Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2669(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0643/2006

Ingediende teksten :

B6-0643/2006

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/12/2006 - 8.16

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0567

Aangenomen teksten
PDF 120kWORD 39k
Woensdag 13 december 2006 - Straatsburg
Tenuitvoerlegging van Richtlijn 85/611/EEG (instellingen voor collectieve belegging in effecten)
P6_TA(2006)0567B6-0643/2006

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over de ontwerprichtlijn van de Commissie houdende uitvoering van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) ten aanzien van de toelichting van bepaalde definities

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's)(1) (hierna "UCITS III-richtlijn" genoemd),

–   gezien de ontwerprichtlijn van de Commissie van 13 september 2006 houdende uitvoering van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) ten aanzien van de toelichting van bepaalde definities (werkdocument ESC/43/2006) (hierna "ontwerpuitvoeringsrichtlijn" genoemd),

–   gezien het advies van het Comité van Europese effectenregelgevers (CESR) aan de Commissie over de toelichting van bepaalde definities betreffende de toelichting van definities aangaande voor investeringen door ICBE's in aanmerking komende activa van januari 2006(2),

–   gelet op Besluit 1999/468/CE van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(3),

–   onder verwijzing naar de door de toenmalige voorzitter van de Commissie Romano Prodi op 5 februari 2002 voor het Europees Parlement afgelegde verklaring(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 februari 2002 over de tenuitvoerlegging van de financiële-dienstenwetgeving(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 april 2006 over vermogensbeheer(6),

–   gelet op artikel 81 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de voor investeringen door ICBE's in aanmerking komende activa tot dusver door de toezichthoudende autoriteiten in de lidstaten verschillend zijn geïnterpreteerd en dat derhalve de facto verschillende producten als ICBE's zijn aangeboden,

B.   overwegende dat een Europese uniforme toelichting van bepaalde definities van in aanmerking komende activa noodzakelijk is, om de nagestreefde interne markt te verwezenlijken,

1.   is van mening dat een verordening en niet een richtlijn de beste oplossing is, om een uniforme, consistente en snelle uitvoering van de nieuwe definities in nationaal recht te waarborgen; verzoekt de Commissie gedetailleerd uit te leggen waarom zij de voorkeur geeft aan een richtlijn en te onderzoeken of haar voorstel voor een richtlijn kan worden omgezet in een voorstel voor een verordening;

2.   onderstreept dat het CESR een waardevolle bijdrage heeft geleverd aan de nieuwe definities van de activa die voor investeringen door ICBE's in aanmerking komen en derhalve in zijn functie van zogenaamd niveau - III-comité betrokken moet blijven, om met name de consistentie van de in de uitvoeringsmaatregelen toegelichte definities in de dagelijkse praktijk te waarborgen; verwacht in dit verband dat het CESR binnen afzienbare tijd duidelijk zal maken of indices van hefboomfondsen in aanmerking kunnen komen als beleggingen; stelt vast dat indices van hefboomfondsen moeten voldoen aan de basiscriteria die vereist zijn om in het kader van UCITS III in aanmerking te komen, zoals voldoende diversifiëring, het vermogen om als een adequaat benchmark te fungeren en adequate publicatie;

Overdraagbare effecten

3.  3 onderstreept het belang van een liquiditeitseis met betrekking tot overdraagbare effecten, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn, voor een behoorlijk functioneren van activiteiten inzake vermogensbeheer en dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat dit beginsel op het meest passende niveau wordt opgenomen;

Geldmarktinstrumenten

4.   dringt er bij de Commissie op aan de afrekeningsperiode voor geldmarktinstrumenten, die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, van één jaar tot een maximum van exact 397 dagen te verhogen, waardoor de geldmarktinstrumenten hetzij een looptijd bij de emissie van maximum 397 dagen of een resterende looptijd van maximum 397 dagen hebben of hun rendement regelmatig en ten minste eenmaal per 397 dagen, overeenkomstig de geldmarktsituatie, wordt aangepast; merkt in dit verband op dat door deze wijziging zowel rekening wordt gehouden met richtlijn 2004/39/EG(7) als een vergelijking mogelijk maakt met de regelingen van de Amerikaanse Financial Supervisory Authority;

Financiële indices

5.   neemt kennis van het feit dat in de UCITS-III-richtlijn geen bepaling voorkomt waarin wordt vastgelegd of de financiële indices alleen gebaseerd mogen zijn op in aanmerking komende of ook op niet-in aanmerking komende activa, en dat artikel 9 van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn beide categorieën als in aanmerking komende activa definieert als voldaan wordt aan alle in artikel 22 bis, lid 1 van de UCITS-III-richtlijn vastgelegde criteria voor diversifiëring;

6.   wijst erop dat artikel 9 van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn de lidstaten de mogelijkheid moet geven om de investeringsdrempel voor gereguleerde markten, waarin bepaalde geldmarktinstrumenten en effecten sterk domineren, van 20% tot 35% te verhogen; is van mening dat zulks inhoudt dat artikel 9 van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn niet alleen betrekking moet hebben op artikel 22 bis, lid 1, maar ook op artikel 22 bis, lid 2 van de UCITS-III-richtlijn;

7.   leidt uit artikel 9, lid 1, onder a), sub iii) van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn af dat investeringen in indices die bestaan uit activa die niet voorkomen in artikel 19, lid 1 van de UCITS III-richtlijn toelaatbaar zullen zijn; wijst er in dit verband evenwel op dat artikel 9, lid 1, onder a), sub iii) van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn niet voldoende ingaat op enkele van deze indices, omdat artikel 22 bis, lid 1 van de UCITS III-richtlijn, waarnaar deze verwijst, beperkingen alleen ten aanzien van de emittenten van aandelen of schuldpapier vaststelt en geen betrekking heeft op indices waar diversifiëring niet afhankelijk is van het soort emittent, zoals grondstoffenindices, waar diversifiëring afhankelijk is van het soort grondstof; dringt er derhalve bij de Commissie op aan de werkingssfeer van artikel 9, lid 1, onder a), sub iii) van de ontwerpuitvoeringsrichtlijn zodanig uit te breiden dat een index wordt beschouwd als voldoende gediversifieerd als deze adequaat wordt geregeld door het risicobeheerssysteem van UCITS;

Door activa gedekte toonderpapieren

8.   is van mening dat niet alleen tweeledig door activa gedekte toonderpapieren (asset backed commercial papers) als in aanmerking komende activa moeten worden toegelaten, en dringt er derhalve bij de Commissie op aan, met inachtneming van artikel 19, lid 1, onder h), vierde streepje van de UCITS-III-richtlijn, ook andere door activa gedekte toonderpapieren als belegging voor ICBE's toe te staan;

o
o   o

9.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het CESR.

(1) PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3.
(2) CESR/06-005.
(3) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
(4) SPEECH/02/44.
(5) PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 115.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0181.
(7) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid