Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 28 september 2006 - Straatsburg
Het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU
 Bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee *
 Biologische productiemethode en aanduidingen op landbouwproducten en levensmiddelen *
 GALILEO
 Gemeenschappelijk immigratiebeleid
 Darfour
 Economische en handelsbetrekkingen van de EU met India
 Vooruitzichten van de vrouw in de internationale handel
 Verbetering economische situatie van de visserijsector
 Het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen
 Nanowetenschappen en nanotechnologieën (2005-2009)

Het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU
PDF 157kWORD 79k
Resolutie van het Europees Parlement over "Meer en beter samenwerken: het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU" (2006/2208(INI))
P6_TA(2006)0382A6-0270/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie "EU-bijstand: meer, beter en sneller helpen" (COM(2006)0087),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "De Europese ontwikkelingshulp doeltreffender maken: een gemeenschappelijk kader voor het opstellen van de nationale strategiedocumenten en de gezamenlijke meerjarenprogrammering" (COM(2006)0088),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Ontwikkelingsfinanciering en effectiviteit van de hulp – Uitbreiding van de EU-hulp 2006-2010" (COM(2006)0085),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Sneller vorderingen boeken om de ontwikkelingsdoelstellingen van het Millennium te bereiken - Financiering met het oog op de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp" (COM(2005)0133),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid - Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken" (COM(2005)0134),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken – De bijdrage van de Europese Unie" (COM(2005)0132),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 10 en 11 april 2006 over de financiering van de ontwikkelingshulp en de efficiëntie van de EU-bijstand,

–   gezien de verklaring van Rome bij het Forum op hoog niveau over harmonisatie van 25 februari 2003 en de verklaring van Parijs over de efficiëntie van de ontwikkelingssamenwerking van 2 maart 2005, aan het eind van het Forum op hoog niveau over doeltreffendheid van bijstand (hierna: verklaring van Parijs),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 februari 2006 over nieuwe financiële mechanismen voor ontwikkeling in het kader van de millenniumdoelstellingen(1),

–   gezien resolutie A/RES/55/2 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de Millenniumverklaring,

–   gezien het verslag van de heer Jeffrey Sachs, adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN), Investing in Development: A Practical Plan to Achieve the Millennium Development Goals,

–   gezien de consensus van Monterrey over de financiering van ontwikkelingshulp van 22 maart 2002,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese consensus(2) (hierna de Europese consensus voor ontwikkelingshulp genoemd),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité "Een nieuwe EU-strategie voor Afrika: naar een Europees-Afrikaans pact voor snellere ontwikkeling van Afrika" (COM(2005)0489),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 november 2005 over een ontwikkelingsstrategie voor Afrika(3),

–   gezien de tijdens de topbijeenkomst van 14-16 september 2005 over de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen aangenomen verklaring van New York over de nieuwe financieringsbronnen voor ontwikkelingshulp van 14 september 2005, waarmee 79 landen hun steun hebben betuigd voor een eerste proefproject in de vorm van een solidariteitsbijdrage op vliegtuigtickets,

–   gezien het rapport-Landau over de innovatieve financieringsbronnen voor de ontwikkeling, dat in opdracht was gegeven door de vierpartijengroep en in 2004 werd gepubliceerd, en het rapport-Atkinson New Sources of Development Finance: Funding the Millennium Development Goals, dat in 2004 door de VN werd gepubliceerd,

–   gezien zijn standpunt van 18 mei 2006 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking(4),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 april 2006 over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in de ontwikkelingslanden(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 april 2005 over de rol van de Europese Unie bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 maart 2006 over de herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds(7),

–   gezien de mededeling van 7 juni 2006 die is ingediend door de Afrikaanse groep bij het Landbouwcomité van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en die betrekking heeft op de voorwaarden voor de onderhandelingen over de landbouwgoederen (06/0000) (TN/AG/GEN/18),

–   gezien het rapport van maart 2006 "Evaluatie van de steun van de Wereldbank aan de handel, 1987-2004", gepubliceerd door de Onafhankelijke evaluatiegroep van de Wereldbank,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie internationale handel (A6-0270/2006),

A.   overwegende dat de Europese Unie meer dan de helft van de wereldwijde officiële hulpverlening financiert en dat zij dus de belangrijkste hulpverlener ter wereld is, maar dat deze positie niet tot uiting komt in een reëel leiderschap waarmee de Unie zich op het internationale toneel kan profileren,

B.   overwegende dat met de Europese consensus voor ontwikkeling de krijtlijnen van een gemeenschappelijke visie op het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie zijn uitgetekend op basis van gemeenschappelijke waarden, principes, doelstellingen en instrumenten van de lidstaten, de Raad, het Parlement en de Commissie,

C.   overwegende dat de allereerste doelstelling van dit beleid erin bestaat de armoede uit te roeien in het kader van de duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

D.   overwegende dat de Commissie voor het eerst sinds de vaststelling van de Europese consensus voor ontwikkeling een strategische planning zal opmaken voor de bijstand die zij zelf verleent en/of beheert alsook voor de bilaterale bijstand die de lidstaten verlenen, in het kader van de verbintenissen in hoofde van de verklaring van Parijs (eigen inbreng, aanpassing, harmonisatie, het bereiken van resultaten en het wederzijds afleggen van verantwoordelijkheid),

E.   overwegende dat het gebrek aan samenhang tussen de diverse beleidsterreinen van de Unie een doeltreffende bijstand verhindert en bovendien strijdig is met artikel 178 van het EG-Verdrag,

F.   overwegende dat verschillende studies hebben aangetoond dat de ontkoppeling van bijstand (d.w.z. geen voorwaarden koppelen aan oorsprong of betalingsmodaliteiten van deze bijstand) essentieel is voor een grotere doeltreffendheid, in het bijzonder wat voedselhulp betreft,

G.   overwegende dat de eigen inbreng van de partnerlanden in strategieën en ontwikkelingsprogramma's een van de basisbeginselen van de Europese consensus voor ontwikkeling en de verklaring van Parijs is,

H.   overwegende dat volgens bovengenoemd rapport dat door Jeffrey Sachs voor de Verenigde Naties is opgesteld, jaarlijks ten minste 50 miljard USD extra nodig is om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2015 te halen,

I.   overwegende dat de Europese Unie beloofd heeft jaarlijks 2 miljard EUR - waarvan 1 miljard van de lidstaten en 1 miljard van de Commissie afkomstig is - uit te trekken voor de ondersteuning van de handelscapaciteit van de ontwikkelingslanden,

J.   overwegende dat de Europese Unie haar engagement van 24 mei 2005 betreffende de verhoging van ontwikkelingshulp in de hogergenoemde conclusies van de Europese Raad heeft bevestigd; overwegende dat dit engagement inhoudt dat de Unie en haar lidstaten ten minste 50% van de verhoging van de middelen voor bijstand aan ontwikkelingshulp (ODA) in Afrika zullen besteden; overwegende dat de Unie als enige groep van donorlanden belangrijke, concrete en voorzienbare verbintenissen is aangegaan, om de bijstand in 2015 tot meer dan 84 miljard EUR te verhogen,

K.   overwegende dat de beperkingen voor de Europese begroting, die voortvloeien uit de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013 (conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005), betekenen dat de grootste inspanning voor de verhoging van de bijstand (80 à 90%) van de lidstaten dient te komen,

L.   overwegende dat er nog steeds vier lidstaten zijn die minder dan 0,33% van hun BNP – het in Barcelona afgesproken minimum – aan ontwikkelingshulp besteden, hoewel de gepubliceerde cijfers van de OESO voor 2005 aantonen dat de Europese Unie op de goede weg is om de doelstellingen voor 2006 te halen,

M.   overwegende dat de Europese Unie volgens recente cijfers van de Commissie voor ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO in het kader van de ontwikkelingshulp in 2005 een bedrag van 9 miljard schulden heeft kwijtgescholden (voornamelijk aan Irak en Nigeria), terwijl de consensus van Monterrey uitdrukkelijk voorschrijft dat financieringen voor schuldverlichting niet aan de begrotingsmiddelen voor ontwikkelingshulp, die normaal gezien rechtstreeks naar de ontwikkelingslanden moeten gaan, mogen worden onttrokken,

N.   overwegende dat de verhoging van bijstand voor ontwikkeling kunstmatig is en dat door wanbeheer een groot gedeelte van de door de lidstaten verleende hulp niet direct bij de bevolkingen in het zuiden terechtkomt,

O.   overwegende dat de verwezenlijking van de toezeggingen van de G8 in Gleneagles (de ontwikkelinghulp tot 2010 met jaarlijks 50 miljard USD verhogen) ver achterblijft bij de beloften, aangezien de daadwerkelijke hulp (waarin geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van de kwijtschelding van de schuldenlast van de armste landen) in 2005 met slechts 5 miljard USD is gestegen,

P.   overwegende dat de internationale gemeenschap om haar toezeggingen na te komen sedert september 2005 reeds twee keer bijeen is gekomen teneinde de besprekingen over de innovatieve financieringsbronnen voor de ontwikkeling voort te zetten,

Q.   overwegende dat de tenuitvoerlegging van innovatieve financieringsmechanismen het niet alleen mogelijk zou maken om nieuwe bronnen aan te boren, maar ook om de kwaliteit van de financieringsstromen van de ontwikkelingshulp te verbeteren met name op het stuk van stabiliteit en voorspelbaarheid van de middelen, hetgeen essentieel is voor de ondersteuning van nationale strategieën op de lange termijn,

R.   overwegende dat de verbetering van de doeltreffendheid van het Europese beleid inzake ontwikkelingssamenwerking inhoudt dat precieze te verwezenlijken doelstellingen worden vastgelegd, alsmede indicatoren waarmee de geboekte vooruitgang kan worden gemeten,

S.   overwegende dat de donoren zich in de Verklaring van Parijs ertoe hebben verbonden om voor 2010 doelstellingen af te bakenen in het licht van de daarin vastgelegde 12 indicatoren en een doeltreffend systeem in te voeren voor de controle op de naleving van deze doelstellingen door alle partijen,

T.   overwegende dat dringend en op duurzame wijze het hoofd moet worden geboden aan het schuldenprobleem dat een belangrijke rem op de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen vormt,

U.   overwegende dat een internationale consensus bestaat om over te stappen van een verlichting van de schuldenlast naar de kwijtschelding van de schulden van de arme landen, zoals blijkt uit de Millenniumverklaring en het besluit van de G8 in 2005 om de schulden kwijt te schelden,

1.   onderstreept dat de recente voorstellen die de Commissie in haar laatste drie mededelingen doet, een enorme stap vooruit betekenen en stelt vast dat de Raad in zijn voornoemde conclusies de voorstellen uit deze drie mededelingen gedeeltelijk overneemt;

2.   doet een beroep op de lidstaten en de Commissie om te werken aan de doeltreffendheid van bijstand in het bredere kader van de waarden die zijn verankerd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de verdragen van de VN, zoals het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

3.   is van mening dat het aanwijzen van "belangrijke donors" op specifieke gebieden per land een interessante stap voorwaarts is;

4.   verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat zij met één stem spreken, teneinde nu en in de toekomst een leidersrol op zich te nemen die niet alleen gebaseerd is op de omvang van de bedragen die aan ontwikkelingshulp worden besteed, maar ook op een betere doeltreffendheid;

5.   is van oordeel dat - met het oog op een doeltreffende bestrijding van de armoede - een veel groter deel van de officiële ODA, afkomstig van internationale donors, in eerste instantie rechtstreeks naar de armste landen en bevolkingsgroepen moet gaan, en betreurt het ontbreken van een precieze doelstelling van de Unie in die zin;

6.   is van mening dat de visserijovereenkomsten die met de ontwikkelingslanden worden gesloten, gericht moeten zijn op het verbeteren van het vermogen van deze landen om de visserij in hun wateren naar behoren te beheren, met inbegrip van de controle en het toezicht op de visserijactiviteiten en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, en niet zozeer louter en alleen op het betalen voor vangstrechten;

7.   is van oordeel dat de bijstand van de Europese Unie alleen maar doeltreffend kan zijn, indien aan de ontwikkelingslanden voldoende beleidsruimte wordt gewaarborgd en de doeltreffendheid van de bijstand wordt beoordeeld in termen van concrete vooruitgang op weg naar de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

8.   verzoekt de Commissie en de lidstaten van de Unie om een strikte eerbiediging van de doelstellingen en principes van de Europese consensus voor ontwikkeling, meer bepaald van de belangrijke doelstelling betreffende armoedebestrijding;

9.   verzoekt de Europese Unie om dit beleid waarmee de mensenrechten en het recht van de ontvangende landen om hun eigen beleid vast te stellen worden gerespecteerd, in alle multilaterale organen waarin zij zetelt, alsook in alle bilaterale relaties te verdedigen en te promoten;

10.   doet een beroep op de Europese Unie om in haar beleid inzake ontwikkelingssamenwerking de aanbevelingen van het VN-syntheserapport over de beoordeling van de ecosystemen voor het millennium op te nemen waarin wordt verklaard dat de vernietiging van de ecosystemen in de wereld een belemmering zal vormen voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen, en om actie te ondernemen om het wijdverbreide milieubederf om te buigen;

11.   verzoekt de lidstaten en de Commissie om samen en met de andere donors van de DAC al het mogelijke te doen om aldaar de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van de bijstand te steunen;

12.   moedigt de lidstaten en de Commissie aan om onverwijld de aanbevelingen van de Commissie, die door de Raad zijn overgenomen, uit te voeren hetgeen een aanzienlijke inspanning zal vergen om hun systeem van bijstand en/of de tenuitvoerleggingsprocedures ervan al dan niet radicaal te wijzigen, met de bedoeling de doeltreffendheid ervan beduidend te verhogen door een betere coördinatie van de programma's, de complementariteit van acties en meer samenhang in het beleid;

13.   onderstreept dat de doeltreffendheid van de bijstand moet worden nagestreefd via een tweeledige aanpak: het accent niet alleen op procedurekwesties zoals coördinatie, complementariteit, harmonisatie en afstemming, maar ook op inhoudelijke kwesties; onderstreept dat vraagstukken, zoals de strijd tegen corruptie en capaciteitsopbouw, in samenhang met grote inspanningen om brain drain te voorkomen en de beperking van de risico's van rampen in dit verband van fundamenteel belang zijn;

14.   onderstreept dat een betere coördinatie moet worden ondersteund met aanvullende acties die de taken tussen de lidstaten en de taken tussen de lidstaten en de Commissie beter verdelen, met het nationaal niveau als centraal punt en de partnerlanden als leiders, om tegemoet te komen aan het probleem van de landen en de "wees"-sectoren en onderstreept het belang van de Donor Atlas in dit opzicht;

15.   onderstreept dat de coördinatie tussen donors en de werkverdeling onder leiding van het partnerland dienen te geschieden, opdat een en ander op de prioriteiten en procedures van het partnerland wordt afgestemd;

16.   erkent dat de coördinatie en de werkverdeling niet geïsoleerd kunnen geschieden en dat de Europese Unie derhalve niet uitsluitend moet letten op de interne werkverdeling, maar altijd het donorperspectief in het oog moet houden;

17.   verzoekt de betrokken lidstaten werk te maken van de vereiste verhoging van de middelen, waartoe zij zich meermaals hebben verbonden en die erop neerkomt dat zij zonder boekhoudkundige trucjes een ODA van minstens 0,56% van het BNP in 2010 en 0,7% van het BNP in 2015 zullen hebben met de concrete bedoeling extra middelen voor meer en betere ontwikkelingshulp ter beschikking te stellen, en wijst hen op de belangrijke rol die zij in dit opzicht spelen;

18.   wijst de Europese Unie erop dat een verhoging van de ODA-bedragen slechts zin heeft als ook de doeltreffendheid en kwaliteit van de ontwikkelingshulp sterk worden verbeterd en verzoekt de Europese Unie deze verbetering als een absolute prioriteit in het ontwikkelingsbeleid van elke lidstaat en van de betrokken Europese instellingen te beschouwen;

19.   verzoekt elke lidstaat om jaarlijks een gedetailleerde lijst op te maken met enerzijds alle bedragen die rechtstreeks voor de ontwikkelingshulp zijn bestemd, en anderzijds de bedragen die onder andere initiatieven vallen, zoals de verlichting van de schuldenlast, op basis van het door de Commissie opgestelde referentiedocument; dringt erop aan dat dergelijke bedragen nadrukkelijk zouden worden uitgesloten van de berekeningen van de totale uitgaven voor ontwikkelingshulp;

20.   stelt vast dat de gesprekken over de vraag of bepaalde initiatieven al dan niet tot het terrein van de ontwikkelingshulp behoren in 2007 in de DAC en OESO zullen worden voortgezet om tijdens de top die aanvang 2008 in Ghana zal worden gehouden te worden afgerond en onderstreept dat het vast van plan is actief aan deze gesprekken deel te nemen;

21.   verzoekt de Commissie te verduidelijken volgens welke bepalingen zij haar mandaat binnen de DAC en de OESO heeft gekregen, welk standpunt zij er verdedigt, welke de regels zijn voor de organisatie en werking van deze commissie;

22.   dringt er bij de leden van de DAC en de OESO op aan dat zij voor 2010 specifieke doeleinden vaststellen in verband met de in de verklaring van Parijs vastgelegde 12 indicatoren, met name voor de doelstellingen inzake voorwaardelijkheid, wederzijdse verantwoording en voorspelbaarheid, en dat zij een doeltreffend mechanisme voor de follow-up in werking stellen;

23.   steunt het door de Commissie voorgestelde en door de Raad gesteunde initiatief inzake gezamenlijke programmering voor 11 ACS-landen alsook Vietnam en Nicaragua, en is van oordeel dat de momenteel in voorbereiding zijnde programmering voor de ACS-landen een goede start zou kunnen zijn; onderstreept echter dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de proefinitiatieven niet in conflict komen met de huidige gemeenschappelijke maatregelen in de partnerlanden (zoals de gemeenschappelijke bijstandsstrategieën), maar veeleer de bestaande processen versterken;

24.   neemt nota van en apprecieert het werk van de Commissie inzake het ontwikkelen van indicatoren om het resultaat van haar activiteiten te meten, maar constateert tevens dat de meeste indicatoren de interne evaluatie betreffen, dat de begrotingssteun en de sectorale programma's niet middels deze indicatoren worden geëvalueerd en dat er nog geen indicatoren inzake weerslag en duurzaamheid bestaan waarmee de afgesloten projecten kunnen worden beoordeeld;

25.   verzoekt de Commissie en de lidstaten samen indicatoren inzake de resultaten vast te leggen die zijn afgestemd op de millenniumdoelstellingen-indicatoren, zodat de nationale parlementen en het plaatselijk maatschappelijk middenveld, alsmede het Europees Parlement de resultaten van de bijdragen van de EU kunnen traceren;

26.   onderstreept dat de gezamenlijke programmering een partnerschap mogelijk moet maken dat gebaseerd is op eigen nationale verantwoordelijkheid en wederzijdse verantwoording;

27.   benadrukt dat zowel hulp- als handelsmaatregelen een belangrijke rol kunnen en moeten spelen bij het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen;

28.   verzoekt de Commissie een onderzoek te verrichten om na te gaan hoe de eerlijke handel kan evolueren naar een model voor een duurzaam handelsbeleid waarmee een evenwichtige noord-zuidhandel kan worden bevorderd, en om vast te stellen welke handelsbelemmeringen de armsten in de wereld het hardste treffen;

29.   erkent het belang voor de ontwikkelingslanden van een stabilisatie van de goederenprijzen en roept de Commissie ertoe op maatregelen in dit verband voor te stellen;

30.   verzoekt de Commissie toe te lichten in hoeverre de begunstigde landen en het maatschappelijk middenveld de volledige controle over hun ontwikkelingsbeleid met de noodzakelijke beleidsruimte zullen krijgen bij de analyse, de diagnose en de opstelling van het gezamenlijk strategisch beleid om de respons van de begunstigde landen aan te moedigen;

31.   is van oordeel dat het nationaal en regionaal ontwikkelingsbeleid op democratische wijze door de begunstigde landen zelf moet worden vastgelegd en dat democratisch gekozen parlementen de tenuitvoerlegging van de programma's nauwlettender in de gaten moeten houden;

32.   wijst op het belang van transparantie en de strijd tegen de corruptie met het oog op een efficiëntere bijstand; herinnert in dit verband aan de aanbevelingen in zijn hogergenoemde resolutie over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in de ontwikkelingslanden en betoont andermaal zijn steun aan de campagne "Publiceer wat je betaalt" waarin multinationale ondernemingen ertoe worden opgeroepen om informatie openbaar te maken over betalingen aan regeringen;

33.   herhaalt zijn aanbeveling inzake de doeltreffendheid van de bijstand en de corruptie in de ontwikkelingslanden en doet een beroep op de Commissie en de Raad om een passend percentage van de begrotingssteun te bestemmen voor waakhonden uit het maatschappelijk middenveld, om een internationaal systeem van zwarte lijsten op te zetten om te voorkomen dat banken geld aan corrupte regimes lenen, om overheidsopdrachten te verbieden aan bedrijven die betrokken zijn geweest bij corrupte activiteiten in een ontwikkelingsland en om alle lidstaten ertoe aan te zetten het VN-Verdrag tegen corruptie te ratificeren;

34.   herinnert ook aan het belang van een goed bestuur en het bestaan van een stabiele rechtsstaat en doorzichtige en voorzienbare reglementaire, juridische en institutionele structuren als de noodzakelijke voorwaarden voor een gunstig klimaat voor economische ontwikkeling;

35.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gedecentraliseerde samenwerking te verdiepen, die rechtstreeks met de plaatselijke eenheden in de ontwikkelingslanden wordt uitgevoerd;

36.   is van oordeel dat de medefinanciering als katalysator van de Europese middelen kan werken en aldus ertoe kan bijdragen een daadwerkelijk Europees beleid inzake ontwikkelingssamenwerking te bevorderen;

37.   neemt nota van het voorstel de Commissie om een flexibel en duurzaam instrument te bevorderen voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen en vraagt om nadere gegevens over de werking en beheerswijze van een dergelijk instrument;

38.   betreurt, in tegenstelling tot de Commissie, dat de door sommige lidstaten geboekte vorderingen in het nakomen van hun verbintenis om de ontwikkelingshulp te ontkoppelen(8) ontoereikend zijn, terwijl de lokale producenten en bevolkingen in het zuiden zeer veel van dit instrument verwachten en er veel baat bij zouden hebben; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de voedselhulp en het transport ervan naar de minst ontwikkelde landen onmiddellijk wordt ontkoppeld, zoals de OESO heeft aanbevolen;

39.   is bezorgd over het feit dat het communautaire beleid inzake begrotingssteun voor ontwikkelingslanden steeds afhankelijker wordt van de conditionaliteiten van internationale financiële instellingen, hetgeen deze landen ertoe dwingt aan de voorwaarden van het IMF te voldoen om voor ontwikkelingssteun van de Unie in aanmerking te komen; is van oordeel dat deze gecentraliseerde conditionaliteit in strijd is met het beleid inzake ownership van de begunstigde landen;

40.   verzoekt de Commissie en de lidstaten het nodige te doen om de belanghebbenden in de begunstigde landen, met inbegrip van maatschappelijk middenveld, voldoende voor te lichten opdat zij gemakkelijker toegang krijgen tot de beschikbare programma's;

41.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de initiatieven inzake medeontwikkeling aan te moedigen waarbij onder deze term wordt verstaan het benutten van het potentieel van de gemeenschappen van migranten die in de ontwikkelde landen wonen, ten dienste van de ontwikkeling van hun land van oorsprong;

42.   verzoekt de Commissie en de lidstaten competente personen uit de diaspora die concrete steun willen verlenen en in hun land van oorsprong willen werken om hun kennis ten dienste te stellen van de ontwikkeling, bij ontwikkelingsprogramma's te betrekken;

43.   onderstreept dat ter verbetering van de daadwerkelijke steun die tot uiting komt in concrete vooruitgang ter plaatse, innoverende financiële instrumenten en bijkomende middelen absoluut onontbeerlijk zijn en niet in de plaats mogen komen van de verbintenissen die reeds op het stuk van de officiële ontwikkelingshulp zijn aangegaan;

44.   juicht de uitgesproken wil van de Europese Unie toe om vernieuwende mechanismen op te zetten voor de financiering van de ontwikkeling om een stabiele, doeltreffende en voorzienbare hulpverlening te verzekeren;

45.   onderstreept dat de Commissie niet mag worden beschouwd als de zesentwintigste donor van de Europese Unie; in plaats daarvan moet het relatieve voordeel van communautaire hulp worden gedefinieerd; wijst andermaal op het belang van de gebieden die zijn afgebakend in de "Europese consensus", zoals de aanwezigheid van de Unie in de wereld, de omvang van haar begroting voor ontwikkelingssamenwerking, de versterking van de samenhang in het beleid, de bevordering van het uitwerken van optimale praktijken, de vergemakkelijking van coördinatie en harmonisatie en de bevordering van democratie en de eerbiediging van de mensenrechten, enz.; verzoekt de Europese Unie over deze kwestie een duidelijk standpunt in te nemen;

46.   verzoekt de nationale parlementen een betere controle op de verleende bijstand en de tenuitvoerlegging van de bilaterale samenwerkingsprogramma's uit te oefenen;

47.   betreurt het feit dat het HIPC-initiatief (arme landen met een zware schuldenlast) geen duurzame oplossing voor het schuldenvraagstuk heeft aangedragen en dat de meeste betrokken landen geen verbetering in hun schuldensituatie hebben gezien, zoals is gebleken uit het hogergenoemde rapport van de Onafhankelijke evaluatiegroep van de Wereldbank;

48.   is verheugd over het initiatief van Noorwegen om een studie te laten verrichten op het niveau van de Wereldbank en de Verenigde Naties naar de centrale kwestie van de onwettigheid van de schuld en moedigt de Europese Unie en de lidstaten aan om dit initiatief in de internationale fora te steunen, opdat deze kwestie internationaal wordt erkend en audits over het "verfoeilijke" karakter van bepaalde bilaterale schulden van de lidstaten worden verricht met het oog op de kwijtschelding ervan;

49.   betreurt het feit dat de Raad niet bereid is nieuw geld uit te trekken voor hulp- en handelsmaatregelen in het financieel kader voor 2007-2013; meent dat de financiering van deze maatregelen niet ten koste mag gaan van andere activiteiten om de millenniumdoelstellingen te verwezenlijken; meent dat dit incoherent en onacceptabel zou zijn, terwijl nieuwe financiële instrumenten en nieuw geld essentieel zijn;

50.   benadrukt het belang van het WTO-initiatief "Aid for Trade" dat de ontwikkelingslanden in staat stelt hun commerciële capaciteiten te verstevigen en de WTO-akkoorden ten uitvoer te leggen met de bedoeling hier voordeel uit te halen en hun handel te laten bloeien door hun optreden in het internationale verkeer te vergemakkelijken; herhaalt, met het oog hierop, zijn steun voor de nieuwe begrotingslijn "Aid for Trade", die zowel de transparantie als de democratische controle vergroot;

51.   juicht het voorstel van de Commissie toe om de coördinatie op het gebied van handel in verband met ontwikkelingssamenwerking te verstevigen; benadrukt in deze context de behoefte aan verbeterde coördinatiemaatregelen in het algemeen voor alle donoren, en in het bijzonder op het niveau van de praktijk; benadrukt de noodzaak voor de Europese Unie om de inspanningen wat betreft ontwikkelingshulp samen met andere internationale geldschieters onder elkaar te verdelen;

52.   meent dat steun van de Unie noodzakelijk is in het kader van de suikersteunmaatregelen aan de ACS-landen opdat deze laatste zich kunnen aanpassen aan de nieuwe verplichtingen van de hervorming van het Europese suikerregime; is echter van oordeel dat de toegekende begroting in het kader van de reorganisatie niet ten koste mag gaan van andere getroffen maatregelen in het kader van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en met name ten koste van de uitgaven voor de millenniumdoelstellingen;

53.   herinnert de Commissie aan haar toezegging voor een "Round for Free" voor ontwikkelingslanden in de WTO; eist de maximale inzet van de Commissie en de Raad om te voorkomen dat de minst ontwikkelde landen (MOL) slachtoffer worden van de belangen van sterkere handelsblokken;

54.   erkent dat de Commissie en de ACS-landen meer doeltreffendheid willen bereiken door nauwere regionale samenwerking via de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO); roept in dit verband op tot de nodige waarborgen en een realistisch tijdsschema voor de geleidelijke en asymmetrische opening van de handel, om te verzekeren dat EPO de groei in de ACS-landen op een doeltreffende manier zullen stimuleren;

55.   roept alle ontwikkelingslanden en alle verder gevorderde ontwikkelingslanden op het model te volgen van het initiatief van de Unie "Alles behalve wapens" waarbij voor de MOL de volledige toegang tot de markt zonder belasting en zonder quota wordt verzekerd;

56.   verwijst naar het rapport van de Commissie waaruit blijkt dat de MOL het minst profiteren van het preferentiestelsel van de Europese Unie; roept de Commissie ertoe op nieuwe maatregelen te nemen, zodat de armste landen optimaal kunnen profiteren van de communautaire handelspreferenties;

57.   is van oordeel dat, hoewel het door de Europese Unie gereserveerde bedrag voor financiële bijstand aanzienlijk is, het ook belangrijk is om ingrijpende hervormingen van de financiële en commerciële instellingen in de wereld door te voeren om een multidimensionale en op rechten gebaseerde benadering op te nemen;

58.   herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie over de herziening van de strategie van het IMF waarin de lidstaten ertoe werden opgeroepen te streven naar de vorming van één enkele kiesgroep ("constituency"), te beginnen met een groep landen van de euro-zone, teneinde op langere termijn te komen tot een consistente Europese vertegenwoordiging, waarbij het voorzitterschap van de Raad Economische en Financiële Zaken en de Commissie zijn betrokken en de genoemde groep onder controle van het Europees Parlement staat;

59.   dringt aan op herziening van de werking van de internationale financiële instellingen, te beginnen bij de aanpassing van het kiesstelsel aan de huidige realiteit door meer gewicht te verlenen aan de ontwikkelingslanden en door de huidige onevenwichtige samenstelling van de kiesgroepen te herzien;

60.   dringt er bij de internationale financiële instellingen op aan, in het licht van de talrijke rapporten van de Verenigde Naties waaronder het bovengenoemde rapport-Sachs, de draaglijkheid van de schuld van de ontwikkelingslanden te definiëren als een schuldenlast die een land in staat stelt om de millenniumdoelstellingen te halen zonder een verhoging van zijn schuldquote en verzoekt de vertegenwoordigers van de lidstaten bij de internationale financiële instellingen om zich in te zetten voor een dergelijke herdefiniëring;

61.   herinnert aan de suggestie in zijn bovengenoemde resolutie over de herziening van de strategie van het IMF om de conditionaliteit van de steun en de leningen van de internationale financiële instellingen te definiëren in het kader van een verbeterde samenwerking met de instellingen van de Verenigde Naties, en erkent dat deze conditionaliteiten in vele gevallen een negatieve weerslag op de sociale en economische indicatoren van de ontwikkelingslanden hebben gehad;

62.   stelt voor een werkgroep op te richten die is gewijd aan de doeltreffendheid van de Europese steun en de follow-up van de Europese consensus over ontwikkelingssamenwerking en die bestaat uit de leden van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, en verzoekt de Commissie, de lidstaten, de NGO's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de vakbondsorganisaties hieraan deel te nemen; stelt derhalve voor een aantal landen als "case studies" uit te kiezen teneinde het Parlement en zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking een beter beeld te verschaffen van de inspanningen en resultaten in het algemeen met de nadruk op de doeltreffendheid van de bijstand;

63.   onderstreept dat het van essentieel belang is dat de Unie systematischer over beleidsvormen beschikt die een globale samenhang vertonen en is verheugd over het feit dat deze kwestie van samenhang tussen de verschillende beleidsvormen van de Europese Unie deel gaat uitmaken van de agenda van het Finse voorzitterschap waarvan het veel verwacht;

64.   onderstreept het belang van samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen van de EU evenals de nodige coördinatie en complementariteit van de maatregelen tussen de Europese Unie en haar lidstaten voor de effectiviteit van hulp, met name op plaatselijk niveau; acht het ontbreken van samenhang in strijd met artikel 178 van het EG-Verdrag;

65.   is van oordeel dat in het beleid van de Europese Unie inzake de doeltreffendheid van de bijstand blijk moet worden gegeven van samenhang tussen handel, ontwikkelingssamenwerking en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid, teneinde directe of indirecte negatieve gevolgen voor de economie van de ontwikkelingslanden te voorkomen;

66.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0063.
(2) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2005)0445.
(4) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0217.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0141.
(6) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 311.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0076.
(8) Zie verklaring in overweging F.


Bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee *
PDF 236kWORD 87k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (COM(2005)0714 – C6-0034/2006 – 2006/0002(CNS))
P6_TA(2006)0383A6-0265/2006

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0714)(1),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0034/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0265/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 6
(6)  Doel van het plan dient te zijn een wijze van exploitatie van de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden te garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt.
(6)  Doel van het plan dient te zijn om de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden op voorzorgsniveau te krijgen.
Amendement 21
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis) Daarom moet er bij het opstellen van het beheersplan ook rekening mee worden gehouden dat de grote sterfte onder de scholbestanden bij het vissen in hoge mate te wijten is aan de grote hoeveelheden overboord gezette vis bij de visserij op tong met de boomkor met 80 mm maaswijdte in het zuidelijk deel van de Noordzee.
Amendement 3
Overweging 7
(7)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 verplicht de Gemeenschap ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid er onder meer toe de voorzorgsaanpak te volgen bij het nemen van maatregelen die erop zijn gericht de betrokken bestanden te beschermen en in stand te houden, voor een duurzame exploitatie van die bestanden te zorgen en het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk te houden. De Gemeenschap streeft naar een geleidelijke tenuitvoerlegging van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer die bijdraagt tot doelmatige visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector. Deze verordening dient te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van de visserij op schol- en tongbestanden in de Noordzee afhankelijk zijn, rekening houdend met de belangen van de consumenten.
(7)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 verplicht de Gemeenschap ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid er onder meer toe de voorzorgsaanpak te volgen bij het nemen van maatregelen die erop zijn gericht de betrokken bestanden te beschermen en in stand te houden, voor een duurzame exploitatie van die bestanden te zorgen en het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk te houden. De Gemeenschap streeft naar een geleidelijke tenuitvoerlegging van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer die bijdraagt tot doelmatige visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector. Deze verordening dient te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van de visserij op schol- en tongbestanden in de Noordzee afhankelijk zijn, rekening houdend met de belangen van de consumenten. De Gemeenschap dient haar beleid mede te baseren op het door de betreffende regionale adviesraad (RAC) geadviseerde beleid.
Amendement 4
Overweging 10 bis (nieuw)
(10bis) In 2006 zal de Commissie een debat op gang brengen over een communautaire strategie voor een geleidelijke vermindering van de visserijsterfte in alle belangrijke visserijen via een mededeling betreffende de verwezenlijking van de MSY(maximale duurzame vangst)-doelstelling tegen 2015. De Commissie zal deze mededeling voor advies voorleggen aan de RAC's.
Amendement 5
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter) Aan elk wetgevingsvoorstel van de Commissie moet een effectbeoordeling vooraf gaan die gebaseerd is op nauwkeurige, objectieve en uitgebreide biologische en financiële informatie; deze effectbeoordeling dient vóór 1 januari 2007 bij het Commissievoorstel te worden gevoegd.
Amendement 22
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater) Deze verordening schrijft geen beperkingen voor het gebruik van de boomkor bij de visserij op schol en tong in de Noordzee voor. Het is echter noodzakelijk de negatieve gevolgen te beperken die het gebruik van de boomkor voor het ecosysteem en het mariene milieu kan hebben. De Commissie dient derhalve onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening een onderzoek te laten uitvoeren naar de effecten van de boomkorvisserij voor het ecosysteem en het mariene milieu in de zeegebieden waar van deze vangstmethode gebruik wordt gemaakt, en naar alternatieve, in economisch, ecologisch en sociaal opzicht duurzame vangstmethoden. Naar aanleiding van dit onderzoek moet een actieplan worden opgesteld voor een geleidelijke afschaffing van de vangstmethoden en -gereedschappen met nadelige gevolgen voor het ecosysteem en het mariene milieu ten gunste van vangstmethoden en -gereedschappen waarbij het milieu meer wordt ontzien.
Amendement 7
Artikel 2
1.  Het beheersplan moet zorgen voor de duurzame exploitatie van de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden.
1.  Het beheersplan moet er voor zorgen dat de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden, voor zover ze zich daar al niet bevinden, weer op het voorzorgsniveau komen.
2.   Het in lid 1 gestelde doel wordt verwezenlijkt terwijl de visserijsterfte bij het in de Noordzee voorkomende scholbestand op ten minste 0,3 gehandhaafd blijft.
2.   Dat doel wordt verwezenlijkt door de visserijsterfte voor deze bestanden geleidelijk te reduceren.
3.  Het in lid 1 gestelde doel wordt verwezenlijkt terwijl de visserijsterfte bij het in de Noordzee voorkomende tongbestand op ten minste 0,2 gehandhaafd blijft.
Amendement 8
Artikel 3, lid 1
1.  Ieder jaar stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid de hoogte van de voor het volgende jaar geldende totaal toegestane vangsten (TAC's) vast voor de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden.
1.  De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid de hoogte van de totaal toegestane vangsten (TAC's) vast voor de in de Noordzee voorkomende schol- en tongbestanden voor een periode van 3 jaar.
Amendement 9
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Wettelijke maatregelen en driejaarlijkse vaststelling van de TAC's
1.  Wanneer de paaibiomassa volgens de evaluatie van de ICES terug op of boven het voorzorgsniveau is gebracht, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid een besluit over:
a) een streefniveau voor de visserijsterfte voor de lange termijn;
en
b) een percentage voor de vermindering van de visserijsterfte dat moet worden toegepast totdat het onder a) vastgestelde niveau van visserijsterfte is bereikt.
2.  De Raad stelt op basis van die streefcijfers en een wetenschappelijke ex-post evaluatie telkens voor een periode van drie jaar een TAC vast voor de schol- en tongbestanden.
Amendement 24
Artikel 4
1.  De Raad stelt de TAC voor schol vast op het niveau dat volgens een door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) uitgevoerde wetenschappelijke beoordeling het hoogste is van de volgende twee:
1.   Wanneer de paaibiomassa van schol door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) op grond van het meest recente verslag van de ICES wordt geraamd op minder dan het voorzorgsniveau van 230 000 ton, stelt de Raad een TAC vast voor een periode van 3 jaar. Deze wordt zodanig vastgesteld dat, volgens de WTECV-raming, er een gerede kans bestaat dat het bestand zich na 3 jaar op het voorzorgsniveau bevindt.
a) de TAC die in het jaar waarin hij wordt toegepast, zou leiden tot een daling van de visserijsterfte met 10 % ten opzichte van de voor het vorige jaar geraamde visserijsterfte;
b) de TAC die in het jaar waarin hij wordt toegepast, zou leiden tot een visserijsterfte van 0,3 bij leeftijden 2 tot 4.
2.  Indien de toepassing van lid 1 zou leiden tot een TAC die de TAC van het vorige jaar met meer dan 15 % overschrijdt, stelt de Raad een TAC vast die 15 % hoger is dan de TAC van dat jaar.
2.  Indien dit leidt tot een reductie van de meerjarige TAC met meer dan 15%, besluit de Raad de reductie stapsgewijs door te voeren, waarbij de verschillen tussen de jaren niet meer dan 15% bedragen.
3.  Indien de toepassing van lid 1 zou leiden tot een TAC die meer dan 15 % kleiner is dan de TAC van het vorige jaar, stelt de Raad een TAC vast die 15% lager is dan de TAC van dat jaar.
3.  Indien dit leidt tot een verhoging van meer dan 15%, wordt een maximale verhoging van 15% vastgesteld.
Amendement 11
Artikel 5
1.   De Raad stelt de TAC voor tong vast op het vangstniveau dat volgens een door het WTECV uitgevoerde wetenschappelijke beoordeling het hoogste is van de volgende drie:
1.  Wanneer de paaibiomassa van tong door het WTECV op grond van het meest recente verslag van de ICES wordt geraamd op minder dan het voorzorgsniveau van 35 000 ton, stelt de Raad een TAC vast voor een periode van 3 jaar. Deze wordt zodanig vastgesteld dat, volgens de WTECV-raming, er een gerede kans bestaat dat het bestand zich na 3 jaar op het voorzorgsniveau bevindt.
a) de TAC die bij toepassing ervan zou leiden tot dezelfde proportionele verandering van de visserijsterfte bij tong als ontstaat bij de toepassing van artikel 4, lid 1, op het scholbestand;
b) de TAC die in het jaar waarin hij wordt toegepast, zou leiden tot een visserijsterfte van 0,2;
c) de TAC die in het jaar waarin hij wordt toegepast, zou leiden tot een daling van de visserijsterfte met 10 % ten opzichte van de voor het vorige jaar geraamde visserijsterfte.
2.   Indien de toepassing van lid 1 zou leiden tot een TAC die de TAC van het vorige jaar met meer dan 15% overschrijdt, stelt de Raad een TAC vast die 15% hoger is dan de TAC van dat jaar.
2.   Indien dit leidt tot een reductie van de meerjarige TAC met meer dan 15%, besluit de Raad de reductie stapsgewijs door te voeren, waarbij de verschillen tussen de jaren niet meer dan 15% bedragen.
3.   Indien de toepassing van lid 1 zou leiden tot een TAC die meer dan 15% kleiner is dan de TAC van het vorige jaar, stelt de Raad een TAC vast die 15% lager is dan de TAC van dat jaar.
3.   Indien dit leidt tot een verhoging van meer dan 15%, wordt een maximale verhoging van 15% vastgesteld.
Amendement 12
Artikel 6, lid 2
2.  Ieder jaar stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid het maximum aantal dagen op zee vast voor communautaire vissersvaartuigen met een boomkor met een maaswijdte van minstens 80 mm, waarop het in lid 1 bedoelde stelsel ter beperking van de visserij-inspanning van toepassing is.
2.   Voor ieder jaar van de driejarige periode stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid het maximum aantal dagen op zee (gerekend in kilowattdagen) vast voor communautaire vissersvaartuigen die schol of tong vangen of bijvangen, waarop het in lid 1 bedoelde stelsel ter beperking van de visserij-inspanning van toepassing is.
Amendement 13
Artikel 6, lid 3
3.  De jaarlijkse aanpassing van het in lid 2 van dit artikel bedoelde maximum aantal dagen moet in verhouding staan tot de aanpassing van de visserijsterfte als bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 1.
3.  Het in lid 2 bedoelde maximum aantal zeedagen moet een relatie hebben met de bij de door de Raad vastgestelde meerjarige TACs behorende reducties in visserijsterfte.
Amendement 14
Artikel 6, lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Bij de aanneming van dit beheersplan voor de bevissing van schol- en tongbestanden op de Noordzee besluit de Raad dat communautaire vissersvaartuigen die worden gebruikt voor demersale visserij op platvis niet langer onder de zeedagenregeling uit het herstelplan voor kabeljauw vallen.
Amendement 15
Artikel 8, lid 1
1.  In afwijking van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2807/83 geldt voor ramingen inzake de in kilogram levend gewicht uitgedrukte hoeveelheid aan boord van het communautaire vissersvaartuig gehouden vis uit de Noordzee een tolerantiemarge van 8% ten opzichte van het in het logboek vermelde cijfer. Indien in de communautaire wetgeving geen omrekeningsfactor is vastgesteld, is de door de vlaggenlidstaat van het vaartuig vastgestelde omrekeningsfactor van toepassing.
1.  In afwijking vartikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2807/83 geldt voor ramingen inzake de in kilogram levend gewicht uitgedrukte hoeveelheid aan boord van het communautaire vissersvaartuig gehouden vis uit de Noordzee een tolerantiemarge van 10% ten opzichte van het in het logboek vermelde cijfer. Indien in de communautaire wetgeving geen omrekeningsfactor is vastgesteld, is de door de vlaggenlidstaat van het vaartuig vastgestelde omrekeningsfactor van toepassing.
Amendementen 16 en 17
Artikel 9
De bevoegde autoriteiten van een lidstaat zien erop toe dat met betrekking tot de aanvoer door communautaire vissersvaartuigen die op de Noordzee hebben gevaren:
De bevoegde autoriteiten van een lidstaat zien erop toe dat elke hoeveelheid schol van meer dan 200 kg en elke hoeveelheid tong van meer dan 100 kg die is gevangen in de Noordzee, vóór de eerste verkoop worden gewogen overeenkomstig de bestaande communautaire regelgeving.
a) alle hoeveelheden schol en tong die worden aangevoerd door een communautair vissersvaartuig dat meer dan 500 kg schol of meer dan 300 kg tong aan boord heeft, worden gewogen;
Voor het wegen worden weegschalen gebruikt die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat zijn aangemerkt als binnen een redelijke tolerantiemarge nauwkeurig registrerende instrumenten gebaseerd op Gemeenschapswetgeving.
b) de hoeveelheden schol en tong in aanwezigheid van controleurs worden gewogen voordat zij van de aanvoerplaats worden vervoerd en voor het eerst worden verkocht;
c) voor het wegen weegschalen worden gebruikt die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat zijn aangemerkt als binnen een redelijke tolerantiemarge nauwkeurig registrerende instrumenten.
Amendement 18
Artikel 11, lid 2
2.  Containers met schol of tong moeten apart van andere containers worden opgeslagen.
2.  Schol en tong moeten in aparte viskisten worden opgeslagen.
Amendement 23
Artikel 13 bis
Artikel 13 bis
Actieplan voor de ontwikkeling en toepassing van vangstmethoden en -gereedschappen waarbij het milieu meer wordt ontzien
De Commissie laat onmiddellijk na inwerkingtreding van deze verordening een diepgaand onderzoek verrichten naar de effecten van de boomkorvisserij voor het ecosysteem en het mariene milieu in de zeegebieden waar deze vangstmethode wordt gebruikt, en naar alternatieve, in economisch, ecologisch en sociaal opzicht duurzame vangstmethoden.
Op grond van de conclusies van dit onderzoek stelt de Commissie een actieplan op ten behoeve van onderzoek naar en de ontwikkeling van dit onderzoek naar milieuvriendelijke vangstmethoden en -gereedschappen - waaronder de grootte en vorm van de netten waarbij een duurzame exploitatie van de visbestanden gewaarborgd is. Dit actieplan geeft tevens richtsnoeren voor de wijze waarop vangstmethoden en -gereedschappen met negatieve gevolgen voor het ecosysteem of mariene milieu geleidelijk moeten worden afgeschaft ten gunste van vangstmethoden en -gereedschappen die het milieu meer ontzien. De initiatieven uit hoofde van het actieplan worden gefinancierd uit middelen van het Europese Visserijfonds overeenkomstig de doelstellingen van dat fonds.
Amendement 20
Artikel 15
Indien de omvang van het paaibestand van schol of tong volgens het WTECV leidt tot een verminderd reproductievermogen, gaat de Raad, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid over tot de vaststelling van een TAC voor schol die lager ligt dan het in artikel 4 bedoelde niveau, een TAC voor tong die lager is dan het in artikel 5 bedoelde niveau en een aantal dagen op zee dat lager is dan het in artikel 6 bedoelde aantal
Indien de omvang van het paaibestand van schol of tong volgens het WTECV leidt tot een verminderd reproductievermogen, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, bij gekwalificeerde meerderheid overgaan tot de vaststelling van een TAC voor schol die lager ligt dan het in artikel 4 bedoelde niveau, een TAC voor tong die lager is dan het in artikel 5 bedoelde niveau en een aantal dagen op zee dat lager is dan het in artikel 6 bedoelde aantal.

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


Biologische productiemethode en aanduidingen op landbouwproducten en levensmiddelen *
PDF 320kWORD 74k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (COM(2005)0671 – C6-0033/2006 – 2005/0279(CNS))
P6_TA(2006)0384A6-0253/2006

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2005)0671)(1),

–   gelet op artikel 37 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0033/2006),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0253/2006),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst dat de overlegprocedure als bedoeld in de gemeenschappelijke verklaring van 4 maart 1975 wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 26
ARTIKEL 1, PUNT -1 (nieuw)
Artikel 5, lid 3, punt c) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
-1.  Artikel 5, lid 3, letter c) wordt vervangen door de volgende tekst:
"c) het product alleen stoffen uit bijlage VI, deel A bevat, als ingrediënten van niet-agrarische oorsprong; nitrietpekelzouten (kaliumnitraat en kaliumnitriet) mogen niet in deze lijst worden opgenomen;"
Amendement 1
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 1 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
1.  Een uit een derde land ingevoerd product mag in de Gemeenschap in de handel worden gebracht met de vermelding "biologisch" op het etiket, indien het voldoet aan de in deze verordening vastgestelde productievoorschriften.
1.  Een uit een derde land ingevoerd product mag in de Gemeenschap in de handel worden gebracht met de vermelding "biologisch" op het etiket, indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:
- het voldoet aan de in deze verordening vastgestelde productievoorschriften, het land van herkomst is duidelijk zichtbaar voor de importeurs en de consumenten en de naleving van bovenstaande voorwaarden is controleer- en verifieerbaar; en
- economische actoren in derde landen die bij elke willekeurige productie-, verwerkings- of distributiefase van het product in kwestie betrokken zijn, hebben hun activiteiten gemeld bij een in artikel 9 bedoelde bevoegde instantie of controleorganisatie, mits de betrokken instantie of organisatie in het derde land van productie controles verricht, dan wel bij een op grond van lid 5 of artikel 9 erkende controleorganisatie.
Het product is voorzien van een certificaat dat is afgegeven door de in artikel 9 bedoelde bevoegde controle-instanties of -organisaties. In het certificaat wordt bevestigd dat het product aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden voldoet.
Amendement 3
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 3, punt a) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
a) het product is geproduceerd overeenkomstig productienormen die gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor de biologische productiemethode in de Gemeenschap, of overeenkomstig de internationaal erkende normen die zijn vastgesteld in de richtsnoeren van de Codex Alimentarius;·
a) het product is geproduceerd overeenkomstig productienormen die gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor de biologische productiemethode in de Gemeenschap;
Amendement 4
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 3, punt b) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
b) de producent onder controleregelingen valt die gelijkwaardig zijn aan die van het communautaire controlesysteem, of die voldoen aan de richtsnoeren van de Codex Alimentarius;
b) de producent onder controleregelingen valt die gelijkwaardig zijn aan die van het communautaire controlesysteem;
Amendement 5
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 3, punt d) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
d) voor het product een certificaat is afgegeven door de bevoegde instanties of controleorganisaties van een derde land dat op grond van lid 4 is erkend, of door een controleorganisatie die op grond van lid 5 is erkend, waaruit blijkt dat het product voldoet aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden.
d) d) voor het product een certificaat is afgegeven door de controle-instanties of -organisaties van een derde land dat op grond van lid 4 is erkend, of door een controleorganisatie die op grond van lid 5 is erkend, waaruit blijkt dat het product voldoet aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden.
Conform de in artikel 14, lid 2 bedoelde procedure specifieert de Commissie de kenmerken van het controlecertificaat en legt ze de regels voor het gebruik ervan vast vóór de nieuwe invoerregeling van toepassing wordt. Het afgegeven certificaat heeft alleen betrekking op de zending waar het bij zit en waarnaar het verwijst.
Amendement 6
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 3, punt d bis) (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
d bis) de controleorganisatie van een derde land in een land erkend op grond van lid 4 of de controleorganisatie van een derde land die op grond van lid 5 is erkend, voldoet aan de Europese norm EN 45011 met betrekking tot de algemene criteria voor productcertificatieorganen en de ISO gids 65 en is vóór 1 januari 2009 conform bovenstaande norm geaccrediteerd door een willekeurige accreditatie-instelling die het Multilateraal Erkenningsakkoord heeft ondertekend.
Amendement 7
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 4, alinea 1 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure erkent de Commissie de derde landen waarvan de productienormen en controleregelingen gelijkwaardig zijn aan die welke in de Gemeenschap worden toegepast, dan wel in overeenstemming zijn met de internationaal erkende normen die zijn vastgesteld in de richtsnoeren van de Codex Alimentarius, en maakt zij een lijst van deze landen bekend.
Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure erkent de Commissie de derde landen waarvan de productienormen en controleregelingen gelijkwaardig zijn aan die welke in de Gemeenschap worden toegepast, en maakt zij een lijst van deze landen bekend. Deze bekendgemaakte lijst wordt regelmatig herzien en de gegevens worden aan de hand van frequente inspecties ter plaatse van de productiefaciliteiten, normen en aanverwante documenten gecontroleerd.
Amendement 8
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 4, alinea 2 bis (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
De Commissie dient uiterlijk op 1 januari 2009 een voorstel in voor maatregelen in het kader van de technische bijstand van de EU bij de invoering van wettelijke kadervoorwaarden en controlesystemen voor de biologische landbouw in derde landen.
Amendement 9
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 4, alinea 2 bis (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
De Commissie stelt derde landen in kennis van haar verordeningen inzake de biologische productiemethode en van de vereisten van de geldende controleregelingen.
Amendement 10
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 4, alinea 2 bis (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
De erkenning door de Commissie van derde landen uit hoofde van de eerste alinea is wederzijds: het betrokken derde land moet ook biologische producten uit de EU tot zijn markt toelaten.
Amendement 11
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 1 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Voor producten die worden ingevoerd uit een derde land dat niet op grond van lid 4 is erkend, en wanneer de marktdeelnemer zijn activiteiten niet aan controle door een controle-instantie of –organisatie als bedoeld in artikel 9 heeft onderworpen, erkent de Commissie volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure de in het kader van de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel voor de uitvoering van controles en de afgifte van certificaten in dat derde land bevoegde controleorganisaties, en maakt zij een lijst van deze controleorganisaties bekend.
Voor producten die worden ingevoerd uit een derde land dat niet op grond van lid 4 is erkend, en wanneer de marktdeelnemer zijn activiteiten niet aan controle door een controle-instantie of –organisatie als bedoeld in artikel 9 heeft onderworpen, erkent de Commissie volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure de in het kader van de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel voor de uitvoering van controles en de afgifte van certificaten in dat derde land bevoegde controleorganisaties, en stelt zij een lijst van deze controleorganisaties op en maakt ze deze lijst bekend.
Amendement 12
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 3 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
In het kader van het onderzoek van een verzoek om erkenning nodigt de Commissie de controleorganisatie uit alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door de controleorganisatie in het betrokken derde land verrichte controleactiviteiten ter plaatse te onderzoeken.
In het kader van het onderzoek van een verzoek om erkenning nodigt de Commissie de controleorganisatie uit alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door de controleorganisatie in het betrokken derde land verrichte controleactiviteiten ter plaatse te onderzoeken. De Commissie stelt een onderzoek in wanneer er aanwijzingen zijn voor onregelmatigheden bij een volgens deze procedure erkende controleorganisatie. Wanneer een controleorganisatie de voorwaarden voor erkenning in de zin van deze verordening niet meer vervult, wordt zij van de lijst geschrapt.
Amendement 13
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 3 bis (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Uiterlijk op 1 januari 2009 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad en verslag in over de specifieke risico's van import uit derde landen die bijzondere aandacht en inspecties vergen met als doel onregelmatigheden te voorkomen. Voorts dient de Commissie een voorstel in voor de opleiding en/of ondersteuning van plaatselijke certificeerders en inspecteurs in derde landen.
Amendement 14
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 3 ter (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
De lijst van marktdeelnemers uit derde landen die biologische producten voor uitvoer naar de EU produceren, wordt jaarlijks herzien om te verifiëren of ze nog steeds voldoen aan de voorwaarden die op de productie van biologische producten van toepassing zijn.
Amendement 15
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 3 ter (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Met ingang van 1 januari 2009 zijn alle controleorganisaties die bevoegd zijn voor importen uit derde landen erkend volgens de in de eerste alinea bedoelde procedure en voldoen zij aan de specificaties uit de norm EN 45011 of de ISO gids 65.
Amendement 16
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 5, alinea 3 quater (nieuw) (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
De bevoegde nationale autoriteiten worden betrokken bij de procedure voor erkenning van controleorganisaties van derde landen en kunnen steekproefcontroles ter plaatse op de controleorganisaties uitoefenen om volledige naleving van deze verordening te waarborgen.
Amendement 17
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 6, alinea 1 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Tot zes maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van de op grond van lid 5 erkende controleorganisaties mag de bevoegde instantie van een lidstaat importeurs in die lidstaat toestaan dat producten die zijn ingevoerd uit derde landen die niet op de in lid 4 bedoelde lijst staan, in de handel worden gebracht, mits de importeur voldoende bewijs levert waaruit blijkt dat aan de in lid 3, onder a) en b), genoemde voorwaarden is voldaan. Indien niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt de toestemming onmiddellijk ingetrokken.
Tot zes maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van de op grond van lid 5 erkende controleorganisaties mag de controle-instantie of -organisatie van een lidstaat importeurs in die lidstaat toestaan dat producten die zijn ingevoerd uit derde landen die niet op de in lid 4 bedoelde lijst staan, in de handel worden gebracht, mits de importeur voldoende bewijs levert waaruit blijkt dat aan de in lid 3, onder a) en b), genoemde voorwaarden is voldaan. Indien niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt de toestemming onmiddellijk ingetrokken.
Amendement 18
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 6, alinea 2 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Voor het ingevoerde product wordt een certificaat afgegeven door de bevoegde instantie van de lidstaat die de toestemming heeft verleend of door een controleorganisatie die overeenkomstig lid 5 is erkend, waarin wordt bevestigd dat het product aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden voldoet.
Voor het ingevoerde product wordt een certificaat afgegeven door de controle-instantie of -organisatie van de lidstaat die de toestemming heeft verleend of door een controleorganisatie die overeenkomstig lid 5 is erkend, waarin wordt bevestigd dat het product aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden voldoet.
Amendement 19
ARTIKEL 1, PUNT 2
Artikel 11, lid 6, alinea 3 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die op grond van dit lid is verleend, met inbegrip van informatie over de betrokken productienormen en controleregelingen.
Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die op grond van dit lid is verleend, met inbegrip van informatie over de betrokken productienormen, geïmporteerde hoeveelheden en controleregelingen. De lidstaten houden een openbare gemeenschappelijke databank over de importen in de EU bij die door de Europese Autoriteit voor de voedselveiligheid wordt gecoördineerd.
Amendement 20
ARTIKEL 1, PUNT 3 BIS (nieuw)
Bijlage I, deel A, punt 2.2 (Verordening (EEG) nr. 2092/91)
3 bis) Bijlage I, deel A, punt 2.2 wordt als volgt vervangen:
"2.2. Aanvullende bemesting met andere in bijlage II vermelde organische of minerale meststoffen is bij uitzondering toegestaan, tot een hoeveelheid van 30 kgN/ha en voorzover,
‐ het in wisselbouw verbouwde gewas of de te veredelen bodem niet adequaat kan worden bemest volgens de methoden onder a), b) en c) van de vorige alinea;
‐ de producten in bijlage II waarin sprake is van mest en/of dierlijke uitwerpselen alleen mogen worden gebruikt voorzover bij de toepassing ervan in combinatie met de dierlijke mest als bedoeld in bovenstaand punt 2.1, onder b) aan de beperkingen van deel B, punt 7.1 van deze bijlage wordt voldaan."

(1) Nog niet in het PB gepubliceerd.


GALILEO
PDF 111kWORD 33k
Resolutie van het Europees Parlement over de stand van zaken betreffende het programma Galileo
P6_TA(2006)0385B6-0511/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de stand van zaken betreffende het programma Galileo (COM(2006)0272),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de tenuitvoerlegging van de stationeringsfase en de exploitatiefase van het Europees programma voor radionavigatie per satelliet (COM(2004)0477), en zijn standpunt vastgesteld op 6 september 2005(1) met het oog op de aanneming van die verordening,

–   gezien Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad van 21 mei 2002 tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo(2),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad houdende wijziging van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming Galileo, zoals vervat in de bijlage van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad (COM(2006)0351),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad van 12 juli 2004 inzake de beheersstructuren van het Europees programma voor radionavigatie per satelliet(3), en het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot wijziging van die verordening (COM(2005)0190),

–   gelet op artikel 108, lid 5 en artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat Galileo de eerste Europese infrastructuur is die door de Gemeenschap moet worden beheerd en derhalve nieuwe uitdagingen biedt, zowel op het vlak van regelgeving als op financieel vlak en dat de juridische en procedurele achtergrond niet projectgericht is,

B.   overwegende dat het Parlement door middel van zijn wetgevende en budgettaire verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld, in zijn bovenvermeld standpunt van 6 september 2005), het Galileo-programma volledig heeft gesteund en erkent dat Galileo een strategisch project en een van de belangrijkste pijlers van de strategie van Lissabon is en grote mogelijkheden biedt voor het MKB/de KMO's,

C.   overwegende dat Europese ingenieurs en ontwikkelaars die bij het Europees Ruimtevaartagentschap en in de ruimtevaartindustrie werkzaam zijn buitengewoon goed werk hebben verricht; vaststellend dat de eerste experimentele satelliet GIOVE-A reeds aan zijn belangrijkste doelstelling heeft voldaan, dat de technische aspecten in orde zijn en dat thans een goed beheer het belangrijkste aspect is om het project vooruit te brengen,

1.   verzoekt de Commissie te beoordelen welke wijzigingen in de wettelijke en procedurele regelingen kunnen worden aangebracht om een voortdurende vooruitgang van het project te waarborgen; wijst erop dat dit geen vermindering van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de instellingen behelst, maar wel kan betekenen dat oplossingen moeten worden gebruikt die creatiever en passender zijn voor de doelstellingen van het programma;

2.   neemt nota van het nieuwe aangepaste tijdschema en dringt er bij de Commissie op aan zich daaraan te houden en de naleving af te dwingen; verzoekt in verband met de goedkeuring van het concessiecontract geïnformeerd te worden over de extra kosten als gevolg van de vertraging; verzoekt de Commissie voorts het Parlement tijdig op de hoogte te brengen van alle significante toekomstige wijzigingen en niet pas na jaren;

3.   is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt in de onderhandelingen met de concessiehouders en dringt er bij de aan het consortium deelnemende partijen van de Europese ruimtevaartindustrie op aan constructief te streven naar overeenstemming, zodat dit gemeenschappelijk Europees project zo spoedig mogelijk zijn bijdrage kan leveren aan de vervulling de doelstellingen van Lissabon;

4.   dringt er bij de toezichtautoriteit GNSS op aan het Parlement elk half jaar een voortgangsverslag voor te leggen, vooral met betrekking tot de vooruitgang van de taken die door de richtlijn aan de toezichtautoriteit GNSS vanaf 1 januari 2007 worden opgedragen, door de voorgestelde verordening die Richtlijn (EG) nr. 1321/2004 wijzigt;

5.   verzoekt de toezichtautoriteit GNSS de door het Europees Parlement benoemde deskundige, overeenkomstig artikel 5, lid 5 van Verordening (EG) 1321/2004 het statuut van permanent waarnemer te verlenen;

6.   erkent de aanstaande regeling van de publiek gereguleerde dienst, die overeenkomstig het Groenboek over de toepassingen verantwoordelijk zou zijn voor ongeveer 30% van de inkomsten van het project; verzoekt de Commissie de ontbrekende verordeningen die voor toepassingen op diverse gebieden noodzakelijk zijn, aan te vullen, zodat het MKB/de KMO's voldoende tijd krijgt/krijgen om zich voor te bereiden op deelneming;

7.   verzoekt de Commissie, met het oog op het communautaire karakter van het project, ervoor te zorgen dat het Parlement op de hoogte wordt gebracht voordat er een contract over institutionele deelneming met derde landen wordt ondertekend;

8.   verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat dit project geen verdere vertraging oploopt;

9.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 61.
(2) PB L 138 van 28.5.2002, blz. 1.
(3) PB L 246 van 20.7.2004, blz. 1.


Gemeenschappelijk immigratiebeleid
PDF 126kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement over het gemeenschappelijk immigratiebeleid
P6_TA(2006)0386RC-B6-0508/2006

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 6 van het EU-Verdrag en artikel 63 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 42 van het EU-Verdrag,

–   gezien het programma van Tampere van 1999 en het programma van Den Haag van 2004 met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

–   gezien de vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Tampere op 20-22 september 2006,

–   gezien de voortdurende discussies over het financiële kader, met inbegrip van het Europees Vluchtelingenfonds en het Europees Terugkeerfonds,

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2006 over de situatie in de vluchtelingenkampen in Malta(1),

–   gezien zijn resolutie van 14 april 2005 over Lampedusa(2),

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Europese Unie, zeven jaar na de goedkeuring van het programma van Tampere, nog altijd geen samenhangend immigratiebeleid heeft en dat met name een beleid inzake wettelijke migratie en terugkeer ontbreekt,

B.   overwegende dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel gebaseerd is op een pakket regels waar de deelnemende lidstaten niet vanaf zouden mogen wijken,

C.   gelet op de ernstige humanitaire nood in verschillende lidstaten aan de zuidelijke buitengrenzen van de Europese Unie, waar duizenden migranten in de Middellandse Zee zijn omgekomen, en de massale toestroom van migranten, in het bijzonder in de zomer van 2006,

D.   overwegende dat op de Euro-Afrikaanse Ministerconferentie over migratie en ontwikkeling op 10 en 11 juli 2006 in Rabat een verklaring en een actieplan zijn goedgekeurd,

E.   overwegende dat de tussentijdse herziening van het programma van Den Haag aan het eind van dit jaar zal zijn voltooid,

F.   overwegende dat illegale immigratie kan leiden tot uitbuiting van mensen en dwangarbeid,

G.   overwegende dat het Groenboek van de Commissie over een EU-aanpak van het beheer van economische migratie (COM(2004)0811) voorspelt dat "tussen 2010 en 2030 de achteruitgang van de bevolking in de beroepsgeschikte leeftijd in de Unie van 25 lidstaten, wanneer de huidige immigratiestromen ongewijzigd blijven, zal leiden tot een vermindering van het aantal werkenden met ongeveer 20 miljoen personen" en dat "in toenemende mate duurzamere immigratiestromen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de behoeften van de Europese arbeidsmarkt en om de welvaart in Europa te waarborgen",

1.   benadrukt dat toenemende migratie een mondiaal verschijnsel is dat talrijke oorzaken en gevolgen heeft en een evenwichtige, mondiale en coherente aanpak vergt;

2.   is zich ervan bewust dat, doordat kanalen voor wettelijke migratie ontbreken, asielsystemen onder toenemende druk komen te staan als middel voor wettelijke vestiging;

3.   erkent de menselijke tragedie en moeilijkheden waarmee een aantal lidstaten worden geconfronteerd bij het reguleren van de enorme migratiestromen in de afgelopen jaren; wijst met name op de problemen die veroorzaakt worden door het verontrustend grote aantal minderjarigen onder de nieuw-aangekomenen;

4.   betreurt de zeer aanzienlijke humanitaire kosten, inclusief de verloren levens van immigranten;

5.   is vast van mening dat de lidstaten hun verplichtingen overeenkomstig de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van asielzoekers en migranten moeten nakomen;

6.   is van mening dat de Europese Unie geen plaats is waar mensen voor dwangarbeid mogen worden gebruikt en dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat van dergelijke praktijken geen sprake is;

7.   dringt erop aan dat de lidstaten de regels inzake toegang tot de asielprocedure en de bepalingen van Richtlijn 2003/9/EG(3) op coherente en consistente wijze toepassen en dat asielaanvragen snel en efficiënt worden verwerkt;

8.   benadrukt dat bij een alomvattende aanpak van immigratie de push-factoren niet kunnen worden genegeerd die mensen er in de eerste plaats toe brengen hun land te verlaten, welke reële mogelijkheden voor wettelijke migratie naar de Europese Unie nodig maken, alsmede duidelijke plannen voor ontwikkeling en investeringen in de herkomst- en doorgangslanden, inclusief een handels- en een landbouwbeleid waarmee economische kansen worden bevorderd, ook om een massale 'brain drain' te voorkomen;

9.   herinnert eraan dat een coherent Europees immigratiebeleid vergezeld moet gaan van een integratiebeleid dat o.a. voorziet in een geregelde integratie op de arbeidsmarkt, het recht op onderwijs en opleiding, de toegang tot sociale en gezondheidsvoorzieningen en de deelname van de immigranten aan het maatschappelijke, culturele en politieke leven;

10.   wijst er nogmaals op dat elk besluit om de immigratieregels in een lidstaat minder streng toe te passen doorwerkt in de situatie in andere lidstaten en dat lidstaten de plicht hebben om andere lidstaten in een geest van loyale samenwerking te raadplegen en te informeren over maatregelen die waarschijnlijk gevolgen zullen hebben voor de immigratiesituatie, zoals het Parlement heeft opgemerkt in zijn standpunt van 6 juli 2006 betreffende de instelling van een procedure voor wederzijdse informatie over de maatregelen van de lidstaten op het gebied van asiel en immigratie(4);

11.   verzoekt om een partnerschapsbenadering met de herkomst- en de doorgangslanden, om ervoor te zorgen dat deze een actieve rol spelen door te helpen de migratiestromen te beheren, illegale immigratie te stremmen en effectieve informatiecampagnes op te zetten over de omstandigheden in de ontvangende EU-landen, inclusief de criteria voor het verkrijgen van asiel;

12.   is van mening dat het delen van de verantwoordelijkheden en financiële lasten onder de lidstaten integrerend deel van het EU-immigratiebeleid, alsmede van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel moet uitmaken;

13.   vraagt een grotere rol voor de Europese Unie met betrekking tot het beheer van humanitaire noodsituaties als gevolg van migratiestromen en asielzoekers;

14.   is bijgevolg van mening dat landen toegang moeten krijgen tot de technische ondersteuning en de financiering in het kader van het Argo-programma, het Europees Vluchtelingenfonds, het Europees Fonds voor de buitengrenzen, het Europees Integratiefonds en het Europees Terugkeerfonds voor de periode 2007-2013;

15.   vraagt dat meer geld ter beschikking wordt gesteld van de NGO's die op het terrein actief zijn met de verstrekking van levensbelangrijke noodhulp;

16.   gelooft dat massale immigratie het gevolg is van mislukte economieën, verarming van de bevolking, schendingen van de mensenrechten, verslechtering van het milieu, de steeds groter wordende kloof tussen rijke en arme landen, burgeroorlog, oorlogen om de heerschappij over grondstoffen, politieke vervolgingen, politieke instabiliteit, corruptie en dictaturen in veel van de herkomstlanden;

17.   verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de oprichting voor te stellen van een noodfonds ter financiering van "deskundige ondersteuningsteams" voor het verlenen van praktische bijstand voor opvang aan de grens en het aanpakken van humanitaire crises in de lidstaten en in de nieuwe fondsen voor de periode 2007-2013 een noodmechanisme op te nemen waarmee in noodsituaties financiële hulp kan worden verstrekt;

18.   dringt erop aan dat de lidstaten toegang tot de procedure voor asielaanvraag verlenen, de bepalingen van Richtlijn 2005/85/EG(5) op consistente en rigoureuze wijze toepassen en ervoor zorgen dat asielaanvragen snel en efficiënt worden verwerkt;

19.   erkent dat een rechtvaardige EU-richtlijn inzake terugkeer moet worden goedgekeurd en verzoekt de Raad zijn inspanningen te vergroten om de goedkeuring daarvan te verzekeren; betreurt dat de Raad er zeven jaar na de Europese Raad van Tampere ondanks talrijke verzoeken van het Parlement niet in is geslaagd een gemeenschappelijk immigratiebeleid vorm te geven en in plaats hiervan de unanimiteitsregel en de raadplegingsprocedure voor alle kwesties in verband met wettelijke immigratie behoudt;

20.   verzoekt de lidstaten meer samen te werken in Frontex-verband en de opdracht van dit agentschap beter te definiëren;

21.   is evenwel van mening dat grenscontroles en optreden om illegale immigratie te bestrijden maar één aspect van het EU-beleid ten aanzien van derde landen kunnen zijn, en dat een actief ontwikkelingsbeleid voor herkomst- en doorgangslanden moet worden gevoerd, om de schadelijke effecten van emigratie zoveel mogelijk te beperken;

22.   beseft dat de lidstaten, bij ontstentenis van een gemeenschappelijk immigratiebeleid van de EU, verschillende benaderingen van het probleem van honderdduizenden illegale immigranten die illegaal en zonder sociale bescherming werken, kunnen volgen; is evenwel van mening dat een massaregularisatie van illegale immigranten geen langetermijnoplossing is, aangezien een dergelijke maatregel de reële onderliggende problemen niet oplost;

23.   benadrukt dat alle maatregelen om illegale immigratie te bestrijden en de controles aan de buitengrenzen te intensiveren, zelfs waar dit gebeurt in samenwerking met derde landen, verenigbaar moeten zijn met de garanties en de grondrechten van het individu die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name het recht op asiel en het recht op non-refoulement;

24.   waarschuwt voor de gevaren van externalisering van het beheer van de buitengrenzen van de EU en wenst een betere samenwerking met de landen van herkomst en doorreis, die vóór alles gebaseerd moet zijn op eerbiediging van de grondrechten, in het bijzonder het recht op asiel en het beginsel van non-refoulement, en op de belangen die de EU en de landen van herkomst en doorreis gemeen hebben;

25.   is van mening dat de Europese Unie dit vraagstuk globaal moet aanpakken en dat een Europese immigratiestrategie niet alleen partnerschap met derde landen, beveiliging van de buitengrenzen ter bestrijding van mensensmokkel alsook een rechtvaardig terugkeerbeleid moet omvatten, maar tegelijk wegen voor legale migratie moet openen, de integratie van migranten in de samenleving waarin ze worden opgevangen moet stimuleren en ontwikkelingssamenwerking met landen van herkomst mogelijk moet maken, zodat de onderliggende oorzaken van migratie worden aangepakt;

26.   verzoekt de Commissie met klem om zo spoedig mogelijk het initiatief te nemen tot een wijziging van Verordening (EG) nr. 343/2003(6), 'Dublin II', door vraagtekens te zetten bij het beginsel daarvan dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag het eerste land is dat asielzoekers bereiken, omdat dit beginsel een ondraaglijke last legt op de zuidelijke en oostelijke EU-landen, en door een eerlijke methode voor het verdelen van de verantwoordelijkheden over de lidstaten voor te stellen;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0136
(2) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 598.
(3) PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18.
(4) P6_TA(2006)0313.
(5) PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13.
(6) PB L 50 van 25.2.2003, blz. 1.


Darfour
PDF 119kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Darfour
P6_TA(2006)0387RC-B6-0512/2006

Het Europees Parlement,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de situatie in Soedan, en Darfour in het bijzonder,

–   onder verwijzing naar de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad, in het bijzonder resolutie 1706 van 31 augustus 2006,

–   gezien het besluit van de Afrikaanse Unie van april 2004 tot instelling van de African Mission in Sudan (AMIS),

–   gezien de op 17 september 2006 ingestelde Werelddag voor Darfour,

–   gezien de op 5 mei 2006 in Aboedzja, Nigeria, ondertekende Vredesovereenkomst voor Darfour,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het conflict in de regio Darfour tussen regeringstroepen, pro-regeringsmilities en rebellen de afgelopen drie jaar meer dan 200.000 slachtoffers heeft geëist en tot meer dan twee miljoen binnenlandse ontheemden en vluchtelingen heeft geleid, ondanks de ondertekening van een vredesovereenkomst voor Darfour (VOD) op 5 mei 2006,

B.   overwegende dat de VOD de basis blijft voor stabiliteit, vrede en verzoening in Darfour, ondanks de verklaring van de speciale VN-gezant Jan Pronk dat deze overeenkomst "bijna dood" is,

C.   overwegende dat volgens Jan Egeland, de noodhulpcoördinator van de VN, de humanitaire en veiligheidssituatie in Darfour sinds 2004 niet zo slecht is geweest als nu, en dat het moeilijker en moeilijker wordt om humanitaire hulp te bieden, zodat humanitaire werkers sommige gebieden van Darfour momenteel helemaal niet meer kunnen betreden, waardoor duizenden mensen in Darfour van hulp verstoken blijven ;

D.   overwegende dat het staakt-het-vuren in de regio door alle partijen geschonden blijft worden, waarbij het geweld vaak tegen de burgerbevolking is gericht; verder overwegende dat de recente militaire opbouw in Darfour en de versterking van de regeringstroepen in de regio geresulteerd heeft in nieuwe gevechten in delen van Noord-Darfour,

E.   overwegende dat de "Verantwoordelijkheid voor bescherming" van de VN bepaalt dat de VN-Veiligheidsraad kan besluiten tot het inzetten van een strijdmacht overeenkomstig hoofdstuk VII indien "de nationale instanties de bevolking klaarblijkelijk niet beschermen tegen volkerenmoord, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid",

F.   overwegende dat de VN-Veiligheidsraad, in zijn resolutie 1706, het licht op groen heeft gezet voor een nieuwe VN-vredeshandhavingsmissie van maximaal 22.500 soldaten en politie-agenten om de AMIS in Darfour af te lossen, en tegelijkertijd herhaald heeft de Soedanese soevereiniteit, eenheid, onafhankelijkheid en territoriale integriteit volledig te respecteren,

G.   overwegende dat de regering van Soedan een dergelijke VN-macht de toegang tot Soedan nog steeds weigert,

H.   overwegende dat het conflict in Darfour - en de straffeloosheid - in toenemende mate van invloed zijn op de stabiliteit in Centraal-Afrika en een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid,

I.   overwegende dat de VN, gezien het besluit van de Afrikaanse Unie van 20 september 2006 om het huidige mandaat van haar vredeshandhavingsmissie in Darfour te verlengen tot het eind van het jaar, toegezegd heeft verdere logistieke en materiële steun te geven aan AMIS,

J.   overwegende dat de VN-Veiligheidsraad de situatie in Darfour in maart 2005 doorverwezen heeft naar het Internationaal Strafhof,

1.   verzoekt de regering van Soedan om een vredesmacht van de Verenigde Naties, overeenkomstig hoofdstuk VII van het Handvest van de VN, toe te laten tot Darfour;

2.   wijst erop dat Soedan zijn "verantwoordelijkheid tot bescherming" van de eigen bevolking niet is nagekomen en dientengevolge verplicht is overeenkomstig resolutie 1706 van de VN-Veiligheidsraad een VN-strijdmacht te aanvaarden; dringt er bij de VN-Veiligheidsraad op aan druk uit te oefenen op de Soedanese autoriteiten om in te stemmen met de komst van de reeds goedgekeurde VN-missie naar Darfour, die krachtens resolutie 1706 van de VN-Veiligheidsraad over een duidelijk 'Hoofdstuk VII-mandaat' en versterkte middelen beschikt;

3.   verlangt van de Soedanese autoriteiten dat zij niet alleen geen belemmeringen opwerpen voor de komst en de activiteiten van de VN-missie in Darfour, maar ook de voorwaarden creëren die nodig zijn om de missie tot een succes te maken; beklemtoont dat tekortkomingen van de Soedanese autoriteiten in dat opzicht beantwoord zullen worden met sancties;

4.   dringt er bij de internationale gemeenschap en alle betrokken partijen op aan om manieren te bedenken om doeltreffend en snel bij te dragen tot het succes van de VN-missie in Darfour en een oplossing van de crisis;

5.   verzoekt China en Rusland om zich bij de Verenigde Naties positief op te stellen bij de pogingen om een VN-vredesmacht te sturen en goed gebruik te maken van hun rol in het gebied om de ontplooiing van de vredesmacht te vergemakkelijken en alle bloedvergieten te vermijden ;

6.   verzoekt China in dit opzicht voort te bouwen op de gezamenlijke verklaring die China en de EU op 9 september 2006 hebben afgelegd, dat "de leiders erop wijzen dat de overschakeling van een AU- naar een VN-operatie zou bijdragen tot vrede in Darfour"; verzoekt de Chinese regering in de geest van deze verklaring te handelen door haar invloed in Soedan te gebruiken om de Soedanese regering ervan te overtuigen dat zij een VN-vredesmacht moet aanvaarden;

7.   vraagt de Arabische Liga om haar medeplichtige houding met de halsstarrige onbuigzaamheid van Soedan tegenover de noodzaak om een VN-vredesmacht te sturen, op te geven ;

8.   herinnert aan de verbintenissen die de Verenigde Naties na de genocide in Rwanda aangegaan zijn om hun politieke verantwoordelijkheid in Afrika beter op zich te nemen ;

9.   dringt erop aan dat de Europese Unie het vliegverbod boven Darfour dat is ingesteld bij resolutie 1591(2005) van de VN-Veiligheidsraad zo spoedig mogelijk in acht laat nemen ; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan om contact op te nemen met Tsjaad om te onderhandelen over handhaving van het vliegverbod in de zone vanuit het oosten van Tsjaad;

10.   veroordeelt de aanhoudende schendingen van het staakt-het-vuren door alle partijen, en in het bijzonder het geweld tegen de burgerbevolking en de aanvallen op humanitaire hulpoperaties;

11.   dringt er bij alle partijen, met inbegrip van de Soedanese regering, op aan een onmiddellijk eind te maken aan de gevechten in Darfour, zich aan het staakt-het-vuren te houden en hun verplichtingen krachtens de VOD te eerbiedigen en na te komen;

12.   dringt er bij de partijen die de VOD niet hebben ondertekend op aan dit alsnog te doen, en het Akkoord te eerbiedigen en uit te voeren;

13.   dringt aan op vertrouwenwekkende maatregelen, zoals interne dialoog en overleg in Darfour, waaraan door alle partijen én het maatschappelijk middenveld wordt deelgenomen;

14.   neemt nota van de verlenging van het mandaat van de AMIS tot het eind van 2006; benadrukt de noodzaak van het versterken en uitbreiden van het mandaat en het takenpakket van deze missie, en van het waarborgen van voldoende financiële, en ook logistieke en materiële steun voor AMIS, teneinde de missie in staat te stellen daadwerkelijk te helpen bij de uitvoering van de VOD;

15.   dringt er bij de EU en andere internationale actoren op aan gericht met de VN en de Afrikaanse Unie samen te werken om te bewerkstelligen dat vredeshandhavingstroepen in Darfour in staat zijn om snel te reageren op schendingen van het staakt-het-vuren of provocaties door de partijen;

16.   dringt er bij de EU, de VS en andere internationale actoren op aan sancties toe te passen tegen alle partijen, met inbegrip van de regering, die het staakt-het-vuren schenden of aanvallen uitvoeren op burgers, vredeshandhavers of humanitaire hulpoperaties, en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om een eind te helpen maken aan de straffeloosheid door de sanctieregeling van de VN-Veiligheidsraad te laten toepassen ;

17.   dringt er bij de Soedanese regering en de internationale gemeenschap op aan om volledig samen te werken met het Internationaal Strafhof om een eind te maken aan de straffeloosheid;

18.   dringt er bij de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad op aan hun mondiale verantwoordelijkheid op zich te nemen en geen belemmeringen op te werpen voor maatregelen gericht op het bevorderen van vrede, veiligheid en stabiliteit in de Darfour-regio in Soedan, maar juist alle passende stappen te steunen en te bevorderen die bijdragen aan een duurzame oplossing van het conflict;

19.   roept alle partijen, en in het bijzonder de Soedanese regering, op om hulpverleners volledige, veilige en ongehinderde toegang te verschaffen tot al degenen die in nood verkeren in Darfour, en humanitaire hulp te verlenen, met name aan binnenlandse ontheemden en vluchtelingen;

20.   vraagt dat de humanitaire hulp van de internationale gemeenschap aan de nagenoeg 3 miljoen personen die helemaal afhankelijk zijn van internationale hulp voor hun voeding, onderkomen en medische verzorging, significant verhoogd wordt;

21.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ACS-EU-ministerraad, de regering van Soedan, de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


Economische en handelsbetrekkingen van de EU met India
PDF 191kWORD 112k
Resolutie van het Europees Parlement over de economische en handelsrelatie van de EU met India (2006/2034(INI))
P6_TA(2006)0388A6-0256/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien het gemeenschappelijk actieplan voor de uitvoering van het strategische partnerschap tussen India en de EU van 7 september 2005 en in het bijzonder het gedeelte over de ontwikkeling van handel en investeringen,

–   gezien de conclusies van de negende bijeenkomst van de rondetafelconferentie India-EU in Hyderabad op 18-20 september 2005,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 oktober 2005 over de vooruitzichten voor de handelsrelaties tussen de EU en China(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 september 2005 over de betrekkingen tussen de EU en India: een strategisch partnerschap(2),

–   gezien zijn standpunt van 1 december 2005 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen(3),

–   gezien het besluit van de WTO van 29 november 2005 over TRIPS en volksgezondheid,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(4),

–   gezien de partnerschapsovereenkomst India-VS uit 2004: "The Next Step Towards a Strategic Partnership" en het akkoord over civiele nucleaire samenwerking dat is gesloten tijdens het staatsbezoek van president George W. Bush aan India op 2 maart 2006,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 april 2006 over de evaluatie van de Doha-ronde na de ministersconferentie van de WTO in Hongkong(5),

–   gezien de topconferentie van de EU en India over energie in New Delhi op 6 april 2006,

–   gezien het bezoek aan New Delhi en de Punjab door de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met de landen van Zuid-Azië en de Associatie voor Regionale Samenwerking in Zuid-Azië (SAARC) in april 2006,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0256/2006),

A.   overwegende dat de EU en India de grootste democratieën in de wereld zijn en dat zij als constitutioneel pluralistische rechtstaten streven naar consistentie in hun economische en handelsbetrekkingen en daarmee rechtszekerheid verschaffen en bijdragen aan de stabiliteit in de regio en de wereld,

B.   overwegende dat het gemeenschappelijke actieplan een reeks van activiteiten bevat die zullen worden ondernomen in het kader van dialoog en samenwerking op het gebied van handels- en economisch beleid, maar dat hierin geen prioriteiten en uiterste termijnen worden gesteld,

C.   overwegende dat de EU India's grootste bron van directe buitenlandse investeringen is, met een uitstroom van 1 100 miljoen EUR in 2004, en dat de instroom van directe buitenlandse investeringen vanuit India in de EU is toegenomen van 140 miljoen EUR in 2002 naar 600 miljoen EUR in 2003,

D.   overwegende dat 22,4% van de export van India naar de lidstaten van de EU gaat en 20,8% van de import uit die landen afkomstig is; dat de handel tussen de EU en India tussen 1980 en 2004 is gegroeid van 4 400 miljoen EUR naar 33 200 miljoen EUR, en van 2003 tot 2004 met 16,9% is toegenomen,

E.   overwegende dat er een grote onevenwichtigheid is in de handel tussen de EU en India, aangezien de handel met de EU 21% van de totale handel van India vertegenwoordigt, maar dat het aandeel van India in de totale handel van de EU minder dan 1% bedraagt; overwegende dat de EU India's grootste handelspartner is, maar dat India op de overeenkomstige ranglijst van de EU slechts op de tiende plaats staat,

F.   overwegende dat de Indiase economie in het afgelopen decennium gemiddeld met 6% per jaar is gegroeid en dat deze in de komende tien jaar met 7-8% zou kunnen blijven groeien,

G.   overwegende dat een inefficiënte financiële sector een belemmering vormt voor handhaving van de Indiase economische groei van 8% per jaar,

H.   overwegende dat India door zijn omvang, bevolking en dynamische economische groei van de afgelopen twintig jaar een opkomende regionale mogendheid is geworden, die de ontwikkeling van de mondiale economie en veiligheid kan beïnvloeden, waardoor India een grotere verantwoordelijkheid krijgt in multilaterale fora, meer bepaald in regionale organisaties in Azië, met name de SAARC en de ASEAN,

I.   overwegende dat de Indiase expansie kansen biedt die voordelig kunnen uitpakken, maar ook aanleiding is voor legitieme bezorgdheid voor bepaalde sectoren van het bedrijfsleven in de EU, en dat er daardoor behoefte is aan politiek beheer en samenwerking met het oog op het economisch en commercieel beheer van de export op EU-niveau,

J.   overwegende dat India, indien de huidige bevolkingsgroei van 2% zich handhaaft, in 2025 een bevolking van 1,4 miljard zal hebben en China naar de kroon zal steken als het meest volkrijke land ter wereld,

K.   overwegende dat in 2020 de gemiddelde West-Europeaan 45 jaar oud zal zijn, terwijl de gemiddelde leeftijd in India dan 29 jaar zal bedragen, en dat het groeipotentieel van de EU als gevolg van de huidige demografische ontwikkeling tegen 2020 zal afnemen, terwijl het grote voordeel van India vergelijkenderwijs ligt in een grote populatie jonge, geschoolde, Engelssprekende en goedkope arbeidskrachten,

L.   overwegende dat een succesvol resultaat van de Doha-agenda voor ontwikkeling van cruciaal belang is voor zowel de EU als voor India en dat een dergelijke overeenkomst bilaterale WTO+-overeenkomsten niet uitsluit,

M.   overwegende dat India een actieve gebruiker van het antidumpinginstrument is, niet alleen als insteller van procedures, maar ook als voorwerp ervan; en in de afgelopen tien jaar 412 onderzoeken heeft ingesteld, gevolgd door de VS met 358 en de EU met 318,

N.   overwegende dat India nog maar kortgeleden een raamwerk voor geografische aanduidingen heeft ingesteld, maar dat er al 27 Indiase geografische aanduidingen zijn geregistreerd en dat er meer dan 40 aanvragen in behandeling zijn,

O.   overwegende dat het zorgen voor de nakoming van verplichtingen binnen het kader van de WTO van belang is voor zowel de EU als India,

P.   overwegende dat de Indiase diaspora meer dan 20 miljoen mensen betreft, waarvan er ongeveer 3 miljoen in de EU wonen, die jaarlijks gemiddeld 6 000 miljoen USD overmaken naar India,

Q.   overwegende dat de sinds 1947 aanhoudende spanningen tussen India en Pakistan, die nu in het bezit zijn van kernwapens, de wereld nabij een kernoorlog hebben gebracht en in beide landen ontmoedigend werken op investeringen en verbintenissen,

R.   overwegende dat de mondiale vraag naar olie sinds 2000 met 7 miljoen vaten per dag gestegen is en dat van die groei 1 miljoen vaten naar India zijn gegaan, dat zijn olieverbruik snel ziet stijgen; overwegende dat India de vierde ethanolindustrie van de wereld heeft, met een jaarproductie van 1,75 miljoen m3; overwegende dat India 70% van zijn energie importeert; dat de gestaag groeiende economie afhankelijk zal zijn van nieuwe energiebevoorradingskanalen; dat de groeiende mondiale vraag naar olie een potentiële bron van strategische en politieke spanning is,

S.   overwegende dat India echter het eerste Zuid-Aziatische land zal zijn dat strategische oliereserves zal aanleggen,

T.   overwegende dat 390 miljoen Indiërs moeten rondkomen met minder dan 1 dollar per dag en dat de groei van India ongelijke effecten heeft op verschillende delen van de samenleving, waarbij slechts een zeer klein deel van de bevolking van de ontwikkeling profiteert,

U.   overwegende dat het BBP van de snelst groeiende deelstaat van India, Gujarat, van 1993 tot 2003 is verdubbeld en dat het product per hoofd van de bevolking daar met 73% is gestegen, terwijl daarentegen in de armste Indiase deelstaat, Bihar, de toename van het product per hoofd van de bevolking over dezelfde periode slechts 22% bedroeg,

V.   overwegende dat in het district Anantapur (Andhra Pradesh) op 2 februari 2006 het initiatief "Rural Employment Guarantee Scheme" is opgestart, dat per jaar honderd dagen werk in openbare projecten tegen het minimumloon garandeert voor telkens één lid van een familie-eenheid met een laag inkomen, en dat dit programma tot op heden de meest ambitieuze maatregel ter bestrijding van de armoede op het platteland in India is,

W.   overwegende dat India de enige grootste begunstigde is van het stelsel van algemene preferenties (SAP), met in 2005 een export van 7 700 miljoen EUR die in aanmerking kwam voor preferentiële toegang tot de EU-markt tegen nultarief of verlaagd tarief; overwegende dat dit betekent dat bijna de helft van de Indiase uitvoer naar de EU, die geschat wordt op ruim 17 miljoen EUR, in aanmerking komt voor het preferentiestelsel; overwegende dat de tarieven voor kleding uit India zijn verlaagd tot 9,5% in plaats van 12%,

X.   overwegende dat China en India het meeste voordeel hebben gehad van de afschaffing van de textiel- en kledingquota met ingang van 1 januari 2005 en dat ze hun export vorig jaar met 42% respectievelijk 18% hebben zien stijgen; overwegende dat de meeste andere leveranciers in ontwikkelingslanden daarentegen het nakijken hadden, hoewel het herstel van de quota op Chinese exporten door de EU medio 2005 wel een positief effect had op de Chinese export in de tweede helft van het jaar,

Y.   overwegende dat India behoort tot de landen met het grootste percentage kinderarbeid ter wereld,

Z.   overwegende dat volgens het rapport voor 2006 van de Verenigde Naties over de mondiale aids-epidemie 5,7 miljoen mensen in India besmet zijn met HIV/aids; overwegende dat momenteel naar schatting minder dan 1% van de volwassen bevolking van India besmet is, maar dat India desondanks Zuid-Afrika overtreft als het land met de meeste met HIV/aids besmette personen, wat het effect onderstreept dat de ziekte heeft op het Zuid-Aziatische subcontinent; overwegende dat deelstaten met een groot aantal gevallen van HIV/aids dynamische economieën zijn met doortrekkende arbeidskrachten en vrachtvervoer, allebei factoren die de verspreiding bevorderen,

AA.   overwegende dat circa 80% van het geografische gebied van India kwetsbaar is voor cyclonen, overstromingen, aardverschuivingen, droogte, aardbevingen en plaatselijke gevaren en dat de combinatie van sociaal-economische armoede en rampen tot een vicieuze cirkel van armoede en kwetsbaarheid heeft geleid,

AB.   overwegende dat het voorkomen van malaria en cholera in India nog steeds een bron van grote zorg is, waarvoor specifieke maatregelen moeten worden genomen,

AC.   overwegende dat de permanente en endemische discriminatie die besloten ligt in het kastenstelsel impliceert dat India het potentieel en de vaardigheden van zijn bevolking nog altijd niet volledig realiseert,

Handel

1.   is verheugd dat zowel India als de EU zich inzetten voor een succesvol resultaat van de Doha-ontwikkelingsagenda; verzoekt India hiertoe gebruik te maken van zijn positie als leider van de G20 om tegen eind 2006 uit te komen op een evenwichtig akkoord dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van zowel de ontwikkelde landen, de opkomende economieën als de ontwikkelingslanden; wijst erop dat de onderhandelingen van de agenda van Doha niet onverenigbaar zijn met de bilaterale WTO+-onderhandelingen; constateert dat een resultaat van een afgesloten Doha Development Round de waarde zal reduceren van stelsels als het preferentiestelsel voor ontwikkelingslanden als India, door verdere reductie van de preferentiemarge die zij genieten; verzoekt de EU aan te bieden een vrijhandelsovereenkomst met India te sluiten, vergelijkbaar met haar overeenkomst met Chili, welke voorziet in belastingvrije invoer voor de export van beide partijen op basis van wederkerigheid, en dringt er bij de groep op hoog niveau voor de handel op aan om het streefniveau en de belangrijkste parameters van een dergelijke bilaterale regeling te bespreken teneinde de wederzijdse mogelijkheden op dit punt te verkennen;

2.   wijst erop dat de betrekkingen tussen India en de Verenigde Staten op een historisch hoogtepunt waren, getuige het akkoord over civiel gebruik van kernenergie dat een jaar geleden gesloten is, maar dat de huidige impasse over de Doha-ontwikkelingsagenda de betrekkingen hebben verstoord met als gevolgen een gestage verslechtering van de handelsrelaties en de beschuldiging van India dat de Verenigde Staten hun landbouwsubsidies niet willen verminderen voordat de ontwikkelingslanden hun markt openstellen voor niet-landbouwproducten, terwijl de Verenigde Staten op hun beurt dreigen de voordelen van het dertig jaar oude stelsel van algemene preferenties (SAP), dat invoer van bepaalde Indiase producten tegen nultarief mogelijk maakte, ongedaan te maken; onderstreept het feit dat een positief resultaat van de Doha-ontwikkelingsagenda de volledige steun van zowel de EU als India behoeft; roept India en de G20 dringend op zich te realiseren dat het Europese aanbod met betrekking tot landbouw door de Verenigde Staten moet worden geëvenaard, gevolgd door een redelijk aanbod van de G20 met betrekking tot NAMA (markttoegang voor niet-landbouwproducten) en diensten;

3.   is verheugd over de volledige tenuitvoerlegging van het actieplan, met name van de onderdelen ter verbetering van de samenwerking, zoals de deelname van India aan de programma's ITER en GALILEO; merkt echter op dat het gemeenschappelijke actieplan weliswaar voorziet in een voortzetting van de dialoog op tal van gebieden, maar geen nadere prioriteiten en termijnen stelt; dringt er bij beide partijen op aan de politieke wil aan de dag te leggen die nodig is om hun betrekkingen te verbeteren voor een doeltreffend strategisch partnerschap;

4.   is bezorgd dat er ondanks de bemoedigende cijfers in beide economieën nog diverse terreinen van onbenutte handelsmogelijkheden overblijven; verzoekt de groepen op hoog niveau voor handel om handels- en investeringskwesties te plaatsen binnen het kader van een verstrekkende en omvattende politieke dialoog en de samenwerkingsmogelijkheden te verkennen op gebieden als migratie, onderwijs en culturele uitwisseling;

5.   merkt op dat de hoge invoerrechten en – ondanks de recente vooruitgang – ook de niet-tarifaire belemmeringen van India een werkelijk punt van zorg blijven voor het bedrijfsleven van de EU; is van mening dat het handhaven van een dergelijk protectionistisch beleid na een economische liberalisering aanleiding geeft tot marktvertekeningen en manipulaties; is bezorgd over het feit dat de WTO-tariefonderhandelingen geen verbetering hebben gebracht (er was geen sprake van vastlegging van tarieven of vastlegging van maximale "bindende" tarieven, die ook hoog werden gehouden) en dat de maatregelen die de Commissie als gevolg hiervan heeft genomen om een bilaterale dialoog met India op te zetten met betrekking tot specifieke vertekeningen tot dusver geen resultaat hebben gehad; merkt op dat een vermindering van handelsbarrières kan leiden tot verbeteringen in de handelsvoorwaarden met als doelstelling de bevordering van groei, werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling; dringt er bij India op aan om zijn invoerrechten dichter te brengen bij de tarieven die het land hanteert in het kader van de Doha-ontwikkelingsagenda; roept de groep op hoog niveau voor handel op te werken aan de uitbanning tussen de partijen van invoerrechten op nagenoeg alle handel via een bilaterale vrijhandelsovereenkomst, die aan bestaande en potentiële exporteurs mogelijkheden biedt om hun zaken uit te breiden en hun exportbasis te diversifiëren;

6.   roept de EU op om het handelspotentieel van India en inspanningen om rechtstreekse buitenlandse investeringen aan te trekken te ondersteunen, met name via een versterking van aan handel gerelateerde hulp ter bestrijding van infrastructurele en administratieve belemmeringen;

7.   is van mening dat mededingingsregels en hun doeltreffende handhaving essentieel zijn om te zorgen dat de voordelen van liberalisering en van de relevante regelgevingshervorming volledig gerealiseerd worden en om bij te dragen aan economische ontwikkeling en goed bestuur; is voorts van mening dat een effectief mededingingsbeleid buitenlandse investeerders aantrekt door een transparant en niet-discriminerend wettelijk kader voor de economische actoren te creëren; merkt op dat er geen pasklaar model bestaat voor de mededingingsbepalingen in de door de EU tijdens het afgelopen decennium gesloten vrijhandelsovereenkomsten, omdat de inhoud van de mededingingsbepalingen varieert afhankelijk van het bestaan en ontwikkelingsniveau van de mededingingsregels en handhavingsinstanties in het partnerland; verzoekt de groep op hoog niveau voor de handel te bepalen welk streefniveau ten aanzien van de mededingingsbepalingen moet worden bereikt in een eventuele bilaterale handelsovereenkomst tussen de EU en India;

8.   merkt op dat India op het gebied van antidumping onderhandelt als gebruiker en tegelijk als onderwerp van procedures; verwelkomt de goede werkrelatie tussen de EU en India op dit gebied en doet een beroep op hen beiden om misbruik van antidumping-instrumenten evenals van dumping zelf te corrigeren;

9.   merkt op dat de EU en India de bescherming van geografische aanduidingen beschouwen als een nuttig instrument voor producenten, consumenten en regeringen, maar dat dit instrument nog niet erg bekend is in India; doet een beroep op de Indiase regering om het systeem van geografische aanduidingen te bevorderen en aanvragen voor potentiële geografische aanduidingen te stimuleren; merkt op dat het de WTO-leden op grond van TRIPS vrijstaat in hun eigen recht een uitgebreidere bescherming te regelen dan het akkoord zelf voorschrijft; is van mening dat een bilateraal akkoord zou kunnen voorzien in een bescherming voor geografische aanduidingen in de EU en India die verder gaat dan het TRIPS-akkoord en daardoor een nuttig aanvullend instrument zou kunnen vormen voor de gezamenlijke multilaterale inspanningen;

10.   stelt vast dat het belang van de intellectuele eigendom in India duidelijk toeneemt, zoals blijkt uit de toename van het aantal ingediende aanvragen bij de Indiase bureaus voor intellectuele eigendom, en merkt op dat de Indiase industrie de mondiale uitdagingen heeft aangenomen en steeds meer onderzoekgebaseerde ontwikkeling doorvoert als integraal onderdeel van de bedrijfsstrategieën; neemt nota van de recente hervormingen van het Indiase stelsel voor intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van de gewijzigde octrooiwet (Patents (Amendment) Act) van 2005; merkt op dat er ook inspanningen zijn geweest om de procedurele aspecten te stroomlijnen en te rationaliseren om het systeem gebruikersvriendelijker te maken; merkt voorts op dat India in overeenstemming met nieuwe wetgeving tevens een omvangrijk moderniseringsprogramma voor alle bureaus voor intellectuele eigendom heeft opgestart en aanzienlijke bedragen heeft uitgetrokken voor aanleg en verbetering van infrastructuur; doet een beroep op India om ervoor te zorgen dat de handhaving van dit stelsel overeenkomt met de bestaande verplichtingen in het kader van de WTO;

11.   stelt vast dat ook de EU in de afgelopen 10 jaar een volledig systeem van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten heeft opgezet door de meeste nationale stelsels van intellectuele eigendom te harmoniseren en voor de gehele EU communuaire intellectuele-eigendomsrechten door te voeren; is van mening dat deze wetgeving vanwege de beginselen van meest begunstigde natie en binnenlandse behandeling niet alleen gunstig is voor rechthebbenden op intellectuele-eigendomsrechten binnen de EU, maar ook buiten de EU; is van mening dat handhaving een integraal onderdeel is van de bescherming van de intellectuele eigendom en roept de EU en India op tot overeenstemming te komen over gemeenschappelijke beginselen voor de handhavingsmaatregelen, zoals dat deze doeltreffend, proportioneel en ontmoedigend moeten zijn en geen belemmeringen mogen opleveren voor de legitieme handel;

12.   is van mening dat, zolang wereldwijd meer dan een op de drie exemplaren van PC-software illegaal is verkregen, de piraterij de toekomst van software-innovatie blijft bedreigen, wat uitmondt in verlies van banen en belastingopbrengsten voor zowel India als de EU; stelt vast dat India, geholpen door een overheidsbeleid van hard optreden tegen de plegers van softwarepiraterij en door bewustmakingscampagnes in 2005, een aanzienlijke afname van 2% in de piraterij heeft geboekt; roept de deelstaatsregeringen en de federale regering van India op het percentage piraterij verder terug te dringen; stelt vast dat hoewel de huidige Euro-Amerikaanse inspanningen ter bestrijding van de piraterij zich voorlopig op China en Rusland zullen concentreren, de rest van Azië zeker zal volgen; is van mening dat het in het belang van India is op dit terrein constructief met de EU samen te werken, dit tegen de achtergrond van een effectstudie van IDC uit 2005, waarin geraamd wordt dat India, wanneer het erin zou slagen het percentage piraterij terug te brengen van de huidige 72% naar 64% in 2009, hiermee 115 000 nieuwe IT-banen zou genereren, een bedrag van 5 900 miljoen USD extra in zijn economie zou worden gepompt en de belastingopbrengsten met 86 miljoen USD zouden toenemen;

13.   onderkent de betekenis van de farmaceutische industrie voor de Indiase economie en maatschappij en roept de Indiase autoriteiten op te zorgen dat internationale normen worden toegepast bij het gebruik van levende dieren voor wetenschappelijke experimenten, dat dergelijke experimenten tot een minimum worden beperkt en dat er gezocht wordt naar alternatieven;

14.   verzoekt de EU en India het voortouw te nemen bij het zoeken binnen de Doha-ontwikkelingsronde naar een spoedige en permanente oplossing voor TRIPS en de volksgezondheid om de toegang tot essentiële geneesmiddelen te faciliteren; roept de Indiase regering op de wet sneller door te voeren, met name ten aanzien van de uitvoer van generieke geneesmiddelen;

15.   stelt vast dat traditionele kennis steeds breder erkend wordt als een waardevol bezit van zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden, omdat zo'n 80% van de wereldbevolking afhankelijk is van producten en diensten die ontleend zijn aan vernieuwingen en praktijken van traditionele kennis om in hun dagelijkse voedsel- en gezondheidsbehoeften te voorzien, en dat dit in India voor maar liefst 441 etnische gemeenschappen geldt; wijst op de ingewikkelde juridische, politieke en maatschappelijke verbanden tussen intellectuele-eigendomsrechten en de instandhouding van biodiversiteit en genetische hulpbronnen; verzoekt de EU en India samen te zoeken naar een redelijke oplossing voor de harmonisatie van TRIPS met de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit;

16.   is ingenomen met de Indiase plannen om de financiële sector te hervormen door de rentetarieven grotendeels te liberaliseren, het verplichte aandeel van de banken in de overheidsschuld te verlagen en de verplichtingen van banken om te lenen aan prioriteitssectoren als de landbouw en het kleinbedrijf te versoepelen; is van mening dat met de verdere integratie van India in het mondiale financiële stelsel de hervormingen van de financiële sector steeds dringender noodzakelijk zijn geworden; is met name van mening dat liberalisering van de financiële sector, waardoor deze beter bestand wordt tegen binnenlandse en buitenlandse schokken, nodig is als stimulans voor depositogroei, de ontwikkeling van een kredietcultuur en de intrede van particuliere en buitenlandse actoren; is van oordeel dat de overdracht van technische en management- deskundigheid nuttig kan zijn voor de ontwikkeling van India's financiële markten en roept de EU op in dit verband haar bijstand te verlenen;

17.   is ingenomen met de Indiase plannen om de beperkingen op de rupiah op te heffen door alle nog resterende beperkingen op het kapitaalverkeer van de gedeeltelijk converteerbare rupiah weg te nemen; is van mening dat hierdoor een belangrijke belemmering voor de integratie van India in de wereldeconomie zal verdwijnen, doordat Indiërs en Indiase bedrijven meer mogelijkheden hebben om in het buitenland te investeren en grote bedrijven gemakkelijker en voordeliger toegang krijgen tot buitenlandse financiering, waarvoor op dit moment een beperking van 500 miljoen USD per bedrijf per jaar geldt;

18.   roept de Indiase regering met klem op toe te treden tot het Verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens, dat het onmisbare multilaterale instrument is voor behoud en versterking van de internationale vrede, veiligheid en stabiliteit, en is bezorgd over de toegenomen Amerikaans-Indiase en Frans-Indiase nucleaire samenwerking terwijl India zich niet contractueel verbonden heeft aan de doelstelling van nucleaire veiligheid;

19.   neemt nota van het feit dat India erkent dat het om zijn ambities te verwezenlijken zijn verantwoordelijkheden in Zuid- en Zuidoost-Azië moet vervullen; verwelkomt het gebruik van handel als een instrument voor het opbouwen van vertrouwen tussen India en Pakistan; verwelkomt in het bijzonder de historische overeenkomst van 2 mei 2006 waarbij de handel over de bestandslijn heen tussen de verdeelde regio's Jammu en Kasjmir nieuw leven werd ingeblazen via het opzetten van een vrachtwagendienst op de route Srinagar-Muzaffarabad, evenals een tweede busdienst door Kasjmir, die Poonch in Jammu en Kasjmir verbindt met Rawalakot in Azad Jammu Kasjmir; is ingenomen met de belofte van premier Singh van 23 mei 2006 om een omgeving te creëren waar vrijere handel en vrijer verkeer mogelijk is, met "zachte grenzen" die het juiste klimaat moeten scheppen voor een regeling voor Kasjmir; roept India en Pakistan op vertrouwenstimulerende maatregelen op handelsgebied verder te stimuleren door de bestaande administratieve belemmeringen af te bouwen en roept de EU op in dit verband waar nodig technische bijstand aan te bieden;

20.   wijst erop dat de ASEAN door hogere arbeidsproductiviteit, geschoolde arbeidskrachten en lage grondprijzen nog steeds in het voordeel is ten opzichte van India; wijst er voorts op dat de ASEAN in 2020 een interne markt gerealiseerd wil hebben en dat sommige lidstaten, waaronder Singapore, Maleisië en Thailand, voor 2015 als streefjaar pleiten; is daarom bezorgd dat de intraregionale handel in de SAARC nog altijd gering van omvang is; is van mening dat de Zuid-Aziatische vrijhandelsovereenkomst te veel uitzonderingen bevat om als standaard vrijhandelsovereenkomst te kunnen gelden; neemt ter kennis dat op een recente ASEAN-ministersbijeenkomst gesproken is over voorstellen voor een grotere handelszone, inclusief India, Chjina, Japan en Zuid-Korea; roept de SAARC op permanent te kijken naar de mogelijkheden om handel en investeringen in de regio uit te breiden; is van mening dat de EU in haar betrekkingen met India een omvattende regionale benadering moet kiezen en verzoekt de EU een "visiegroep" op te richten, vergelijkbaar met hetgeen voor de ASEAN is gedaan, om de mogelijkheden voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en de SAARC te verkennen;

21.   neemt ter kennis dat de SAARC-Ministerraad in augustus 2006 met algemene stemmen besloot het handelsgeschil tussen India en Pakistanin het kader van de Zuid-Aziatische vrijhandelszone nog voor de Veertiende SAARC-top op 3 en 4 april 2007 in India aan de ministers van handel en economie van de SAARC voor te leggen; neemt voorts ter kennis dat de EU op haar verzoek de status van waarnemer bij de SAARC heeft gekregen en de top zal bijwonen; wijst erop dat de vertraging bij de realisering van de vrijhandelszone verklaarbaar is met het argument dat handel gekoppeld moet zijn aan vooruitgang bij het oplossen van de almaar aanslepende geschillen tussen India en Pakistan; dringt er bij beide partijen op aan dat zij de politieke dialoog voortzetten, parallel aan de handelsonderhandelingen; stelt vast dat de punten op de positieve en negatieve lijst nu door de Raad van de Zuid-Aziatische Vrijhandelszone worden behandeld; verlangt dat de EU bijstand biedt ten behoeve van dit proces en reële vooruitgang op de Veertiende SAARC-top;

22.   roept India als lid van de SAARC en de BIMSTEC op zijn invloed aan te wenden om te helpen bij het bevorderen van democratische veranderingen en eerbiediging van de mensenrechten in Birma en zijn steun voor het vredesproces in Sri Lanka en zijn hulp aan de naar schatting 6000 vluchtelingen die sinds april 2006 in India zijn aangekomen, te handhaven; wijst in dit verband op de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur Philip Alston, die bepleit heeft een onafhankelijke internationale mensenrechtenmissie naar Sri Lanka te sturen die moet rapporteren over schendingen van het internationaal recht door welke partij dan ook, en verlangt dat de EU en India deze aanbeveling op de relevante internationale platforms steunen;

23.   stelt vast dat Aziatische landen zoals India en China in weerwil van jaren van economische groei nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en ten onrechte een marginale plaats innemen in de diverse multilaterale instellingen, waaronder ook het Internationaal Monetair Fonds; verzoekt de EU en India samen te werken aan het corrigeren van deze onevenwichtigheden en te zorgen dat de stemmen en leidinggevende posities worden verdeeld op basis van het gewicht in het internationale economisch systeem;

24.   verwelkomt de hervormingen van de Indiase regering van de strategie voor directe buitenlandse investeringen en de voortgang die geboekt wordt door de Investeringscommissie; is verontrust over het feit dat buitenlandse investeerders op lokaal niveau nog altijd stuiten op frustrerende bureaucratie en op andere niet-tarifaire belemmeringen; roept de Indiase autoriteiten dringend op door te gaan met hun strijd tegen bureaucratie en corruptie; doet een beroep op de deelstaten en op gemeentebesturen om aanvraagprocedures te vereenvoudigen en te consolideren; en wenst dat meer maatregelen worden genomen om de juridische duidelijkheid te verbeteren;

25.   is verontrust over het feit dat voor buitenlandse investeringen een grote belemmering wordt gevormd door het stelsel van goedkeuringsprocedures, waarin slechts zeer weinig aanvragen in aanmerking komen voor automatische goedkeuring, terwijl het leeuwendeel van de grote aanvragen per geval afzonderlijk wordt beoordeeld; is bezorgd dat veel ambtenaren nog steeds discrimineren ten gunste van plaatselijke belangen; merkt op dat dit proces van goedkeuring en vergunningverlening in sommige regio's bekritiseerd wordt als zijnde oneerlijk en te weinig transparant, terwijl de voorschriften zo tergend vaak veranderen dat het soms moeilijk is de laatste grillen van het systeem bij te houden; doet een beroep op de deelstaten en op gemeentebesturen om aanvraagprocedures te vereenvoudigen en te consolideren;

26.   constateert dat de Indiase diaspora een belangrijke bijdrage levert aan de groei van India; dat de diaspora echter slechts 10% van de instroom van directe buitenlandse investeringen in India vertegenwoordigt; is van mening dat zowel sociale overdrachten als financiële betalingen nodig zijn voor ontwikkeling op lange termijn; dringt er bij India op aan door te gaan met het uitwerken van plannen om toegang te krijgen tot de hulpbronnen van de diaspora, met dubbele nationaliteit als tastbaar voorbeeld;

Samenwerking tussen de EU en India

27.   is verheugd over het feit dat de EU en India er op de zesde top EU-India van 7 september 2005 blijkens het gezamenlijk actieplan, dat ook ontwikkelingssamenwerking omvat, toe hebben verplicht de onderlinge dialoog en hun engagement als strategische partners te versterken, met aandacht voor een duurzaam milieu en voor sociale en economische samenhang; vraagt dat binnen het strategisch partnerschap de dialoog over de mensenrechten voortdurend zal worden voortgezet; feliciteert de Nationale mensenrechtencommissie van India in dit verband met haar onafhankelijke en rigoureuze werkzaamheden op dat vlak;

28.   beklemtoont dat de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en armoedebestrijding een centraal onderdeel van het strategische partnerschap tussen de EU en India moet blijven; is verheugd over het feit dat op de volgende top EU-India op 13 oktober 2006 de millenniumontwikkelingsdoelstellingen aan de orde zullen worden gesteld; en verzoekt dringend om bijzondere maatregelen die ervoor zorgen dat minderheden, zoals de Dalit en Adivasi en andere gemarginaliseerde gemeenschappen, stammen en kasten, de brede kloof met de rest van de bevolking op het vlak van het behalen van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen kunnen dichten;

29.   is verheugd over de nadruk die in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van de EG met India in de periode 2002-2006 is gelegd op gezondheid, onderwijs, water en milieu en over de verplichting in het gezamenlijk actieplan om de ontwikkelingssamenwerking op het vlak van gezondheid en onderwijs te verdiepen, met het doel de ontwikkelingssamenwerking ter aanvulling van belangrijke Indiase sociale programma's te versterken, waaronder bijzondere maatregelen die een effectief einde moeten maken aan de discriminatie van minder bevoorrechte sociale groepen, vooral vrouwen; verzoekt eveneens om een versterking van de maatregelen om het onderwijs aan meisjes te bevorderen als onderdeel van het actieplan, zodat millenniumdoelstellingen 2 en 3 worden behaald;

30.   verwelkomt de openbare raadpleging van de Commissie om vorm te geven aan een omvangrijke strategische herziening van de economische en handelsbetrekkingen met China; is van mening dat India een andere, maar vergelijkbare uitdaging vormt voor het bedrijfsleven van de EU; dringt er bij de Commissie op aan een gelijksoortig initiatief te nemen ten met betrekking tot India ten behoeve van het politieke, economische en commerciële beheer van deze betrekkingen op EU-niveau;

31.   meent dat de EU bijzondere aandacht moet besteden aan de sector van het MKB in India, en stelt daarom voor dat het MKB in alle programma's voor ontwikkelingssamenwerking tussen de EU en India kan worden versterkt door maatregelen die door burgers voorgestelde marktgeoriënteerde projecten helpen financieren;

32.   benadrukt dat de EU in het kader van de ontwikkelingssamenwerking dient samen te werken met India als opkomend internationaal donorland door middel van de uitwisseling van ervaring en samenwerking bij concrete projecten in ontwikkelingslanden; onderstreept dat het leren van de door India opgedane ervaringen ertoe kan bijdragen de ontwikkelingshulp van de EU efficiënter en productiever te maken;

33.   neemt nota van het feit dat er onder de Indiërs bezorgdheid bestaat over de EU en dat zij deze willen bestuderen en beter leren begrijpen; verwelkomt de instelling van de Erasmus Mundus-beurzen ten bedrage van 33 miljoen euro, waarbij de nadruk met name ligt op samenwerking in wetenschap en technologie, waar lering getrokken zou kunnen worden uit het Indiase succes op dit gebied om de prestaties van de EU te versterken in de piramide die het fundament vormt van de informatiemaatschappij, namelijk: onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en innovatie; verwelkomt de instelling van een Jean Monnet-leerstoel Europese Studies aan de Universiteit van Delhi als essentieel initiatief ter versterking van de relaties tussen de EU en India; is van oordeel dat de instellingen voor hoger onderwijs in Europa op dit initiatief moeten inspelen door meer aandacht te besteden aan India-studies en de opleidingen op dat gebied serieus aan de man te brengen; stelt voor dat Europese instellingen voor hoger onderwijs onderzoeksinstituten in India vestigen, zoals de Harvard Business School onlangs in Mumbai (Bombay) heeft gedaan; doet een beroep op de delegatie van de Commissie en de ambassades van de lidstaten om samen te werken met de Indiase autoriteiten voor de bevordering van de rol van de EU in de aanzwengeling van wetenschappelijke, culturele en onderwijsuitwisselingen en suggereert dat culturele uitwisselingen zouden kunnen bijdragen aan het verwerven van brede publieke steun voor constructieve samenwerking, en dat professionele en zakelijke uitwisselingen eveneens nuttig zouden kunnen zijn, zowel voor intercultureel begrip als in het belang van een wederzijdse informatiestroom; onderstreept het succes van het "Executive Training Programme – People to People Exchange" – samen met Japan en Korea en verzoekt de Commissie met klem dit programma uit te breiden met India, voorzien van een passende financiering;

34.   wijst op het verontrustende gebrek aan bekendheid met de Indiase markt in bepaalde sectoren van het Europese bedrijfsleven; verlangt dat de EU zich intensiever bezighoudt met leidinggevenden in het Europese bedrijfsleven, met name het midden- en kleinbedrijf, om een doorbraak te bereiken in hun perceptie van India door de zeer aanzienlijke mogelijkheden om in India zaken te doen te onderstrepen;

35.   adviseert de Commissie specifieke programma's tussen de EU en India te verkennen of te verdiepen, op gebieden als hoger onderwijs en beroepsopleiding en programma's ter bevordering van de uitwisseling van studenten, docenten en onderzoekers;

36.   onderkent dat de Indiase software- en dienstenindustrie in de afgelopen vijf jaar in grootte is verdrievoudigd en nu een waarde van 20 miljard euro vertegenwoordigt; merkt op dat een groot deel van deze groei afkomstig is van westerse bedrijven die ontwikkelingswerk aan India uitbesteden; is van mening dat de EU -lidstaten baat kunnen hebben bij de grote mobiliteit van hooggekwalificeerde Indiërs, maar een braindrain-effect op het ontwikkelingspotentieel in India moeten voorkomen; doet een beroep op de groep op hoog niveau voor de handel om de mogelijkheid te verkennen van een overeenkomst over het verkeer van geschoolde werknemers in het kader van Mode 4, zodat Indiase IT-deskundigen na voltooiing van hun studie in de EU kunnen werken en daarmee een bron van gekwalificeerde arbeidskrachten vormen en investeringen van de stelsels voor hoger onderwijs van de EU rechtvaardigen; merkt op dat softwarebedrijven als een magneet op complementaire bedrijven en de dienstensector werken en dat de infrastructurele behoeften die hiermee gepaard gaan de regionale economieën kunnen stimuleren en meer arbeidsplaatsen voor de plaatselijke bevolking kunnen opleveren;

37.   merkt op dat tussen 2003 en 2008 mogelijk 200 000 banen uit de EU kunnen worden uitbesteed, voornamelijk naar India; merkt ook op dat India tegen 2010 behoefte zal hebben aan 160 000 professionals op het gebied van vreemde talen, terwijl slechts 40 000 Indiërs gekwalificeerd zullen zijn voor dergelijke functies; is van mening dat er met 30 000 EU-expats die reeds in India werken duidelijke kansen liggen voor geschoolde Europeanen, mits ze bereid zijn te verhuizen, en dat een dergelijke tendens zou zorgen voor een "brain exchange" tussen de EU en India in plaats van een "brain drain";

38.   beveelt aan dat de lidstaten en de Commissie een geschikt kader bieden waardoor bedrijven en universiteiten kunnen profiteren van India's snelle economische groei in specifieke sectoren, zoals software en the filmindustrie;

39.   wijst erop dat het effect van de groei van India op de mondiale vraag naar energie aanleiding is tot bezorgdheid over de zekerheid van de energietoelevering; merkt op dat India nog steeds lijdt onder ernstige energietekorten en overmatig afhankelijk is van aardolie en steenkool, beide dure en vervuilende fossiele brandstoffen; merkt op dat India's inspanningen om de aardgastoevoer veilig te stellen en kernenergie te ontwikkelen twee concrete resultaten van deze situatie vormen; merkt op dat kernenergie, zelfs wanneer India ervoor zou kiezen deze te ontwikkelen, minder dan 5% van de elektriciteit zou leveren en slechts 2% van het totale energieverbruik; is van mening dat het ontwikkelen van kernenergie ook een stap terug zou vormen ten opzichte van de verbintenis van de G8 van Gleneagles om de klimaatverandering tot staan te brengen en energiebesparingen te bevorderen; is van mening dat de achteruitgang van het milieu een grote hindernis kan gaan vormen voor de toekomstige economische ontwikkeling van India wanneer deze niet wordt teruggedraaid;

40.   merkt op dat zowel India als de EU een lange traditie van bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie hebben en is van mening dat hernieuwbare energiebronnen zoals zonne-energie, wind en biomassa praktische energie-alternatieven zijn die, mits gesteund door omvangrijke investeringen in de energiezuinigheid, de energiebehoeften op lange termijn zouden kunnen vervullen; is ingenomen met India's inspanningen op dit gebied, met inbegrip van zijn eigen digereerovens voor biogas van het platteland en zonnecellen (die gebruikt worden om dorpswoningen en werkplaatsen van elektriciteit te voorzien), en meer recent het succes met de bouw van de vierde windkrachtsector van de wereld; is van mening dat, omdat de armste landen van de wereld negatieve effecten ondervinden van de stijgende behoefte aan olie, zoals mede blijkt uit de recente rellen over stijgende olieprijzen in Indonesië, India haar steun moet blijven geven aan de ontwikkeling van regionale hernieuwbare energiebronnen in een breder Aziatisch verband, zoals nu reeds in Bhutan geschiedt; is ingenomen met de oprichting van het energiepanel van India en de EU en pleit voor verdere samenwerking inzake de zekerheid van de energievoorziening, markthervormingen, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; is van mening dat India en de EU moeten doorgaan met het definiëren van de mondiale energie-architectuur via het ontwikkelen van innovatieve en duurzame energievormen, terwijl ook aan de maatstaven inzake klimaatverandering wordt voldaan;

41.   merkt op dat India als geografisch divers land een vruchtbare bodem voor olie en gas vormt, maar dat de door de publieke sector geleide exploratie tot nog toe weinig, heeft opgeleverd; merkt echter op dat deze situatie aan het veranderen is met de komst van Europese energiebedrijven: zo heeft het Britse Cairn Energy in 2004 verscheidene olievondsten in Rajasthan gemeld (waarvan de grootste geschat wordt op 500 miljoen vaten winbare reserves); roept India op een intensievere zoektocht naar olie en gas te stimuleren door krachtige stimulansen te bieden die de efficiëntie en deskundigheid van Europese exploratiebedrijven kunnen aantrekken;

42.   merkt op dat de kosten van verwerking van biodiesel in India ongeveer eenderde bedragen van de kosten in Europa, en dat India recent heeft besloten zijn raffinageprogramma's voor biodiesel uit te breiden; merkt op dat India thans ook zijn ethanolindustrie uitbreidt en dat de regering een aantal verschillende financiële stimulansen heeft ingevoerd, waaronder vermindering van omzetbelasting en accijnzen op ethanol en met ethanol gemengde brandstoffen; is van mening dat de niet-eetbare jatropha een levensvatbare biobrandstof zou kunnen zijn voor India, omdat deze kan gedijen op halfdroge en droge bodems en met minimale investeringen, en roept op tot samenwerking tussen de EU en India in dit verband; is van mening dat dergelijke programma's naast het creëren van circa 17 miljoen nieuwe banen en nieuwe inkomstenbronnen voor verarmde plattelandsgemeenschappen ook kunnen bijdragen aan een vermindering van de Indiase afhankelijkheid van buitenlandse olie, maar alleen wanneer deze op duurzame wijze worden uitgevoerd;

India's economische en sociale situatie

43.   stelt vast dat de internationale handel een krachtige motor van economische groei en armoedebestrijding kan zijn, maar desondanks geen wondermiddel is, en dat handelshervormingen slechts een aanvulling kunnen zijn op het ontwikkelingsbeleid; is van mening dat het om mensen uit de armoede te krijgen en de ladder van de economische ontwikkeling te blijven beklimmen voor India essentieel is om een omgeving voor het bedrijfsleven op te bouwen die de integratie in de wereldeconomie ten aanzien van een steeds groter aantal producten en diensten bevordert;

44.   is verheugd over het feit dat het belang van de wereldeconomie, de wereldhandel en buitenlandse investeringen in het nieuwste vijfjarenplan van India inzake de menselijke ontwikkeling (2002-2007) in toenemende mate wordt erkend;

45.   wijst erop dat onevenwichtigheden tussen de deelstaten van India worden verergerd door het delegeren van de bevoegdheid voor het doen van overheidsuitgaven aan deelstaten met uiteenlopende niveaus van politiek leiderschap en fiscaal beheer; is van mening dat armoedebestrijding afhangt van het verschuiven van overheidsmiddelen naar plattelandsgebieden en van de ontwikkeling van infrastructuur die de verspreiding van productie en diensten kan ondersteunen; dringt er bij India op aan de samenhang te waarborgen en de liberalisering beter te beheren door het goedkeuren van goed aanvullend economisch beleid, met inbegrip van belastingharmonisatie en het concentreren van de inspanningen voor capaciteitsopbouw op de armste deelstaten, zodat zij in staat worden gesteld beschikbare middelen doeltreffend te gebruiken; neemt nota van het effect dat de economische groei op de ontwikkeling van sommige regio's van India heeft; roept de Commissie op India te steunen bij het lering trekken uit de successen van de deelstaten die geprofiteerd hebben van de Indiase hausse en beste praktijken te formuleren om te waarborgen dat essentiële investeringen ook in achtergebleven regio's en bij ondervertegenwoordigde maatschappelijke groepen terechtkomen;

46.   is bezorgd over de groeiende inkomenskloof tussen stad en platteland in India; roept de Indiase autoriteiten met klem op de stagnatie van de landbouw in de plattelandsgebieden te onderkennen en programma's te ontwikkelen die de productiviteit van de landbouw in deze gebieden verbeteren om zo de armoede op het platteland effectiever te bestrijden;

47.   wijst erop dat de infrastructuur van India ondanks de enorme groei ten dele nog steeds de kenmerken vertoont van een ontwikkelingsland, met slechte vervoersnetten en frequente stroomuitval; wijst erop dat de Gemenebest-Spelen van 2010 een goede gelegenheid voor Europese bedrijven vormen om mee te dingen naar opdrachten voor belangrijke infrastructuurprojecten; dringt er bij India en de EU op aan de mogelijkheden voor ontwikkeling van de op de handel betrekking hebbende infrastructuur te onderzoeken door publiek-private partnerschappen voor investeringen, zorgen voor transparantie, een geloofwaardig regelgevingskader en billijke voorwaarden tussen particuliere investeerders en de regering; vraagt dat gebruik wordt gemaakt van leningen van de EIB waarvan het mandaat - in het geval van Azië en Latijns-Amerika - draait rond productieve investering; roept India en de EU op deze investering vooral te richten op plattelandsgebieden, betere watervoorziening en hygiëne, verbetering van de vervoersnetten, met name wegen voor alle weersomstandigheden, en verbetering van de kwaliteit van de output van het elektriciteitsnet;

Ontwikkeling en milieu

48.   erkent de grote successen van de Indiase overheid bij de uitbanning van de armoede, maar stelt vast dat er, ondanks duurzame economische groei, nog steeds ontzettend grote ongelijkheden bestaan waarbij 30% van de Indiase bevolking (meer dan 400 miljoen mensen) nog altijd onder de armoedegrens leeft; is in het bijzonder verontrust over de situatie van de sociaal zwakke bevolkingsgroepen, met name vrouwen, kinderen, benadeelde mensen en de plattelandsbevolking, bijvoorbeeld de Dalit en de Adivasi (inheemse stammen en volkeren); verzoekt de Commissie en de Raad met de Indiase overheid samen te werken om de situatie van deze groepen te verbeteren en verdere samenwerking aan het stopzetten van discriminatie op grond van geslacht en kaste te onderzoeken;

49.   benadrukt dat opeenvolgende Indiase regeringen zich sterk hebben ingespannen om het probleem van de kastendiscriminatie aan te pakken, maar is van mening dat er nog veel meer gedaan dient te worden;

50.   doet een dringend beroep op de EU om maatregelen te bevorderen en uit te voeren die de sociaal-economische ontwikkeling van de minderheden garanderen, die grotendeels werden uitgesloten van de nieuwe economie in India en die worden gediscrimineerd in ontwikkelingsprogramma's en noodhulp, door onder andere de bevordering van gelijke arbeidskansen in privé-ondernemingen en investeerders met hoofdvestiging in de EU, de aanmoediging van ontwikkelingsprogramma's die de Dalit insluiten en het gebruik van indicatoren om de inclusie van Dalit in de nieuwe economie te meten;

51.   wijst erop dat het van belang is dat de Indiase overheid in het kader van de ontwikkeling ook rekening houdt met de kwesties van sociale cohesie, milieu en consumentenrechten;

52.   is ingenomen met de samenwerking tussen de EU en India op het gebied van het milieubeleid en met het feit dat het milieubeleid in het gezamenlijk actieplan is aangewezen als een van de samenwerkingsgebieden; merkt op dat de EU en India als grote mondiale spelers een centrale rol moeten vervullen in de internationale inspanningen voor een beter mondiaal milieubeheer; wenst dat de milieuaspecten binnen de economische ontwikkelingssamenwerking nog steeds benadrukt worden;

53.   beklemtoont dat de toenemende aantasting van het milieu in India een steeds groter wordend probleem met onvoorstelbare economische, sociale en ecologische gevolgen vormt, met name voor het grote aantal Indiërs die in armoede leven, en benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om de samenwerking van de EU met India op dit gebied met kracht voort te zetten;

54.   is verheugd dat India zich heeft aangesloten bij de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; merkt op dat het tiende vijfjarenplan van India de menselijke ontwikkelingsdoelstellingen en streefdoelen van het land voor de komende vijf tot tien jaar uiteenzet, waarvan de meeste verstrekkender zijn dan de millenniumdoelstellingen, maar dat er ook bezorgdheid blijft bestaan over het vermogen van India om deze doelstellingen tegen 2015 te realiseren, nu het millenniumproject van de VN beweert dat India waarschijnlijk zeker vier van de acht millenniumdoelstellingen niet zal halen; is van mening dat steun op handelsgebied India zou kunnen helpen deze doelstellingen op tijd te verwezenlijken; dringt er bij de EU op aan samen te werken met de prioritaire programma's voor algemeen onderwijs en gezondheid op het platteland en beleid te stimuleren dat de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt verbetert; is van mening dat de EU problemen ten aanzien van gelijke kansen zou kunnen aanpakken door de handel te bevorderen in producten die middelen van bestaan opleveren voor vrouwen en door de handel in diensten in sectoren waar vrouwen werken, te vergemakkelijken;

55.   merkt op dat connectiviteit een van de millenniumdoelstellingen is en dat de secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, ertoe heeft opgeroepen om tegen 2015 connectiviteit in ieder dorp in de ontwikkelingslanden te realiseren teneinde de verschillen in termen van vrijheid, welvaart en macht weg te nemen; is ingenomen met initiatieven als het "hole-in-the-wall"-internetonderwijsexperiment, waarbij meer dan 150 snelle computers met toetsenborden, aanraakscherm en webcamera's op 50 locaties, van de sloppenwijken van Delhi tot locaties op het Indiase platteland, die duizenden voordien analfabete jongens en meisjes de mogelijkheid bieden zichzelf niet alleen IT-vaardigheden en diverse elementen van primair onderwijs aan te leren, maar ook hun aspiratieniveau te verhogen; is van mening dat dergelijke projecten, hoewel ze geen bevredigend alternatief vormen voor een klaslokaal met een leerkracht, de kloof kunnen overbruggen voor kinderen die op dit moment geen toegang tot een traditioneel onderwijsmodel hebben; roept India op de voordelen van de IT-hausse te delen met de 98% van zijn bevolking aan wie deze momenteel voorbijgaat, en investeringen en hulp beschikbaar te maken voor dergelijke projecten, waarvan de geraamde jaarlijkse kosten minder dan 2 cent per kind per dag bedragen;

56.   merkt op dat India een van de belangrijkste begunstigden van het stelsel van algemene preferenties was, met een gemiddeld benuttingspercentage van 80% in een breed aantal sectoren, waaronder dierlijke producten (88%), edelstenen en sieraden (85%), vervoermiddelen en basismetalen (83%); merkt op dat 40% van de Indiase kledingexport, die ruim 3 000 miljoen EUR waard is - op een totale export van 4 800 miljoen EUR, en negentiende van de Indiase schoenenexport, met een waarde van 600 miljoen EUR - op een totale export van 675 miljoen EUR - heeft kunnen profiteren van het SAP; merkt op dat landen met hun eigen weverijen, zoals India, een veel groter gebruik konden maken van de faciliteiten van het SAP dan landen als Bangladesh, die voor de kledingproductie gebruik maken van geïmporteerde stoffen en daardoor problemen ondervonden met het gebruik van het SAP vanwege het EU-stelsel van oorsprongsregels; is ingenomen met de door de EU gevolgde praktijk om deze regelingen en regels van tijd tot tijd te herzien en roept op tot een vereenvoudigen en rationalisatie van deze regels; is ingenomen met het voorstel om de productspecifieke oorsprongsregels te vervangen door één algemeen geldig criterium, zodat de in aanmerking komende landen wellicht minder moeilijkheden zullen ondervinden met het gebruik van de regeling;

57.   is bezorgd dat, met 60% van de resterende tijgers van de wereld in India, de geplande maar vertraagde Indiase tijgercensus wel eens zou kunnen uitwijzen dat de tijgerpopulatie in dit land tot het kritieke niveau van 1 500 is gedaald; onderkent dat de illegale handel in wilde diersoorten volgens de schattingen in waarde alleen onderdoet voor de internationale drugshandel en dat de exploitatie en handel voor sommige soorten, zoals tijgers, zulke vormen heeft aangenomen dat de populaties van deze soorten ernstig zijn uitgehold; eist een beter toezicht op de import van exemplaren van en producten op basis van wilde flora en fauna, zodat het Verdrag inzake internationale handel van bedreigde soorten (CITES) gehandhaafd wordt en de handhaving daarvan verbeterd wordt om het uitsterven van bedreigde soorten te voorkomen; verzoekt de EU aan India haar samenwerking en technische bijstand aan te bieden om dit land te helpen bij de handhaving van zijn biodiversiteit en bij het aanpakken van de illegale handel in wilde flora en fauna; pleit ervoor dat de bescherming van tijgers in het algemeen en de bestrijding van de handel in huid, beenderen en lichaamsdelen van tijgers in het bijzonder, ook door middel van samenwerking op douanegebied, op de agenda van de komende bijeenkomst van het milieuforum van de EU en India wordt geplaatst;

58.   merkt op dat de liberalisering van de handel ertoe heeft geleid dat kleinere boeren zowel in de EU als in India het hoofd moeten bieden aan een mondiale concurrentie, die de prijzen omlaag dringt, terwijl de vermindering van de overheidssubsidies de kosten van de landbouw voor hen heeft verhoogd; is bezorgd dat boeren in India overgaan op contractlandbouw ten behoeve van de uitvoer en geen binnenlandse producten meer verbouwen, hetgeen leidt tot ondervoeding in arme plattelandsgebieden; is er bezorgd over dat in veel gevallen meer dan de helft van de landbouwproducten in India verloren gaat door gebrek aan goede koelinstallaties en distributievoorzieningen; wijst erop dat in de landbouw weliswaar geen buitenlandse investeringen mogen plaatsvinden maar dat Europese bedrijven wel mogen investeren in de met de landbouw verbonden sectoren bijvoorbeeld om opslagproblemen op te lossen; nodigt India uit middelen in te zetten voor de opbouw van handelsinfrastructuur in plattelandsgebieden zodat de boeren zich beter kunnen aanpassen aan de uitdagingen van de mondialisering;

59.   dringt er bij de EU op aan om op internationale fora grotere bedrijfsverantwoordelijkheid te bevorderen bij buitenlandse ondernemingen met vestigingen in India, en dringt er tegelijkertijd op aan om een akkoord te bereiken met de Indiase overheid voor het instellen van een doeltreffend systeem dat toezicht houdt op de rechten van de werknemers in de binnenlandse en buitenlandse ondernemingen met vestigingen in India;

60.   roept op tot overleg tussen de EU en India over investeringen om rekening te houden met de sociale en politieke verantwoordelijkheid van buitenlandse investeerders; benadrukt dat de rechten van investeerders gepaard moeten gaan met plichten en dat investeerders ten minste de centrale arbeidsnormen van de IAO moeten toepassen;

61.   is verheugd dat India zich inzet voor de preventie van kinderarbeid en deelneemt aan het Internationaal Programma voor de Eliminatie van Kinderarbeid en het INDUS-kinderarbeidproject; is bezorgd over de grote omvang van de kinderarbeid in India; doet een beroep op India om samen te werken met de IAO en om Verdrag 138 over de minimumleeftijd en Verdrag 182 over de ergste vormen van kinderarbeid te ratificeren; roept India op maatregelen te nemen voor een effectieve bestrijding van alle vormen van moderne slavernij, kinderarbeid en uitbuiting van de arbeid van vrouwen, zodat de basisrechten van werknemers worden gerespecteerd en sociale dumping wordt tegengegaan en het ILO-beginsel van "fatsoenlijk werk" over te nemen; herinnert aan het belang van overeenstemming van de diverse handelsovereenkomsten met internationale verdragen inzake mensenrechten en arbeidsomstandigheden;

62.   benadrukt dat de EU druk op de Indiase regering moet uitoefenen om met de grootste urgentie de schuldslavernij aan te pakken, die in India miljoenen mensen betreft; roept India op Verdrag 98 inzake het recht van vereniging en collectieve onderhandeling te ratificeren;

63.   is van mening dat India de nog resterende ILO-verdragen zo spoedig mogelijk moet ratificeren en ten uitvoer moet leggen om bij te dragen aan de versterking van de ontwikkeling op lange termijn en de verbetering van de levenskwaliteit van de armste delen van de samenleving;

64.   onderstreept dat het belangrijk is dat de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen tussen de EU en India niet wordt gescheiden van de noodzakelijke mensenrechtenhervormingen in India;

65.   merkt op dat de huidige Indiase regering de problemen rond HIV/aids openhartiger heeft erkend; is van mening dat de verbreiding van HIV/aids de voortgang van India potentieel kan verstoren; wijst erop dat de toename van het aantal gevallen van HIV/aids te wijten is aan beperkte toegang tot gezondheidszorg en een gering bewustzijn van de gevaren; is verheugd dat India meer financiering beschikbaar stelt en meer programma's initieert om de problemen rond HIV/aids aan te pakken en dringt er bij de EU en India op aan programma's voor personen en groepen die veel risico lopen, te intensiveren; is in dit verband verheugd over het werk dat de National Aids Control Organization (NACO) verzet heeft in het kader van haar activiteiten voor bewustmaking onder de stads- en plattelandsbevolking;

66.   is van mening dat de recente natuurrampen, met name de tsunami in de Indische Oceaan en de aardbeving in Zuid-Azië, de noodzaak hebben aangetoond van een creatievere en verbeeldingsvollere samenwerking tussen de talrijke agentschappen en organisaties die de respons op rampen regelen; merkt op dat UNESCO via zijn Oceanografische commissie bezig is met het opzetten van een waarschuwings- en gevolgenverminderingssysteem voor tsunami's in de Indische Oceaan, en dat de VN thans de uitvoering coördineert van het actieplan van Hyogo, een risicoverminderingsplan voor natuurrampen met een looptijd van tien jaar; roept India, de EU en haar lidstaten op deze initiatieven te steunen, zodat door middel van voorspellingen van de frequentie en ernst van natuurrampen alsmede de synergie tussen humanitaire maatregelen en publieke noodhulporganisaties de blijvende effectiviteit van de rampenhulp kan worden verbeterd;

67.   wenst dat jaarlijks een parlementaire topconferentie wordt georganiseerd, die samenvalt met of onmiddellijk voorafgaat aan de jaarlijkse top van de EU en India, die normaliter plaatsvindt zonder officiële betrokkenheid van het Europees Parlement; is van mening dat dergelijke topconferenties de mogelijkheid geven om de banden tussen de parlementaire instellingen verder te ontwikkelen, het begrip van de onderlinge verschillen te verbeteren en de democratische stelsels van beide landen dichter bij elkaar te brengen;

68.   verzoekt de Commissie het Parlement geregeld op de hoogte te houden van de voortgang van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk actieplan van de Europese Unie en India;

o
o   o

69.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek India.

(1) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 103.
(2) PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 589.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2005)0454.
(4) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0056.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0123.


Vooruitzichten van de vrouw in de internationale handel
PDF 137kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement over de vooruitzichten van de vrouw in de internationale handel (2006/2009(INI))
P6_TA(2006)0389A6-0254/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2836/98 van de Raad van 22 december 1998 betreffende de integratie van de genderproblematiek in de ontwikkelingssamenwerking(1),

–   gezien Beschikking 2001/51/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende het programma in verband met de communautaire strategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen (2001-2005)(2) en het bijbehorende werkprogramma,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979 en het bijbehorende optionele protocol,

–   gezien de Verklaring van Beijing en het actieprogramma (Platform for Action) die op 15 september 1995 door de VN-Vierde Wereldvrouwenconferentie zijn aangenomen,

–   gezien de VN-resolutie van 10 juni 2000 over de follow-up van het actieprogramma van Beijing, de herziening en beoordeling van het actieprogramma van Beijing en het slotdocument van de 23e bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van maart 2005,

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 18 juli 2001, getiteld "De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven" (COM(2001)0366),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 22 maart 2006, getiteld "Tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2006)0136),

–   gezien de VN-normen inzake de verantwoordelijkheden van transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, die op 13 augustus 2003 door de Subcommissie voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten van de Verenigde Naties zijn aangenomen,

–   gezien de tripartiete verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van november 1977 betreffende de beginselen in verband met multinationale ondernemingen en het sociaal beleid, alsook de geldende OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–   gezien de Verklaring inzake fundamentele arbeidsnormen van de IAO van 18 juni 1998, aanbeveling R100 van de IAO over de bescherming van arbeidsmigranten in onderontwikkelde landen en gebieden, aanbeveling R111 van de IAO over discriminatie in werk en beroep, aanbeveling R156 van de IAO over de bescherming van werknemers tegen beroepsrisico's in hun werkomgeving door luchtvervuiling, lawaai en trillingen en aanbeveling R191 van de IAO ter herziening van de aanbeveling over de bescherming van het moederschap,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 en de herziening en actualisering daarvan tijdens de Wereldtop van 14 tot 16 september 2005,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 16 en 17 december 2004, waarin nogmaals het engagement van de Europese Unie voor de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's) en beleidssamenhang wordt onderstreept,

–   gezien de São Paulo-verklaring van de VN-conferentie over handel en ontwikkeling van 18 juni 2004,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2005 over de sociale dimensie van de globalisering(3),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0254/2006),

A.   overwegende dat internationale handel de potentie heeft om aan gendergelijkheid bij te dragen en de economische, sociale en politieke zelfstandigheid van vrouwen op zowel productief als reproductief gebied kan bevorderen; overwegende dat de globalisering van de handel echter mede de oorzaak is van minder formele arbeidsbetrekkingen, een toename van arbeid met een onzeker dienstverband en een stijging van het aantal vrouwelijke werklozen in meerdere economische sectoren,

B.   overwegende dat 70% van de 1,3 miljard mensen in de wereld die onder de armoedegrens leven vrouwen zijn; overwegende dat vrouwen in het algemeen meer moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot onderwijs, onroerend goed, krediet en andere faciliteiten en productiefactoren, evenals tot besluitvormingsorganen,

C.   overwegende dat genderongelijkheid, waarbij vrouwen minder toegang hebben tot productiemiddelen en tot de markt, op lange termijn groei belemmert, omdat vrouwen in verhouding een groter deel van het inkomen dat zij zelf verwerven, besteden aan onderwijs, gezondheidszorg en eten, en omdat niet volledig gebruik wordt gemaakt van het economisch potentieel van de gehele bevolking,

D.   overwegende dat handelsakkoorden alle bestaande wetten inzake mensenrechten en sociaal en arbeidsrecht, en alle bestaande internationale afspraken op het gebied van duurzame ontwikkeling ten volle moeten eerbiedigen,

E.   overwegende dat reproductieve en huishoudelijke verantwoordelijkheden, alsook de verantwoordelijkheid om het gezin te onderhouden en sociale zorg te bieden in vrijwel elke samenleving als de essentiële taak van de vrouw worden gezien, maar dat deze rol over het algemeen wordt ondergewaardeerd en niet wordt beloond,

F.   overwegende dat, wanneer marktliberalisering geen rekening houdt met genderspecifieke factoren, dit processen als een stijging van het aantal vrouwen met een onzeker dienstverband, een toename in de uitbuiting van vrouwen en de ondermijning van de middelen van bestaan van arme vrouwen in de hele wereld, ook van vrouwelijke migranten, zal versterken,

G.   overwegende dat de handelsliberalisering in sterke mate heeft bijgedragen tot een grotere deelname van vrouwen aan de informele economie,

H.   overwegende dat de IAO de term "informele economie" definieert als werk zonder contract, secundaire arbeidsvoorwaarden noch sociale bescherming, dat zowel binnen als buiten informele ondernemingen wordt uitgevoerd,

I.   overwegende dat het gegeven dat zich onder de internationale migranten steeds meer vrouwen bevinden veel te weinig aandacht krijgt; voorts overwegende dat arbeidsmigranten vaak niet om redelijke arbeidsvoorwaarden durven vragen,

J.   overwegende dat de WTO in 1995 een Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) heeft bereikt en dat deze overeenkomst de toegang tot generieke medicijnen dusdanig inperkte dat in december 2005 in Hong Kong men het eens werd dat een aanpassing van de TRIPS-Overeenkomst dient te gebeuren,

1.   onderstreept dat de handelsliberalisering voor vrouwen andere gevolgen heeft dan voor mannen; wijst op het feit dat de doelstellingen van het Europese gendergelijkheidsbeleid enerzijds en van het handels-, ontwikkelings- en steunbeleid anderzijds op elkaar moeten worden afgestemd, zodat beide beleidsgebieden de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevorderen; wijst op het streven naar een gelijke verdeling van goederen, gelijke rechten en economische onafhankelijkheid en benadrukt dat economische participatie voor vrouwen de sleutel tot zelfstandigheid vormt, omdat zij hierdoor aan structurele discriminatie kunnen ontsnappen, hun eigen levensomstandigheden en die van hun gezin kunnen verbeteren, actiever aan de politiek kunnen deelnemen en de sociale cohesie kunnen versterken;

2.   stelt vast dat veel vrouwen weliswaar hun voordeel doen met de handelsliberalisering en de buitenlandse directe investeringen dankzij de daaruit voortvloeiende tewerkstellingsmogelijkheden, maar dat de handelsliberalisering ook bijdraagt tot de informalisering van de arbeidsrelaties, de aantasting van de arbeidsvoorwaarden en de feminisering van de werkloosheid in meerdere sectoren van de economie;

3.   roept de Raad en de Commissie op voorrang te verlenen aan het afschaffen van alle voorbehouden ten opzichte van het CEDAW en aan de ratificatie van het bijbehorende optionele protocol door alle partnerlanden;

4.   verzoekt de Commissie om aan de commissies van het Europees Parlement die bevoegd zijn voor vrouwenrechten en internationale handel een verslag voor te leggen, dat mede is ondertekend door de bestuurders van het organisme dat aan vrouwen financiële bijstand schenkt en het organisme dat financiële bijstand voor vrouwen ontvangt, en daarmee aan te tonen dat deze bijstand zijn bestemming heeft bereikt en niet voor andere dan de oorspronkelijke doeleinden werd gebruikt;

5.   benadrukt de noodzaak om te onderzoeken hoe vrouwen hun voordeel kunnen doen met de handelsliberalisering en om systematisch genderspecifieke gegevens te verzamelen teneinde iets te doen aan de genderblindheid in het huidige handelsbeleid en in het beleid van internationale economische instanties; nodigt de Commissie uit eens per jaar een voortgangsverslag over dit onderwerp aan het Parlement voor te leggen; brengt in herinnering dat genderanalyses een onderdeel moeten zijn van de duurzaamheidseffectbeoordelingen van de handelsakkoorden die momenteel door de Commissie worden uitgevoerd;

6.   verzoekt de Commissie een gendereffectbeoordeling uit te voeren voordat zij handelsakkoorden met derde landen sluit en doeltreffende conditionaliteitsclausules op te nemen in akkoorden met landen waar de mensenrechten, en met name de rechten van vrouwen, op grote schaal worden geschonden;

7.   verzoekt de Commissie binnen het Directoraat-generaal Handel formeel een handel en genderdesk in te stellen, die, onder andere, dient te controleren of de landen die met de Europese Unie handelsrelaties onderhouden de mensenrechten, en dan vooral de rechten van de vrouw, eerbiedigen, en die actief moet reageren wanneer de mensenrechten worden geschonden;

8.   verzoekt de Commissie productie- en verwerkingsmethoden (volgens de WTO-definitie van PPM's) vanuit genderperspectief te analyseren, zodat zij PPM's kan identificeren waarbij volgens het CEDAW en mensenrechtenverdragen sprake is van gerichte genderdiscriminatie, en een strategie uit te werken om de naleving van de internationale voorschriften in de exporterende landen te bevorderen;

9.   roept de Commissie op ervoor te zorgen dat bedrijven die in het kader van het EU-samenwerkingsbeleid van EU-markttoegangsprogramma's profiteren, niet bijdragen aan praktijken als de onmenselijke uitbuiting van arbeidskrachten, en vooral van vrouwen;

10.   beklemtoont dat de arbeidsvoordelen in de (in)formele economie van diverse factoren afhankelijk zijn, onder meer van het loon, de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de werkplek, en dat vrouwen nog steeds worden achtergesteld bij het benutten van deze voordelen; vraagt de Commissie derhalve om in het kader van haar samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid een speciaal fonds in te stellen, dat voortaan deel moet uitmaken van handels- en samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, om de vrouwen van de betrokken landen te steunen door hun toegang tot krediet, onderwijs en beroepsopleiding aan te moedigen en aldus het aandeel van de informele arbeid te verminderen; verzoekt de Commissie het Parlement een verslag voor te leggen dat mede is ondertekend door de gevers en ontvangers van bijstand, om aan te tonen dat deze bijzondere financiering niet is afgeweken van zijn oorspronkelijke doelstellingen;

11.   roept de Raad, de Commissie en de lidstaten op om op korte termijn de beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid in het toepassingsbereik van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF) op te nemen en ervoor te zorgen dat de steun die vanuit dit fonds wordt verleend niet ter vervanging van socialezekerheidsuitkeringen wordt aangewend;

12.   beklemtoont dat het grote verlies aan arbeidsplaatsen in Europa de tendens naar een toenemende industriële herstructurering bevestigt; merkt op dat de verwerkende industrie, de transportsector, de telecommunicatie en de financiële dienstverlening de ergst getroffen sectoren zijn; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de niet-discriminatie en de gelijkheid van vrouwen en mannen in het kader van het EGF ernstig te nemen;

13.   verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten te garanderen dat gendermainstreaming en gelijke kansen doelstellingen zijn van alle Europese fondsen; beklemtoont de nood aan blijken van vooruitgang in de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en in de strijd tegen alle vormen van discriminatie;

14.   merkt op dat banen, werkgelegenheid en behoorlijk werk het voorwerp van een negende MOD moeten vormen en dat deze zo snel mogelijk moet worden aangenomen; wenst dat de fundamentele arbeidsnormen in multi- en bilaterale handelsakkoorden worden opgenomen en dat het gendergelijkheidsbeginsel in alle MOD's wordt opgenomen;

15.   wijst op het feit dat de universele en betaalbare toegang tot rudimentaire voorzieningen, zoals water, onderwijs, gezondheidszorg en energie, een randvoorwaarde is om vrouwen onafhankelijker te maken; benadrukt echter dat de liberalisering van diensten in het kader van GATS (General Agreement on Trade in Services) alleen aan het bereiken van dit doel kan bijdragen als in de huidige bi- en multilaterale onderhandelingen strikt wordt vastgehouden aan de GATS-beginselen van nationale flexibiliteit en beleidsruimte;

16.   onderstreept dat de TRIPS-overeenkomst twee jaar na de inwerkingtreding opnieuw onder de loep had moeten worden genomen, maar dat dit nog niet is gebeurd; dringt er derhalve op aan dit alsnog te doen, uitgaande van een effectbeoordeling van de kosten die ontwikkelingslanden voor de tenuitvoerlegging moeten maken;

17.   roept de Commissie op te toetsen of de implementatie van de afspraken die in december 2005 tijdens de ministerconferentie van de WTO in Hongkong over dwanglicenties voor antivirale HIV/aids-medicijnen zijn gemaakt, daadwerkelijk leidt tot meer toegang tot medicijnen, en in deze toetsing mede te kijken naar het genderperspectief;

18.   roept op nationale beleidsmaatregelen te treffen die gendergelijkheid, bescherming en bevordering van werk en sociaal welzijn nastreven, die de gezondheid en arbeidsomstandigheden van vrouwen en mannen verbeteren en die aan duurzame ontwikkeling bijdragen; wijst erop hoe belangrijk het is dat in alle onderhandelingen over handel en ontwikkelingsbeleid voldoende rekening wordt gehouden met nationale flexibiliteit en beleidsruimte; wil dat ontwikkelingslanden en kwetsbare economieën gegarandeerd het recht hebben om bepaalde dienstensectoren al dan niet voor de marktliberalisering open te stellen en zo ja, welke sectoren;

19.   roept de Commissie op in haar dialoog en samenwerking met derde landen in het bijzonder aandacht te besteden aan de juridische beperkingen aan de toegang van vrouwen tot productiemiddelen, zoals kredieten, landrechten en kapitaal;

20.   benadrukt dat vrouwen een dusdanig belangrijke rol in kleinschalige familiale landbouwactiviteiten spelen, dat het recht van ontwikkelingslanden om een landbouwbeleid uit te werken en uit te voeren dat hun soevereiniteit waarborgt op gebied van voeding, met name in de onderhandelingen die gevoerd worden in het kader van het WTO, moet worden geëerbiedigd en versterkt; onderstreept het grote belang van microkredieten als instrument om armoede te lenigen; verzoekt de Commissie twee keer per jaar een verslag voor te leggen, dat mede is ondertekend door de autoriteiten die financiering verstrekken en door de organismen die financiering ontvangen, en dat moet aantonen dat de financiële bijstand ter bestemming komt;

21.   roept de Commissie en de Raad op ontwikkelingslanden te helpen bij het opbouwen van hun vermogen om op een dusdanige manier handelsbeleidslijnen te formuleren, te onderhandelen en uit te voeren dat deze op de behoeften van elk land zijn afgestemd en een duurzame, gendervriendelijke ontwikkeling van de economie stimuleren; wil dat alle verleende hulpverlening gendervriendelijk is;

22.   meent dat gendereffectbeoordelingen moeten worden uitgevoerd in een vroeg stadium van de planning en begroting van bijstand aan ontwikkelingslanden; meent dat dit de beleidsvormers in staat zou stellen om de effecten van een bepaald beleid voor vrouwen en mannen nauwkeuriger te beoordelen en de huidige toestand en tendensen te vergelijken en te beoordelen in het licht van de verwachte resultaten van het voorgestelde beleid; meent dat het jaarverslag een gedeelte dient te bevatten over de follow-up van gendereffectbeoordelingen;

23.   juicht het besluit van de Noorse regering toe om een quotum van 40% vrouwen in het bestuur van maatschappijen op aandelen wettelijk verplicht te stellen;

24.   wenst dat de "aid for trade-programma's" op het bevorderen van gendergelijkheid en duurzame ontwikkeling worden gericht en door extra middelen gefinancierd; benadrukt dat "aid for trade-financiering" moet bijdragen aan de opbouw van voldoende capaciteit aan de aanbodzijde, noodzakelijk om handel te kunnen drijven, en dat deze financiering niet mag afhangen van het beleid van het begunstigde land om de landbouw-, industrie- of dienstenmarkt te liberaliseren;

25.   wijst op het belang van een gendergerichte budgettering in het Europese handelsbeleid als strategie om aan gendergelijkheid bij te dragen; roept de Commissie, de Raad en de lidstaten op gendergerichte budgettering zo snel mogelijk op alle niveaus als standaardinstrument in het begrotingsbeleid op te nemen;

26.   onderstreept dat de deelname van vrouwen aan de economie essentieel is om hun zelfvertrouwen te bevorderen en hun capaciteiten te ontwikkelen en om hun status in de gemeenschap te verbeteren; onderstreept ook dat toegang tot middelen vrouwen in staat stelt om een inkomen en activa te verwerven, waardoor het mogelijk wordt een omgeving te scheppen waarin arme vrouwen en vrouwen met een laag inkomen ondernemingen kunnen oprichten, hun levensomstandigheden kunnen verbeteren, het welzijn van hun gezin op het vlak van voeding en gezondheid kunnen verzekeren, hun kinderen kunnen opvoeden, respect kunnen afdwingen in hun gezin en de gemeenschap, en betrokken kunnen worden bij het beleid; onderstreept de ruime mogelijkheden van 'microkredieten' als een onschatbaar instrument in de strijd tegen de armoede, voor de bevordering van zelfredzaamheid en de stimulering van economische activiteit in enkele van de armste en meest benadeelde landen ter wereld;

27.   verzoekt de lidstaten om al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat in het kader van het wereldhandelsoverleg rekening wordt gehouden met de genderdimensie; verzoekt de lidstaten tevens vrouwen aan te moedigen om zich kandidaat te stellen voor functies in internationale organisaties zoals de WTO, de Wereldbank, het IMF en de IAO en de vrouwen die dat doen te ondersteunen;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten en van de toetredingslanden en aan de Raad van Europa.

(1) PB L 354 van 30.12.1998, blz. 5.
(2) PB L 17 van 19.1.2001, blz. 22.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2005)0427.


Verbetering economische situatie van de visserijsector
PDF 218kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement over de verbetering van de economische situatie van de visserijsector (2006/2110(INI))
P6_TA(2006)0390A6-0266/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB)van december 2002, en met name zijn resolutie van 17 januari 2002 over het Groenboek van de Commissie over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1),

–   gezien zijn positie van 6 juli 2005 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake het Europees Visserijfonds(2),

–   gezien de Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds(3),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2006 betreffende de "verbetering van de economische situatie in de visserijsector" (COM(2006)0103),

–   gezien de hoorzitting die de Commissie visserij op 3 mei 2006 heeft georganiseerd, over de gevolgen van de prijsverhoging van brandstoffen voor de Europese visserij-industrie,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0266/2006),

A.   overwegende dat de visserijsector van strategisch belang is voor de sociaal-economische situatie, de publieke voorziening van visproducten en het evenwicht van de voedselbalans in de lidstaten en in de Europese Unie zelf, alsook dat deze sector een belangrijke rol speelt voor de sociaal-economische welvaart van de kustgebieden, de lokale ontwikkeling, de werkgelegenheid, het behoud of het scheppen van economische activiteiten met werkgelegenheid op verschillende niveaus, de voorziening van verse vis en het behoud van lokale culturele tradities,

B.   overwegende dat er een GVB bestaat, waarvan kosten op een verantwoorde manier moeten worden gefinancierd, meer bepaald de beslissingen en maatregelen die op dit gebied genomen worden,

C.   overwegende dat de maximumgrenzen van het financieel kader 2007-2013 in acht moeten worden genomen, hoewel voor de visserijsector meer begrotingskredieten hadden moeten zijn uitgetrokken,

D.   overwegende dat de verschillende vloten van de lidstaten in 2004 bijna 90 000 vaartuigen telden en ongeveer 190 000 vissers rechtstreeks een baan verschaften,

E..   overwegende dat het GVB rekening moet houden met de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten op het gebied van de vloten, de segmenten van de vloten, de vissoorten waarop wordt gevist, het vistuig, de productiviteit, de voorkeuren van de consumenten en de hoeveelheden verbruikte vis per inwoner, naast de specifieke kenmerken van de visserijactiviteit die voortvloeien uit de sociale structuur van deze activiteit en het structureel en natuurlijk onderscheid tussen de verschillende visgebieden,

F.   overwegende dat de duurzaamheid van de visbestanden van essentieel belang is om op lange termijn de visserij-activiteit en de leefbaarheid van de visserijsector te garanderen,

G.   overwegende dat de visserij vooral geconcentreerd is in gebieden met een kwetsbare economie – die meestal onder doelstelling 1 vallen – en dat de crisis die de sector doormaakt, aanzienlijke gevolgen heeft voor de economische en sociale samenhang in deze gebieden,

H.   overwegende dat het GVB de duurzame ontwikkeling van de visserij-industrie moet ondersteunen,

I.   overwegende dat het inkomensniveau van de bevolking die van de visserij leeft, in sommige visserijsectoren aanzienlijk lager ligt dan dat van andere bevolkingsgroepen en dat deze ongelijkheid nog wordt verergerd door het feit dat het inkomen afhankelijk is van de onzekerheden van de visserij, van de schommelende handelswaarde van vis en van bepaalde productiekosten; dat het communautaire beleid derhalve de bevolking die van de visserij leeft, een aanvaardbare levensstandaard moeten bieden door bijvoorbeeld het evenwicht tussen het inkomen en de uitgaven van bedrijven te verbeteren,

J.   overwegende dat de onzekerheid betreffende het inkomen en de lonen in de visserijsector afhankelijk is van de commerciële voorwaarden in de sector, van de prijsvorming bij de eerste verkoop en van het onregelmatige karakter van de activiteit, wat het in stand houden van bepaalde nationale en communautaire overheidssteun noodzakelijk maakt,

K.   overwegende dat de stijging van de brandstofprijzen rechtstreeks van negatieve invloed is op de inkomens van bemanningsleden gezien het verband tussen de lonen enerzijds en de inkomsten uit de eerste vangstverkoop anderzijds, waarbij sprake is van een daling die kan oplopen tot 25%,

L.   overwegende dat de economische situatie van een groot aantal visserijbedrijven de laatste jaren dusdanig sterk is achteruitgegaan dat velen onder hen hun activiteit hebben stopgezet wegens een tekort aan inkomsten met alle sociaal-economische gevolgen vandien,

M.   overwegende dat de inkomensdaling enerzijds te wijten is aan de beperkingen die de visserij worden opgelegd (capaciteitsvermindering, TAC's, quota, zones waar niet mag worden gevist, plannen voor het herstel van de visbestanden en beperking van het aantal dagen waarop gevist mag worden) en anderzijds, aan de lage prijzen bij de eerste verkoop, bepaald door de structuur van de sector (zwak aanbod, toenemende concentratie van de vraag, slechte verdeling van de toegevoegde waarde, geleidelijke toename van de invoer van visproducten, toename van de productie via aquacultuur),

N.   overwegende dat alle vloten te lijden hebben onder de economische en sociale crisis in de visserij, zij het in uiteenlopende mate,

O.   overwegende dat de visserijsector tijdens het laatste decennium een daling heeft gekend van 35% van het totaal aantal banen, 20% van het aantal vaartuigen en 28% van de vangsthoeveelheden, ondanks de pogingen die in het kader van de herziening van het GVB in 2002 zijn ondernomen om deze trend te keren,

P.   overwegende dat de economische levensvatbaarheid van de visserijsector alleen gegarandeerd kan worden als de aanpassing van deze sector geflankeerd wordt door sociaal-economische maatregelen die er met name op gericht zijn het hoogste veiligheidsniveau te bereiken via een modernisering van de vloten, voor een hoog opleidingsniveau van de werknemers in de sector te zorgen en de arbeids- en levensomstandigheden van degenen die van de zee leven, te verbeteren,

Q.   overwegende dat het tekort op de handelsbalans van visproducten met derde landen de laatste jaren gestadig toeneemt en dat de EU nu meer dan 40 % van de visproducten die zij verbruikt, invoert,

R.   overwegende dat het door de verkoopdynamiek niet mogelijk is de wisselende kostenfactoren op te vangen met de prijszetting en dat de gemiddelde prijzen bij de eerste verkoop stagneren of zelfs gedaald zijn sinds 2000 zonder dat dit een prijsdaling voor de eindverbruiker van verse vis tot gevolg heeft,

S.   overwegende dat de huidige gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor visproducten niet heeft geleid tot een verbetering van de prijzen bij de eerste verkoop, noch tot een betere verdeling van de toegevoegde waarde in de totstandkoming van de waardeketen in de sector,

T.   overwegende dat de aanpassing van de omvang van de vloot aan de bestaande visbestanden geleid heeft tot een ongedifferentieerde buitenbedrijfstelling van vaartuigen waarbij geen rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van de respectievelijke vloten, noch met de visbestanden en de behoeften van de consumenten van vis in elke lidstaat, wat aanzienlijke economische en sociale gevolgen heeft gehad,

U.   overwegende dat de vermindering van de visserij-inspanning sommige lidstaten meer dan andere heeft geraakt en dat sommige lidstaten vlootreducties hebben doorgevoerd die boven het communautaire gemiddelde liggen en dat in andere lidstaten daarentegen de visserij-inspanning is verhoogd,

V.   overwegende dat het verbod op bepaalde visserijmethoden automatisch tot het verdwijnen van diverse ambachtelijke visbedrijven zal leiden, met alle belangrijke sociaal-economische gevolgen van dien,

W.   overwegende dat de stijging van de brandstofprijzen tijdens de laatste drie jaar bijzonder negatieve gevolgen heeft gehad voor de visserijsector en de bestaande crisis, de manoeuvreerruimte en economische leefbaarheid van de sector duidelijk heeft verergerd, met een aanzienlijke daling van het inkomen van de vissers als gevolg,

X.   overwegende dat de brandstofprijzen tussen 2004 en 2006 bijna verdubbeld zijn en dat ze in sommige segmenten van de sector bijna de helft van de werkingskosten van de visserijbedrijven vertegenwoordigen,

Y.   overwegende dat bepaalde studies hebben uitgewezen dat de stijging van de brandstofprijzen het failliet van duizenden visserijbedrijven en mogelijk het verlies van duizenden banen tot gevolg kan hebben,

Z.   overwegende dat de lidstaten specifieke maatregelen hebben genomen om hun vissersvloot te compenseren voor de stijging van de brandstofprijzen, onder andere door de instelling van garantiefondsen en een betere kredietverlening,

AA.   overwegende dat de tendens van stijgende brandstofprijzen structureel van aard is,

AB.   overwegende dat de Commissie met betrekking tot de vrijstelling van kennisgeving van overheidssteun voorstelt de "de minimis"-regel voor de visserijsector over een periode van drie jaar per ontvanger tot ongeveer 30 000 EUR te verhogen, d.w.z. een lager bedrag dan voor andere bedrijfssectoren geldt,

AC.   overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 december 2005 naar aanleiding van het Commissievoorstel het Europees Visserijfonds (EVF) over de periode 2007-2013 van ongeveer 4,9 miljard EUR tot ongeveer 3,8 miljard EUR heeft verlaagd, waarmee hij ervoor gezorgd heeft dat de communautaire kredieten voor de visserijsector nog ontoereikender zijn geworden,

AD.   overwegende dat de politieke overeenkomst over het EVF die op 19 juni 2006 in Luxemburg werd bereikt in de Raad Landbouw en visserij geen rekening houdt met de belangrijke aspecten van het standpunt van 6 juli 2005 en Commissievoorstellen omvat die voorkomen in haar voornoemde mededeling,

De mededeling van de Commissie

1.   betreurt het late tijdstip waarop de Commissie haar mededeling heeft gepubliceerd, alsook haar manifest gebrek aan ambitie; vindt de voorgestelde oplossingen immers ontoereikend en sommige ervan zelfs ongeschikt gezien de omvang en ernst van de crisis die de sector momenteel doormaakt en die de Commissie overigens zelf vaststelt en kenschetst;

2.   betreurt dat het aanbevolen beleid de sociaal-economische achteruitgang van de sector door de enorme stijging van de brandstofprijzen als voorwendsel gebruikt om de buitenbedrijfstelling en definitieve stopzetting van de activiteit van vissersvaartuigen te bevorderen;

3.   betreurt het dat de voorgestelde maatregelen geen daadwerkelijke sociaal-economische dimensie omvatten en dat het daarentegen maatregelen zijn die geen rekening houden met de gevolgen van hun toepassing voor de bemanningsleden van vissersvaartuigen;

4.   vestigt de aandacht op het feit dat de mededeling van de Commissie geen consequente analyse omvat van de huidige situatie van de visserij-industrie en de visserij-inspanning in het bijzonder;

5.   onderstreept dat een groot aantal van de geformuleerde voorstellen in het beste geval op korte en lange termijn slechts verwaarloosbare gevolgen zullen hebben voor de economische situatie van de visserijsector;

Onmiddellijke maatregelen

6.   betreurt dat de Commissie in het kader van de reddings- en herstructureringssteun gekant blijft tegen de eventuele uitkering van een compensatievergoeding en van exploitatiesteun; bevestigt nogmaals dat het derhalve noodzakelijk is onmiddellijk concrete maatregelen te nemen om de hoge instabiliteit van de brandstofprijzen in de sector weg te nemen, onder andere met tegemoetkomingen in de brandstofkosten; verzoekt daartoe om de instelling van een garantiefonds, met cofinanciering van de Gemeenschap, teneinde de stabiliteit van de brandstofprijzen te garanderen, alsook om de toekenning van een voorlopige compensatievergoeding aan de visserijbedrijven in kwestie;

7.   acht het noodzakelijk alle mogelijkheden en financiële marges in de Gemeenschapsbegroting voor het jaar 2006 te benutten voor de financiering van uitzonderlijke steunmaatregelen voor de sector, opdat deze laatste in staat zou zijn de moeilijkheden die voortvloeien uit de stijging van de brandstofprijzen te overwinnen, voorzover er geen andere maatregelen zijn genomen;

8.   verzoekt de Commissie zich te buigen over de voorstellen van de visserijsector om een kader in het leven te roepen waarbinnen visserijbedrijven belastingvoordelen worden toegekend ten einde de concurrentiepositie van de EU-vloot die buiten de communautaire wateren opereert, te garanderen omdat deze vloot op dezelfde markten moet concurreren met vaartuigen uit derde landen alhoewel de kosten van een communautair vaartuig meer dan 300% hoger kunnen liggen dan voor die van andere vloten;

9.   verzoekt de Commissie om de huidige crisis die voortvloeit uit de stijging van de brandstofprijzen als een niet te voorziene gebeurtenis te beschouwen overeenkomstig de bepalingen in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999, waarin de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden van de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector(4), zijn vastgesteld, en beheerd worden door het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV), waardoor dezelfde kortetermijnsteun kan worden verleend als in het geval van tijdelijke stopzetting van de activiteit, zonder voorwaarden betreffende een beperking van de capaciteit of van de visbestanden; herinnert aan de vele beloften die in dit kader reeds lang geleden zijn gedaan;

10.   verzoekt de Commissie dringend de geldigheid van de reddingssteun tot twaalf maanden te verlengen;

11.   benadrukt dat overheidssteun eveneens gericht moet zijn op de behartiging van de belangen van de bemanning van de vaartuigen, waarbij tegemoet wordt gekomen aan hun behoeften en een oplossing voor hun problemen wordt gevonden;

12.   spreekt zijn teleurstelling uit over de recent door de Commissie aangekondigde wetgeving waarbij het plafond van de "de minimis"-steun voor de visserijsector over een periode van drie jaar slechts tot 30 000 EUR wordt opgetrokken; wijst erop dat de visserijsector en de overheid van vele lidstaten erop hebben aangedrongen dit steunbedrag tot 100 000 EUR te verhogen en vergelijkt dit cijfer met het maximumbedrag dat onlangs voor andere bedrijfssectoren is overeenkomen, namelijk 200 000 EUR; benadrukt de gedane beloften inzake de verhoging van het bedrag van de "de minimis"-regel en verzoekt de Commissie de onlangs goedgekeurde overeenkomst zo spoedig mogelijk in opwaartse zin te herzien;

13.   verzoekt de Commissie vervroegde steun in het kader van het FIOV of het EVF toe te staan met het oog op het aanleggen van financieringslijnen die de toename van de werkingskosten tot een minimum kunnen beperken;

Maatregelen met effect op middellange en lange termijn
Vernieuwing en modernisering van de vloot

14.   neemt kennis van het voorstel van de Commissie om in het kader van de toekomstige herstructureringsprogramma's te investeren in aanpassingen van de vistuigen, in de aanschaf van uitrustingen en de vervanging van motoren, teneinde bij te dragen tot de omschakeling alsook tot een efficiënter en spaarzamer gebruik van energie;

15.   is van mening dat de herstructureringsplannen van bepaalde lidstaten een essentieel onderdeel van de herstructurering van de visserijsector moeten uitmaken;

16.   is van mening dat de Commissie en de lidstaten een volledig plan moeten goedkeuren om het energieverbruik van de vissersvloot te verminderen via de ontwikkeling van minder energieverbruikend vistuig en schonere machines, en, op de langere termijn, door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen;

17.   betreurt het gebrek aan visie waarmee in het kader van het EVF de steun voor vervanging van motoren wordt aangepakt; is van oordeel dat deze maatregelen, zoals steun voor vervanging van motoren van vaartuigen die langer zijn dan 12 meter te onderwerpen aan de voorwaarde dat dit gepaard moet gaan met een vermindering van 20% van het motorvermogen, bepaalde visserijpraktijken zo goed als kansloos maken, gevolgen voor de veiligheid kunnen hebben, en daarnaast tot meer fraude kunnen leiden doordat te weinig motorvermogen wordt opgegeven;

18.   dringt erop aan dat het EVF steun moet blijven verlenen voor vernieuwing en modernisering van de vissersvloot – meer bepaald wat betreft de vervanging van motoren om veiligheidsredenen of met het oog op milieuvriendelijkheid en brandstofbesparing –, die in eerste instantie ten goede moet komen aan de kleinschalige kustvaart- en ambachtelijke visserij alsook aan de vervanging van vaartuigen die meer dan 20 jaar oud zijn en waarvan de veilige werking niet meer gegarandeerd is;

Kustvisserij

19.   verzoekt de Commissie het specifiek karakter van de kleinschalige kustvisserij en de ambachtelijke visserij in het kader van het GVB te willen erkennen, te onderzoeken welke van de bestaande instrumenten geschikt zijn om te beantwoorden aan de behoeften van de sector en ze, indien nodig, aan te passen;

20.   verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een gemeenschappelijk steunprogramma voor de kleinschalige kustvisserij en de ambachtelijke visserij, dat de acties helpt coördineren en de financiering via andere bestaande instrumenten in goede banen leidt, teneinde de specifieke problemen in dit segment van de sector te verhelpen;

Marketing

21.   verheugt zich erover dat de Commissie van plan is een grondige evaluatie te maken van de huidige GMO voor visserijproducten; onderstreept dat het noodzakelijk is deze marktordening uitgebreid te herzien om de handel van vis en visproducten te verbeteren en de toegevoegde waarde te verhogen;

22.   acht het noodzakelijk de vissers in sterkere mate te betrekken bij de verwerking en het op de markt brengen van hun producten, zodat de basis voor hun inkomen wordt verbreed en hun levensstandaard wordt verbeterd; verzoekt de Commissie hiertoe voorstellen voor herziening van de GMO voor visserijproducten in te dienen, met name betreffende mechanismen die de verkoopprijs bij de eerste verkoop kan verhogen en een billijke en juiste verdeling van de toegevoegde waarde op de waardeketen kan bewerkstelligen;

23.   geeft uiting aan zijn teleurstelling omdat de visserijsector de mogelijkheden om de concurrentiepositie in het kader van de huidige GMO te verbeteren in veel gevallen niet voldoende heeft uitgebuit en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de nationale overheidsorganen en de diverse producentenorganisaties zo veel mogelijk publiciteit te geven aan deze mogelijkheden en aan andere mogelijkheden die eventueel in het kader van een toekomstige herziening van de GMO zouden worden geboden;

24.   acht het belangrijk de goedkeuring van alternatieve vormen van interventie te overwegen, gelijkaardig aan de garantieprijzen en maximale winstpercentages, opdat de toegevoegde waarde beter wordt verdeeld en de marge van de tussenpersonen wordt beperkt;

25.   onderstreept dat de structuurfondsen moeten bijdragen aan de modernisering en ontwikkeling van infrastructuren voor de handel in de visserijsector;

26.   steunt het initiatief betreffende de vaststelling van een gedragscode inzake de handel in communautaire visserijproducten;

27.   onderschrijft dat een ecologische etikettering een differentiatie van de producten zou kunnen vergemakkelijken en een duurzame handel in visserijproducten kan bevorderen;

28.   verzoekt de Commissie een studie te maken van mechanismen – helpen van de consumenten bijvoorbeeld – die het op de markt brengen van verwerkte visserijproducten met een grotere toegevoegde waarde (met name conserven) kunnen bevorderen, zoals bij bepaalde landbouwproducten het geval is;

29.   verzoekt de Commissie dringend werk te maken van de externe promotie van communautaire visserijproducten, zoals de conserven, door hun verspreiding op internationale tentoonstellingen en beurzen te financieren;

30.   vindt het belangrijk dat de Commissie nagaat wat het effect is van de communautaire en ingevoerde aquacultuurproductie op de prijs van de vis, meer bepaald op de prijzen bij de eerste verkoop;

31.   verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de ingevoerde visproducten die op de interne markt worden verhandeld, aan dezelfde verplichtingen te onderwerpen als de visserijproducten die uit de Gemeenschap afkomstig zijn;

32.   is van mening dat een investering in de verbetering van de visverwerking aan boord, met name door steun voor investeringen in koelsystemen, de eerste verkoopprijzen kan helpen verbeteren;

Financiële kwesties

33.   is bezorgd over het tekort aan financiële middelen voor de visserijsector in het financieel kader 2007-2013, meer bepaald voor het EVF, en vindt het onontbeerlijk dat er meer middelen worden uitgetrokken om de huidige crisis in de sector te kunnen opvangen;

Duurzaamheid van de visbestanden

34.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de maatregelen ter bescherming van het mariene milieu en het herstel van de visbestanden op een meer globale manier te benaderen en aandacht te besteden aan de andere factoren die een ingrijpende invloed uitoefenen op het mariene milieu en de situatie van de visbestanden (vervuiling aan de kust en in volle zee, afvalwater van industrie en landbouw, baggerwerken in mariene gronden of maritiem vervoer) als aanvulling op de bestaande beheermethodes; verzoekt de Commissie op dit vlak een gemeenschappelijk initiatief te nemen;

35.   merkt op dat er een evenwicht moet zijn tussen de sociaal-economische situatie enerzijds en de ecologische duurzaamheid anderzijds, en dat het tevens noodzakelijk is een steun- of compensatieregeling te in te voeren voor de vissers die te lijden hebben onder de sociaal-economische gevolgen van de plannen tot herstel van de visbestanden of andere maatregelen die bedoeld zijn om de ecosystemen beter te beschermen, met name in de kansarme regio's;

36.   wijst erop dat het noodzakelijk is een wettelijk kader op te stellen om de visserij-inspanning af te stemmen op de beschikbare bronnen, waarbij speciaal moet worden gedacht aan het probleem van grote vangsten door grote vaartuigen met groot vistuig in kleine visserijzones;

37.   onderstreept dat een vermindering van de visserij-inspanning en -capaciteit moet worden doorgevoerd met het oog op het behoud van de visserijsector op lange termijn;

38.   is ervan overtuigd dat de sociaal-economische problemen waarmee de Europese visserijsector wordt geconfronteerd niet kunnen worden opgelost zonder een beter beheer van de visserijactiviteiten die tot een herstel van de visbestanden moet leiden omdat er van visserij geen sprake kan zijn als er geen vis is;

39.   onderstreept dat bij het afstemmen van de nationale vissersvloten op de bestaande visbestanden rekening dient te worden gehouden met de reeds verminderde visserij-inspanning;

40.   herinnert eraan dat alle maatregelen voor het herstel van de visbestanden in overleg met de vissers moeten worden beslist en op wetenschappelijk onderzoek op het gebied van visserij moeten zijn gebaseerd;

41.   verzoekt de Commissie onderscheid te maken tussen visserijmethoden en de wijze waarop ze worden gebruikt; benadrukt dat bepaalde visserijmethoden die bij gebruik op industriële schaal als schadelijk worden beschouwd, in het kader van ambachtelijke activiteiten voor een duurzame visserij kunnen zorgen en op deze wijze de thans tot verdwijnen gedoemde visserijgemeenschappen in stand kunnen houden;

42.   verzoekt de Commissie ervan uit te gaan dat de diverse visserijactiviteiten niet los van elkaar staan maar deel uitmaken van een algemeen systeem voor de exploitatie van deze hulpbron (op het niveau van een gegeven geografische regio); benadrukt dat restrictieve maatregelen (verbod of beperking) voor een van deze activiteiten een verstoring van het evenwicht teweeg brengen, waarbij de visserij-inspanning naar andere vissoorten wordt overgeheveld, met alle belangrijke sociaal-economische gevolgen van dien voor de visserijgemeenschappen en een overbevissing van bepaalde vissoorten die reeds volledig worden geëxploiteerd;

Illegale visvangst

43.   vindt het belangrijk dat er maatregelen worden genomen om de strijd tegen illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visvangst op te voeren; dringt er bij de lidstaten op aan hun controlemechanismen op dit vlak te versterken; is van mening dat meer toezicht aan de EU-grenzen noodzakelijk is om te voorkomen dat illegaal gevangen vis in de Unie wordt ingevoerd;

44.   verzoekt de Commissie om in het kader van het huidige GVB de bepalingen te herzien die betrekking hebben op illegale, niet-gemelde en ongeregelde vangsten; is van mening dat er urgent behoefte bestaat aan regelingen die moeten voorkomen dat een aanmerkelijk deel van de vangst in zee wordt teruggeworpen;

Onderzoek

45.   onderstreept het belang van onderzoek en investeringen via het EVF en het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, met het oog op een lager en efficiënter energieverbruik in de sector;

46.   vindt het belangrijk de mogelijkheden voor de overschakeling op een ander type brandstof alsook de mogelijke synergieën met de landbouwsector op het gebied van energie te onderzoeken;

47.   benadrukt dat de mariene hulpbronnen en de visserij in het Zevende Kaderprogramma van de Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie duidelijke prioriteit moeten krijgen en dat daar voldoende middelen voor moeten worden uitgetrokken;

Beheer van het GVB

48.  Inspraak bij het beheer van het GVB

48. neemt kennis van de voorstellen van de Commissie betreffende economisch visserijbeheer, maar wijst erop dat de verdeling van quota en visserijrechten tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoort;

49.   wijst erop dat de regionale adviesraden een belangrijke rol kunnen spelen door de vissers te betrekken in het besluitvormingsproces van het GVB; onderstreept dat deze adviesraden voor hun werking communautaire steun moeten ontvangen, waarvan de omvang over vijf jaar opnieuw moet worden geëvalueerd;

50.   acht ondersteuning nodig van de verenigingen en beroepsorganisaties van de vissers die bereid zijn bij de toepassing van het GVB verantwoordelijkheid op zich te nemen (cobeheer);

51.   wenst dat het GVB verder gedecentraliseerd wordt, opdat de vissers, de organisaties die hen vertegenwoordigen en de vissersgemeenschappen meer inspraak krijgen in het GVB en in de verbetering van het visserijbeheer;

52.   constateert dat het noodzakelijk is de visserijmarkt beter te reguleren via een doeltreffend controlesysteem, ecologische etikettering en de invoering van een specifiek wetboek voor de visserijsector;

o
o   o

53.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 271 E van 7.11.2002, blz. 401.
(2) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 324.
(3) PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.
(4) PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10.


Het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen
PDF 114kWORD 37k
Resolutie van het Europees Parlement over de werking van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen (2006/2054 (INI))
P6_TA(2006)0391A6-0263/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad van 26 juni 2003 betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen(2),

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 27 maart 2003 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen(3),

–   gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de werking van Verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen (COM(2005)0700),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0263/2006),

A.   gezien de informatie en gegevens die het bovengenoemde verslag van de Commissie bevat,

B.   gezien de zeer gebrekkige inlichtingen die de lidstaten hebben verstrekt over de toepassing van "het vinnen van haaien" (afsnijden en aan boord houden van vinnen, terwijl de rest van de haai wordt teruggegooid in zee) door hun vloten,

C.   gezien de wetenschappelijke verslagen die zijn voorgelegd aan de werkgroepen van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT), waarin het voorschrift dat de vinnen niet meer dan 5% van het levend gewicht mogen uitmaken wordt betwist en die ook in het bovengenoemde verslag van de Commissie worden genoemd,

D.   zich evenwel bewust van het feit dat uit gegevens van de visserijvloten van de VS en Canada blijkt dat als de vinnen van blauwe haaien (Prionace glauca) worden afgesneden zonder aangehecht vlees of wervels, het gewichtpercentage dat de vinnen uitmaken van het schoongemaakt gewicht onder de 4% blijft en dat het niet wegsnijden van overtollig vlees ertoe leidt dat voor vinnen die in Hong Kong uit Europa worden ingevoerd een lagere prijs per kilogram wordt betaald dan voor vinnen uit de VS,

E.   overwegende dat de bepaling dat het gewicht van de haaienvinnen niet groter mag zijn dan 5% van het levende gewicht, specifiek voor wat betreft de Prionace glauca niet overeenkomt met de morfologie van deze pelagische haai, en de communautaire beugvisserij onnodig veel moeite bezorgt om binnen de grenzen van de wet te blijven,

1.   prijst de Commissie voor de duidelijkheid en beknoptheid van het verslag dat zij heeft voorgelegd;

2.   is het met de Commissie eens dat Verordening (EG) nr. 1185/2003 aan haar doel beantwoordt en spoort haar aan te blijven toezien op de toepassing ervan op basis van de jaarverslagen van de lidstaten of welke andere relevante informatie dan ook;

3.   betreurt het evenwel dat niet alle lidstaten zich strikt aan de plicht houden om controle op hun schepen uit te oefenen en de voorgeschreven verslagen in te dienen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat aan deze verplichting onverkort wordt voldaan;

4.   spoort de Commissie aan om op het internationale vlak voorstellen voor vergelijkbare maatregelen te blijven indienen die steeds zijn gebaseerd op wetenschappelijke verslagen, ten einde in de regionale visserijorganisaties de aanneming van specifieke regelingen voor over grote afstanden trekkende soorten te bewerkstelligen,

5.   verzoekt de Commissie om het Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr.1185/2003 voor te leggen, na een algehele herziening door de Commissie van wetenschappelijke onderzoekingen naar de verhouding haaienvinnen tot karkassen die representatief is voor het brede scala van Europese haaiensoorten en op haaien vissende vloten; adviseert om zolang een dergelijke herziening niet is afgerond, geen verhoging van de verhouding haaienvinnen karkassen voor te stellen;

6.   verzoekt de Commissie om het Europees Parlement en de Raad binnen zes maanden een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 voor te leggen dat aansluit bij de meerderheid van de wetenschappelijke analyses van de verhouding haaienvinnen tot karkassen voor Atlantische haaien, waaronder de blauwe haai (Prionace glauca), die concluderen dat een verhouding van 5% vinnen tot schoongemaakt gewicht (ongeveer 2,0% levend gewicht) een geschikte bovengrens is voor de gemengde haaienvisserij;

7.   verzoekt de Commissie voorstellen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1185/2003 voor te leggen om een eind te maken aan de problemen bij de uitvoering die het gevolg zijn van de bepaling dat de vinnen en de lichamen in verschillende havens aan land gebracht moeten worden;

8.   verzoekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 1 januari 2009 verslag uit te brengen over de voortgezette werking van deze verordening of een geamendeerde versie ervan en daarbij rekening te houden met internationale ontwikkelingen op dit gebied en, indien nodig, voorstellen tot wijziging van deze verordening voor te leggen;

9.   verzoekt de Commissie het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 30 juni 2007 een communautair actieplan voor de instandhouding van haaien en zeevogels voor te leggen, zoals wordt voorgesteld in haar mededeling (COM(2006)0216) "Het biodiversiteitsverlies tegen 2010 - en daarna - tot staan brengen";

10.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(2) PB L 167 van 4.7.2003, blz. 1.
(3) PB C 62 E van 11.3.2004, blz. 156.


Nanowetenschappen en nanotechnologieën (2005-2009)
PDF 133kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement over nanowetenschappen en nanotechnologieën: een actieplan voor Europa 2005-2009 (2006/2004(INI))
P6_TA(2006)0392A6-0216/2006

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2005 getiteld "Nanowetenschappen en nanotechnologieën: een actieplan voor Europa 2005-2009" (COM(2005)0243),

–   gezien het gezamenlijke verslag van de Royal Society en de Royal Academy of Engineering van 29 juli 2004, getiteld "Nanoscience and nanotechnologies: opportunities and uncertainties",

–   gezien de conclusies van het Voorzitterschap van de Raad mededingingsbeleid van 24 september 2004 te Brussel,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie: Naar een Europese strategie voor nanotechnologie(1), en zijn advies over de aangehaalde mededeling van de Commissie van 7 juni 2005(2),

–   gezien artikel 45 van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie juridische zaken (A6-0216/2006),

A.   overwegende dat de Commissie een actieplan heeft goedgekeurd voor de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een veilige, geïntegreerde en betrouwbare strategie voor nanowetenschappen en nanotechnologieën,

B.   overwegende dat de samenleving groot profijt kan hebben van de mogelijkheden van nanowetenschappen en nanotechnologieën, als multidisciplinaire sectoren, via de ontwikkeling van nieuwe producten, materialen, toepassingen en diensten, waarbij de productiviteit en de levenskwaliteit in de Unie als geheel kan toenemen,

C.   overwegende dat de Raad de belangrijke rol van nanotechnologieën op een groot aantal terreinen erkent en de klemtoon legt op het voortdurend genereren van wetenschappelijke en technologische kennis op dit gebied en het aanmoedigen van industriële toepassingen,

D.   overwegende dat het Europees Economisch en Sociaal Comité van mening is dat nanotechnologieën de Unie dichtbij de verwerkelijking kunnen brengen van de doelen die de Lissabon-strategie heeft gesteld,

1.   is ingenomen met het bovenvermelde actieplan van de Commissie, waarin een aantal concrete en onderling verbonden acties worden gedefinieerd voor de onmiddellijke toepassing van nanowetenschappen en nanotechnologieën, waarbij wordt uitgegaan van voorrangsgebieden die vastgesteld zijn naar gelang de toekomstige behoeften;

2.   erkent de belangrijke rol die nanowetenschappen en nanotechnologieën kunnen spelen als potentieel baanbrekende technologieën voor de bevordering van de verwezenlijking van economische, sociale en milieudoelstellingen van de Unie; is er voorts van overtuigd dat nanotechnologieën kunnen voorzien in de behoeften van de burgers (volksgezondheid, energie, vervoer, duurzame ontwikkeling, enz.), maar ook kunnen bijdragen aan de concurrentiekracht en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Unie;

3.   wijst erop dat technologiefora, adviesgroepen van deskundigen en actieplannen nuttige instrumenten zijn om gemeenschappelijke onderzoeksagenda's en ontwikkelingsstrategieën op het terrein van nanotechnologieën en nanowetenschappen te helpen ontwikkelen en daarbij nieuwe werkgelegenheid te scheppen en de economische groei te versterken;

4.   steunt de in de mededeling van de Commissie van 7 juni 2005 opgenomen doelstellingen en initiatieven en is ingenomen met de heldere focus van mededeling en actieplan;

5.   beklemtoont tegelijkertijd de noodzaak tot verhoging van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling uit de openbare middelen; is zich ervan bewust dat het versnipperde karakter van het Europese onderzoekslandschap weliswaar leidt tot een goede beschikbaarheid en betrekkelijk lage kosten van nanowetenschappelijk onderzoek, maar dat middelen moeten worden gereserveerd voor de oprichting en handhaving van de nodige grootschalige faciliteiten, waartoe met name stofvrije laboratoria, lithografische processen en de uiterst kostbare analytische procedures behoren; geeft in dit verband uiting aan zijn zorg over het huidige niveau van de overheidsinvesteringen in Europa in nanowetenschappen en nanotechnologieën, pleit ervoor dat tegenover de ambities in het actieplan een adequate financiering staat en steunt de Commissie in haar wil om de middelen die worden ingezet voor onderzoek op dit gebied aanzienlijk te versterken, wat noodzakelijk is voor de toekomst van de ontwikkeling van Europa;

6.   is van mening dat Europa behoefte heeft aan een samenhangend systeem voor een O&O-infrastructuur van wereldklasse zodat de Unie op het terrein van nanowetenschappen en nanotechnologieën concurrerend kan blijven; vestigt er de aandacht op dat, om te kunnen profiteren van eventuele schaalvergroting en gezien de interdisciplinaire en complexe aard van de infrastructuur voor O&O in nanotechnologieën, een kritieke financieringsmassa ter beschikking moet zijn, die de middelen van lokale overheden en het bedrijfsleven te boven gaat; erkent echter dat nationaal O&O-beleid op kleinere schaal vaak adequater kan reageren op nieuwe mogelijkheden en marktontwikkelingen; dringt er dan ook bij de Commissie en de lidstaten op aan hun O&O-inspanningen op dit terrein te intensiveren en te coördineren; beveelt dan ook aan in iedere lidstaat volgens de specifieke kenmerken van het betrokken land een minimale kritieke massa aan infrastructuur en wetenschappers met specifieke deskundigheid op het gebied van nanowetenschappen en -technologieën te creëren, hetgeen uiteindelijk kan uitmonden in de oprichting van gespecialiseerde centra van excellentie in een aantal landen met coördinatie op EU-niveau;

7.   vestigt in het bijzonder de aandacht op de nanogeneeskunde als veelbelovend interdisciplinair onderzoeksterrein met baanbrekende technologieën (zoals moleculaire beeld- en diagnosetechniek) die indrukwekkende voordelen kunnen hebben voor een vroegtijdige diagnose en een slimme en kostenbesparende behandeling van aandoeningen als kanker, hart- en vaatziekten, diabetes, Alzheimer en Parkinson; roept de Commissie en de nationale en regionale autoriteiten dringend op hun investeringen in O&O op dit terrein te intensiveren en hun inspanningen op elkaar af te stemmen via het in het Zevende kaderprogramma voor activiteiten inzake onderzoek, technologische ontwikkelingen en demonstratie (KP7) voorgestelde Europees technologieplatform voor nanogeneeskunde alsook via andere instrumenten, zoals de voorgestelde kennisregio's van het KP7, teneinde op dit terrein de vereiste kritieke massa te bereiken;

8.   benadrukt het grote belang van de nanowetenschappen en -technologieën voor de ontwikkeling van de moleculaire biologie;

9.   is ervan overtuigd dat multidisciplinaire nanowetenschappen en -technologieën moeten worden gericht op de ontwikkeling van waterstofenergie, met inbegrip van de ontwikkeling van nieuwe en doeltreffende manieren om waterstofcellen en andere efficiënte brandstofcellen op te slaan, evenals technologieën voor informatieopslag met een veel grotere capaciteit dan thans mogelijk is;

10.   beklemtoont de aanzienlijke vooruitgang die in Europa is geboekt op het gebied van de nanotechnologieën, op basis van een benadering van bovenaf, met name op gebieden als nanocomposieten, slijtvaste and corrosievrije coatings en lagen, alsmede de productie van katalysatoren en fotodiodes, met inbegrip van de zogeheten blauwe laser, evenals op het gebied van de nanogeneeskunde, nanocosmetica en nanodiagnose van ziekten;

11.   is van mening dat het niveau van het fundamenteel onderzoek in Europa het mogelijk maakt dat technologische instrumenten worden gecreëerd die een benadering van onderaf mogelijk maken, met name in de nano-elektronica;

12.   is van mening dat maatregelen om de technologische ontwikkeling te versnellen, moeten worden aangevuld door beleidsmaatregelen die kunnen zorgen voor de marktdoorbraak van bestaande technologieën; wijst erop dat door normering gelijke concurrentievoorwaarden op markten en in de internationale handel tot stand kunnen worden gebracht, wat een voorwaarde is voor eerlijke concurrentie, comparatieve risicobeoordeling en regulerend optreden; dringt er dan ook bij de Commissie en de Raad op aan een einde te maken aan barrières als het ontbreken van normering en onduidelijke wetgeving, die de invoering van nanotechnologieën en -wetenschappen in Europa onnodig vertragen, en dit te doen zonder nieuwe bureaucratische obstakels op te werpen;

13.   beklemtoont het belang van het genereren van de "kennisdriehoek" (onderwijs, onderzoek en innovatie) die nodig is voor de Europese onderzoeksruimte; is van mening dat voor het bereiken van de noodzakelijke synergie tussen onderzoek, onderwijs en innovatie een alomvattende aanpak van kennisoverdracht en de ontwikkeling van niet-sectorgebonden personeel vereist zijn; dringt er dan ook bij de lidstaten op aan strategieën te ontwikkelen ter verbetering van kennisoverdracht en het kennistekort aan te pakken door grotere nadruk te leggen op het onderwijs in de natuurwetenschappen en meer studenten voor de nanowetenschappen en de wetenschapsgerelateerde, multidisciplinaire vakken aan te trekken; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie ter ondersteuning van de opleidingsnetwerken voor onderzoek naar nanotechnologieën en verzoekt de lidstaten om met het oog op de ontwikkeling van nieuwe hybride technologieën zowel zelfstandig als in nauwe onderlinge samenwerking multidisciplinaire netwerken op te zetten waarin nanotechnologieën met een diversiteit aan andere onderzoeksgebieden worden gecombineerd;

14.   is van mening dat bedrijfsleven, onderzoeksinstituten en financiële instellingen moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat hoogwaardige O&O op het terrein van nanotechnologieën en nanowetenschappen tot nieuwe producten en processen leidt; gelooft dat de lidstaten dit proces moeten versnellen en stimuleren door zich te richten op verbetering van het ondernemersklimaat voor bedrijven in de sector van de nanotechnologie in hun land, met name voor nieuwe bedrijven, KMO's en innovatieve ondernemingen; is in dit verband van mening dat de bescherming van intellectuele eigendomsrechten van doorslaggevend belang is voor innovatie, zowel bij het aantrekken van nieuwe investeringen als bij het waarborgen van toekomstige inkomsten; verzoekt de Commissie normen voor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en modellen voor licentieovereenkomsten uit te werken;

15.   betreurt het feit dat het octrooieren van uitvindingen inzake nanowetenschappen en -technologieën in Europa traag verloopt; verzoekt de EU een op nanowetenschappen en -technologieën gebaseerd octrooibewakingssysteem te ontwikkelen via het Europees Octrooibureau;

16.   moedigt algemene hervormingen van het Europese octrooistelsel aan om de kosten bij aanvraag van een octrooi te verlagen en de toegankelijkheid van het octrooisysteem voor KMO's te verbeteren; benadrukt dat er behoefte is aan meer transparantie en duidelijke grenzen aan de omvang van de octrooibescherming;

17.   is ervan overtuigd dat Europa's kans om op dit terrein in de voorhoede te komen en te blijven, staat of valt met haar vermogen tot coördinatie; herhaalt de noodzaak van één communautair coördinatiepunt en van het spreken met één stem door de Unie op het internationale toneel, met name gezien de problemen met de octrooibescherming in China; dringt er dan ook bij de Commissie en de lidstaten op aan mechanismen te ontwerpen om de activiteiten op dit terrein doeltreffend te coördineren; verzoekt de Commissie in haar beleid nadrukkelijk rekening te houden met alle activiteiten die in het kader van de OESO (zoals definities, nomenclatuur, risicobeheersing) en UNESCO (ethiek) plaatsvinden;

18.   erkent dat de integratie van aspecten van sociale aard, volkgezondheid en veiligheid in de technologische ontwikkeling van nanowetenschappen en nanotechnologieën een essentieel element van een verantwoorde strategie is; dringt er in dit verband bij de Commissie, de lidstaten en het Europese bedrijfsleven op aan een zinvolle dialoog aan te gaan met alle belanghebbende partijen, zodat de ontwikkelingen op duurzame wijze kunnen worden gestuurd;

19.   dringt aan dat gedurende de gehele levenscyclus van een product uit de nanowetenschappen en -technologieën de technologische risico's moeten worden geëvalueerd (vanaf het ontwerp tot de verwijdering of recyclage) voor de volksgezondheid, de consument, de werknemer en het milieu;

20.   beveelt aan dat het in de ingrediëntendeclaratie van consumentenproducten wordt vermeld indien materiaal is toegevoegd dat uit kunstmatig geproduceerde nanodeeltjes bestaat;

21.   benadrukt de noodzaak hoge ethische beginselen te respecteren en is ingenomen met de voorziene onderzoeken omtrent bepaalde kwesties zoals niet-therapeutische menselijke verbetering en de onderlinge verhoudingen tussen nanowetenschappen en -technologieën en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; verwacht dat de onderzoeken openbaar zijn en een grondige analyse van nanogeneeskunde bevatten;

22.   steunt de oprichting van ethische comités die, dankzij hun onafhankelijk wetenschappelijk advies, eraan zullen bijdragen dat het publiek goed geïnformeerd is en een klimaat van vertrouwen wordt gecreëerd met betrekking tot de eventuele risico's en de voordelen die zijn verbonden aan de toepassing van ontdekkingen op het gebied van nanotechnologieën;

23.   is ingenomen met de raadpleging over dit voorstel en spoort de Commissie aan haar activiteiten te blijven verbeteren om aan de toenemende vraag naar een betere regelgeving te kunnen beantwoorden;

24.   is ingenomen met het voornemen van de Commissie om adequaat, meertalig informatiemateriaal te ontwikkelen voor verschillende leeftijdsgroepen om de bewustwording van de vooruitgang en het te verwachten profijt van nanowetenschappen en nanotechnologieën te vergroten; dringt er bij de Commissie op aan hierbij nauw samen te werken met de lidstaten; beveelt de Commissie aan een communicatiestrategie op te zetten om het publiek beter bekend te maken met de enorme nieuwe mogelijkheden die de nanotechnologie biedt en de bestaande angsten weg te nemen; stelt voor dat de Commissie als onderdeel van deze communicatiestrategie ook gebruikmaakt van bijvoorbeeld een promotietoer (met een nanobus) of het instellen van een prijs voor nanotechnologie;

25.   dringt er bij het bedrijfsleven op aan mee te doen aan de gezamenlijke inspanningen en deel te nemen aan de ontwikkeling van nanotechnologieën, rekening houdend met de gevolgen daarvan voor economie, samenleving, volksgezondheid, veiligheid en milieu en op te treden volgens de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen; legt in dit verband de nadruk op het mee helpen verschaffen door ondernemingen van objectieve informatie over wetenschappelijke ontdekkingen op het gebied van nanowetenschappen en -technologieën, de voorgenomen aanwending van nanowetenschappen en -technologieën en de maatschappelijke risico's en voordelen van nanowetenschappen en -technologieën;

26.   beklemtoont dat bij elke toepassing en elk gebruik van nanowetenschappen en -technologieën een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, de consument, de werknemer en het milieu in acht moet worden genomen, zoals voorgeschreven door de Unie, en benadrukt dat het nanomateriaal moet worden gecodificeerd, hetgeen zal leiden tot de formulering van normen, hetgeen op zijn beurt zou leiden tot een intensivering van de inspanningen om risico's te identificeren; verzoekt de Commissie de nodige initiatieven daartoe te nemen;

27.   wijst op het belang van de miniaturisatie van producten, teneinde bij te dragen aan een verkleining van de afvalberg en een doelmatig energieverbruik;

28.   beklemtoont dat het inzicht in de mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid en het milieu van nieuwe, synthetische nanodeeltjes nog beperkt is en dat bijgevolg de effecten van slecht oplosbare en moeilijk afbreekbare nanodeeltjes dienen, conform het voorzorgsprincipe, onderzocht te worden vóórdat deze deeltjes in productie worden genomen en op de markt worden gebracht;

29.   dringt er bij de Commissie op aan bijzondere aandacht te besteden aan de ontwikkeling van nanowetenschappen en nanotechnologieën in de nieuwe lidstaten door hun de nodige middelen ter beschikking te stellen om hun eigen onderzoeksprofielen te definiëren en tegelijkertijd de voorhoedepositie van de grote Europese locaties verder te versterken om voor Europa een voortrekkersrol op wereldniveau te creëren;

30.   beklemtoont het belang van internationale samenwerking op het terrein van nanowetenschappen en nanotechnologieën; dringt er bij de Commissie op aan de reeds uitstekende relaties met vooral Russische wetenschappers verder te versterken en een onderzoek in te stellen naar de kansen en beperkingen van samenwerking op dit gebied met de Verenigde Staten, Japan, Rusland, China en India; verzoekt de Commissie de internationale samenwerking te verbeteren om de verwerking van octrooiaanvragen op het gebied van nanowetenschappen en -technologieën tussen de EU, de Verenigde Staten en Japan te harmoniseren; beklemtoont de noodzaak een intensievere dialoog tot stand te brengen met naleving van de verplichtingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO);

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 157 van 28.6.2005, blz. 22.
(2) INT/277 - CESE 1237/2005.

Juridische mededeling - Privacybeleid