdeel zijn van het programma en de productie daarvan faciliteren, zoals in programma's toegekende prijzen, als merchandising bedoelde merkproducten en incidentele voorwerpen en rekwisieten;
n)
"productiehulp": zonder betaling of andere vergoeding ter beschikking gestelde goederen of diensten die om redactionele redenen worden gebruikt;
o)
"programma": een reeks bewegende beelden, met of zonder geluid, die een afzonderlijk onderdeel vormt binnen een schema of catalogus, vastgesteld of samengesteld door een aanbieder van mediadiensten;
p)
"coregulering": een vorm van regulering die op samenwerking tussen overheden en zelfreguleringsinstanties is gebaseerd;
q)
"redactionele verantwoordelijkheid": de verantwoordelijkheid voor het beroepsmatig samenstellen van het schema of compileren van voor het brede publiek bestemde programma's om de media-inhoud in een vast tijdskader te leveren of uit een catalogus te kunnen laten bestellen.
"
(3) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
(a)
In lid 1 wordt de passage "televisie-uitzendingen van omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen" vervangen door "audiovisuele mediadiensten van aanbieders van mediadiensten" en de term "uitzendingen" door "audiovisuele mediadiensten";
(b)
In lid 2 wordt de term "omroeporganisaties" vervangen door "aanbieders van mediadiensten";
(c)
In lid 3 wordt de term "omroeporganisatie" vervangen door "aanbieder van mediadiensten", de term "programmeringsbesluiten" door "redactionele besluiten over audiovisuele mediadiensten", de term "televisieomroepactiviteiten" door "activiteiten op het gebied van audiovisuele mediadiensten", de passage "waar zij het eerst met haar omroepactiviteiten is begonnen" door "waar deze het eerst met zijn activiteiten is begonnen" en het woord "zij" door "deze";
(d) Lid 4 wordt vervangen door:
"
4. Aanbieders van mediadiensten waarop lid 3 niet van toepassing is, worden geacht onder de bevoegdheid van een lidstaat te vallen, wanneer zij:
a)
gebruik maken van een satellietopstraalverbinding in die lidstaat;
b)
gebruik maken van tot die lidstaat behorende satellietcapaciteit, hoewel zij geen gebruik maken van een satellietopstraalverbinding in die lidstaat;
"
(e) In lid 5 wordt de term "omroeporganisatie" vervangen door "aanbieder van mediadiensten" en wordt "artikel 52" vervangen door "artikel 43";
(f) Lid 6 wordt vervangen door:
"
6. Deze richtlijn is niet van toepassing op audiovisuele mediadiensten die niet direct of indirect met standaardapparatuur voor de consument door het publiek in een of meer lidstaten kunnen worden ontvangen.
"
(4) Artikel 2 bis wordt vervangen door:
"
Artikel 2 bis
1. De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.
"
2.De lidstaten kunnen tijdelijk afwijken van lid 1, indien voldaan is aan de onderstaande voorwaarden:
a)
een audiovisuele mediadienst die wordt aangeboden vanuit een andere lidstaat vormt een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk op de artikelen 3 quinquies of 3 sexies, en/of artikel 22, lid 1 of 2;
b)
de aanbieder van mediadiensten heeft in de voorafgaande twaalf maanden al minstens twee maal inbreuk op de onder a) bedoelde bepaling(en) gemaakt;
c)
de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat waar deze is gevestigd en de Commissie schriftelijk kennis gegeven van de vermeende inbreuken en van de maatregelen die zij voornemens is te nemen indien een dergelijke inbreuk herhaald zou worden;
d)
overleg met de lidstaat van vestiging van de aanbieder van mediadiensten en de Commissie heeft niet binnen vijftien dagen vanaf de onder c) bedoelde kennisgeving geleid tot een minnelijke schikking, en de vermeende inbreuk duurt voort.
3.Met betrekking tot diensten op aanvraag mogen de lidstaten in spoedeisende gevallen tijdelijk maatregelen nemen die afwijken van lid 1, zonder dat de in lid 2, onder b), c) en d) genoemde voorwaarden vervuld zijn. In dat geval moeten de maatregelen op zo kort mogelijke termijn de Commissie en de lidstaat waar de aanbieder van mediadiensten is gevestigd, ter kennis worden gebracht met opgaaf van de redenen waarom de lidstaat van oordeel is dat het om een spoedeisend geval gaat.
4.De Commissie beslist binnen twee maanden na de kennisgeving van de door de lidstaat genomen maatregelen of die maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Is de beslissing negatief, dan moet de lidstaat de maatregelen met spoed intrekken.
5.Lid 2 vormt geen beletsel om in de lidstaat onder welks bevoegdheid de betrokken aanbieder van mediadiensten valt, ongeacht welke procedure, maatregel of sanctie op de betrokken inbreuken toe te passen.
(5) Artikel 3 wordt vervangen door:
"
Artikel 3
1. Het staat de lidstaten vrij van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van strengere of meer gedetailleerde voorschriften te eisen op de gebieden die onder deze richtlijn vallen, op voorwaarde dat deze voorschriften met de communautaire wetgeving stroken en de mededinging niet verstoren.
2.In gevallen waar een lidstaat
a)
op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde voorschriften heeft aangenomen, en
b)
deze voorschriften verantwoord zijn om redenen van openbare orde, met inbegrip van de bescherming van minderjarigen, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van de culturele diversiteit, en
c)
de lidstaat in kwestie van mening is dat een onder de jurisdictie van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten deze richtlijn op oneigenlijke of frauduleuze wijze misbruikt, om de genoemde voorschriften te omzeilen,
kan hij contact opnemen met de lidstaat van jurisdictie, ten einde een wederzijds aanvaardbare oplossing voor ondervonden problemen te bereiken. Indien de lidstaat van jurisdictie daartoe een met redenen omkleed verzoek van de eerstbedoelde lidstaat ontvangt, verzoekt hij de aanbieder van mediadiensten zich te voegen naar de desbetreffende voorschriften. De lidstaat van jurisdictie licht de eerstbedoelde lidstaat binnen twee maanden na het verzoek in over de behaalde resultaten.
3.Indien de eerstbedoelde lidstaat van oordeel is dat:
a)
het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is, en
b)
de betrokken aanbieder van mediadiensten zich alleen in de lidstaat van jurisdictie heeft gevestigd om zich op de bij deze richtlijn gecoördineerde gebieden te onttrekken aan de strengere voorschriften die op hem van toepassing zouden zijn indien hij in de eerstbedoelde lidstaat zou zijn gevestigd,
kan deze lidstaat passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen om misbruik of frauduleus gedrag te voorkomen.
Dergelijke maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze genomen, zijn geschikt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en beperken zich tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.
4.Een lidstaat mag enkel maatregelen uit hoofde van lid 3 treffen, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
hij heeft de Commissie en de lidstaat waarin de aanbieder van mediadiensten gevestigd is, in kennis gesteld van zijn voornemen om dergelijke maatregelen te nemen, met opgaaf van de gronden waarop hij de maatregelen wil vaststellen, en
b)
de Commissie besluit dat de maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, en in het bijzonder dat de redenen waarom de lidstaat de maatregelen bedoeld in de leden 2 en 3 wil nemen, gegrond is.
5.De Commissie neemt binnen drie maanden na de in lid 4, onder a) bedoelde kennisgeving een besluit. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen onverenigbaar met het Gemeenschapsrecht zijn, onthoudt de lidstaat in kwestie zich ervan de voorgestelde maatregelen te nemen.
6. De lidstaten dragen er met passende middelen in het kader van hun wetgeving zorg voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten de bepalingen van deze richtlijn daadwerkelijk naleven.
7. De lidstaten stimuleren zelfregulering en/of coregulering op nationaal niveau op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden. De betrokken regelingen zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste stakeholders in de desbetreffende lidstaat en in doeltreffende handhaving voorzien.
"
8.In geval van tegenstrijdigheid tussen deze richtlijn en een bepaling van een ander Europees rechtsbesluit dat aspecten van de toegang tot een activiteit op het gebied van audiovisuele mediadiensten of de uitoefening van die activiteit regelt, prevaleren de bepalingen van deze richtlijn.
9.De lidstaten bevorderen met passende middelen de mediageletterdheid onder consumenten.
(6) De volgende artikelen 3 ter tot en met 3 terdecies worden ingevoegd:
"
Artikel 3 ter
1. Op grond van het beginsel van vrije toegang tot informatie, zoals onder meer vervat in artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, en onverminderd bestaande contractuele overeenkomsten tussen de omroeporganisaties en zonder exclusieve rechten aan te tasten, zien de lidstaten erop toe dat in andere lidstaten gevestigde omroeporganisaties met het oog op korte nieuwsverslagen, ook verslagen die bedoeld zijn voor uitzendingen in heel Europa, niet verstoken blijven van toegang, op billijke, redelijke en niet-discriminerende basis, tot evenementen van groot belang voor het publiek die door een onder hun bevoegdheid vallende omroeporganisaties worden uitgezonden. De omroeporganisatie die deze toegang verleent heeft recht op een passende vergoeding voor de gemaakte technische kosten.
2. Omroeporganisaties mogen korte fragmenten vrij kiezen uit het signaal van de omroeporganisatie die de uitzending verzorgd, onder vermelding van ten minste de bron. Dergelijke fragmenten mogen uitsluitend worden gebruikt voor algemene nieuwsprogramma's.
3.De bepalingen van dit artikel laten de verplichting van de afzonderlijke omroeporganisaties onverlet, om de wetgeving inzake het auteursrecht, met inbegrip van Richtlijn 2001/29/EG(25) en/of het "Internationaal Verdrag ter bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties" (Rome, 26 oktober 1961) en de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, zoals sindsdien gewijzigd, na te leven en zijn van generlei invloed op die verplichting.
4.De lidstaten zorgen ervoor dat de modaliteiten en voorwaarden van het gebruik van dergelijke fragmenten worden vastgelegd, met name de maximale duur ervan, beperkingen in tijd voor de uitzending ervan en eisen met betrekking tot de vermelding van de uitzendende omroeporganisatie.
5.Omroeporganisaties kunnen, volgens het recht van de desbetreffende lidstaat, in verband met de uitzending zelf toegang tot het betrokken evenement verkrijgen.
Artikel 3 quater
De lidstaten zien erop toe dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten ten minste de volgende informatie gemakkelijk, direct en permanent ter beschikking stellen van de ontvangers van de dienst:
a)
de naam van de aanbieder van mediadiensten;
b)
het geografische adres waarop de aanbieder van de mediadiensten gevestigd is;
c)
nadere gegevens van de aanbieder van mediadiensten, waaronder diens e-mail- of webadres, waardoor hij snel op directe en doeltreffende wijze kan worden bereikt;
d)
voor zover van toepassing, de relevante regelgevende of toezichthoudende instantie.
Artikel 3 quinquies
1. De lidstaten zorgen er met passende maatregelen voor dat onder hun bevoegdheid vallende audiovisuele mediadiensten niet zodanig toegankelijk worden gesteld dat zij een belemmering vormen voor de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen. Dit artikel geldt met name voor programma's die pornografie of zinloos geweld bevatten. De Commissie en de lidstaten dienen de betrokken partijen in de mediabranche aan te moedigen tot de invoering van een communautair stelsel van identificatie, beoordeling en filtering in het belang van een betere bescherming van minderjarigen. De lidstaten stimuleren maatregelen om ouders en andere toezichthoudende personen meer sturingsmogelijkheden te geven voor programma's die zinloos geweld of pornografie bevatten.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten systemen beschikbaar stellen voor het uitfilteren van inhoud die schadelijk is voor de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen, en de gebruikers op het bestaan ervan attenderen.
3.De Commissie en de lidstaten moedigen de aanbieders van audiovisuele mediadiensten, de regelgevende instanties en alle betrokken partijen aan om onderzoek te doen naar de technische en juridische haalbaarheid van de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem voor inhoudssymbolen waardoor betere filtering en indeling aan de bron mogelijk worden, ongeacht welk platform voor de levering wordt gebruikt, met het oog op een betere bescherming van minderjarigen.
4.De lidstaten zorgen ervoor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten in geen geval kinderpornografie uitzenden op straffe van sancties van administratieve en/of strafrechtelijke aard.
5.De lidstaten verzoeken de aanbieders van audiovisuele mediadiensten om voorlichtingscampagnes te stimuleren ter preventie van geweld jegens vrouwen en minderjaren, waar mogelijk in samenwerking met verenigingen en openbare of particuliere instanties die op dit gebied actief zijn.
Artikel 3 sexies
De lidstaten dragen er met passende middelen zorg voor dat audiovisuele mediadiensten en audiovisuele commerciële communicatie die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders worden geleverd, niet aanzetten tot haat op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, geloofsovertuiging of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid of op enige andere wijze de menselijke waardigheid aantasten.
Artikel 3 septies
1. De lidstaten zien erop toe dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, voor zover haalbaar en met passende middelen en met adequate inachtneming van de verschillende leveringsmethoden, de ontwikkeling en vervaardiging van en de toegang tot Europese producties in de zin van artikel 6 bevorderen. Bij niet-lineaire audiovisuele mediadiensten kunnen ondersteuning en promotie de vorm krijgen van een minimumaantal Europese producties dat evenredig is aan het commercieel resultaat, een minimumaandeel Europese producties en Europese producties van producenten die onafhankelijk zijn van omroeporganisaties, in catalogi van video's op aanvraag, of een aantrekkelijke presentatie van Europese producties en producties van zulke onafhankelijke producenten in elektronische programmagidsen.
2. De lidstaten zien erop toe dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten geen cinematografische werken uitzenden buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.
3. De lidstaten brengen voor het einde van het vierde jaar na de vaststelling van deze richtlijn en vervolgens om de drie jaar aan de Commissie verslag uit over de tenuitvoerlegging van de in lid 1 bedoelde maatregel.
4. De Commissie brengt op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie en een onafhankelijke studie, elke drie jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van lid 1, rekening houdende met de marktontwikkelingen, de technologische vooruitgang en de nagestreefde culturele diversiteit.
Artikel 3 octies
De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders de in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie verankerde beginselen respecteert en vooral aan de volgende eisen voldoet:
a)
commerciële audiovisuele communicatie moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma's met visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van de programmadienst te worden gescheiden. Audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;
b)
audiovisuele commerciële communicatie moet de integriteit en natuurlijke pauzes van het programma eerbiedigen tijdens hetwelk zij wordt uitgezonden;
c) bij audiovisuele commerciële communicatie mogen geen subliminale technieken worden gebruikt. Het geluidsniveau van reclames en van de programma's en sequenties die eraan voorafgaan en erop volgen, mag daarom het gemiddelde geluidsniveau van de rest van het programma niet overstijgen. De inachtneming van deze verplichting valt zowel onder de verantwoordelijkheid van de reclamemakers als de omroeporganisaties, die er zich van moeten vergewissen dat de reclamemakers zich hieraan houden wanneer ze hun reclamemateriaal aanbieden
d)
audiovisuele commerciële communicatie moet in overeenstemming zijn met de beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en mag met name niet:
i)
de menselijke waardigheid aantasten;
ii)
kwetsend zijn op grond van discriminatie naar ras, geslacht, nationaliteit, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;
iii)
de rechten van het kind schenden, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;;
iv)
aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor gezondheid of veiligheid;
v)
aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu.
e)
audiovisuele commerciële communicatie, in welke vorm dan ook, voor sigaretten en tabaksproducten is verboden;
f)
pornografie, met inbegrip van afbeeldingen die kunnen aanzetten tot haat op grond van geslacht, worden in alle vormen van audiovisuele commerciële communicatie en telewinkelen verboden;
g)
audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken mag niet zijn gericht op minderjarigen en mag niet aanzetten tot overmatig gebruik van dergelijke dranken;
h)
audiovisuele commerciële communicatie voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van audiovisuele diensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, is verboden.
i)
audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen geestelijke of lichamelijke schade toebrengen. Daarom mag deze minderjarigen er niet direct toe aanzetten een product of dienst te kopen door misbruik te maken van hun onervarenheid of naïviteit, hen niet stimuleren hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen producten of diensten aan te kopen, geen misbruik maken van het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen, en niet minderjarigen in gevaarlijke situaties tonen.
j)
de lidstaten en de Commissie sporen aanbieders van audiovisuele mediadiensten aan een gedragscode te ontwikkelen voor kinderprogramma's die reclame of sponsoring bevatten of daarvoor worden onderbroken, dan wel ongezonde en ongewenste voedingsmiddelen en dranken met een hoog vet-, suiker- en zoutgehalte of alcoholhoudende dranken aanprijzen.
Artikel 3 nonies
1. Audiovisuele mediadiensten of programma's die worden gesponsord, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
de inhoud en, waar het televisie-uitzendingen betreft, de programmering, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten erdoor worden aangetast;
b)
zij mogen niet direct aansporen tot aankoop of huur van producten of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die producten of diensten;
c)
de kijkers moeten aan het begin en/of aan het einde duidelijk worden gewezen op het bestaan van een sponsoring-overeenkomst. Gesponsorde programma's dienen duidelijk als zodanig te worden gekenmerkt door aan het begin, tijdens en/of aan het einde van het programma naam, logo en/of ander symbool van de sponsor, zoals een verwijzing naar diens product(en) of dienst(en) of een onderscheidingsteken daarvan, op passende wijze te vermelden.
2. Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten.
3. Bij sponsoring van audiovisuele mediadiensten of programma's door ondernemingen waarvan de activiteiten de productie of verkoop van geneesmiddelen en medische behandelingen omvatten, mag de naam of het imago van de onderneming worden aangeprezen, maar mogen geen specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen worden aangeprezen die in de lidstaten onder welker bevoegdheid de aanbieder van deze mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn.
4. Nieuws- en actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord.
Artikel 3 decies
1.Productplaatsing is verboden. In het bijzonder nieuws- en actualiteitenprogramma's, kinderprogramma's, documentaires en adviesprogramma's mogen geen productplaatsing bevatten.
Productintegratie en themaplaatsing zijn in beginsel verboden.
2.Tenzij de lidstaten hierover anders besluiten, is productplaatsing evenwel toegestaan in bioscoopfilms, televisiefilms en televisieseries en sportuitzendingen.
Productierehulp waarvoor geen betaling is verricht, maar waarbij bepaalde goederen of diensten alleen kosteloos worden verstrekt met het oog op opname ervan in een programma, zijn toegestaan.
De programma's met productplaatsing of productiehulp voldoen aan alle hieronder genoemde eisen:
a)
de inhoud en, ingeval van televisie-uitzendingen, de programmering mogen nooit dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van de mediadienst in het gedrang komen;
b)
ze mogen nooit rechtstreeks aanzetten tot koop of huur van goederen of diensten, met name door verwijzingen naar speciale aanbiedingen voor deze goederen of diensten;
c)
het product mag geen "ongegronde aandacht" krijgen;
d)
kijkers moeten er duidelijk over worden geïnformeerd dat programma's productplaatsing bevatten. Programma's met productplaatsing worden aan het begin en het eind van het programma naar behoren gekenmerkt en voorts door een om de twintig minuten te zenden signaal tijdens het programma, om verwarring bij de kijker te voorkomen.
In geval van productiehulp moet de kijker met adequate middelen over het gebruik hiervan worden geïnformeerd.
3.Programma's mogen nooit productplaatsing of productiehulp bevatten voor:
–
tabaksproducten of sigaretten of productplaatsing door ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit de productie of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten; of
–
specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die in de lidstaten onder welker bevoegdheid de aanbieder van de mediadiensten valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn.
4.De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 zijn alleen van toepassing op programma's die vervaardigd zijn na de datum waarop de lidstaten deze richtlijn in werking moeten doen treden.
Artikel 3 undecies
1.De zendtijd die aan korte vormen van reclame besteed wordt, zoals reclamespots en afstandsverkoop, mag niet meer dan 20% per klokuur bedragen.
2.Lid 1 is niet van toepassing op berichten van televisie-omroepinstellingen over hun eigen programma's of verwante producten die er onmiddellijk van afgeleid zijn, noch op aankondigingen van sponsoring.
Artikel 3 duodecies
1.De lidstaten nemen passende maatregelen om er, gefaseerd, voor te zorgen dat de audiovisuele mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, toegankelijk worden voor personen met een visuele of auditieve handicap.
2.Vanaf uiterlijk ...* dienen de lidstaten bij de Commissie om de twee jaar nationale verslagen in over de tenuitvoerlegging van dit artikel. In dit verslag zijn met name statistische gegevens opgenomen over de vooruitgang die is geboekt inzake de toegankelijkheid in de zin van lid 1, de redenen voor eventueel uitblijven van vooruitgang en de maatregelen om deze te bereiken.
_____________
* Drie jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn.
Artikel 3 terdecies
1.Onverminderd andere in de lidstaten geldende burgerrechtelijke, administratiefrechtelijke of strafrechtelijke bepalingen, komt aan alle natuurlijke en rechtspersonen, ongeacht hun nationaliteit, wier wettige belangen, met name aanzien en reputatie, worden aangetast door een onjuiste bewering tijdens een audiovisuele mediadienst, een recht toe op weerwoord of vergelijkbare middelen.
2.Het recht op weerwoord of vergelijkbare middelen kan worden uitgeoefend tegenover alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten die onder de rechtsmacht van een lidstaat vallen.
3.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om dit recht of deze maatregelen te verwezenlijken en de procedure vast te stellen voor de uitoefening van dit recht. Met name zien zij erop toe dat de termijn voor de uitoefening van het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen voldoende ruim is en dat een en ander zodanig is georganiseerd dat natuurlijke of rechtspersonen die in andere lidstaten woonachtig of gevestigd zijn, dit recht of deze maatregelen naar behoren kunnen uitoefenen.
4.Het verzoek om recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen kan worden geweigerd indien een dergelijk verzoek volgens de in lid 1 vastgestelde voorwaarden niet is gerechtvaardigd, een strafbare handeling behelst, de omroeporganisatie door uitzending civielrechtelijk aansprakelijk zou kunnen worden gesteld of indien het verzoek indruist tegen de goede zeden.
5.De lidstaten zien erop toe dat geschillen betreffende de uitoefening van het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd.
6.Het recht van weerwoord laat andere rechtsmiddelen onverlet die openstaan voor personen wier recht op waardigheid, eer, goede naam of persoonlijke levenssfeer door een aanbieder van mediadiensten.
"
7.In artikel 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"
De lidstaten dienen bij de definitie van het begrip "onafhankelijke producent" naar behoren rekening te houden met de drie onderstaande criteria:
eigendom van het productiebedrijf en eigendomsrechten van het productiebedrijf, het aantal programma's dat aan dezelfde aanbieder van mediadiensten wordt geleverd en het eigendom van de secundaire rechten.
"
(8) Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
(a) Lid 1, punt c), wordt vervangen door:
c) producties die in coproductie zijn vervaardigd in het kader van tussen de Europese Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten met betrekking tot de audiovisuele sector die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomst.
(b) Lid 3 wordt geschrapt.
(c) Lid 4 wordt lid 3.
(d) Lid 5 wordt geschrapt."
(9) Artikel 7 wordt geschrapt.
(10) Artikel 10 wordt vervangen door:
"
Artikel 10
1. Televisiereclame en telewinkelprogramma's dienen duidelijk herkenbaar te zijn en te kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken dienen televisiereclame en telewinkelprogramma's met visuele of akoestische of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van de programmadienst te worden gescheiden.
2. Afzonderlijke reclame- en telewinkelspots dienen, behalve in sportprogramma's, een uitzondering te blijven.
"
(11) Artikel 11 wordt vervangen door:
"
Artikel 11
1. Reclame en telewinkelen mogen alleen tussen de uitzendingen worden gevoegd. Reclame- en telewinkelspots mogen ook tijdens de uitzendingen zodanig worden ingevoegd dat de integriteit van de uitzendingen niet wordt geschaad, rekening houdend met de natuurlijke pauzes in het programma, en er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van rechthebbenden.
2. Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van feuilletons, miniseries, lichte amusementprogramma's en documentaires), cinematografische werken, kinderprogramma's en nieuwsprogramma's mogen één keer per tijdvak van 30 minuten worden onderbroken voor reclame en/of telewinkelen.
Uitzendingen van religieuze diensten mogen niet worden onderbroken voor reclame of telewinkelen.
"
(12) De artikelen 12 en 13 worden geschrapt.
(13) De artikelen 16 en 17 worden geschrapt.
(14) Artikel 18 wordt vervangen door:
"
Artikel 18
1. Het aandeel korte vormen van reclame, zoals reclame- en telewinkelspots, mag per klokuur niet meer dan 20% bedragen.
2. Lid 1 is niet van toepassing op boodschappen van de omroeporganisatie waarin reclame wordt gemaakt voor haar eigen programma's en telewinkelen, gesponsorde programma's en, indien van toepassing, productplaatsing.
"
(15) Artikel 18 bis wordt vervangen door:
"
Artikel 18 bis
Programma's met audiovisuele commerciële communicatie zoals telewinkelen, telewinkelprogramma's en telepromotie moeten met visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig worden gekenmerkt.
"
(16) Artikel 19 wordt vervangen door:
"
Artikel 19
De bepalingen van deze richtlijn zijn mutatis mutandis van toepassing op televisie-uitzendingen die uitsluitend zijn gewijd aan reclame en telewinkelen, alsmede op televisie-uitzendingen die uitsluitend zijn gewijd aan zelfpromotie, die gemakkelijk als zodanig herkenbaar moeten zijn door optische en/of akoestische middelen. Hoofdstuk 3, alsmede artikel 11 (onderbrekingsvoorwaarden) en artikel 18 (duur van de onderbreking voor reclame en telewinkelen) zijn niet op deze uitzendingen van toepassing.
"
(17) Artikel 19 bis wordt geschrapt.
(18) Artikel 20 wordt vervangen door:
"
Artikel 20
Onverminderd artikel 3 mogen de lidstaten met inachtneming van het Gemeenschaps-recht afwijken van de voorwaarden van artikel 11, lid 2, en artikel 18 voor televisie-uitzendingen die uitsluitend voor het nationale grondgebied zijn bestemd en die niet direct of indirect door het publiek in een of meer andere lidstaten kunnen worden ontvangen.
"
(19)Artikel 22, lid 1, wordt vervangen door:
"
1.De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat uitzendingen van aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, geen programma's bevatten die de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig belemmeren kunnen, met name die welke pornografie of zinloos geweld vertonen.
"
(20) De artikelen 22 bis en 22 ter worden vervangen door:
"
Artikel 22 bis
1.De lidstaten bevorderen de productie en het programmeren van audiovisuele mediadiensten en programma's die geschikt zijn voor minderjarigen en bedoeld zijn om hun kennis van de communicatiemedia te verbeteren
2.Deze maatregelen hebben tot doel ouders, leraren en opvoeders te helpen bij hun opvoedingsinspanningen om te attenderen op de effecten van programma's waar minderjarigen naar kunnen kijken, door:
–
het opzetten van passende classificatiesystemen;
–
het stimuleren van maatregelen ter bevordering van mediabewustzijn en -kennis, hetgeen ook de deelname van de onderwijsinstellingen moet inhouden en het mogelijk moet maken om Europese programma's te produceren die op het gezin zijn afgestemd of bedoeld zijn voor kinderen en jongeren;
–
het in aanmerking nemen van de ervaring die op dit gebied binnen en buiten Europa is opgedaan en van het standpunt van belanghebbende partijen zoals omroeporganisaties, producenten, pedagogen, mediaspecialisten en relevante verenigingen.
3.De wetgeving van de lidstaten schrijft verder voor dat nieuwe televisietoestellen zijn voorzien van technische apparatuur waardoor bepaalde programma's kunnen worden geweerd.
"
(21) Artikel 23 bis wordt als volgt gewijzigd:
In lid 2, onder e), wordt de term "televisieomroepdiensten" vervangen door "audiovisuele mediadiensten".
(22) Het volgende artikel 23 ter en 23 quater worden ingevoegd:
"
Artikel 23 ter
1. De lidstaten nemen passende maatregelen voor de oprichting van nationale regelgevende organen en instanties overeenkomstig de nationale wetgeving, garanderen hun onafhankelijkheid, zien erop toe dat vrouwen en mannen gelijkelijk in bedoelde instanties zijn vertegenwoordigd en dat die hun bevoegdheden op onvooringenomen en transparante wijze uitoefenen.
2.De lidstaten belasten de nationale regelgevende instanties met de taak erop toe te zien dat aanbieders van audiovisuele mediadiensten de bepalingen van deze richtlijn naleven, met name ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting, het pluralisme in de media, de menselijke waardigheid, het beginsel van non-discriminatie en de bescherming van kwetsbare personen.
3. De nationale regelgevende organen versterken hun samenwerking en verschaffen elkaar en de Commissie de informatie die nodig is voor de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn.
Artikel 23 quater
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om het pluralisme van de informatie in de de televisieomroepsector te garanderen.
De lidstaten bevorderen overeenkomstig het Gemeenschapsrecht maatregelen om ervoor te zorgen dat omroeporganisaties onder hun jurisdictie als geheel het nodige pluralisme weerspiegelen van de relevante waarden en opties binnen hun samenleving die in overeenstemming zijn met de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
"
(23) De artikelen 25 en 25 bis worden geschrapt.
(24) Artikel 26 wordt vervangen door:
"
Artikel 26
Uiterlijk op ...* en vervolgens om de twee jaar brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van de gewijzigde richtlijn, met inbegrip van de verslagen bedoeld in artikel 3 septies, lid 3, en artikel 3 duodecies, lid 2, en met name ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de in artikel 3 septies, onder l), genoemde maatregelen, en doet zij, indien nodig, nieuwe voorstellen om de richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van audiovisuele mediadiensten, met name gelet op de recente technologische vooruitgang, het concurrentievermogen in de sector en de bevordering van de culturele verscheidenheid.
_______________
*Het eind van het vijfde jaar na de vaststelling van deze richtlijn.
"
Artikel 2
Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming)(26) wordt als volgt gewijzigd:
Punt 4 van de bijlage wordt vervangen door:
"
4. Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten: de artikelen 3 octies en 3 nonies en de artikelen 10 tot en met 20 (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/.../EG van het Europees Parlement en de Raad (PB ...).
"
Artikel 3
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(27) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).
Zaak C-212/97 Centros Ltd./Erhvervs-og Selskabsstyrelsen; Zaak C-33/74 Van Binsbergen/Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, Jurispr. 1974, blz. 1299; Zaak C-23/93 TV 10 SA/Commissariaat voor de Media, Jurispr. 1994, blz. I-4795, r.o. 21.
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).
Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PB L 152 van 20.6.2003, blz. 16).
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
Zaken C-320/94, Reti Televisive Italiane (RTI), C-328/94, Radio Torre, C-329/94, Reta A, C-337/94, Vallau Italiana Promomarket, C-338/94, Radio Italia Solo Musica e.a. en C-339/94 GETE/Ministero delle Poste e Telecomunicazioni, Jurispr. I-06471.
Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).